Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
31
plangebied ligt niet binnen andere milieubeschermingsgebieden. Gelet op bovenstaande is het planvoornemen in lijn met de geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 en de ontwerp Omgevingsverordening Limburg. 4.3.3 Conclusie provinciaal beleid Aan de hand van de hiervoor omschreven en getoetste beleidskaders op provinciaal niveau wordt geconcludeerd dat het relevante provinciale beleid het planvoornemen niet in de weg staat.
4.4
Regionaal beleid
4.4.1 Het oog van Midden-Limburg De stuurgroep Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg (GOML) heeft de uitgangspunten voor de toekomstige regionale samenwerking vastgesteld. Het gebied Midden-Limburg omvat de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert. De eerste stap voor de ontwikkeling van het gebied was het opstellen van een gezamenlijke visie waarin de ambitie van de regio Midden-Limburg voor de komende jaren is opgenomen. Deze Regiovisie 2008-2028 heet 'Het oog van Midden-Limburg'. De gebiedsvisie van de Gebiedsontwikkeling Midden-Limburg richt zich op het creëren van Sterke Steden en Vitaal Platteland. Het platteland in Midden-Limburg ondergaat een transformatie. In de landbouw is sprake van schaalvergroting en een verdere professionalisering. De intensieve landbouw is een vitale, toekomstbestendige economisch tak van formaat. De extensieve landbouw ontwikkelt zich, maar stuit op grenzen van beleid en regelgeving. Nieuwe economische dragers dienen zich aan. Het buitengebied wordt in toenemende mate een groene ruimte waarin de functies wonen, werken, landschap, natuur en recreatie nauw met elkaar verweven zijn. De transformatie van het platteland vraagt om nieuwe condities (ontsluiting, inpassing en ruimte voor groei.
De uitdaging is zorgen dat de verschillende functies elkaar versterken, zodat de economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het platteland behouden blijven. De centrale ligging van de gemeente Leudal maakt dat het profiteert van bijna alle ontwikkelingen die worden voorgesteld in de regiovisie. Gelegen aan de Maasplassen zijn volop kansen om recreatieve en toeristische activiteiten te ontwikkelen en deze te verbinden met het natuurgebied Leudal en het te ontwikkelen regiopark. Gevolgen planvoornemen Het uitbreiden van het bestaande bedrijventerrein, zodat lokale en regionale ondernemers gebonden blijven aan de gemeente Leudal, draagt bij aan de economische vitaliteit van de gemeente. Op deze manier geeft dit bestemmingsplan invulling aan de Regiovisie 'Het oog van Midden-Limburg'. 4.4.2 Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg In navolging op de bestuursafspraken zoals benoemd in de omgevingsverordening is een regionaal beleidskader opgesteld. Dit beleidskader is door alle gemeenten in regio Midden-Limburg vastgesteld. De gemeenteraad van Leudal heeft dit beleidskader vastgesteld op 21 mei 2019. Bedrijventerrein Ittervoort behoort tot de zogenaamde 'overige bestaande voorraad' met bijbehorend beleid: "Op het overgrote deel van de terreinen in Midden-Limburg is een diversiteit aan bedrijven gevestigd, die vaak prima naast elkaar functioneren.
Voor het overgrote deel van de bedrijven geldt dat deze sterk lokaal gebonden zijn, wat inhoudt dat een eventuele vraag vanuit deze bedrijven in of op korte afstand van de huidige locatie dient te worden gevonden. In de reguliere voorraad verandert dan ook weinig. De gevestigde bedrijven zijn de ruggengraat van de lokale en regionale economie. Ze zijn lokaal geworteld en vaak gestart in diezelfde gemeente. Soms zijn ze doorgegroeid tot bedrijven van formaat, soms zijn ze klein gebleven en soms zijn ze pas net gevestigd". De reguliere voorraad dient als opvang voor behoud en uitbreiding van bestaande bedrijven en de opvang
32
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
van nieuwe bedrijven die niet passen in het profiel van de bovenregionale terreinen zoals hiervoor benoemd. Er is sprake van drie categorieën bedrijventerreinen: Logistiek-/industriële bedrijventerreinen; Stedelijke dienstenterreinen; Stedelijke bedrijventerreinen en bedrijventerreinen landelijk gebied. Bedrijventerrein Ittervoort behoort tot de laatste categorie. Bedrijventerreinen landelijk gebied hebben een opvangfunctie voor het behoud van en de uitbreiding van de gevestigde bedrijven. Daarnaast bieden ze ruimte voor de opvang van nieuwe bedrijven die niet specifiek voor de bovenregionale terreinen bestemd zijn. Tevens liggen deze bedrijventerreinen in de landelijke gemeenten en zorgen voor een diverse opvang van kleinschalige en middelgrote bedrijven in de sfeer van (overwegend lichte) productie, handel en dienstverlening. Bedrijven die zich hier vestigen of gevestigd zijn behoren een binding te hebben met het landelijk gebied. De uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort is mede op initiatief van bedrijven met een sterk lokale of regionale binding. Het doel van de uitbreiding is dan ook het bestaande bedrijfinterduct te behouden voor de directe omgeving en regio. Qua ontsluiting wordt geheel gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur die het gebied via respectievelijk de N273 en de A2 ontsluit.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de criteria van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals onderbouwd in paragraaf 4.2.5. In het regionaal beleidskader worden – in aanvulling op de ladderplicht en de hieraan verbonden noodzaak om de behoefte aan nieuwe initiatieven aan te tonen - afspraken uitgewerkt over de vraag of, op welke locaties, en onder welke voorwaarden nieuwe ontwikkelingen zijn toegestaan. De regiogemeenten spreken daarnaast af om regionale afstemming plaats te laten vinden voor initiatieven die (mogelijk) effecten op de ruimtelijk-economische structuur van de regio kunnen hebben. Om daarbij objectief te werk te gaan, worden hiervoor zogenaamde drempelwaarden gehanteerd. De drempelwaarden hebben betrekking op de omvang van het initiatief in m² bvo. Voor uitbreiding van bedrijventerreinen geldt een drempelwaarde van 1.500 m². Aangezien de oppervlakte van de uitbreiding van het bedrijventerrein ruimschoots groter is dan die drempelwaarde, wordt het initiatief regionaal afgestemd. Het planvoornemen is dan ook op 12 september 2023 met de regio-gemeente afgestemd. Met de regio-gemeenten is vastgesteld dat onderhavige ontwikkeling, mede vanuit de behoeftevraag van lokaal gevestigde ondernemers, wenselijk is. Tijdens dit overleg is, met een kanttekening, akkoord gegeven op de voorgestane ontwikkeling.
