CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit (genomen)

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen Algemene verordening gemeente Leudal31.656 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Algemene verordening gemeente Leudal De raad van de gemeente Leudal; gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2021 nummer BenW/2898; overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats dient te vinden in het op te stellen Omgevingsplan; overwegende dat bundeling van gemeentelijke regelgeving in dat verband de om- dan wel overzetting van de regelgeving faciliteert; overwegende dat van de gelegenheid gebruik gemaakt kan worden de regeldruk voor de inwoners en organisaties te verminderen; overwegende dat het project vermindering regeldruk gericht is op gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en openbare veiligheid alsmede de fysieke leefomgeving; gelet op: − − − − − − − − − − − − −

artikel 149 Gemeentewet, de Alcoholwet, de Wet milieubeheer, artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening, artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening, de Wet op de lijkbezorging, de artikelen 1, 8 en 12b Woningwet, artikel 173, tweede lid Wegenverkeerswet 1994, het Besluit wegslepen van voertuigen, artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij, de artikelen 5.4, 5.5 en 5.7 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 5.4 Telecommunicatiewet, artikel 3 Wet openbare manifestaties,

besluit: vast te stellen de navolgende Algemene verordening gemeente Leudal:

1

Titel 1 Algemeen Hoofdstuk 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1.1 Definities 1. Bijlage 1 bij deze Verordening bevat definities voor de toepassing van deze Verordening. 2. De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening. Artikel 1.1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag om een toestemming Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen. 3. het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij de bepalingen van deze Verordening. Artikel 1.1.3 Indienen aanvraag Bij de toestemmingaanvraag of wijzigingsaanvraag van de toestemming, wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. Artikel 1.1.4 Toestemmingvoorschriften 1. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming vereist is. 2. Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd ontstaat met de aan de toestemming verbonden voorschriften.

Artikel 1.1.5 Toestemming gekoppeld aan activiteit De toestemming is alleen gekoppeld aan de activiteit waarvoor de toestemming is verleend, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze Verordening.

2

Artikel 1.1.6 Intrekking en wijziging toestemming De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen; b. een verandering van de omstandigheden of inzichten is opgetreden na de toestemmingverlening dan wel intrekking of wijziging noodzakelijk is als gevolg van het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is; c. aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen; d. van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. het gebruikmaken van de toestemming gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse, of f. de toestemminghouder daarom verzoekt. Artikel 1.1.7 Geldigheidsduur toestemming De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij a. in de toestemming de geldigheidsduur is beperkt, of b. de aard van de toestemming zich daartegen verzet. Artikel 1.1.8 Weigeringsredenen toestemming openbare orde en openbare veiligheid 1. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en/of openbare veiligheid. 2.

Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, en een zorgvuldige behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is. 3. De toestemming wordt geweigerd als: − de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of − door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. Artikel 1.1.9 Weigeringsredenen toestemming fysieke leefomgeving 1. Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de fysieke leefomgeving.

3

2. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, en een zorgvuldige behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is. 3. De toestemming wordt geweigerd als: a. de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of b. door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. Artikel 1.1.10 Hogere wetgeving De in deze verordening genoemde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving. Artikel 1.1.11 Algemene regels Het bestuursorgaan dat bevoegd is een toestemming te verlenen bij of krachtens deze Verordening, kan algemene regels vaststellen die in de plaats treden van de vergunningplicht of daarnaast gelden. Artikel 1.1.12 Nadere regels Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen ter invulling van een haar toekomende bevoegdheid. De nadere regels kunnen de toestemmingsplicht opheffen. Artikel 1.1.13 Naleving voorschriften Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze Verordening. Artikel 1.1.14 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast de door het college of bevoegd gezag aangewezen toezichthouders.

Artikel 1.1.15 Wetswijzigingen De aanduidingen in deze Verordening die specifiek van toepassing zijn op de genoemde wetten en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, moeten bij wetswijziging overeenkomstig deze wijziging worden toegepast.

4

Titel 2 Openbare orde en openbare veiligheid Hoofdstuk 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden. 2. Iemand die op een openbare plaats aanwezig is bij een: a. voorval waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan; b. publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan, of c. samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan. 3. Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege het college of bevoegd bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden. 4. Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten. Hoofdstuk 2.2 Betoging Artikel 2.2.1 Melding betoging op openbare plaatsen 1.

