CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit (genomen)

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen Algemene verordening gemeente Leudal31.656 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

58

2. Het eerste lid houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Leudal met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen. Artikel 3.4.3.4 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt het college onmiddellijk en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het college kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2. De netbeheerder stelt het college onmiddellijk in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Hoofdstuk 3.5 Geurhinder veehouderijen (voorheen: Verordening geurhinder en veehouderij 2017) Artikel 3.5.1 Omgevingsvergunning Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting van tot veehouderijen behorende dierenverblijven, voor de daartoe aangewezen gebieden, uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens artikel 3.3.2 en 3.3.3.

Artikel 3.5.2 Aangewezen gebieden In de in bijlage 3 bij deze Verordening aangewezen gebieden, de buiten de kernen gelegen industrieterreinen en grootschalige recreatieterreinen gelden in afwijking van artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij, de volgende waarden: Maximale voorgrondbelasting

Maximale achtergrondbelasting

Maximaal % geurgehinderden

Woon- en leefklimaat (worst-case)

Woonkernen Leudal

3 OU/m³

10 OU/m³

12

Goed

Zorginitiatief Hornerheide

3 OU/m³

10 OU/m³

12

Goed

Kernrandzones

6 OU/m³

12 OU/m³

14

Redelijk goed

Buitengebied en bedrijventerreinen

10 OU/m³

20 OU/m³

20

Matig

Gebied

59

Hoofdstuk 3.6 Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening begraafplaatsen 2009) Paragraaf 3.6.1 Openstelling, orde en rust op de begraafplaats Artikel 3.6.1.1 Openstelling begraafplaats 1. De begraafplaats is voor iedereen dagelijks toegankelijk gedurende door het college bij nadere regels vast te stellen tijden. 2. Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaats kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten. 3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats niet voor het publiek geopend is, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet. Artikel 3.6.1.2 Ordemaatregelen 1. Het is aan steenhouwers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van het college, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaats te verrichten. 2. Het is verboden zonder vergunning van het college met motorrijtuigen op de begraafplaats te rijden: a. buiten de daartoe aangewezen rijwegen. Dit verbod geldt niet bij begrafenissen en het vervoer van materialen; b. sneller dan 10 km per uur. 3. Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaats moeten verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder. 4.

Degenen die zich niet aan de in het derde lid bedoelde aanwijzing houden, moeten zich op eerste aanzegging van de beheerder van de begraafplaats verwijderen. Artikel 3.6.1.3 Plechtigheden 1. Dodenherdenkingen, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaats moeten vijf dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder onder opgave van datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop de plechtigheid zal plaatsvinden. 2. De deelnemers aan de plechtigheid bedoeld in het eerste lid, moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder. 60

Artikel 3.6.1.4 Opgravingen en ruimen Het opgraven van lijken en het ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig zijn dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast. Paragraaf 3.6.2 Voorschriften voor lijkbezorging Artikel 3.6.2.1 Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten van graf 1. Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet de schriftelijke melding aan de beheerder zo snel als mogelijk worden gedaan. 2. Het lijk moet bij aankomst op de begraafplaats of in het crematorium zijn voorzien van een identiteitskenmerk. 3. Het openen van een graf voor het begraven of bezorgen van as en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande aan de beheerder hebben gemeld.

De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen. Artikel 3.6.2.2 Begraving 1. Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is overgelegd aan de beheerder. 2. Als de begraving of bezorging van as in een eigen graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe aan de beheerder worden overgelegd of, als deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet. 3. Begraving of bijzetting in een eigen graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging van de uitgiftetermijn van het eigen graf moet 61

worden aangevraagd door de rechthebbende of, als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in artikel 3.6.3.7, tweede lid van deze Verordening. 4. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op hele jaren. 5. De beheerder onderzoekt de deugdelijkheid van de overgelegde stukken. Artikel 3.6.2.3 Tijden van begraven en asbezorging Begraven en het bezorgen van as vindt plaats van 08.00 tot 17.00 uur. In bijzondere gevallen kan het college toestemming geven hiervan af te wijken. Paragraaf 3.6.3 Indeling en uitgifte van graven Artikel 3.6.3.1 Indeling graven en asbezorging 1. Op de begraafplaats kunnen worden uitgegeven eigen: a. graven en urnengraven; b. urnennissen; c. verstrooiingsplaatsen; d. gedenkplaatsen. 2. Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels: a. hoeveel lijken en asbussen met of zonder urnen kunnen worden bijgezet in de eigen graven; b. hoeveel verstrooiingen van as op of in de eigen graven kunnen plaatsvinden; c. de afmetingen en de uitgifteduur van de eigen graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging. Artikel 3.6.3.2 Aantal overledenen in algemene graven 1. In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal lijken worden begraven. 2.

