Collegemededeling 26nov24 over voorgenomen projectbesluit Waterschap Limburg dijkversterking Buggenum
Tekst van het document
Waterkeringen worden dan ook voor de lange termijn gebouwd: ervaring leert dat een optimale ontwerplevensduur voor een groene dijk zo’n 50 jaar is en voor een constructie 100 jaar. Waterschap Limburg anticipeert bij het ontwerpen van de waterkering dan ook op de onzekerheden die gedurende de levensduur van de kering kunnen optreden. Het waterschap hanteert de landelijk beschikbaar gestelde instrumenten, kennis en ervaring zoals onder meer opgenomen in het Ontwerpinstrumentarium (OI2014v4), landelijke leidraden en technische rapporten. De opbouw van de kering, de hoogte, het profiel, bekleding en constructieve elementen dienen tezamen de wettelijk vastgelegde hoogwaterveiligheid te bieden. Tegelijkertijd moet de kering niet onnodig “sterk” gebouwd worden: naast hogere investerings- en onderhoudskosten heeft een kering met grotere afmetingen meer impact op de omgeving. In dit Ontwerp Projectbesluit vindt dan ook een zorgvuldige afweging plaats van belangen, resulterend in een ontwerp van de waterkering. Zo maakt het waterschap keuzes bij het ontwerpen van de dijken. Het waterschap heeft hiervoor onder andere het “Afwegingskader type kering” (vastgesteld 11 maart 2020) opgesteld, waarop keuzes mede gestoeld zijn. Keuzes die uiteindelijk leiden tot de afmetingen van dijken. Bij het dijkontwerp rekent het waterschap met ontwerpuitgangspunten.
Deze uitgangspunten zijn op 10 juli 2019 door het Algemeen Bestuur van het Waterschap Limburg vastgelegd in de “Nadere uitwerking beleidsuitgangspunten dijkversterkingsprojecten” (documentnummer 2019-D38310). Een aantal van deze ontwerpuitgangspunten bepaalt in belangrijke mate de afmetingen van een dijk. Sommige uitgangspunten staan vast. Zo moet de dijk voldoen aan de wettelijk vastgestelde veiligheidsnorm. Dat is een harde eis. Er is een aantal ontwerpuitgangspunten die voor alle dijktrajecten in het HWBP-programma hetzelfde zijn of op nationaal niveau worden vastgesteld. Denk aan keuze klimaatscenario en de rivierkundige situatie (waterstand waarmee gerekend wordt). Bij andere uitgangspunten is het, mits goed onderbouwd, mogelijk 21
andere keuzes te maken dan de landelijk gebruikelijke uitgangpunten, en die afhangen van de lokale omstandigheden. Voorbeelden hiervan zijn het profiel en de faalkansbegroting. Ook beheeraspecten spelen een rol bij het ontwerp. De keuzes in de uitgangspunten staan niet op zichzelf. Elke keuze heeft namelijk voor- en nadelen die weer invloed hebben op andere afwegingen waar het waterschap rekening mee moet houden. In ieder geval wordt gekeken naar de beschermingsopgave, rivierkundige effecten, ruimtelijke kwaliteit, kosten, draagvlak, handelingsperspectief bij calamiteiten en beheer en onderhoud. Het waterschap kijkt zowel per project als naar het hele beheergebied van Waterschap Limburg. Alleen door al deze afwegingen mee te nemen, kunnen weloverwogen keuzes worden gemaakt.
