Toelichting
Tekst van het document
er 100 ligplaatsen voor schepen worden gerealiseerd; d. de ontwikkeling een oppervlakte heeft van 10 ha of meer in een gevoelig gebied. Ad a. Er is geen sprake van een aanleg of uitbreiding van het recreatiepark. De oppervlakte van het recreatiepark is en blijft namelijk gelijk aan de huidige situatie. De maximale oppervlakte voor een m.e.r.-beoordelingsplicht van 25 ha wordt in de huidige situatie reeds overschreden en wordt met de ontwikkeling niet vergroot maar vindt plaats binnen het bestaande oppervlakte. Het aantal bezoekers neemt door de ontwikkeling niet toe. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve invloed op het gebied van milieu. Ad. b. In de huidige situatie bedraagt het huidige aantal bezoekers per jaar al meer dan 250.000. Er is geen sprake van een toename van het aantal bezoekers, waardoor er in ieder geval geen sprake is van een grotere overschrijding van de drempelwaarde dan reeds het geval is. Ad. c. Er worden geen ligplaatsen voor schepen gerealiseerd. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden;
28
Ad. d. Het plangebied bevindt zich niet in een gevoelig gebied. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden; In dit geval is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling van het college noodzakelijk. Gezien het feit dat het recreatiepark in de huidige situatie reeds de maximale m.e.r.beoordelingsplicht overschrijdt en de ontwikkeling geen, of louter een positieve invloed, heeft op het milieu, wordt gesteld dat op basis van hiervan geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Aan de hand van de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plan niet m.e.r.-plichtig is. Er bestaat geen aanleiding het m.e.r.-traject te vervolgen middels het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een m.e.r..
4.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritisch gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. In dit geval vindt er geen herbestemming naar een gevoeligere bestemming plaats dan in de huidige situatie reeds het geval is. Het recreatiepark is reeds voorzien van een recreatieve bestemming en deze bestemming zal blijven gehandhaafd. Op basis van de Wro is een onderzoek naar de bodemkwaliteit niet benodigd.
4.1.3
Geluid Per 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder in werking getreden. Een (nieuwe) ruimtelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeers-, spoorweg- en industrielawaai. Een recreatiepark betreft in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidsgevoelig object. Daarnaast wordt het recreatiepark zoals aanwezig in de huidige situatie niet uitgebreid. Er vindt geen verplaatsing van functies binnen het park plaats, waardoor er geen sprake is van het verplaatsen van geluid belastende activiteiten. Wanneer er wordt gekeken naar het gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Leudal, kan worden gesteld dat het vakantiepark reeds eerder is getoetst in eerdere procedures en de huidige ‘inbreiding’ zal niet voor meer geluidproductie zorgen. Een nader akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
4.1.4
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er dient te worden bepaald of de geursituatie voor
29
geurgevoelige objecten in het buitengebied acceptabel is. Zo dient er voor woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval worden er binnen het plangebied geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn de veehouderijen in de omgeving op een grote afstand van het plangebied waardoor dit geen belemmering vormt. Zo is de veehouderij aan Asbroek 1 op een afstand van circa 800 meter van het plangebied gelegen en ligt de veehouderij aan Schansdijk 7 op circa 275 meter. Ten slotte heeft de ontwikkeling niet tot gevolg dat er geurproducerende activiteiten plaatsvinden, waardoor het woonen leefklimaat in de omgeving niet wordt belemmerd.
4.1.5
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Ter plaatse van gevoelige objecten waar voor langere tijd kan worden verbleven, dient te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Daarnaast mogen ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit (fijn stof en stikstofdioxide) geen onevenredig negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving.
In dit geval heeft de gewenste ontwikkeling betrekking op een ‘inbreiding’ van het recreatiepark met betrekking tot het oppervlakte aan centrale voorzieningen. Het aantal standplaatsen en daarmee het aantal bezoekers zal niet toenemen, maar het blijkt dat een groter oppervlakte aan centrale voorzieningen noodzakelijk is ten behoeve van het huidig aantal bezoekers. Gezien het aantal bezoekers niet toeneemt, zal ook het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, waardoor de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de luchtkwaliteit heeft. Toetsing Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de concentratie PM10 ter plaatse 25,4 µg/m³ en is de concentratie NO 2 ter plaatse 18,9 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is het woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar.
30
Een ontwikkeling kan een negatief effect op de luchtkwaliteit hebben, wanneer de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. De ontwikkeling van het recreatiepark heeft in dit geval geen toename van het aantal bezoekers tot gevolg, gezien het aantal kampeerplekken minimaal gelijk blijft of zelfs afneemt om plaats te maken voor een ander soort verblijf. Binnen het maximale raamwerk van onderhavig bestemmingsplan zouden 'worst-case' ruimschoots minder dan 1.500 recreatiewoningen kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de gewenste ontwikkeling geen toename van het aantal bezoekers tot gevolg. De ontwikkeling van De Leistert draagt dan ook 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
4.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
31
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Wanneer groepsrisicoverantwoording? Inrichtingen (Bevi) Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Buisleidingen (Bevb) Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen . Spoor-, Rijks- en Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of waterwegen (Bevt) overschrijding van de oriëntatiewaarde. In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden.
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Conform de Risicokaart van de Atlas Leefomgeving (figuur 12) is bekeken of er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of (water)wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd aanwezig zijn.
