Toelichting op provinciaal inpassingsplan
Tekst van het document
26
Aanvullend wordt voor langzaam verkeer de mogelijkheid geboden om op drie extra locaties de N280 Leudal te kruisen: Fietstunnel Kelpen-Oler. Voetgangerstunnel Hubert Cuyperslaan. Voetgangerstunnel Exaten. Het aantal locaties om over te steken wordt kleiner. Dit heeft ook voordelen. Met uitzondering van de twee turborotondes vinden alle overige oversteekbewegingen ongelijkvloers plaats. Dit betekent dat kruisend verkeer gewoon door kan rijden. Met name voor vracht- en autoverkeer is dit positief. Dit verkeer ondervindt nauwelijks hinder van de te overbruggen hoogteverschillen. Voor langzaam verkeer is dit anders. Voor het passeren van fietstunnels en viaducten moeten extra inspanningen worden geleverd. Dit geldt ook voor de voetgangerstunnels. De verkeersveiligheid wordt hierdoor aanzienlijk verbeterd.
2.3.2
Principes landschappelijke inpassing Hierna wordt ingegaan op de principes die zijn toegepast bij de landschappelijke inpassing. Ook wordt nog separaat stilgestaan bij de beplanting die wordt toegepast. Bij de keuze voor het ‘nieuwe’ tracé van de N280 Leudal is zoveel mogelijk het tracé van de bestaande weg gekozen. Hierdoor is de ingreep in het landschap beperkt. Ter hoogte van Baexem is gekozen voor een omleiding buiten de kern om, maar wel zo dicht mogelijk tegen de kern aan en grotendeels verdiept aangelegd. Zo wordt het landschap in de omgeving zo min mogelijk aangetast. Verder wordt alleen nabij het Kanaal Wessem-Nederweert de weg over grotere afstand verplaatst om een verkeersveilige aansluiting op een nieuwe Kelperbrug (en de aansluiting op de A2) te kunnen maken, rekening houdend met de eisen die door Rijkswaterstaat zijn gesteld aan een nieuwe brug. De oude Kelperbrug wordt vervangen door een nieuwe brug en een deel van het oude tracé van de N280 wordt een parallelweg. Ter hoogte van Baexem wordt het tracé in zuidelijke richting verplaatst ten opzichte van het huidige tracé om zo woningen in de kern Baexem te ontzien. Op het traject tussen Baexem en de N273 worden de aansluiting van de op- en afritten van de N280 Leudal op de N273 heringericht.
Bij het ontwerp van de N280 Leudal zijn bestaande bomen langs de N280 zoveel mogelijk behouden en ingepast in het wegontwerp. Hierbij is nadrukkelijk gekeken naar het ruimtebeslag van de nieuwe weg en de toekomstwaarde (vitaliteit) en ecologische waarde van de bomen. Vanwege de voorgenomen verbreding van de weg en de aanleg van parallelwegen en kunstwerken, is meer ruimte nodig dan in de huidige situatie. Daarom kan niet alle laanbeplanting gehandhaafd blijven. De vernieuwde N280 Leudal wordt grotendeels aan weerszijden voorzien van nieuwe bomen zodat het groene lint door het landschap wordt hersteld. Uitzondering hierop vormt het wegvak tussen Kelpen-Oler en A2, waar alleen aan de noordzijde een bomenrij is voorzien. De vrijkomende ruimte van het huidige grondlichaam van de huidige Kelperbrug wordt ingepast met bomen en andere beplanting. Vanaf de turborotonde Kelpen-Oler tot aan de turborotonde in Baexem is een tweezijdige bomenrij voorzien. Tussen Baexem en Exaten wordt het wegvak deels vrijgehouden van beplanting in verband met het open landschap. In de huidige situatie zijn er verschillende ‘gaten’ in de laanstructuur aanwezig, waardoor een rommelig beeld is ontstaan. De reconstructie van de N280 Leudal biedt de mogelijkheid om aan weerszijden van de weg een volledig nieuwe robuuste groenstructuur te realiseren.
Aanvankelijk is deze kleiner van omvang dan in de huidige situatie, omdat de bomen nog moeten groeien. In de loop der jaren wordt deze structuur echter steeds robuuster. Rondom de molen van Baexem ligt een zogenoemde molenbiotoop. Een molenbiotoop bestaat uit de omgeving van een molen, waarbinnen deze functioneert. Een molenbiotoop kent een aantal elementen, waarbij de open ruimte en de vrije toegankelijkheid een grote rol spelen. De molen dient immers voldoende wind te kunnen vangen. Vanwege deze molenbiotoop en de hier te behouden openheid, wordt de laanstructuur hier onderbroken.
27
Waar de N280 hoogspanningsleidingen en viaducten kruist, wordt de laanbeplanting eveneens onderbroken. Parallel aan de hoogspanningsleidingen is immers sprake van een strook waarbinnen het laten groeien van hoge bomen en hoge beplanting vanuit het oogpunt van veiligheid en vanwege onderhoud niet gewenst en niet toegestaan is. Het gaat om de volgende locaties waar dit aan de orde is: Ter plaatse van de kruising van de hoogspanningsleidingen zijn binnen de betreffende beschermingszones geen bomen toegestaan, zodat de bomenrijen hier worden onderbroken. Ter hoogte van de hoogspanningsverbinding Buggenum-Nederweert (150kV) bedraagt deze zone 20 meter aan weerszijden vanaf de hartlijn en ter hoogte van de hoogspanningsverbinding MaasbrachtEindhoven (380kV) bedraagt de zone 36 meter aan weerszijden van de hartlijn. Onder de hoogspanningsleidingen zijn hagen voorzien, mede om verblinding en misleiding voor het verkeer te voorkomen. Ter plaatse van het viaduct Bosstraat-Heideweg vindt ook een onderbreking plaats. Dit is een viaduct voor een veilige oversteek voor schoolgaande kinderen en recreatief fietsverkeer. Langs de op- en afritten naar dit viaduct komt geen hoge beplanting zodat dit zo min mogelijk opvalt. Ter plaatse van het viaduct Hunselerdijk-Reijndersstraat is de onderbreking ruimer, vanwege de parallelwegen die onder het viaduct doorlopen.
Dit is ook een viaduct voor een veilige oversteek voor schoolgaande kinderen en recreatief fietsverkeer. Ook langs de op- en afritten naar dit viaduct komt geen hoge beplanting zodat dit viaduct zo min mogelijk opvalt. De bomenrij eindigt ter hoogte van de Hubert Cuyperslaan, in verband met het vrijhouden van beplanting vanwege de molenbiotoop. Ter plaatse van de verdiepte ligging van Baexem is qua bomenrijen alleen sprake om de achtertuinen van de woningen tussen de oude en de nieuwe N280 af te schermen. Hierbij is aangesloten op het ‘toekomstig raamwerk’ zoals dat is opgenomen in de beleidsregel duurzame energie van de gemeente Leudal. De huidige open- en beslotenheid van het gebied worden nauwelijks of niet aangetast. De verdiepte ligging van de N280 ter hoogte van Baexem draagt hier aan bij. In de huidige situatie zijn beekdalen niet altijd zichtbaar vanaf de N280. In de toekomstige situatie wordt ter hoogte van de kruising van de beekdalen beplanting aangebracht die past bij een beekdal. Hierdoor zijn de beekdalen beter herkenbaar in het landschap dan nu. Historische waarden worden hersteld. Het wegvak tussen Baexem en Exaten wordt grotendeels vrij gehouden van bomenrijen om de openheid van het landschap te behouden.
