CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit (genomen)

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen Algemene verordening gemeente Leudal31.656 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. Daarbij kan hij aanwijzingen geven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren en/of ongedierte; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk 2.11 Collecteren Artikel 2.11.1 Inzameling van geld of goederen 1. Uiterlijk drie weken van te voren moet een openbare inzameling van geld of goederen worden gemeld bij het college door middel van het door het college vastgestelde meldformulier. Zonder deze melding is de openbare inzameling verboden.

30

2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. De meldplicht geldt niet voor een openbare inzameling die wordt gehouden door een instelling met een CBF keurmerk. Hoofdstuk 2.12. Venten Artikel 2.12.1 Ventverbod 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten: a. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen of b. gedurende de maanden i. maart tot en met september, op maandag tot en met zondag tussen 20:00 uur en 09:00 uur en ii. oktober tot en met februari op maandag tot en met zondag tussen 19:00 uur en 09:00 uur. 2. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 3. Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Hoofdstuk 2.13 Winkeltijden (voorheen: winkeltijdenverordening) Artikel 2.13.1 (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, met uitzondering van 4 mei, en tweede lid van de Winkeltijdenwet vervatte verboden geldt van 08:00 uur tot 20:00 uur een algemene vrijstelling. Artikel 2.13.2 Individuele ontheffingen 1. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in artikel 2, eerste lid, onder c van de Winkeltijdenwet vervatte verbod. 2. Een ontheffing kan alleen worden verleend voor bepaalde evenementen die bij de aanvraag specifiek zijn aangeduid.

31

Artikel 2.13.3 Intrekken of wijzigen ontheffing In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan het college een ontheffing intrekken of wijzigen als van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarbij gestelde termijn. Hoofdstuk 2.14 Parkeerexcessen Artikel 2.14.1 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, herstellen, slopen, verhuren of verhandelen, verboden drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 500 meter met als middelpunt één van deze voertuigen. 2. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het: a. geven van lessen; b. vervoeren van personen tegen betaling. 3. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor deze werkzaamheden, of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon.

Artikel 2.14.2 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct aansluitend op deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd. Artikel 2.14.3 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeert.

32

Artikel 2.14.4 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan vijf achtereenvolgende dagen op wegen binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben, of b. binnen een straal van 500 meter van een eerder ingenomen locatie van het kampeermiddel te plaatsen of te hebben. 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor voertuigen: a. betrokken bij uitvoering van infra- en/of bouwwerkzaamheden gedurende deze werkzaamheden; b. van kermisexploitanten gedurende de kermis. 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.14.5 Parkeren reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het duidelijke doel om daarmee handelsreclame te maken. Artikel 2.14.6 Grote voertuigen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel: a. schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of b.

buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan vijf achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 3. Onderdeel b van het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

33

Artikel 2.14.7 Uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 2.14.8 Parkeren of laten stil staan anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend, weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid. Artikel 2.14.9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen: a. die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid of b. waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Hoofdstuk 2.15 Wegslepen (voorheen: Wegsleepverordening) Artikel 2.15.1 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c Wegenverkeerswet worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

34

Artikel 2.15.2 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden 1. Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen de locatie van de firma Biesebos Berging B.V., Brigittastraat 22, 6014 AV in Ittervoort. 2. De in het eerste lid bedoelde bewaarplaats is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Afhalen op andere tijdstippen kan in overleg met de bewaarder. Artikel 2.15.3 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen 1. De kosten van het overbrengen van een voertuig naar de bewaarplaats bedragen: a. basistarief/voorrijkosten: € 100,-; b. sleepkosten maandag tot en met vrijdag, overdag van 08.00 uur tot 18.00 uur: € 65.-; c. sleepkosten zaterdag, zondag, feestdagen en maandag tot en met vrijdag van 18.00 uur tot 08.00 uur: € 95,-. 2. De kosten van het bewaren, administratieve afhandeling en afgifte van een voertuig bedragen: a. eerste dag stalling en afgifte voertuig: € 15,00; b. voor elk volgend etmaal of een gedeelte daarvan, extra stalling en afgifte van voertuig: € 10,00. 3. De tarieven zijn inclusief 21% BTW en worden jaarlijks, te beginnen op 1 september 2014 geïndexeerd op basis van de stijging van het prijsindexcijfer voor consumenten (CPI laag) over het voorgaande jaar zoals dit door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.

