CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ittervoort 4e Fase' te Ittervoort27.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg

In navolging van de bestuursafspraken zoals benoemd in de omgevingsverordening is een regionaal beleidskader opgesteld. Dit beleidskader is door alle gemeenten in Midden-Limburg vastgesteld als bestaand afsprakenkader. De gemeenteraad van Leudal heeft dit beleidskader vastgesteld op 21 mei 2019. Bedrijventerrein Ittervoort behoort tot de zogenaamde overige bestaande voorraad met bijbehorend beleid: 'Op het overgrote deel van de terreinen in Midden-Limburg is een diversiteit aan bedrijven gevestigd, die vaak prima naast elkaar functioneren. Voor het overgrote deel van de bedrijvenen geldt dat deze sterk lokaal gebonden zijn, wat inhoudt dat een eventuele vraag vanuit deze bedrijven in of op korte afstand van de huidige locatie dient te worden gevonden. In de reguliere voorraad verandert dan ook weinig. De gevestigde bedrijven zijn de ruggengraat van de lokale en regionale economie. Ze zijn lokaal geworteld en vaak gestart in diezelfde gemeente. Soms zijn ze doorgegroeid tot bedrijven van formaat, soms zijn ze klein gebleven en soms zijn ze pas net gevestigd.' De reguliere voorraad dient als opvang voor behoud en uitbreiding van bestaande bedrijven en de opvang van nieuwe bedrijven, die niet passen in het profiel van de bovenregionale terreinen zoals hiervoor benoemd.

Er is sprake van drie categorieën bedrijventerreinen: Logistiek-/industriële bedrijventerreinen; Stedelijke dienstenterreinen; Stedelijke bedrijventerreinen en bedrijventerreinen landelijk gebied. Bedrijventerrein Ittervoort behoort tot de laatste categorie. Bedrijventerreinen landelijk gebied hebben een opvangfunctie voor het behoud van en de uitbreiding van de gevestigde bedrijven. Daarnaast bieden ze ruimte voor de opvang van nieuwe bedrijven die niet specifiek voor de bovenregionale terreinen bestemd zijn. Tevens liggen deze bedrijventerreinen in de landelijke gemeenten en zorgen voor een diverse opvang van kleinschalige en middelgrote bedrijven in de sfeer van (overwegend lichte) productie, handel en dienstverlening. Bedrijven die zich hier vestigen of gevestigd zijn behoren een binding te hebben met het landelijk gebied. De uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort is mede op initiatief van bedrijven met een sterk lokale of regionale binding. Het doel van de uitbreiding is dan ook om de bestaande bedrijven te behouden voor de directe omgeving en regio. De beoogde ontwikkeling ligt niet in bestaand stedelijk gebied. Het betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort is tot stand gekomen door vraag naar uitbreidingsruimte van lokale, veelal reeds op het bedrijventerrein gevestigde, bedrijven.

De uitbreiding is noodzakelijk om doorstroming binnen het bedrijventerrein mogelijk te maken. Qua ontsluiting wordt geheel gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur die het gebied via respectievelijk de N273 en de A2 ontsluit. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de criteria van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

28

Deze onderbouwing is op 11 september 2018 besproken in het regionaal overleg ontwikkeling bedrijventerreinen waarbij de provincie aanwezig was samen met de regio gemeenten. In dit overleg is vastgesteld dat onderhavige ontwikkeling, mede vanuit de behoeftevraag van lokaal gevestigde ondernemers, wenselijk is. Tijdens dit overleg is akkoord gegeven op de voorgestane ontwikkeling. Het ontwerpbestemmingsplan is ingebracht in het regionaal overleg bedrijventerreinen om zo te bevestigen en daarmee te borgen dat is voldaan aan de eerder besproken uitgangspunten. Relevantie voor het plan De beoogde uitbreiding past binnen het regionaal beleidskader werklocaties Midden-Limburg. Regionale afstemming heeft plaatsgevonden, waarmee ook invulling is gegeven aan de verplichting daartoe. Zie ook paragraaf 3.1 van deze toelichting. Derhalve zijn er geen bezwaren vanuit het regionale beleidskader op voorliggend plan.

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Gemeentelijke structuurvisie

Algemeen In de Structuurvisie Leudal (vastgesteld d.d. 2 februari 2010) wordt ingezet op: 'Een groene parel met dynamiek, een gemeente waarin het voor iedereen goed wonen, goed leven en goed werken is, nu en in de toekomst'. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Leudal van belang zijn. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Voor sommige ontwikkelingen zal ze daarbij zelfs initiatiefnemer willen zijn. Voor andere ontwikkelingen is zij ook afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen, en burgers. Ontwikkelingen die afbreuk doen aan de toekomst van Leudal wil de gemeente waar mogelijk voorkomen. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? In de structuurvisie ligt de nadruk op de visie van de gemeente op de functionele ontwikkelingen van de diverse, ruimtelijk relevante onderwerpen. Waar liggen voor de gemeentelijke plichten, wat zijn de ambities, waar ziet de gemeente kansen en bedreigingen? En onder welke criteria zijn ontwikkelingen mogelijk? Hiermee is de structuurvisie een regie-instrument voor de dagelijkse gang van zaken.

Leudal is niet alleen een woongemeente, maar ook een agrarische gemeente. De agrarische achtergrond is ook in de kernen nog terug te vinden. Leudal bestaat uit 16 kernen in een fraai buitengebied. De 16 kernen zijn in drie verschillende typen onder te verdelen. De centrumkern is Heythuysen. In Heythuysen zijn de meeste voorzieningen gelegen. Daarnaast zijn een aantal autonome woonkernen aanwezig: Haelen, Horn, Roggel, Neer en Ittervoort. De overige kernen zijn woondorpen. In de structuurvisie wordt voor wat betreft het beleid voor economie en werkgelegenheid aangegeven dat de kwaliteit in Leudal wordt bepaald door een compleet aanbod voor wonen, werken, voorzieningen en recreatie. De gemeente wil ook een economisch sterke gemeente in de regio zijn. Ruimte voor dynamiek en ruimtelijke ontwikkeling is gericht op het op peil houden van het aantal arbeidsplaatsen in Leudal en een sterke positionering in de regio Midden-Limburg. Limburgs Kwaliteitsmenu De gemeente Leudal staat achter de gedachte van het Kwaliteitsmenu.