Gevolgen planvoornemen De beoogde uitbreiding past binnen het regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg. Afstemming met de regio-gemeenten heeft plaatsgevonden, waarmee ook invulling is gegeven aan de verplichting daartoe. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de criteria van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er zijn geen bezwaren vanuit het regionale beleidskader op voorliggend bestemmingsplan. 4.4.3 Conclusie regionaal beleid Aan de hand van de hiervoor omschreven en getoetste beleidskaders op regionaal niveau wordt geconcludeerd dat het relevante regionale beleid het planvoornemen niet in de weg staat.
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
33
4.5
Gemeentelijk beleid
4.5.1 Structuurvisie Leudal 2010 In de Structuurvisie Leudal (vastgesteld d.d. 2 februari 2010) wordt ingezet op 'een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal de gemeente zelf initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is de gemeente ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeentelijke plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.
De gemeente Leudal is niet alleen een woongemeente, maar ook een agrarische gemeente. De agrarische achtergrond is ook in de kernen nog terug te vinden. Leudal bestaat uit 16 kernen in een fraai buitengebied. Deze kernen zijn in drie verschillende typen onder te verdelen. De centrumkern is Heythuysen. In Heythuysen zijn de meeste voorzieningen gelegen. Daarnaast zijn een aantal autonome woonkernen aanwezig: Haelen, Horn, Roggel, Neer en Ittervoort. Alle overige kernen zijn woondorpen.
Uitsnede structuurvisie Leudal 2010 met ligging plangebied
34
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de zonering 'Werkgebied' en de zonering 'Kleinschalig dekzandlandschap'. In de gemeentelijke structuurvisie is derhalve níet voorzien in de beoogde uitbreiding, maar die structuurvisie dateert van 14 april 2010. Die visie kan echter op dit onderdeel als achterhaald worden beschouwd, gelet op het door de raad op 21 mei 2019 vastgestelde regionaal beleidskader werklocaties, waarin de uitbreiding van het bedrijventerrein is gelegen binnen de contour 'bedrijventerrein'. In de structuurvisie wordt voor wat betreft het beleid voor economie en werkgelegenheid aangegeven dat de kwaliteit in Leudal wordt bepaald door een compleet aanbod voor wonen, werken, voorzieningen en recreatie. De gemeente wil ook een economisch sterke gemeente in de regio zijn. Ruimte voor dynamiek en ruimtelijke ontwikkeling is gericht op het op peil houden van het aantal arbeidsplaatsen in Leudal en een sterke positionering in de regio Midden-Limburg. Hier sluit onderhavig planvoornemen bij aan. Gevolgen planvoornemen Met het planvoornemen wordt invulling gegeven aan het toekomstbeeld voor de kern Ittervoort binnen de gemeente Leudal (en de regio). Tevens wordt hiermee een belangrijk bedrijf voor de gemeente Leudal als de regio behouden. 4.5.2 Nota kwaliteit De gemeente Leudal staat achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu.
Nieuwe functionele ontwikkelingen in het buitengebied (zowel incidentele initiatieven in het buitengebied als ontwikkelingen aan de rand van een kern) zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit alleen mogelijk indien daarmee ook investeringen in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve belevingskwaliteit en/of cultuurhistorie plaatsvinden waarmee de kwalitatieve draagkracht van het landelijk gebied wordt versterkt en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het kwaliteitsmenu is hierbij van toepassing. De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de structuurvisie Leudal 2010 en de Nota Kwaliteit. In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Tevens wordt het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, hierin verankerd. Het provinciale kwaliteitsmenu heeft betrekking op het buitengebied. De Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal gaat verder. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, maar ook in de kern vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving in het buitengebied of de kern plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving.
Deze aantasting wordt gezien als kosten die voor rekening van de gemeente Leudal komen. Deze aantasting van kwaliteit dient daarom binnen de gemeente of nabij de gemeente grenzen van Leudal gecompenseerd te worden. Per vierkante meter bestemd bedrijventerrein geldt een drempelwaarde voor aanvullende kwaliteitsbijdrage van € 5,00 (dus € 5,00 per vierkante meter). In totaal is sprake van een kwaliteitsbijdrage van € 46.090,00 (9.218 m² uitgeefbaar bedrijventerrein x € 5,00). Deze kwaliteitsbijdrage komt bovenop de goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing zoals deze in de bijlage en in paragraaf 3.3 is beschreven. Dit bedrag wordt ondergebracht in het gemeentelijke groenfonds. Deze kwaliteitsbijdrage dient ter compensatie van het verlies aan waarden in het buitengebied die door de ontwikkeling worden veroorzaakt. Deze kwaliteitsbijdrage wordt ingezet voor het realiseren van groen, natuur, landschap en herstel van landschappelijke cultuurhistorie. Deze kwaliteitsbijdrage dient aan additionele kwaliteitsverbeterende maatregelen te worden besteed. De goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing zoals beschreven in het plan voor landschappelijke inpassing (dat als Bijlage 4 is toegevoegd) valt hier niet onder.