Alleen aan de zuidzijde is het laatste deel nabij Exaten voorzien van een bomenrij en aan de noordzijde is een aantal bomen nabij de uitvoeger van tankstation de Haan behouden. Aan de zuidzijde zijn hagen voorzien tussen hoofdrijbaan en parallelweg. Behoudens de een- en tweezijdige bomenrijen voorziet het ontwerp van de N280 Leudal eveneens in landschappelijke inpassing van bijzondere locaties, voornamelijk bij kruisingen van wegen. Ook wordt op diverse locaties getracht bestaande bomen(rijen) te handhaven. Beplanting Het hoofddoel van de bomenrijen langs de N280 Leudal is het creëren van een herkenbaar, zogenaamd ‘groen lint’ door het landschap, waarmee de betekenis van de N280, als belangrijke verbindende infrastructuur, zichtbaar wordt gemaakt in het landschap. Maar ook vanuit de wegbeleving is het van belang het tracé te begeleiden met bomen, zodat een vanzelfsprekende begeleiding van het lineaire wegprofiel wordt versterkt. Ook in de huidige situatie wordt de N280 landschappelijk begeleid door bomen, veelal eiken. Echter zijn er in de loop der tijd gaten gevallen in dit ‘groene lint’. Deze historische situatie en betekenis van de N280 wordt weer in ere hersteld door de aanplant van nieuwe bomenrijen. Daarnaast hebben de bomen een positief effect op het voorkomen van lichtverblinding tussen verkeersgebruikers van de N280 en de parallelwegen/fietspaden.
Niet op de laatste plaats bieden de bomen ook een ‘overbrugging’ voor fauna tussen de noordzijde en zuidzijde van de N280. Op sommige plaatsen is dit een ‘must’ voor routes van vleermuizen, op ander plaatsen heeft het een algemeen ecologisch positief effect voor meerdere diersoorten, zoals insecten en vogels.
28
Gezien de zwaardere infrastructurele betekenis van de nieuwe N280 en landschappelijke begeleiding daarvan is er vooralsnog voor gekozen om het gehele tracé te begeleiden met bijvoorbeeld eiken (Quercus robur, zomereik). Hierbij kan worden gedacht aan selecties als ‘Hemelrijk’. Om te voorkomen dat de nieuwe aanplant ten prooi valt aan de eikenspintkever of processierups moet er vooral veel aandacht geschonken worden aan de aanplant omstandigheden en groeiplaatskwaliteit. Aspecten als een kwalitatief hoogwaardig plantvak (omvang en grondsamenstelling en waterhuishouding), plantseizoen, watergeven, snoei etc. zijn zeer bepalend voor het goed aanslaan van de bomen en het voorkomen van plagen. Hier wordt bij de aanplant reeds rekening mee gehouden, om zo de N280 Leudal in te passen in het landschap.
29
2.4
Nadere uitwerking locaties
2.4.1
Kelperbrug Het Kanaal Wessem-Nederweert kan op dit moment uitsluitend worden gebruikt door plezierjachten en duwvaart met een hoogtebeperking van één enkele bak. Dit heeft onder andere te maken met de doorvaarthoogte van de huidige Kelperbrug nabij de A2. Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat het kanaal in de toekomst geschikt moet zijn voor duwvaart met een hoogte van twee bakken. Dit betekent dat het profiel van vrije ruimte onder de Kelperbrug moet toenemen. Dit heeft als consequentie dat de brug en daarmee de ruimtelijke impact groter worden. Ook heeft Rijkswaterstaat eisen gesteld aan de toekomstige doorvaartbreedte. In de huidige situatie is er ter plaatse van de Kelperbrug een versmalling in het kanaal aanwezig. Een nieuwe brug moet het voor Rijkswaterstaat mogelijk maken om deze versmalling in de toekomst te verwijderen. Ook dit draagt bij aan de ruimtelijke impact van de brug. Dit vraagt namelijk om een grotere overspanning van de brug. Bovendien stelt Rijkswaterstaat ten behoeve van de scheepvaart als eis dat bij een nieuwe brug altijd sprake dient te zijn van een (nagenoeg) haakse kruising van het kanaal. Ten opzichte van de huidige ligging schuift de brug in de toekomst beperkt op in noordelijke richting. Naast het feit dat deze optie relatief goedkoop is heeft het verleggen van de brug de volgende voordelen: 1.
Door het verleggen van de brug kan de nieuwe N280 op een betere manier worden aangesloten op de rotonde bij de A2. Dit heeft een positieve invloed op de doorstroming en de verkeersveiligheid. 2. Sluipverkeer via de toekomstige parallelstructuren tussen de A2 en Kelpen-Oler wordt ontmoedigd, omdat er omrijdbewegingen moeten worden gemaakt. Hierdoor wordt de N280 optimaal benut. 3. Tijdens de aanleg van de nieuwe brug kan de bestaande route gewoon open blijven. Dit beperkt de bouwhinder tot een minimum en waarborgt de doorstroming tijdens de aanlegfase. 4. De bestaande woning (Rijksweg-Zuid 8) wordt ontzien, waardoor de bedrijfsvoering niet wordt gefrustreerd. 5. Het handhaven van de N280 op de huidige locatie is vanuit het oogpunt van een Duurzame Veilige inrichting van de weg niet mogelijk. Bij een snelheidsregime van 80 km/uur is het niet mogelijk om aan de richtlijnen van Duurzaam Veilig met betrekking tot bochtstralen te voldoen.
Afbeelding 7: Definitief ontwerp tracé N280 Leudal nabij de Kelperbrug
30
Afbeelding 8: Visualisatie nieuwe Kelperbrug
2.4.2
Kruising N280 – Kelperweg – Grathemerweg Ter plaatse van de kruising N280 - Kelperweg - Grathemerweg wordt een turborotonde gerealiseerd. Deze rotonde ligt ten westen van de beek Berkven. Het huidige kruispunt verschuift hiervoor ongeveer 150 meter in westelijke richting. Hierdoor kan een logische en vloeiende aansluiting van de Kelperweg op de rotonde worden gemaakt. Om de N280 ongelijkvloers te kunnen kruisen door (brom)fietsers zijn de mogelijkheden van ongelijkvloerse kruisingen onderzocht. Daarbij zijn viaducten en tunnels bekeken. Vanwege de hoogteligging van de omgeving en de voordelen voor de fietsers qua snelheid is gekozen voor een tunnel. Fietsers krijgen bij het inrijden van de tunnel een hogere snelheid, die ze mee kunnen nemen om aan de andere zijde weer omhoog te kunnen rijden. Bij een viaduct moet je energie leveren om boven te komen om vervolgens aan de andere zijde snelheid te krijgen waardoor het kruispunt met (té) hoge snelheid wordt benaderd. Dit laatste is onveilig. In de fietstunnel worden eveneens voorzieningen getroffen voor voetgangers. Nabij de turborotonde wordt een klein bustransferium gerealiseerd voor het halteren van het openbaar vervoer.