Artikel 2.15.4 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in het geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, 164, zevende lid en/of 174, eerste lid van de Wegenverkeerswet, zijn artikel 2.15.2 en 2.15.3 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing.

35

Hoofdstuk 2.16 Openbaar water Artikel 2.16.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben als dit voor het openbaar water: a. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid; b. gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik, of c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud. 2. Degene die voornemens is een voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, meldt dit uiterlijk twee weken tevoren bij het college via het daarvoor bestemde formulier. 3. De melding wordt bekend gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze. 4. Het voorwerp mag worden geplaatst of aangebracht als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke melding heeft beslist dat het gewenste voorwerp wordt verboden. De termijn begint de dag na de datum van de ontvangst van de melding. Artikel 2.16.2 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiene en het aanzien van de gemeente. 3. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel 2.16.3 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor direct gebruik ongeschikt te maken. Artikel 2.16.4 Veiligheid op het water Het is aan een iedereen die zich als duiker, bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 36

Artikel 2.16.5 Hinder voor vaartuigen 1. Het is verboden voor een daartoe onbevoegde zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of bevinden. 2. Het is aan een daartoe onbevoegde verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Hoofdstuk 2.17 Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 2.17.1 Beperking verkeer in natuurgebieden en dergelijke 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d.

van de zakelijk gerechtigden van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die liggen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

37

Titel 3 Fysieke leefomgeving Hoofdstuk 3.1 Bouwen (voorheen: Bouwverordening) Artikel 3.1.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek naar de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygienisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3. Als voor toepassing van artikel 3.1.2 van deze Verordening bij het bevoegd gezag bruikbare maximaal twee jaar oude onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, hoeft geen onderzoeksrapport als bedoeld in het tweede lid te worden overgelegd. 4.

Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 Wabo en artikel 5.16 Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5. Als pas kan worden gebouwd nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 3.1.2 Bouwverbod op verontreinigde bodem Op of in een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd als dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of bijna voortdurend mensen verblijven; b. waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en c. dat de grond raakt.

38

Artikel 3.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 van deze Verordening en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is het geval als het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 3.1.4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag kan rekening houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze Verordening of in de bij deze Verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als die herziening of vervanging door de bevoegde instantie zijn gepubliceerd. Hoofdstuk 3.2 Erfgoed (voorheen Erfgoedverordening) Paragraaf 3.2.1 Algemeen Artikel 3.2.1.1 Definities De in de Erfgoedwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf. Artikel 3.2.1.2 Erfgoedregister 1.

Het college houdt een door iedereen te raadplegen erfgoedregister bij van krachtens deze Verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed. 2. Het erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; b. gegevens over door het college van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen kopieën van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid Erfgoedwet.

39

Paragraaf 3.2.2 Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen Artikel 3.2.2.1 Aanwijzing beschermd gemeentelijke cultuurgoed of verzameling 1. Het college kan een cultuurgoed aanwijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed als dat: a. van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis is dan wel uitzonderlijke schoonheid bezit; b. als onvervangbaar en onmisbaar moet worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit, en c. in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. 2. Het college kan een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis aanwijzen als beschermde gemeentelijke verzameling als die verzameling of onderdelen daarvan: a. vanwege onvervangbaarheid en onmisbaarheid moet worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit, en b. die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd. 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling toevertrouwd aan de zorg van de gemeente, is toestemming van de eigenaar vereist. 4. Het college vraagt advies aan de gemeentelijke adviescommissie in geval van: a. het voornemen van een aanwijzing bedoeld in het eerste of tweede lid; b. vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling; c.

het afstand doen van de zorg voor een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling. 5. Dit artikel is niet van toepassing op: a. beschermde cultuurgoederen en verzamelingen als bedoeld in artikel 3.7 van de Erfgoedwet, en b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet. Artikel 3.2.2.2 Wijziging, intrekking en vervallen aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2.2.1, eerste of tweede lid van deze Verordening wijzigen of intrekken. Artikel 3.2.2.1, vierde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft dan wel het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan. 40