32
Figuur 12 Risicokaart omgeving plangebied
Uit de Risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het recreatiepark geen bronnen aanwezig zijn, waarvan de plaatsgebonden risicocontour tot aan het recreatiepark reikt. Conform de risicokaart is er binnen het recreatiepark wel een risicovolle inrichting aanwezig. De plaatsgebonden risicocontour reikt tot een afstand van 20 meter. Binnen een afstand van 20 meter zijn geen kwetsbare objecten aanwezig en vinden geen veranderingen plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast is er geen sprake van enige significante toename van het groepsrisico. Dit gezien het feit dat de ontwikkelingen op het recreatiepark geen toename van het aantal aanwezig personen tot gevolg hebben. Om deze reden is er geen aanleiding voor een nadere verantwoording van het groepsrisico.
4.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur en geldt tussen enerzijds de grens van de gevel van een milieugevoelige functie en anderzijds de uiterste situering van een milieubelastende functie.
33
Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt het recreatiepark en daarmee de functie ‘recreatie’ niet uitgebreid. De noordoostelijke hoek krijgt, in overeenstemming met het feitelijke gebruik, een natuurbestemming. Er zijn aan deze zijde van het park geen andere functies op korte afstand te vinden. Voor omliggende gevoelige functies blijft de afstand dan ook gelijk aan de huidige situatie. Daarnaast is gekeken naar bedrijvigheid in de omgeving. Zo is ten noordwesten van het plangebied aan de Kunneweg 9 is fabrikant Döhler gevestigd. Gelet op het feit dat er binnen het plangebied geen (nieuwe) gevoelige objecten worden gerealiseerd, vormt dit geen belemmering. Aan de andere kant vindt er binnen het plangebied geen herbestemming plaats, waardoor het bedrijf niet meer in de (uitbreidings)mogelijkheden wordt beperkt. De ontwikkeling heeft dan ook geen beperkende invloed op de omgeving. Een verdere ontwikkeling van het park brengt geen (nieuwe) milieuconsequenties met zich mee voor de omgeving. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.2
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem te beschermen, heeft de gemeente Leudal naar aanleiding van een onderzoek een archeologische beleidskaart laten opstellen. De onderzoeksrapportage ‘Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Leudal’ is vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 8 februari 2011. Toetsing Conform de archeologische verwachtingskaart heeft De Leistert grotendeels een lage archeologische waarde en voor een klein deel een hoge archeologische waarde (figuur 13).
34
Figuur 13 Archeologische beleidskaart met plangebied rood omkaderd
Hoge archeologische waarde De hoge archeologische verwachting betreft voornamelijk (afgedekte) bewoning en begraving die zich veelal over relatief grote gebieden (> 1.000 m²) uitstrekt. Voor gebieden met een hoge archeologische waarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een grotere oppervlakte dan 1.000 m2. De grens van 1.000 m² is gebaseerd op de zones met een hoge verwachting in provinciale aandachtsgebieden. Lage archeologische waarde In gebieden met een lage archeologische verwachting zijn er geen restricties ten aanzien van ontwikkelingen. Hoewel in deze gebieden in principe wel archeologische resten aanwezig zouden kunnen zijn, zal de kans op het aantreffen en verstoren van deze resten zo laag zijn dat de schade aan de archeologie beperkt blijft. Met onderhavige planologisch-juridische borging van de mogelijkheden vinden geen bodemingrepen plaats. Mogelijk aanwezige archeologische waarden zullen dan ook niet worden verstoord. Indien er in de toekomst wel bodemingrepen noodzakelijk zijn, zullen deze binnen het gebied met een lage archeologische waarde plaatsvinden waar geen restricties ten aanzien van ontwikkelingen aan de orde zijn. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
35
4.3
Natuur
4.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Het plangebied ligt geheel buiten de Ecologische Hoofdstructuur en Provinciale Ontwikkelingszone Groen zoals vastgelegd op de POL-kaart 'Groene waarden'. De randen van het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan weliswaar bestemd als 'Groen', er is geen sprake van specifieke groene waarden, behoudens het planologisch zekeren van de afschermde beplanting rondom het recreatiepark. In de nieuwe situatie zal het park met veel groen ingepast blijven, wat de rustieke en recreatieve kwaliteit eer aan doet en waardoor het park goed blijft ingepast in het landschap.
De omringende groenstroken worden echter niet meer als 'Groen' bestemd, maar als 'Recreatie'. Het blijft echter niet toegestaan dichter dan 5 m van de perceelsgrens te bouwen ten behoeve van recreatieve doeleinden. De instandhouding van de groenstroken blijft hierdoor toch gewaarborgd. Het bosgebied (Ophovense Zandberg) dat direct ten noorden van het plangebied ligt, behoort tot de Ecologische Hoofdstructuur. Ontwikkelingen op het park leiden niet tot een noemenswaardige toename van verstoring van het bosgebied ten opzichte van de huidige situatie. In de planontwikkeling hoeft geen rekening gehouden te worden met planologische gebiedsbescherming. Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het natuurgebied ‘Leudal’ en ligt op een afstand van circa 1,3 kilometer ten zuiden van het plangebied. Gelet op het vernieuwen van het huidige zwembad met plaza en receptie, het gasverbruik van de verblijfsrecreatie en het aantal verkeersbewegingen is een bekeken of dit een significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Derhalve is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage.
