CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 2 juli 2024, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort'24.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In het voorliggende geval geldt dat het gebiedstype waarin de dichtstbij aanwezige omwonenden zich bevinden, het beste kan worden getypeerd als 'E2 Landelijk gebied'. Verlichtingssterkte en lichtsterkte Lichthinder bestaat uit twee aspecten: De verlichtingssterkte, zijnde de hoeveelheid licht op de gevel (gemeten in lx, lux) De lichtsterkte, zijnde de felheid van iedere afzonderlijke armatuur (gemeten in (cd, candela) Verlichtingssterkte

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

49

In de navolgende tabel, afkomstig uit de Richtlijn Lichthinder, zijn maximaal toegestane waarden voor de verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden vastgelegd, gemeten op een relevant geveldeel van een omwonende. Het gaat hierbij om het licht van alle armaturen samen waarvan licht op de gevel valt. In het voorliggende geval dient te worden uitgaan van de waarden voor het gebiedtype 'E2 Landelijk gebied'. De totale hoeveelheid licht op een relevant geveldeel van een omwonende mag op basis van de Richtlijn Lichthinder binnen het gebiedstype 'E2 Landelijk gebied' niet meer bedragen dan 5 lux in de dag- en avonduren (07:00 - 23:00 uur) en 1 lux in de nachturen (23:00 - 07:00 uur).

Grenswaarden voor de maximale verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden.

Lichtsterkte In de navolgende tabel, eveneens afkomstig uit de richtlijn lichthinder van de NSVV, zijn de grenswaarden vastgelegd voor de maximaal toegestane waarden voor de lichtsterkte van verlichtingsarmaturen ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden. Het gaat hierbij om de hoeveelheid licht van een armatuur in de richting van een omwonende. De grenswaarden zijn daarbij afhankelijk gemaakt van de afstand van een armatuur tot de omwonende en het schijnbare oppervlak van de armatuur gezien vanuit de positie van de omwonende. Een armatuur met een bepaalde felheid kan namelijk van dichtbij hinderlijk zijn, maar op grotere afstand veel minder of niet. Daarnaast oogt een klein armatuur mogelijk feller dan een groot armatuur die dezelfde hoeveelheid licht uitstraalt.

50

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Grenswaarden voor de maximale lichtsterkte van armaturen of delen van samengestelde armaturen in de richting van omwonenden ter voorkoming van lichthinder. In de praktijk blijkt dat lichthinder veelal voorkomen kan worden door verlichtingsarmaturen en lichtmasten op bedrijfspercelen naar beneden te richten, waardoor de uitstraling tot buiten de bedrijfspercelen beperkt wordt. Verder wordt tegenwoordig veelal gebruik gemaakt van led-verlichting. Led-verlichting is beter te bundelen en te sturen dan conventionele verlichting en bij led-verlichting is ook sprake van minder strooilicht dan bij conventionele verlichting. Met het gebruik van led-verlichting kan lichthinder buiten de bedrijfspercelen dan ook worden beperkt. In de regels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen conform de Richtlijn Lichthinder van de NSVV, op basis waarvan het voorkomen van onevenredige lichthinder voor omwonenden is geborgd. Conclusie Door het opnemen van regels omtrent verlichting, is in voldoende mate geborgd dat bij omwonenden geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder. 5.2.8 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt een uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort gerealiseerd. Deze functie komt

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

51

niet voor in onderdeel C van de bijlag bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r. beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De beoogde activiteit/functie valt onder de categorieën 'D11.2 en D11.3 uit het Besluit-m.e.r.'. Er is sprake van van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit onder andere betrekking heeft op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plangebied heeft een oppervlakte van in totaal circa 51.819 m2 (waarvan 38.448 m2 bedrijventerrein en 13.371 m2 groen). De bedrijfsbestemming neemt met 4.573 m2 toe ten opzichte van de huidige situatie. Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling beneden de hiervoor genoemde drempelwaarden blijft en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve om deze reden niet noodzakelijk is. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r. uit te voeren.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. noodzakelijk is. Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.19 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 5.2.9 m.e.r-beoordeling Naar aanleiding van de uitkomst van paragraaf 5.2.8 is het opstellen van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

Voorliggend initiatief betreft de volgende activiteit: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Een andere genoemde activiteit is: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is: de oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 5,2 hectare, bezoekersaantallen blijven ruim onder de drempel en de oppervlakte blijft ruim onder de 200.000 m2 en de 75 hectare. Gelet hierop worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, zodat een zogenaamde 'm.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd.