Afbeelding 9: Definitief ontwerp turborotonde N280 - Kelperweg – Grathemerweg
31
Afbeelding 10: Visualisatie rotonde Kelpen-Oler
2.4.3
Ongelijkvloerse kruisingen Heideweg – Bosstraat en Hunselerdijk – Reijndersstraat De Heideweg-Bosstraat en de Hunselerdijk-Reijndersstraat kruisen de N280 in de toekomstige situatie door middel van een viaduct. Met de omgeving is afgesproken dat deze verbindingswegen over de volle lengte de mogelijkheid moeten bieden voor twee elkaar tegemoetkomende landbouwvoertuigen om elkaar te kunnen passeren. Dit dient dus ook mogelijk te zijn op het viaduct. Daarom is ervoor gekozen om het asfalt op de wegen naar het viaduct 5,5 meter breed te maken met aan weerszijden een strook halfverharding van 0,75 meter. Hierdoor ontstaat een totale berijdbare breedte van 7,00 meter voor landbouwvoertuigen. Door de stroken aan weerszijden uit te voeren in halfverharding wordt het totale dwarsprofiel niet breder. Deze stroken maken onderdeel uit van de obstakelvrije berm. Het viaduct wordt zo vormgeven dat voor het landbouwverkeer een obstakelvrije breedte aanwezig is van 7,00 meter. Ook hier blijft de rijbaanbreedte beperkt tot 5,50 meter. Voor beide locaties geldt dat schoolgaande jeugd van de ongelijkvloerse kruisingen gebruik zal maken. Hier wordt in het ontwerp van de parallelstructuren en verbindingswegen rekening mee gehouden.
Afbeelding 11: Definitief ontwerp viaduct Bosstraat – Heideweg
32
Afbeelding 12: Definitief ontwerp viaduct Reijndersstraat-Hunselerdijk
2.4.4
Omlegging N280 bij Baexem Tussen de Hubert Cuyperslaan en het tankstation ‘De Haan’ wordt de N280 verlegd. Een van de knelpunten van de huidige N280 is de filevorming bij de rotonde Baexem en de hinder voor de bewoners van de aangrenzende woningen. In het Plan-MER N280-wegvak Baexem zijn diverse alternatieven en varianten voor de omlegging van de N280 onderzocht op doelbereik en milieueffecten. Op basis hiervan is ervoor gekozen om de N280 zo dicht mogelijk tegen de kom aan te leggen om zo het buitengebied zo min mogelijk aan te tasten (Alternatief 3C). Deze keuze is op 7 februari 2014 door Provinciale Staten gemaakt. Op 5 februari 2016 is door Provinciale Staten besloten deze keuze niet te heroverwegen. Tevens is besloten voor de omlegging om Baexem in de gecombineerde Plan- en Project-MER-fase voor de N280-Leudal niet nog eens meerdere alternatieven te onderzoeken. De effecten zijn in beeld gebracht (zie ook paragraaf 5.3 van het bijgevoegde MER). Ter hoogte van de Hubert Cuyperslaan buigt de nieuwe N280 af naar het zuiden. Ten oosten van de Auroramolen wordt een nieuwe (turbo)rotonde aangelegd. Op de turborotonde sluit een verbindingsweg aan op het huidige tracé van de N280, die als gebiedsontsluitingsweg naar Baexem wordt ingericht.
Vanaf de turborotonde wordt de N280 op een afstand van een kleine 100 meter zuidelijk van de huidige N280 achter de woningen aan de Rijksweg langs geleid. Om een ongelijkvloerse kruising met de Kasteelweg te maken en de visuele impact van de nieuwe N280 te verkleinen, wordt de weg hier verdiept aangelegd. Dit leidt ook tot een lagere geluid belasting vanwege het verkeer. De Kasteelweg kruist de verdiepte N280 met een breed viaduct, zodat de situatie landschappelijk kan worden ingepast op het viaduct. Ter hoogte van tankstation De Haan volgt de N280 nagenoeg weer het huidige tracé.
33
Ten zuiden van de nieuwe N280 wordt een in twee richtingen te berijden fietspad aangelegd. Dit fietspad sluit aan op de Kasteelweg. Tussen de Kasteelweg en de Exatenweg (aan de zuidzijde) wordt een voor alle verkeer te berijden parallelweg aangelegd. Aan de noordzijde wordt een parallelweg achter het tankstation De Haan aangelegd, die ter hoogte van hoeve Exaten overgaat in een (brom)fietspad en zodoende voor gemotoriseerd verkeer doodlopend is. Vanuit de Hubert Cuyperslaan wordt een verbinding gemaakt naar de bestaande N280, die nabij de turborotonde Baexem aansluit. Deze verbindingsweg is in twee richtingen berijdbaar voor alle verkeer.
Afbeelding 13: Definitief ontwerp tracé bij Baexem
2.4.5
Aansluitingen N280 – N273 De bestaande voorrangskruispunten zonder tussen de toe- en afritten van de N280 en de N273 (Napoleonsweg) worden omgebouwd tot ovondes, zodat zowel de verkeersafwikkeling als de verkeersveiligheid worden verbeterd op deze locaties. De toe- en afritten van de N280 Leudal worden op deze ovondes als aparte aansluitingen opgenomen. Voor langzaam verkeer is een fietstunnel onder de N273 voorzien. De Baexemerweg krijgt eveneens een eigen aansluiting en voor de Defensieweg wordt een nieuwe aansluiting gerealiseerd. Het ontwerp van deze ovondes is in de afbeelding hierna weergegeven.
Afbeelding 14: Definitief ontwerp aansluitingen N280 – N273
34
3
PROCESVERANTWOORDING Zoals gezegd loopt het planvormingstraject voor de N280 Leudal reeds enkele jaren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het proces wat in dit kader is doorlopen. Eerst wordt kort stilgestaan bij de aanleiding voor de planvorming waarna in chronologische volgorde de verschillende stappen in beeld worden gebracht.