Uit het stikstofonderzoek blijkt uit de verschilberekening dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied ‘Leudal’. Deze toename aan stikstofdepositie wordt gecompenseerd door extern salderen. Middels extern salderen is er geen sprake van een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. In afwachting van het verlenen van de Wnb-vergunning geldt de zorgplicht dat er geen sprake mag
36
zijn van een onevenredig significant effect op Natura-2000-gebieden. Activiteiten welke een significant nadelig gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebieden, zijn niet rechtstreeks toegestaan. In die gevallen is de zorgplicht van toepassing. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.3.2
Flora en fauna De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van door de Natuurbeschermingswet beschermde gebieden. Aangezien het plangebied dezelfde bestemmingen behoudt, zijn negatieve effecten op de omliggende gebieden met natuurwaarden uitgesloten. Mogelijkerwijs kan bebouwing en/of een gebied dienen als verblijfsplaats dan wel foerageergebied van (beschermde) diersoorten. Met deze integrale herziening gaan echter geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden gepaard. Derhalve kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling een significant negatief effect heeft op mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna. Wel wordt er in extra bouwmogelijkheden voorzien. In dit geval geldt in het kader van de Wet natuurbescherming ten allen tijde de zorgplicht. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
4.4
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. In de bijlage is een memo bijgevoegd met daarin de verkeersgegevens in het worstcasescenario welke als uitgangspunt zijn gehanteerd.
4.4.1
Mobiliteit De Leistert wordt ontsloten via de Heldensedijk (N562). Op de Heldensedijk (N562) geldt een maximumsnelheid van 80 km/h. Deze weg verbindt de N279 met de N275 en de N277. Daarmee vormt het eveneens de verbinding tussen de kernen Roggel en Heythuysen en Helden en Panningen. De weg is voorzien van twee rijstroken, asmarkering en een bromfietspad aan de noordwestzijde van de weg dat in beide richtingen wordt bereden. De Heldensedijk (N562) is dan ook gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom. De capaciteit van een gebiedsontsluitingsweg bedraagt onder ideale omstandigheden ongeveer 2.800 pae/h in de doorsnede–. Echter, de capaciteit van de weg wordt in de praktijk bepaald door de kruispunten in het tracé. Daarom wordt een vuistregel gehanteerd van 20.000 à 25.000 motorvoertuigen per etmaal. Camping en Buitenhof de Leistert kennen sinds 2019 een stijging van het aantal verkeersbewegingen. Deze stijging wordt deels veroorzaakt doordat steeds meer gasten met 2 auto’s komen in plaats van 1 auto. 37
In 2008 zijn op een gemiddelde werkdag 4.868 motorvoertuigen geteld op de Heldensedijk. Ook blijkt dat de intensiteit op de Heldensedijk reeds enkele jaren licht afneemt. Derhalve is het uitgangspunt dat de huidige intensiteit op de Heldensedijk niet veel afwijkt van de intensiteit zoals die in 2008 is gemeten. Rekening houdend met de functie van de Heldensedijk (N562) en actuele intensiteiten, is te concluderen dat een verdere ontwikkeling van het park past bij de functie en de capaciteit van de weg. De Provinciale weg kan de toevoer dan ook aan, maar de problematiek van het tijdelijk opstellen van aankomende auto’s (logistiek) binnen het plangebied zal in overleg met belanghebbende partijen worden afgestemd. Dit is echter niet ruimtelijk (planologisch) relevant. Wel is door de initiatiefnemer alvast gekeken naar mogelijke maatregelen om de doorstroming van het verkeer beter te stimuleren. Door slimmere keuzes te maken wordt het verkeer beter verspreid: Het logistieke verkeer wordt beter gescheiden van aankomend en vertrekkende toeristen; Personeelsverkeer wordt beter gescheiden van aankomend en vertrekkende toeristen; Toeristisch verkeer zal sneller het park op kunnen rijden: • door gebruik te maken van kentekenherkenning bij slagbomen kunnen verblijfsgasten direct doorrijden tot hun verblijfslocatie.
Hierdoor zal de druk vanuit het tijdelijk parkeren afnemen, waardoor de grote parkeerplaatsen nabij de toegangspoorten minder druk bezet zullen worden; • het aanleggen van een rotonde op de Heldensedijk / Leistertweg / Ophoven, zal ook enorm kunnen bijdragen aan een betere verkeersafwikkeling.
4.4.2
Parkeren Binnen het plangebied dienen er zowel voor gasten van het recreatiepark als voor bezoekers van E-Village voldoende parkeermogelijkheden te zijn. In dit geval is gekeken naar de parkeerbehoefte voor De Leistert, Buitenhof de Leistert en E-Village. Parkeren De Leistert en Buitenhof de Leistert Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van het worstcasescenario. Voor de Leistert geldt dat de piekmomenten tijdens Hemelvaart en Pinksteren zijn. Conform de parkeernormen uit de gemeentelijk Nota parkeernormen, dient rekening te worden gehouden met het aantal parkeerplaatsen zoals aangegeven in onderstaande tabel. In dit geval is de functie ‘groepsaccommodaties’ niet opgenomen in de parkeernota. Derhalve wordt per groepsaccommodatie uitgegaan van het aantal parkeerplaatsen voor 5 chalets/lodges/recreatiewoningen.