Een gedeelte van de kwaliteitsbijdrage, kan bovenop de te realiseren ruimtelijke en landschappelijke inpassing, worden ingezet binnen het plangebied (representatieve en geluidsabsorberende gevels en de 'gracht' in het kader van de veiligheid). Gevolgend planvoornemen
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
35
Het planvoornemen geeft invulling aan het Limburgs Kwaliteitsmenu en de Nota Kwaliteit. Zie hiervoor ook paragraaf 5.5 van deze toelichting. Hier wordt aangegeven wat hiervoor concreet wordt gedaan. 4.5.3 Welstandsnota Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad van Leudal de 'Welstandsnota Leudal' vastgesteld. Hierin is behoudens een strook met zichtlocaties langs de Napoleonsweg, het bestaande bedrijventerrein (inclusief volledig plangebied) aangeduid als welstandsvrij gebied. Wel geldt de excessenregeling. Gevolgen planvoornemen Vanuit de welstandsnota zijn er geen gevolgen c.q. beperkingen voor het plangebied 4.5.4 Conclusie gemeentelijke beleid Aan de hand van de hiervoor omschreven en getoetste beleidskaders op gemeentelijk niveau wordt geconcludeerd dat het relevante gemeentelijke beleid het planvoornemen niet in de weg staat.
36
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoeringsaspecten
Algemeen
In de paragrafen hierna komen diverse milieuhygiënische en planologische aspecten aan de orde. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in separate rapportages die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Voor inzicht in het gehele onderzoek wordt hier verwezen naar de bijlagen. Hierna is een korte samenvatting van deze onderzoeken opgenomen. Voor alle aspecten is de relevantie voor het plan omschreven.
5.2
Milieu
5.2.1 Bedrijven en milieuzonering Algemeen In het kader van de uitbreiding van het bedrijventerrein 'Ittervoort' dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie: 'Bedrijven en milieuzonering (versie 2009). Deze publicatie geeft informatie over de relevante milieuaspectenvan van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft deze publicatie richtafstanden voor het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten in relatie tot het lokale omgevingstype. De publicatie is een hulpmiddel bij de ruimtelijke inpassing van plannen en vormt op basis van vaste jurisprudentie een goed vertrekpunt voor deze beoordeling. Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “gemengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd. Rustige woonwijk en een rustig buitengebied 'Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.' Gemengd gebied 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied. Gevolgen planvoornemen Het plangebied is gelegen in en aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein. In de directe omgeving zijn enkele woningen in het buitengebied gelegen. Op basis hiervan kan de omgeving worden getypeerd als 'rustige
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
37
woonwijk/rustig buitengebied. De maximaal toegestane milieucategorie voor bedrijven (uitbreiding Interduct) die zich binnen het plangebied vestigen is categorie 3.2. (overige metaal bewerkende industrie) Voor bedrijven met een milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter op basis van geluid voor de gebiedstypering 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. De richtafstand voor de overige aspecten geur, stof en gevaar bedraagt respectievelijk 10 meter, 30 meter en 30 meter. De richtafstand voor het aspect geluid is daarmee maatgevend. Bij het planologisch toestaan van deze bedrijvenheid dient dan ook rekening te worden gehouden met deze richtafstand naar de omliggende gevoelige bestemmingen. De dichtsbijzijnde woning is de woning aan de Santforterstraat 9. De afstand tussen de bestemmingsgrens van de toekomstige bedrijfsbestemming en de bestemmingsgrens van de bestemming 'Wonen' bedraagt ongeveer 55 meter. Er is derhalve sprake van onvoldoende ruimtelijke scheiding met betrekking tot het aspect geluid. Voor de overige aspecten wordt wel voldaan aan de richtafstand en wordt het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied ten aanzien van deze aspecten (geur, stof en gevaar) gewaarborgd.
Om aan te tonen dat het woon- en leefklimaat van de woning wordt gewaarborgd en dus sprake is van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Tevens is met dit akoestisch onderzoek getoetst aan het geluidbeleid van de gemeente Leudal. Akoestisch onderzoek Industrielawaai De gemeente Leudal beschikt over eigen geluidbeleid in de vorm van de beleidsnota 'Gebiedsgericht geluidbeleid Gemeente Leudal' (inclusief actualisatie/evaluatie 2024). In deze beleidsnota zijn diverse richtwaarden opgesteld. Het plangebied is gelegen op een bedrijventerrein, hiervoor geldt een richtwaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. De omliggende geluidsgevoelige objecten (in de vorm van woningen) zijn in landelijk gebied gelegen, hiervoor geldt een richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Dit geluidniveau is een richtwaarde voor het vergunningenbeleid Wet milieubeheer.
Uitsnede geluidskaart gemeente Leudal Voor alle gebiedstypen wordt het noodzakelijk geacht om de richtwaarde van het gebied, waar het vergunningspunt op 50 meter afstand van de inrichting is gelegen, als grenswaarde te hanteren bij het opstellen van de geluidvoorschriften. Hiervan kan afgeweken worden wanneer het een inrichting betreft die gezien haar aard wel in dat gebied thuishoort en bovendien wordt aangetoond dat in de inrichting tenminste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
38
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
Uiteraard blijft de richtwaarde wel gelden op de geluidgevoelige bestemmingen. Binnen een overgangszone is de richtwaarde 5 dB(A) hoger dan voor het gebied staat aangegeven, maar niet hoger dan de richtwaarde in het gebied waarvoor de overgangszone is vastgesteld. De nabijgelegen woningen liggen in het gebied 'landelijk' waar een grenswaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde geldt. De woningen bevinden zich buiten de overgangszone waardoor geen verruiming wordt toegepast. Voor het maximale geluidniveau wordt bij de vergunningverlening uitgegaan van een grenswaarde voor het LAmax van 70 dB(A) etmaalwaarde voor elk gebiedstype. Zoals blijkt uit jurisprudentie is het gebruikelijk om deze waarde als grenswaarde te stellen. Voor inrichtingen gelegen in een gebied dat is aangeduid als type 'Bedrijven' wordt de indirecte hinder ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting niet beschouwd en beoordeeld. Voor inrichtingen gelegen in gebied landelijk en gebied bedrijven geldt dat, indien noodzakelijk, de dagperiode om 06:00 uur kan beginnen. Om aan te tonen dat voldaan wordt aan het geluidbeleid van de gemeente Leudal is een akoestisch onderzoek (Aelmans, rapportnummer M222425.001.001/JME, d.d. 20 september 2023, Bijlage 7) uitgevoerd.