52

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

In een aanmeldingsnotitie zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle, voor dit plan, relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in paragraaf 5.2 t/m 5.7 van het voorliggende bestemmingsplan, blijkt dat het plan beperkte milieueffecten heeft. Omdat sprake is van een m.e.r.-beoordeling dient een aanmeldingsnotitie MER te worden aangeboden aan het bevoegd gezag en dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Op basis van deze aanmeldingsnotitie dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden door het college. Conclusie Op basis van de aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen niet leidt tot relevante milieueffecten. Geconcludeerd kan worden dat nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. Besluit college met betrekking tot m.e.r. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal heeft op 19 december 2023 besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan voor de realisatie van het planvoornemen.

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

5.3.1 Archeologie Ten behoeve van de eerdere uitbreiding van het bedrijventerrein is ter plaatse van de percelen 271 en 272 een inventariserend veldonderzoek archeologie (mei 2005, Bijlage 16) uitgevoerd. Uit dit veldonderzoek is gebleken dat er geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen. De bodemopbouw wijst duidelijk op veelal zeer natte omstandigheden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat op de onderzochte percelen waarschijnlijk geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Verder archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Vanuit archeologisch oogpunt zijn er geen belemmeringen ter plaatse van de percelen 271 en 272. Deze conclusie kan ook getrokken worden voor het perceel 273 aangezien het onderdeel is van hetzelfde 'agrarische gebied'. Ook zijn naar verwachting geen archeologische indicatoren en is de bodemopbouw hetzelfde als ter plaatse van de percelen 271 en 272. Dit wordt bevestigd door het feit dat ter plaatse van de uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort voor het overgrote deel geen dubbelbestemming Waarde - Archeologie van kracht is. Alleen de noordoosthoek is een deel van het huidige agrarische perceel bestemd tot 'Waarde-Archeologie 6'. Op het voorste deel van het plangebied (aan de zijde van de Afrikastraat) is de dubbelbestemming Waarde Archeologie 5 en 6 van toepassing.

Dit houdt in dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van 1.000/2.500 m2 en een diepte van meer dan 40 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Deze dubbelbestemming zal overgenomen worden zodat in het kader van de sloop en nieuwbouw van de (beoogde) bedrijfsgebouwen bezien kan worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Concreet voor het planvoornemen betekent dit dat de percelen 271 en 272 archeologisch zijn vrijgeven. Voor perceel 273 betekent dit dat ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' bij bodemingrepen van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm eerst archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Echter het totale gebied met deze dubbelbestemming heeft een oppervlakte van ongeveer 1.855 m2 waardoor de genoemde ondergrens nooit wordt overschreden. Daarnaast is hier niet voorzien in bebouwing maar enkel in de aanleg van parkeerplaatsen en landschappelijke inpassing waardoor de bodemingrepen hier beperkt blijven.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

53

Aan de zijde van de Afrikastraat ter plaatse van de bestaande bebouwing geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5 en 6'. Hier zal, als het planvoornemen de ondergrenzen van 1.000 m2 en 40 cm overschrijdt of de grond dieper verstoren dan al het geval is vanwege de bestaande bebouwing en verhardingen, archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Dit zal dan vanuit praktisch oogpunt naar verwachting archeologische begeleiding bij de graafwerkzaamheden zijn. Vanuit het aspect archeologie is er dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 5.3.2 Cultuurhistorie De bestaande bedrijfsgebouwen aan de Afrikastraat 18, 20 en 22 zijn niet aangewezen als een rijks- dan wel gemeentelijk monument en hebben ook geen cultuurhistorische waarden. Deze bedrijfsgebouwen dateren uit de jaren '80/'90 van de vorige eeuw en hebben ook geen enkele beeldbepalende waarde voor het bedrijventerrein. De gronden aan de achterzijde van het plangebied zijn agrarisch in gebruik en onbebouwd. Hier is eveneens geen sprake van enige cultuurhistorische waarden. Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardekaart loopt door het plangebied (tussen Afrikastraat 20 en 22) in noord-zuid richting een voormalige oude weg, benoemd als 'andere weg ouder dan 1806'.

