Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
47
uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Onderzoekskader, het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' is dat de effecten van een ontwikkeling op de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Onderzoek plangebied Doel van het onderzoek is toetsing van de NO2-immissie en de fijnstofimmissie als gevolg van de activiteiten binnen het plan aan de Wet milieubeheer. Van de in de Wet milieubeheer genoemde stoffen zijn alleen stikstofdioxide en zwevende deeltjes onderzocht. De ervaring leert dat de concentraties van de andere stoffen zich ruim onder de grenswaarden, zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer, bevinden. De emissies vanwege de activiteiten die binnen het plan kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. De toetsingswaarden volgen uit de Wet milieubeheer. Met een verspreidingsmodel is de immissie in de omgeving van het plan berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer.
Relevantie voor het plangebied Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan. 5.1.8
Milieueffectrapportage
Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort gerealiseerd. Deze functie komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
48
De beoogde activiteit/functie valt onder de categoriën 'D11.2 en D11.3 uit het Besluit-m.e.r.'. Er is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit onder andere betrekking heeft op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Het plangebied heeft een oppervlakte van in totaal circa 150.000 m2 (waarvan 87.000 m2 uitgeefbaar) m². Dit betekent dat de beoogde ontwikkeling beneden de hiervoor genoemde drempelwaarden blijft en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve om deze reden niet noodzakelijk is. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r. uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. noodzakelijk is.
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.19 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het indienen van een aanmeldnotitie is niet vereist als de gemeente zelf initiatiefnemer is van het plan. 5.1.9
Vormvrije m.e.r. beoordeling
Naar aanleiding van de uitkomst van paragraaf 5.1.8 is het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Wel dient opgemerkt te worden dat sprake is van een initiatief waarbij het bevoegd gezag opdrachtgever is. Voorliggend initiatief betreft de volgende activiteit: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Een andere genoemde activiteit is: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is: de oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 8 hectare, bezoekersaantallen blijven ruim onder de drempel en de oppervlakte blijft ruim onder de 200.000 m2 en de 75 hectare. Gelet hierop worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd.
In tabel 6 zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle, voor dit plan, relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in paragraaf 5.1 t/m 5.6 van het voorliggende bestemmingsplan, blijkt dat het plan beperkte milieueffecten heeft. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r. dient een aanmeldingsnotitie MER aangeboden aan het bevoegd gezag en dient een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen. Echter, in voorliggend plan is het bevoegd gezag (de gemeente Leudal) zelf initiatiefnemer. Derhalve is geen aanmeldnotitie nodig, maar dient wel een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden door het college.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
49
Kenmerken van het plan Omvang van het project (relatie met drempel D-lijst)
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Initiatief: het uitbreiden van bedrijventerrein Ittervoort met een totale oppervlakte van circa 87.000 m2 (uitgeefbaar). Tevens wordt rondom de uitbreiding landschappelijke inpassing gerealiseerd waarin diverse opgaven landen (zoals compensatie natuur / houtopstanden, geluidwerende voorzieningen, waterberging, landschapskwaliteit). Indicatieve drempels D-lijst worden niet overschreden
Cumulatie met andere projecten
Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, waardoor geen sprake is van cumulatie van milieueffecten met andere projecten.
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Realisering van de voorgenomen activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.
Productie afvalstoffen
Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Voor wat betreft de afvoer van afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke resteffecten die aanleiding zouden geven tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
50
Verontreiniging en hinder
Bodem: In het verleden is een bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied met als conclusie dat vanuit het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de ontwikkeling. Aan de hand van een actualiserend vooronderzoek is naar voren gekomen dat geen negatieve verandering heeft opgetreden voor de bodemkwaliteit. Water: Ten behoeve van het initiatief is een watertoets doorlopen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishouding. De bergingsopgave bij 100% verharding van de percelen bedraagt 8.587 m3. De landschappelijke inpassing voorziet in een bergingsruimte van ca. 10.570 m3. Naast de watertoets is een infiltratieonderzoek opgesteld en de uitkomsten zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Het aspect water staat de planvorming niet in de weg. Verkeer: De ontwikkeling van het bedrijventerrein Ittervoort 4e fase leidt niet tot hinder / overlast voor het verkeer van en naar het bedrijventerrein. De mogelijkheid om het verkeer af te wikkelen blijft voldoende. Ecologie: In het kader van de ontwikkeling van het plan zijn een voortoets en een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd. Aan de hand hiervan blijkt dat er geen sprake is van effecten op Natura 2000-gebied.
