Toelichting op provinciaal inpassingsplan
Tekst van het document
Gebleken is dat voor de voornoemde scenario’s een bluswatercapaciteit benodigd is van 180 m³/uur, uitgevoegd als 2 voorzieningen van elk 90 m³/uur. Deze capaciteit blijkt langs de N280 (nog) niet voorhanden te zijn. Door de brandweer wordt geadviseerd bij de rotondes ter hoogte van Baexem en Kelpen extra bluswatervoorzieningen met een capaciteit van 90 m³/uur te treffen. Deze bluswatervoorzieningen zullen op de door de brandweer geadviseerde posities gerealiseerd worden.
83
Relevantie voor het inpassingsplan Het aspect externe veiligheid staat de planvorming en de realisatie van het initiatief niet in de weg. Op grond van het onderzoek externe veiligheid en de verantwoording groepsrisico is geconcludeerd dat de bluswatervoorzieningen op twee locaties aangevuld moeten worden. In het PIP is hier rekening mee gehouden.
5.10
Trillingen Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘Trillingen’, de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 11 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader Bij de beoordeling van trillingen ten gevolge van wegen wordt aangesloten bij de richtlijn "Hinder voor personen - Deel B uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn: Trillingen" uit 2013 van de Stichting Bouwresearch (SBR). In deze publicatie wordt voor de beoordeling van de gewijzigde situatie van wegverkeer aangegeven dat als uitgangspunt geldt dat de wijziging niet mag leiden tot een verhoging van de aanwezige trillingssterkte, waarbij de trillingssterkte niet lager hoeft te zijn dan de streefwaarden die gelden voor de nieuwe situatie. Dit betekent dat de trillingssterkte in de ongewijzigde situatie bekend moet zijn voordat de wijziging plaatsvindt.
Onderzoeksresultaat In de huidige situatie wordt ter plaatse van alle beoordelingslocaties voldaan aan de streefwaarden voor trillinghinder. De te verwachten trillingsniveaus ten gevolge van de nieuwe weg zijn getoetst aan de criteria die hieraan worden gesteld in de genoemde SBR-richtlijn. Ten behoeve van de aanleg wordt een aantal wegdelen van het onderliggend wegennet fysiek gewijzigd (verlegd). Voor deze wegdelen is bepaald of er sprake is van een toename van de te verwachten trillingsniveaus. Dit is met name relevant voor die locaties waar de weg na herinrichting op kleinere afstand van woningen komt te liggen. De woningen met de grootste toename van de trillingssterkten in de situatie vóór en ná herinrichting zijn in onderstaande tabel weergegeven. Locatie Rijksweg Zuid 8
Vmax huidig 0,0313
Vmax toekomstig 0,0532
Toename
Rijksweg Zuid 8a
0,03
0,0493
0,0193
Rijksweg Noord 4
0,0437
0,0599
0,0162
Rijksweg 15
0,0706
0,086
0,0154
Rijksweg Zuid 9
0,0445
0,0562
0,0117
Baexemerweg 2
0,0776
0,0856
0,008
Rijksweg Noord 8
0,0451
0,0509
0,0058
Rijksweg 26
0,0811
0,0855
0,0044
Rijksweg Zuid 5
0,0769
0,0794
0,0025
Keversbroek 3
0,0226
0,024
0,0014
Rijksweg 10
0,079
0,0804
0,0014
Keversbroek 3
0,022
0,0233
0,0013
Rijksweg Zuid 5
0,0635
0,0646
0,0011
Rijksweg 24
0,0679
0,0689
0,001
0,0219
Tabel 10: Rekenresultaten Uit de berekeningen (zie ook bijlage 2 van het onderzoek in bijlage 11 van deze toelichting) blijkt dat bij een aantal woningen de trillingssterkte in de toekomst toeneemt. Deze toename wordt berekend doordat de weg in de toekomst na herinrichting op kleinere afstand van deze woningen wordt gesitueerd. De afstandswijziging is echter zeer gering, waardoor de toenames ook zeer gering zijn.