Ter plaats van deze oude weg is in de huidige en nieuwe situatie de ontsluiting van het plangebied voorzien,maar deze ontsluiting sluit niet aan op de wegen aan de achterzijde. In dat opzicht is deze oude weg niet echt zichtbaar en ook niet als zodanig zichtbaar te maken omdat het niet wenselijk is om een ontsluiting door het plangebied te hebben. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen bezwaren tegen het voorgenomen planvoornemen.

5.4

Natuur

5.4.1 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebied aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied ligt op ca. 1,7 km afstand van het Belgische Natura 2000 gebied 'Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof', op ca. 2,6 km afstand van het Belgische Natura 2000 gebied 'Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek' en op ca. 3,6 km afstand van het Nederlandse Natura 2000 gebied 'Grensmaas'.

54

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trillingen en geluid als door het voorgenomen planvoornemen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in combinatie met het voorgenomen planvoornemen, op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Zie volgende paragraaf. 5.4.2 Stikstof Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden.

Om te onderzoeken of er sprake is van significante effecten ten aanzien van de stikstofuitstoot als gevolg van het planvoornemen is een stikstofonderzoek (Pouderoyen Tonnaer, projectnummer J222425, d.d. 21 september 2023, Bijlage 17) uitgevoerd. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat op basis van een worst case scenario doorrekening significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten op de instandhoudings-doelstellingen voor Natura 2000 gebieden als gebruik wordt gemaakt van interne saldering op basis van het huidige gebruik. 5.4.3 Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Limburg (voorheen goudgroene natuurzone) vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Daarnaast is het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving belangrijk.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

55

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg, plangebied ter hoogte van marker Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 850 meter ten noorden van het plangebied. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Limburg de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand tusen het plangebied en het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. 5.4.4 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en her-plantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen binnen het plangebied vallen onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te verplaatsen bomen maken onderdeel uit van de reeds aanwezige landschappelijke inpassing van de eerdere uitbreiding (perceel 271 en 272). Deze bomen worden verplaatst naar de buitenzijde van het plangebied als onderdeel van de nieuwe landschappelijke inpassing van de

56

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

huidige uitbreiding van het bedrijventerrein. Hiermee is geen sprake van kap maar enkel van verplaatsing waarbij de bomen 'herplant' worden. De landschappelijke inpassing met het herplanten van de bomen wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd in onderhavig bestemmingsplan. 5.4.5 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Om te kunnen vaststellen of het planvoornemen nadelige effecten heeft op beschermde soorten is een quickscan flora en fauna (NIPA, rapportnummer N230291.003/YST, d.d. 21 juli 2023/6 september 2023, Bijlage 18) uitgevoerd. In de te verplaatsen bomen zijn geen gaten of holen aanwezig. Deze bomen zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats.

Echter de bomen maken wel onderdeel uit van een lijnvormig element. Dit element gaat verloren door de verplaatsing, maar dit wordt in voldoende mate gecompenseerd door de aanleg van een nieuwe houtsingel rondom het plangebied in het kader van de beoogde landschappelijke inpassing. Voor de aanplant van de nieuwe houtsingel kunnen de te verwijderen bomen herplant worden op de nieuwe locatie. Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd om struiken en bomen van inheemse soorten aan te planten. Deze dienen gezamenlijk een lijnvormig element vormen waarlangs vleermuizen kunnen. Dit lijn vormig element mag bestaan uit struiken en bomen van verschillende leeftijden en soorten. Geadviseerd wordt om te houden aan de huidige breedte en hoogte van de bestaande houtwal. Hier mag vanaf geweken worden met +/-1 meter. De te planten bomen dienen een maximale afstand van 10m (+/- 1 meter) van elkaar te staan. Indien er kunstmatig licht op wordt geschenen in de donkere uren moet deze afstand verkleind worden naar 5 meter. Aangezien de landschappelijke inpassing door middel van een voorwaardelijke verplichting is gewaarborgd wordt hierin in voldoende mate voorzien. Voor de geplande ingreep wordt een deel van de aanwezige bomen en struiken gerooid welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels.

Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Snoei- en rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Een ecoloog kan voor aanvang van de geplande werkzaamheden het plangebied na lopen en aanwezige grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omliggend gebied. Dit voorkomt dat deze dieren gedood worden door het werkverkeer. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Dit zal geen probleem zijn aangezien het plangebied aan de noordzijde direct grenst aan het buitengebied en er dus voldoende vluchtmogelijkheden zijn. Op grond van deze quickscan gelden er derhalve geen belemmeringen voor het planvoornemen op grond van de natuurwaarden.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

57

5.5

Landschap

Het landschapskader Noord- en Midden Limburg heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat zelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst inspireert het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen, kunnen aan de hand van het Landschapskader nagaan welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Voor de belangrijkste conclusies wordt verwezen naar paragraaf 3.3. Door middel van het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan het landschapskader Noord- en Midden Limburg.

5.6

Waterparagraaf

Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het planvoornemen voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. Oppervlaktewater Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Limburg is nagegaan of er zich in of in de omgeving van het plangebied oppervlaktewateren in beheer van het waterschap bevinden (zie afbeelding hierna). Ten noordwesten van het plangebied ligt de waterloop Waubroekerstraat. Dit is een primaire watergang welke in oostelijke en dan noordelijke richting stroomt. De watergang is geflankeerd door een kernzone en een profiel van vrije ruimte. Ten zuidoosten van het industrieterrein bevindt zich nog de primaire watergang Santfort welke richting het kanaal stroomt. Deze watergangen zijn niet van invloed op het plangebied.

58

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Uitsnede legger Waterschap Limburg met ligging plangebied (rood omkaderd) Binnen het plangebied is verder geen oppervlaktewater aanwezig. De gronden zijn deels als bedrijventerrein (verhard) in gebruik, deels als agrarisch gebied en deels als groen (onverhard) Infiltratieonderzoek Om de mogelijkheden voor de omgang met hemelwater te onderzoeke is ter plaatse van het plangebied (waar de beoogde uitbreiding is voorzien) een infiltratieonderzoek (Aelmans, rapportnummer E231049.003/LOM, d.d. 1 juni 2023, Bijlage 19) uitgevoerd. Uit de gemeten doorlatendheden blijkt, dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van Afrikastraat 18 t/m 22 te Ittervoort. De doorlatendheid van de ondergrond ter plaatse van de testen IP-01 en IP-02 is voldoende. Het infiltreren zou dus direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding / afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en / of grindkoffers is opportuun. Hemelwater Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied deels als bedrijventerrein (verhard) en deels als agrarisch gebied (onverhard) in gebruik. Het hemelwater ter plaatse van het bedrijventerrein wordt afgevoerd via het bestaande rioolsysteem zoals aanwezig ter plaatse van de Afrikastraat. Het hemelwater ter plaatse van het agrarische gebied kan momenteel direct infiltreren in de bodem.

Toekomstige situatie In de nieuwe situatie worden de (nieuwe) bebouwing en verhardingen binnen het plangebied volledig afgekoppeld. Dit hemelwater zal binnen het plangebied geborgen worden door de aanleg van hemelwatervoorzieningen in de vorm van wadi's c.q. 'gracht' als onderdeel van de landschappelijke inpassing. hierbij wordt uitgegaan van een bergingseis van 100 mm conform de Keur van het Waterschap Limburg. In de nieuwe situatie is sprake van 38.448 m2 verharding (oppervlak bedrijfsbestemming), waardoor een

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

59

berging van 3.844 m3 noodzakelijk is. In het ontwerp van de landschappelijke inpassing is in deze opgave voorzien door de aanleg van wadi's c.q. 'gracht'. Indien deze niet toereikend zijn kan altijd voorzien worden in waterberging onder de verharding in de vorm van infiltratiekratten of grindkoffers. Tevens zal voorzien worden in een overstort op het bestaande rioolsysteem ter plaatse van de Afrikastraat voor extreme situaties. Het ontwerp van het hemelwatersysteem voor de opvang van het hemelwater zal nog nader uitgewerkt worden. Hierbij zal rekening worden gehouden met de gewenste leegloopduur van 24 uur. In de regels is gewaarborgd dat bij het bouwen van bouwwerken wordt voldaan aan de bergingseis van het hemelwater. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig, als onderdeel van de landschappelijke inpassing om te voorzien in voldoende bergingscapaciteit voor de opvang van het hemelwater. Dit is ook in voldoende mate geborgd in de regels. Er zijn derhalve vanuit het aspect water geen bezwaren op voorliggend planvoornemen. Vuilwater Het vuilwater afkomstig van de toekomstige (nieuwe) bebouwing wordt aangesloten op de bestaande riolering zoals aanwezig ter plaatse van de Afrikastraat.