Uit het onderzoek blijkt immers dat ten gevolge van het onderhavige plan géén stikstofdepositie bijdrage berekend wordt op een stikstofgevoelig habitattype waar de kritische depositiewaarde overschreden wordt. Tevens zal de maximale stikstofdepositie bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar ten gevolge van het plan niet leiden tot een dreigende overschrijding van de kritische depositiewaarde. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan worden derhalve uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is. In het kader van het soortenonderzoek dat is uitgevoerd zijn diverse soorten waargenomen. Nader soortenonderzoek is daarom uitgevoerd. Vervolgens is ook een mitigatie- en compensatieplan opgesteld. Aanwezige soorten staan de planvorming voor het initiatief niet in de weg. De zorgplicht dient voor een aantal soorten in acht te worden genomen bij sloop, kappen en rooien van bomen, struweel en opstal. De aanwezige te kappen bomen zijn onderzocht op natuurwaarden. Er wordt een melding kapwerkzaamheden ingediend.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
51
Archeologie: Ter plaatse van het bedrijventerrein zijn meerdere vindplaatsen aangetroffen waar opgravingen gepland zijn. Voor deze opgravingen is een programma van eisen opgesteld dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Geluid: Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), het gemeentelijke geluidsbeleid en naar aanleiding van de quickscan bedrijven en milieuzonering is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat sprake kan zijn van geluidsoverlast. Middels het realiseren van geluidwerende maatregelen wordt voldaan aan de gestelde normen. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Bedrijven en milieuzonering: Sprake is van de uitbreiding van een bedrijventerrein. Derhalve is een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd om de zonering van het bedrijventerrein te bepalen, als mede de effecten van de uitbreiding van het bedrijventerrein op omliggende woningen in beeld te brengen. Naar aanleiding van de quickscan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd omdat enkele woningen binnen de zonering van het bedrijventerrein liggen. Door middel van geluidswerende maatregelen kan de overlast binnen de normen beperkt worden. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
De aspecten geur en stof worden niet maatgevend geacht in het kader van de zonering van het terrein, uitgaande van de nu beoogde bedrijfsactiviteiten. Bij milieuvergunningverlening worden deze aspecten meegenomen. Het aspect gevaar is niet maatgevend, omdat de vestiging van bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet is toegestaan. Van overige bedrijven waarbij externe veiligheid een rol speelt geldt dat eventuele veiligheidsafstanden binnen de grens van de inrichting zullen blijven. Luchtkwaliteit: De emissies vanwege de activiteiten die binnen het plan kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. De toetsingswaarden volgen uit de Wet milieubeheer. Met een verspreidingsmodel is de immissie in de omgeving van het plan berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer. Externe veiligheid:
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
52
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is naar voren gekomen dat een beperkte verantwoording groepsrisico voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag. Deze verantwoording van het groepsrisico is voorgelegd zodat aan de hand hiervan een besluit kan worden genomen. Geur: Omdat bedrijfsgebouwen eveneens gezien kunnen worden als een geurgevoelig object is een onderzoek agrarische geur uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van het bedrijventerrein geen inbreuk maakt op de vergunde rechten. Omgekeerd blijft de voorgrondbelasting binnen de gestelde normen van de geurverordening van de gemeente. Bovenstaande uitkomsten geven geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure Risico voor ongevallen
Nee
Plaats van de projecten Bestaande grondgebruik
Agrarisch gebruik, wonen, waterberging en groen.
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Niet van toepassing
Opname vermogen milieu met Wetlands: niet van toepassing aandacht voor wetlands, Kustgebieden: niet van toepassing kustgebieden, berg- en bosgebieden, Berg- en bosgebieden: niet van toepassing reservaten en natuurparken, H/V Reservaten en natuurparken: niet van toepassing richtlijngebieden, gebieden waar Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing (zie flora milieunormen worden overschreden, en fauna) gebieden met hoge Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid. Nee. bevolkingsdichtheid, landschappelijk Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische historisch cultureel of archeologische gebieden van belang: ja, zie eerder gebieden van belang. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en Niet van toepassing grootte getroffen bevolking) Grensoverschrijdend karakter
Niet van toepassing
Orde van grootte en complexiteit effect
Niet van toepassing
Waarschijnlijkheid effect
Niet van toepassing
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect
Niet van toepassing
Conclusie
De functiewijziging in dit bestemmingsplan leidt niet tot relevante milieueffecten. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Tabel 6: vormvrije m.e.r.-beoordeling
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
53
5.1.9.1 Besluit college m.b.t. m.e.r. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal heeft op 3 maart 2019 besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van het ontwerp bestemmingsplan voor de realisering van het bedrijventerrein Ittervoort 4e fase. Het betreffende besluit is is bijlage 24 opgenomen bij deze toelichting.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
5.2.1
Cultuurhistorie
Het deel van het plangebied waar de landschappelijke inpassing van het plangebied is voorzien en waar het bestemmingsplan buitengebied (veegplan) geldt, is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol (oud bouwland). Het gaat om het meest westelijke deel van de zone waar landschappelijke inpassing is voorzien. Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart liggen door het plangebied nog een aantal voormalige oude wegen, benoemd als 'andere weg ouder dan 1806'. De nieuwe infrastructuur wordt aangelegd op deze oude wegen. Derhalve worden deze oude structuren gerespecteerd.
Afbeelding 15: uitsnede provinciale cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Limburg)
Tevens blijkt dat de verkaveling binnen het plangebied langdurig gelijk is gebleven. Behalve het meest westelijke deel van het plangebied zijn de kavels nog kleinschalig van karakter en zijn structuren in stand gebleven. Om het cultuurhistorische karakter van het gebied zoveel mogelijk te behouden is gekozen voor een open structuur aan de oostelijke- en westelijke zijde én een verdichting van de structuur aan de noordzijde, grenzend aan het stromingsgebied van de Waubroekerstraat. Relevantie voor het plan
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
54
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort. 5.2.2
Archeologie
Onderzoek In eerder uitgevoerd onderzoek zijn binnen het plangebied diverse vindplaatsen aangetroffen. Naar aanleiding van de uitkomsten van deze onderzoeken en de noodzaak opgravingen te doen om de ontwikkeling van het bedrijventerrein mogelijk te maken is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Zie bijlage 8 (Archaeo, 28 oktober 2019, Programma van eisen, Leudal – Ittervoort bedrijventerrein fase 4, opgraving) voor het volledige PvE. Onderstaand is een samenvatting van het doorlopen traject beschreven. In 2009 en 2012 zijn twee archeologische bureau- en verkennend booronderzoeken uitgevoerd. Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat enkele zones reeds zijn ingericht als retentiebekken en derhalve zijn verstoord. Voor de rest van het gebied geldt een middelhoge en hoge verwachting. Het onderscheid tussen middelhoge en hoge verwachtingszones is uit de beschikbare rapporten niet af te leiden. De archeologische verwachting is vervolgens in 2012 samengebracht in een PvE met als conclusie dat uitsluitend de gebieden met een hoge verwachting voor een proefsleuvenonderzoek in aanmerking komen. In mei 2013 zijn de vier vindplaatsen middels 34 proefsleuven onderzocht: Vindplaats 1 (zone 1): bewoningssporen Volle Middeleeuwen ca. 3,5 ha Vindplaats 2 (zone 2): bewoningssporen Volle Middeleeuwen ca. 0,25 ha Vindplaats 3 (zone 3): bewoningssporen uit de Vroege tot late Bronstijd ca.