In de algemene urnengraven kan een door het college te bepalen aantal asbussen met of zonder urn worden bijgezet. Artikel 3.6.3.3 Volgorde van uitgifte 1. De eigen graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven.

62

2. Het college kan een eigen graf toewijzen anders dan voor directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, als dit wegens de situatie op de begraafplaats niet bezwaarlijk is. Artikel 3.6.3.4 Categorieën Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en eigen graven onderverdelen in categorieën. Voor de verschillende categorieën bepaalt het college de situering en oppervlakte. Artikel 3.6.3.5 Termijnen eigen graven 1. Het college verleent, als de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats dit toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig of dertig jaar het recht op een eigen graf. De termijn begint op de datum waarop het eigen graf is uitgegeven. 2. Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van 10 jaren, mits de aanvraag vóór het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend. 3. Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 3.6.3.7, eerste lid van deze Verordening. Verlening van het recht ten behoeve van een ander is slechts mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

Artikel 3.6.3.6 Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een eigen graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening (laten) realiseren van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel 3.6.3.7 Overschrijving van verleende rechten 1. Het recht op een eigen graf kan op aanvraag van de rechthebbende worden overgeschreven ten name van de echtgenoot of levenspartner of een bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad. Overschrijving op verzoek van de rechthebbende ten name van een ander dan de vorengenoemde personen is slechts mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan. 2. Na het overlijden van de rechthebbende kan het eigen graf worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner of een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad, mits de aanvraag hiertoe wordt gedaan binnen één jaar na het overlijden van de rechthebbende. Overschrijving ten name van een ander dan de in de vorige zin bedoelde personen is slechts mogelijk, als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

63

3. Als na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn, dan is het college bevoegd het recht op het eigen graf te laten vervallen. 4. Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van één jaar kan het college het eigen graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een eigen graf dat intussen is geruimd. Artikel 3.6.3.8 Afstand doen van graven Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van het recht op het eigen graf. De ontvangst van deze verklaring deelt het college schriftelijk mede aan de rechthebbende. Paragraaf 3.6.4 Grafbedekkingen Artikel 3.6.4.1 Vergunning grafbedekking 1. Voor een grafbedekking is een vergunning nodig van het college. 2. De rechthebbende van een eigen graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan. 3. Het college kan de vergunning weigeren als: a. niet wordt voldaan aan de door hen vastgestelde nadere regels; b. de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; c. de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; d. de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. 4. Het bepaalde in artikel 3.6.4.4, vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.6.4.2 Niet-blijvende grafbeplanting 1. Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. 2. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, als zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. 3. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende twaalf weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende als deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

64

Artikel 3.6.4.3 Verwijdering grafbedekking 1. De grafbedekking kan na het verstrijken van de graftermijn door het college worden verwijderd. 2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking wordt gedurende ten minste één jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen bordje door het college bekendgemaakt, tenzij het adres van de rechthebbende bij het college bekend is. In dat geval maakt zij aan hem uiterlijk één jaar voor het genoemde tijdstip per brief hun voornemen bekend. 3. Op grond van een daartoe door de rechthebbende bij het college ingediende aanvraag, blijft de grafbedekking na verwijdering nog gedurende twaalf weken ter beschikking van degene aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3.6.4.1 van deze Verordening was verleend. De aanvraag kan worden ingediend gedurende de in het tweede lid genoemde termijn. 4. De grafbedekking vervalt aan de gemeente als: a. geen verzoek op grond van het derde lid is ingediend en de termijn waarbinnen dit verzoek had kunnen worden ingediend is verstreken; b. de grafbedekking niet binnen drie maanden nadat deze van het graf is verwijderd, is afgehaald. Artikel 3.6.4.4 Onderhoud door rechthebbende 1. De rechthebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. 2.

