Collegemededeling 26nov24 over voorgenomen projectbesluit Waterschap Limburg dijkversterking Buggenum
Tekst van het document
4.7.1 Maatvoering De te versterken en nieuw aan te leggen dijken in Buggenum hebben een kruinbreedte van 4,5 meter en taluds met een helling van 1 op 3, met een klei-inkassing met een breedte van 2,5 meter aan binnen- en buitenzijde. De kruinhoogtes per dijkvak zijn in tabel 4.2 weergegeven. Dit zijn de hoogtes van het uiteindelijke ontwerp, en zijn anders dan de hoogtes in het VKA door optimalisaties of nadere inzichten. De aanleghoogte betreft de hoogte direct na oplevering van de dijkversterking. De ontwerphoogte is de hoogte aan het eind van de levensduur, in 2075. Op de locaties waar de kering in grond wordt uitgevoerd kan er sprake zijn van een overhoogte van maximaal 0,2 meter, tijdens realisatie en bij de oplevering (aanleghoogte). De overhoogte wordt aangebracht om het effect van klink en zetting te mitigeren. De aanleghoogte op deze locaties is daarmee beperkt hoger (maximaal 0,2 meter) dan de ontwerphoogte. De dijkversterking zal na realisatie worden opgenomen in de nieuwe legger. Hieruit zijn het gerealiseerde ruimtebeslag, de beperkingengebieden en kunstwerken af te lezen. Tabel 4.2 Aanleg en ontwerphoogtes per dijkvak (DO, 2024) Dijkvak Aanleghoogte
Ontwerphoogte (2075)
[m NAP]
[m NAP]
1
22,2
22,0
2
22,2
22,0
3
22,2
22,0 45
4
22,2
22,0
5
22,3
22,1
6
22,3
22,1
7
22,06
22,0
In de dijkvakken 1, 3 t/m 6 worden pipingmaatregelen getroffen. Deze bestaan voor de dijkvakken 1, 3 en 4 uit een kleikist, dijkvak 5 een klei-inkassing buitendijks en dijkvak 6 een scherm (voorkeur hergebruik uit dijkvak 5) en pipingberm.
4.8 Flexibiliteitsbepaling Binnen dit ontwerp projectbesluit worden zowel de projectgrenzen als de benodigde werkruimte (voor o.a. bouwwegen) beschreven. Deze zijn vastgesteld binnen het ontwerpproces en op de plankaart weergegeven. Waar mogelijk combineren we functies; zo doet het kavelpad in dijkvak 2 tijdens de werkzaamheden eerst dienst als werkstrook. Het ontwerp en de inpassingsmaatregelen zijn omgezet naar vlakken die zijn weergegeven op de als bijlage I bij het Ontwerp-Projectbesluit gevoegde plankaart met dwarsprofielen. Met de onderstaande flexibiliteitsbepaling wordt enige ruimte geboden hiervan af te wijken. Bij afwijkingen kan het bijvoorbeeld gaan om optimalisaties van de aannemer die het werk uit gaat voeren. Afwijken is alleen mogelijk indien wordt voldaan aan de voorwaarden die in de flexibiliteitsbepaling zijn opgenomen. Bij de realisatie van de versterking mag worden afgeweken van het ontwerp mits: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Het type gekozen oplossing (groene dijk of harde constructie), zoals beschreven in paragraaf 4.5, niet wijzigt; Het ontwerp blijft binnen het op de Plankaart aangegeven ruimtebeslag; Het ontwerp van de waterkering blijft binnen het op de Plankaart aangegeven ruimtebeslag waterstaatswerk; Het ontwerp blijft binnen de op de dwarsprofielen aangegeven aanleghoogten; De buitenkruinlijn van het ontwerp niet verder rivierwaarts komt te liggen dan de buitenkruinlijn aangegeven op de Plankaart; Inpassingsmaatregelen, voor zover deze aan de orde zijn, worden uitgevoerd binnen daarvoor op de Plankaart aangegeven maatregelvlakken; Voldaan wordt aan de in paragraaf 4.2 en 4.3 vermelde randvoorwaarden voor het ontwerp en aan de in paragraaf 4.7 vermelde eisen voor inpassingsmaatregelen; Effecten op de omgeving niet groter zijn dan de effecten die zijn beschreven in dit Ontwerp-Projectbesluit met bijlagen en in de m.e.r-aanmeldingsnotitie met bijlagen en geen sprake is van andere negatieve gevolgen voor de omgeving.
4.9 Meekoppelkansen De koppeling van projecten (van derden) aan de versterkingsopgave draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, creëert meer draagvlak, vermindert hinder voor de omgeving doordat projecten tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden en biedt kansen voor kostenverlaging. Deze mogelijke combinatie van projecten worden meekoppelkansen genoemd. In de planuitwerkingsfase zijn diverse wensen vanuit de omgeving meegenomen in het referentieontwerp, er is geen sprake van op zichzelf staande meekoppelkansen. Er zijn weliswaar enkele meekoppelkansen in beeld gebracht, maar die hebben veelal geen fysieke koppeling met de dijkversterking óf lopen qua planning niet parallel met de dijkversterking en zijn daarom niet in het project meegenomen. 6 Vanwege de zeer geringe ophoging van 30cm is er voor dijkvak 7 geen sprake van restzetting.
46
Er is een tweetal meekoppelkansen geïnventariseerd:
Het realiseren van een befietsbaar pad tussen de Ohéstraat en Dorpsstraat met lindes (vervallen); Permanent maken van de loswal voor boten in dijkvak 6;
Aanvullend is tijdens het ontwerpproces de volgende meekoppelkans naar voren gekomen:
Realiseren een zestal extra ligplaatsen voor de verhuur van boten van een recreatieondernemer.
4.9.1 Medegebruik op de kruin van de dijk Vanuit de gemeente is de wens ingebracht te kunnen wandelen en fietsen op de kruin van de dijk tussen de Ohéstraat en Dorpsstraat met lindes. In het ontwerpproces is deze meekoppelkans vervallen vanwege gebrek aan draagvlak. Besloten is wandelen en fietsen op de kruin van de dijk niet te faciliteren. Wel is het routenetwerk in stand gehouden. Bij de Dorpsstraat worden binnendijks wandelpaden aangelegd. Buitendijks kan er ook gewandeld worden om zo het contact met de Maas te herstellen. Aan de Arixweg kan de bestaande weg gebruikt worden zoals nu ook het geval is. Contact met de Maas speelt hier niet.
4.9.2 Loswal Ter plaatse van de huidige tijdelijk vergunde loswal wordt ter compensatie een permanente loswal gerealiseerd in het verlengde van de toerit van de Ohéstraat. Hiervoor is een loswal op de kruin van de dijk afgewogen tegen een loswal aan de teen van de dijk. Op basis van uitvoerings- en exploitatiekosten blijkt een loswal aan de teen van de dijk goedkoper is. Ontwerpdetails zijn opgenomen in de Ontwerpnota definitief ontwerp (bijlage VIII-B).
4.9.3 Afmeervoorzieningen Uit een inspectie van de bestaande afmeervoorzieningen in dijkvak 5 blijkt dat de palen niet herbruikbaar zijn, omdat de waterdiepte ter plaatse van de nieuwe locatie in dijkvak 6 groter is. De vingerpieren kunnen wel verplaatst worden. Ter plaatse van de nieuwe locatie van de afmeervoorzieningen moet ook een stroomvoorziening gerealiseerd worden. De locatie is namelijk verder van de Dorpskern van Buggenum gelegen en daarom gevoeliger voor diefstal en vandalisme. Bovendien moet verlichting zorgen voor veilige toegang in de schemering en het donker. De drijvende voetbrug wordt verplaatst naar de bovenstroomse zijde van de nieuwe recreatiehaven. De huidige lengte van de voetbrug volstaat voor de nieuwe locatie in dijkvak 6.