2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als: a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 3.7 Erfgoedwet, of b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt dit onmiddellijk geregistreerd in het erfgoedregister. Paragraaf 3.2.3 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 3.2.3.1 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid Erfgoedwet. 3. Een pand wordt niet als gemeentelijk monument aangewezen als: a. een eigenaar of zakelijk gerechtigde onevenredig in zijn financiële belangen wordt geschaad. De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde. b.

de gebruiks- of ontwikkelmogelijkheden van het desbetreffende pand aantoonbaar onevenredig worden belemmerd of beperkt. De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde. c. een eigenaar of zakelijk gerechtigde anderszins aantoonbaar onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. De bewijslast hiervoor ligt bij de eigenaar en zakelijk gerechtigde. Artikel 3.2.3.2 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.2.3.1 van deze Verordening, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden met betrekking tot de onroerende zaak vermeld in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

41

Artikel 3.2.3.3 Voorbescherming 1. De bescherming van paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2.3.2 van deze Verordening is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het erfgoedregister. Artikel 3.2.3.4 Advies gemeentelijke adviescommissie 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.2.3.1 van deze Verordening advies aan de gemeentelijke adviescommissie. 2. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel 3.2.3.5 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing wordt besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval: a. de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument; b. de datum van aanwijzing; c. de kadastrale aanduiding, en d. een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 3.2.3.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden met betrekking tot de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet. 2.

Zodra een aanwijzing onherroepelijk is, wordt deze onmiddellijk opgenomen in het erfgoedregister. Artikel 3.2.3.7 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 3.2.3.4 van deze Verordening wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

42

2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.2.3.1 van deze Verordening. 3. Paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het voorlopig gemeentelijk monument of archeologisch monument. Artikel 3.2.3.6 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 3.2.3.8 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3.2.3 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk vermeld in het erfgoedregister. 4.

Een aanwijzing als gemeentelijk monument of archeologisch monument wordt niet geschrapt als in het verleden met betrekking tot dit monument subsidies zijn verstrekt. Paragraaf 3.2.4 Bescherming gemeentelijk monument Artikel 3.2.4.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen, vernielen, of daaraan geen onderhoud te plegen dat voor de instandhouding noodzakelijk is. Artikel 3.2.4.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

43

2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de tuin, het park of ander reeds aangelegd onderdeel van het monument niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. Artikel 3.2.4.3 Weigeringsgronden De vergunning wordt geweigerd als: a. het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet; en/of b. in geval van een kerkelijk monument, de eigenaar zich daartegen verzet. Paragraaf 3.2.5 Rijksmonumenten Artikel 3.2.5.1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college vraagt binnen twee weken na ontvangst van een beoordeelbare omgevingsvergunningaanvraag voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f Wabo advies aan de gemeentelijke adviescommissie. Artikel 3.2.3.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 3.2.6 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel 3.2.6.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, beschermde stads- en dorpsgezichten aanwijzen. 2. Het voorstel als bedoeld in het eerste lid bevat het door het college aan de gemeentelijke adviescommissie gevraagde advies.

Artikel 3.2.3.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

44

Artikel 3.2.6.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.2.6.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 3.2.6.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het betrokken stadsen dorpsgezicht is aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c Wabo. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt de verandering onmiddellijk vermeld in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 3.2.6.3 Verbodsbepaling en vergunningaanvraag 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c Wabo, een bouwwerk te slopen. 2.

De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. Artikel 3.2.4.3 is van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b Woningwet. Paragraaf 3.2.7 Vangnet archeologie Artikel 3.2.7.1 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid Wabo is verleend;

45

b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Bij elk archeologisch vooronderzoek wordt amateurarcheologen de gelegenheid geboden te reageren en waar mogelijk ook bij vervolgonderzoek deel te nemen aan archeologisch veldwerk onder voorwaarde dat: a. de deelname aan het veldwerk altijd onder toezicht en werkend volgens de aanwijzingen van een professioneel (gecertificeerd) archeoloog plaats vindt; b. de amateurarcheologen tijdig, in ieder geval binnen een termijn van één maand, worden benaderd. Voor het veldonderzoek kan de termijn van informeren worden aangepast gelet op de omvang van de werkzaamheden.