Nieuwe functionele ontwikkelingen in het buitengebied (zowel incidentele initiatieven in het buitengebied als ontwikkelingen aan de rand van een kern) zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit alleen mogelijk indien daarmee ook investeringen in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve belevingskwaliteit en/of cultuurhistorie plaatsvinden waarmee de kwalitatieve draagkracht van het landelijk gebied wordt versterkt en de effecten van de nieuwe ontwikkelingen worden gecompenseerd. Het kwaliteitsmenu is hierbij van toepassing. Nota kwaliteit De uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu voor de gemeente Leudal vindt plaats in de Nota

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

29

Kwaliteit. In de nota wordt het beleid met betrekking tot het Kwaliteitsmenu weergegeven. Tevens wordt het bestaande 'rood voor groen'-beleid en groenfonds, van de gemeente Leudal, voor zowel het buitengebied als de kernen, hierin verankerd. Het provinciale kwaliteitsmenu heeft betrekking op het buitengebied. De Nota Kwaliteit van de gemeente Leudal gaat verder. Door nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, maar ook in de kern vindt een aantasting van de kwaliteit van de (leef)omgeving in het buitengebied of de kern plaats. Verdichting in de kern leidt namelijk ook tot het verder onder druk komen te staan van de kwaliteiten van de leefomgeving. Deze aantasting wordt gezien als kosten die voor rekening van de gemeente Leudal komen. Deze aantasting van kwaliteit dient daarom binnen de gemeente of nabij de gemeente grenzen van Leudal gecompenseerd te worden. Per vierkante meter bestemd bedrijventerrein geldt een aanvullende kwaliteitsbijdrage van €5,00 (dus €5,00 per vierkante meter). In totaal is sprake van een kwaliteitsbijdrage van €425.900,00 (85.180 m² uitgeefbaar bedrijventerrein x € 5,00 = € 425.900). Deze kwaliteitsbijdrage komt bovenop de goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing zoals deze in de bijlage en in paragraaf 3.3 is beschreven.

Een deel van deze kwaliteitsbijdrage wordt aangewend in het kader van de landschappelijke inpassing van bedrijventerrein Ittervoort 4e fase. Het overige bedrag wordt ondergebracht in het gemeentelijke groenfonds. Deze kwaliteitsbijdrage dient ter compensatie van het verlies aan waarden in het buitengebied die door de ontwikkeling worden veroorzaakt. Deze kwaliteitsbijdrage wordt ingezet voor het realiseren van groen, natuur, landschap en herstel van landschappelijke cultuurhistorie. Deze kwaliteitsbijdrage dient aan additionele kwaliteitsverbeterende maatregelen te worden besteed. De goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing zoals beschreven in het plan voor landschappelijke inpassing (dat als bijlage is toegevoegd) valt hier niet onder. Een gedeelte van de kwaliteitsbijdrage, kan bovenop de te realiseren ruimtelijke en landschappelijke inpassing, worden ingezet binnen het plangebied. Relevantie voor het plan Door de ontwikkeling van bedrijventerrein Ittervoort 4e fase wordt invulling gegeven aan het toekomstbeeld voor de kern Ittervoort binnen de gemeente Leudal (en de regio). Ook geeft het initiatief invulling aan het Limburgs Kwaliteitsmenu, de Nota Kwaliteit. Zie hiervoor ook paragraaf 5.4 van deze toelichting. Hier wordt aangegeven wat hiervoor concreet wordt gedaan.

Conclusie Het Rijksbeleid, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid staan de planvorming voor bedrijventerrein Ittervoort 4e fase niet in de weg. Deze ontwikkeling sluit niet op alle vlakken naadloos aan op de verschillende beleidsniveaus maar geeft invulling aan een behoefte en blijkt vanuit verschillende milieuen omgevingsaspecten toelaatbaar te zijn. Zie hiervoor ook de hoofdstukken 3 en 5 van deze toelichting en de toegevoegde bijlagen. 4.5.2

Welstandsnota

Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad van Leudal de 'Welstandsnota Leudal' vastgesteld. Hierin zijn de gronden van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort aangewezen als welstandsplichtig gebied, met als nadere aanduiding 'buitengebied'. De daarbij behorende welstandscriteria zijn niet toepasbaar op een bedrijventerrein. Omdat, behoudens een strook met zichtlocaties langs de Napoleonsweg, het bestaande bedrijventerrein in de welstandsnota is aangeduid als welstandsvrij gebied, bestaat het voornemen om de aansluitend aan het bestaande bedrijventerrein geplande uitbreiding eveneens aan te wijzen als welstandsvrij gebied. Dit beleidsvoornemen is overeenkomstig het bepaalde in de Woningwet en de gemeentelijke inspraakverordening bekend gemaakt en de gewijzigde bijlage bij de welstandsnota (Gebiedsbeschrijvingen en welstandscriteria) voor het plangebied is ter inzage gelegd van 23 juni 2020 tot en met 3 augustus 2020. Na vaststelling van deze wijziging gelden voor de uitbreiding van het bedrijventerrein de gewijzigde regels en is overeenkomstig het bestaande bedrijventerrein Ittervoort sprake van een welkstandsvrij gebied.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

30

Hoofdstuk 5

Uitvoeringsaspecten

In de paragrafen hierna komen diverse milieuhygiënische en planologische aspecten aan de orde. Voor een aantal aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in separate rapportages die als bijlage bij deze toelichting zijn gevoegd. Voor inzicht in het gehele onderzoek wordt hier verwezen naar de bijlagen. Hierna is een korte samenvatting van deze onderzoeken opgenomen. Voor alle aspecten is de relevantie voor het plan omschreven.

5.1

Milieu

5.1.1

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van de ontwikkeling van de uitbreiding van bedrijventerrein Ittervoort dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” (versie 2009). Derhalve is een quickscan bedrijven- en milieuzonering uitgevoerd. De belangrijkste conclusies zijn in deze paragraaf opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 15 (Kragten, 27 december 2019, Bedrijven en milieuzonering, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort). Onderzoekskader De VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” (versie 2009), geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van diverse bedrijfsactiviteiten. Tevens geeft deze publicatie richtafstanden voor het ontwikkelen van bedrijfsactiviteiten in relatie tot het lokale omgevingstype. De publicatie is een hulpmiddel bij de ruimtelijke inpassing van plannen en vormt op basis van vaste jurisprudentie een goed vertrekpunt voor deze beoordeling. Voor de beoordeling van een goede inpassing wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes. De twee omgevingstypes die de VNG hanteert, zijn enerzijds “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en anderzijds “gemengd gebied”. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden onderstaand nader getypeerd.