0,5 ha Vindplaats 4: geisoleerd crematiegraf uit de Late prehistorie Op basis van de KNA-waarderingstabel zijn vindplaats 1,2 en 3 als behoudenswaardig gewaardeerd. Er is voor gekozen om in ieder geval de als archeologisch behoudenswaardig bevonden gebieden, gesitueerd binnen de te ontwikkelen bedrijfskavels op te graven (zone 1). Voor de terreinen, die zich in de groene rand bevinden, wordt bekeken of deze duurzaam in de bodem behouden kunnen blijven (behoud in situ). Als dit niet het geval zal zijn, worden deze eveneens opgegraven (zone 2 en 3).
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
55
Afbeelding 16: overzicht vindplaatsen
Voor zone 2 en 3 geldt (vooralsnog) een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De ter plaatse aanwezige waarden worden zo goed mogelijk behouden bij de realisatie van de zone voor landschappelijke inpassing. Relevantie voor het plan Na afronding van de opgravingen kan de grond vrijgegeven worden voor de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein. Vooralsnog is voor alle zones in de regeling van dit bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen, om zolang eventuele aanwezige archeologische waarden te beschermen.
5.3
Natuur
Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten van het initiatief en de uit te voeren werkzaamheden in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is als bijlage 4 (Kragten, 1 april 2019, Uitbreiding Bedrijventerrein Ittervoort, Verkennend floraen faunaonderzoek) opgenomen. Het onderzoek met betrekking tot stikstof (Kragten, 5 augustus 2020, Stikstofdepositie onderzoek, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort) is opgenomen als bijlage 22. Hierna zijn korte weergaves van de onderzoeken opgenomen en is aangegeven wat vanuit de onderzoeken relevant is voor dit bestemmingsplan. 5.3.1
Gebiedsbescherming
Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Directe effecten en de meeste indirecte effecten van de ontwikkeling op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten als gevolg van stikstofdepositie op deze gebieden vanuit het plangebied, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met behulp van de Aerius-calculator dient derhalve berekend te worden wat de maximale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan zijn als gevolg van de realisatie van uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort. Op basis hiervan dient in een voortoets beoordeeld te worden of dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Voortoets Naar aanleiding van het verkennend flora en fauna onderzoek is naar voren gekomen dat effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten.
Daarom is een voortoets uitgevoerd om deze effecten in beeld te brengen en te beoordelen. Deze voortoets is als bijlage 7 bij deze toelichting (Kragten, 28 oktober 2019, Uitbreiding Bedrijventerrein Ittervoort, Voortoets) opgenomen. In het kader van het bestemmingsplan zijn de volgende storingsfactoren relevant en derhalve beschouwd binnen de voortoets: Verzuring door stikstofdepositie; Vermesting door stikstofdepositie. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden respectievelijk ten hoogste 0,01 bedraagt ter plaatse van het Natura 2000-gebied 'Grensmaas'. Ter
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
56
plaatse van alle overige Natura 2000-gebieden is géén sprake van een toename van de stikstofdepositie. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve ter plaatse van deze gebieden worden uitgesloten. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan géén stikstofdepositie bijdrage berekend wordt op een stikstofgevoelig habitattype waar de kritische depositiewaarde overschreden wordt. Tevens zal de maximale stikstofdepositie bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar ten gevolge van het plan niet leiden tot een dreigende overschrijding van de kritische depositiewaarde. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan worden derhalve uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is. Ook is beschouwd of het plan afzonderlijk - of in combinatie met andere plannen - significante gevolgen ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden heeft. Ten tijde van uitvoering van het onderzoek zijn in de directe nabijheid van het plan geen beoogde ontwikkelingen voorzien en onherroepelijk met een cumulatief effect voor het onderhavige plan. Er is derhalve geen sprake van cumulatie.
Uit de uitgevoerde voortoets blijkt, dat geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort, die door het bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt. Provinciale gebiedsbescherming De provinciale groenstructuur, bestaande uit goudgroene en zilvergroene natuurzones en de bronsgroene landschapszone, is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van op provinciaal niveau beschermde natuur- of landschapszones. Negatieve effecten op de goudgroene en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone zijn niet te verwachten als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Ittervoort. Relevantie voor het plan Het bestemmingsplan voor de uitbreiding van het bedrijventerrein vormt dan ook geen belemmering voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat de Wet natuurbescherming de vaststelling van het bestemmingsplan voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort niet in de weg staat. Verdere vervolgstappen in het kader van Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. 5.3.2
Soortenbescherming
Broedvogels – rekening houden met het broedseizoen Het kappen van struweel en bomen en het vergraven van akker- en weiland binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de kap- en graafwerkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve gekapt te worden buiten het broedseizoen. Ten aanzien van de graafwerkzaamheden geldt dat het ongeschikt als broedbiotoop maken van de bosschages, akker- en weilanden dient plaats te vinden buiten het broedseizoen. Eenmaal ongeschikt, worden tijdens het broedseizoen geen vogels meer verwacht op deze gronden.
Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de te kappen bomen en op de akker- en weilanden. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen en/of terreinen vrijgegeven worden voor de
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
57
kap/graafwerkzaamheden. Jaarrond beschermde vogelnesten – nader onderzoek Uit het veldbezoek en het literatuuronderzoek is gebleken dat mogelijk nesten van de huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en roek aanwezig zijn binnen of in de directe nabijheid van het plangebied. Om uitsluitsel te verkrijgen ten aanzien van het daadwerkelijke voorkomen van deze nestplaatsen, is nader onderzoek noodzakelijk. Pas dan kan een uitspraak worden gedaan over de effecten van de ontwikkeling op deze soorten. Algemeen voorkomende zoogdiersoorten – rekening houden met de zorgplicht Het gehele plangebied is in potentie geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Hiernaast biedt ook de landschappelijke inpassing weer geschikt leefgebied voor deze soorten. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1).
De mogelijk voorkomende zoogdiersoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden. Das – nader onderzoek Uit het veldbezoek is reeds gebleken dat het plangebied in potentie geschikt habitat is voor de das. Om te kunnen beoordelen in hoeverre de ontwikkeling leidt tot een negatief effect op de das, is nader onderzoek gedaan in de omgeving van het plangebied. Aan de hand van dit onderzoek is vervolgens bepaald of en welke mitigerende en of compenserende maatregelen noodzakelijk zijn om een negatief effect op de das te kunnen uitsluiten. Eekhoorn – bomenkap binnen vrijgestelde periode Permanente negatieve effecten op het leefgebied en de verspreiding van de eekhoorn worden ondervangen middels de landschappelijke inpassing van het plangebied.
Het valt echter niet uit te sluiten dat ten tijde van de realisatie van bedrijfspanden binnen het plangebied nesten door de eekhoorn zijn gemaakt in bomen binnen het plangebied. Wanneer dit het geval is, dienen deze bomen gekapt te worden in de door de provincie Limburg vrijgestelde periode. Het kappen van bomen met een nestfunctie voor eekhoorns dient derhalve te gebeuren in de periode maart – april en juli tot en met november. Tevens geldt hierbij de algemene zorgplicht. Vleermuizen – nader onderzoek Binnen het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in een oud spechtenhol en in de te slopen boerderij op Schillersstraat 6. Hiernaast functioneren de diverse hoger opgaande groenstructuren binnen het plangebied mogelijk als foerageergebied of vliegroute voor deze vleermuizen. Middels een nader vleermuizenonderzoek dient in kaart gebracht te worden of en welke vleermuissoorten gebruik maken van de spechtenholte en bebouwing binnen het plangebied. Ook dient onderzocht te worden of en welke vleermuissoorten gebruik maken van de hoger opgaande vegetatie binnen het plangebied als foerageergebied en vliegroute.
Algemeen voorkomende amfibiesoorten – nader onderzoek Zoals beschreven in paragraaf 5.1.5 dient de geschiktheid van de sloot en waterbuffers binnen het plangebied nader onderzocht te worden tijdens de voortplantingsperiode van amfibieën om in kaart te kunnen brengen in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied biedt voor algemeen voorkomende amfibiesoorten.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
58
Alpenwatersalamander – nader onderzoek Evenals geldt voor algemeen voorkomende amfibiesoorten, dienen de sloot en de waterbuffers tevens nader onderzocht te worden op de geschiktheid voor de alpenwatersalamander als voortplantingswater. Op basis daarvan kan tevens beoordeeld worden in hoeverre het plangebied van betekenis is voor de soort als landhabitat. Nader soortenonderzoek Naar aanleiding van de uitkomsten van het verkennend flora en fauna onderzoek is een nader soortenonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting (Kragten, 14 oktober 2019, Uitbreiding Bedrijventerrein Ittervoort, Nader soortenonderzoek). Hierna zijn kort de context en conclusies van dit onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de hiervoor genoemde bijlage. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat nader onderzoek noodzakelijk was naar een aantal (mogelijk) voorkomende soort(groep)en. Het betreft de volgende soort(groep)en: Flora (m.n. grote leeuwenklauw); Huismus; Huiszwaluw; Gierzwaluw; Roek; Das; Vleermuizen; Algemeen voorkomende amfibieën; Alpenwatersalamander. Hiernaast zijn eventuele overige soorten die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen ook behandeld in de rapportage.
Om de aan- of afwezigheid van de verschillende soorten vast te stellen, zijn in de periode april – september 2019 diverse veldbezoeken uitgevoerd. Hierbij is rekening gehouden met de vastgestelde onderzoeksvoorwaarden in kennisdocumenten van BIJ12 en soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. De onderzoeksinspanning is in de tabel hierna weergegeven.
Tabel 7: Data veldbezoek tijdens het onderzoek Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat een aantal soorten niet aanwezig is binnen het plangebied. Ook is gebleken dat voor een aantal soorten een mitigatie- en compensatieplan dient te worden opgesteld. Dit plan is opgesteld. Zie paragraaf hierna. Daarnaast is voor een aantal soorten de zorgplicht van toepassing.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
59
In de tabel hierna zijn deze resultaten kort samengevat.