Als hij nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de hele grafbedekking laten verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende twaalf weken ter beschikking van de rechthebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. 3. De verwijdering vindt niet plaats dan nadat de rechthebbende behoorlijk per brief is opgeroepen om te worden ingelicht over de toestand van de grafbedekking. De oproeping geschiedt door mededeling op het mededelingenbord op de begraafplaats als het adres van de rechthebbende niet bekend is. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. 4. Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen als de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of als de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden.

65

Artikel 3.6.4.5 Onderhoud door gemeente Het college voorziet in het schoonhouden en het na verzakking opnieuw stellen van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen. Paragraaf 3.6.5 Ruiming van graven, urnengraven en urnennissen Artikel 3.6.5.1 Ruiming, bezorging van overblijfselen en as 1. Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt gedurende ten minste één jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden door middel van een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje ter kennis van de belanghebbenden gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf aan hen bekend is. In dat geval deelt het college mede wanneer de termijn van uitgifte verstrijkt. Als de rechthebbende geen verzoek indient om de termijn te verlengen, maakt het college uiterlijk één jaar voor het genoemde tijdstip per brief het voornemen tot ruiming bekend. 2. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde, afgesloten gedeelten van de begraafplaats. 3. Nabestaanden van een overledene die is begraven in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor herbegraving elders. 4.

Nabestaanden van een overledene waarvan een asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf kunnen bij de beheerder een aanvraag indienen om deze ter beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing elders. 5. De rechthebbende op een eigen graf, kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de overblijfselen te verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te plaatsen of om deze elders opnieuw te doen begraven. 6. De rechthebbende op een eigen urnengraf of urnennis kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders bij te zetten of om de as te verstrooien. Paragraaf 3.6.6 Instandhouden historische graven en opvallende grafbedekking Artikel 3.6.6.1 Register historische graven en opvallende grafbedekking 1. Het college houdt een register bij van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.

66

2. Voordat tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven zijn die in aanmerking komen om in het register te worden bijgeschreven. 3. De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die in het in het eerste lid bedoelde register staan. Paragraaf 3.6.7 Inrichting register begraven/asbezorging Artikel 3.6.7.1 Voorschriften 1. Het college stelt voorschriften vast voor het register van de begraven lijken en de bezorgde as. 2. Het register wordt bijgehouden door de beheerder. Hoofdstuk 3.7 Bescherming van het milieu, waardevolle natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente Paragraaf 3.7.1 Geluidhinder en verlichting Artikel 3.7.1.1 Definities In deze paragraaf wordt in afwijking van de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder inrichting hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, waarbij geldt dat de artikelen 3.7.1.2 tot en met 3.7.1.4 van deze Verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.7.1.2 Collectieve festiviteiten 1.

De geluidnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze verordening, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten én voor de volgende dagen: − Nieuwjaarsdag, 1 januari; − de carnavalsdagen van carnavalsvrijdag tot en met carnavalswoensdag; − Eerste en Tweede Paasdag; − Koningsnacht/-dag; − Bevrijdingsdag; − Hemelvaartsdag; − Eerste en Tweede Pinksterdag; − Eerste en Tweede Kerstdag; − Oudejaarsavond 31 december, en

67

−

de dagen waarop kermis wordt georganiseerd door de Stichting Traditionele kermisorganisatie in de desbetreffende kern van de gemeente Leudal.

2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen en kernen. 3. Het college maakt de aanwijzing uiterlijk vier weken voor het begin van een kalenderjaar bekend. 4. Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was. 5. Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van het evenement niet meer bedragen dan: − 85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ); − 99 dB(C) voor bastonen, en − 102 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax). 6. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast. 7. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht. Artikel 3.7.1.3 Incidentele festiviteiten 1.

Het is een inrichting toegestaan maximaal zes dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, niet van toepassing zijn. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit minstens twee weken voor het begin van de festiviteit schriftelijk meldt bij het college via het daarvoor door het college vastgestelde meldformulier. 2. Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 dagen per kalenderjaar in verband met incidentele festiviteiten de verlichting aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit minstens twee weken het begin van de festiviteit schriftelijk meldt via het daarvoor door het college vastgestelde meldformulier. 3. De melding is gedaan als het meldformulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op het formulier vermeld. 68

4. De melding is gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat. 5. Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidsbronnen mag tot de eindtijd van het evenement niet meer bedragen dan: a. 85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ); b. 99 dB(C) voor bastonen, en c. 102 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax). 6. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast. 7. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3.7.1.4 van deze Verordening, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht. 8. De geluidnorm als bedoeld in het vijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting. 9. Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 3.7.1.4 Onversterkte muziek 1.