Iemand die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3 eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden. 2. De schriftelijke melding bevat, voor zover van toepassing: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en route; e. de wijze van samenstelling, en f. de maatregelen die degene die de betoging houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Iemand die schriftelijk meldt, ontvangt daarvan een bewijs met daarin het tijdstip van de melding. 5

4. Als het tijdstip dat de schriftelijke melding uiterlijk moet worden gedaan valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag voorafgaand aan de genoemde dagen. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een melding in behandeling nemen buiten deze termijn. Hoofdstuk 2.3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2.3.1 Voorwerpen aan, op of boven de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college aan, op of boven de weg voorwerpen te plaatsen of aan te brengen in strijd met de openbare functie van de weg. Hiervan is in ieder geval sprake als: a. dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg; b. de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd; c. het plaatsen of aanbrengen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg of d. het voorwerp zelf of in relatie tot de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, te beoordelen op grond van de daarvoor vastgestelde regels in de welstandsnota. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als bedoeld in het eerste lid, onder b, is in ieder geval sprake als minder dan: a. 1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten op een voetpad of b.

2 meter vrije doorgang wordt gelaten op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een vrije doorgang van 3,5 strekkende meter voor hulpdiensten en toeleveringsbedrijven. 3. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2.5.2.1 van deze Verordening; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 3.8.1.1 van deze Verordening; c. terrassen als bedoeld in artikel 2.5.3.1 van deze Verordening; d. sandwich- en/of driehoeksborden en spandoeken als bedoeld in de algemene en/of nadere regels bij deze Verordening; e. overige gevallen waarin bij of krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

6

Artikel 2.3.2 Veranderen, aanleg weg 1. Het is verboden zonder vergunning een weg aan te leggen of een aangelegde weg te veranderen. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.3.3 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als dit niet van tevoren schriftelijk is gemeld bij het college. Bij de melding moet een situatieschets van de gewenste uitweg worden gevoegd en een foto van de bestaande situatie. 2. De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg naar aanleiding van de melding als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast of d.

sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 4. De uitweg mag worden aangelegd als het college niet binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijke melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. De termijn begint de dag na de datum van de ontvangst van de melding. Hoofdstuk 2.4 Veiligheid in de openbare omgeving Artikel 2.4.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben waardoor het vrije uitzicht voor het wegverkeer wordt belemmerd dan wel op andere wijze hinder of gevaar ontstaat.

7

Artikel 2.4.2 Handelingen aan en met openbare nutsvoorzieningen Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden handelingen te verrichten met of aan openbare nutsvoorzieningen die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken. Artikel 2.4.3 Voorkomen van brand in bossen en natuurterreinen Het is verboden in bossen en natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan, zich zodanig te gedragen dat daardoor brand kan ontstaan. Artikel 2.4.4 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Artikel 2.4.5 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten te plaatsen of te hebben, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter. 2. Het verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2.4.6 Veiligheid op het ijs Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, verontreinigen, versperren dan wel het verkeer daarop op andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b.

bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of belemmeren.

8

Hoofdstuk 2.5 Activiteiten in openbare ruimten Paragraaf 2.5.1 Algemeen Artikel 2.5.1.1 Ordeverstoring Het is verboden bij activiteiten in openbare ruimten de orde te verstoren, daartoe aan te zetten of aanleiding te geven. Artikel 2.5.1.2 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat.

Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. als de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Aanvullend op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 9

c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. als niet is voldaan aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Bij de vergunningaanvraag wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e.

een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Als de burgemeester dat nodig vindt voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Aanvullend op het bepaalde in artikel 1.1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de voorschriften uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; e. de exploitant of beheerder is betrokken of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; f. strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; g.

er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

10

i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is, of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 8. Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van dit artikel wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i van dit artikel van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 10.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 11.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 12.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.