Functie Standplaatsen Chalet/lodge
Maximaal aantal conform bestemmingsplan 1.300 400
Parkeernorm conform parkeernota 1,3 2,2
Aantal parkeerplaatsen conform parkeernota 1.690 880 38
Groepsaccommodaties Recreatiewoningen ‘Buitenhof de Leistert’
5 (1 accommodatie gelijk aan 5 chalets) 315
2,2 * 5 = 11
55
2,2
693 Totaal
3.318
Voor Buitenhof de Leistert (bungalowpark/huisjescomplex) is er bij elk huisje op Buitenhof de Leistert voldoende ruimte waardoor kan worden voorzien in ten minste 2,2 parkeerplaatsen en daardoor voldoende parkeergelegenheid. Bezoekers van Buitenhof de Leistert maken dan ook geen gebruik van de overige (openbare) parkeerplaatsen op het recreatiepark. Voor de standplaatsen, chalets/lodges en groepsaccommodaties zijn er conform de Nota parkeernormen dus 2.625 parkeerplaatsen benodigd. Per accommodatie dan wel standplaats is één parkeerplaats aanwezig. Dat betekent dat er 1.705 auto’s op het park kunnen parkeren. Uitgaande van de parkeernormen zou er nog voor 920 auto’s elders parkeergelegenheid moeten worden gecreëerd. Echter blijkt uit feitelijke cijfers dat het aantal aanwezige auto’s tijdens piekmomenten lager ligt dan de uitgangspunten in de gemeentelijke Nota parkeernormen. Gasten die verblijven op de camping of in een chalet/lodge komen vaak met maximaal één auto naar de locatie. De normen van 1,3 en 2,2 zijn in dit geval hoger dan de feitelijke situatie. In de bijlage is een memo bijgevoegd inzake verkeer en parkeren. Hieronder worden de belangrijkste gegevens weergegeven. Ondanks dat er per reservering in de meeste gevallen met één auto naar het recreatiepark komen, is als worstcasescenario tijdens piekmomenten uitgegaan van gemiddeld 1,5 auto per reservering.
Bij de accommodatie is plek voor het parkeren van één auto en zullen de overige auto’s op het parkeerterrein aan de voorzijde van het park worden opgesteld. Tijdens het piekmoment is sprake van 840 aantal reserveringen en dus (1,5*840) = 1.260 auto’s. Per accommodatie kan één auto worden geparkeerd, waardoor de overige 420 auto’s gebruik dient te maken van het parkeerterrein aan de voorzijde van het park. Parkeren E-Village Ook E-Village maakt gebruik van dit parkeerterrein, waardoor tevens naar het aantal benodigde parkeerplaatsen voor deze functie dient te worden gekeken. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor E-Village is uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen. Hierbij is uitgegaan van de functie ‘indoorspeeltuin, gemiddeld’ in het buitengebied. Per 100 m 2 bvo wordt uitgegaan van maximaal 7,6 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. E-Village heeft een bvo van ca. 3.100 m2, waardoor de parkeerbehoefte conform deze norm in totaal 236 parkeerplaatsen zou bedragen. Dit is ten aanzien van de feitelijke behoefte echter niet realistisch. Dit ook gezien een deel van de bebouwing niet is ingericht als indoorspeeltuin, maar ten behoeve van voorzieningen (zoals magazijn/kantoor/kantine). Derhalve wordt voor het bepalen van de parkeerbehoefte uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm van 5,1 benodigde parkeerplaatsen per 100 m2 bvo.
Op basis van deze parkeernorm zijn er (31*5,1=) 159 parkeerplaatsen benodigd. Ondanks dat dit aantal
39
ten opzichte van de werkelijke situatie ruim is ingeschat, wordt dit aantal benodigde parkeerplaatsen als het worstcasescenario aangehouden. In totaal zijn er tijdens het piekmoment, buiten het parkeren bij de accommodatie, dus 420 + 159 = 579 parkeerplaatsen benodigd. Aantal aanwezige parkeerplaatsen Op het recreatiepark zijn twee grotere parkeerterreinen aanwezig met respectievelijk 200 en 270 parkeerplaatsen, waarvan een tevens zowel door De Leistert als door EVillage wordt gebruikt. Daarnaast zijn er onder andere parkeermogelijkheden bij het zwembad en een parkeerstrook bij het Buitenhof De Leistert. Deze kleinere parkeergelegenheden bieden ruimte voor respectievelijk 50, 32, 37 en 28 parkeerplaatsen. In totaal zijn op het gehele recreatiepark 617 parkeerplaatsen aanwezig. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte tijdens het piekmoment (worstcasescenario).
4.5
Kabels en leidingen Aan de westelijke zijde van het plangebied bevindt zich de ondergrondse rioolwatertransportleiding van Zuiveringsschap Limburg. Ten behoeve van de leiding is een beschermingszone van 2,5 meter aan weerszijden opgenomen welke in onderhavig plan ongewijzigd wordt overgenomen. Binnen deze beschermingszone vinden geen werkzaamheden of activiteiten plaats, waardoor dit geen belemmering oplevert,
4.6
Duurzaamheid Bij nieuwe ontwikkelingen in onderhavig project dient aandacht besteed aan het duurzaamheidsaspect. Hierbij kan gedacht worden aan energiezuinigheid en het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Tevens dienen bij de ontwikkelingen nietuitlogende materialen gebruikt te worden en vindt infiltratie van het hemelwater plaats (zie paragraaf 4.7).