Tabel 8: resumé nader soortenonderzoek Mitigatie- en compensatieplan natuur Het mitigatie- en compensatieplan natuur is opgenomen in bijlage 6 (Kragten, 12 december 2019, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort, Mitigatie- en compensatieplan Natuur). Hierna wordt allereerst een overzicht gegeven van de te treffen maatregelen, waarbij is vermeld of een ontheffing van de Wnb noodzakelijk is. Hiernaast is tevens kort ingegaan op de werkkalender, het opstellen van een monitoringsplan en is de conclusie ten aanzien van beschermde houtopstanden opgenomen.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
60
Tabel 9: resumé maatregelen en ontheffing. Bij het uitvoeren van werkzaamheden (zoals kappen, rooien en slopen) wordt rekening gehouden met de kwetsbare perioden voor de aanwezige diersoorten. Zoals hiervoor ook aangegeven worden er als gevolg van de te treffen mitigerende en compenserende maatregelen, geen negatieve effecten op beschermde soorten verwacht. Met name door de realisatie van de landschappelijke inpassingzone, wordt een negatief effect op het leefgebied van diverse aanwezige soorten voorkomen. Doordat geen sprake is van een negatief effect, is het niet noodzakelijk om een ontheffing van de Wnb aan te vragen voor de werkzaamheden. De ontwikkeling van de landschappelijke inpassingszone kost echter tijd, bijvoorbeeld door de groei van diverse bomen en struiken. Hierdoor is de landschappelijke inpassingzone mogelijk nog niet functioneel op het moment dat leefgebied binnen het werkterrein wordt aangetast. Om te voorkomen dat als gevolg van een niet-functionele inpassingzone toch sprake is van een negatief effect op een beschermde soort, wordt een monitoringsplan opgesteld. Relevantie voor het plan Met in achtneming van de maatregelen zoals opgenomen in het mitigatie- en compensatieplan zijn er vanuit het onderdeel soortenbescherming geen bezwaren voor onderhavig plan.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
61
5.3.3
Houtopstanden
Van de gemeente Leudal is geen vastgestelde kaart met daarop de begrenzing van de bebouwde kom bekend. Op basis van de huidige vigerende bestemmingsplannen is het plangebied buiten de bebouwde kom van Ittervoort gelegen, maar bevindt het plangebied zich wel binnen het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein van Ittervoort. Het is onduidelijk of dat het plangebied hierdoor beschouwd mag worden als gelegen binnen de bebouwde kom. Op basis van de landschappelijke kenmerken heeft het gebied meer weg van het buitengebied. Zekerheidshalve wordt er daarom vanuit gegaan dat het plangebied buiten de bebouwde kom is gelegen. Hiervoor geldt dat kapwerkzaamheden in bosschages van meer dan 10 are en in bomenrijen met meer dan 20 bomen meldingplichtig zijn. Binnen het plangebied zijn diverse bosschages en met name bomenrijen aanwezig die aan deze afmetingen voldoen, waardoor het kappen van bomen binnen het plangebied meldingplichtig is. Ten aanzien van de noodzaak voor een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen, hanteert de gemeente Leudal een gemeentelijke bomenlijst, welke online is raad te plegen. Uit deze lijst is naar voren gekomen dat binnen het plangebied geen bomen of houtopstanden staan waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is voor de kap ervan. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is daarom ook niet aan de orde.
Hoewel geen omgevingsvergunning voor kap noodzakelijk is wordt wel een melding gedaan voor het kappen van bomen in het kader van de Wnb houtopstanden. Hierbij wordt er rekening gehouden met de te kappen bomen die onder de bescherming van de Wnb houtopstanden vallen. Deze worden 1-op-1 gecompenseerd binnen het plan. De kap dient minimaal 6 weken en maximaal 1 jaar voorafgaand aan de uitvoering bij de provincie Limburg gemeld te worden. Ten behoeve van de uitbreiding wordt een oppervlakte van (bij benadering) 17.925 m2 aan beschermde houtopstanden verwijderd. Voorafgaand aan de kapwerkzaamheden wordt een melding ingediend bij de provincie Limburg. Voor het kappen van deze bomen geldt een herplantplicht, waarbij minimaal dezelfde oppervlakte aan houtopstanden herplant wordt binnen het plangebied. Herplant van beschermde houtopstanden vindt plaats binnen de landschappelijke inpassingzone van het plangebied. De aanplant vindt plaats over een oppervlakte van 19.150 m2. De landschappelijke inpassingzone biedt derhalve ruim voldoende ruimte voor compensatie in het kader van de herplantplicht beschermde houtopstanden. 5.3.4
Relevantie voor het plan
Met inachtneming van de conclusies op basis van het soortenonderzoek, waaronder het inrichten van de landschapszone, en de verplichting tot het indienen van een melding Wnb houtopstanden t.b.v. kappen zijn er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen voor de uitbreiding van het bedrijventerrein.
5.4
Landschap
Onderzoekskader Landschapskader Noord- en Midden Limburg Het Landschapskader heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat zelfde landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noorden Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst inspireert het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen, kunnen aan de hand van het Landschapskader nagaan welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn. Landschappelijke inpassing
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
62
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Voor de belangrijkste conclusies wordt verwezen naar paragraaf 3.3. Middels het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan het landschapskader. Relevantie voor het plan De beoogde uitbreiding voldoet aan het landschapskader Noord- en Midden Limburg.
5.5
Waterparagraaf
Voor de beoogde ontwikkeling is een uitgebreide watertoets inclusief infiltratieonderzoek opgesteld om de mogelijke effecten van de werkzaamheden (de ontwikkeling) in kaart te brengen. De volledige watertoets is als bijlage 9 (Kragten, 4 augustus 2020, Watertoets bedrijventerrein Ittervoort fase 4) opgenomen. Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen.
Onderzoekskader Het beleid van Waterschap Limburg schrijft voor de afhandeling van regenwater de trits 'opvangen, bergen en infiltreren' voor. Dit beleid is opgenomen in de Keur van het waterschap. Deze is onlangs herzien (inwerkingtreding 1 april 2019). De nieuwe norm houdt in dat 100mm/24 uur per m² verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied.