Hoofdstuk 3.3 Aansluiting riolering (voorheen: Verordening aansluitvoorwaarden riolering Leudal 2007) Paragraaf 3.3.1 Algemeen Artikel 3.3.1.1 Definities In dit Hoofdstuk wordt in aanvulling op het bepaalde in bijlage 1 verstaan onder: − inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht; − perceel: het bedrijf, de woning, de vakantiewoning, de woonboot (inclusief bijbehorende gronden en opstallen). Paragraaf 3.3.2 De vergunning Artikel 3.3.2.1 Vergunningplicht 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een nieuwe aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool aan te sluiten of een bestaande aansluiting op het openbaar riool te wijzigen.

46

2. Het eerste lid is voor iedere aansluiting of wijziging afzonderlijk van toepassing als: a. meer dan één aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool moet worden gemaakt; b. meer dan één aansluiting moet worden gewijzigd. Dit geldt eveneens bij een gescheiden rioolstelsel. 3. Het college verleent een vergunning alleen voor het tot stand brengen en wijzigen van een aansluiting tussen het particulier riool en de perceelaansluiting voor de afvoer van: a. afvalwater inclusief hemelwater als ter plaatse een gemengd vrijverval stelsel aanwezig is; b. afvalwater exclusief hemelwater naar het daarvoor bedoelde buizenstelsel, als ter plaatse een gescheiden vrijverval stelsel aanwezig is; c. hemelwater, als uit de beslisboom in bijlage 4 blijkt dat deze hemelwaterafvoer mag worden aangesloten op het gemengd stelsel of het gescheiden stelsel, als dit ter plaatse aanwezig is; d. afvalwater zonder hemelwater, als: − ter plaatse riolering onder overdruk en/of onderdruk aanwezig is, en − uit de beslisboom in bijlage 5 blijkt dat de afvalwaterafvoer mag worden aangesloten op het drukrioolstelsel, of − een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) aanwezig is; e. drainagewater naar het daarvoor bedoelde stelsel, als ter plaatse een drainage stelsel aanwezig is. 4.

In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden opgenomen met betrekking tot: a. het tot stand brengen van de aansluiting; b. het onderhoud, de renovatie en de vervanging van de aansluitleiding; c. sloopwerkzaamheden op het perceel van de rechthebbende; d. de periode waarvoor de vergunning wordt verleend als de aansluiting is bedoeld voor de afvoer van bronneringswater indien het een tijdelijke aansluiting betreft, en e. de kwantiteit van het af te voeren proceswater. Artikel 3.3.2.2 Vergunningaanvraag 1. De vergunningaanvraag voor aanleg of wijziging van een aansluitleiding wordt schriftelijk, met gebruik van een daartoe vastgestelde aanvraagformulier, bij het college ingediend door of namens de rechthebbende van het aan te sluiten perceel. 2. Bij de vergunningaanvraag moeten de volgende gegevens door de rechthebbende worden verstrekt: a. naam en adres van de rechthebbende; b. dagtekening; c. aanduiding dat het een vergunningaanvraag voor een aansluiting of wijziging van de aansluiting betreft;

47

d. ligging van het aan te sluiten perceel: − aan de hand van straat en huisnummer of, als nog geen huisnummer is toegekend, aan de hand van het kadastraal nummer van het desbetreffende perceel; − aangegeven op een situatieschets 1:1000 of grotere schaal; e. als het een lozing van bedrijfsafvalwater betreft de aard en hoeveelheid van het af te voeren afvalwater gesplitst in de verschillende afvalwaterstromen in liter per uur en liter per dag. Daarbij moet worden aangegeven of niet verontreinigd water, koelwater, bronneringswater en/of verontreinigd water, zal worden afgevoerd; f. als het een lozing van bedrijfsafvalwater betreft, moeten eveneens de hoeveelheden worden aangegeven die boven de gemiddelde afvoer liggen (pieklozingen); g. als het enkel een lozing van huishoudelijk afvalwater betreft, of er daarnaast hemel- of drainagewater zal worden afgevoerd; h. een tekening van het aan te sluiten of te wijzigen particulier riool met daarop ten minste aangegeven: − het leidingverloop en de dimensionering; − de hoogteligging en het materiaal ter plaatse van het aansluitpunt, en − een duidelijk verschil in kleur tussen de droogweer- en de hemelwaterafvoerleidingen; i. de wijze waarop de functies van de verschillende leidingen van het particulier riool ter plaatse van het aansluitpunt zullen worden gemarkeerd. 3.