47
5. Uitvoering werk 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop het werk gerealiseerd gaat worden. Ten tijde van de totstandkoming van dit Projectbesluit bereidt het waterschap de aanbesteding van het werk voor. De precieze wijze van uitvoering is daarom nog niet bekend. Dit hoofdstuk noemt de randvoorwaarden waarbinnen het werk wordt uitgevoerd en maakt inzichtelijk hoe mogelijke risico’s voor de veilige (voortgang van de) uitvoering worden beheerst. Vooruitlopend op de uitvoering is een Uitvoeringsplan Dijkversterking Buggenum [lit. 9] opgesteld. In het Uitvoeringsplan is een uitgebreide beschrijving gegeven van de uitvoering.
5.2 Aanbesteding Voor dijkversterking Buggenum is gekozen om de markt bij zowel de planuitwerkingsfase als de realisatiefase te betrekken in een zogenoemde twee-fasen overeenkomst. Project Buggenum heeft een aantal kenmerken ten aanzien van ontwerp en realisatie die door de markt beter beheerst kunnen worden dan door de opdrachtgever. Het afgraven van de langsdam, het werken in de nabijheid van het spoor, het verplaatsen van de invaaropening van het voormalig koelwaterkanaal en het komen tot een evenwichtige grondbalans brengen risico’s met zich mee. Deze risico’s zijn te beheersen door een gedegen en transparante voorbereiding van de uitvoering. Het werken vanaf of in de directe nabijheid van het water bij het afgraven van de langsdam en het gelijktijdig realiseren van de nieuwe waterkering vergt specifieke uitvoeringskennis. Deze kennis is beschikbaar bij aannemers die het werk uit kunnen voeren. Daarom is gekozen voor een vroege marktbenadering om de aannemer al vroeg bij het uitwerken van het ontwerp te betrekken en als opdrachtnemer en opdrachtgever in één team het ontwerp voor het projectbesluit uit te werken. De aannemer krijgt daarmee de kans om vroegtijdig de uitvoering voor te bereiden. Tevens komen risico’s vroegtijdig in beeld waardoor maatregelen voor beheersing genomen kunnen worden.
Ook kan op deze manier overleg met stakeholders zoals Rijkswaterstaat als vaarwegbeheerder eerder worden gevoerd. Zo kan het projectbesluit worden gebaseerd op een ontwerp dat haalbaar en maakbaar is en waarbij de uitvoeringsrisico’s geminimaliseerd zijn.
5.3 Globale planning, bouwfasering en ontsluiting 5.3.1 Planning De uitvoering van het project vindt plaats in 2025 tot 2027. De planning is dat Buggenum in 2027 hoogwaterveilig is op basis van de huidige normering.
5.3.2 Bouwfasering De fasering wordt bepaald aan de hand van verschillende factoren welke deels met de aannemer verder in kaart worden gebracht tijdens de uitvoeringsfase. Belangrijke zaken die daar meespelen zijn hoog- en laagwaterseizoen, verwerving, agrarische activiteiten, kwetsbare periodes ecologie, bouwlogistiek en laad- en loslocaties. Afhankelijk van externe invloeden, zoals weer en waterstand, kan zowel de tijdsplanning als de volgorde tijdens uitvoering veranderen.
5.3.3 Ontsluiting Gedurende het project dienen de projectlocatie en directe omgeving te allen tijde bereikbaar te zijn voor alle verkeersfuncties (voetgangers, fietsers, (vracht)auto’s en vaarverkeer). Dit houdt zowel een goede doorstroming van het (bouw)verkeer alsook een goede bereikbaarheid van de projectlocatie in. De aannemer neemt verscheidene maatregelen om de doorstroming en bereikbaarheid te waarborgen en stemt hierover af met de betreffende (vaar)wegbeheerders. De maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid worden uitgelicht in deze paragraaf. Aan de hand van de tot nu toe bekende globale werkvolgorde (hoofdfasering) is bepaald welke tijdelijke verkeersmaatregelen er wanneer worden getroffen en hoe de bouwlogistiek wordt vervuld. De bouwweg bevindt zich over het algemeen buitendijks en wordt gecombineerd met de werkstrook. In principe geldt dat het bouwverkeer buiten het wegverkeer om wordt geleid, behalve daar waar wegen elkaar kruisen. 48
5.4 Wijze van uitvoering 5.4.1 Technische uitvoering Alle dijkvakken zijn groene keringen. Deze worden op traditionele wijze opgebouwd. Er is wel onderscheid te maken in uitvoeringswijze. Dijkvak 6 is een binnendijkse uitbreiding op de bestaande dijk (de huidige dijk blijft dus gehandhaafd), waar dijkvak 1 t/m 4 nieuwe dijken zijn. Een deel van de waterkeringen wordt voorzien van een kwelscherm, mogelijk bestaande uit een kleischerm en/of pipingscherm. Kleischermen worden uitgevoerd met sleufbekisting en met inzet van bemaling indien zich dit onder de grondwaterspiegel bevindt. Pipingschermen bestaande uit damwanden worden waar mogelijk door middel van een kraan met trilblok geplaatst. Dijkvak 5 wordt “in den droge” aangelegd. Hierbij wordt het kanaal eerst afgedamd en leeggepompt. De langsdam blijft aan de buitenzijde zo lang mogelijk in stand gehouden om droog te kunnen werken. Bij dijkvak 6 wordt de bestaande waterkering binnenwaarts versterkt. Dat betekent dat deze werkvolgorde net wat afwijkt van de overige dijkvakken van de groene kering. Omdat er meer raakvlakken zijn met hoogwater worden deze werkzaamheden in het laagwaterseizoen gepland en worden beheersmaatregelen in een Noodplan beschreven. Hieruit komt voort dat de werkvakken minder groot zijn, omdat de hoogwaterveiligheid binnen 48 uur gewaarborgd moet kunnen worden.
Daarnaast wordt de waterkering gefaseerd opgebouwd waarbij de waterkerende hoogte continu in stand gehouden blijft.
5.5 Beschikbare gronden 5.5.1 Eigendomssituatie De huidige waterkering is deels in eigendom van Waterschap Limburg. Na de versterking heeft de waterkering een groter ruimtebeslag, waardoor gronden moeten worden verkregen van andere grondeigenaren. Het waterschap is op basis van het ruimtebeslag van het voorlopig ontwerp gestart met het voeren van gesprekken met deze grondeigenaren hierover. Het minnelijke verwervingsproces is ingezet om het permanente ruimtebeslag en de benodigde werkstroken te verkrijgen. Geprobeerd wordt in onderling overleg met de grondeigenaar overeenstemming te bereiken over de aankoop van de voor het project benodigde gronden. Mocht dit overleg niet tot overeenstemming leiden dan kan het waterschap overgaan tot het opleggen van een gedoogplicht of het onteigenen van gronden. De schade die de grondeigenaar als gevolg daarvan leidt kan voor vergoeding in aanmerking komen. Meer informatie over deze procedure is terug te vinden via onderstaande link: www.waterschaplimburg.nl/grondverwerving_en_onteigening
5.5.2 Verwerving van gronden Het plangebied omvat 2 ha in eigendom van het waterschap. 18 ha zijn in eigendom van andere instanties of personen, namelijk: overheden of particuliere grondeigenaren. Enkele percelen zijn in gebruik bij derden op basis van erfpacht of vruchtgebruik. Verwerving van gronden geschiedt conform de geldende Nota Grondbeleid 2022, vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap. Uitgangspunt van het grondbeleid van Waterschap Limburg is dat de kernzone van de waterkering (kortweg: de eigenlijke waterkering) in eigendom wordt verkregen. Voor Buggenum betekent dit dat het waterschap in ieder geval de gronden waarop de groene dijk komt, wil aankopen. Indien minnelijk geen overeenstemming wordt bereikt met de grondeigenaar, zal, indien de grondeigenaar hiermee akkoord gaat, een zakelijk recht worden gevestigd. Bij een zakelijk recht koopt het waterschap (particuliere) grond niet, maar kan het wel werkzaamheden uitvoeren ter versterking van de dijk. Deze uitgevoerde werkzaamheden kan men via het vestigen van een zakelijk recht beschermen, onderhouden en mogelijk aanpassen. Het zakelijk recht wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen het waterschap en de eigenaar van het perceel. Deze overeenkomst wordt ingeschreven in het Kadaster.