Uit dit akoestisch onderzoek is gebleken dat in het kader van het gemeentelijk geluidbeleid: Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde zijnde 70 dB(A) etmaalwaarde. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien van de in het akoestisch onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar wordt geacht. Akoestisch onderzoek reflectie A2 Tevens is in het kader van een goed woon- en leefklimaat akoestisch onderzocht wat het mogelijk effect is vanwege reflectie van geluidafkomstig van de A2 door de nieuw te realiseren gebouwen op de omliggende geluidsgevoelige objecten (Aelmans, memo M222425.001.002/JME, d.d. 21 september 2023, Bijlage 8). Uit de rekenresultaten blijkt dat de woning Santforterstraat 7 de geluidbelasting toeneemt als gevolg van reflectie van de het geluid van de A2. De toename bedraagt maximaal 1,61 dB op de begane grond van de woning. Gelet op deze toename is onderzocht welke maatregelen getroffen kunnen worden om de toename van de geluidbelasting te reduceren. Dit kan worden gedaan door het maatregelen in de overdracht te treffen zoals een geluidscherm.
De bedrijfsloods heeft een maximaal toegestane bouwhoogte van 8,0 meter. Geluidschermen dienen daarom ook van aanzienlijke omvang te zijn om effect te hebben op de reflectie van de bedrijfsloods. Dergelijke schermen zijn lastig inpasbaar in de omgeving. Een andere mogelijke maatregel is de maatgevende gevel van de loods te voorzien van een geluidsabsorberende gevelbekleding. Hiermee wordt de reflectie beperkt wat de geluidbelasting bij de woningen ten goede komt. In het akoestisch onderzoek (tabel 2) zijn de resultaten weergegeven waarbij de oostgevel van de meest noordoostelijk gelegen loods van geluidsabsorberende materialen is voorzien. Uit de resultaten volgt dat ten gevolge van reflectie een toename van minder dan 1 dB wordt verwacht op een enkele locatie. De te verwachten toename is dermate laag dat er ten gevolge van de mogelijke reflectie door de te realiseren gebouwen geen onacceptabel geluidniveau zal ontstaan. Met toepassing van de voorgestelde maatregel leidt het realiseren van de gebouwen niet tot een significante toename van de geluidbelasting op de omgeving, er ontstaat geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat en in een enkel geval leidt het tot een verbetering van het akoestische klimaat vanwege een afschermende functie.
In dit kader is in de regels bepaald dat de oostgevel van de toekomstige bedrijfsbebouwing voorzien moet zijn van een geluidsabsorberende gevelbekleding, zodat het woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft. Hiervoor zijn
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
39
geen normen maar moet gedacht worden aan natuurlijke materialen zoals hout en groen en geen harde materialen (die weerkaatsen). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan zowel de richtafstand van 50 meter als het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast blijft het woon- en leefklimaat van de nabij gelegen woningen gewaarborgd als de oostgevel van de toekomstige bedrijfsbebouw voorzien wordt van een geluidabsorberende gevelbekleding. 5.2.2 Bodem Algemeen In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie. Gevolgen planvoornemen In het verleden is ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein een verkennend booronderzoek Afrikastraat 18 t/m 22 te Ittervoort (Econsultancy, rapportnummer 05011041b, d.d. 11 april 2005, Bijlage 9) uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is in het kader van de bouwverordening en een bestemmingsplanwijziging uitgevoerd. Binnen dit onderzoek is een gedeelte van het huidige plangebied onderzocht.
In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is matig tot sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met cadmium, chroom en zink. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Tevens wordt afraden om het freatisch grondwater te gebruiken voor besproeiinng van gewassen, vee drenking en/of consumputie. Dit is in het kader van het planvoornemen niet aan de orde. Verder zijn ter plaatse van de belendende percelen, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd, die voor onderhavige locatie relevant zijn. In dit kader is voor het planvoornemen een actualiserend vooronderzoek (Aelmans, rapportnummer E231050.001/ROE, d.d. 5 juni 2023, Bijlage 10) uitgevoerd. Dit vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en heeft als doel het krijgen van inzicht in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen binnen het plagebied. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over het plangebied en eventuele de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd.
De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten binnen het plangebied. Uit de voorhanden zijnde historische informatie zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Ten aanzien van de locatie luidt, op basis van vorenstaande, de hypothese: onverdacht. Conclusie Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering is voor het planvoornemen.