4.3 (Geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten primaire doelstelling: versterkingsopgave De (geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten die voor Buggenum zijn gehanteerd, worden hieronder toegelicht. De techniek van de ontwerpuitgangspunten: de dijken die Waterschap Limburg aanlegt moeten, zoals hiervoor gesteld, voldoen aan de wettelijke overstromingsnorm. Dat is een eis die is vastgelegd in de Omgevingswet ten aanzien van de kans waarop een dijk faalt (overstroming). Voor Buggenum geldt een signaleringswaarde met een kans van 1/300e (overstromingskans per jaar) en een ondergrenswaarde van 1/100 per jaar. Daarnaast bepalen de volgende ontwerpuitgangspunten in belangrijke mate de afmetingen van een dijk: Rivierkundige situatie: hierbij gaat het over de waterstanden die je als uitgangspunt neemt. Het is gebruikelijk om het effect van toekomstige rivierverruimende maatregelen al mee te nemen in de berekening van de waterstanden. Dit vanuit de gedachte dat de maatregelen zorgen voor een lagere waterstand en dat bij lagere waterstanden de dijk minder hoog en/of breed hoeft te worden. Standaard worden die maatregelen meegenomen, die reeds gerealiseerd zijn of worden. In aanvulling daarop is afgesproken met het Rijk dat ook de maatregelen die in voorbereiding zijn meetellen. Het Rijk bepaalt welke maatregelen wel of niet meegenomen worden in de berekeningen.
Zo moet er een ruimtelijk besluit zijn genomen en moet er zicht op financiering zijn. Klimaatscenario: we weten dat het klimaat verandert. De mate waarin en in welke hoedanigheid is onzeker. Daarom heeft het KNMI voor de toekomstige ontwikkeling van het klimaat verschillende scenario’s opgesteld om inzicht te krijgen in de bandbreedte van de gevolgen. Er zijn twee scenario’s beschikbaar voor het berekenen van de dijkhoogte, waarvan het zogenaamde W+-scenario gebruikelijk is. Het andere scenario, het G-scenario, leidt tot een minder hoge dijk, maar heeft als risico dat de dijk mogelijk minder lang voldoet aan de norm dan met een W+ scenario en daardoor eerder moet worden versterkt. Vanwege de impact die werkzaamheden aan de dijk hebben op de omgeving, de omvang van de totale versterkingsopgave en het financiële risico hanteert het Waterschap Limburg de landelijke standaard, het W+ klimaatscenario (onderbouwing is “redeneerlijn keuze klimaatscenario” met reviewbrief door KNMI en TU Delft). Zichtjaar/levensduur: uitgangspunt voor de ontwerpbasis5, zoals de dijkbreedte, van een groene dijk is een levensduur van 50 jaar met zichtjaar 2075 en voor een constructie geldt een levensduur van 100 jaar met zichtjaar 2125. Overslagdebiet: dit is het water dat tijdens extreem hoogwater over de dijk komt door golven op de Maas. De wind veroorzaakt deze golven.
Bij het ontwerpuitgangspunt van het overslagdebiet (hoeveelheid water die over de dijk mag komen) is gekeken naar de gevolgen voor de kering, het beheer en onderhoud en het gebied achter de kering. Een hoger overslagdebiet zorgt voor een lagere dijk, maar ook voor hogere eisen aan het binnentalud en de hoeveelheid water die naar binnen stroomt (waterbezwaar). Waterschap Limburg gaat uit van een toelaatbaar overslagdebiet van 5 l/s/m, zodat de waterkering tot aan het moment van bezwijken te voet begaanbaar is en het binnendijkse waterbezwaar beheersbaar blijft. Deze waarde is gebaseerd op tabel 5 uit
5 Met uitzondering van de ontwerphoogte
22
het ontwerpinstrumentarium (OI2014v4) en in overleg met het waterschap gekozen. Een nadere onderbouwing van deze keuze is terug te vinden in de Technische Uitgangspunten Notitie (TUN) [lit. 4]. Faalkansbegroting: Er wordt gestart met de standaard faalkansverdeling vanuit het OI2014, (zie Tabel 1 in de technische uitgangspuntennotitie van 8 dec 23), omdat alle bezwijkmechanismen van toepassing kunnen zijn in dit normtraject. Op voorhand kan er niet één worden uitgesloten met bijvoorbeeld als reden dat het mechanisme fysiek niet op kan treden. Profiel: hierbij gaat het om de helling van het talud of de vorm van een constructie. Het profiel of de vorm van een dijk heeft effect op de golfoverslag en daarmee ook op de hoogte van de dijk. Gebruikelijk is vanuit het oogpunt van beheerbaarheid om voor een groene dijk een verhouding van 1 op 3 te hanteren en voor een constructie een verticale wand. Afhankelijk van andere overwegingen, zoals inpassing in het landschap, kan hiervan worden afgeweken. Bijvoorbeeld door een trapsgewijs talud aan te brengen of een minder steil talud. Het buitendijkse en binnendijkse talud, wordt als een standaard dijk 1 op 3 uitgevoerd. De aansluiting van nieuwe dijk met maaiveld in dijkvak 5 heeft in het VKA een talud van 1:10.