Als de gegevens bedoeld in het tweede lid reeds zijn vastgelegd in de voor het perceel afgegeven omgevingsvergunning of een vergunning/melding op grond van de Wet milieubeheer, kan bij de vergunningaanvraag voor dit perceel worden volstaan met het overleggen van een kopie van de gegevens uit deze vergunning. 4. Het college kan de aanvrager verzoeken andere gegevens dan bedoeld in bovengenoemde artikelen in te dienen, als dat ter beoordeling van de aanvraag nodig is. Artikel 3.3.2.3 Weigering vergunning 1. Een vergunning kan alleen worden geweigerd als aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting vanwege technische, juridische of milieuhygiënische redenen bezwaarlijk is, of het doelmatig beheer belemmerd wordt. 2. Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk als: a. andere benodigde toestemmingen nog niet zijn verleend of geweigerd; b. de aansluiting op een vrijverval riool niet onder vrijverval plaatsvindt; c. de aansluiting op een drukriool onder verhoogde atmosferische druk moet plaatsvinden, maar de opgegeven druk onvoldoende is; d. de aansluiting op een drukriool moet plaatsvinden, maar geen balkeerklep of terugslagklep is aangegeven; 48

e. het afvalwater dat naar het riool wordt afgevoerd ook hemelwater bevat, als bij of krachtens een verordening van de gemeente blijkt dat geen hemelwater naar het riool mag worden afgevoerd; f. de aansluithoogte (B.O.B.) van het particulier riool lager ligt dan de bovenzijde van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus de benodigde hoogte voor het afschot van de aansluitleiding; g. de bovenzijde van enig lozingstoestel lager is gelegen dan 150 mm boven de kruin van de straat, tenzij via een pompinstallatie voorzien van terugslagklep of balkeerklep wordt aangesloten; h. de gevraagde aansluiting een samengevoegde voorziening betreft, terwijl een gescheiden openbaar riool aanwezig is; i. het openbaar riool ter plaatse van de aansluitingleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen vloeistoffen te kunnen afvoeren; j. het een lozing van afvalwater betreft dat door aard, concentratie en/of samenstelling de goede werking van het openbaar riool kan belemmeren of de constructie kan aantasten; k. de aanvraag betrekking heeft op een aansluiting ten behoeve van een lozing van niet verontreinigd drainagewater; l. de gevraagde aansluiting een afvoerleiding voor niet verontreinigd bronneringswater betreft, die zonder bezwaar op het oppervlaktewater of bodem kan worden aangesloten of door middel van retourbemaling kan worden afgevoerd. 3.

Een weigering van een vergunning is met redenen omkleed, waarbij het college de nadere eisen aangeeft, waaraan het particulier riool moet voldoen om alsnog een vergunning te kunnen krijgen. Artikel 3.3.2.4 Aanhouding aanvraag 1. Het college houdt de beslissing omtrent een vergunningaanvraag aan, als er geen reden is de vergunning te weigeren maar: a. voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a Wabo; b. voor het aan te sluiten perceel nog een aanvraag moet worden gedaan of in behandeling is voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wabo; 3. De rechthebbende wordt zo spoedig mogelijk van de aanhouding op de hoogte gesteld. 4. Na verlening van de in het tweede lid bedoelde vergunningen, neemt het college binnen acht weken een besluit op de aanvraag.

49

Artikel 3.3.2.5 Intrekking en wijziging vergunning In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de vergunning in ieder geval worden ingetrokken of gewijzigd, als: a. de rechthebbende binnen één jaar na verlening van de vergunning geen maatregelen heeft genomen om de aansluiting of wijziging van de aansluiting waarvoor die vergunning is verkregen, te realiseren; b. het gebruik van de aansluiting waarop de vergunning betrekking heeft, wordt beëindigd. Paragraaf 3.3.3 De aansluiting Artikel 3.3.3.1 Het verzoek tot aanleg of wijziging perceelaansluitleiding 1. De rechthebbende aan wie een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3.3.2.2 van deze Verordening kan het college schriftelijk verzoeken de perceelaansluitleiding aan te leggen, die nodig is voor het realiseren van de aansluiting of de wijziging daarvan, waarop de aansluitvergunning betrekking heeft. 2. Bij het verzoek om aansluiting moeten in ieder geval de volgende gegevens door de rechthebbende worden vermeld: a. naam en woonadres van de rechthebbende; b. nummer van de aansluitvergunning; c. de door rechthebbende gewenste datum van uitvoering. 3. Het verzoek om aansluiting wordt alleen in behandeling genomen als deze gegevens volledig zijn vermeld. 4.