84
Ter plaatse van de woningen waar een toename wordt berekend, is de trillingssterkte getoetst aan de streefwaarden voor nieuwe situaties. De streefwaarden worden gerespecteerd. De trillingssterkte Vper bedraagt in alle gevallen 0.
Relevantie voor het inpassingsplan De trillingsniveaus voldoen aan het gestelde in de SBR-richtlijn "Hinder voor personen - Deel B uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn: Trillingen". Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect trillingen en dus van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect trillingen als gevolg van de aanleg van de N280 Leudal en de aanpassingen aan het aangrenzende / onderliggende wegennet staat de verdere planvorming niet in de weg.
5.11
Duurzaamheid Duurzaamheid speelt op diverse aspecten in de plan- en uitvoering van de voorgenomen reconstructie van de N280 Leudal een rol. In het uitvoeringscontract dat wordt aanbesteed wordt vastgelegd welke eisen er aan de uitvoerende aannemer worden gesteld ten behoeve van bijvoorbeeld CO2-reductie tijdens de uitvoeringsfase, bijvoorbeeld door de inzet van een percentage elektrisch materieel in de wegenbouw. Deze maatregelen zijn op dit moment in de planvorming nog niet allemaal bekend. In de planvormingsfase is duurzaamheid gedefinieerd als het ontwerpen van een robuuste, toekomstvaste oplossing. Uit de verkeerskundige analyse en de toets op doelbereik, blijkt dat dat in dit project bij het uitgewerkte Definitief Ontwerp het geval is. Een duurzaam ontwerp betekent ook dat al in de planvormingsfase wordt nagedacht over de kosten voor het toekomstig beheer. Naast de initiële investeringskosten, zijn ook de toekomstige beheerkosten bepalend voor de Total Cost of Ownership (TCO) die aan de orde zijn in dit project. Om die reden is er bijvoorbeeld in het DO voor gekozen om de parallelwegen, fietspaden en (turbo)rotondes in beton uit te voeren en niet in asfalt. Hierdoor hoeft minder frequent onderhoud te worden uitgevoerd. Dit is niet alleen kostentechnisch interessant, maar heeft eveneens een positieve invloed op omgevingshinder (minder omgevingshinder).
Langs de N280 Leudal wordt spaarzaam omgegaan met verlichting. Enkel daar waar dat ten behoeve van de veiligheid nodig is, bijvoorbeeld op kruispunten en kruisingen, worden verlichtingsarmaturen geplaatst. Deze worden voorzien van LED-verlichting. In de huidige situatie is langs nagenoeg de volledige weg verlichting aangebracht.
Relevantie voor het inpassingsplan Bij de verdere uitwerking wordt rekening gehouden met de duurzaamheidsambities en met gezondheidsaspecten zoals hiervoor omschreven.
5.12
Explosieven Hierna wordt ingegaan op het aspect ‘niet gesprongen explosieven’ (NGE), de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, het onderzoekskader en de relevantie voor het inpassingsplan. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als bijlage 12 van deze toelichting. Deze rapportage bevat het volledige onderzoek.
Onderzoekskader Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd. In het navolgende overzicht staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Aanvullende bronnen dienen in bepaalde in het certificatieschema vastgelegde situaties te worden gehanteerd. De conclusie ‘verdacht’ wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen.
85
Tabel 11: overzicht geraadpleegde bronnen.