Waterparagraaf Oppervlaktewater Met behulp van de leggerkaart van Waterschap Limburg is nagegaan of er zich in de omgeving van de projectlocatie oppervlaktewateren in beheer van het waterschap bevinden (zie afbeelding hierna). Direct grenzend aan de landschappelijke inpassing ligt de waterloop Waubroekerstraat. Dit is een primaire watergang welke in oostelijke en dan noordelijke richting stroomt. De watergang is geflankeerd door een kernzone en een profiel van vrije ruimte. Ten zuidoosten van het industrieterrein bevindt zich nog de primaire watergang Santfort welke richting het kanaal stroomt.
Afbeelding 17: uitsnede leggerkaart (bron: Waterschap Limburg) Ter plaatse van de uitbreiding liggen in de huidige situatie een aantal regenwaterbuffers (niet op de leggerkaart opgenomen) welke in fase 1 van het bedrijventerrein zijn aangebracht. De inhouden van deze
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
63
buffers zijn 6.100 m³ en 4.200 m³. Beide buffers zijn middels een leegloopleiding verbonden met de Waubroekerstraat.
Infiltratieonderzoek Om de mogelijkheden voor de omgang met hemelwater te onderzoeken is op het terrein een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn op het fabrieksterrein handmatig een 5-tal boringen geplaatst. Als gevolg van de aanwezigheid van puin en de ontoegankelijkheid van sommige delen van het terrein liggen de boringen veelal aan de rand van het terrein. De locaties zijn weergegeven in de afbeelding hierna. Aan de hand van de boringen is de bodemopbouw inzichtelijk gemaakt en de textuur uit de te onderscheiden horizonten geclassificeerd. De boorprofielen zijn opgenomen als bijlage bij deze notitie.
Afbeelding 18: locaties peilbuizen (bron: Kragten) Uit de boringen blijkt dat de ondergrond bestaat uit zeer fijn tot matig fijn zand. Af en toe is een dunne leemlaag aangetroffen. Ter plaatse van peilbuis IO3 is sprake van een extreem hoge K-waarde (21,1 m/dag) zonder een aantoonbare reden. Geadviseerd wordt om deze waarde buiten beschouwing te laten. De gemiddelde k-waarde van de zandhorizonten, op basis van de laatste (nagenoeg verzadigde) meting bedraagt 4,0 m/dag. Conform de richtlijnen van Rioned wordt op de gemeten waarde een reductiefactor toegepast van 0,5. De k-waarde waarmee voor de infiltratievoorzieningen rekening gehouden dient te worden wordt daardoor 2,0 m/dag. Hemelwater Huidige situatie Zoals reeds eerder vermeld komen de twee bestaande regenwaterbuffers als gevolg van de uitbreiding te vervallen. De inhouden van deze buffers zijn 6.100 m³ en 4.200 m³. Deze inhouden worden in het nieuwe ontwerp gecompenseerd. Toekomstige situatie Het hemelwater dat afkomstig is van de aan te brengen verhardingen dient in de openbare ruimte geborgen te worden. Sprake is van circa 2.700 m2 verharding, waardoor een minimale berging van 270 m3 noodzakelijk is. Deze hoeveelheid is meegenomen in het ontwerp van de landschappelijke zone. De totale benodigde hoeveelheid berging bedraagt 10.570 m². De bedrijven bergen het hemelwater op eigen terrein.
In het ontwerp voor de landschappelijke inpassing en het regenwatersysteem is deze opgave dan ook niet voorzien. De totale bergingsopgave van het hemelwater voor bedrijfspercelen (85.870 oppervlakte m²), bij 100% verharding van percelen bedraagt
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
64
8.587 m². Leegloop en overstort-/escapemogelijkheid De ervaring met de huidige buffers is dat deze water vasthouden, mogelijk als gevolg van plaatselijk voorkomende leemlagen. De leemlagen hebben een verlagend effect op de waterdoorlatendheid. Ter plaatse van de nieuwe buffers dienen eventuele aangetroffen leemlagen in de ondergrond verwijderd te worden. Bij het ontwerp van de buffers dat nog nader uitgewerkt wordt, dient rekening gehouden te worden met de gewenste leegloopduur van 24 uur. De bestaande buffers zijn middels een leegloopleiding verbonden met het oppervlaktewater Waubroekerstraat. Geadviseerd wordt deze verbinding in de nieuwe situatie terug te brengen als escape- /overstortmogelijkheid. Relevantie voor het plan De landschappelijke inpassing van het plangebied voorziet in voldoende bergingscapaciteit voor de opvang van hemelwater. Ook vindt infiltratie van hemelwater plaats op bedrijfsnviveau. Derhalve zijn vanuit het aspect water geen bezwaren op voorliggend project.
5.6
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf worden zowel de verkeerssituatie als de parkeersituatie in beeld gebracht. Specifiek wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en de verkeersafwikkeling. Verkeer De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-kencijfers (CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Bij deze berekeningen is onderscheid gemaakt tussen de bedrijfscategorieën 'Distributiepark' en 'Gemengd terrein'. Voor de toetsing voor dit bestemmingsplan wordt uitgegaan van het worst-case-scenario, wat inhoudt dat het gehele 8,5 hectare grote bedrijventerrein onder de bedrijfscategorie 'Distributiepark' valt. Wanneer dit scenario vanuit verkeerskundig oogpunt toelaatbaar is, kan er vanuit worden gegaan dat de ontwikkeling, zoals op dit moment voorgestaan ook aanvaardbaar en toelaatbaar is wat betreft het aspect verkeer. Uitgaande van 8,5 hectare bedrijventerrein conform de bedrijfscategorie 'Distributiepark' bedraagt de verkeersgeneratie 1.446 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm). Wanneer de verkeersgeneratie gecompenseerd wordt voor het aandeel licht en zwaar vrachtverkeer bedraagt de verkeersgeneratie 1.772 personenauto-equivalent per etmaal (pae/etm). In onderstaande tabellen zijn de berekeningen weergegeven.