40
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
5.2.3 Geluid Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of geluidsoverlast kan optreden. De Wet geluidhinder en de Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Leudal, actualisatie 2014 vormen het wettelijke kader. De belangrijkste onderwerpen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Gevolgen planvoornemen Het bedrijventerrein Ittervoort is in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidgezoneerd bedrijventerrein. Wel is het geluid als gevolg van industrielawaai onderzocht in het kader van bedrijven en milieuzonering (zie paragraaf 5.2.1). In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan zowel de richtafstand van 50 meter als het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast blijft het woon- en leefklimaat van de nabij gelegen woningen gewaarborgd als de oostgevel van de toekomstige bedrijfsbebouw voorzien wordt van een geluidabsorberende gevelbekleding. Dit is in de regels als zodanig geborgd. Daarnaast moet gekeken worden naar wegverkeers- en spoorweglawaai. Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie bij nieuwe geluidgevoelige objecten. Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten planologisch-juridisch mogelijk gemaakt.
Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en railverkeerslawaai is in het kader van de Wet geluidhinder derhalve niet noodzakelijk. Conclusie De aspecten industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.4 Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals bijvoorbeeld een woning. Een bedrijventerrein wordt gezien als geurgevoelig object omdat de gebouwen geschikt zijn voor verblijf. De uitspraak van ABRvS, 200709155/1 van 24 december 2008 onderschrijft dit. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheidt gemaakt in twee soorten dieren: dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm.
Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU-dieren. dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand ('vaste afstand') tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een 'geurgevoelig object' (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VA-dieren. De gemeente Leudal ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. De gemeente Leudal heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. In hoofdstuk 3.5 van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) staat beschreven:
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
41
'Binnen daartoe aangewezen gebieden die zijn aangeduid op de bij deze verordening behorende gebiedsvisie en kaartmateriaal is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft de volgende gebieden en waarden: Kernen: 3 OU/m³ Kernrandzone: 6 OU/m³ Buitengebied: 10 OU/m³ Zorginitiatief Hornerheide: 3 OU/m³ Voor industrieterreinen buiten de kernen en grootschalige recreatieterreinen is de waarde 10 OU/m³ van toepassing.' Voor VA-dieren gelden minimaal aan te houden vaste afstanden. Met betrekking tot de vaste afstanden van een veehouderij naar een geurgevoelig object aangesloten bij de wettelijke afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Conform de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal: 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen; 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen. Tevens kan er sprake zijn van geur als gevolg van de toegestane bedrijfsactiviteiten ter plaatse van het plangebied, in dit geval interduct.
Gevolgen planvoornemen In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking worden verleend aan het planvoornemen indien veehouderijen door het planvoornemen niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor de uitbreiding van bedrijventerrein Itervoort fase 4 is een geuronderzoek (Kragten, rapportnummer 20190619-LEU084-RAP-AGG 1.0, d.d. 28 oktober 2019, Bijlage 11) uitgevoerd. Dit geuronderzoek is ook representatief voor onderhavig plangebied. In dit onderzoek is de achtergrondbelasting berekend in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de achtergrondbelasting tusssen de 0 en 3 OU/m3 . In de gebiedsvisie van de gemeente Leudal wordt een 'worstcase'-grens voor de achtergrondbelasting van 20 OU/m3 gehanteerd. Geconcludeerd kan worden dat de achtergrondbelasting binnen het plangebied duidelijk de grens van 20 OU/m3 niet bereikt. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied kan dan ook gekwalificeerd worden als 'zeer goed'. Verder liggen er tussen de agrarische bedrijven en het plangebied al meerder bestaande woonbestemmingen (geurgevoelige objecten) waardoor het planvoornemen niet zal leiden tot (extra) beperkingen van de agrarische drijven in de omgeving.
Interduct en de daarbij behorende bedrijfsactiviteiten vallen onder overige metaal bewerkende industrie met een richtafstand van 10 meter voor het aspect geur. Binnen deze afstand vanaf het plangebied zijn geen geurgevoelige objecten gelegen in de vorm van woningen. Conclusie Ten aanzien van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en omgekeerde werking vormt het aspect geur geen beperking van het planvoornemen en is het bestemmingsplan uitvoerbaar. 5.2.5 Externe veiligheid Algemeen Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De regelgeving rond de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs, Stb. 2013, nr. 307). De Wvgs vervangt de nota en de
42
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wvgs en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico's, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de bijlagen van de Regeling Basisnet is opgenomen voor welke transportroutes de externe veiligheidsrisico's bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt.
Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. Gevolgen planvoornemen Ten behoeve van het planvoornemen is een quickscan externe veiligheid (Econsultancy, rapportnummer 22370.002, d.d. 18 december 2023, Bijlage 12) uitgevoerd. In deze quickscan heeft een inventarisatie van de omgeving plaatsgevonden en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico gedaan. Inventarisatie omgeving Vlak langs de grens van het plangebied zijn diverse buisleidingen (PRB-leiding en 2 gastransportleidingen van de gasunie, nummer 1) gelegen. Op ongeveer 484 meter ten oosten van het plangebied is nog één hogedruk gastransportleiding gelegen (nummer 2). Omdat het plangebied geheel binnen de inventarisatieafstanden van de leidingen A-585 en A-521 ligt, is een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk.
De PRB-leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar op ongeveer 13 meter van de leiding. De omvang van het invloedsgebied strekt zich maximaal enkele meters buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Het maatgevende scenario is plasbrand. Omdat het plangebied buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar en het invloedsgebied ligt, gelden er geen belemmeringen voor het plangebied. Het invloedsgebied van de gasleidingen bedraagt respectievelijk 490, 430 en 150 meter. Op circa 300 meter ten oosten van de grens van het plangebied is de rijksweg A2 (nummer 3) gelegen. Deze weg heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) aan weerszijden van de weg. Het plangebied ligt ruim buiten het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Er gelden derhalve geen belemmeringen. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A2. Het plangebied ligt niet binnen 200 meter van de rijksweg A2. Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve niet noodzakelijk. Het invloedsgebied bevindt zich wel binnen de stofcategorieën LT1, LT2, GR3, Gt3 en GT4. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk (artikel 7 van het Bevt). Risico's van spoorwegen die aangewezen zijn als basisnetroute, kunnen reiken van 35 meter tot meer dan 4.000 meter (tabel 4-2 HART). Dit is afhankelijk van de getransporteerde stofcategorie.