Onderzoeksresultaat Uit het vooronderzoek blijkt het volgende. Het doel van de studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogde kans op het aantreffen van Conventionele Explosieven oftewel van verdacht gebied? Op basis van archiefonderzoek en luchtfoto-interpretatie zijn er binnen en nabij het onderzoeksgebied indicaties achterhaald van oorlogshandelingen in de vorm van de aanwezigheid van loopgraven, militaire stellingen en inslagkraters als gevolg van artilleriebeschietingen. Hierdoor is er sprake van een verhoogde kans op het aantreffen van Conventionele Explosieven en is het onderzoeksgebied als VERDACHT aangemerkt. 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied als onverdacht kan worden aangemerkt? Er zijn contra-indicaties achterhaald binnen het als verdacht aangemerkte gebied in de vorm van de aanleg van verhardingen in het oostelijk deel van het onderzoekstracé. Deze grondroerende activiteiten worden als contraindicatief aangemerkt, met andere woorden: deze naoorlogse geroerde bodemlagen zijn als ONVERDACHT aangemerkt. 3.
Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? Naar aanleiding van voorgaande deelconclusies kan worden opgemaakt dat er binnen het onderzoeksgebied sprake is van twee verschijningsvormen: gedumpt en verschoten. Bij de (sub)soort bij de verschijningsvormen verschoten en gedumpt worden met name (dus niet uitsluitend) brisantgranaten van het kaliber 3.7inch en 25ponder vermoedt. Binnen de locaties ‘gedumpt’ worden tevens munitieartikelen van Duitse infanterie vermoed. De hoeveelheid kan op basis van de beschikbare gegevens niet feitelijk worden vastgesteld.
86
Aan de hand van de voorgenomen werkzaamheden en de mogelijk- en onmogelijkheden binnen het als verdacht aangemerkte onderzoeksgebied, wordt in overleg met een gecertificeerd opsporingsbureau bepaald welke uitvoeringsprocedures dienen te worden gehanteerd met betrekking tot een veilige omgang met explosieven. De detectie- en eventuele benaderwerkzaamheden worden door een WSCS-OCE gecertificeerd bedrijf uitgevoerd.
Relevantie voor het inpassingsplan Bij de verdere planvorming en realisatie van het initiatief wordt rekening gehouden met de resultaten van het vooronderzoek. De resultaten van het vooronderzoek staan de verdere planvorming en realisatie van het initiatief niet in de weg.
87
6
JURIDISCHE ASPECTEN
6.1
Opzet provinciaal inpassingsplan Provincies hebben op basis van de Wro de bevoegdheid om bestemmingsplannen te maken. In die situaties wordt in de Wro gesproken van inpassingsplannen. Met dit instrument kunnen de provinciale belangen ruimtelijk vastgelegd worden. Dit is in paragraaf 3.5.1 van de Wro geregeld voor provinciale inpassingsplannen. De inhoudelijke en procedurele aspecten van een inpassingsplan zijn vrijwel gelijk aan die van het bestemmingsplan zoals beschreven in de afdelingen 3.1, 3.2 en 3.3. Er bestaat wel een extra verplichting om de gemeenteraad te horen. Hoe een provincie dit doet is vormvrij. Ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening bestaat een bestemmingsplan en ook dit inpassingsplan uit (plan)regels en de verbeelding. Deze twee onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Het inpassingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden en motivatie uiteen worden gezet. Het provinciaal inpassingsplan is een provinciaal instrument waarin regels zijn opgenomen voor het gebruik (in de ruime zin van het woord) van gronden en bouwwerken. Zowel de burger als de overheid moet zich houden aan het inpassingsplan. Door middel van dit inpassingsplan geeft de provincie handen en voeten aan haar doelstellingen voor de N280 Leudal. Dit geschiedt door het leggen van bestemmingen en daarbij aan te geven wat wel en niet is toegestaan.
In de planopzet is aansluiting gezocht bij de recente uitgave "Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen", kortweg SVBP. De van het bestemmingsplan deel uitmakende planregels worden - voor zo ver nodig geacht - van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De regels geven aan waarvoor de gronden al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er mag worden gebouwd. Conform de landelijke standaard zijn de regels ondergebracht in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: In dit hoofdstuk worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hierin worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Hoofdstuk 3 bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels. Hierin is het overgangsrecht geregeld alsmede de titel. Voor de enkelbestemmingen en dubbelbestemmingen geldt een vaste opbouw. Niet alle elementen hoeven hierbij steeds te worden opgenomen.