Tabel 10: Berekening van het aantal motorvoertuigen per etmaal
Tabel 11: Berekening licht en zwaar vrachtverkeer
Tabel 12: Berekening aantal personenauto-equivalent per etmaal
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
65
Verkeersafwikkeling Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase Het bedrijventerrein wordt voornamelijk ontsloten door de Torenweg, welke toegang geeft tot de Napoleonsbaan. Daarnaast is het bedrijventerrein ook toegankelijk via de Platanenweg en Leliestraat, welke toegang geven tot de woonkern van Ittervoort. In samenspraak is vastgelegd dat 85% van het door de uitbreiding gegenereerde verkeer (1.506 pae) gebruik zal maken van de Torenweg en de overige 15% (266 pae) van de Platanenweg. De ontsluiting via de Krollerveldweg komt te vervallen. Ontsluiting via Platanenweg De huidige verkeersintensiteit op de Platanenweg/Leliestraat bedraagt 1.822 pae/etmaal (feb, 2018). De theoretische capaciteit van een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom (Leliestraat) ligt rond de 5.000 voertuigen per metaal, afhankelijk van de weginrichting kan deze in de praktijk hoger of lager uitvallen. De verwachte verkeerstoename van 266 pae zal op deze wegen niet leiden tot problemen op het gebied van verkeer aangezien de totale verkeersintensiteit ver onder de capaciteit ligt. Ontsluiting via Torenweg De huidige verkeersintensiteit op de Torenweg bedraagt 8.738 pae/etm en is gebaseerd op handmatige tellingen (mei, 2018). De Torenweg is een gebiedsontsluitingsweg en is in staat om grote hoeveelheden af te wikkelen. Het knelpunt zal eerder komen te liggen bij de rotonde Torenweg - Napoleonsebaan.
Aan de hand van de 'Meerstrooksrotonde Verkenner' is de bezettingsgraad van deze rotonde berekend. De bezettingsgraad in de huidige situatie bedraagt 0,62 waarbij de grens op 0,8 ligt, bij hogere waarden ontstaan problemen op het gebied van doorstroming en verkeersafwikkeling. Wanneer enkel gekeken wordt naar het gegenereerde verkeer ten gevolge van de uitbreiding bedrijventerrein dan is het aannemelijk dat de bezettingsgraad onder de 0,8 blijft. Hierbij dient vermeld te worden dat de kencijfers van het CROW een indicatie van de verkeersgeneratie geven en dat de Meerstrooksrotonde verkenner slechts een theoretische berekening maakt. De praktijk kan afwijken van de theorie waardoor er op drukke momenten alsnog opstoppingen kunnen ontstaan op de rotonde. Wanneer gekeken wordt naar de uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort is het aannemelijk dat het huidige wegennet dit verkeer kan afwikkelen. De uitbreiding van het bedrijventerrein wordt ontsloten via het bestaande bedrijventerrein. Ook is een calamiteitenroute voorzien door het plangebied. Deze is eveneens voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Parkeren Parkeren dient volledig op eigen terrein plaats te vinden. De parkeernormen van de gemeente Leudal zijn als bijlage 2 opgenomen bij de regels van dit bestemmingsplan. In de regels wordt hiernaar verwezen.
Aangezien de gemeentelijke parkeernormen, evenals de parkeernormen van het CROW, geen specifieke parkeernormen voor vrachtwagen bevatten, is in de regels een specifieke regeling opgenomen, waarmee ook voor vrachtwagens is geborgd dat het parkeren volledig op eigen terrein dient plaats te vinden. Dit met inbegrip van het manoeuvreren ten behoeve van het parkeren, dat eveneens op eigen terrein dient plaats te vinden. Bij een omgevingsvergunningaanvraag dient de aanvrager een inrichtingstekening van het bedrijfsperceel aan te leveren, met daarop ingetekend de parkeerplaatsen, inclusief draaicirkels ten behoeve van het manoeuvreren. Op deze wijze is geborgd dat parkeren van fietsen, auto's en vrachtwagens, volledig op eigen terrein plaatsvindt. Relevantie voor het plan Vanuit de aspecten parkeren en verkeer zijn er geen bezwaren op voorliggend planvoornemen.
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
66
Hoofdstuk 6 6.1
Opbouw bestemmingsplan
Algemeen
De in deze toelichting beschreven aspecten hebben als basis gediend voor het opstellen van een juridisch plan, dat zoveel mogelijk is afgestemd op de geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Leudal. Teneinde het voorgenomen initiatief te kunnen realiseren heeft een juridische vertaling van het plan in planregels en verbeelding plaatsgevonden. De planregels zijn gerelateerd aan de verbeelding. Verbeelding en planregels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast conform de bepalingen in Wro, Bro en SVBP 2012.
6.2
Verbeelding
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben juridische betekenis indien en voor zover deze daaraan in de planregels wordt gegeven. Een aantal aanduidingen heeft geen juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.
6.3
Planregels
De planregels zijn opgesteld op basis van de landelijke standaarden zoals vastgelegd in het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. De planregels zijn conform deze standaard verdeeld in vier hoofdstukken, te weten hoofdstuk 1 'Inleidende regels', hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels', hoofdstuk 3 'Algemene regels' en hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels'. Voor de planregels is zoveel als mogelijk aangesloten bij het ter plaatse van het bedrijventerrein ten zuiden van bedrijventerrein Ittervoort 4e fase, geldende bestemmingsplan. Regelingen die in dit kader niet relevant zijn, zijn achterwege gelaten. 6.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Artikel 2 Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 6.3.2
Bestemmingsregels
Algemeen De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
67
wijzigingsbevoegdheid; Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In dit bestemmingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisen-regeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het bestemmingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten: gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; verkeersveiligheid; sociale veiligheid; brandveiligheid en rampenbestrijding; externe veiligheid; benodigde parkeervoorzieningen; benodigde waterberging. Hier onder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij is zoveel als mogelijk aangesloten bij de bestemmingen / regelingen zoals deze binnen de gemeente Leudal worden gehanteerd. Hierna wordt met name ingegaan op de specifieke regelingen in dit bestemmingsplan. Artikel 3 Bedrijventerrein Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' (artikel 3) is de vestiging van bedrijvigheid toegestaan. Het betreft bedrijven in maximaal categorie 3.2 en zoals opgenomen in de lijst met bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Bebouwing dient te worden opgericht binnen het bouwvlak.