4.7
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
4.7.1
Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Rijk kiest in het waterbeleid voor de periode 2022-2027 en richting 2050 voor drie hoofdambities. Deze ambities geven op hoofdlijnen aan waar we in Nederland naartoe 40
willen rond water. In het NWP zijn de ambities verder uitgewerkt en is aangegeven welke concrete doelen, aanpak en maatregelen hierbij horen. De drie ambities betreffen: • Een veilige en klimaatbestendige delta • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur
4.7.2
Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021. In het Provinciaal Waterprogramma zijn de doelstellingen uitgewerkt die de provincie Limburg voor de komende planperiode wilt bereiken op het gebied van water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.
4.7.3
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg Per 1 januari 2017 zijn Waterschap Peel en Maasvallei en Waterschap Roer en Overmaas gefuseerd tot Waterschap Limburg. In 2012 is vooruitlopend op de fusie door de twee waterschappen één gezamenlijk Waterbeheerprogramma opgesteld. Dit programma beschrijft de wateropgaven binnen de kaders van de Waterwet, de Europese Kaderrichtlijn Water, de Deltabeslissingen en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur het Waterbeheerprogramma 20222027 vastgesteld. Hierin staan de wateropgaven zie voor de toekomst zijn bepaald. De komende jaren wordt gestreefd om de doelen uit het waterbeheerprogramma te realiseren. Deze doelen zijn verwerkt in een aantal speerpunten. Kort samengevat gaat het om: • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht. • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken
4.7.4
Waterhuishoudkundige situatie Hieronder wordt nader ingegaan op de huidige waterhuishoudkundige en of/hoe de beoogde ontwikkeling hier invloed op heeft. Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert binnen het plangebied tussen 28,3 en 29,2 meter +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit gooreerdgronden.
41
Op de bodemkaart van Nederland wordt de grondwaterstand weergegeven in zeven klassen, de zogenaamde grondwatertrappen. Deze geven een globale aanduiding van het niveau van fluctuatie van het grondwater aan. Het plangebied is gelegen binnen grondwatertrap V. De gemiddeld hoogste grondwaterstand voor het plangebied ligt hoger dan 40 cm beneden maaiveld en de laagste grondwaterstand is dieper dan 120 cm beneden maaiveld gelegen. De bodem bestaat uit leemarm zand. Oppervlaktewater In het plangebied bevindt zich een kleine watergang (noordwestelijk deel van het plangebied), welke in het beheer is bij het waterschap. De watergang is specifiek bestemd en voorzien van een beschermingszone overeenkomstig de Keur van het Waterschap. Daarnaast liggen op het recreatiepark vier plassen, waarvan er een wordt gebruikt als visvijver en een als strandbad/recreatieplas. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Limburg. Voorts is het plangebied wel gelegen in de beschermingszone van de Roerdalslenk (paragraaf 3.3.2). Deze is als boringsvrije zone aangewezen, aangezien diepe boringen de natuurlijke geologische bescherming kunnen aantasten. Diepe boringen zijn in dit kader echter niet aan de orde.
Afvalwater / riolering De afvalwaterstromen zijn aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Water in relatie tot de gewenste ontwikkeling Algemeen Een toename van het oppervlakte aan verharding is niet aan de orde. Het hemelwater wordt in de huidige situatie geloosd op het maaiveld wat ook in de beoogde situatie het geval zal blijven. Uitgangspunt Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de belendende percelen. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van de verdere ontwikkeling van het recreatiepark, geen sprake zijn van een structurele verlagen van de grondwaterstand. Hemelwaterafvoer / hemelwaterberging Voor het bepalen van de noodzakelijke compenserende waterberging is het van belang om te weten hoe groot de toename aan verhardingen zal zijn.
Aangezien met dit plan enkel de bouwmogelijkheden worden vergroot, zijn de exacte oppervlakten aan verharding nog niet bekend. 42
De mogelijk nieuwe verhardingen in de toekomst bestaan uit de recreatiewoningen met bijbehorende verharding en terrassen. Hemelwater dat op deze verhardingen valt, zal door middel van nader te bepalen waterinfiltratie- en/of buffervoorzieningen worden afgekoppeld van het vuilwatersysteem en terug worden geleid de bodem in. De exacte wijze van bufferen of infiltreren van het hemelwater dient nader te worden uitgewerkt als er duidelijkheid is hoe groot de toename aan verharding is en hoe groot de capaciteit van de bergingsvoorziening dient te bedragen. Waterkwaliteit Ten aanzien van de waterkwaliteit dienen af te koppelen dakoppervlakken niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. Uitlogende materialen als lood, koper en zink worden niet toegepast bij deze ontwikkeling. Conclusies en overleg met de waterbeheerder Onderhavige ontwikkeling staat de ambities zoals beschreven in het beleid niet in de weg. Aangezien de ontwikkeling geen fysieke wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie tot gevolg heeft, heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op water(kwaliteit). Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planologisch-juridisch borgen van de huidige situatie. Een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of de waterhuishouding is, gezien het bovenstaande, niet te verwachten.
De conclusie luidt dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik, bestemming of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer.
43
HOOFDSTUK
5 Juridische vormgeving
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
5.1
Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. In de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een bestemmingsplan welke nieuwe bouwmogelijkheden schept, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is echter geen sprake van een uitbreiding/ontwikkeling van De Leistert, maar is sprake van een geactualiseerd bestemmingsplan dat de geldende planologisch-juridische rechten bestendigd en daarbij de ruimte biedt om binnen de bestaande grenzen van het recreatiepark te kunnen voldoen aan en te kunnen inspelen op de vraag uit de markt. In dit geval wordt er een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Leudal en de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is hiermee voldoende geborgd. Een exploitatieplan is dan ook niet aan de orde.