5.7

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf worden zowel de verkeerssituatie als de parkeersituatie in beeld gebracht. Specifiek wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en de verkeersafwikkeling. Verkeer De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-kencijfers (CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Bij deze berekeningen is onderscheid gemaakt in: kantoor (zonder baliefunctie): 4.690 m2 bvo; bedrijf arbeidsextensief/bezoekesrextensief (loods, opslag, transport): 13.345 m2 bvo bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats): 5.080 m2 bvo. De bijbehorende verkeersgeneratie uitgaande van niet stedelijk en buiten gebied bedraagt: kantoor (zonder baliefunctie): minimaal 7,9 en maximaal 9,6 mvt/100 m2 bvo; bedrijf arbeidsextensief/bezoekersrextensief (loods, opslag, transport): minimaal 3,9 en maximaal 5,7 mvt/100 m2 bvo bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats): minimaal 9,1 en maximaal 10,9 mvt/100 m2 bvo. Op basis van de beoogde functies en bijbehorende maximale verkeersgeneratie (worst-case) bedraagt de totale verkeersgeneratie 1.764,62 mvt/etm (46,9 x 9,6 + 133,45 x 5,7 + 50,8 x 10,9).

Echter hier staat tegen over dat het plangebied in de huidige situatie reeds verkeer genereert (inclusief invulling huidige bestaande bouwmogelijkheden achterzijde), namelijk 1.196,71 mvt/etm (17,9 x 9,6 + 67,5 x 5,7 + 9,0 x 9,6 + 50,8 x 10,9). Deze bestaande verkeersgeneratie kan hierop in mindering worden gebracht waardoor de verkeersgeneratie 567,91 motorvoertuigen bedraagt. Het plangebied blijft net als in de huidige situatie, middels de bestaande inritten, ontsloten via de Afrikastraat/Torenweg welke toegang geeft tot de Napoleonsbaan. De bestaande infrastructuur met een straatprofiel c.q. rijbaan van ongeveer 8,0 meter is van voldoende capaciteit om deze verkeersgeneratie af te wikkelen. De Torenweg is een gebiedsontsluitingsweg en is in staat om grote hoeveelheden verkeer af te wikkelen. Daarnaast is er nadrukkelijk geen sprake van een aansluiting op de Santforterstraat aan de noordzijde van het plangebied. Er wordt geen 'achterom' gerealiseerd zodat de Santforterstraat haar huidige karakter behouden en alleen bestemd is voor bestemmingsverkeer. Hiermee wordt ook voorkomen dat de bewoners in de omgeving van het plangebied last hebben van vrachtverkeer. Wel zal op advies van de veiligheidsregio

60

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

worden voorzien in een tweede ontsluiting in geval van eventuele calamiteiten. Deze calamiteitenontsluiting zal afgesloten zijn voor het verkeer. Alleen de hulpendiensten kunnen hiervan gebruik maken. Parkeren Ook is de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de CROW-kencijfers (CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Hierbij is hetzelfde onderscheid gemaakt als bij de verkeersgeneratie en uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm. Dit in tegenstelling tot de Nota Parkeernormen 2016 die uitgaat van maximale parkeernorm. De redenen hier voor zijn: Het betreft een bedrijf met sterk regionaal karakter (veel mensen werkzaam uit de omgeving en komen met de fiets (fietspla)) Hoofdmoot is productie en logistiek (weinig tot nagenoeg geen bezoekers) 1. Nu 135 werknemers (loonnummers en géén FTE) werkzaam in Ittervoort 2. In 1.920 m2 kantoor en 6.610 bedrijfsruimte (fabriek en logistiek) De ca. 95 parkeerplaatsen zijn voldoende Het nieuwe plan zou 'onderdak bieden' aan ca. 400 collega's (inschatting) 1. In 4.650 m2 kantoor en 17.610 m2 bedrijfsruimte 2. Een ex trapolatie geeft ca. 350 parkeerplaatsen Verwachting is dat de parkeerbehoefte verder zal afnemen door de volgende facetten: Automatisering van processen (continu gaande) Stimuleren van thuiswerken (wordt nu al veel gebruik van gemaakt) Mobiliteitsprogramma, 1.