Indien aankoop dan wel het vestigen van een zakelijk recht niet lukt, zal ten behoeve van het realiseren van de waterkering een gedoogplicht op grond van de Omgevingswet worden opgelegd. Als de belangen onteigening vorderen is het niet mogelijk om een gedoogplicht op te leggen. In dat geval zal er over worden gegaan op onteigening. 49
5.5.3 Tijdelijk gebruiksrecht gronden Voor de realisatie van de werken dient de aannemer in veel gevallen tijdelijk te beschikken over gronden, als werkstrook of als (grond)depot. Gronden van Waterschap Limburg, de gemeente Leudal en Rijkswaterstaat kunnen hier te allen tijde voor worden gebruikt, mits wordt voldaan aan de bepalingen van het contract en de benodigde vergunningen door de aannemer zijn verkregen. Voor overige gronden in particulier bezit dient een tijdelijk gebruiksrecht te worden geregeld door het sluiten van een overeenkomst waarin het gebruik geregeld wordt, alsmede de aanspraak op schadevergoeding en andere zaken aangaande het tijdelijk gebruiksrecht. De grondeigenaar heeft recht op een vergoeding voor het tijdelijk gebruik, alsmede voor gewasderving en eventueel bijkomende schadevergoedingen. Na realisatie en afwerking van de voorziening komt de grond weer volledig in gebruik bij de grondeigenaar en wordt deze in de oorspronkelijke staat weer opgeleverd. Bij geen overeenstemming tussen het waterschap en de grondeigenaar kan een gedoogplicht worden opgelegd.
5.5.4 Schadevergoeding en nadeelcompensatie Voor eventueel financieel nadeel, dat onverhoopt ontstaat als gevolg van de rechtmatige uitvoering van het projectbesluit Buggenum, kan een belanghebbende een verzoek om schadevergoeding indienen bij Waterschap Limburg. Verzoeken om nadeelcompensatie die naar aanleiding van dit projectbesluit worden ingediend, vallen onder het bepaalde van afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Een verzoek om schadevergoeding bevat in ieder geval een motivering en een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Overige eisen die aan het verzoek worden gesteld kunnen worden gevonden in de “Verordening Nadeelcompensatie Waterschap Limburg”. Voor het verzoek geldt een verjaringstermijn van vijf jaar nadat de schade zich heeft geopenbaard, dan wel nadat de betrokkene redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voorbeelden van nadelen die mogelijk voor (geheel of gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking komen zijn: waardevermindering van gronden en opstallen, inkomensschade en kosten van onder meer schadebeperkende maatregelen. Aanvragen voor schadevergoeding worden conform de Verordening Nadeelcompensatie Waterschap Limburg afgehandeld.
Een onafhankelijke commissie nadeelcompensatie zal, wanneer het verzoek voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening, onderzoeken of het geleden nadeel voor vergoeding in aanmerking komt en het bestuur van het waterschap hierover adviseren. Hiervoor gelden onder andere de volgende criteria:
Alleen schade die in vergelijking met andere burgers onevenredig zwaar op iemand drukt, wordt vergoed. Bij de vraag of schade onevenredig is, wordt onder andere gekeken of de schade op een beperkte groep burgers of instellingen drukt en of de schade uitstijgt boven het ‘normaal maatschappelijk risico'. Schade die niet uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico komt niet voor vergoeding in aanmerking. In artikel 15.7 van de Omgevingswet is een vast forfait van 4% opgenomen, dat geldt bij een waardevermindering van een onroerende zaak, indien het gaat om waardevermindering door activiteiten of een maatregel buiten de locatie van die onroerende zaak. De vergoeding is niet of niet voldoende anderszins verzekerd. Het waterschap streeft ernaar om in een zo vroeg mogelijk stadium overeenstemming met rechthebbenden te bereiken over de schadeafhandeling. Voorbeelden van “anderszins verzekerd” zijn het geven van een financiële vergoeding bij gewas- en structuurschade volgens de normbedragen per vierkante meter van LTO-Gasunie, het herstellen/opnieuw plaatsen van afrasteringen (vergoeding in natura) en reeds vergoede schade tijdens grondverwerving. Schadevergoeding is niet aan de orde als er sprake is van ‘risicoaanvaarding'. Hiervan is sprake als de betrokkene rekening had moeten houden met de kans dat er een ongunstig besluit zou worden genomen (actieve risicoaanvaarding).
Ook als de betrokkene een gunstig regime van voorschriften of beleid voorbij heeft laten gaan zonder dat hij daar gebruik van heeft gemaakt (passieve risicoaanvaarding), heeft hij bij wijziging van dat regime geen recht op schadevergoeding. Het besluit over vergoeding van de schade wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap. Tegen het besluit over vergoeding van 50
de schade kan bezwaar worden ingediend. Indien de bezwaarmaker het niet eens is met de beslissing op bezwaar kan hij/zij beroep instellen bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.6 Overige uitvoeringsaspecten Een aantal fysieke aspecten in het plangebied kunnen van invloed zijn op de uitvoeringswerkzaamheden. Dit betreft met name de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen, archeologische vindplaatsen, Ontplofbare Oorlogsresten (OO) en kabels en leidingen. Deze aspecten zijn nader onderzocht om mogelijke risico’s voor de uitvoering inzichtelijk te maken.
5.6.1 Bodemkwaliteit De doelstelling van het project is om zo circulair mogelijk te werken. Door “grondgestuurd” te ontwerpen wordt er zoveel mogelijk materiaal hergebruikt, wat mogelijk is binnen de wet- en regelgeving. Er bevindt zich ook “niet toepasbare grond” binnen het werk, met name in de langsdam, welke alleen op bepaalde locaties onder bepaalde omstandigheden mogen worden hergebruikt, of die zelfs dermate verontreinigd zijn dat deze dienen te worden afgevoerd om gestort te worden. Er zijn in opdracht van Waterschap Limburg verschillende onderzoeken uitgevoerd om een beeld te krijgen bij de bodemkwaliteit binnen het projectgebied. In 2017 is een historisch onderzoek [lit. 10] uitgevoerd om een beeld te krijgen welke historisch bekende verontreinigingen zich binnen het projectgebied bevinden en wat de verwachting is ten aanzien van de overige te verwachten kwaliteit of verdachtheid van de grond. In 2020 is verkennend (water)bodemonderzoek en asbestonderzoek [lit. 11] en in 2021 verkennend (water)bodemonderzoek, asbestonderzoek en asfaltonderzoek [lit. 12] uitgevoerd. Bij de (water)bodemonderzoeken zijn onderzoeksgebieden ingedeeld en onderzocht op basis van de informatie uit het historisch onderzoek. Hierbij is nagegaan of er sprake is van sterke verontreinigingen en is een indicatie verkregen wat de kwaliteit van het overige mogelijk te ontgraven materiaal is.
Aanvullend zijn op enkele locaties asbest onderzoeken uitgevoerd om na te gaan of er sprake is van asbestverontreiniging in de bodem. Tevens is een onderzoek verricht naar de kwaliteit van het asfalt en de fundering. In en nabij het projectgebied zijn verontreinigingen aangetoond. Op verschillende locaties zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aan o.a. minerale olie, diverse zware metalen en/of PAK aangetoond in bodem en waterbodem. Dit brengt beperkingen met zich mee voor grondverzet. Daarnaast worden verontreinigingen waar nodig afgeperkt ten behoeve van sanering. Op basis van aanvullend waterbodemonderzoek en een afperkend onderzoek op de langsdam in 2021 [lit. 13] blijkt dat de te saneren locaties liggen ter plaatse van de nieuwe haveningang ter plaatse van het verwijderen van de langsdam. Het project leidt niet tot verontreinigingen en doordat verontreinigde grond wordt afgevoerd, zal sprake zijn van een verbetering. Mitigerende maatregelen zijn niet van toepassing. Er worden naar aanleiding hiervan nog verschillende aanvullende bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze bodemonderzoeken zijn op dit moment nog niet (volledig) afgerond. De op dit moment lopende onderzoeken betreffen voornamelijk onderzoeken waarbij eerder aangetroffen verontreinigingen uit voorgaande onderzoeken worden afgeperkt.