3.1
Bestuurlijke afspraken en besluiten De N280–West tussen Weert en Roermond is de belangrijkste oost-westverbinding in de regio Midden-Limburg. Het functioneren van deze verbinding staat al ruime tijd onder druk. In paragraaf 2.2 van deze toelichting is reeds uitgebreid bij de inhoudelijke aanleiding voor de herontwikkeling van de N280 Leudal stilgestaan. Hierna wordt ingegaan op de meer procesmatige stappen die zijn genomen en hebben geleid tot voorliggend inpassingsplan. Het vaststellen van het inpassingsplan N280 Leudal vormt het sluitstuk van een lang onderzoeks- en planvormingstraject naar een optimale inrichting van dit gedeelte van de weg. In het planproces zijn tot nu toe onder andere de volgende stappen gezet: Verkeersstudie Midden-Limburg. In 2009 is een brede studie naar de verkeersproblematiek op de N280 gepubliceerd. De N280 is hierin als ontwikkelas aangemerkt voor de gebiedsontwikkeling Midden-Limburg. Tegen dit perspectief zijn zeventien opties afgewogen en zijn uiteindelijk zes alternatieven overgebleven. Startdocument Ontwikkelas Weert – Roermond. Op 7 december 2010 is de Startnotitie voor het PlanMER Ontwikkelas Weert – Roermond gepubliceerd. In dit startdocument zijn zeven oplossingsrichtingen voor de verkeers- en leefbaarheidsproblematiek op de N280 gepresenteerd. Plan-MER N280-West. Het Plan-MER is op 29 augustus 2011 gepubliceerd.
In dit MER zijn de zeven oplossingsrichtingen uit de bovengenoemde startnotitie beoordeeld op hun (milieu)effecten, waaronder een knelpuntgerichte aanpak. Uitwerking van het planvoornemen zoals beschreven in voorliggend MER sluit aan op deze knelpuntgerichte aanpak. Afwegingsdocument N280-West. Gelijktijdig met het Plan-MER is een afwegingsdocument opgesteld. In dit afwegingsdocument is aan de hand van de projectdoelstellingen een beoordeling van de oplossingsrichtingen uitgevoerd. Naast een toets op doelbereik zijn ten behoeve van een meer integrale belangenafweging daarbij tevens een regionaal economische effectenstudie, (REES), een verkeerskundige studie, een kostenraming en een Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) uitgevoerd. Gedeputeerde Staten hebben op 10 januari 2012 besloten om oplossingsrichting 2 als nader uit te werken voorkeursoplossing te benoemen. Hiermee is fase 1 afgerond. Voor het vervolgtraject is een knelpuntgerichte aanpak gevolgd. De uitwerking van de voorgenomen activiteit in voorliggend MER sluit aan bij genoemd besluit. Startnotitie fase 2 – Ontwikkelas Weert – Roermond N280-West. Op 3 april 2012 is de startnotitie voor fase 2 gepubliceerd. In de startnotitie wordt de N280 opgesplitst in twee deelprojecten: o Project 1: N280 wegvak Weert – Lateraalkanaal (project N280-west). o Project 2: N280 wegvak Roermond (separaat project).
Voor het project 1 worden diverse varianten gepresenteerd binnen de knelpuntgerichte aanpak van de verkeersproblematiek. Op 8 juni 2012 hebben Provinciale Staten besloten tot de start van fase 2 van het project Ontwikkelas Weert – Roermond en wordt ingestemd met de Startnotitie N280-west. Gedurende 2012 zijn verschillende effectstudies op het gebied van onder andere verkeer, luchtkwaliteit en natuur uitgevoerd. Notitie reikwijdte en detailniveau N280-West – wegvak Baexem. Op 2 april 2013 is de NRD voor het gedeelte van de N280 nabij Baexem gepubliceerd. In deze NRD zijn 5 alternatieven en meerdere
35
-
-
-
-
-
-
-
-
36
varianten (per alternatief) gepresenteerd voor de inrichting van de N280 tussen het kruispunt Paalweg Reijndersstraat en de locatie waar het wegvak over gaat van 2x1 naar 2x2 rijstroken (wegvak Baexem, nabij Exaten). Tussentijds toetsingsadvies over het milieueffectrapport N280-West – wegvak Baexem. Op 19 augustus 2013 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie-m.e.r.) een tussentijds advies gegeven over het Plan-MER voor het wegvak Baexem. MER N280 wegvak Baexem tussenrapportage. In januari 2014 is de tussenrapportage van het MER voor het wegvak Baexem opgeleverd. In deze tussenrapportage wordt naar aanleiding van het tussentijds toetsingsadvies van de Cie-m.e.r. nader ingegaan op de alternatieven 2, 3 en 5. Keuze voorkeursalternatief. Op 7 februari 2014 hebben Provinciale Staten gekozen voor alternatief 3C (dicht langs de kern van Baexem) als voorkeursalternatief voor het Plan-MER N280-West, wegvak Baexem. Dit alternatief 3C maakt integraal onderdeel uit van het planvoornemen zoals beschreven en onderzocht in bijgevoegd MER. Scopewijziging. Op 5 februari 2016 hebben Provinciale Staten ingestemd met een scopewijziging voor dit project.
Deze wijziging houdt in dat het wegvak tussen Weert en de A2 als projectonderdeel komt te vervallen evenals de herinrichting van de wegvakken op de N273 tussen de drie nieuw aan te leggen rotondes ter hoogte van de aansluiting met de N280 en de N279. Daarnaast is de keuze voor variant 3C herbevestigd en is besloten om voor het hele traject, tussen de A2 en de N273, één provinciaal inpassingsplan op te stellen. Ten behoeve van de besluitvorming over dit PIP wordt een m.e.r.-procedure doorlopen. Ook wordt een rotonde gerealiseerd, bij beide toe- en afritten van de N280 ter hoogte van de N273 en ter hoogte van de N279-N273. Uitwerking van dit besluit is middels het planvoornemen opgenomen in bijgevoegd MER. In 2016 is het regionale verkeersmodel geactualiseerd. De Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau N280-West, wegvak Leudal. Deze beschrijft welke effecten in het MER onderzocht worden alsmede de criteria waarop deze beoordeeld worden. De concept NRD heeft gedurende 6 weken ter visie gelegen en de Commissie m.e.r. heeft een advies uitgebracht over reikwijdte en detailniveau voor het MER. De ontvangen reacties zijn samengevat en beantwoord in een zienswijzenota die op 30 januari 2018 samen met de naar aanleiding daarvan aangepaste NRD door het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg vastgesteld.
Daarmee zijn de kaders voor het MER formeel vastgesteld en is besloten geen varianten of alternatieven voor de voorgenomen activiteiten te onderzoeken. Er is in het bijgevoegde MER sprake van een toetsend in plaats van een ontwerpend MER. Nadat reikwijdte en detailniveau door Gedeputeerde Staten (het bevoegd gezag voor de m.e.r.procedure) is vastgesteld heeft de gemeenteraad van de gemeente Leudal op 6 februari 2018 de expliciete voorkeur uitgesproken om de Hubert Cuyperslaan niet in één richting berijdbaar te maken, maar in twee richtingen. Gelet op de reeds gestarte procedure, en de afwijking van dit standpunt van de raad ten opzichte van de vastgestelde NRD, is ervoor gekozen om alsnog een extra variant te onderzoeken in het MER, beiden gebaseerd op het voorkeursalternatief (tracé) zoals eerder beschreven. In feite vindt hierdoor een uitbreiding van het onderzoek plaats en géén wijziging van de onderzoeken ten opzichte van hetgeen is beschreven in de NRD. Op basis van de aanvullende Afwegingsnotitie Hubert Cuyperslaan (als bijlage 3 bij het MER (bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd) heeft de gemeenteraad van Leudal in november 2018 het eerder genomen standpunt met betrekking tot het tweezijdig ontsluiten van de Hubert Cuyperslaan op de N280 bekrachtigd.