13.In afwijking van het derde lid van dit artikel geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties vanaf drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 14.Op de vergunningaanvraag als bedoeld in het derde lid van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Paragraaf 2.5.2 Evenementen Artikel 2.5.2.1 Evenementenvergunning 1. Het is verboden een evenement te organiseren en houden zonder een vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein eendaags evenement, als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 09:00 uur en 24:00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 24.00 uur; 11

d. geen tijdelijke verkeersmaatregel nodig is; e. geen verkeersregelaar(s) nodig is/zijn; f. de activiteiten geen belemmering zijn voor de hulpdiensten; g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van in totaal maximaal 50 m2; h. geen gemeentelijke materialen nodig zijn en/of door tussenkomst van de gemeente geen water en/of elektriciteit nodig is/zijn, en i. er een organisator is of iemand die feitelijke leiding heeft en die verantwoordelijk is voor het veilig verlopen van het evenement. 3. Bij de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen ingediend. 4. In aanvulling op de weigeringsredenen als bedoeld in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming of beperken van overlast en/of b. vanwege de verkeersveiligheid dan wel de veiligheid van personen of goederen 5. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de organisator van een vechtsportwedstrijd of -gala van slecht levensgedrag is; b. het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden en/of c. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is. 6.

De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu. 7. De burgemeester kan besluiten een evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 8. De organisator van het evenement of degene die daarbij de feitelijke leiding heeft, is verplicht: a. het evenement onmiddellijk te beëindigen als daartoe door of namens de burgemeester een bevel wordt gegeven; b. ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van buitengewone opsporingsambtenaren, ambtenaren van politie en brandweer precies en onmiddellijk worden opgevolgd. 9. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

12

Paragraaf 2.5.3 Openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven Artikel 2.5.3.1 Vergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven, of b. de exploitatie van het terras in strijd is met de nadere regels voor terrassen. 3. In aanvulling op artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning weigeren als: a. in geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsveroordelingen door het openbaar bestuur, of b. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij toepassing hiervan houdt de burgemeester rekening met: − het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting ligt of zal zijn gelegen; − de aard van de openbare inrichting; − de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat; − de wijze van bedrijfsvoering door de leidinggevende als bedoeld in artikel 1 Alcoholwet, en − het levensgedrag van de leidinggevende. 4.

Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting dat zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum, en d. bedrijfskantine of –restaurant e. een bed- en breakfast. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.

13

Artikel 2.5.3.2. Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn een cafetaria, snackbar, broodjeszaak, grillroom en afhaalbedrijf van etenswaren gesloten op maandag tot en met zondag tussen 03:00 uur en 07:00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers toe te laten na sluitingstijd. 4. Het terras van een openbare inrichting is gesloten tussen 00:00 uur en 10:00 uur. Het is verboden in die periode bezoekers op het terras toe te laten. 5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid is het terras van een openbare inrichting gesloten en mogen daar geen bezoekers worden toegelaten tussen 02:00 uur en 10:00 uur op vrijdag en zaterdag gedurende de zomervakantie van de basisscholen Regio Zuid én op de dag voorafgaande aan een (nationale) feestdag. 6. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van de sluitingstijd. 7. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.5.3.1, vijfde lid, aanhef en onder a, van deze Verordening. gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 8. Het sluitingsuur van alle openbare inrichtingen wordt op 1 januari (nacht van oudjaar op nieuwjaar) verlengd tot 05:00 uur. 9.

De verruiming van het sluitingsuur op 1 januari kan door de burgemeester worden ingetrokken of beperkt in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden. 10.Het sluitingsuur van openbare inrichtingen wordt gedurende de carnavals- en kermisdagen verlengd tot 03.00 uur met ingang van zaterdag tot en met woensdag (de nacht van dinsdag op woensdag). 11.De verruiming van het sluitingsuur gedurende de carnavals- en kermisdagen, kan door de burgemeester worden ingetrokken of beperkt in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden. 12.Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

14

Artikel 2.5.3.3 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in het horecabedrijf een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt. Paragraaf 2.5.4 Bijzondere bepalingen over paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 2.5.4.1 Definities De in de Alcoholwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze paragraaf. Artikel 2.5.4.2 Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommerciële rechtspersoon kan, met in acht neming van het bepaalde in artikel 2.5.3.2 van deze Verordening, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang tot uiterlijk twee uren na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Hierbij mag de reguliere sluitingstijd zoals bepaald in 2.5.3.2, eerste lid van deze Verordening niet worden overschreden. 2.

Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen, én bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken, tenzij het gaat om de uitzonderingen in het derde lid. 3. Lijst van activiteiten die door een paracommerciële instelling mogen worden georganiseerd en waarbij tevens alcoholhoudende dranken mogen worden verstrekt: a. sportieve en recreatieve instellingen: − jubileumfeest van het bestuur van de vereniging (maximaal 1 keer per 5 jaar); − kampioenschap; − afscheidsfeest van het bestuur/een bestuurslid (maximaal 1 keer per jaar); − feestavond voor vrijwilligers (maximaal 1 keer per jaar); − jaarfeest of afsluiting seizoen (maximaal 1 keer per jaar); − toernooi; − overige strikt clubgerelateerde feesten voor leden; − nieuwjaarsborrel (alleen voor leden). b. sociaal-culturele instellingen: − alleen voor leden toegankelijke bijeenkomsten / vergaderingen / feesten van en voor verenigingen alsmede stichtingen die gebruik maken van het pand; − ook voor publiek toegankelijke sociaal-culturele evenementen; 15

− jaarvergaderingen; − Koningsdag-, Sinterklaas- en Kerstviering; − nieuwjaarsborrel. c. educatieve instellingen: − lessen/cursussen; − afstudeerbijeenkomst/diploma-uitreiking. d. instellingen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard: − alle activiteiten die te maken hebben met levensbeschouwelijke of godsdienstige zaken. 4. Activiteiten die niet zijn opgenomen in het derde lid worden ter beoordeling aan de burgemeester voorgelegd of de activiteit door de paracommerciële rechtspersoon mag worden georganiseerd met een vergunning daartoe. 5. Het is verboden de paracommerciële inrichting en inventaris aan derden te verhuren voor activiteiten waarbij alcohol wordt geschonken. Paragraaf 2.5.5 Inrichting voor overnachting Artikel 2.5.5.1 Melding exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting voor overnachting staakt, is verplicht dit daarna binnen drie dagen schriftelijk te melden aan de burgemeester, met het daartoe vastgestelde formulier. Artikel 2.5.5.2 Bijhouden nachtregister De houder van een inrichting voor overnachting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat ingericht is volgens een door de burgemeester goedgekeurd model. Artikel 2.5.5.3 Verschaffing gegevens nachtregister 1.

Degene die in een inrichting voor overnachting overnacht is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven. 2. De in het eerste lid bedoelde leidinggevende en exploitant zijn verplicht op eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid.

16

Paragraaf 2.5.6 Speelgelegenheden Artikel 2.5.6.1. Definities In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2.5.6.2. Vergunning speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren. 2. Aanvullend op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening weigert de burgemeester de vergunning als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.5.6.3. Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden. Paragraaf 2.5.7 Seksinrichtingen, sekswinkels, prostitutie en dergelijke Artikel 2.5.7.1. Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van de burgemeester. 2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.2 beslist de burgemeester op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 3. De burgemeester kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken uitstellen. 4. De vergunning bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.5.7.2 van deze Verordening gestelde eisen of b. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald.

17

5. Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, in aanvulling op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de veiligheid van personen of goederen; c. de gezondheid of zedelijkheid; of d. de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 6. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.5.7.2. Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; d. zijn niet met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; e.

zijn niet binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; f. zijn niet binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: − bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen; − de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; − de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; − de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; − de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; − de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

2. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt, en b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 18

3. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt bij de: a. weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2.5.7.1 eerste lid van deze Verordening is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel 2.5.7.3. Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 uur en 14:00 uur. 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of artikel 2.5.7.4 van deze Verordening, gesloten moet zijn. Artikel 2.5.7.4. Afwijking sluitingstijden en sluiting Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf kan de burgemeester: a.

andere dan de krachtens artikel 2.5.7.3 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen; b. van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

Artikel 2.5.7.5. Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal en stroperij) en XXX (begunstiging) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet alsmede in de Wet wapens en munitie, en

19

b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. Artikel 2.5.7.6 Wijziging beheer 1. Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, meldt de exploitant dit binnen één week schriftelijk aan de burgemeester, met het daartoe vastgestelde formulier. 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als de burgemeester op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Artikel 2.5.7.7 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan de burgemeester met het daartoe vastgestelde formulier. Artikel 2.5.7.8 Straatprostitutie 1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, voorbijgangers te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee: a.

op, boven of aan andere dan door het college aangewezen gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2. Bij overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door een ambtenaar van politie of buitengewone opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan. 3. Bij (dreigende) strijd met artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, kan door een ambtenaar van politie en buitengewone opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden in gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan.