Tevens is aanvullend onderzoek op de langsdam uitgevoerd om de verontreiniging verder af te perken, de grens tussen herbruikbaar en niet herbruikbaar materiaal aantoonbaar te hebben en daardoor tevens een betere betrouwbaarheid van de grondbalans te creëren. Om uitsluitsel te hebben over de aard, samenstelling en kwaliteit van het sediment in het voormalige koelwaterkanaal is een waterbodemonderzoek uitgevoerd om zodoende de meeste recente status van het sediment vast te stellen. In de nabije toekomst zijn de eventueel noodzakelijke aanvullende onderzoeken voorzien. Deze onderzoeken zijn mede afhankelijk van de bevindingen van de huidige onderzoeken. Tevens worden in een latere fase partijkeuringen uitgevoerd om de hergebruiksmogelijkheden van materiaal uit de langsdam vast te stellen. 51
5.6.2 Archeologie Het studiegebied valt grotendeels in een zone met een lage verwachting op de archeologische verwachtingskaart Maasdal (AVM). Hoewel de lage terrasvlakte langs de Maas een lagere archeologische verwachtingswaarde heeft, komen er plaatselijk (ondergrondse) opduikingen voor, waarop bewoning kan hebben plaatsgevonden. Er is een verkennend archeologisch booronderzoek [lit. 14] uitgevoerd, waarin is beschreven dat er geen betrouwbare indicatoren zijn aangetroffen voor kampementen van jager-verzamelaars. Het scherfje in boring 14 is wel een indicator voor bewoning uit de periode bronstijd-ijzertijd. Er wordt een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd naar eventuele resten van landbouwers. Fragiele en/of belangwekkende vondsten worden op de plaats van aantreffen gefotografeerd te worden en direct geborgen. Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na afloop van het veldwerk door de aannemer en het waterschap met de bevoegde overheid (gemeente Leudal) en opdrachtgever geëvalueerd aan de hand van een (concept) evaluatierapport. Op basis van deze evaluatie kan het onderzoeksgebied worden vrijgegeven en kan worden besloten over (ex-situ) behoud van vondsten.
5.6.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO)
Voor de aanleg van de dijkversterking is een onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten (OO)7 [lit. 15] uitgevoerd. Vanwege het feit dat de voorgenomen werkzaamheden (gedeeltelijk) in een OO-risicogebied plaatsvinden, is een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) uitgevoerd. De PRA is een bureaustudie waarin de risico´s van de reguliere werkzaamheden in relatie tot de aan te treffen ontplofbare oorlogsresten in kaart worden gebracht.
Figuur 5.1: Risicoanalysekaart OO-onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat Buggenum betrokken is geweest bij oorlogshandelingen in de vorm van een bombardement en artilleriebeschietingen. Na de oorlog hebben er op bepaalde delen in het projectgebied grondroeringen plaatsgevonden (conclusie I in figuur 5.1) waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden deze
7 Sinds 2019 vervangt term Ontplofbare Oorlogsresten (OO) de term Conventionele Explosieven (CE). Zie: Staatsblad van
het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2019, nr. 471, Besluit 28 november 2019.
52
bodemlagen als onverdacht kunnen worden aangemerkt. Op de locaties waarop basis van het DO bodemroerende werkzaamheden gepland zijn en waar aan de hand van project specifieke risicoanalyse en bijbehorende beoordeling mogelijk sprake is van de uitwerking van OO (conclusie III in figuur 5.1), wordt geadviseerd het opsporingsproces voort te zetten. Voordat de uitvoering van de werken kan worden opgestart, wordt het geadviseerde vervolgonderzoek uitgevoerd zodat onverhoopt nog aanwezige OO’s gecontroleerd verwijderd kunnen worden.
5.6.4 Kabels en leidingen De cruciale kabels en leidingen zijn geïnventariseerd, deze kabels en leidingen zijn aangegeven op detailkaarten die zijn opgenomen in bijlage V. Door middel van de KLIC-oriëntatie-meldingen zijn kabels en leidingen in het plangebied in beeld gebracht. Aanvullend is een indeling gemaakt voor cruciale kabels en leidingen. Bij de beheerders is hiervoor navraag gedaan naar gedetailleerde gegevens van de kabels en leidingen te weten: materiaal, afmetingen en aanlegjaar. Deze gegevens zijn door de beheerders digitaal aangeleverd. Er zijn drie categorieën kabels en leidingen, te weten:
Categorie 1: verlegging voorafgaand aan de dijkversterking. Voorbereiding en realisatie van de K&L verlegging voordat de werkzaamheden van de aannemer van de dijkverlegging starten; Categorie 2: de toekomstige aannemer van de dijkversterking doet de voorbereidende werkzaamheden en de aannemer van de K&L eigenaar verlegt in nauwe afstemming met de hoofdaannemer de K&L (in opdracht van de NUTS partij); Categorie 3: de coördinatie van de verlegging van deze categorie K&L ligt geheel in handen van de aannemer van de dijkversterking. Het betreft over het algemeen kabels en leidingen waarvan de werkzaamheden samenvallen met de werkzaamheden aan de nieuwe waterkering.
In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de te verleggen kabels en leidingen met dijkvak, beheerder en categorie-indeling. Tabel 5.2 Overzicht kabels en leidingen met dijkvak, beheerder en categorie-indeling Kabel/leiding Dijkvak Beheerder
Categorie
WBL leiding (verlegging)
dijkvak 4
Waterschapsbedrijf Limburg
2 of 3
Overstortleiding (vernieuwing)
dijkvak 6
Gemeente Leudal
3
53
6 Toetsing aan de hoofddoelstelling van de Omgevingswet 6.1 Inleiding De toepassing van de Omgevingswet is op grond van artikel 1.3 van de Omgevingswet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. In de volgende paragrafen wordt eerst een inzicht gegeven in de Omgevingswet en de beleidsregels die per 1 januari 2024 van toepassing zijn. Daarna vindt een toetsing aan de hoofddoelen van de Omgevingswet plaats van de in hoofdstuk 4 beschreven nieuwe en gewijzigde waterstaatswerken. In iedere paragraaf wordt eerst de samenvattende conclusie gegeven, waarna de motivering van deze conclusie volgt. Daar waar negatieve effecten integraal door oplossingen binnen het ontwerp van de waterstaatswerken voorkomen worden of beperkt zijn, zijn deze oplossingen eveneens beschreven. Compenserende maatregelen die buiten het ontwerp van de waterstaatswerken vallen, zijn opgenomen in hoofdstuk 7.
6.1.1 Wet- en regelgeving 6.1.1.1 Omgevingswet Op grond van artikel 5.46 lid 2 van de Omgevingswet dient voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen een Projectbesluit te worden opgesteld. Het (Ontwerp) Projectbesluit wordt door het dagelijks bestuur van het waterschap vastgesteld. Totdat gemeente Leudal een definitief omgevingsplan heeft, geldt het projectbesluit tijdens deze overgangsfase van rechtswege als buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA, zie hoofdstuk 9 en bijlage IX). De gemeente Leudal heeft op dit moment een tijdelijk omgevingsplan. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om een definitief omgevingsplan vast te stellen.
6.1.1.2 Omgevingsplan Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 gelden alle op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vastgestelde bestemmingsplannen (ook uitwerkings- en wijzigingsplannen), beheersverordeningen, provinciale en rijksinpassingsplannen, van rechtswege als een tijdelijk omgevingsplan. Gemeenten krijgen vervolgens gedurende een overgangsfase van 10 jaar de tijd deze plannen om te vormen tot één voor hun gehele grondgebied geldende omgevingsplan. Dit plan moet voldoen aan alle regels die bij of krachtens de Omgevingswet gelden. Met de ingang van de Omgevingswet is het tijdelijk gemeentelijk Omgevingsplan Leudal, de gemeente waaronder Buggenum valt, automatisch ingesteld. Daarin staan de bestemmingsplannen zoals deze ook voor ingang van de Omgevingswet golden (samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gegaan). De huidige Bestemmingsplannen Kern Buggenum (2013), Bestemmingsplan woonkernen Leudal (2017), Buitengebied Leudal (2014) en/of Bestemmingsplan bedrijventerrein Haelen van gemeente Leudal vormen zodoende het vertrekpunt voor het ontwerp projectbesluit.