Uit het MER en de aanvullende afwegingsnotitie is gebleken dat de effecten van het oorspronkelijke planvoornemen en de variant met tweerichtingenverkeer op de Hubert Cuyperslaan niet onderscheidend zijn. Het ruimtebeslag op onder andere landbouwgrond en effecten op natuurwaarden en milieuaspecten zijn niet afwijkend. Alleen op het gebied van verkeerscirculatie in Baexem is sprake van kleine verschillen, die in beide varianten niet leiden tot knelpunten. Gelet op deze constateringen en de nadrukkelijke gemeentelijke voorkeur voor het inrichten van de Hubert Cuyperslaan voor verkeer in twee richtingen, is ervoor gekozen om dit als basis te hanteren voor de nadere planuitwerking, het definitief ontwerp en het inpassingsplan. De nadere onderzoeken in het kader van dit inpassingsplan zijn zodoende allen gebaseerd op het plan waarbij de Hubert Cuyperslaan is ingericht voor verkeer in twee richtingen.
-
-
-
3.2
Begin 2019 waren het MER en Ontwerp-PIP gereed om in procedure te brengen. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het PAS is de procedure echter vertraagd. Als gevolg van deze uitspraak en het besluit van het Rijk om gewijzigde snelheidsregimes toe te passen op de Rijkswegen is eind 2019/begin 2020 eveneens een nieuwe actualisatieronde van het verkeersmodel uitgevoerd. Deze meest actuele verkeersgegevens (die soms afwijken van de NRD) zijn gehanteerd bij de onderzoeken ten behoeve van dit MER. Eind 2019/Begin 2020 is een heroverweging van de verschillende mobiliteitsopgaven en -ambities op het gebied van spoor, fiets en wegen uitgevoerd op grond van diverse criteria, waaronder de beschikbare middelen. Op basis hiervan hebben Provinciale Staten op 14 februari 2020 ingestemd met het voorstel om de inhoudelijke scope van het project N280 Leudal niet te wijzigen. In april 2021 zijn de realisatieovereenkomsten tussen de provincie Limburg, de gemeente Leudal en Rijkswaterstaat ondertekend voor de aanpassingen aan de N280 Leudal en vervanging van de Kelperbrug.
Communicatie en draagvlak In het kader van de planvorming en het ontwerp van de N280 Leudal wordt op verschillende manieren met verschillende belanghebbenden gecommuniceerd. Hierna wordt ingegaan op welke manier communicatie met de omgeving plaatsvindt om zo aanwonenden en belanghebbenden te betrekken bij het project en draagvlak te creëren.
3.2.1
Media Op de website van de provincie Limburg is een aparte pagina ingericht waarop berichten worden geplaatst over het project N280- West, wegvak Leudal (www.N280verbindtleudal.nl). Belangstellenden kunnen hier nagaan wanneer er bijeenkomsten plaatsvinden en kunnen hier de nieuwsbrief downloaden. De provincie Limburg brengt deze nieuwsbrief uit. Belangstellenden kunnen zich aanmelden voor deze nieuwsbrief zodat zij deze toegestuurd krijgen. Ook is er een Facebook pagina aangemaakt door de provincie Limburg voor het project. Daarnaast wordt er ook informatie gedeeld op de website van de gemeente Leudal www.leudal.nl.
3.2.2
Omgevingsmanager De provincie Limburg heeft, als onderdeel van de IPM-projectorganisatie, een omgevingsmanager aangesteld om zo het ontwerp- en planvormingsproces zo vloeiend mogelijk te laten verlopen, door belanghebbenden te benaderen, ze te bevragen en ze van informatie te voorzien. Door constructief samen te werken en elkaar over en weer van informatie te voorzien en te bevragen is getracht zoveel mogelijk draagvlak te creëren voor het ontwerp en de plannen voor de N280 Leudal.
3.2.3
Wegontwerp en planvorming In het kader van het ontwerpproces is met diverse stakeholders, belanghebbenden en maatschappelijke organisaties gesproken om alle belangrijke eisen, randvoorwaarden en uitgangspunten in kaart te brengen. Mede aan de hand van deze gesprekken is het ontwerp tot stand gekomen dat de basis vormt van dit inpassingsplan. In de diverse gesprekken om te komen tot oplossingen voor knelpunten zijn technische haalbaarheid en kosten altijd van belang geweest. Onder andere de volgende organisaties en instanties zijn betrokken geweest bij het ontwerp en verdere planvorming van de N280 Leudal. Gemeente Leudal. Gemeente Nederweert. Rijkswaterstaat. Gasunie. TenneT Tso. Waterschap Limburg. Waterleidingmaatschappij Limburg (WML). Enexis. Veiligheidsregio Limburg – Noord.
37
-
Natuurmonumenten.
Dit zijn organisaties die vanuit hun eigendom of directe belang (bijvoorbeeld in de vorm van een hoogspanningsverbinding, het kanaal Wessem Nederweert, etc.) betrokken zijn bij het ontwerpproces. Daarnaast heeft ook overleg en afstemming plaatsgevonden met een aantal belangenorganisaties. Deze zijn samengevoegd in een werkgroep stakeholders die sinds 2014 nauw betrokken is geweest bij en geïnformeerd is over het ontwerpproces. Het gaat om onder andere de volgende belangenorganisaties: Cumela Dorpsraad Hart voor Baexem Dorpsraad Kelpen-Oler Dorpsraad Buggenum Fietsersbond Midden Limburg Stichting Limburgs Landschap Milieufederatie Limburg Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) Staatsbosbeheer Limburgse Werkgevers Vereniging (LWV) Fietsersbond Waterschapsbedrijf Limburg Rijkswaterstaat Transport en Logistiek Nederland (TLN) ANWB. Ook met deze belangenorganisaties heeft regelmatig afstemming plaatsgevonden en hun inbreng is, wanneer relevant en mogelijk, meegenomen bij de uitwerking van het ontwerp. Dit overleg heeft in verschillende fases van het planproces plaatsgevonden, en niet uitsluitend in deze fase van de totstandkoming van het Provinciaal Inpassingsplan. Naast overleg met deze organisaties en instanties is veel aandacht besteed aan burgerparticipatie.
Er heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden met omwonenden en belanghebbenden die op verschillende manieren zijn geïnformeerd en geconsulteerd. In de periode sinds oktober 2017 zijn diverse bijeenkomsten met begeleidingsgroepen georganiseerd en zijn openbare inloopbijeenkomsten en informatiemarkten georganiseerd om het complete traject van de N280 Leudal nader toe te lichten.