5.2
Planstukken Dit bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemming. Op de verbeelding wordt de bestemming weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding is bijgevoegd als separate bijlage. 44
5.3
Opzet planregels De regels zijn opgesteld conform de wettelijke systematiek voor bestemmingsplannen en de aanvullende gemeentelijke systematiek, zoals vervat in het Handboek Ruimtelijke Plannen. Hieronder worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Er wordt tevens een toelichting gegeven op welke wijze de regels zijn ingedeeld en de inhoud van de regels wordt verkort weergegeven. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, hiermee wordt de op de verbeelding opgenomen bestemming geregeld; • Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkingsregels; • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
5.3.1
Inleidende regels Begrippen (art. 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet / Bouwverordening overgenomen, alsmede de SVBP. Wijze van meten (art. 2) Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.
5.3.2
Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • Bestemmingsomschrijving • Bouwregels • Nadere eisen • Afwijken van de bouwregels • Specifieke gebruiksregels • Afwijken van de gebruiksregels Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De in het plan opgenomen bestemmingen zijn: • Groen • Recreatie – Verblijfsrecreatie • Verkeer • Water In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
45
Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het beheer en onderhoud van de binnen het plangebied gelegen groenelementen, alsmede voor een grond- of geluidwal ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal'. Recreatie – Verblijfsrecreatie Deze bestemming maakt een verdere ontwikkeling van De Leistert mogelijk en vormt de basis van onderhavig bestemmingsplan. De planologische situatie van het park wordt daarmee niet alleen geactualiseerd, maar biedt ook kansen voor de toekomst. Het gehele recreatiepark is grotendeels voorzien van de bestemming; 'Recreatie – Verblijfsrecreatie'. Uiteraard zijn er wel enkele planregels waaraan voldaan dient te blijven. Ten eerste mag het gehele bestemmingsvlak voor 10% bebouwd worden, terwijl op de 2 kavels van respectievelijk Mico Sport en E-village de bestaande bebouwingsgrootte aanwezig mag zijn/blijven. De maximale oppervlakte voor centrale voorzieningen bedraagt 25.000 m² (inclusief de voorzieningen van Mico Sport en EVillage. De noodzaak voor dit oppervlakte is nader onderbouwd in onderhavige toelichting. Het aantal kampeerplekken bedraagt maximaal 1.300. Grootste verschil met het vigerende bestemmingsplan is echter de mogelijke flexibiliteit/uitwisseling tussen kampeerplekken en comfortabele kampeereenheden (waaronder chalets, trekkershutten en recreatiewoningen). Het maximaal aantal eenheden bedraagt 400 stuks.
Verkeer De hoofdontsluitingswegen aan de rand van het recreatiepark zijn bestemd als 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn onder andere verkeersdoeleinden (wegen, paden, parkeervoorzieningen) alsook groenvoorzieningen toegestaan. De gronden mogen worden bebouwd ten behoeve van gebouwen van algemeen nut. Ter plaatse van de specifieke aanduiding ‘watervoorziening’ is het tevens toegestaan om watervoorzieningen ten behoeve van het recreatiegebruik te realiseren. Water In het plangebied bevindt zich een kleine watergang (noordwestelijk deel van het plangebied), welke in het beheer is bij het waterschap. De watergang is specifiek bestemd en voorzien van een beschermingszone overeenkomstig de Keur van het Waterschap.
5.3.3
Algemene regels In de Anti-dubbeltelbepaling wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten. In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.
46
In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de navolgende regel zijn de Algemene procedureregels opgenomen. In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht.
5.3.4
Overgangs- en slotregels In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
47
HOOFDSTUK
6 Inspraak en overleg
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
6.1
Omgevingsdialoog Ten behoeve van de ontwikkeling hebben de initiatiefnemers de omgeving in kennis gesteld van de gewenste ontwikkeling.
6.2
Vooroverlegreacties Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van de betrokken gemeenten en met die diensten van Provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of zijn belast met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. In het kader van het vooroverleg zijn er geen opmerkingen ontvangen.
6.3
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegen, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt en hierbij zijn twee zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijzen is een Nota van Zienswijzen opgemaakt welke tevens als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.
48
HOOFDSTUK
7 Procedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: • In het kader van het vooroverleg vindt toezending plaats aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; • Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; • Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; • Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; • Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; • Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; • Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; • Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige
voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
49
Memo Onderbouwing Behoefte extra m2 Centrale Voorzieningen Recreatiepark de Leistert
Versie 1.0 Datum:
Opgesteld door:
22-11-2023
1. Aanleiding De succesvolle groei van dit top-recreatiebedrijf loopt tegen de ruimtelijke (bestemmingsplan) grenzen op! •
Anno 2009 heeft de Leistert een oppervlakte van ca 50 hectare. Er kunnen circa 6.000 mensen verblijven op het “Campingdeel” van de Leistert. Het oppervlak van de “bebouwde centrale voorzieningen” is in totaal ruim 7.000 m² o Die bebouwde voorzieningen bestaan uit onder andere : subtropisch zwembad, omkleedruimtes, entreegebouwen, Plaza, supermarkt, friture, huisartspost, toiletgebouwen, wasserette, klushuis, bingozaal, restaurants, fietsenverhuur, voormalig pannenkoekenhuis, kantoorgebouwen, opslagloodsen, werkplaats voor de technische dienst, elektrahuisjes en een museumboerderij (die om niet verhuurd wordt aan de Heemkundevereniging). o Financieel gezien is er sprake van seizoenbedrijf met een zeer marginaal resultaat. Met de komst van internet en het aanbod van spotgoedkope Turkije-reisjes verandert de vakantiemarkt enorm in die tijd. Kwalitatief gezien staat het product van Camping de Leistert zwaar onder druk. De vele verouderde jaarplaatsen (stacaravans die er soms al 50 jaar staan) voldoen niet meer aan de brandveiligheidseisen. De behoeftes van de “kampeerder” veranderen razendsnel. Tot dat moment verhuurt de Leistert vooral gras aan mensen met een tent of caravan, verhuurt men 2 trekkershutten aan mensen die op fietsvakantie zijn en verhuurt men jaarplaatsen aan mensen die er een eigen stacaravan of chalet op plaatsen om er zelf in te verblijven.