Uitgaande van een inventarisatieafstand van 4.000 meter is gebleken dat er geen potentieel relevante spoorwegen aanwezig zijn
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
43
in de nabijheid van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor geen aandachtspunt vormt voor het plangebied. De invloedssfeer van vaarwegen die aangewezen zijn als basisnetroute reikt maximaal tot 1.070 meter en is afhankelijk van de getransporteerde stofcategorie (tabel 4-2 HART). Binnen deze zoekstraal zijn géén vaarwegen aanwezig die in de Regeling Basisnet aangewezen zijn als basisnetroute. Geconcludeerd wordt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van vaarwegen valt. Deze risicobron vormt dan ook geen belemmering van het plangebied. Tot slot zijn er routes die niet zijn aangewezen als een basisnetroute zoals de N273 op circa 410 meter ten zuidoosten van het plangebied. De N273 heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar. Het plangebiedvalt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour. Over deze weg gevaarlijke stoffen vervoerd2 van de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF3 en GT3. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de toxische stoffen LT1, LT2 en GT3. Op circa 370 meter ten zuiden van de grens van het plangebied ligt een LPG-tankstation (nummer 4). Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van het LPG-tankstation. Er gelden derhalve geen belemmeringen voor het plangebied.
Op circa 310 meter ten zuiden van de grens van het plangebied ligt BRB International (nummer 5). Binnen de inrichting zijn opslagtanks voor gas aanwezig. De contouren met een plaatsgebonden risico van 10-6/jaar liggen grotendeels binnen de inrichting. Gezien de afstand van het plangebied tot de inrichting worden er geen belemmeringen verwacht. Ook Freezitt B.V. (nummer 6) is aangewezen als een risicobron. De inrichting ligt op circa 510 meter ten westen van de grens van het plangebied. Binnen de inrichting is een ammoniakkoelinstallatie aanwezig. Er is geen contour met een plaatsgebonden risico van 10-6/jaar aanwezig. Gezien de afstand gelden er geen belemmeringen voor het plangebied. Op circa 870 meter ten noordwesten van de grens van het plangebied ligt campingboerderij Exhof (nummer 7). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de aanwezigheid van een propaantank. De contouren met een plaatsgebonden risico van 10-6/jaar liggen grotendeels binnen de inrichting. Gezien de afstand van de inrichting tot het plangebied gelden er geen belemmeringen. Overige risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 1 kilometer van het plangebied en zijn niet relevant.
44
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
Uitsnede Atlas Leefomgeving (veiligheid) Kwantitatieve risicoanalyse Voor de hogedruk aardgastransportleidingen A-585 en A-521 is een groepsrisicoberekening uitgevoerd ten behoeve van de kwantitatieve risicoanalyse. Voor de leiding A-585 bedraagt het groepsrisico 0,048 x de oriëntatiewaarde in de huidige situatie en neemt deze toe tot 0,086 x de oriëntatiewaarde in de toekomstige situatie. Voor de leiding A-521 bedraagt het groepsrisico in de huidige situatie 0,133 x de oriëntatiewaarde en neemt deze toe tot 0,213 x de oriëntatiewaarde in de toekomstige situatie. Op grond van artikel 12 lid 3 onder b van het Bevb kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico vanwege hogedruk aardgastransportleiding A-585. Het groepsrisico vanwege hogedruk aardgastransportleiding A-521 is hoger dan 0,1 x de oriëntatiewaarde en er is sprake van een toename van meer dan 10% waardoor ook dient te worden ingegaan op andere mogelijkheden om het groepsrisico te verlagen en de voor- en nadelen. In hoofdstuk 5 van Bijlage 12 wordt een verantwoording van het groepsrisico gegeven en wordt er ingegaan op de mogelijkheden tot bereikbaarheid en bestrijding van de calamiteit en de zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied Beperkte verantwoording groepsrisico Het maatgevende scenario met betrekking tot hogedruk aardgastransportleidingen is een fakkelbrand.
Buisleidingincidenten worden hoofdzakelijk veroorzaakt door grondroerende werkzaamheden. De kans dat een fakkelbrand optreedt is klein, maar niet uit te sluiten. Omdat de kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleiding, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen handelen. Aanwezigen binnen het plangebied moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en moeten worden gewezen op de mogelijke scenario's en hoe hierop te handelen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied toxische stoffen (LT1, LT2, GT3 en GT4) van de rijksweg A2. Een toxisch scenario ontstaat bij het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen. Er komt een wolk met giftige stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Gelet op de maatgevende afstand tot het plangebied is een BLEVE (koud of warm) het maatgevende risicoscenario. Het gaat om stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Op basis van momenteel bekende informatie ligt één bedrijfspand binnen het invloedsgebied van stofcategorie GF3. Het betreft het meest oostelijk gelegen pand.
Een koude BLEVE op de weg kan ontstaan doordat een tankwagen met brandbare gassen (zoals LPG en LNG) een botsing krijgt waardoor de tank scheurt. Door deze grote impact ontsteekt het brandbaar gas in de tank direct. Dit leidt tot een grote explosie, ook wel een koude BLEVE genoemd. Mensen in de omgeving kunnen slachtoffer worden door de overdruk en de bijkomende hittestraling. Gebouwen in de omgeving storten in, hebben schade of vatten vlam. Kijkend naar de functie binnen het plangebied (bedrijf) is er sprake van werkzame en mobiele personen die voldoende zelfredzaam zijn. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan uit schuilen binnen bebouwing of het gebied te ontvluchten afhankelijk van de plaats van de calamiteit. Afhankelijk van de locatie van het incident is het handelingsperspectief binnen blijven of vluchten. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid van aanwezigen moet gevonden worden in de inrichting van het gebouw en de openbare ruimte. Bij de inrichting van het gebouw, met name gebouwen met meerdere verdiepingen, wordt geadviseerd om duidelijke vluchtborden aan te brengen en meerdere vluchtroutes binnen het gebouw te realiseren. De vluchtroutes dienen van de bron af te zijn gericht. Verder moet er een BHV-organisatie aanwezig zijn die getraind is op ontruiming van het pand in geval van een calamiteit.