Rustige woonwijk en een rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Het vertrekpunt vormt in algemene zin de afstand behorend bij een rustige woonwijk en een rustig buitengebied.

De richtafstanden die hierbij behoren, kunnen echter met één stap worden verkleind indien er sprake is van een gemengd gebied.

Onderzoek plangebied

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

31

De planlocatie is gelegen aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein. Daarnaast zijn in de directe omgeving verschillende solitaire agrarische bedrijven en enkele woningen in het buitengebied gelegen. Op basis van de huidige invulling kan de omgeving worden getypeerd als 'rustig buitengebied/rustige woonwijk'. Binnen het plangebied wordt de vestiging van diverse bedrijven mogelijk gemaakt. De maximaal toegestane milieucategorie voor bedrijven die zich binnen het plangebied vestigen is categorie 3.2. Voor bedrijven met een milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter voor de gebiedstypering 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Binnen het plangebied worden nieuwe bedrijven gevestigd. Bij het planologisch toestaan van deze bedrijvigheid dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden naar de omliggende gevoelige bestemmingen. In de afbeelding hierna is de nieuwe bestemming (maximaal milieucategorie 3.2) binnen het plangebied weergegeven. Tevens is de richtafstand van 100 meter in deze afbeelding gevisualiseerd.

Afbeelding 12: Ligging plangebied en woonbestemmingen in de omgeving

Uit de afbeelding blijkt dat de richtafstanden als gevolg van de uitbreiding bij enkele woningen aan de noordzijde van het plangebied reiken tot over de woningen. Er is derhalve geen sprake van voldoende ruimtelijke scheiding in noordwestelijke richting. Door middel van een akoestisch onderzoek is echter aangetoond dat ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Zie ook paragraaf 5.1.4. De aspecten geur en stof worden niet maatgevend geacht in het kader van de zonering van het terrein. Bij milieuvergunningverlening worden deze aspecten meegenomen. Het aspect gevaar is niet maatgevend, omdat de vestiging van bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) niet is toegestaan. Van overige bedrijven waarbij externe veiligheid een rol speelt, geldt dat eventuele veiligheidsafstanden binnen de grens van de inrichting zullen blijven. Volledigheidshalve dient hierbij te worden opgemerkt dat in de staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels, in vergelijking met de staat van bedrijfsactiviteiten zoals deze van

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

32

toepassing is voor het bestaande bedrijventerrein Ittervoort, alle bedrijven waarvoor voor de aspecten geur, stof en gevaar in principe een richtafstand van 100 meter dient te worden gehanteerd, zijn geschrapt. Als gevolg hiervan bedraagt de maximale richtafstand voor de aspecten geur, stof en gevaar 50 meter, waaraan gemeten vanaf de bestemmingsgrens van het bedrijventerrein tot de bestaande woningen, wordt voldaan. Akoestischonderzoek Op basis van goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie paragraaf 5.1.4 voor de volledige samenvatting. Naar aanleiding van de uitgevoerde berekeningen wordt een geluidswerende voorziening geplaatst ter bescherming van de woningen. Relevantie voor het plan De uitgevoerde quickscan bedrijven- en milieuzonering heeft geleid tot het inzichtelijk maken van de toegestane bedrijfsactiviteiten zonder dat sprake is van norm overschrijdende hinder op omliggende woningen. De quickscan is dus ook uitgevoerd om te kunnen onderbouwen dat in de nabijgelegen woningen sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect bedrijven- en milieuzonering zijn er geen verdere bezwaren voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.2

Lichthinder

Algemeen In tegenstelling tot veel andere milieuaspecten zoals geluid of luchtkwaliteit, bestaat er geen wettelijke norm voor lichthinder naar de omgeving. Bovendien is hinderbeleving een subjectief begrip. Lichthinder wordt door iedereen anders ervaren. In de praktijk wordt zowel in het Activiteitenbesluit als in de toekomstige Omgevingswet vaak verwezen naar de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). In deze richtlijn Lichthinder worden verschillende vormen van lichthinder benoemd, te weten: 1. Hinder voor omwonenden 2. Hinder voor weggebruikers en bestuurders van transportmiddelen 3. Hinder voor astronomen en natuurliefhebbers 4. Hinder voor flora & fauna

In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is met name hinder voor omwonenden van belang.

Gebiedstype In de Richtlijn Lichthinder worden de volgende soorten gebieden onderscheiden: E0: Duisternisgebied E1: Natuurgebied E2: Landelijk gebied (buitenstedelijke en landelijke woongebieden) E3: Stedelijk gebied E4: Stadscentrum / Industriegebied In een stad is in de omgeving meer verlichting aanwezig dan in bijvoorbeeld een natuurgebied of landelijk gebied. De toegestane (grens)waarden voor een stad zijn dan ook hoger dan in een natuurgebied waar de omgeving over het algemeen donker is. In de Richtlijn Lichthinder zijn verlichtingssterkes en grenswaarden opgenomen voor ieder afzonderlijk gebiedstype, om onevenredige lichthinder voor omwonende te voorkomen. De te hanteren (grens)waarden worden daarbij bepaald door het gebiedstype waarin de mogelijk gehinderden zich bevinden, niet door de positie van de lichtbronnen zelf. In het voorliggende geval geldt dat het

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

33

gebiedstype waarin de dichtstbij aanwezige omwonenden zich bevinden, het beste kan worden getypeerd als 'E2 Landelijk gebied'.

Verlichtingssterkte en lichtsterkte Lichthinder bestaat uit twee aspecten: De verlichtingssterkte, zijnde de hoeveelheid licht op de gevel (gemeten in lx, lux); De lichtsterkte, zijnde de felheid van iedere afzonderlijke armatuur (gemeten in (cd, candela). Verlichtingssterkte In de navolgende tabel, afkomstig uit de Richtlijn Lichthinder, zijn maximaal toegestane waarden voor de verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden vastgelegd, gemeten op een relevant geveldeel van een omwonende. Het gaat hierbij om het licht van alle armaturen samen waarvan licht op de gevel valt. In het voorliggende geval dient te worden uitgaan van de waarden voor het gebiedtype 'E2 Landelijk gebied'. De totale hoeveelheid licht op een relevant geveldeel van een omwonende mag op basis van de Richtlijn Lichthinder binnen het gebiedstype 'E2 Landelijk gebied' niet meer bedragen dan 5 lux in de dag- en avonduren (07:00 - 23:00 uur) en 1 lux in de nachturen (23:00 - 07:00 uur).