De volgende onderdelen komen (deels) terug bij de diverse bestemmingen: Bestemmingsnaam: Aangesloten is bij de voorgeschreven benamingen uit de SVBP 2012. De bestemmingen staan in alfabetische volgorde. Bestemmingsomschrijving: Hierin komt tot uiting welke doeleinden aan de betreffende gronden zijn toegekend. Het betreft een verdere uitwerking van de bestemmingsnaam. Bouwregels: Hierin zijn de situerings- en maatvoeringseisen opgenomen voor bouwwerken. Afwijken van de bouwregels: Onder dit kopje worden mogelijkheden geboden voor kleine afwijkingen in maatvoering en situering. Specifieke gebruiksregels: Deze regeling geeft een nadere invulling aan de gebruiksmogelijkheden. Afwijken van de gebruiksregels: Onder dit kopje zijn regels opgenomen onder welke voorwaarden van verboden gebruik kan worden afgeweken. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Via dit instrument wordt voorkomen dat de bestemming wordt gefrustreerd door werken en
89
6.2
werkzaamheden binnen het bestemmingsgebied. Activiteiten die een nadeel kunnen toebrengen zijn slechts toegestaan indien hiervoor een vergunning is verkregen. Het verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van de uitvoering van het inrichtingsplan of de werkzaamheden in het kader van het inrichtingsplan overschrijden de archeologische ondergrenzen. Bij overschrijding van de archeologische ondergrenzen zijn deze werkzaamheden vergunning- en (archeologisch) onderzoeksplichtig. Wijzigingsbevoegdheid: Dit instrument biedt de mogelijkheid om grotere afwijkingen van het inpassingsplan door te voeren.
Toelichting op bestemmingsregeling Hierna wordt een toelichting gegeven op de verschillende bestemmingen die zijn opgenomen in regels en verbeelding. Veelal zijn deze bestemmingen overgenomen conform het reeds ter plaatse geldende bestemmingsplannen (Nederweert en Leudal). Agrarisch Gronden, aangrenzend aan het tracé, zijn of worden aangekocht. De nu geldende (soms woon) bestemming komt te vervallen. Deze gronden hebben een bestemming gekregen, aansluitend aan de bestemming van aangrenzende gronden. Dit is vaak de agrarische bestemming. De agrarische bestemming is zoveel mogelijk overgenomen conform de geldende bestemmingsplannen. Bepalingen die niet relevant zijn, of ontwikkelingen mogelijk maken die niet reëel zijn, direct naar een weg, zijn achterwege gelaten. Voor de twee percelen die ingezet worden ter voorkoming van negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie is een specifieke gebruiksregel opgenomen, waarmee bemesting wordt uitgesloten. Agrarisch met waarden – 4 Dit betreffen de gronden, direct grenzend aan de N280 Leudal die zijn voorzien van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – 4’, conform de agrarische bestemming van aangrenzende percelen.
Deze bestemming heeft als doel het behoud en de versterking van de natuurlijke waterhuishouding, en de daarvan afhankelijke landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede de realisering van een veerkrachtig watersysteem (conservering, opvang hoge waterafvoer) en versterking van de landschappelijke structuur. Bedrijf Deze bestemming is opgenomen voor het tankstation binnen het plangebied. Bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten (lichte bedrijvigheid) zijn bij recht toegestaan. Het tankstation is specifiek aangeduid als verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het volledige bouwvlak mag worden bebouwd. In het artikel zijn nog enige afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Groen De bestemming ‘Groen’ is onder andere toegekend aan de bermen langs de weg. Zo wordt de groene inpassing gegarandeerd en inzicht geboden in de ligging van de weg. Binnen deze bestemming zijn naast groen ook waterhuishoudkundige voorzieningen, kunstwerken en diverse ander voorzieningen toegestaan. Natuur De gronden waar natuurcompensatie plaatsvindt hebben in dit inpassingsplan de bestemming Natuur gekregen om er voor te zorgen dat natuurcompensatie ook daadwerkelijk plaats kan vinden.