Dit is vrij steil, daarom wordt deze helling naar een flauwer talud van 1:20 gebracht om de ruimtelijke inpassing van de dijk ten opzichte van de aangrenzende woningen te optimaliseren.
4.4 Ontwerpuitgangspunten secundaire doelstelling: ruimtelijke kwaliteit Naast de waterveiligheidsopgave bestaan er diverse kansen om door slim en integraal te ontwerpen de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Hierbij kunnen mogelijk ook lokale gebiedskwaliteiten en initiatieven in de omgeving gekoppeld worden aan de dijkversterkingsopgave (de zogenaamde meekoppelkansen). In het ontwerp van de primaire waterkering is integraal gekeken naar deze onderwerpen.
4.4.1 Leidende principes voor het programma De technische versterkingsopgave van de dijktrajecten in Limburg resulteert in forse ruimtelijke ingrepen in het landschap. Om ruimtelijke kwaliteit integraal mee te kunnen nemen in het project zijn er leidende principes opgesteld in het document “Ruimtelijke kwaliteit Noordelijke Maasvallei - Visie & Leidende Principes” voor het HWBP en Waterschap Limburg [lit. 5]. Deze leidende principes bieden handvatten voor kwalitatief goede, doelgerichte en duurzame inpassing van waterveiligheidsmaatregelen voor de korte en lange termijn. De 5 leidende principes zijn: 1. Landschap leidend: de dijktracés sluiten zoveel mogelijk aan op het karakteristieke landschap van de Noordelijke Maasvallei en het dorpsfront van Buggenum wordt zoveel mogelijk versterkt; 2. Vanzelfsprekende dijken: het onderliggende landschap is leidend voor ligging en het profiel van de dijk, waarbij overgangen tussen dijkvakken en profielen op landschappelijk logische plekken liggen; 3. Contact met de Maas: bestaande en nieuwe routes en publieke pleisterplaatsen langs de Maas krijgen een heldere relatie met de Maas; 4. Welkom op de dijk: recreatief medegebruik van de dijk is uitgangspunt daar waar dit tot een verrijking voor de toeristische routestructuur of belevingswaarde leidt; 5.
Motor en fundament voor ontwikkeling: de dijkversterking is zoveel mogelijk een katalysator voor natuur- en landschapsontwikkeling, beekherstel of herstel van ‘fouten’ uit het verleden.