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen inrichtingen, is de in dit lid opgenomen tabel van toepassing, waarbij geldt dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn als de gebruiker van deze gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren van geluidmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, van toepassing zijn in geluidgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;

69

Tabel 3.7.1.4 LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax binnen in- en aanpandige gevoelige gebouwen

7.00 – 19.00 uur 50 dB(A)

19.00 – 23.00 uur 45 dB(A)

23.00 – 7.00 uur 40 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

2. Onversterkte muziek afkomstig van het oefenen door muziekgezelschappen in een inrichting is gedurende zes uur in de week uitgezonderd van de genoemde geluidniveaus in het eerste lid. 3. Als versterkte muziek wordt gecombineerd met onversterkte muziek, wordt het samenspel beschouwd als versterkte muziek en zijn de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 3.7.1.2 en 3.7.1.3. Artikel 3.7.1.5 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. 3. Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid bedoelde verbod. 4. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Paragraaf 3.7.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 3.7.2.1 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

70

Artikel 3.7.2.2 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die hindert, gevaar oplevert voor de openbare veiligheid of nadeel voor de gezondheid. Artikel 3.7.2.3 Oplaten ballonnen Het is verboden ballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur of gassen te laten opstijgen; Paragraaf 3.7.3 Handelingen met houtopstanden Artikel 3.7.3.1 Omgevingsvergunning voor vellen houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te (laten) vellen die staan vermeld op de door het college vastgestelde bomenlijst. 2. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd op grond van de: a. natuurwaarde van de houtopstand; b. landschappelijke waarde van de houtopstand; c. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. cultuurhistorische waarde van de houtopstand, of f. waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester vergunning verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen. 4.

Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen en daaraan voorschriften verbinden. Artikel 3.7.3.2 Afstand tot erfgrens De geoorloofde minimale afstand tot de erfgrens is voor bomen langs openbare wegen 0,5 meter en voor heesters alsmede heggen, nul meter.

71

Paragraaf 3.7.4 Maatregelen tegen reclame Artikel 3.7.4.1 Hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken door middel van letters, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Paragraaf 3.7.5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 3.7.5.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden zonder vergunning van het college ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen en geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd. 2. Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende van het terrein en voor het plaatsen van een paraplu of karpertentje ten behoeve van het nachtvissen. 3. In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap, of b. het uiterlijk aanzien van de gemeente Hoofdstuk 3.8 Markten Paragraaf 3.8.1 Standplaatsen Artikel 3.8.1.1 Standplaatsvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.

In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. in de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de standplaatsvergunning voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt, als gevolg van bijzondere omstandigheden. 3. Op de vergunningaanvraag is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 72

Artikel 3.8.1.2 Verbod standplaatsfacilitering rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunningstandplaats wordt of is ingenomen. Paragraaf 3.8.2 Snuffelmarkten Artikel 3.8.2.1 Organiseren snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren. 2. Het verbod is niet van toepassing op ruimten die uitsluitend of nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. Hoofdstuk 3.9 Stoken van vuur Artikel 3.9.1 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of op andere wijze stoken van vuur 1. Het is verboden zonder vergunning van het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere wijze vuur aan te leggen, stoken of hebben. 2. Als geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. In aanvulling op het bepaalde de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 4.

Op de vergunningaanvraag bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

73

Hoofdstuk 3.10 Afvalstoffen (voorheen: Afvalstoffenverordening Leudal 2018) Paragraaf 3.10.1 Algemeen Artikel 3.10.1.1 Begrippen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van hetgeen in bijlage 1 is bepaald verstaan onder - perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Artikel 3.10.1.2 Doelstelling De toepassing van dit hoofdstuk is gericht op de bescherming van het milieu, inclusief een doelmatig beheer van afvalstoffen. Paragraaf 3.10.2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 3.10.2.1 Aanwijzing van de inzameldienst 1. Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing. Artikel 3.10.2.2 Regulering van andere inzamelaars 1. Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a. daartoe is aangewezen door het college, of b. bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld. 2. Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 3.10.2.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.10.2.3 Aanwijzing van inzamelplaats Het college wijst een plaats aan waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om (grove) huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Van de aanwijzing wordt afgezien als op gelijke wijze gebruik kan worden gemaakt van een dergelijke plaats in een andere gemeente waarmee Leudal samenwerkt.