6.1.2 Beleidskaders In deze paragraaf zijn de relevante wettelijke en beleidskaders met betrekking tot het project vanuit wet- en regelgeving en beleid benoemd. In onderhavige paragraaf worden de verplichtingen en randvoorwaarden benoemd die uit deze wettelijke en beleidskaders voortvloeien.
54
6.1.2.1 Waterbeleid De toepassing van de Omgevingswet is op grond van artikel 2.17 uit de Omgevingswet gericht op de doelstelling op het gebied van het beheer van watersystemen en het waterketenbeheer: het beheer van watersystemen, bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.20, derde lid Omgevingswet (beheer rijkswateren). In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het Waterschap Limburg hoe zij zorgt voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het Bestuursakkoord Water 2023-2027 heeft het waterschap opgenomen dat zij het onderhouden en beheren de primaire waterkeringen uitvoert met de focus op veiligheid en biodiversiteit. Tevens is opgenomen dat om schade door gravende dieren en ongewenste planten tot een minimum te beperken, er in het ontwerp van dijken haalbare en betaalbare preventieve maatregelen worden opgenomen. Deze maatregelen worden getroffen. Het Beheerplan Waterkeringen 2017-2022 geeft nadere invulling aan de uitgangspunten uit het Waterbeheerprogramma voor het onderdeel waterkeringen en vormt het beleidskader voor het beheer en onderhoud van de waterkeringen en bij de uitvoering van dijkversterkingsprojecten. In het Beheerplan waterkeringen 20172022 is opgenomen dat het basis handelen van het waterschap gebeurt vanuit een veilige en efficiënt beheerbare waterkering.
WL gaat hierbij voor een duurzaam en robuust, maar tevens sober en doelmatig ontwerp. De verbeteropgave van Waterschap Limburg vraagt om transparante besluitvorming, waarbij niet alleen aandacht is voor de korte termijn van ontwerp en realisatie en de belangen van de omgeving, maar ook voor de lange termijn van een duurzame waterkering die effectief en efficiënt te beheren is. WL streeft in principe naar groene, stabiele en erosiebestendige waterkeringen zonder constructies. Hoge gronden moeten goed aansluiten op de dijken en moeten daarom ten minste de juiste normhoogte hebben en voldoende robuust zijn. En waterkeringen moeten toekomstbestendige ingepast worden. Kabels en leidingen moeten op een dusdanige afstand van de waterkering worden aangelegd dat deze nu en in de toekomst buiten elkaars invloedssfeer liggen. Gebouwen en constructies geen waterkerende functie hebben en gescheiden zijn van de waterkering, kering zoveel mogelijk vrij van bebouwing. Uitgangspunt voor het toestaan van recreatief medegebruik zijn dat de primaire veiligheidsfunctie en de efficiënte uitvoering van onderhoudswerkzaamheden niet in het gedrang komen. Om aan te sluiten op het waterbeleid van Waterschap Limburg betreffen alle keringen in Buggenum groene keringen die in de toekomst uitbreidbaar zijn. De bestaande coupure in de Dorpsstraat zal volledig gesaneerd worden.
De constructies/kunstwerken overstortleiding en doorlaatmiddel voor de Ziep worden gehandhaafd omdat deze een belangrijke functie uitoefenen in het gebied. In dijkvak 2 wordt de kering meer rivierwaarts gerealiseerd waarbij het persriool niet meer in de invloedssfeer van de kering ligt. De aansluiting naar hoge grond in dijkvak 7 wordt gerealiseerd langs het tracé van de spoordijk, waarbij de spoordijk en waterkering gecombineerd worden. T.a.v. recreatief medegebruik is het toepassen van een buitendijks wandelpad in dijkvak 5 voorzien dat bereikbaar is via een dijktrap. In dijkvak 6 wordt aan de binnenzijde een aansluiting gemaakt op de wandelpaden in het Buggenummerbroek en is het onderhoudspad geschikt als wandelpad en toegang tot de aanlegplaatsen. Middels het participatieproces is invulling gegeven aan het informeren en betrekken van de omgeving bij de dijkverbetering. De relevantie van de overige omgevingsvisies, waterprogramma's en beleidskaders/notities van het waterschap en andere overheden en of deze een beperking of rechtvaardiging van het projectbesluit betekent, is beschreven in de volgende paragrafen.
6.1.2.2 Omgevingsbeleid In de provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 is omschreven dat er snelle fietsverbindingen moeten komen voor forensenverkeer ter hoogte van Buggenum om een verbinding over de Maas te realiseren. De dijkversterking Buggenum maakt de komst van een fietsbrug niet onmogelijk. In het gemeentelijk Omgevingsplan Leudal 2024 zijn geen uitgangspunten voor fietsverkeer opgenomen. Wel heeft de gemeente aangegeven als meekoppelkans een (recreatief) fietspad of befietsbaar pad over de kruin van dijkvakken 6 en 5 te willen realiseren. Dit fietspad levert geen bijdrage aan een snelle fietsverbinding. Hiervoor is medefinanciering nodig van de gemeente Leudal. Vanwege het ontbreken van draagvlak bij de aanwonenden is deze meekoppelkans niet meegenomen. 55
In de algemene Omgevingsverordening van de gemeente zijn regels opgenomen. In het kader van de invoering van de Omgevingswet zal een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats krijgen in het op te stellen Omgevingsplan. De relevantie van de overige omgevingsvisies, waterprogramma's en beleidskaders/notities van het waterschap en andere overheden en of deze een beperking of rechtvaardiging van het Ontwerp Projectbesluit betekent, is beschreven in de volgende paragrafen.
6.2 Overstromingen, wateroverlast en waterschaarste Deze paragraaf toetst het Ontwerp Projectbesluit aan de doelstelling van de Waterwet, die is overgenomen in de Omgevingswet: het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Geconcludeerd wordt dat door de uitvoering van de werkzaamheden een belangrijke bijdrage geleverd wordt aan het voorkomen dan wel beperken van overstromingen en dat met inachtneming van de maatregelen uit dit Projectbesluit tegen de werkzaamheden geen overwegende bezwaren bestaan vanuit wateroverlast en waterschaarste.
6.2.1 Beperken van overstromingen Het hoofddoel van de dijkversterking Buggenum is het vergroten van de waterveiligheid. De voorgenomen maatregelen hebben als doel de dijk Buggenum langs de Maas te laten voldoen aan de nieuwe veiligheidsnorm door de dijk te versterken en verhogen. De maatregelen hebben daarmee als doel de kans op overstromingen te beperken. Doordat bij de werkzaamheden aan de waterkering rekening wordt gehouden met het hoogwaterseizoen, mogelijke periodes van hoogwater buiten het hoogwaterseizoen en alleen overeenkomstig een door het waterschap goedgekeurd calamiteitenplan in het hoogwaterseizoen gewerkt mag worden, ontstaat er geen risico voor de hoogwaterveiligheid tijdens de aanleg. Mede door het toepassen van enkele maatregelen zorgt de dijkverbetering voor geen verslechtering van de huidige (grond)waterhuishouding (zie paragraaf 6.2.2.2). Hierdoor wordt ook na de realisatie geen wateroverlast verwacht.
6.2.1.1 Samenhang Deltaprogramma Maas Waar het HWBP dijkversterkingsprogramma van Waterschap Limburg zich richt op het verbeteren van de hoogwaterveiligheid op de korte termijn, werkt het Deltaprogramma Maas in de adaptieve uitvoeringsstrategie een Regionaal Voorstel voor de langere termijn uit. Deze strategie richt zich vooral op rivierverruimende maatregelen zoals weerdverlaging, dijkteruglegging, zomerbedverbreding en nevengeulen. Alle maatregelen zijn nodig om nu en in de toekomst te kunnen leven, werken en recreëren in een veilig Maasdal. In de opgave van de HWBP dijkversterkingsprojecten wordt – zoveel als mogelijk – geanticipeerd op deze rivierverruimende maatregelen. In de bepaling van de benodigde hoogte van de waterkeringen wordt onder meer rekening gehouden met de in voorbereiding en uitvoering zijnde rivierverruimingsmaatregelen. Daarnaast wordt al geanticipeerd op mogelijke toekomstige maatregelen (lopende onderzoeken/verkenningen). De waterkering wordt daarmee niet hoger dan noodzakelijk.