Als de kosten van de aanleg van de aansluiting reeds zijn voldaan op grond van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, dan dient de rechthebbende dit naast de in het tweede lid bedoelde gegevens bij het verzoek tot aansluiting te vermelden. 5. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de ontvangst van het verzoek stelt het college zoveel mogelijk in overleg met de rechthebbende, een termijn vast voor uitvoering van de aansluiting. Artikel 3.3.3.2 Kosten aansluiting 1. De kosten van de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding zijn voor rekening van de aanvrager of de rechthebbende. 2. Het college is niet verplicht tot feitelijke aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, voordat de rechthebbende de kosten volledig heeft voldaan. 3. Als de kosten voor de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, reeds op andere wijze op de rechthebbende zijn of worden verhaald, is het tweede lid niet van toepassing. 50

Artikel 3.3.3.3 Uitvoering aanleg of wijziging van perceelaansluitleiding 1. De uitvoering van de aanleg of wijziging van de perceelaansluitleiding, inclusief de aansluiting van het particulier riool op de perceelaansluitleiding, vindt niet plaats anders dan door of vanwege de gemeente. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college na overleg met de rechthebbende in de aansluitvergunning vastleggen dat de rechthebbende zelf de aansluiting uitvoert. De rechthebbende onttrekt, na melding aan het college dat de aansluiting is uitgevoerd, het aansluitpunt gedurende drie werkdagen niet aan het zicht. 3. Als de gemeente niet in staat wordt gesteld de aansluiting te controleren, wordt de aanvrager geacht zonder vergunning te hebben gehandeld en volgt aansprakelijkheidsstelling voor de daaruit voortvloeiende schade. 4. In de perceelaansluitleiding wordt een ontstoppingsvoorziening aangebracht gelegen binnen een halve meter vanaf het aansluitpunt in openbaar terrein. De voorziening moet altijd bereikbaar zijn. 5. De gemeente voert geen werkzaamheden uit aan het particulier riool. Onder het particulier riool wordt tevens verstaan alle installaties die nodig zijn voor het op juiste hoogte en druk brengen van het afvalwater bij het aansluitpunt als dit apart is geregeld. 6.

De aansluiting van het particulier riool op de perceelaansluitleiding vindt alleen plaats, als het aan te sluiten particulier riool tot aan het aansluitpunt aanwezig is en voldoet aan de daaraan op grond van het Bouwbesluit en deze Verordening te stellen eisen. Paragraaf 3.3.4 Onderhoud Artikel 3.3.4.1 Onderhoud, renovatie en vervanging 1. Het onderhoud, de renovatie dan wel de vervanging van de perceelaansluitleiding wordt uitgevoerd door of namens de gemeente en voor rekening van de gemeente, tenzij aannemelijk is dat de desbetreffende onderhouds- of herstelwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd als gevolg van een onjuist gebruik of verzakking van het particulier riool. In dat geval zijn de kosten voor de rechthebbende of de veroorzaker. 2. Onder onjuist gebruik wordt in ieder geval begrepen: a. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, vanwege hun aard en samenstelling, verstoppingen in de aansluitleiding of het hoofdriool veroorzaken; b. het via deze aansluiting lozen van stoffen die, door hun aard of concentratie, de constructie van de aansluitleiding aantasten.