•
In respectievelijk 2011, 2012, 2013 en 2017 t/m 2020 worden fase 1, fase 2, fase 3 en fase 4 van Buitenhof de Leistert in exploitatie genomen. In totaal komen er 2383 bedden bij, die de Leistert verhuurd. Het totale oppervlak dat Stichting Recreatiepark de Leistert in exploitatie heeft groeit tot circa 96 hectare. Bijna een verdubbeling qua oppervlak. o Op het campingdeel neemt het aantal m2 aan centrale voorzieningen nagenoeg niet toe, mede omdat het bestemmingsplan, opgesteld in 1990, hierin een beperkende factor is! Dit was voor de Leistert ook de aanleiding om in 2012 te starten met een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.
•
Vanaf 2013 wordt er gewerkt met een nieuwe toekomstvisie voor Camping de Leistert. Het roer moet drastisch om. Vanuit de nieuwe koers wordt er ingespeeld op een gastprofiel dat “Uitbundig Geel” heet. Hierdoor worden nabij de kampeerplekken allerlei kleine speelvoorzieningen gecreëerd. Ook komen er verhuurlodges bij die mensen voor een weekend, een midweek of een week willen huren. De centrale voorzieningen worden geüpgraded en uitgebreid waarbij met name moderne toiletgebouwen, extra speelvoorzieningen als ook draadloos internvoorzieningen noodzakelijke voorwaarden worden. o
o
•
Op het plangebied “Buitenhof” worden in 2017 enkele centrale voorzieningen gecreëerd, zoals Restaurant La Selva Food & Drinks en een indoorspeeltuin “La Selva Playground”. In totaal bedragen de bebouwde centrale voorzieningen op plangebied Buitenhof ruim 1600 m2. Ook op het (voormalige) campingdeel worden de voorzieningen geüpgraded, verduurzaamd én deels uitgebreid. Zo worden o.a. de supermarkt uitgebreid, komt er een bowlingcentre bij, wordt de cafetaria capaciteit vergroot middels realisatie van Mr. Friet en worden er naast La Selva nog 2 extra horecaconcepten geopend.
In de periode 2014-2023 groeit de Leistert door naar een financieel krachtig en gezond bedrijf dat meegroeit met de wensen van de ‘nieuwe type gast’. Sinds een aantal jaren behoort de Leistert volgens gasten en diverse brancheorganisaties bij de top van Recreatieparken in Nederland en zelfs Noordwest
Memo Onderbouwing Behoefte extra m2 Centrale Voorzieningen Recreatiepark de Leistert
Pagina 2 van 7
Europa. En dat voor een onafhankelijk park, dat niet behoort tot een landelijke keten. Het feit dat het park geëxploiteerd wordt door een stichting maakt dat alle rendementen gereserveerd worden voor de verbetering van het product: een slimme combinatie van gastbeleving, centrale voorzieningen én verhuur-objecten (“van tent tot luxe vakantieboerderij”). Rendementen vloeien in een Stichting immers niet weg naar aandeelhouders! •
De organisatie is gegroeid in aantal werknemers en professionaliteit. o In 2010 werd de marketing ongeveer volledig uitbesteed aan derde partijen. Een receptiemedewerker boog zich over de vraag met welke touroperator de Leistert het beste in zee kon gaan. Anno 2023 staat er een compleet eigen marketingafdeling die alle marketingactiviteiten zelf verzorgt, waardoor 86% van de boekingen zelfstandig worden gecreëerd. De afhankelijkheid ten opzichte van landelijke touroperators, waardoor een groot deel van de verdiencapaciteit ook elders terechtkomt, is anno 2023 nog zeer gering. o Op vele luxe kampeerplekken wordt privé-sanitair aangeboden. Per 1, 2 of 4 kampeerplekken wordt een unit neergezet, waardoor de gast over een “eigen toilet, douche, keukenblok met vaatwasser en/of koelkast en zelfs een sauna” kan beschikken. In totaal zijn 91 kampeerplekken inmiddels voorzien van prive-sanitair. o Ook het aantal verhuurobjecten groeit. Naast Lodges, worden nu Safaritenten en luxe Glampingtenten verhuurd, ook weer uitgerust met combi-magnetron en vaatwasser. o De groei die de Leistert heeft doorgemaakt, doet iets met de organisatie en diens behoeftes: ▪ Had de Leistert in 2010 nog 18 werknemers in vaste dienst. In 2023 zijn dat er bijna 100.