6.2.1.2 Toetsing rivierkunde: Redeneerlijn buitenwaarts versterken en Rivierkundig beoordelingskader Bij de dijkversterkingsopgave voor Buggenum is onder andere een afweging gemaakt tussen binnendijkse of buitendijkse versterking van de waterkering. Binnendijkse maatregelen zijn niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld vanwege ruimtegebrek of omdat ze alleen te realiseren zijn met complexe en kostbare technische oplossingen. Bij buitendijkse versterking wordt echter het oppervlak stroomvoerend rivierbed verkleind. Voor dijkversterkingsmaatregelen langs de grote rivieren in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) hebben het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de Unie van Waterschappen een redeneerlijn opgesteld voor gevallen waarin binnendijks versterken redelijkerwijs niet mogelijk is. Aan deze redeneerlijn ligt een belangenafweging ten grondslag waarin de tijdige realisatie van de dijkversterkingsmaatregel (uiterlijk 2050) zonder buitenproportionele maatschappelijke gevolgen (kosten, overlast) is afgewogen tegen het behoud van voldoende ruimte voor de rivier. 56
De Redeneerlijn buitendijks versterken [lit. 16] geeft aan de hand van de volgende afwegingsaspecten nadere invulling aan de zorgplicht van artikel 6.6 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal): 1.
2.
Binnendijkse versterking is redelijkerwijs niet mogelijk wanneer een binnendijkse oplossing: a. Tot onredelijk hoge kosten leidt ten opzichte van een buitendijkse oplossing incl. compenserende maatregelen; b. Technisch zeer lastig te realiseren is of grote uitvoeringsrisico’s met zich meebrengt; c. Aantasting van belangrijke maatschappelijke waarden oplevert. Buitendijkse versterking is mogelijk indien deze: a. Niet op een hydraulisch ongunstige locatie ligt; b. Geen belemmering oplevert voor het veilig en doelmatig gebruik van het rivierbed, waaronder de scheepvaartfunctie.
De redeneerlijn is van toepassing op de dijkversterkingsmaatregelen van het HWBP, maar niet op de aansluitingen op hoge gronden, oftewel op de locaties waar geheel nieuwe keringen worden aangelegd. Waterschap Limburg hanteert de redeneerlijn wel als een richtlijn voor aansluitingen naar hoge grond. Het Rivierkundig beoordelingskader 6.0 [lit. 17] bevat de beoordelingsaspecten waarop ingrepen in de rivier beoordeeld worden. Op een groot deel van het tracé van de dijkversterking Buggenum liggen momenteel geen waterkeringen. Er wordt een nieuwe aansluiting op hoge grond gemaakt, hetgeen bestuurlijk is vastgelegd in een voorkeursalternatief (2019). Het vastgestelde tracé vormt daarom ook het kader voor de ligging van de aansluiting hoge grond, de zogenaamde referentielijn ten opzichte waarvan het verlies aan waterberging moet worden onderbouwd. Deze nieuwe aansluiting met hoge grond loopt over gronden die momenteel aangemerkt zijn als bergend en stroomvoerend winterbed. In principe gaat er dus bergend vermogen verloren. Hieronder is per dijkvak weergegeven hoe met de redeneerlijn en rivierkundig beoordelingskader rekening is gehouden bij de totstandkoming van het ontwerp van de maatregel.
6.2.1.2.1 Dijkvak 1 en 2: Aansluiting hoge grond noord (nieuwe waterkering) In dijkvak 1 en 2 sluiten de nieuwe, versterkte waterkering ter hoogte van de Arixweg aan op de hoge grond. Dijkvak 1 ligt voor een groot deel in waterbergend rivierbed en dijkvak 2 in stroomvoerend rivierbed. De redeneerlijn buitenwaarts versterken is niet van toepassing op dit stuk waterkering, omdat het een aansluiting op de hoge grond betreft.
6.2.1.2.2 Dijkvak 3: Arixweg tot Groeneweg (deels aansluiting op huidige kering, deels nieuwe kering) In dijkvak 3 sluit de nieuwe, versterkte waterkering ter hoogte van de Arixweg aan op de hoge grond. De rest van de waterkering ligt op een perceel langs de Groeneweg dat is aangemerkt als stroomvoerend en waterbergend rivierbed. De redeneerlijn buitenwaarts versterken is niet van toepassing op dit stuk waterkering, omdat het een aansluiting op de hoge grond betreft.
6.2.1.2.3 Dijkvak 4: Groeneweg tot en coupure Dorpsstraat (deels aansluiting op huidige kering, deels nieuwe kering) Het ruimtebeslag van de dijkversterking (DO-) in dijkvak 4 heeft een meer buitenwaartse ligging dan het voorkeursalternatief en het is niet de kortste lijn naar hoge grond. Dit voorkeursalternatief volgde in dijkvak 4 een klein deel van de huidige waterkering. Vanwege de meer buitenwaartse ligging ten opzichte van het VKA en de huidige waterkering is de redeneerlijn buitenwaarts versterken van toepassing. Een meer binnendijks versterking is redelijkerwijs niet mogelijk omdat deze niet vergunbaar is op basis van de Omgevingswet (onderdeel natuurbescherming). Op basis van deze wet moeten de werkzaamheden binnen een straal van 50 meter van de vaste rust- en verblijfplaatsen van dassen maatregelen getroffen worden om verstoring te voorkomen. Werkzaamheden binnen een zone van 20 meter rondom vaste rust- en verblijfplaatsen van de das moeten voorkomen worden. In het voorkeursalternatief waren de werkzaamheden gepland ter plaatse van de vluchtpijp en de bijburcht. Het VKA blijkt niet vergunbaar omdat er een alternatief mogelijk is waarin er geen werkzaamheden plaats vinden binnen 20 meter van de rust- en verblijfplaatsen voor de das. Dit is namelijk het tracé dat gekozen is in het Definitief Ontwerp.
Aan de randvoorwaarde dat een binnenwaartse versterking redelijkerwijs niet mogelijk is wordt dus voldaan. Er is sprake van een netto waterstandsdaling voor het 57
gehele/integrale DO. Er is dus geen sprake van negatieve rivierkundige effecten. Daarnaast blijkt uit een verschilberekening tussen het VKA en Definitief Ontwerp dat de meer rivierwaartse ligging van de dijk in dijkvak 4 geen significante invloed heeft op de waterstanden. Dit omdat dijkvak 4 in de stromingsluwte ligt.
6.2.1.2.4 Dijkvak 5: Dorpsstraat langs koelwaterkanaal (deels bestaande kering, deels buitenwaartse versterking) De waterkering wordt in dijkvak 5 deels in het koelwaterkanaal en daarmee dus buitenwaarts verlegd. De nieuwe dijk bij de Dorpsstraat komt verder richting de Maas te liggen. De insteek van de dijk (teen) komt op de locatie van de huidige dijk te liggen. De dijk loopt vanaf hier tot in het koelwaterkanaal. Dit kanaal wordt dus ter plaatse gedempt. Op basis van de redeneerlijn zijn er voldoende argumenten om deze buitendijkse versterking te onderbouwen. Een binnendijkse versterking is niet gewenst vanwege de aanwezige bebouwing aan de binnenzijde van de dijk. De langsdam naast het oude koelwaterkanaal wordt vergraven en daarmee wordt het stroomvoerend of waterbergend rivierbed vergroot. Ten gevolge van het verwijderen van de langsdam in dijkvak 5 en de dijkversterking wordt een netto waterstandsverlaging van 9 mm bij maatgevend hoogwater (MHW) gerealiseerd. De dijkversterking heeft dus een positief effect op de waterstand op de Maas. Er is wel sprake van een zogenaamd zaagtandeffect8 (zie ook paragraaf 7.2.1). Dit is een lokale verlaging en verhoging van de waterstand die bij nagenoeg elke rivierverruimende maatregel optreedt.