In de bestemming ‘Verkeer’ is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de realisatie van deze natuur conform bijgevoegd compensatieplan. Verkeer De bestemming Verkeer is toegekend aan de aan te leggen / her in te richten weg en bijbehorende parallelwegen, fietspaden, kunstwerken, rotondes, aansluitende wegdelen, etc. Binnen deze bestemming wordt
90
de herinrichting / aanleg van de weg voorzien. Om inzicht te bieden in de ligging van de weg, hebben bermen de ‘Groen’-bestemming gekregen. Het ontwerp van de weg heeft als basis gediend voor de begrenzing van deze bestemming. Water De waterlopen (A-watergangen) binnen het plangebied, zijn conform geldende regeling in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Leudal bestemd. De volgende dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn zoveel als mogelijk conform het geldende bestemmingsplan buitengebied overgenomen. Leiding - Gas Voor de hoofdaardgastransportleiding is de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen conform de huidige en de nieuw beoogde ligging nabij de Kelperbrug. Deze dubbelbestemming waarborgt een ongestoorde ligging van de leiding en daarmee tevens de externe veiligheid. Leiding – Hoogspanningsverbinding De hoogspanningsverbinding in het plangebied is conform de regeling in het Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016, met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' bestemd. Deze dubbelbestemming waarborgt de bescherming van de hoogspanningsleiding. Waarde – Archeologie en Waarde - Archeologie1, 4, 5, en 6 In lijn met ter plaatse geldende dubbelbestemmingen zijn de eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd middels deze dubbelbestemmingen.
Voor het plangebied binnen de gemeente Nederweert (gronden natuurcompensatie) is aangesloten bij de ter plaatse geldende regeling voor ‘Waarde – Archeologie’. Voor de overige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ is aangesloten bij de regelingen uit het Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016. Binnen de gemeente Leudal zijn de gebieden met een archeologische verwachtingswaarden conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart bestemd als 'Waarde - Archeologie'. Per onderzoekscategorie van de bodemingrepen (oppervlakte en diepte) is een aparte bestemming opgenomen. Deze nummering komt overeen met de nummering van de archeologische beleidskaart. Om te toetsen of het uitvoeren van archeologisch onderzoek benodigd is, is de oppervlakte leidend. De dieptemaat geeft aan dat tot die diepte de bodem reeds verstoord is. Waarde – Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden Ter bescherming van hydrologisch gevoelige gebieden is een beschermende dubbelbestemming opgenomen. In de dubbelbestemming zijn beperkende bouwregels opgenomen en een vergunningstelsel om af te wijken van de bouwregels. De dubbelbestemming is conform de regeling in het Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016.
Waterstaat – Beschermingszone watergang Langs een aantal waterlichamen die in beheer van Waterschap Limburg zijn, geldt een zone waar beperkingen gelden voor activiteiten die niet vallen onder het beheer en onderhoud van de waterloop. Ook gelden er beperkingen voor activiteiten anders dan ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop. Deze regeling is opgenomen conform Bestemmingsplan Buitengebied Nederweert. Waterstaat – Waterlopen Langs een aantal waterlichamen die in beheer van Waterschap Limburg zijn, geldt een zone waar beperkingen gelden voor activiteiten die niet vallen onder het beheer en onderhoud van de waterloop. Ook gelden er beperkingen voor activiteiten anders dan ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop. Deze regeling is opgenomen conform Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016.