Tabel 1: Grenswaarden voor de maximale verlichtingssterkte ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden.

Lichtsterkte In de navolgende tabel, eveneens afkomstig uit de richtlijn lichthinder van de NSVV, zijn de grenswaarden vastgelegd voor de maximaal toegestane waarden voor de lichtsterkte van verlichtingsarmaturen ter voorkoming van lichthinder voor omwonenden. Het gaat hierbij om de hoeveelheid licht van een armatuur in de richting van een omwonende. De grenswaarden zijn daarbij afhankelijk gemaakt van de afstand van een armatuur tot de omwonende en het schijnbare oppervlak van de armatuur gezien vanuit de positie van de omwonende. Een armatuur met een bepaalde felheid kan namelijk van dichtbij hinderlijk zijn, maar op grotere afstand veel minder of niet. Daarnaast oogt een klein armatuur mogelijk feller dan een groot armatuur die dezelfde hoeveelheid licht uitstraalt.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

34

Tabel 2: Grenswaarden voor de maximale lichtsterkte van armaturen of delen van samengestelde armaturen in de richting van omwonenden ter voorkoming van lichthinder.

In de praktijk blijkt dat lichthinder veelal voorkomen kan worden door verlichtingsarmaturen en lichtmasten op bedrijfspercelen naar beneden te richten, waardoor de uitstraling tot buiten de bedrijfspercelen beperkt wordt. Verder wordt tegenwoordig veelal gebruik gemaakt van led-verlichting. Led-verlichting is beter te bundelen en te sturen dan conventionele verlichting en bij led-verlichting is ook sprake van minder strooilicht dan bij conventionele verlichting. Met het gebruik van led-verlichting kan lichthinder buiten de bedrijfspercelen dan ook worden beperkt. In de regels van het bestemmingsplan zijn voorwaarden opgenomen conform de Richtlijn Lichthinder van de NSVV, op basis waarvan het voorkomen van onevenredige lichthinder voor omwonenden is geborgd. Relevantie voor het plan Door het opnemen van regels omtrent verlichting, is in voldoende mate geborgd dat bij omwonenden geen sprake zal zijn van onevenredige lichthinder. 5.1.3

Bodem

Voor de beoogde ontwikkeling is een actualiserend vooronderzoek uitgevoerd om op basis van dossieronderzoek de huidige bodemkwaliteit in kaart te brengen. Het volledige onderzoek is als bijlage 10 (Kragten, 11 december 2019, Actualiserend bodemvooronderzoek (inclusief PFAS)) opgenomen. Hierna is een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

35

Onderzoekskader In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek ). Het doel van het vooronderzoek is het inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventuele de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoekslocatie.

Op basis van de informatie, de aanleiding voor het onderzoek en de mate van verdachtheid is bij het vooronderzoek een afstand van 25 meter als begrenzing voor het vooronderzoek aangehouden. De verticale begrenzing bedraagt tot een maximale diepte van 5 m –mv. Ten behoeve van het actualiserend bodemvooronderzoek is bodeminformatie ontvangen van de gemeente Leudal (opdrachtgever) en van de provincie Limburg.

Onderzoeken plangebied Verkennend bodemonderzoek (2007) In opdracht van de voormalige gemeente Hunsel (huidige gemeente Leudal) is in 2007 door MAH een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de toenmalige uitbreiding bedrijventerrein te Ittervoort. De begrenzing van het plangebied komt deels overeen met de begrenzing van het onderzoek. Aanleiding van het onderzoek was de voorgenomen eigendomsoverdracht, bestemmingsplanwijziging en bouw ter plaatse van de onderzoekslocatie. De resultaten van het onderzoek vormden geen bezwaar ten aanzien van de voorgenomen eigendomsoverdracht, bestemmingsplanwijziging en bebouwing van de locatie.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek (2018) In 2018 is in opdracht van WML een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in de berm van de Schillersstraat te Ittervoort. De aanleiding voor het onderzoek vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden ter plaatse van het te onderzoeken tracé. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat behalve één sterke verontreiniging, waarvoor een BUS-melding ingediend is (09912-7-2018), geen noemenswaardige verontreinigingen aangetroffen waar aanvullend- of nader onderzoek voor noodzakelijk was.

Actualiserend vooronderzoek (2019) Op basis van bovenstaande historische bodemonderzoeken en de beschikbare informatie over de ondergrond is een actualiserend vooronderzoek uitgevoerd met de volgende conclusies en aanbevelingen: In de periode tussen 2007 en 2019 hebben ter plaatse van de landbouwpercelen geen activiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. Op basis van de resultaten van het actualiserend bodemvooronderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit zoals deze bij eerder uitgevoerde onderzoek in 2007 is vastgesteld, nog steeds als representatief kan worden geacht. Op basis van het aanvullend vooronderzoek kunnen ter plaatse van de onderzoekslocatie licht

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

36

verhoogde (diffuus verspreide) gehalten aan PFAS in de grond niet worden uitgesloten. In de grond wordt geen GenX verwacht. Het uitvoeren van een (nieuw) verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) of een verkennend asbestonderzoek (NEN 5707) ter plaatse van de landbouwpercelen wordt ten behoeve van de bestemmingsplanwijzing niet noodzakelijk geacht. In verband met de mogelijke aanwezigheid van PFAS en het grondverzet wordt geadviseerd om de grond binnen het plangebied te onderzoeken op PFAS. Omdat in verband met geplande nieuwbouw de huidige (regenwater-)buffers (deels) komen te vervallen, wordt geadviseerd om de bodem van de buffers te onderzoeken op mogelijke verontreinigingen veroorzaakt door de (riool-)overstort(en). Geadviseerd wordt om na de sloop van de woning en bijgebouwen en het verwijderen van de verhardingen op het perceel Europastraat nr. 3 een volledig nieuw verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest en PFAS) uit te voeren. Bij (graaf-)werkzaamheden ter plaatse van de onverharde veldwegen wordt (in verband met de Arbo-wetgeving) geadviseerd om deze middels een verkennend onderzoek conform de NEN 5740 (chemisch) en de NEN 5707 (asbest) te onderzoeken.