Omdat de netto waterstandsverlaging (oppervlakte onder de nul-lijn) groter is dan de lokale waterstandverhoging past dit effect binnen de randvoorwaarden van het rivierkundig beoordelingskader en hoeft daarom niet gecompenseerd te worden. De rivierkundige effecten ten gevolge van de maatregelen tegen dwarsstroming zijn hierin nog niet meegenomen. Om dwarsstroming op de Maas ten gevolge van de verwijderde langsdam te voorkomen, wordt de draaikom bij de ingang van het koelwaterkanaal deels opgevuld met vrijgekomen (laagwaardig) materiaal uit de langsdam. Hiermee wordt een glooiende waterbodem gecreëerd, waarmee de dwarsstroming afneemt.
6.2.1.2.5 Dijkvak 6: Dorpsstraat en Ohéstraat tot aan spoordijk (bestaande kering) De waterkering in dijkvak 6 volgt de bestaande kering over de Ohéstraat. Dit dijkvak ligt in stroomvoerend en waterbergend rivierbed. De redeneerlijn buitenwaarts versterken is niet van toepassing op dit stuk waterkering, omdat er binnendijks versterkt wordt.
6.2.1.2.6 Dijkvak 7: geen dijkversterking Dit dijkvak wordt niet versterkt. Doordat de spoordijk als hoge grond is aangemerkt en het voorland van het OML terrein voldoende hoog ligt, zijn hier geen versterkingsmaatregelen nodig. Het onderhoudspad wordt opgehoogd en aangesloten op hoge grond. Dit dijkvak ligt niet in stroomvoerend of waterbergend rivierbed. De redeneerlijn buitenwaarts versterken is daarom niet van toepassing op dit stuk waterkering.
6.2.2 Beperken wateroverlast en waterschaarste 6.2.2.1 Grondwater De grondwaterstroming is normaliter naar de Maas en koelwaterkanaal toe gericht, omdat het peil in de Maas en koelwaterkanaal lager ligt dan de grondwaterstand in het achterland. Bij hoogwater op de Maas en het koelwaterkanaal kan een kwelstroom onder de dijk door ontstaan. Hierdoor stijgt de (grond)waterstand binnendijks en kan piping optreden. Om de kans op instabiliteit van de waterkering als gevolg van piping te beperken zijn verticale constructies tegen piping ontworpen in dijkvak 1, 3 en 4 (binnendijkse kleikist9), 5 (buitendijkse
8 Het zaagtandeffect is een lokale verlaging en verhoging van de waterstand als gevolg van een rivierverruimende maatre-
gel. De oorzaak hiervan kan stromingsdynamica zijn. 9
Een kleikist is een dikke, niet zo brede kleilaag die bij een dijk wordt aangebracht om deze waterdicht te maken: het kleipakket houdt erosie (afkalven), kwel en piping tegen.
58
kleikist) en 6 (heaveschermen10). In een deel van het dijkvak 6 waar verticale pipingmaatregelen niet maakbaar zijn, wordt gekozen voor een achterlandverbetering, waarbij de laagtes in het achterland worden opgehoogd. Voor dijkvak 6 is een analyse [lit. 18] uitgevoerd om de invloed van heaveschermen op de binnendijkse grondwaterstand bij Buggenummerbroek te bepalen. In de gemiddelde situatie wordt een zeer lichte opstuwing (< 5 cm) berekend aan de binnendijkse zijde van het heavescherm, wat als niet significant wordt beschouwd. Ook in een hoogwatersituatie is het effect van het heavescherm op de stijghoogte zeer lokaal. Het effect van het heavescherm op de binnendijkse grondwaterstand is zeer beperkt en lokaal. Er worden geen nadelige effecten op grondwater verwacht als gevolg van het project.
6.2.2.2 Afstromend hemelwater Voor de dijkversterking is een waterhuishoudkundig plan [lit. 19] opgesteld om het huidige watersysteem in kaart te brengen met inbegrip van compenserende maatregelen die voortkomen uit de wet- en regelgeving, gericht op het voorkomen van wateroverlast. De introductie en versterking van de dijk kan tijdens dagelijkse omstandigheden lokaal leiden tot wateroverlast bij regenval. Hemelwater kan namelijk de dijk afspoelen, wat leidt tot een negatief effect op de huidige binnendijkse ontwatering van (landbouw)percelen. Toename van verhard oppervlak moet worden gecompenseerd. Met het oog hierop is in het ontwerp een molgoot en infiltratievoorziening opgenomen in dijkvak 4 waar tussen de Groeneweg en Dorpsstraat een doorgaande wegverbinding aangelegd voor autoverkeer. In dijkvak 1 t/m 3 worden geen waterhuishoudkundige maatregelen getroffen, aangezien hier geen wateroverlast wordt verwacht. In dijkvak 5 neemt, door de uitbreiding van het projectgebied richting rivierzijde, het afstromend oppervlak aan de landzijde van de dijk toe. Gelet op het huidige watersysteem is de verwachting dat dit watersysteem de uitbreiding van het grondoppervlak aan kan. In dijkvak 6 is er op één plek directe fysieke impact op het watersysteem, namelijk waar de dijkophoging de watergang ‘Ziep’ doorsnijdt. In dijkvak 6 wordt een klein deel van de Ziep gedempt.
Om de aansluiting van de Ziep met het doorlaatwerk te herstellen, wordt de Ziep verlegd en wordt de duiker hersteld. Ten gevolge van de dijkversterking wordt hier een deel van de watergang/wateroppervlak gedempt. Dit moet 1 op 1 (in termen van oppervlak) gecompenseerd worden. Dit wordt gerealiseerd door een nieuwe verbinding van de Ziep met het doorlaatwerk aan te leggen.
6.3 Chemische en ecologische kwaliteit Deze paragraaf toetst het Projectbesluit aan de doelstelling van de Omgevingswet: bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Geconcludeerd wordt dat door de uitvoering van de maatregelen en met in achtneming van de maatregelen uit dit Projectbesluit geen negatieve effecten op de fysische-chemische kwaliteit van oppervlaktewater optreden en de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater niet noemenswaardig nadelig wordt beïnvloed.
6.3.1 Kaderrichtlijn Water (KRW) en Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Voor de te doorlopen procedure moeten de effecten op de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden getoetst. In dit kader wordt getoetst aan het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (voorheen BPRW-toets: Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren). Binnen de begrenzing van het waterlichaam ‘Zandmaas’ worden in het kader van de dijkverbetering aanpassingen aan de Maas of haar oevers gedaan. Ten gevolge van het 10
Een heavescherm is een gesloten, verticale anti-pipingmaatregel. Het scherm voorkomt doorgaande erosie door de richting van de kwelstroom in de watervoerende laag onder de waterkering te veranderen: de pipinggevoelige horizontale stroming dwars op de dijk wordt door het scherm in een neerwaartse of zijwaartse richting gedwongen. Hierdoor neemt de weerstand tegen piping toe.
59
realiseren van de nieuwe haveningang neemt de oeverlengte af. Daarnaast wordt door het afgraven van de langsdam de oeverlengte verkort. Er is daardoor sprake van een negatief effect op de geplande en al uitgevoerde KRW-maatregelen. De huidige oevers zijn beperkt geschikt voor oeverplanten, maar kunnen wel van betekenis zijn voor macrofauna als hechtingssubstraat en kleine vissen om tussen te schuilen. Daarom worden deze effecten gecompenseerd door het creëren van nieuwe schuilplekken of het aanleggen van een verflauwing van de oever van de Maas en aanleg van rietvegetatie.