51

3. De kosten voor het onderhoud van het particulier riool komen voor rekening van de rechthebbende, tenzij aannemelijk is dat de noodzaak tot onderhoud is veroorzaakt door het niet goed functioneren van het openbaar riool. 4. Onder renovatie wordt tevens begrepen het aanpassen van de perceelaansluitleiding als gevolg van een wijziging van het gemeentelijk rioolstelsel. 5. Bij het ontdekken van gebreken aan de aansluitleiding op het openbaar riool, is de vergunninghouder verplicht de gemeente hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen. 6. Als een vergunninghouder werkzaamheden aan de aansluitleiding met de aansluiting op het openbaar riool noodzakelijk acht, moet daartoe tijdig een verzoek worden ingediend bij de gemeente. 7. Als door derden werkzaamheden worden verricht aan het openbaar riool en/of openbaar terrein, vindt de uitvoering van aanleg, wijziging of verwijdering van de aansluiting uitsluitend plaats na uitdrukkelijke toestemming door of vanwege de gemeente. 8. Bij wijziging door de gemeente van de hoogteligging van het aansluitpunt dient de rechthebbende ervoor te zorgen dat het particulier riool hierop kan worden aangesloten op een zodanige wijze dat de afvoer vanuit het perceel ongehinderd kan plaatsvinden. Artikel 3.3.4.2 Calamiteiten 1.

Bij een verstopping of andere storing in het particulier riool onderzoekt de rechthebbende of het een verstopping of storing betreft in het particulier riool of in de perceelaansluitleiding. 2. Als in de erfscheidingsput water staat, zit de verstopping in het openbaar riool. Als in de erfscheidingsput geen water staat, zit de verstopping in het particulier riool. 3. Als na het in het eerste lid bedoelde onderzoek wordt vermoed dat sprake is van een verstopping of storing in de perceelaansluitleiding of van een verstopping of storing als gevolg van inspoeling vanuit het openbaar riool, neemt de rechthebbende of de gebruiker contact op met de gemeente voor het verrichten van de noodzakelijke werkzaamheden. Als de rechthebbende of de gebruiker, zonder expliciete voorafgaande toestemming van de gemeente, zelf aan een derde opdracht verstrekt tot het verrichten van werkzaamheden, komen de kosten daarvan voor rekening van de rechthebbende of de gebruiker. 4. Als na het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat sprake is van een verstopping of storing in het particulier riool, dient de rechthebbende deze verstopping of storing zelf te verhelpen.

52

5. Bij het door de gemeente verrichten van de in het derde lid bedoelde werkzaamheden dient de rechthebbende of gebruiker, voordat met de werkzaamheden wordt gestart, van tevoren schriftelijk akkoord gaan met de voorwaarde dat de kosten van de werkzaamheden aan hem in rekening worden gebracht, als blijkt dat deze kosten voor zijn rekening zijn. Paragraaf 3.3.5 Verwijdering aansluiting en sloop Artikel 3.3..5.1 Zorgplicht 1. De eigenaar of rechthebbende moet onmiddellijk nadat de aansluiting op het openbaar riool tot stand gekomen is alle bestaande lozingsmiddelen, zoals een septictank, beerput of bezinkput, permanent buiten gebruik stellen of op een deugdelijke wijze (laten) verwijderen. 2. Bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel, moeten door de rechthebbende zodanige voorzieningen aan het particulier riool worden getroffen dat een storing in het openbare riool en de perceelaansluitleiding wordt voorkomen. 3. Als de rechthebbende bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden niet voldoet aan de in het tweede lid omschreven zorgplicht, dan wel dat aan de aansluitleiding en aan het openbaar riool schade ontstaat, heeft de gemeente de bevoegdheid de aansluiting op het openbaar riool af te sluiten en het aansluitriool op openbaar terrein te verwijderen. De hieraan verbonden kosten worden verhaald op de rechthebbende. 4.

Als het gebruik van een aansluitleiding definitief wordt beëindigd, is de rechthebbende verplicht de gemeente hierover vooraf te informeren en een aanvraag in te dienen voor het verwijderen of buitengebruik stellen van de aansluitleiding. De op de aansluiting betrekking hebbende vergunning zal dan worden ingetrokken, waarna de aansluitleiding op kosten van de vergunninghouder door de gemeente wordt verwijderd of buitengebruik wordt gesteld. Hoofdstuk 3.4 Ondergrondse infrastructuren (voorheen: Algemene verordening ondergrondse infrastructuren) Paragraaf 3.4.1 Inleidende bepalingen Artikel 3.4.1.1 Definities 1. De in de Telecommunicatiewet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf.