4.4.2 Kansen ruimtelijke kwaliteit voor Buggenum Het ontstaan van het dorp Buggenum aan de voormalige bocht in de Maas verklaart de karakteristieke ruimtelijke structuur van het dorp en de directe ruimtelijke relatie die het dorp van oorsprong heeft met de Maas. Deze relatie is na het droogvallen van deze rivierbocht minder direct geworden, maar is intact gebleven. Dit door het zicht over het open Buggenummerbroek, als drooggevallen rivierbocht, vanaf de aanliggende Dorpsstraat die aan één zijde bebouwd is gebleven met oriëntatie op de Maas. De Kop van het End had tot de aanleg van het koelwaterkanaal nog een directe ligging aan de Maas, hier was ook een kleine veerstoep die Buggenum verbond met de overzijde van de Maas. Er lag aan de achterkant van de Dorpsstraat een netwerk van hoogwaterpaden, waarover mensen in het verleden de woningen konden bereiken wanneer bij hoogwater de Dorpsstraat was ondergelopen. De sterke ruimtelijke relatie tussen het dorp en de Maas is in de loop van de eeuwen 23
steeds verder verslechterd. Zo is het Buggenummerbroek steeds meer versnipperd geraakt door de komst van de spoordijk ten behoeve van de spoorverbinding tussen Eindhoven en Roermond, en later met het gegraven koelwaterkanaal dwars door het Buggenummerbroek. Langs dit koelwaterkanaal is later in de 1995 een dijk gelegd, waardoor de barrière van het koelwaterkanaal tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel van het Buggenummerbroek nog meer is versterkt. Het Kop van het End als historisch contactpunt is daardoor ook afgesneden van de Maas. De belangrijkste ruimtelijke kwaliteitsopgaven voor Buggenum bestaat uit het herstellen van de ruimtelijke relatie tussen het dorp en de Maas. Dit wordt mogelijk gemaakt door de verwijdering van het langs de Dorpsstraat gelegen koelwaterkanaal en de strekdam. De strekdam is in de huidige situatie dé plek waar met name de dorpsbewoners contact met de Maas maken. Deze situatie zal dus zorgvuldig moeten worden teruggebracht. Verdere opgaven betreffen het realiseren van een logisch ligging en verloop van het dijktracé, een uniform dijkprofiel en een clustering van op en aan de dijk aan te brengen elementen zoals rust- en uitkijkpunten, dijkovergangen, duikers, loswallen en aanlegplaatsen.
Door het deels verleggen van het huidige dijktracé en het opruimen van de strekdam kan er meer ruimte worden gecreëerd, waardoor met name het Kop van het End weer aan de Maas ligt. Dit kan bereikt worden door de dijkversterkingsopgave te combineren met een verdere ruimtelijke ontwikkeling van het Buggenummerbroek en Kop van het End. Belangrijke uitgangspunten vanuit ruimtelijke kwaliteit daarvoor zijn het behoud van de openheid, verblijfskwaliteit en toegankelijkheid van het Buggenummerbroek, en de herinrichting van het Kop van het End waarbij een groene dijk toegepast wordt.
4.4.3 Ontwerpopgaven en -eisen vanuit ruimtelijke kwaliteit De leidende principes vanuit ruimtelijke kwaliteit die van toepassing zijn in Buggenum, zijn nader uitgewerkt in ontwerpopgaven en -eisen (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De hiervoor beschreven ontwerpprincipes en andere opgaven zijn als volgt vertaald in concrete ontwerpopgaven: Zorg voor continuïteit en hiërarchie in de hoofdrichting van de dijk met haar taluds. Dwarsrichtingen zoals dijk op – en overgangen dienen te worden vormgeven als secundaire structuren. Dijk op- en overgangen dienen vloeiend, vanzelfsprekend en compact te worden vormgegeven. Zorg voor goede aansluiting van beheerpaden. Afritten van beheerpaden dienen zoveel mogelijk gecombineerd te worden met hoge grond of afritten van andere infrastructuur. Zorg voor logische overgangen van verschillende dijkprofielen en -materialen, gecombineerd met een goed functionerende infrastructuur. Profilering en materiaalgebruik moet aansluiten bij herkenbare routing, functie en gebruik, zoals fietspaden, herkenbaar rondje Ohéstraat, nieuwe haven, Kop van het End. Technische elementen als pomplocaties en duikers dienen integraal onderdeel uit te maken van het ontwerp. Compensatie en mitigatieopgave (zoals natuur en rivierkundig) dient te worden bepaald en integraal onderdeel uit te maken van het plan.