74

Artikel 3.10.2.4 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a. ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.10.2.2, eerste lid van deze Verordening; b. over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 3.10.2.2, eerste lid van deze Verordening, of c. achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.10.2.3 van deze Verordening. Artikel 3.10.2.5 Afvalscheiding 1. Het college stelt nadere regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2. In ieder geval worden de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: a. asbest en asbesthoudend afval; b. autobanden; c. bouw- en sloopafval; d. (afgedankte) elektrische of elektronische apparatuur; e. glas; f. groente-, fruit- en tuinafval; g. grof huishoudelijk afval; h. grof tuinafval; i. huishoudelijk restafval; j. klein chemisch afval; k. kunststof verpakkingsmateriaal samen met drinkkartons en metalen verpakkingen (PMD); l. metaalschroot; m. papier en karton; n. textiel; o. (verduurzaamd) hout; p. vlakglas. 3.

In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel 3.10.2.6 Gescheiden aanbieding 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 3.10.2.5 van deze Verordening, anders dan afzonderlijk: a. ter inzameling aan te bieden; b. achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 3.10.2.3 van deze Verordening.

75

2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.10.2.7 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen voor inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 3.10.2.8 Wijze en plaats van aanbieding 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college stellen regels over het gebruik van: a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 3.10.2.7 van deze Verordening, buiten een perceel te laten staan. 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Artikel 3.10.2.9 Verbod op het voor inzameling aanbieden huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen 1. Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen of bestanddelen daarvan voor inzameling aan te bieden. 2.

Het is aan personen, die geen woon – of verblijfplaats hebben in de gemeente, verboden huishoudelijke afvalstoffen voor inzameling over te dragen, aan te bieden of achter te laten. Paragraaf 3.10.3 Bedrijfsafvalstoffen Artikel 3.10.3.1 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 3.10.2.1 van deze Verordening, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening afvalstoffenheffing 20XX verschuldigde heffing is voldaan.

76

Artikel 3.10.3.2 Aanbieden voor inzameling bedrijfsafvalstoffen 1. Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 3.10.3.1 van deze Verordening bedrijfsafvalstoffen voor inzameling door de inzameldienst aan te bieden of aan de inzameldienst over te dragen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het houden van pilot projecten in het kader van afvalpreventie en afvalscheiding voor scholen, gemeenschapshuizen of (sport)verenigingen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden. Artikel 3.10.3.3 Regeling inzameling bedrijfsafvalstoffen 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen voor inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 3.10.3.1 van deze Verordening aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, inhouden. Paragraaf 3.10.4 Zwerfafval en overige Artikel 3.10.4.1 Dumpverbod 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, storten, houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze Verordening; b. het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c. het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, inclusief daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg. 3. Als de overtreder van het bepaalde in dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

77

Artikel 3.10.4.2 Zwerfafval in openbare ruimte 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in strijd met het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt onmiddellijk opgeruimd door degene die het in de desbetreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3. Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door voor inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen, met uitzondering van opruimen. Artikel 3.10.4.3 Zwerfafval rondom inrichtingen 1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.

Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. Artikel 3.10.4.4 Afval en verontreiniging op de weg 1. Het is verboden een weg te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, lossen, vervoeren dan wel andere werkzaamheden te verrichten. 2. Degene, of diens opdrachtgever, die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, zorgt onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 3.10.4.5 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 3.10.2 van deze Verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 78

Artikel 3.10.4.6 Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Hoofdstuk 3.11 Planschadeprocedure (voorheen: Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008) Artikel 3.11.1 Definities In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder: − aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient; − adviseur: de door het college aan te wijzen of aangewezen persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het college en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking; − adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3.11.3, van deze Verordening; − derde-belanghebbende: degene als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening die heeft verzocht om voor de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan, een daaraan voorafgaand projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid Wet ruimtelijke Ordening, daaronder begrepen, op te nemen, te wijzigen dan wel daarvan af te wijken; − drempelbedrag: recht als bedoeld in artikel 6.4 Wet ruimtelijke ordening; −

wet: Wet ruimtelijke ordening. Artikel 3.11.2 Opdrachtverstrekking Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening verstrekt het college aan één of meer adviseurs gezamenlijk, opdracht om over een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening of artikel 4:5 Awb. Artikel 3.11.3 Adviseur of adviescommissie 1. Voor het advies over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.