Naar aanleiding van de resultaten uit het actualiserend vooronderzoek zijn diverse vervolgonderzoeken uitgevoerd, bestaande uit een verkennend bodemonderzoek naar PFAS (Bijlage 11), een milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van veldwegen (Bijlage 12) en een milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van de oostelijke regenwaterbuffer (Bijlage 13). Onderstaand worden de conclusies uit deze onderzoeken beschreven.

Verkennend bodemonderzoek PFAS (2020) Op basis van de veldwerkresultaten en het laboratoriumonderzoek zijn uit het verkennend bodemonderzoek naar PFAS de volgende conclusies naar voren gekomen: De bodem binnen de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van minimaal 2,0 m –mv uit visueel schoon, matig fijn zand. In drie mengmonsters van de bovengrond (MM04 t/m MM06), centraal gelegen binnen het plangebied, zijn gehalten aan som-PFOS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarde, maar lager dan de bodemfunctieklasse ‘Wonen en Industrie’. In de overige mengmonsters van de bovengrond zijn wel gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de detectielimiet, maar lager dan de landelijke achtergrondwaarden. In de ondergrond (van 0,5 tot 2,0 m –mv) zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden. Geadviseerd wordt om in overleg met bevoegd gezag te bepalen of herschikking van vrijkomende grond binnen het plangebied op basis van de onderzoeksresultaten mogelijk is. Verder wordt geadviseerd om vrijkomende grond (ter plaatse van de bedrijfskavels), die niet binnen het plangebied kan worden hergeschikt, middels in situ partijkeuringen (inclusief PFAS) te onderzoeken. Op basis van de resultaten zal de bovengrond waar gehalten aan som-PFOS zijn aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.

De overige bovengrond en ondergrond zal voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’.

Bodemonderzoek ter plaatse van veldwegen (2020) Op basis van de veldwerkresultaten en het laboratoriumonderzoek kunnen uit het onderzoek ter plaatse van de veldwegen de volgende conclusies worden getrokken: Westelijke veldweg De bovengrond ter plaatse van de westelijke veldweg bestaat tot 0,4 m –mv overwegend uit zand, met zwakke tot matige bijmenging van baksteenresten. Ter plaatse van boring B105 is van 0,55 tot 0,70 m

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

37

–mv een uiterste bijmenging van baksteenresten aangetroffen. De ondergrond bestaat tot 1,0 m –mv uit zand, zonder bodemvreemde bijmengingen. In de bovengrond is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. De boven- en ondergrond zijn chemisch niet verontreinigd. In de bovengrond zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden. De bovenste 0,4 meter ter plaatse van de oostelijke veldweg bestaat uit zand/grind, met zwakke bijmenging van stenen. In de grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. In de bovengrond is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. De bovengrond (tot circa 0,4 m –mv) is licht verontreinigd met PAK. De ondergrond is niet verontreinigd. In de bovengrond zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden. Ten aanzien van veiligheidsklassen wordt opgemerkt dat de voorlopige veiligheidsklassen conform CROW 400 (Werken in of met verontreinigde bodem), met bijbehorende veiligheidsmaatregelen in de ontwerpfase dienen te worden vermeld in het ontwerp veiligheids en gezondheidsplan (V&G-plan). De definitieve veiligheidsklassen en –maatregelen moeten door een veiligheidskundige van de aannemer worden vastgesteld en worden opgenomen in het V&G-plan.

Uit de toetsing blijkt dat voor de werkzaamheden in of met de grond in de bovenste 0,5 meter en de ondergrond geen veiligheidsklassen van toepassing zijn (met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan PAK, geen gehalten hoger dan de achtergrondwaarden). Wel geldt voor alle werkzaamheden de Basishygiëne.

Voor wat betreft de westelijke veldweg wordt op grond van de onderzoeksresultaten geadviseerd om de vrijkomende zandgrond van deze veldweg vanwege de bodemvreemde bijmengingen niet elders binnen de bouwkavels te hergebruiken. Vrijkomende grond kan mogelijk wel elders binnen het plan als aanvulgrond worden hergebruikt. Aanbevolen wordt om de baksteenresten middels een riekbak voorafgaand aan hergebruik elders zoveel mogelijk te scheiden van het zand. Overtollige zandgrond kan eveneens als een afvalstof afgevoerd worden naar een door de Wet milieubeheer erkende verwerker of acceptant. Na partijkeuring zal de vrijkomende zandgrond op basis van de onderzoeksresultaten voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarden’ (landbouw/natuur).

Voor wat betreft de oostelijke veldweg wordt op grond van de onderzoeksresultaten geadviseerd om het vrijkomende zand/grind van de oostelijke veldweg elders binnen het werk te hergebruiken als half-verhardingsmateriaal. Eventueel vrijkomende ondergrond kan binnen het plangebied worden hergebruikt. Indien hergebruik binnen het plangebied niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om het zand/grind middels een partijkeuring te onderzoeken. Na partijkeuring zal het zand/grind naar alle waarschijnlijkheid minimaal voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Daarnaast kan de grond eveneens als een afvalstof worden afgevoerd naar een door de Wet milieubeheer erkende verwerker of acceptant. Opgemerkt wordt dat grond met PFAS-waarden hoger dan 0,1 µg/kg niet toepasbaar is in grondwaterbeschermingsgebieden, tenzij de ontvangende bodem dezelfde kwaliteit heeft (gebiedspecifiek beleid).

Bodemonderzoek ter plaatse van de oostelijke regenwaterbuffer (2020) Op basis van de resultaten van het milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van de oostelijke regenwaterbuffer kan het volgende worden geconcludeerd: Ter plaatse van de buffer zijn in totaal 18 boringen tot 0,5 m –mv uitgevoerd, verdeeld over drie vakken. De textuur bestaat overwegend uit wortelhoudend, zwak humeus, matig fijn zand.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

38

In de opgeboorde grond zijn met uitzondering van enkele spoortjes baksteen geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. In de bovenste 0,5 meter van de vakken 101 en 102 is een licht verhoogd gehalte aan zink aangetoond. Alle overige gehalten zijn lager dan de achtergrondwaarden. De gehalten aan PFAS zijn lager dan de landelijke achtergrondwaarden. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om voorafgaand aan het dempen van de buffer de begroeiing te verwijderen en indien nodig de (humeuze) toplaag (enkele cm). Het wordt niet uitgesloten dat, indien uitsluitend de toplaag wordt ontgraven, dat in deze laag hogere gehalten kunnen worden aangetoond dan middels het hier beschreven onderzoek zijn aangetoond in de laag van 0,3 à 0,5 meter. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond, in overleg met de gemeente Leudal binnen het plangebied te hergebruiken.