Deze kunnen als volgt concreet worden vertaald in eisen die aan de vormgeving van de dijk en de daaraan toegevoegde elementen kunnen worden gesteld: Het dijktracé dient een logische lijn te volgen die zoveel mogelijk aansluit bij het onderliggende landschap, bestaande uit de Maasoever, het koelwaterkanaal, rivierterrassen en geulrestanten, en ‘soepel’ om tegen hoogwater te beschermen objecten zoals woon- bedrijfsbebouwing heen wordt ‘gedrapeerd’. Het dijklichaam krijgt een uniform profiel met een kruinbreedte van 4,5 meter en zowel binnen- als buitendijkse taluds met een helling van 1:3. Knikken en andere onderbrekingen in de taluds (ten behoeve van dijkovergangen en beheerpaden) dienen tot een minimum gereduceerd te worden. Op en aan de dijk aan te brengen elementen zoals rust- en uitkijkpunten, dijkovergangen, duikers, loswallen en aanlegplaatsen dienen zoveel mogelijk geclusterd te worden en in samenhang ontworpen te worden. 24
In het definitieve ontwerp (DO) zijn de ontwerpopgaven en -eisen aan de hand van bovenstaande leidende principes uitgewerkt. Hierbij is steeds een balans gezocht tussen collectieve (regionale) en individuele (lokale) belangen. In overleg met terreineigenaren en dorpsbewoners is voortbouwend op het voorlopige dijkontwerp (VO) gezocht naar maatwerkoplossingen die beide belangen verenigen. Dit heeft ertoe geleid dat zowel het dijktracé (in dijkvakken 1 en 4) als de locatie en de inpassingen van de dijkovergangen zijn aangepast. Ook is zowel vanuit de opgave om een uniform dijkprofiel meten een groene kruin te realiseren als vanuit wensen van aanwonenden gekozen voor het minimaliseren van fiets- en landbouwverkeer op de dijk. Het wandelen op de dijk is gezoneerd, waardoor de delen waar de dijk dicht langs de woonbebouwing ligt zoveel mogelijk worden ontzien in verband met privacy van aanwonenden. Hiertoe zijn niet alleen (deels in dijkovergangen geïntegreerde) hekken voorzien, maar is vooral het wandelen onderaan de dijk (zowel binnen- als buitendijks) zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt. Het DO-ontwerp wordt hierna per dijkvak nader toegelicht.
4.5 Het ontwerp Op de plankaart is het uiteindelijke DO-ontwerp met dwarsprofielen weergegeven (zie ook figuur 4.1). Hieronder volgt een beschrijving van het ontwerp per deelgebied.
Figuur 4.1: DO-ontwerp voor dijkversterking Buggenum
4.5.1 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 1 t/m 4 In deeltraject 1 (dijkvak 1, 2, 3 en 4) ligt in de huidige situatie nog geen dijk, behalve in een deel van de Groeneweg in dijkvak 3. De nieuw aan te leggen dijk in dijkvak 1, loopt ten noorden van het perceel van Arixweg 18 over de landbouwpercelen om aan te sluiten op de noordelijke hoge grond bij de Spitwitweg. Er wordt in dijktraject 1 een binnendijkse kleikist aangebracht als pipingmaatregel. De dijk loopt in dijkvak 2 over de oostelijk gelegen landbouwpercelen langs de Arixweg en in dijkvak 3 over de noordelijk gelegen landbouwpercelen langs de Groeneweg. Het eigendom van de gronden waarop de dijk komt te liggen wijzigt. Dit gaat van de particuliere en gemeentelijke eigenaren naar het eigendom van Waterschap Limburg. Alle percelen blijven bereikbaar 25
door middel van dijkovergangen of een kavelpad (dijkvak 2). De achtergelegen dorpskern is na de aanleg van de dijk, beschermd tegen hoogwater volgens de nieuwe wettelijke veiligheidsnorm. Binnen dijkvak 3 is een deel van de Groeneweg in de huidige situatie aangewezen als primaire kering. De huidige kering wordt opgehoogd en loopt aan de noordelijke kant langs de Groeneweg. Er wordt een groene dijk aangelegd met een binnendijkse kleikist. Het dijktracé is in de overgang van dijkvak 3 en 4 schuin over de Groeneweg gelegd, zodat de bestaande verbinding tussen de Groeneweg en de Groezeweg hersteld kan worden. Dit ontwerp houdt er rekening mee dat de dijkovergang buiten de verstoringscontour van de dassenburcht ligt. In dijkvak 4 wordt ook een groene dijk aangelegd met binnendijkse kleikist. Vanaf de coupure volgt de kering in dijkvak 4 weer de huidige ligging van de bestaande kering over de Dorpsstraat.