6.4 Vervulling van maatschappelijke functies Deze paragraaf toets het Projectbesluit aan de doelstelling van de Omgevingswet: vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Geconcludeerd wordt dat door de uitvoering van de maatregelen en met in achtneming van de maatregelen uit dit Projectbesluit geen negatieve effecten op de maatschappelijke functies optreden. De toetsing is breed ingestoken, waarbij niet alleen effecten van de dijkversterking op de vervulling van functies door het watersysteem zijn beoordeeld, maar ook de effecten op de omgeving. Hierdoor is ook een toetsing van de inpassing van de nieuwe dijk mogelijk gemaakt. De effectbeoordeling ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten wordt daarnaast nader toegelicht in Bijlage II.
6.4.1 Landschap en cultuurhistorie 6.4.1.1 Landschap Een groot deel van het plangebied bij Buggenum is in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (2021) aangewezen als natuurzone. Ten noorden van dijkvak 6 en 7 ligt een natuurgebied uit het Natuurnetwerk Limburg (NNL, voorheen: Goudgroene natuurzone) dat binnen het projectgebied valt (zie figuur 6.1). Binnen de NNL streeft de provincie naar behoud en beheer van bestaande natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Voor een beschrijving van de kenmerken van de NNL en mogelijke effecten wordt verwezen naar paragraaf 6.4.2.2. Het plangebied ligt ook binnen de Groenblauwe mantel (zie figuur 6.1). Aangezien voor het plangebied een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk is, is een motivering voor de activiteiten die binnen de Groenblauwe mantel plaatsvinden noodzakelijk. De kernkwaliteiten Groenblauwe Mantel zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening (2021). Het beleid binnen de Groenblauwe Mantel is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden. De kernkwaliteiten van de Groenblauwe Mantel zijn:
Groene karakter Visueel-ruimtelijk karakter Reliëf Cultuurhistorisch erfgoed Ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal
Deze kernkwaliteiten zijn nader beschreven in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (Provincie Limburg, 2009).
60
Figuur 6.1. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) en het werkterrein (blauw omlijnd) ten opzichte van het NNL (groene vlakken) en de Groenblauwe mantel (blauwe vlakken) Uit het inrichtingsplan (bijlage IV) blijkt dat er ten opzichte van de uitgangssituatie sprake is van een significante impact op de landschappelijke kernkwaliteiten.
6.4.1.1.1 Groene karakter De dijk wordt uitgevoerd als groene dijk, met zowel groene taluds als een groene kruin. Ook de voor beheer en agrarisch verkeer toegankelijke dijkovergangen zullen een groen karakter krijgen. Waar voor de aanleg van de dijk bomen en andere vegetatie verwijderd wordt, wordt deze op andere locaties ruimhartig gecompenseerd. Met name rond dijkvak 4 zal het groene karakter van het landschap worden versterkt. Voor de overige dijkvakken geldt dat de impact van de dijkversterking op het groene karakter als neutraal bestempeld kan worden. Het dijklichaam wordt ingezaaid met een inheems kruidenrijk grasmengsel (vanzelfsprekend passend binnen de voorwaarden voor erosiebestendigheid). Hiermee blijft de kernkwaliteit groene karakter van de Groenblauwe mantel in de landschappen rivierdal en velden behouden.
6.4.1.1.2 Visueel-ruimtelijk karakter De aanleg en ophoging van de dijk heeft ook invloed op de manier waarop de omgeving wordt beleefd, het visueel-ruimtelijke karakter van het landschap. Deze kernkwaliteit wordt door de aanleg van de nieuwe dijk aangetast. De dijk belemmert immers de mate waarin men over het landschap kan uitkijken en daarmee de manier waarop met name de openheid van het agrarische landschap wordt beleefd. In het deelgebied waar dit het sterkste speelt (dijkvakken 1, 2 en 3) is de dijk echter hier immers laag (doorgaans lager dan ooghoogte) en ligt langs de reeds iets hoger in het landschap liggende Arixweg (dijkvak 2) relatief dicht tegen de agrarische bedrijfsbebouwing. De openheid wordt hierdoor slechts in beperkte mate aangetast. Alleen in dijkvak 3 doorkruist de dijk een aantal laagtes (relicten van voormalige Maasgeulen) waar de dijk wat hoger boven het maaiveld uitsteekt. Hiermee worden deze laagtes in het landschap weliswaar ‘dichtgezet’ maar tegelijk wordt het kenmerkende reliëf hierdoor ook geaccentueerd. De dijk volgt verder vrijwel geheel de bestaande 61
perceelsgrenzen, waardoor de percelering niet wordt aangetast en geen agrarisch onbruikbare overhoeken ontstaan. Alleen voor dijkvak 1 is een tracé gekozen dat afwijkt van de perceelsgrenzen, maar hier zal in overleg met de grondeigenaar de perceelsgrens worden aangepast aan het dijktracé. De dijkversterking heeft dus een licht negatief effect op het visueel-ruimtelijke karakter van het landschap. Dit ligt anders in dijkvak 4. Hier doorsnijdt de hogere dijk een aantal landbouwpercelen en ontstaat er een duidelijk onderscheid tussen binnen- en buitendijkse percelen. Het ligt daarbij echter voor de hand dat de eigenaar de buitendijkse percelen niet langer in agrarisch gebruik zal houden en mogelijk zelfs afstoot. Dit biedt kansen om deze percelen te ontwikkelen tot natuurgebied, in aansluiting op de Maasoever en het natuurontwikkelingsproject Bouxweerd. De dijk zou hiermee in de nieuwe situatie een natuurlijke grens kunnen vormen tussen de binnendijks gelegen agrarische percelen en het buitendijkse natuurgebied. De dijk ordent hiermee dus het landschap, waarmee deze ook ruimtelijke kwaliteit toevoegt. Daarnaast wordt de kom van het voormalige koelwaterkanaal aangepast om aan de norm voor dwarsstroming te voldoen. Deze aanpassing biedt kansen om langs de oever van de Maas een luwe zone te creëren met naar verwachting hoge natuurwaarden.
Qua ruimtelijk-visueel karakter gaat er hier dus veel verloren, maar wordt er in potentie ook veel toegevoegd. In dijkvak 5 wordt de huidige strekdam door de dorpsbewoners hoog gewaardeerd als ommetje en de nog aanwezige historische keermuur met de daarnaast staande notenboom heeft als bijzondere plek aan de Maas voor veel mensen een grote betekenis. Deze plek zal verdwijnen, maar vergelijkbare kwaliteiten worden op en onderlangs de nieuwe dijk teruggebracht. Zo zal er buitendijks op anderhalve meter boven stuwpeil een zitelement worden aangebracht dat op dezelfde wijze als de keermuur contact maakt met de Maas. Binnendijks komt de teen van de dijk verder van de Dorpsstraat af te liggen, waarmee onderaan de dijk ruimte ontstaat voor een recreatieve strook met eventueel kleine fruitbomen. Ter hoogte van café Het Veerhuis zal een trap over de dijk directe toegang verschaffen tot het zitelement aan de Maas. De recreatieve toegankelijkheid van de kruin van de dijk wordt zodanig uitgevoerd dat aantrekkelijke ommetjes mogelijk zijn zonder dat aanwonenden hiervan overlast ondervinden. Het effect van de dijkversterking op het ruimtelijk-visuele karakter wordt hiermee voor dit dijkvak als positief beoordeeld. De afmeervoorziening voor de recreatievaart zal in dijkvak 6 éénzijdig langs de dijk in het koelwaterkanaal gerealiseerd worden.
Dit geeft een rustiger beeld dan de huidige tweezijdige voorziening. Het voormalige koelwaterkanaal krijgt op deze plek door de afmeervoorziening een duidelijke nieuwe functie, hetgeen het ruimtelijkvisuele karakter ten goede komt. De huidige drijvende voetgangersbrug in dijkvak 5 wordt bovenstrooms van de afmeervoorziening over het koelwaterkanaal verplaatst, waardoor de binnen- en buitendijkse delen van het Buggenummerbroek ten opzichte van de huidige situatie directer met elkaar verbonden worden en nieuwe ommetjes mogelijk worden gemaakt. Het verder bovenstrooms gelegen gedeelte van het koelwaterkanaal zal door afscherming en mogelijk ook verondieping een natuurlijker karakter krijgen.