Bodemonderzoek ter plaatse van de westelijke regenwaterbuffer (2020) Ook voor de westelijke regenwaterbuffer wordt nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is nog niet afgerond, maar op basis van de eerste onderzoeksresultaten, is reeds gebleken dat sprake is van verontreiniging met enkele zware metalen, minerale olie en PFAS. Omdat het een nieuw geval van bodemverontreiniging betreft, is ongeacht de ontwikkeling van de gronden tot bedrijventerrein, de ‘zorgplicht’ (artikel 13) uit de Wet bodembescherming hierop van toepassing. In het kader van de verdere planuitwerking wordt ter plaatse van de regenwaterbuffer nader onderzoek uitgevoerd. Voordat de gronden ter plaatse van deze regenwaterbuffer ten behoeve van de beoogde toekomstige functie als bedrijventerrein in gebruik kunnen worden genomen, zal de bodemkwaliteit moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen. Ter waarborging hiervan is op de verbeelding, ter plaatse van de regenwaterbuffer, de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - bodemkwaliteit' opgenomen.

Hieraan is in paragraaf 3.2.1 van de regels gekoppeld dat ter plaatse van de betreffende aanduiding het bouwen van bouwwerken uitsluitend is toegestaan nadat door middel van (nader) onderzoek of van het uitvoeren van noodzakelijke (sanerings)maatregelen is vast komen te staan dat de bodemkwaliteit naar oordeel van het bevoegd gezag voldoet aan de vereisten ten aanzien van de beoogde functie(s). Verder is in paragraaf 3.5.4 van de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat het in gebruik nemen en gebruiken van gronden en gebouwen ter plaatse van de regenwaterbuffer, ten behoeve van bedrijfsactviteiten als bedoeld in lid 3.1 onder a. tot en met d. van de bestemming 'Bedrijventerrein', pas is toegestaan indien naar oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoet aan de vereisten ten aanzien van de beoogde functie(s).

Tot slot is in paragraaf 3.7 een omgevingsvergunningstelsel opgenomen waarin is aangegeven dat het ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - bodemkwaliteit', verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder dat door middel van (nader) onderzoek of het uitvoeren van noodzakelijke (sanerings)maatregelen is vast komen te staan dat de bodemkwaliteit naar oordeel van het bevoegd gezag voldoet aan de vereisten ten aanzien van de beoogde functie(s). Werken en werkzaamheden zoals bijvoorbeeld normaal onderhoud, gebruik en beheer zijn hiervan uitgezonderd.

Relevantie voor het plan Ten behoeve van de ruimtelijke procedure kan het onderzoekstraject als afgerond worden beschouwd. Voor zover noodzakelijk, worden benodigde aanvullende onderzoeken uitgevoerd in de kader van de verdere uitwerking van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Zo dienen bij specifieke handelingen tijdens de uitvoering aanvullende onderzoeken uitgevoerd te worden. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

39

5.1.4

Geluid

Voor de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 16 opgenomen. Hierna is een korte weergave van het onderzoek opgenomen en is aangegeven wat vanuit dit onderzoek relevant is voor dit bestemmingsplan.

Onderzoekskader Activiteitenbesluit milieubeheer Voor de beoordeling van de geluidbelasting vanwege individuele bedrijven ter plaatse van de woningen buiten de uitbreiding van het bedrijventerrein is aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conform artikel 2.17 lid 2 zijn voor onderhavige situatie normen opgenomen voor het milieuaspect geluid. De woning aan de Schillersstraat 6 ligt ter plaatse van de uitbreidingslocatie, maar zal worden geamoveerd. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat de niveaus op de in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit milieubeheer genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden.

Tabel 3: Normen conform Activiteitenbesluit milieubeheer (tabel 2.17a) Opgemerkt wordt dat conform artikel 2.17 lid 1 onder b maximale geluidniveaus vanwege laad- en losactiviteiten in de dagperiode (07.00-19.00 uur) niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten bij de beoordeling aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gemeentelijk geluidbeleid Door de gemeente Leudal is in 2011 gebiedsgericht geluidbeleid vastgesteld. Dit beleid is in 2014 geactualiseerd. Zowel het bestaande bedrijventerrein als de nu beoogde uitbreiding daarvan zijn in dit gebiedsgerichte geluidbeleid aangeduid met gebiedstype 'bedrijven'. In het beleid is opgenomen dat voor het gebiedstype “bedrijven” richtwaarden gelden van 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode (55 dB(A) etmaalwaarde). Voor het gebiedstype “wonen” geldt een richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde. Daarnaast zijn overgangszones vastgesteld. Voor bedrijventerreinen geldt een overgangszone van 50 m rond het bedrijventerrein, waarbinnen een 5 dB hogere richtwaarde geldt dan de richtwaarde bij het gebiedstype “wonen”. Dit betekent in dit geval dat voor woningen binnen 50 m vanaf de grens van het bedrijventerrein een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde geldt. De locatie van de verschillende gebiedstyperingen is weergegeven op de Plankaart geluidbeleid (bijlage 6 bij het gemeentelijk geluidbeleid). Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

40

Abeelding 13: Uitsnede plankaart gemeentelijk geluidbeleid

In de directe omgeving van de uitbreiding liggen enkele woningen binnen de 50 meter overgangszone van het bedrijventerrein. Het betreffen de adressen Schillersstraat 3, Schillersstraat 7 en Schillersstraat 8. De overige woningen (woningen op nummer 3, 4, 5a en 5b) liggen op grotere afstanden. Voor het maximaal geluidniveau (LAmax) geldt een grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde, ongeacht het gebiedstype.

Akoestischonderzoek plangebied Doel van het onderzoek is om de geluidbelasting op basis van de in het bestemmingsplan toegestane milieucategorieën inzichtelijk te maken. Tevens zijn noodzakelijke en aanvullende schermmaatregelen onderzocht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat eveneens de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt.