▪ Was in 2010 er nog sprake van een seizoenbedrijf dat in de periode november-april geen verblijfsgasten ontving en enkel pieken kende tijdens de Nederlandse schoolvakanties, anno 2023 is er sprake van een jaarrond bedrijf dat 365 dagen per jaar verblijfsgasten ontvangt uit Nederland (73%), maar ook uit België (10%) en Duitsland (15%). Van een groot onderscheid tussen hoogseizoen en laagseizoen is geen sprake meer. Was er vroeger enkel gedurende de Bouwvak-Zuid sprake van een volgeboekt Leistert (>95%), nu is dat circa 14 weken per jaar het geval. Gedurende 39 weken per jaar is er sprake van een bezetting van >60% van alle te verhuren plekken, bedden etc. Het aantal vaste medewerkers in loondienst is hiermee gestegen naar bijna 100 in 2023. Tijdens weekenden en drukkere weken wordt dit aangevuld met nog eens 200 extra hulpkrachten (veelal studenten/scholieren). Tel daarbij het personeel van onze supermarkt-exploitant en onze schoonmaak-partner bij, dan komen er nog eens 200 mensen bij. ▪ Hierdoor zijn ook meer opkomstplekken, kantoorplekken en diverse personeelsvoorzieningen extra nodig. Omdat het bestemmingsplan uit 1990 geen uitbreidingsruimte biedt voor het bijbouwen van vele m2 aan gebouwen, is er in 2020 voor gekozen om de opstallen van Mico Sport te kopen. Hierdoor ontstond enige (noodzakelijke) ruimte waar o.a. kantoorpersoneel gehuisvest is geworden.
Memo Onderbouwing Behoefte extra m2 Centrale Voorzieningen Recreatiepark de Leistert
Pagina 3 van 7
2. Behoefte aan extra Centrale Voorzieningen In 2022 is de Leistert gestart met het opstellen van wederom een nieuwe toekomstvisie. Voornaamste redenen zijn dat de centrale voorzieningen a. b. c. d.
niet meer passen bij het nog steeds groeiend aantal verblijfsgasten; niet meer passen bij de behoeftes van onze verblijfsgasten; niet meer passen bij een duurzame bedrijfsvoering qua energieverbruik; niet meer passen bij de wettelijke eisen zoals i. ARBO-eisen aan werkplekken; ii. Waterkwaliteitseisen aan zwembaden (hiervoor nieuwe techniekkelder gerealiseerd); iii. Eisen vanuit RI&E voor kleedruimtes, douches e.d. voor medewerkers; iv. Eisen vanuit RI&E voor pauzeruimtes op verschillende afdelingen;
Zo gebruiken we nog steeds veel verouderde gebouwen met het bijbehorende hoge energieverbruik. Het subtroptisch zwembad is in de jaren 80/90 uit vorige eeuw in drie fases gebouwd en uitgebreid. In 2010 is met het oog op de komst van de extra verblijfsgasten vanaf Buitenhof de Leistert geüpgraded en voor zover het kon verduurzaamd, door het gebouw beter te isoleren (gevel, ramen, dak) als ook door vernieuwing van installaties. Echter blijft het gebouw te krap qua m² zwemwater, kleedruimtes en blijft het qua personeelsinzet niet efficiënt. Ook op rustige dagen moeten we veel personeel inzetten om de waterkwaliteit en de zwemveiligheid te waarborgen. Mede als gevolg van de steeds strenger wordende wet- en regelgeving aan zwembaden, is in 2022 de conclusie getrokken dat er een nieuwe zwembadvoorziening moet komen. Ook al hebben we 3 grote restaurants, een grote friture en een afhaalcorner voor pizza’s etc. Nog steeds hebben we te weinig zitplekken voor mensen die ergens willen eten. De groei die het bedrijf heeft doorgemaakt in aantal verblijfsgasten, heeft zich niet evenredig door vertaald in aantal restaurant-voorzieningen, waardoor de gasttevredenheid in het geding komt. Naast het bestaande overdekte zwembad, het bowlingcentrum, en de indoorspeeltuin bij Buitenhof heeft de Leistert te weinig All-weather voorzieningen.
Gedurende regenachtige dagen is dat een gemis, zeker voor het type gast die wij graag naar de Leistert willen toetrekken. Mede daarom is in de Toekomstvisie een nieuw Family-Entertainment-Centre en extra ruimte voor wellness-voorzieningen gekoppeld aan het nieuwe zwembad opgenomen.
Memo Onderbouwing Behoefte extra m2 Centrale Voorzieningen Recreatiepark de Leistert
Pagina 4 van 7
Meer verblijfsgasten betekent ook een groter benodigd vloeroppervlak t.b.v. supermarkt en aanpalende winkels waar bijvoorbeeld zwembadkleding of speelgoed verkocht wordt.
Type voorziening
Oppervlakte 2023 in m2 bebouwd oppervlak (footprint)
Kantoren / omkleedruimtes etc (t.b.v. personeel) Backoffice Werkplaatsen, opslag, loodsen e.d. Receptie (gastontvangst / balie / entree) Fietsverhuur, overige verhuur Restaurantvoorzieningen (incl. Mr. Friet) Indoor Speelvoorzieningen (Plaza en La Selva Playground) La Selva (Food & Drinks) Toiletgebouwen camping Lodges, chalets, e.d. incl. privé sanitair gebouwen Zwembadvoorziening incl. wellness centre (overdekt) Supermarktvoorziening en andere winkels Verblijfsaccomodaties vakantiekrachten, stagiaires