38
4
BELEIDSKADER
4.1
Inleiding In dit hoofdstuk komen het relevante ruimtelijke beleid en direct daar aan verwant beleid aan de orde. Specifieke beleidskaders en wetgeving met betrekking tot bijvoorbeeld natuur, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en archeologie zijn opgenomen in de betreffende onderzoeken die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Per beleidsdocument is een korte omschrijving opgenomen van de inhoud van het document. Een paragraaf over een beleidsdocument eindigt met een omschrijving van de relevantie van dat beleidsdocument voor dit inpassingsplan.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040: een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012. Uitgangspunt van de SVIR is dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. De ruimtelijke ordening wordt zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven gebracht. Provincies en gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en beleidsvrijheid (decentraal, tenzij) en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk zet zich met name in op de drie hoofddoelen: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. 2. Het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Naast het benoemen van bovenstaande beleidsdoelen onderscheidt het Rijk 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken: 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (ketenmobiliteit en multimodale knooppunten). 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het in standhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. 13.
Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
39
Door het benoemen van de kerndoelen en Rijksverantwoordelijkheden kan het Rijk de regie meer bij lagere overheden leggen. In alles wordt gestreefd naar regionaal maatwerk. De afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal wordt overgelaten aan de provincies en is niet langer een verantwoordelijkheid van het Rijk. Wel is in het Besluit ruimtelijke ordening een duurzame verstedelijkingsladder opgenomen om de zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten te kunnen waarborgen.
Relevantie voor het inpassingsplan Het voorgenomen initiatief is in lijn met de structuurvisie en geeft invulling aan de duurzame mobiliteitsgedachte die hierin is opgenomen. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, geheel in lijn met de SVIR.
4.2.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als opvolger van de SVIR. In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, en de overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden.
In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd: 1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving 2) Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit 3) Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties 4) Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving 5) Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften 6) Waarborgen en realiseren van een veilig robuust en duurzaam mobiliteitssysteem 7) In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit 8) Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving 9) Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten 10) Beperken van klimaatverandering 11) Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is en de daarbij benodigde infrastructuur 12) Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen 13) Realiseren van een toekomstbestendige circulaire economie 14) Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit) 15) Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater 16) Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk
ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat 17) Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit 18) Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie 19) Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang 20) Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit 21) Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Relevantie voor het inpassingsplan Het voorgenomen initiatief is in lijn met de omgevingsvisie en geeft invulling aan de duurzame mobiliteitsgedachte en het in stand houden van de belangrijke hoofdinfrastructuur die hierin is opgenomen. Er wordt ingezet op de ontwikkeling van een land met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar het aantrekkelijk wonen en werken is, met een productief en aantrekkelijk platteland. Het planvoornemen is bedoeld ter verbetering van de doorstroming op een
40
belangrijke verbindingsas in Midden-Limburg. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, geheel in lijn met de NOVI.
4.2.3
Nationaal verkeers- en vervoersplan (NVVP) In het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan (NVVP) "Van A naar Beter" schetst het kabinet het Nederlandse verkeers- en vervoersbeleid voor de periode 2004-2020. In het NVVP wordt aandacht besteed aan mobiliteitsmanagement. Mobiliteitsmanagement is een pakket van maatregelen om optimaal gebruik te maken van bestaande infrastructuur en om de bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets te verbeteren. Mobiliteitsmanagement wordt vooral ingezet door lokale en regionale overheden en omvat de volgende instrumenten: Locatiebeleid: situering van woonwijken en locaties voor bedrijven wordt meer geïntegreerd met het verkeers- en vervoersbeleid en met aandacht voor de bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets. Zo worden reizigers minder afhankelijk van de auto. Bij bedrijvenplanning wordt aandacht gegeven aan ontsluiting via meerdere vervoerwijzen (auto, openbaar vervoer en langzaam verkeer). Parkeerbeleid: er komt meer regionale afstemming en samenwerking in het parkeerbeleid. Vervoermanagement: het vervoermanagement bij bedrijven krijgt een nieuwe impuls in regionale programma's, waarbij aansluiting wordt gezocht bij arbeidsomstandigheden en milieuzorg binnen bedrijven. Bevordering van het gebruik van fiets, openbaar vervoer en carpoolen maken deel uit van het programma.
ICT- ontwikkelingen bieden kansen voor de toepassing van flextijden en teletoepassingen.
Relevantie voor het inpassingsplan Het NVVP doet geen gebiedspecifieke uitspraken. Het voorgenomen initiatief is in lijn met de uitgangspunten uit het NVVP door daar waar mogelijk gebruik te maken van bestaande infrastructuur.
4.2.4
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciale inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen. Op 1 oktober 2012 is de eerste wijziging van het Barro in werking getreden. Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen. Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Ecologische hoofdstructuur (nu Natuurnetwerk Nederland). Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen. Elektriciteitsvoorziening. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Aan bovengenoemde onderwerpen zijn in het Barro regels gekoppeld.
De SVIR bepaalt welke kader stellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij
41
zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen of inpassingsplannen. Zo zijn op nationaal niveau regels in het Barro opgenomen met betrekking tot Rijksvaarwegen. Deze dienen in een bestemmingsplan/inpassingsplan te worden overgenomen.
Relevantie voor het inpassingsplan Het kanaal Wessem – Nederweert is in het Barro opgenomen als Rijksvaarweg. Het plangebied kruist dit kanaal. De regels die vanuit het Barro (vrijwaringszone vaarweg) ter plaatse en in de directe omgeving gelden zijn overgenomen in voorliggend inpassingsplan. Het tracé van de N280 Leudal doorsnijdt het Natuurnetwerk Nederland (ook wel Limburgs Natuurnetwerk genoemd). Daarom vindt verbetering van goudgroene natuur (NNN) middels compensatiegebieden plaats. Zie paragraaf 5.6 van deze toelichting en bijlage 6 om inzicht te krijgen in hoe hiermee om wordt gegaan.
4.2.5
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In de Rarro zijn (onder andere) reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen, radargebieden en militaire terreinen aangewezen.
Relevantie voor het inpassingsplan De Rarro heeft geen consequenties voor voorliggend inpassingsplan. De in de Rarro opgenomen gebieden vallen niet samen met het plangebied van dit inpassingsplan.
4.2.6
Structuurvisie Ondergrond Gezien het belang van bodem en ondergrond voor het functioneren van onze maatschappij en de wens om een beleidsvisie op te stellen voor het toekomstig gebruik daarvan, hebben de gezamenlijke overheden het volgende doel centraal gesteld: ‘Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn.’ De bodem en de ondergrond kunnen in principe benut worden voor maatschappelijke doeleinden, mits dit veilig en zorgvuldig gebeurt. In deze structuurvisie worden de begrippen bodem en ondergrond naast elkaar gebruikt. Daarbij gaat het bij bodem meestal om de bovenste meters van de aardkorst, waarin zich bodemvormende processen afspelen. Ondergrond heeft betrekking op alles wat zich tot op grotere diepte beneden maaiveld bevindt. Waar nodig wordt onderscheid gemaakt tussen de ondiepe en de diepe ondergrond. Het toenemend gebruik van de ondergrond heeft invloed op de kwaliteit van bodem en grondwater en het functioneren van de bodem als ecosysteem. Om duurzaam te kunnen profiteren van de waarden in de bodem (incl. cultuurhistorie) heeft het Rijk de Structuurvisie Ondergrond opgesteld. Doel is het benutten van de bodem mogelijk te maken, maar om tegelijkertijd de kwaliteit van de bodem en de processen die de bodem als ecosysteem ondersteunen en te beschermen.