79

2. Het college kan na advies van de in het eerste lid bedoelde adviseur, een tweede adviseur aanwijzen die deskundig is op het gebied van waardering van onroerende zaken en waardevermindering als gevolg van planologische verslechtering, als de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van onroerende zaken en, gezien de complexiteit, aard en/of omvang, daartoe behoefte bestaat. 3. Het college kan na advies van de in het eerste lid bedoelde adviseur, een tweede adviseur aanwijzen die deskundig is op het gebied van accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering, als de aanvraag betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en, gezien de complexiteit, aard en/of omvang, daartoe behoefte bestaat. 4. Bij aanwijzing van meer adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is. 5. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan. Artikel 3.11.4 Onafhankelijkheid De adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn geweest bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 3.11.5 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1.

Voordat het college de adviesopdracht verstrekt zoals bedoeld in artikel 3.11.2 van deze Verordening, stelt hij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de derde-belanghebbenden op de hoogte van de aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 3.11.3, eerste lid van deze Verordening, of b. meer adviseurs als bedoeld in artikel 3.11.3, vijfde lid van deze Verordening. 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de derdebelanghebbenden kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meer adviseurs indienen bij het college. 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meer adviseurs. Artikel 3.11.6 Werkwijze adviseur en adviescommissie 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie ter beschikking. 80

2. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan die de adviseur en adviescommissie bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat of bijstaan. 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meer hoorzittingen, waarin de betrokkenen in ieder geval de gelegenheid krijgen hun standpunt toe te lichten. 4. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan de situatie ter plaatse bezichtigen. In dat geval bepaalt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie het tijdstip van de plaatsopneming waarvoor de aanvrager wordt uitgenodigd. 5. Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de taxatie wordt door of onder verantwoordelijkheid van de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 6. Voordat wordt geadviseerd zendt de adviseur of de adviescommissie binnen zestien weken na dagtekening van de adviesopdracht een concept daarvan aan het college, de aanvrager, andere betrokken bestuursorganen en derdebelanghebbenden. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met maximaal vier weken verlengen. 7.

Het college, de aanvrager, andere betrokken bestuursorganen en derdebelanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren. 8. Als binnen de gestelde termijn reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn, een advies uit aan het college, waarbij de reacties zijn betrokken. 9. Als geen of niet op tijd reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

81

Hoofdstuk 3.12 Commissie ruimtelijke kwaliteit (voorheen: Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit gemeente Leudal) Paragraaf 3.12.1 Algemene bepalingen Artikel 3.12.1.1 Definities In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder: − de commissie: de commissie ruimtelijke kwaliteit Leudal, bestaande uit onafhankelijke deskundigen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Woningwet en de commissie op het gebied van de monumentenzorg, als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Monumentenwet. Paragraaf 3.12.2 Bevoegdheden, samenstelling en benoeming commissie Artikel 3.12.2.1 Bevoegdheden 1. De commissie is bevoegd het college te adviseren over: a. de toepassing van voorschriften met betrekking tot welstand, naar aanleiding van een verzoek door of namens het college; b. de toepassing van voorschriften met betrekking tot monumentenzorg, naar aanleiding van een verzoek door of namens het college; c. aspecten van (beleids)voornemens waarbij de ruimtelijke - stedenbouwkundige kwaliteitszorg, het welstandstoezicht of de monumentenzorg in het geding zijn. 2.

Het college vraagt in beginsel geen advies aan de commissie over een aanschrijving met betrekking tot het uiterlijk aanzien van een bouwwerk of standplaats, waarvoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder a Wabo is verleend en het desbetreffende bouwwerk of de standplaats een welstandsexces vormt. 3. In de gevallen dat tegen het besluit tot aanschrijving als bedoeld in het eerste lid door een belanghebbende bezwaar is gemaakt op grond van artikel 7:1 van de Awb, kan het college de commissie een advies vragen. Artikel 3.12.2.2 Samenstelling 1. De commissie bestaat uit tenminste twee leden, waarvan één voorzitter. 2. De commissie is tenminste deskundig op het gebied van de architectuur, stedenbouw en monumentenzorg. 3. Op afroep kunnen plaatsvervangende leden en/of deskundige adviseurs met aanvullende disciplines worden toegevoegd aan de commissie.