Door ontruimingsoefeningen wordt de zelfredzaamheid bevordert zodat in geval van een calamiteit op een juiste en ordelijke wijze het pand wordt verlaten. De scenario’s en het handelingsperspectief moeten worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan en
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
45
worden gecommuniceerd richting de werknemers. In geval van een calamiteit met een toxische stof op de rijksweg A2 of de N273 dienen personen binnen te blijven. In nieuwe bouwwerken wordt geadviseerd een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd (conform Bouwbesluit 2012). Voor personen buiten wordt bij voorkeur haaks op de windrichting gevlucht. Omdat de kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleiding, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen handelen. Aanwezigen binnen het plangebied moeten vooraf worden geïnformeerd over aanstaande werkzaamheden aan de leiding en moeten worden gewezen op de mogelijke scenario’s en hoe hierop te handelen. Bij een calamiteit op de rijksweg A2, provinciale weg N273 of bij de buisleidingen zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. De brandweerkazerne is gelegen op het bedrijventerrein, waardoor de opkomsttijd binnen de normtijd van 10 minuten ligt. Verder moet het plangebied vanuit minimaal twee richtingen bereikbaar zijn voor hulpdiensten, bijvoorbeeld via Amerikastraat en de Australiëstraat richting de Afrikastraat.
Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om op tijd ter plaatse te zijn en voldoende opstelplaatsen te hebben. De bereikbaarheid van de nog te realiseren gebouwen in het plangebied en de bluswatervoorziening moeten bij de aanvraag omgevingsvergunning worden getoetst door de Veiligheidsregio. Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan Om de geplande bedrijfsgebouwen te kunnen realiseren en tevens een goede ruimtelijke kwaliteit te bereiken, is de gehele oppervlakte van het uit te breiden deel nodig. Een vermindering van de bedrijfsoppervlakte kan een beperkend effect hebben op de uitbreiding. In de quickscan externe veiligheid (hoofdstuk 4) is het groepsrisico als gevolg van de hogedruk aardgastransportleidingen inzichtelijk gemaakt. Het groepsrisico zal na de realisatie van het plan toenemen, maar blijft te allen tijde onder de oriëntatiewaarde. De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft conform artikel 9 van het Bevt en artikel 12 van het Bevb advies uitgebracht inzake de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. De conclusie is dat de risico’s na de realisatie van het plan niet onevenredig hoog zijn dat de ontwikkeling moet worden beperkt.
Advies veiligheidsregio Limbug-Noord De Veiligheidsregio Limburg-Noord dient conform artikel 9 van het Bevt en artikel 12 van het Bevb in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen inzake de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. In dit kader heeft de veiligheidsregio het volgende advies (Bijlage 13) gegeven: Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de 100% letaliteitszone van de hogedruk aardgasleidingen. Op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen moet de hoogte van het groepsrisico worden berekend. De bereikbaarheid moet voldoen aan het gemeentelijke beleid ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. Het plangebied moet vanuit minimaal twee richtingen kunnen worden bereikt door hulpdiensten. De bereikbaarheid van nog te realiseren gebouwen in het plangebied moet bij een aanvraag omgevingsvergunning worden getoetst door de veiligheidsregio. De bluswatervoorziening in het plangebied moet voldoen aan het gemeentelijke beleid ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. De bluswatervoorziening ten behoeve van nog te bouwen gebouwen moet bij een aanvraag omgevingsvergunning worden getoetst door de veiligheidsregio. De ontvluchting van gebouwen, terreinen en openbare ruimten in het plangebied, moet van de risicobron af plaats kunnen vinden bij een dreigende warme BLEVE, een fakkelbrand of een toxische wolk. Bij een
46
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
toxische wolk wordt bij voorkeur haaks op de windrichting gevlucht. De mechanische ventilatie in gebouwen moet bij het vrijkomen van een toxische wolk snel kunnen worden afgesloten door de noodorganisatie (BHV) om veilig te kunnen schuilen voor een toxische gaswolk. Hiervoor moet een schakelaar worden geplaatst op een makkelijk bereikbare locatie, bij voorkeur bij een brandweerpaneel. Bedrijf en werknemers moeten bekend zijn met de externe veiligheid scenario’s en het handelingsperspectief. De scenario’s en het handelingsperspectief moeten worden beschreven in het noodplan van het bedrijf en worden gecommuniceerd en beoefend met de werknemers. De kans op een breuk van een hogedruk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door de kans van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van een aardgastransportleiding. In het bestemmingsplan moet hiervoor een belemmeringsstrook van 5 meter aan weerszijden van een aardgastransportleiding worden opgenomen waarbinnen een bouwverbod geldt. Tenslotte wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd.
Voor zover relevant is met het advies van de veiligheidsregio in het kader van dit bestemmingsplan rekening gehouden. Dit betreft het bepalen van de hoogte van het groepsrisico, de ontsluiting an twee richtingen en het respecteren van de belemmeringsstrook voor zover van toepassing op het plangebied. De overige punten uit het advies worden als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst. Verantwoordingsdocument externe veiligheid Op basis van voorgaande is door de gemeente Leudal een verantwoordingsdocument externe veiligheid opgesteld (Bijlage 14 ). Hierin wordt door de gemeente Leudal geconcludeerd dat het uit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is om het bestemmingsplan te wijzigen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Interduct te Ittervoort. Conclusie Op basis van de quickscan externe veiligheid kan geconcludeerd worden dat maatgevende scenario's op de rijksweg A2 calamiteiten zijn met een BLEVE en/of toxische gaswolken. Maatgevende scenario van een hogedruk aardgastransportleiding is een fakkelbrand.