Mogelijkheid elektrische leasefiets (alle Interduct collega's) 2. Faciliteren (promoten) van carpoolen (met behoud KM-vergoeding) De parkeerbehoefteberekening is als Bijlage 20 bijgevoegd. Op basis van deze parkeerbehoefteberekening (maatgevend moment 379 parkeerplaatsen) is de inrichting van het terrein uitgewerkt waarbij voorzien wordt in het noodzakelijk aantal parkeerplaatsenop eigen terrein om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Tevens wordt centraal in het plangebied in een 'centraal plein' voor het afhalen van bestellingen voorzien. Ook wordt bij de bedrijfsgebouwen voorzien in de noodzakelijke laaddocks. Het parkeren, laden en lossen is daarmee voorzien op eigen terrein. Om te waarborgen dat ook daadwerkelijk in de noodzakelijke parkeerplaatsen wordt voorzien zijn de parkeernormen van de gemeente Leudal als bijlage opgenomen bij de regels van dit bestemmingsplan, waarna in de regels ten aanzien van parkeren wordt verwezen.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

61

62

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Hoofdstuk 6 6.1

Opbouw bestemmingsplan

Algemeen

De in deze toelichting beschreven aspecten hebben als basis gediend voor het opstellen van een juridisch plan, dat zoveel mogelijk is afgestemd op de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal. Teneinde het voorgenomen initiatief te kunnen realiseren heeft een juridische vertaling van het plan in planregels en verbeelding plaatsgevonden. De planregels zijn gerelateerd aan de verbeelding. Verbeelding en planregels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast conform de bepalingen in Wro, Bro en SVBP 2012.

6.2

Verbeelding

Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben juridische betekenis indien en voor zover deze daaraan in de planregels wordt gegeven. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens (BGT/BAG).

6.3

Planregels

6.3.1

Inleiding

De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 'Inleidende regels', hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels', hoofdstuk 3 'Algemene regels' en hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels'. Voor de planregels is zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestemmingsplannen 'Bedrijventerrein Ittervoort' en 'Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase'. Regelingen die in dit kader niet relevant zijn, zijn achterwege gelaten. Waar nodig zijn verbijzonderingen aangebracht dan wel is maatwerk toegepast afgestemd op het planvoornemen. 6.3.2 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 6.3.3 Bestemmingsregels Algemeen De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen;

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

63

afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid; Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In dit bestemmingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisen-regeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het bestemmingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten: gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; verkeersveiligheid; sociale veiligheid; brandveiligheid en rampenbestrijding; externe veiligheid; benodigde parkeervoorzieningen; benodigde waterberging. Hier onder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij is zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestemmingen / regelingen zoals deze binnen de gemeente Leudal worden gehanteerd. Hierna wordt met name ingegaan op de specifieke regelingen in dit bestemmingsplan.

Artikel 3 Bedrijventerrein Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' (artikel 3) is de vestiging van bedrijvigheid toegestaan. Het betreft bedrijven in maximaal categorie 3.1 en zoals opgenomen in de lijst met bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Bebouwing dient te worden opgericht binnen het bouwvlak. In de regels is het bebouwingspercentage opgenomen. De toegestane maximum bouwhoogte van respectievelijk 8 meter, 10 meter en 12 meter is op de verbeelding in verschillende zones aangeduid. Aan de zijde van de Afrikastraat en de noordzijde en oostzijde is een gevellijn aangeduid. Aan deze zijden dienen op basis van de regels representatieve gevels te worden gesitueerd om daarmee de uitstraling van het bedrijventerrein naar de omgeving te waarborgen. Tevens dient aan de oostzijde, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidsabsorberende gevel' te worden voorzien in een geluidsabsorberende gevel om het geluid afkomstig van de A2 te absorberen en te voorkomen dat sprake is van reflectie, zodat het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woingen aan deze zijde gewaarborgd blijft. Verder biedt deze bestemming de mogelijkheid om onder andere parkeergelegenheid, geluidwerende voorzieningen, erfafscheidingen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van landschappelijke inpassing aan te leggen.