82

4. De commissie regelt de vervanging van de voorzitter. Artikel 3.12.2.3 Benoeming, schorsing en ontslag De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door het college. Artikel 3.12.2.4 Secretaris 1. De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen ambtenaar. 2. Het college wijzen één of meer plaatsvervangers van de secretaris aan. Artikel 3.12.2.5 Zittingsduur 1. Een voorzitter of ander lid van de commissie kan voor een termijn van maximaal drie jaar worden benoemd in de commissie. 2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kunnen de leden één keer worden herbenoemd voor een periode van drie jaar. 3. De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de in het eerste en tweede lid genoemde benoemingstermijn hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. 4. Het college kan een tijdelijke voorziening treffen in het belang van de continuïteit van de samenstelling van de commissie. Paragraaf 3.12.3 Werkwijze Artikel 3.12.3.1 Advies 1. Als het college dit nodig vindt, adviseert de commissie of een concept-verzoek dan wel een omgevingsvergunningaanvraag in welstandsplichtige gebieden in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet. 2. De commissie baseert haar advies op de criteria als bedoeld in artikel 12, eerste lid van de Woningwet. 3.

Het college wijst de ambtelijk secretaris van de commissie of diens vervanger aan om namens het college met inachtneming van artikel 6.2 Besluit omgevingsrecht te bepalen of zij het inwinnen van een advies met betrekking tot het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, nodig is.

83

4. De commissie adviseert het college op verzoek of uit eigen beweging over de toepassing van Hoofdstuk 3.2 van deze Verordening en over de aangelegenheden die van belang zijn voor de behartiging van de monumentenzorg en archeologie. 5. De door het college in de welstandsnota aangewezen categorieën bouwwerken worden namens het college getoetst door de secretaris van de commissie als voor de toets toetscriteria zijn vastgesteld. 6. Als een aanvraag niet voldoet aan de criteria als bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag overeenkomstig de criteria aan te passen. 7. Op verzoek van de aanvrager kan de aanvraag voor advies worden voorgelegd aan de commissie. Artikel 3.12.3.2 Bijstand 1. De commissie is bevoegd tot het inwinnen van een ambtelijk advies en kan zich met dit doel in haar vergadering laten bijstaan door één of meer ambtenaren dan wel medewerkers, werkzaam in ondergeschiktheid of onder verantwoordelijkheid van het college. 2. De commissie kan verzoeken zich voor het adviseren omtrent complexe bouw- en monumentenplannen op grond van de Wabo, te laten bijstaan door deskundige adviseurs met specifieke kennis op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit en de monumentenzorg. Artikel 3.12.3.3 Onderzoek ter plaatse 1.

De commissie kan de planlocatie bezoeken als zij bij de beoordeling van het plan van oordeel is dat de plaatsopname redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van haar taak. 2. De plaats en het tijdstip van de plaatsopname worden medegedeeld aan de aanvrager, de ontwerper en belanghebbenden. Bij de mededeling wordt gewezen op de mogelijkheid bij de plaatsopname aanwezig te kunnen zijn. Artikel 3.12.3.4 Inschakeling commissie Het college kan over alle plannen met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit advies vragen aan de commissie. Artikel 3.12.3.5 Onpartijdige behandeling De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de behandeling van een (bouw)- of monumentenplan als daarbij de onpartijdigheid of schijn van partijdigheid in het geding kan zijn. 84

Artikel 3.12.3.6 Wijze van planbeoordeling 1. De commissie beoordeelt het bouwplan op grond van de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria. 2. Bij de beoordeling als bedoeld in het eerste lid, handelt de commissie in overeenstemming met de desbetreffende beleidsregels op het gebied van de ruimtelijke en esthetische kwaliteit, als bedoeld in de zin van artikel 4:81 van de Awb. 3. De commissie beoordeelt het monumentenplan op cultuurhistorische, architectuurhistorische of sociaalhistorische belangen. Wat betreft rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn deze belangen beschreven in het rijksmonumentenregister en in de gemeentelijke monumentenbeschrijvingen. 4. Als de commissie vindt dat bijzondere omstandigheden moeten leiden tot afwijking van het gestelde in het tweede lid, dan geeft zij bij het uitbrengen van het advies aan het college schriftelijk en gemotiveerd aan op grond waarvan een afwijking van de beleidsregel gerechtvaardigd is. Artikel 3.12.3.7 Uitbrengen advies 1. Als maar één commissielid aanwezig kan zijn en géén vervanging mogelijk is, kan dat lid het advies uitbrengen. 2. Als een advies wordt uitgebracht over een monumentenplan moeten ten minste twee leden aanwezig zijn, waarbij ten minste één lid beschikt over deskundigheid op het gebied van monumentenzorg. 3. De commissie motiveert haar advies. 4.