Relevantie voor het inpassingsplan Bij het vaststellen van het inpassingsplan dient te worden voldaan aan de beleidsregels uit de Structuurvisie Ondergrond. Rond Baexem is een gebied aangewezen ter bescherming van de huidige grondwaterwinning en tevens is een gebied aangewezen waar de in de ondergrond aanwezige kleilaag (op een diepte van meer dan 80 meter) wordt beschermd. De regels van dit inpassingsplan zorgen voor de bescherming van dit gebied door hier een omgevingsvergunningenstelsel aan te koppelen.
4.2.7
Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en
42
voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Zo wordt aangesloten bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan wordt een ambitieuze stap gezet in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt: Hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid Gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland Benodigde maatregelen en ontwikkelingen Beheerplannen voor de stroomgebieden Beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico Mariene Strategie Beleidsnota Noordzee Functies van de Rijkswateren
Relevantie voor het inpassingsplan Ter hoogte van het kanaal is sprake van een vrijwaringszone vanwege de vaarweg-functie van het kanaal en het mogelijke vervoer van gevaarlijke stoffen over het kanaal. Deze vrijwaringszone is conform de reeds geldende regeling ter plaatse overgenomen in voorliggend inpassingsplan om zo onveilige situaties te voorkomen. In het kader van de watertoets voor dit project is gekeken naar onder andere waterkwaliteit en watergebruik. In paragraaf 5.3 en bijlage 3 wordt nader ingegaan op het aspect water en de watertoets. Het initiatief sluit aan en geeft invulling aan het Nationaal Waterplan.
4.2.8
Waterbeleid 21ste eeuw Het Waterbeleid 21ste eeuw beschrijft de relatie tussen water en ruimtelijke ordening, natuur, landbouw en verstedelijking. Een andere sturing en regie van het waterbeheer wordt bepleit, samen met het kweken van een grotere maatschappelijke betrokkenheid. Ook gaat het beleid in op de kosten en baten, geeft het aanbevelingen en bevat het een actieprogramma. Kernpunten in het waterbeleid zijn: meer ruimte voor water, met als gedachteleidraad de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen, afvoeren.
Relevantie voor het inpassingsplan In het ontwerp voor de N280 Leudal is rekening gehouden met de wateropgaven en is voldoende ruimte aanwezig voor de opvang van hemelwater. Ook bij het toekennen van de bestemmingen is hiermee rekening gehouden. Het initiatief sluit aan en geeft invulling aan het Waterbeleid 21ste eeuw. Voor de meer technische motivering en onderbouwing van de drietrapsstrategie in het kader van voorliggend initiatief wordt hier verwezen naar paragraaf 5.3 en bijlage 3 van deze toelichting.
4.3
Provinciaal en regionaal beleid
4.3.1
Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) In december 2014 heeft Provinciale Staten het POL2014, met bijbehorend Plan-MER, de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Het POL 2014 omvat een visie waarin wat nodig is om de kwaliteit van onze fysieke leefomgeving te verbeteren centraal staat voor de komende 10 jaar. Het is een visie waarin uitnodiging en inspiratie centraal staan. De ambitie is een voortreffelijk leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg. Het POL 2014 gaat uit van 2 Limburgse principes: Kwaliteit centraal en Uitnodigen centraal. De uitgangspunten van 'kwaliteit centraal' zijn: 'meer stad, meer land', 'van scheiden naar verweven van functies', 'inspiratie door kwaliteitsbewustzijn', 'een grens die verbindt' en 'zorgvuldig omgaan met onze voorraden'.
43
De uitgangspunten van 'uitnodigen centraal' zijn: 'uitnodigen en inspireren', 'een selectieve provincie', 'dynamisch voorraadbeheer', stimuleren van voorlopers', kwaliteitsbewust ontwikkelen', instrumenten op maat' en 'ruimte om te experimenteren'.
Gebiedstypen Het overgrote deel van het plangebied ligt binnen het gebied dat in het POL 2014 is opgenomen als ‘Buitengebied’. Thema’s die hier centraal staan zijn economie, infrastructuur, landbouw, landschap en wonen. Ter hoogte van de kern Baexem valt het plangebied voor een klein deel samen met de aanduiding ‘overig bebouwd gebied’. Thema’s die hier relevant zijn, zijn: bedrijven, economie, infrastructuur, verstedelijking en wonen. Ter hoogte van de Kelperweg (Ellerweg / Kelperheide) is het bedrijventerrein aangeduid als ‘Bedrijventerrein’. De thema’s bedrijven, economie en infrastructuur staan hier centraal. Het huidige tracé doorsnijdt deze gebieden reeds en zal dit ook in de toekomstige situatie doen. Het aanpassen van de weg sluit tevens aan bij de thema’s die centraal staan in deze gebieden en faciliteert deze. Het plangebied van dit inpassingsplan valt volgens het POL 2014 verder samen met onder andere de goudgroene natuurzone (tevens Natuurnetwerk Nederland / NNN). Ondersteunend voor deze gebieden zijn de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone aangewezen. In overeenstemming met belanghebbenden is in 2014 besloten dat voor het project N280 de saldobenaderingssystematiek zal worden gevolgd in het kader van de reconstructie van de N280.
Deze aanpak is hier mogelijk doordat bij de uitvoering van het PIP de belangen: doorstroming, verkeersveiligheid, waterkwaliteit, waterhuishouding, landbouwkundig gebruik en natuurontwikkeling bij elkaar komen. Compensatie van de aantasting van de hier aanwezige waarden vindt plaats. Hoe hier invulling aan wordt gegeven, komt aan de orde in paragraaf 5.6 en bijlage 6 van deze toelichting. Verder zijn er in het POL / Povi vanuit andere aspecten nog gebieden en zones aangeduid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan waterberging, etc. Deze gebieden/aanduidingen en hoe hiermee om is/wordt gegaan, komen bij het betreffende aspect aan de orde.