20

4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b. Artikel 2.5.7.9 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het college aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Hoofdstuk 2.6 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.6.1 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 3. Het is verboden een krachtens artikel 17 van de Woningwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 4. Het is verboden een krachtens artikel 2.5.1.2 van deze Verordening gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. 5. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning, het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

21

6. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van de in het eerste lid bedoelde verboden. Artikel 2.6.2 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is, te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf een openbare plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) plakken, of op andere wijze aan te (laten brengen, of b. met kalk, teer, dan wel een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen. 3. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 4. Het is verboden de aanplakborden als bedoeld in het derde lid te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Artikel 2.6.3 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er duidelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 3.

De verboden gelden niet als direct aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen. Artikel 2.6.4 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder ontstaat.

22

Artikel 2.6.5 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden: a. in speeltuinen en op schoolpleinen en/of b. op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2.6.6 Verboden gebruik lachgas Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel 2.6.7 Verboden gedrag bij en in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw of soortgelijke meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.6.8 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Tot deze ruimten worden in elk geval gerekend portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2.6.9 Hinderlijk gedrag in speelvoorzieningen, speeltuinen en schoolpleinen Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een speelvoorziening, speeltuin, schoolplein, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een andere doel dan waarvoor de desbetreffende speelvoorziening, speeltuin, schoolplein is bestemd. 23

Artikel 2.6.10 Hinderlijk gedrag bij voorvallen Degene die aanwezig is bij een voorval waardoor hinderlijk gedrag ontstaat of dreigt te ontstaan, is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door die ambtenaar aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2.6.11 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. Artikel 2.6.12 Plaatsen van fietsen en bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of portiek, of b. daardoor die ingang wordt versperd. Artikel 2.6.13 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. op de weg en op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. zonder toezicht en zonder begeleiding; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat duidelijk aangeeft wie de eigenaar is. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die: a. zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of b. deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

24

Artikel 2.6.14 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat zijn of haar hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op openbare plaatsen. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hondentoiletten. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet als de eigenaar of houder van de hond er voor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd en verwijderd blijven. 4. Om te kunnen voldoen aan de opheffing van de strafbaarheid van de overtreding als bedoeld in het eerste lid, dient de eigenaar of houder van die hond bij het uitlaten of wandelen met een hond op de weg, steeds een daarvoor geschikt middel, zijnde een schepje, een (hondenpoep)zakje bij zich te dragen en dat te gebruiken voor het verwijderen van de ontlasting van de hond. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel 2.6.15 Gevaarlijke en hinderlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen als die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.

Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. In aanvulling op artikel 2.6.13, eerste lid, aanhef en onder d, moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

25

Artikel 2.6.16 Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft medegedeeld dat hij of zij de hond gevaarlijk acht. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2.6.17 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of c. te voeren. 2. De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving.

Artikel 2.6.18 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat het vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2.6.19 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 50 meter van de weg alsmede van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven. 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

26

Artikel 2.6.20 Slaapverblijf op openbare plaats of weg Het is verboden op een openbare plaats, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan, een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Artikel 2.6.21 Buiten overnachten bij extreem koude weersomstandigheden Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van min 10 graden Celcius of kouder, tussen 21.00 uur en 07.00 uur buiten te verblijven met het duidelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht buiten door te brengen. Hoofdstuk 2.7 Bestrijding van heling van goederen Artikel 2.7.1 Definitie In dit hoofdstuk wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.7.2 Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door of namens de burgemeester goedgekeurd register, en daarin onmiddellijk op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d.

de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed, en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel 2.7.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. 27

b. de burgemeester, of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar, op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Hoofdstuk 8 Vuurwerk Artikel 2.8.1 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden. 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd ter voorkoming van onevenredige overlast. 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2.8.2 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling 1. Ter voorkoming van gevaar, schade of overlast is het verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken.

Hoofdstuk 2.9 Drugsoverlast Artikel 2.9.1 Drugshandel op straat In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg dan wel andere openbare plaats: a. te staan; b. zich daar heen en weer te bewegen; c. zich in, tegen of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

28

Artikel 2.9.2 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar: a. te gebruiken; b. toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten, of c. ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Hoofdstuk 2.10 Bijzondere bevoegdheden burgemeester Artikel 2.10.1 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.3.1, 2.3.2, 2.4.2, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.8, 2.8.2, 3.9.1 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2.10.2 Veiligheidsrisicogebieden Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan door de aanwezigheid van wapens, kan de burgemeester overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet een gebied, inclusief de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.10.3 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats. Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

29

2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling plaatsvindt binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel. Artikel 2.10.5 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ed03b278-6668-410e-b72f-4047986d937e