In de regels is het bebouwingspercentage opgenomen. Binnen het plangebied is onder voorwaarden en uitsluitend ter plaatse van een aanduiding die hiervoor is opgenomen, een bedrijfsverzamelgebouw toegestaan. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' is daarom de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf bedrijfsverzamelgebouw' opgenomen. Hier is één bedrijfsverzamelgebouw toegestaan, waarin verschillende bedrijven zich kunnen vestigen. Het bedrijfsverzamelgebouw biedt ruimte aan meer dan 2 bedrijven en is in handen van één eigenaar. Het is niet wenselijk dat zich op meerdere locaties bedrijfsverzamelgebouwen vestigen op bedrijventerrein Ittervoort 4e fase. Daarom is een bepaling opgenomen onder 'strijdig gebruik'. Daar waar rechtstreeks een bedrijfsverzamelgebouw is toegestaan, is dit uitgezonderd wat betreft 'strijdig gebruik'. Wat betreft de ontsluiting is er per bedrijfsverzamelgebouw sprake van één ontsluitingsmogelijkheid op het aangrenzende / onderliggende wegennet. In waterhuishoudkundige voorzieningen wordt centraal voorzien. Het uiten van reclame is geregeld in de algemene plaatselijke verordening. Op dit vlak wordt eenduidigheid nagestreefd. Verder biedt deze bestemming de mogelijkheid om onder andere parkeergelegenheid, geluidwerende voorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van landschappelijke inpassing aan te leggen.
Ook laat de bestemming buitenopslag toe tot een hoogte van 4 meter, achter de naar de weg gekeerde rooilijn. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn tot slot regels opgenomen met betrekking tot de geluidruimte van bedrijven c.q. inrichtingen en de beperking van lichthinder richting omwonenden. Voor wat betreft geluid zijn per deelgebied het bronvermogen per vierkante meter alsmede de ligging en de hoogte van de geluidschermen vastgelegd. Daarnaast is op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat ieder nieuw bedrijf dat zich op het bedrijventerrein wil vestigen aan de invulling op basis van het aantal dB(A) per vierkante meter dient te voldoen. Zie paragraaf 5.1.4 van de toelichting en artikel 3.5.8 van de regels. Voor wat betreft lichthinder is ter voorkoming van onevenredige lichthinder voor omwonenden een regeling opgenomen, gebaseerd op de Richtlijn Lichthinder van de NSVV. Hierbij is een onderscheid gemaakt in enerzijds regels met betrekking tot de maximaal toegestane lichtsterkte van verlichtingsarmaturen in de richting van omwonenden dient en anderzijds regels met betrekking tot de verlichtingssterkte, gemeten op een relevant geveldeel van de woning van omwonenden. Op deze wijze
bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase
68
is geborgd dat ter hoogte van de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder. Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 5.1.2 van de toelichting en artikel 3.5.5 van de regels.
Artikel 4 Groen Binnen de bestemming 'Groen' (artikel 4) zijn groenvoorzieningen toegestaan, alsmede onder andere speelvoorzieningen, landschappelijke inpassing, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, geluidwerende voorzieningen, faunavoorzieningen en een zend-/ ontvangstinstallatie. Naast de geluidwerende voorzieningen, voorzieningen voor algemeen nut, en de zend-/ ontvangsinstallatie is het in principe niet toegestaan om te bouwen. Artikel 5 Verkeer De bestemming 'Verkeer' (artikel 5) is opgenomen ter plaatse van de infrastructuur binnen het plangebied, om zo de ontsluiting van het bedrijventerrein te waarborgen. Naast de verkeersfunctie biedt deze bestemming de mogelijkheid om onder andere groen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen aan te leggen. Artikel 6 Leiding - Leidingstrook De dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook' (artikel 6) is opgenomen ter plaatse van de leidingstrook binnen het plangebied, ter bescherming van de ter plaatse aanwezige ondergrondse leidingen. Om grondwerkzaamheden te mogen uitvoeren ter plaatse van deze dubbelbestemming dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Artikel 7 Waarde - Archeologie De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (artikel 7) is opgenomen ter bescherming van aanwezige archeologische waarden.
Middels een omgevingsvergunning en archeologisch onderzoek kan het bevoegd gezag toestemming verlenen voor bouwwerkzaamheden binnen de gronden met deze dubbelbestemming. Artikel 8 Waterstaat - Beschermingszone watergang De dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' (artikel 8) geldt ter plaatse van de buiten het plangebied gelegen watergang. Op de gronden zijn de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het waterschap van toepassing. Middels een omgevingsvergunning kan hier van afgeweken worden. 6.3.3
Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In de 'Anti-dubbeltelregel' (artikel 9) wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Artikel 10 Algemene bouwregels In de 'Algemene bouwregels' (artikel 10) zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In de 'Algemene gebruiksregels' (artikel 11) is een nadere bepaling opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gronden. Tevens zijn regels opgenomen met betrekking tot het houden van bedrijfsgerelateerde evenementen en het innemen van verkoopstandplaatsen. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels De 'Algemene afwijkingsregels' (artikel 12) verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.