91
Ook voor de gebiedsaanduidingen geldt, dat deze in verbeelding en regels zijn opgenomen conform Reparatieen veegplan Buitengebied Leudal 2016 of Bestemmingsplan Buitengebied Nederweert. Hierna is een korte toelichting opgenomen op de regelingen. Gebiedsaanduiding milieuzone – boringsvrije zone Voor de boringsvrije zone is een gebiedsaanduiding opgenomen. Deze gebiedsaanduiding heeft een signaleringsfunctie. Ter plaatse geldt primair het bepaalde in de Omgevingsverordening Limburg. Gebiedsaanduiding milieuzone – extensiveringsgebied intensieve veehouderij Gebieden waarin uitbreiding, hervestiging, nieuwvestiging en omschakeling van intensieve veehouderij niet mogelijk is, danwel onmogelijk wordt gemaakt zijn met specifiek aangeduid op de verbeelding. Gebiedsaanduiding milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Ter plaatse van het grondwaterbeschermingsgebied is een gebiedsaanduiding opgenomen. Deze gebiedsaanduiding heeft een signaleringsfunctie. Ter plaatse geldt primair het bepaalde in de Omgevingsverordening Limburg. Gebiedsaanduiding overige zone – kernrandzone Rond de kernen geldt een kernrandzone van 200 m. Deze zone is geïntroduceerd om een scheiding aan te brengen tussen mens- en dierconcentraties.
Binnen deze aanduiding mag geen uitbreiding plaatsvinden van de bestaande intensieve veehouderij en zijn geen agrarische bedrijven mogelijk met een bouwvlak groter dan 2,5 hectare. Gebiedsaanduiding overige zone – landschappelijke elementen De kleinschalige landschapselementen zijn allen aangeduid met de gebiedsaanduiding 'Landschappelijke elementen'. Ter plaatse dient het type landschapselement behouden te blijven. In de regels is hiertoe een bijlage opgenomen met een kaart waarop de type landschapselementen staan aangegeven. Het betreft de volgende elementen: groep bomen, poel, bomenrij, knotbomenrij, gemengd bos, graft, houtsingel, houtwal, loofbos, naaldbos, populierenopslag en steilrand. Ter plaatse van deze aanduiding moet voor het uitvoeren van de genoemde werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden een omgevingsvergunning worden verleend. Gebiedsaanduiding overige zone – openheid Gebieden waar de aanwezige openheid een belangrijke waarde vormt, is de gebiedsaanduiding 'Openheid' opgenomen. Ter plaatse dient de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt te worden. Dit houdt in dat nieuwvestiging van agrarische bedrijven en het aanbrengen van beplanting is onder voorwaarden toegestaan.
Ter plaatse van deze aanduiding moet voor het uitvoeren van de genoemde werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden een omgevingsvergunning worden verleend. Gebiedsaanduiding veiligheidszone – bevi Rond het lpg-tankstation bij Baexem, is een veiligheidszone opgenomen. Binnen deze zone zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – hoogspanningsverbinding Ter plaatse van de (bovengrondse) hoogspanningsverbinding binnen het plangebied geldt een vrijwaringszone, waarbinnen geen gevoelige objecten mogen worden gerealiseerd. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – molenbiotoop Ter bescherming van de instandhouding en belangen van de molen, zijn binnen een zone van 400 meter rondom de molen nadere regels ten aanzien van de bouwhoogte van nieuw op te richten gebouwen en bouwwerken van toepassing. Deze maximaal toegestane bouwhoogte is mede afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de molen. Met een formule wordt deze maximale bouwhoogte berekend. In een bijlage bij de regels is deze formule nader toegelicht en uitgeschreven.