Activiteitenbesluit milieubeheer / gebiedsgericht geluidbeleid

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

41

Uit de berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau ten gevolge van de bedrijven van de uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort zonder maatregelen niet de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid respecteert. Teneinde de geluidbelasting ter plaatse van de woningen te verlagen zijn schermmaatregelen onderzocht. Door het realiseren van geluidschermen wordt de standaard normstelling (50 dB(A) etmaalwaarde) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer alsmede de geluidnormering uit het gemeentelijke geluidbeleid gerespecteerd.

Afbeelding 14: Ligging noodzakelijke schermen, inclusief hoogtes Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidsbelasting van de uitbreiding en het bestaand bedrijventerrein en de omliggende wegen inzichtelijk gemaakt. Op basis van vaste jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het akoestisch woon- en leefklimaat als gevolg van de relevante omliggende wegen en bedrijven van het plan is onderzocht. Ten gevolge van het bestaande bedrijventerrein bedraagt de geluidsbelasting op omliggende woningen ten hoogste 53,2 dB(A). De cumulatieve geluidsbelasting van het bestaande bedrijventerrein inclusief de bijdragen van wegverkeerslawaai bedraagt 55,6 dB(A). De gecumuleerde geluidsbelasting vanwege het bestaande bedrijventerrein, de geluidsbelasting vanwege wegverkeer en de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein bedraagt 56,7 dB(A). Derhalve kan worden gesteld dat de bijdrage van de uitbreiding op de cumulatieve geluidsbelasting in de omgeving circa 1,1 dB bedraagt. Vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein neemt, ter plaatse van de bestaande woningen, de cumulatieve geluidsbelasting met 1,1 dB toe.

Door het plaatsen van de geluidschermen zal de cumulatieve geluidsbelasting met circa 0,2 dB afnemen, hierdoor bedraagt de toename van de cumulatieve geluidsbelasting na het treffen van maatregelen maximaal 1 dB. Ten aanzien van de toename van maximaal 1 dB geldt dat in de Wet- en regelgeving pas bij een toename van 2 dB wordt gesproken van een mogelijk significante toename (zoals bij reconstructies Wet geluidhinder). Een toename van 1 dB wordt daarmee niet als een toename ervaren. Een geoefend oor zou bij goed concentreren een toename van 1 dB kunnen waarnemen. In de praktijk zal in dit geval sprake zijn van fluctuerend geluid, waardoor een toename van 1 dB op het gemiddelde geluidniveau van een etmaal niet waarneembaar is en daarmee geen effect heeft op het akoestisch leefklimaat. Volgens de methode Miedema wordt de MilieuKwaliteitsMaat in de bestaande situatie als "matig" omschreven. Deze MilieuKwaliteitsMaat blijft onveranderd in de situatie inclusief uitbreiding. Dit

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

42

betekent dat ook volgens de methode Miedema na uitbreiding van het bedrijventerrein derhalve geen sprake is van een relevante verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat. In de regels van het bestemmingsplan zijn per deelgebied het bronvermogen per vierkante meter alsmede de ligging en de hoogte van de geluidschermen vastgelegd. Daarnaast is op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat ieder nieuw bedrijf dat zich op het bedrijventerrein wil vestigen aan de invulling op basis van het aantal dB(A) per vierkante meter en de geluidimmissie bij woningen op de gehanteerde toetspunten dient te voldoen. Relevantie voor het plan Op basis van de conclusies uit het uitgevoerde onderzoek in combinatie met de noodzakelijke geluidswerende constructies en het borgen van het aantal dB(A) per vierkante meter en de geluidimmissie bij woningen op de gehanteerde toetspunten, zijn er vanuit het aspect geluid geen verdere bezwaren op de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein Ittervoort. In de regels en op de verbeelding is een specifieke bouwaanduiding opgenomen waarbinnen de benodigde geluidswerende voorzieningen kunnen worden opgericht. Deze specifieke bouwaanduiding is opgenomen ter hoogte van de bestemming 'Groen'.

De noodzakelijke geluidswerende voorzieningen vanuit het gebiedsgericht geluidbeleid zijn middels een voorwaardelijke verplichting geborgd. 5.1.5

Geur, agrarisch

In het kader van de planvorming voor het bedrijventerrein Ittervoort 4e fase is onderzoek gedaan naar eventuele agrarische geurhinder. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 14 (Kragten, 28 oktober 2019, Onderzoek agrarisch geur, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort)

Onderzoekskader Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo), zoals bijvoorbeeld een woning. Een bedrijventerrein wordt gezien als geurgevoelig object omdat de gebouwen geschikt zijn voor verblijf. De uitspraak van ABRvS, 200709155/1 van 24 december 2008 onderschrijft dit. In de Wet geurhinder en veehouderij gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten tot een maximaal toegestaan niveau (norm) van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheidt gemaakt in twee soorten dieren: dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een 'geurgevoelig object' (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU-dieren. dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand ('vaste afstand') tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een 'geurgevoelig object' (ggo).

Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VA-dieren. Normering gemeente Leudal De gemeente Leudal ligt in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. De gemeente Leudal heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Wet geurhinder en veehouderij biedt om, binnen bandbreedtes, af te wijken van de wettelijke normen. Geurbelasting

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

43

In de Verordening geurhinder en veehouderij 2017, 18-02-2017, staat beschreven: "Binnen daartoe aangewezen gebieden die zijn aangeduid op de bij deze verordening behorende gebiedsvisie en kaartmateriaal is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft de volgende gebieden en waarden: Kernen: 3 OU/m³ Kernrandzone: 6 OU/m³ Buitengebied: 10 OU/m³ Zorginitiatief Hornerheide: 3 OU/m³ Voor industrieterreinen buiten de kernen en grootschalige recreatieterreinen is de waarde 10 OU/m³ van toepassing." Voor VA-dieren gelden minimaal aan te houden vaste afstanden. Met betrekking tot de vaste afstanden van een veehouderij naar een geurgevoelig object aangesloten bij de wettelijke afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Conform de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand tussen het emissiepunt van het dierenverblijf voor het huisvesten van VA-dieren en de buitenzijde van een geurgevoelig object minimaal: 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen; 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen. Woon- en Leefklimaat In de geurgebiedsvisie van de gemeente Leudal zijn tevens maximale hinderpercentages als uitgangspunt vastgesteld om te komen tot een aanvaardbaar geurhinderniveau voor het woon- en leefklimaat.