53

2. In aanvulling op het eerste lid en de in bijlage 1 genoemde definities verstaan onder: − belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen; − gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijk instemmingsbesluit of een privaatrechtelijke overeenkomst; − kabels en/of leidingen: één of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeelen onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattend lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie; − netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een netwerk; − netwerk: samenstel van kabels of leidingen; − registratiesysteem: digitaal systeem dat het college hanteert om meldingen van en vergunningen voor werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken; − spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l.

van dit artikel, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het desbetreffende netwerk is opgetreden; − werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen; − werkzaamheden van niet ingrijpende aard: a. werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; b. het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; c. het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². Artikel 3.4.1.2 Toepasselijkheid 1. Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Leudal. 2. Het bepaalde in deze Verordening geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in privaatrechtelijke overeenkomsten.

54

Paragraaf 3.4.2 Aanvragen en melden werkzaamheden Artikel 3.4.2.1 Instemmingsvereiste en meldplicht 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder instemmingsbesluit van het college. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, geldt het verbod als bedoeld in het eerste lid niet, maar een meldplicht. De werkzaamheden mogen pas worden uitgevoerd na goedkeuring van de melding door het college. 3. Om redenen van veiligheid kan de gemeenteraad delen van het grondgebied aanwijzen waarvoor het tweede lid niet van toepassing is. 4. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen één jaar na de dag waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden. 5. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten zijn voltooid voor de in de goedgekeurde melding bepaalde datum. 6. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 7. Het college kan bij daartoe aanleiding gevende weersomstandigheden, een breekverbod instellen als de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor bewoners kan leiden dan wel schade voor de gemeente. 8. Tijdens door de gemeente vergunde evenementen geldt een breekverbod. 9.

In geval van een breekverbod, als bedoeld in het zevende en achtste lid worden de termijnen als bedoeld in het vierde en vijfde lid van rechtsweg verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, informeert het college de betrokken uitvoerende partij(en) hierover. Artikel 3.4.2.2 Aanvragen en melden 1. De aanvraag voor het instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.4.2.1 ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet. 2. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als een aanvraag om een instemmingsbesluit bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte.

55

3. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moeten vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang daarvan worden gemeld bij het college. 4. Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden worden gemeld bij het college of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan. Artikel 3.4.2.3 Gegevensverstrekking 1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, moet gebruik worden gemaakt van het door het college gehanteerde registratiesysteem. 2. Bij een aanvraag om een instemmingsbesluit als bedoeld in artikel 3.4.2.1, eerste lid, moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. naam, adres en woonplaats van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft om het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder, de naam, adres en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d.

vereiste publiekrechtelijke toestemming(en) op grond van overige wetgeving alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden; e. een digitale BGT tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met legenda alsmede eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: 1° een opgave van het gewenste tracé; 2° een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen. f. overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking; h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i. een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen. 3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 3.4.2.1, tweede lid, moet gebruik worden gemaakt van het door het college gehanteerde registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt: a. naam, adres en woonplaats van de netbeheerder;

56

b. als het een aanvraag betreft om het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam, adres en woonplaats van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; 4. In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten in aanvulling op het bepaalde in het derde lid tevens worden verstrekt: a. de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; b. de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Artikel 3.4.2.4 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften verbinden in het belang van: a. de openbare orde; b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d.

de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten. 2. De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Leudal tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten door de degene aan wie het instemmingsbesluit is gericht schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. Degene tot wie het instemmingsbesluit is gericht moet na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug brengen in de oude staat, tenzij het college heeft aangegeven hiervoor (gedeeltelijk) zelf zorg te dragen.

57

Artikel 3.4.2.5 (Mede)gebruik van voorzieningen Op verzoek van het college wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede) gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. Artikel 3.4.2.6 Termijnen 1. De goedkeuring van een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen vijf werkdagen nadat de melding is gedaan. 2. De goedkeuring van een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, binnen vijf werkdagen nadat de melding is gedaan. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb is niet van toepassing. Paragraaf 3.4.3 Overige bepalingen Artikel 3.4.3.1 Nemen maatregelen en nadeelcompensatie 1. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk. 2. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling. Artikel 3.4.3.2 Overleg 1. Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Leudal bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Leudal en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening. Artikel 3.4.3.3 Niet-openbare kabels en/of leidingen 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. Het betreft kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet worden gebruikt om voor het publiek beschikbare, openbare diensten aan te bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ed03b278-6668-410e-b72f-4047986d937e