Het advies van de commissie aan het college wordt schriftelijk uitgebracht. 5. De secretaris of behandelaar van de aanvraag bericht de aanvrager namens het college over het advies van de commissie. Paragraaf 3.12.4 Bijzondere bepalingen Artikel 3.12.4.1 Afwijking van advies Het college informeert de commissie als wordt afgeweken van diens advies. Artikel 3.12.4.2 Tweede advies 1. Als het college het oneens is met het advies van de commissie, kan het college een tweede advies vragen aan een andere commissie. 85

2. Voordat het tweede advies als bedoeld in het eerste lid wordt gevraagd, deelt het college dit mede aan de commissie en de aanvrager. Artikel 3.12.4.3 Vergoeding De leden van de commissie ontvangen een door het college vast te stellen vergoeding. Hoofdstuk 3.13 Kwaliteit uitvoering (voorheen: Verordening kwaliteit vergunningverlening toezicht en handhaving omgevingsrecht Leudal) Paragraaf 3.13.1. Algemene bepalingen Artikel 3.12.1.1. Definities In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder: − betrokken wetten: de wetten bedoeld in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover bij of krachtens de genoemde wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is; − kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast. Artikel 3.13.1.2. Reikwijdte Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het bevoegd gezag. Paragraaf 3.13.2.

Kwaliteit Artikel 3.13.2.1 Betrokkenheid gemeenteraad De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

86

Artikel 3.13.2.2 Kwaliteitsdoelen 1. Het college beoordeelt de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door het college krachtens artikel 7.2, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen. 2. De doelen ten aanzien van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op de: a. dienstverlening; b. uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, en c. financiën. Artikel 3.13.2.3 Kwaliteitsborging 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doet het college jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of konden worden nageleefd, informeert het college daarover gemotiveerd de gemeenteraad. Titel 4 Straf-, toezicht-, overgangs- en slotbepalingen Hoofdstuk 4.1 Straf- en toezichtbepalingen Artikel 4.1.1 Strafbepaling Titel 2 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.

In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.3.1, derde lid en 2.3.2, tweede lid onder a van deze Verordening. 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

87

Artikel 4.1.2 Strafbepaling Titel 3 1. Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid wordt degene die handelt in strijd met artikel 3.2.4.1 of het bepaalde krachtens artikel 3.2.4.2, derde lid, van deze Verordening gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bij of krachtens artikel 3.3.2.1 bepaalde gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 4. In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met de artikelen uit hoofdstuk 3.6 gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 5. In afwijking van het eerste lid is overtreding van artikel 3.10.2.2, artikel 3.10.2.4 of van artikel 3.10.2.6 tot en met artikel 3.10.2.9 en artikel 3.10.3.2 tot en met artikel 3.10.4.6 van deze Verordening, een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk 4.2 Toezicht Artikel 4.2.1 Binnentreden woning (voorheen: Verordening binnentreden ter uitvoering van noodverordeningen 2007) Degenen belast met het toezicht op de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s). Artikel 4.2.2 Binnentreden woningen Degenen belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze Verordening gegeven voorschriften die als doel hebben handhaving van de openbare orde, openbare veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s).

88

Hoofdstuk 4.3 Overgangsrecht Artikel 4.3.1 Bestaande aanvragen 1. Op complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze Verordening, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment van de aanvraag. 2. Op niet complete aanvragen om toestemmingen bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en al dan niet getoetst, is deze Verordening van toepassing. Artikel 4.3.2 Bestaande besluiten Besluiten bij of krachtens de in bijlage 2 genoemde verordeningen die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als een besluit bij of krachtens deze verordening. Artikel 4.3.3 Rechtsbescherming Op besluiten waartegen ten tijde van de inwerkingtreding van deze Verordening rechtsbeschermingsmiddelen waren gebruikt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold direct voor deze inwerkingtreding. Artikel 4.3.4 Erfgoedverordening Krachtens de Erfgoedverordening Leudal 2018 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening. Hoofdstuk 4.4 Slotbepalingen Artikel 4.4.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ed03b278-6668-410e-b72f-4047986d937e