In de tabel hierna is aangegeven hoe hoog de voor- en achtergrondbelasting maximaal mag bedragen, waarbij voor het betreffende gebied nog sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze waarden de uiterste grenzen aangeven voor wat betreft de vooren de achtergrondbelasting.

Tabel 4: Overzicht met gehanteerde gebiedsindeling, maximale waarden geurbelasting en kwaliteit van het woonen leefklimaat Onderzoek plangebied In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan door de gemeente medewerking worden verleend aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Daarnaast dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelige objecten sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting. Vergunde en planologische rechten Op basis van voorliggend onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van fase 4 van bedrijventerrein Ittervoort géén inbreuk maakt op de vergunde geurrechten en planologische gebruiksmogelijkheden van de veehouderij aan de Schillersstraat 2, evenals de veehouderijen aan de Santforterstraat 1 en 11.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

44

Woon- en leefklimaat De voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Schillerweg 2 bedraagt ter plaatse van het plangebied ten hoogste 7,5 OUE/m³. Hiermee is het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein te kwalificeren als 'matig'. Voor de achtergrondgeurbelasting dienen alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer te worden meegenomen. Deze is berekend met V-stacks gebied. Het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting wordt gekwalificeerd als 'redelijk goed' tot en met 'zeer goed'. De grenzen conform de geurverordening van de gemeente Leudal voor de voorgrondgeurbelasting van 10,0 OUE/m³ en achtergrondgeurbelasting van 20,0 OUE/m³ worden hiermee niet overschreden. Relevantie voor het plan Het aspect geur vanwege agrarische bedrijven staat de planvorming voor bedrijventerrein Ittervoort, 4e fase niet in de weg. 5.1.6

Externe veiligheid

In het kader van externe veiligheid zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: quickscan externe veiligheid (bijlage 17 (Kragten, 28 oktober 2019, Quickscan Externe Veiligheid, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort)); externe veiligheid buisleidingen, Carola-berekening (bijlage 18 (Kragten, 19 augustus 2019, Externe veiligheid buisleidingen, Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort)); verantwoording groepsrisico (bijlage 19 (Kragten, 29 oktober 2019, Verantwoording groepsrisico uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort)). De resultaten van deze onderzoeken zijn hierna kort samengevat.

Onderzoekskader Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De regelgeving rond de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen volgt per 1 april 2015 uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs, Stb. 2013, nr. 307). De Wvgs vervangt de nota en de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Rnvgs). In de Wvgs en het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico's, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de bijlagen van de Regeling Basisnet is opgenomen voor welke transportroutes de externe veiligheidsrisico's bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Risiconormen Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen.

De hoogte van het GR representeert de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico.

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

45

Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabel weergegeven.

Tabel 5: invloedsgebied per stofcategorie

Onderzoeken plangebied Transport over het water en het spoor Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of spoorweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en het spoor vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoording is niet aan de orde.

Transport over de weg Voor het plangebied is de provinciale weg N273 en de Rijksweg A2 relevant. Gezien de ruimtelijke scheiding tussen het plangebied en deze wegen is het PAG en het plaatsgebonden risico van deze wegen geen aandachtspunt voor de planvorming. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van toxische stoffen van deze wegen. De risico's als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over de wegen dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording.

Buisleidingen (incl. Carola-berekening) Het plangebied ligt deels binnen de 1% letaliteitsafstand van twee buisleidingen. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico dient kwantitatief inzichtelijk te worden gemaakt door middel van een berekening overeenkomstig de voorschriften met het rekenprogramma CAROLA. Gebleken is dat het plangebied gedeeltelijk binnen de 1% letaliteitsafstand van buisleidingen A-521-deel-1 en A-585-deel-1 is gelegen. Als gevolg van het plan neemt de personendichtheid in de nabijheid van de buisleidingen toe. Voor beide buisleidingen is zowel de huidige als toekomstige situatie inzichtelijk gemaakt. Uit de berekening volgt dat ter hoogte van het plangebied voor beide buisleidingen geen plaatsgebonden

bestemmingsplan Bedrijventerrein Ittervoort 4e fase

46

10-6-risicocontour wordt berekend. Uit de berekening van de hoogte van het groepsrisico blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van buisleiding A-521-deel-1 zowel in de huidige als toekomstige situatie hoger is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Voor buisleiding A-585-deel-1 geldt dat het groepsrisico zowel in de huidige als de toekomstige situatie lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Voor beide buisleidingen is, als gevolg van de planontwikkeling, geen sprake van een toename van de hoogte van het groepsrisico. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Voor een verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/Veiligheidsregio. Op basis van bovenstaande is een beperkte verantwoording hoogte groepsrisico uitgevoerd. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van inrichting in de omgevingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.

Verantwoording hoogte groepsrisico In de bijgevoegde notitie verantwoording groepsrisico zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag heeft in het kader van de ruimtelijke procedure een standpunt ingenomen aangaande de verantwoording van het groepsrisico.

Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft advies uitgebracht naar aanleiding van de toegezonden stukken (Rapport externe veiligheid en verkavelingstekening). Het advies d.d. 19 december 2019 is als bijlage 20 bij deze toelichting gevoegd. Het advies bevat een aantal aspecten die van belang zijn bij de verdere uitwerking en de realisatie van het bedrijventerrein. Het gaat om de aspecten met betrekking tot bluswatervoorzieningen, informeren met betrekking tot risico's, bereikbaarheid bedrijven en mechanische ventilatie. Het bestemmingsplan maakt geen BEVI inrichtingen binnen het bedrijventerrein mogelijk. Het bedrijventerrein is voor hulpdiensten meerzijdig bereikbaar.

Relevantie voor het plangebied De uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken geven geen aanleiding tot verder onderzoeken, noch zijn er belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid. Door het bevoegd gezag is een besluit genomen over de verantwoording groepsrisico. 5.1.7

Luchtkwaliteit

In het kader van de planvorming voor het bedrijventerrein Ittervoort 4e fase is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 21 (Kragten, 16 december 2019, Onderzoek luchtkwaliteit Uitbreiding bedrijventerrein Ittervoort) Inleiding Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=87989ab7-c70a-43a6-b553-38dcc6abfcb0