Ook laat de bestemming buitenopslag toe tot een hoogte van 4 meter, achter de naar de weg gekeerde rooilijn. Om te waarborgen dat de landschappelijke inpassing ook gerealiseerd en instand wordt gehouden is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen Artikel 4 Groen Binnen de bestemming 'Groen' (artikel 4) zijn groenvoorzieningen toegestaan, alsmede onder andere speelvoorzieningen, landschappelijke inpassing, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen en faunavoorzieningen. Het oprichten van gebouwen is in principe binnen de bestemming 'Groen' niet toegestaan. Er zijn uitsluitend

64

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de groenbestemming toegestaan. Voor de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Artikel 5 Leiding - Gas Ter plaate an deze dubbelbestemming is de beschermingszone van de betreffende leiding planologisch-juridisch beschermd. Artikel 6 en 7 Waarde - Archeologie 5 en 6 Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing met een bepaalde ondergrens voor de noodzakelijkheid van archeologische onderzoek. 6.3.4 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In de 'Anti-dubbeltelregel' (artikel 8) wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Artikel 9 Algemene bouwregels In de 'Algemene bouwregels' (artikel 9) zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In de 'Algemene gebruiksregels' (artikel 10 is een nadere bepaling opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gronden.

Tevens zijn regels opgenomen met betrekking tot het houden van bedrijfsgerelateerde evenementen en het innemen van verkoopstandplaatsen. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels De 'Algemene afwijkingsregels' (artikel 11) verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels De 'Algemene wijzigingsregels' (artikel 12) verschaffen burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. Artikel 13 Algemene procedureregels De 'Algemene procedureregels' (artikel 13) bevatten alleen nog procedureregels voor het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Voor alle overige procedures zijn reeds procedureregels opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichting) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunningen). Artikel 14 Overige regels In de 'Overige regels' (artikel 14) zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht.

Hierin is een regel opgenomen die aangeeft dat, waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde geldt ten aanzien van de dubbelbestemming. Tevens wordt aangegeven welke dubbelbestemmingen prevaleren boven andere dubbelbestemmingen indien deze samenvallen. Daarnaast zijn regels opgenomen waarin is vastgelegd dat bij ontwikkelingen voldaan dient te worden aan de door de raad vastgestelde parkeernormen. Daarbij wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen 2016

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

65

(Bijlage 3 van de regels). 6.3.5 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht In de regel 'Overgangsrecht' (artikel 15) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

Artikel 16 Slotregel In de 'Slotregel' (artikel 16) is aangegeven dat de regels van dit bestemmingsplan dienen te worden aangehaald als "Regels van het bestemmingsplan 'Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort'.

66

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en het verruimen van de bouwmogelijkheden en is hiermee een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een bedrijfsmatige initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst inclusief planschadeverhaalovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. In deze overeenkomst wordt tevens de landschappelijke inpassing en het leveren van een kwaliteitsbijdrage privaatrechtelijk geborgd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een concrete behoefte van het binnen het plangebied gevestigde bedrijf Interduct op het bestaande bedrijventerrein 'Ittervoort' in verband met de concentratie van haar bedrijfsactiviteiten. Deze uitbreiding is een logische afronding van het bedrijventerrein 'Ittervoort'. Met de uitbreiding ontstaat er ruimtelijke gezien een logische begrenzing tussen het bedrijventerrein enerzijds en het aangrenzende buitengebied anderzijds. Door richting het buitengebied te waarborgen dat de toekomstige bedrijfsgebouwen georienteerd zijn op het buitengebied wordt aan deze zijde voorzien in representatieve gevels van de bedrijfsgebouwen in combinatie met de beoogde landschappelijke inpassing. Hiermee wordt voorzien in een goede en geleidelijke overgang van het bedrijventerrein richting het buitengebied en omgekeerd. Hiermee is sprake van een kwalitatieve invulling van het plangebied. Daarnaast heeft Interduct een omgevingsdialoog gehouden in de vorm van een informatiebijeenkomst (d.d. 24 april 2023). Hiervoor zijn de directe omwonende uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomst zijn de omwonenden geinformeerd over de huidige bedrijfsactiviteiten die plaats vinden, de transitie waarin het bedrijf zit en de toekomstplannen die het bedrijf heeft en de aanleiding is om het bedrijventerrein uit te breiden qua ruimtebeslag.