Infrastructuur en bereikbaarheid De ambitie voor Limburg is dat Limburg uitstekend bereikbaar is, mede door een goede aansluiting op (inter)nationale en (eu)regionale netwerken (weg, spoor, water, lucht, buis). Het vervoer van mensen en goederen is betrouwbaar, vlot, veilig en duurzaam. Het mag geen al te grote inbreuken maken op de leefomgeving en de milieukwaliteit. Alle wegen behorend tot het regionaal verbindend wegennet voldoen in 2045 aan de landelijke basiskenmerken duurzaam en veilig. De bereikbaarheid van Limburg is in het algemeen redelijk op orde. Deze gunstige bereikbaarheid wil de provincie in ieder geval behouden. Onbereikbare plekken zijn er niet, met het realiseren van enkele grote (infrastructuur)projecten zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om knelpunten aan te pakken en ontbrekende schakels te realiseren. De huidige verkeersdruk op de wegen leidt over het algemeen niet tot grootschalige, structurele congestie. Op een aantal punten zijn nog verbeteringen gewenst. Die hebben vooral te maken met het verbeteren van de bereikbaarheid van de economische topsectoren via het hoofdwegennet en de internationale bereikbaarheid via het OV. De logistieke sector vraagt in het bijzonder om een goede bereikbaarheid.
De provincie wil de beschikbare infrastructuurnetwerken en mobiliteitsvoorzieningen zo optimaal mogelijk benutten door een betere organisatie van het verkeer (bijv. door het zorgen voor goede doorstroming van het verkeer en verbeteren van de mogelijkheden van ketenmobiliteit). Door het beïnvloeden van burgers en bedrijven in hun mobiliteits- en vervoerkeuzes (bijv. door programma´s rond vervoersmanagement of via reisinformatie) wil zij sturing geven aan het efficiënter gebruiken van het totale vervoerssysteem en dus van alle vervoersmodaliteiten.
44
Wanneer er echter sprake blijft van een structureel tekort aan capaciteit in de infrastructuur of de vervoervoorzieningen, dan zet de provincie in op de optie bouwen c.q. uitbreiden.
Midden-Limburg / bereikbaarheid In het POL 2014 is de provincie onderverdeeld in drie delen. Het plangebied ligt binnen ‘Midden-Limburg’. De centrale ambitie voor Midden-Limburg is het behouden en versterken van een voortreffelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Voor het benutten en versterken van de regionale economie, is een goede ruimtelijke infrastructuur belangrijk. De aandachtspunten liggen in het regionaal ontsluiten en het (inter)nationaal verbinden. Voor de regio MiddenLimburg gaat het onder andere om: de structurele verbreding van de A2 Weert-Eindhoven (ten behoeve van optimale bereikbaarheid van Eindhoven, belangrijk gezien vanuit de oriëntatie van Weert op Eindhoven); N280 en N266 vormen aandachtspunten in het kader van verbetering van de bereikbaarheid; stations Baexem en Haelen (stations als ankerpunt ter versterking van het stedelijk interactiegebied). Dit inpassingsplan geeft hier invulling aan door de bereikbaarheid te verbeteren.
Relevantie voor het inpassingsplan De herinrichting van de N280 Leudal, die bijdraagt aan de bereikbaarheid, past ook bij het faciliteren van gebiedsontwikkelingen: ”uitnodigen centraal”. Ook past het, door een zorgvuldige omgang met het woon- en leefklimaat binnen het uitgangspunt “kwaliteit centraal”. Aan de gebiedspecifieke beleidskaders die in het POL2014 zijn opgenomen, wordt voldaan. Het initiatief sluit aan en geeft invulling aan het POL 2014.
4.3.2
Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Net als het Rijk (zie paragraaf 4.2.2) werkt ook de provincie Limburg, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan een Omgevingsvisie. Deze is in december 2020 in ontwerp door Gedeputeerde Staten vastgesteld en zal na vaststelling door Provinciale Staten het POL 20104 vervangen. In de visie geeft de provincie aan hoe ze wil inspelen op de belangrijkste hoofdopgaven voor de komende jaren: het realiseren van een aantrekkelijke, sociale gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk/bebouwd gebied als het landelijk gebied een toekomstbestendige innovatieve en duurzame economie en landbouwtransitie klimaatadaptatie en energietransitie. Daarbij hanteert de provincie een aantal Limburgse principes streven naar een inclusieve gezonde en veilige samenleving die uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers en er is dus ruimte voor maatwerk. Meer stad, meer land. Variatie in gebieden moet gekoesterd worden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukke stedelijke gebieden ontwikkeld Zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds.
Inzetten op sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar volgende generaties (voorzorgsbeginsel). Op basis van deze principes is vervolgens een aantal provinciale belangen gedefinieerd, waaronder ook voor mobiliteit: De provincie Limburg streeft naar een goede aansluiting op (inter)nationale en (eu)regionale netwerken (weg, spoor, water, lucht en buis). Een toekomstbestendige, toegankelijke, veilige, slimme, schone en grenzeloze mobiliteit zodat mensen zich naar wens en behoefte vrij kunnen bewegen. Mobiliteit is daarbij breder dan alleen bereikbaarheid. Ook veiligheid, duurzaamheid en leefbaarheid zijn mobiliteitsdoelen. Conform het mobiliteitsplan voert de provincie samen met medeoverheden en maatschappelijke partners gebiedsverkenningen uit.
45
De ruimtelijke opgave vormt daarin de basis om te komen tot een integrale aanpak van de mobiliteitsopgave in een gebied en er wordt ingezet op een evenwichtige mix van maatregelen. Daarbij heeft het beter benutten van bestaande netwerken de voorkeur boven het realiseren van nieuwe infrastructuur.
Relevantie voor het inpassingsplan De herinrichting van de N280 Leudal, draagt bij aan de verbetering van de mobiliteit (bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid) waarbij de bestaande infrastructuur wordt opgewaardeerd en er een goede aansluiting op de nationale en (eu)regionale netwerken ontstaat. Met de inwerkingtreding van het POVI verandert de naamgeving van de provinciaal beschermde natuurgebieden. De term goudgroene natuurzone wordt vervangen door Natuurnetwerk Limburg (NNL) en de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszones worden samengevoegd in de Groenblauwe mantel.
4.3.3
Omgevingsverordening (2014) De Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Met de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt beoogd om de doorwerking van het provinciaal beleid naar gemeenten en andere partners te borgen. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In 2008 is het ruimtelijk ordeningsrecht grondig gewijzigd, met name waar het de onderlinge verhoudingen tussen de drie overheidslagen gemeente, rijk en provincie betreft.
Eén van de meest in het oog springende veranderingen was het wegvallen van de goedkeuringsbevoegdheid van bestemmingsplannen. Met die goedkeuringsbevoegdheid kon de Provincie rechtstreeks invloed uitoefenen op de inhoud van bestemmingsplannen. Onder de huidige Wro is dat alleen nog mogelijk ten aanzien van die onderdelen van het ruimtelijk beleid, die in een zogenaamde ruimteverordening zijn ondergebracht. Dat betekent dat Provinciale Staten bewust moeten kiezen welke onderwerpen voor doorwerking via de verordening in aanmerking komen. In het hoofdstuk Ruimte (hoofdstuk 2) van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleidsregels opgenomen. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Het plangebied is aangemerkt als landelijk gebied en valt deels binnen de zone 'goudgroene natuurzone' en voor beperkte delen binnen de 'zone Natuurbeek'.