92
Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – spoor Ter plaatse van deze aanduiding mag geen bebouwing worden opgericht. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – vaarweg De gronden ter plaatse van deze aanduiding zijn conform het Barro bestemd voor de veilige doorvaart van de scheepvaart. Daarom mogen ter plaatse geen gebouwen worden gebouwd. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – weg 0 – 50 m Ter plaatse van deze aanduiding mag geen bebouwing worden opgericht anders dan met de Rijksweg A2 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende en ecologische voorzieningen. Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – weg 50 – 100 m Ter plaatse van deze aanduiding mag geen bebouwing worden opgericht anders dan met de Rijksweg A2 verband houdende bouwwerken, zoals geluidswerende en ecologische voorzieningen. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het voorgaande voor het bouwen van een bouwwerk, mits door de bouw van dit bouwwerk de verkeersbelangen niet onevenredig worden geschaad. Daartoe dient vooraf de betrokken wegbeheerder te worden gehoord.
93
7
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van de reconstructie van de N280 Leudal, zoals juridisch-planologisch mogelijk gemaakt in dit inpassingsplan. Economische uitvoerbaarheid is een criterium dat met name in de beoordeling van ruimtelijke plannen aan de orde is. In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan (in deze het inpassingsplan) in ieder geval ‘de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan’ moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder planschade, de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren, maar ook over economische uitvoerbaarheid, of het plan in de planperiode gerealiseerd kan worden. In het geval van de N280 Leudal is er sprake van een besluit op het gebied van ruimtelijke ordening en dient voor de vaststelling van het plan de economische uitvoerbaarheid getoetst te worden. De voorgenomen reconstructie van de N280 Leudal is mogelijk dankzij bijdragen van de Provincie Limburg, de gemeente Leudal en Rijkswaterstaat. Hiervoor zijn inmiddels overeenkomsten getekend.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt (zie ook paragraaf 3.1 van deze toelichting) dat eind 2019/begin 2020 een heroverweging van de verschillende mobiliteitsopgaven en -ambities op het gebied van spoor, fiets en wegen is uitgevoerd op grond van diverse criteria, waaronder de beschikbare middelen. Op basis hiervan hebben Provinciale Staten op 14 februari 2020 ingestemd met het voorstel om de inhoudelijke scope van het project N280 Leudal niet te wijzigen. Het plan wordt geheel met overheidsgelden verwezenlijkt. Met de ondertekening van de financiële afspraken is de economische uitvoerbaarheid geborgd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze paragraaf beschrijft het proces dat is doorlopen voor de planvorming van de N280 Leudal. Hierin zijn twee sporen te onderscheiden: een formeel spoor in de vorm van de procedure van dit inpassingsplan en een spoor waarin overleg en afstemming heeft plaatsgevonden met de omgeving. Hierna wordt ingegaan op het formele spoor. Voor een omschrijving van het overleg en de afstemming die hebben plaatsgevonden wordt hier verwezen naar hoofdstuk 3 van deze toelichting.
7.2.1
Vooroverleg Het ontwerp van de N280 Leudal is besproken met diverse instanties zoals betrokken gemeenten, Rijkswaterstaat, Waterschap Limburg, Gasunie, Veiligheidsregio etc. Verkregen informatie, op- en/of aanmerkingen vanuit deze overleggen zijn meegenomen en integraal verwerkt in het definitief ontwerp van de weg dat wordt mogelijk gemaakt in dit inpassingsplan.
7.2.2
Ter visie legging Het ontwerp inpassingsplan wordt ter visie gelegd in het gemeentehuis van Leudal (te Heythuysen) en Nederweert en op het provinciehuis te Maastricht en is tevens digitaal raadpleegbaar. Een ieder heeft dan de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Alle zienswijzen worden van een antwoord voorzien. De zienswijzennota met daarbij (eventueel) een nota van wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen, worden toegevoegd aan de toelichting van het inpassingsplan. Vervolgens wordt het inpassingsplan met daarbij onder andere de nota van zienswijzen en eventueel de nota wijzigingen vastgesteld door provinciale staten van Limburg.
95
BIJLAGEN
B1 OVERZICHT PLANGEBIED
B1-1