De bevindingen van deze bijeenkomst zijn verwoord in een verslag. Een geanonimiseerde versie daarvan is als Bijlage 21 bij deze toelichting gevoegd. Tevens zijn de omwonenden op d.d. 30 juni 2023 uitgenodigd voor een rondleiding op het bedrijf. Verder is afgesproken dat de omwonenden door interduct pro-actief op de hoogte worden gehouden over de voortgang (van de procedure) van het bestemmingsplan. Dit is gebeurd op 20 november 2023. De omwonenden zijn toen bijgepraat over de aanpassingen van het plan naar aanleiding van de vorige omgevingsdialoog, het advies van de kwaliteitscommissie en het advies van de veiligheidsregio. Daarnaast is uitleg gegeven over bestemmingsplan en de daarbij behorende procedure. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 21 bij deze toelichting gevoegd. Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande naar alle waarschijnlijkheid niet op zwaarwegende planologische bezwaren uit de omgeving stuiten. Dit bestemmingsplan wordt ten slott conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienden (zie paragraaf 8.5).

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

67

68

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Hoofdstuk 8 8.1

Procedure

De te volgen procedure

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) start de wettelijke procedure met het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: a. b. c. d. e.

f. g.

8.2

Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep voor belanghebbenden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Kennisgeving

Voorafgaand aan de voorbereiding en het in procedure brengen van een nieuwe bestemmingsplan, geven burgemeester en wethouders kennis van het voornemen om een nieuwe bestemmingsplan op te stellen. Deze kennisgeving is gedaan.

8.3

Overleg ex artikel 3.1.1.

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijksen provinciale diensten. Het planvoornemen is aan de voorkant afgestemd in het kader van het principe verzoek afgestemd met de Provincie Limburg. Gezien de beperkte omvang van het plan en realisatie binnen het bestaand bebouwd gebied zijn er geen Rijksbelangen in het geding. Daarnaast is onderhavig bestemmingsplan in het gebruikelijke (sub)regionale overleg met omliggende gemeenten afgestemd. Tot slot zijn met dit bestemmingsplan geen belangenen van het waterschap in het geding en wordt het hemelwater volledig afgekoppeld en voorzien in de noodzakelijke hemelwatervoorzieningen op basis van een bergingseis van 100 mm overeenkomst de Keur van het waterschap.

8.4

Inspraak

Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

69

8.5

Ontwerp en vaststelling

Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf 27 december 2023 tot en met 6 februari 2024, gedurende zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn 2 zienswijzen ingediend. Een korte weergave van de zienswijzen en de gemeentelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijzen is weergegeven in de als Bijlage 22 bij deze toelichting opgenomen Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen bestemmingsplan 'Uitbreiding bedrijventerrein Interduct Ittervoort'. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft met de twee indieners van de zienswijzen d.d. 12 maart 2024 een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Tijdens deze dialoog zijn de indieners nader geinformeerd over de plannen van interduct en zijn hun vragen beantwoord. Daarnaast zijn de punten uit de door hun ingediende punten besproken en toegelicht. Het verslag van deze omgevingsdialoog is als Bijlage 23bij deze toelichting opgenomen. Vervolgens is door initiatiefnemer (telefonisch) contact gehouden met de indieners van de zienswijzen. Naar aanleiding van dit contact is vanuit de initiatiefnemer toegezegd om bij de uitwerking van de bouwplannen de gevel van het gebouw ter hoogte van de laaddocks op maaiveld door te trekken, zodat geluid en (eventueel) licht minder kans krijgt om 'uit te stralen' in westelijk richting (zie onderstaande afbeelding.

Doortrekken gevel ter hoogte van laaddocks op maaiveld (rode lijn)

70

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

Dit is verwerkt in de toelichting (paragraaf 3.3), in Bijlage 5 bij de toelichting, in de regels (artikel 3.2.1 onder lid d) en op de verbeelding (Bijlage 1) De zienswijzen zelf hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel na nadere afstemming met de indieners van de zienswijzen met betrekking tot de afscherming van de laaddocks, zoals hiervoor beschreven. Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van 2 juli 2024 gewijzigd vastgesteld. Het raadsbesluit inclusief raadsvoorstel is bij het bestemmingsplan bijgevoegd.

bestemmingsplan Uitbreiding Bedrijventerrein Interduct Ittervoort

71

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=a2a0342b-dca6-4827-bc30-06015b412f7d