De Veiligheidsregio Limburg-Noord dient in de gelegenheid gesteld te worden om in verband met het groepsrisico advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de rijksweg A2 en hogedruk aardgastransportleidingen. Het advies is als bijlage bij deze toelchting gevoegd. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.6 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
47
regionaal programma van maatregelen. Het besluit NIBM legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' is dat de effecten van een ontwikkeling op de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Gevolgen planvoornemen In het kader van het planvoornemen is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit (Econsultancy, rapportnummer 22370.001, d.d. 31 oktober 2023, Bijlage 15).
Doel van het onderzoek is toetsing NO2-emmissie en de fijnstof-emmissie als gevolg van de activiteiten binnen het plangebied aan de Wet milieubeheer. De relevante emissies binnen de nieuwe inrichting ontstaan door laswerkzaamheden en plasmasnijden, verbranding van (aard)gas voor de verwarming van de panden en verkeer van en naar de inrichting. De luchtkwaliteitsberekeningen voor de interne bedrijfsemissies zijn uitgevoerd met het rekenprogramma 'Implementatie Standaardrekenmethode Luchtkwaliteit 3a' (ISL3a) versie 2022. Voor de berekening van de luchtkwaliteit nabij de wegen is gebruik gemaakt van de rekentool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (AERIUS Lucht). Op basis van de uitgevoerde berekeningen wordt in het onderzoek luchtkwaliteit geconcludeerd dat er zowel in de nabijheid van de nieuwe bedrijvigheid als langs de ontsluitingswegen ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en de WHO-advieswaarden. Hiermee wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het de nieuwe bedrijfsvoering. In het onderzoek luchtkwaliteit is uitgegaan van worst case qua verkeersintensiteiten. Dit een tegenstelling tot de andere onderzoeken (akoestisch onderzoek indsutrielawaai, stikstof) waarin is uitgegaan van meer realistische aantallen.
Doordat ten aanzien van luchtkwaliteit is uitgegaan van hoger verkeersintensiteiten zal ook bij lager meer realistische aantallen qua verkeer ten alle tijde sprake zijn van geen belemmering ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 5.2.7 Lichthinder Algemeen Voor lichthinder gelden voor een bedrijventerrein geen voorschriften vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Wel geldt op grond van de algemene zorgplicht in afdeling 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat ondernemers verplicht zijn mogelijke lichthinder te voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Gevolgen planvoornemen Eventuele lichthinder dient te worden voorkomen, dan wel voor zover dit niet mogelijk is te beperken tot een
48
bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort
aanvaardbaar niveau. De verlichting op het terrein zal dan ook beperkt worden tot datgene wat nodig is in het kader van de veiligheid. Hierbij moet gedacht worden aan verlichting c.q. armaturen ter plaatse van de parkeervoorzieningen en de ontsluiting. Dit zullen geen grote lichtmasten zijn met felle lampen maar zal zich beperken tot 'gewone' straatverlichting. Ook eventuele verlichting aan de gebouwen zelf zal tot een minimum en alleen het noodzakelijke worden beperkt. De verlichting zal daarbij naar beneden worden gericht en niet op de omgeving, waarbij gebruik wordt gemaakt van LED-verlichting in het kader van duurzaamheid. Tevens zal er door de landschappelijke inpassing voldoende afscherming zijn. Dit is met name aan de oostzijde, waardoor mogelijke lichthinder richting de aangrenzende woningen aan de Santforterstraat verwaarloosbaar is. Daarnaast is de afstand tussen het plangebied en deze woningen voldoende (> 50 meter). Conclusie Het aspect lichthinder vormt op basis van voorgaande dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Algemeen In tegenstelling tot veel andere milieuaspecten zoals geluid of luchtkwaliteit, bestaat er geen wettelijke norm voor lichthinder naar de omgeving. Bovendien is hinderbeleving een subjectief begrip. Lichthinder wordt door iedereen anders ervaren.
In de praktijk wordt zowel in het Activiteitenbesluit als in de toekomstige Omgevingswet vaak verwezen naar de Richtlijn Lichthinder van de NSVV (Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde). In deze richtlijn Lichthinder worden verschillende vormen van lichthinder benoemd, te weten: 1. Hinder voor omwonenden 2. Hinder voor weggebruikers en bestuurders van transportmiddelen 3. Hinder voor astronomen en natuurliefhebbers 4. Hinder voor flora & fauna In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is met name hinder voor omwonenden van belang. Gebiedstype In de Richtlijn Lichthinder worden de volgende soorten gebieden onderscheiden: E0: Duisternisgebied E1: Natuurgebied E2: Landelijk gebied (buitenstedelijke en landelijke woongebieden) E3: Stedelijk gebied E4: Stadscentrum / Industriegebied In een stad is in de omgeving meer verlichting aanwezig dan in bijvoorbeeld een natuurgebied of landelijk gebied. De toegestane (grens)waarden voor een stad zijn dan ook hoger dan in een natuurgebied waar de omgeving over het algemeen donker is. In de Richtlijn Lichthinder zijn verlichtingssterkes en grenswaarden opgenomen voor ieder afzonderlijk gebiedstype, om onevenredige lichthinder voor omwonende te voorkomen. De te hanteren (grens)waarden worden daarbij bepaald door het gebiedstype waarin de mogelijk gehinderden zich bevinden, niet door de positie van de lichtbronnen zelf.