4.5.2 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 5 en 6 In deeltraject 2 (dijkvak 5 en 6) ligt de huidige dijk langs de Dorpsstraat en loopt door over de Ohéstraat. Bij de Dorpsstraat (dijkvak 5) wordt de langsdam naast het oude koelwaterkanaal vergraven. De vrijgekomen materialen worden waar mogelijk gebruikt om de nieuwe dijk en de ophogingen van de bestaande dijk mee te realiseren. De nieuwe dijk bij de Dorpsstraat komt verder richting de Maas te liggen en wordt met 2 meter verhoogd ten opzichte van de huidige dijk. De insteek van de dijk (teen) komt op de locatie van de huidige dijk te liggen. En de dijk loopt vanaf hier tot in het koelwaterkanaal. Dit kanaal wordt dus ter plaatse gedempt. Als pipingmaatregel wordt een klei-inkassing aan de buitendijkse zijde toegepast. Om dwarsstroming op de Maas ten gevolge van de verwijderde langsdam te voorkomen, wordt de draaikom bij de ingang van het koelwaterkanaal deels opgevuld met vrijgekomen (laagwaardig) materiaal uit de langsdam. Hiermee wordt een glooiende waterbodem gecreëerd, waarmee de dwarsstroming afneemt. Wat tevens bijdraagt aan de vergroting van de lengte van ecologisch relevant areaal voor de Kaderrichtlijn Water (zie ook paragraaf 7.3.4). De huidige jachthaven in het koelwaterkanaal wordt verplaatst naar dijkvak 6, ter plaatse van de nu tijdelijke aanwezige loskade voor de botenkraan.
Dit ter compensatie, omdat de jachthaven niet op de huidige plek kan blijven liggen. Het definitief maken van de loswal wordt als meekoppelkans in dit project meegenomen (zie paragraaf 4.9). In dijkvak 6 loopt de te versterken dijk aan de buitenzijde van het Buggenummerbroek. Het tracé volgt hier de huidige kering die loopt vanaf Kop van het End (waar de kering aansluit op de Dorpsstraat) langs het koelwaterkanaal van de voormalige Nuon Centrale tot aan het spoorlichaam. Tussen de Dorpsstraat en de toerit aan de Ohéstraat is geen pipingopgave meer, behalve ter plaatse van de kruising van de overstortleiding. Hier wordt aan beide zijden van de leiding een pipingscherm aangebracht. Tussen de Ohéstraat en het spoor is wel een pipingopgave. Deze wordt opgelost met een pipingscherm tussen de toerit aan de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde. Het hiervoor toepassen/hergebruiken van de vrijkomende damwand uit de bestaande nooddijk in dijkvak 5 wordt gezien als een kans. In het zuidelijk deel van dijkvak 6, tussen de beheertoerit aan het spoor, waar pipingmaatregelen niet maakbaar zijn, is gekozen voor een achterlandverbetering waarbij een pipingberm/ophoging van het achterland wordt toegepast. Dit omdat het ongewenst is vanwege omgevingsbeinvloeding van het spoor een damwand aan te brengen. De afwatering en ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd.
4.5.3 Deelgebied 3 Spoordijk: dijkvak 7 In deelgebied 3 (dijkvak 7) is de dijkversterkingsopgave vervallen, doordat is aangetoond dat de spoordijk Roermond – Eindhoven fungeert als hoge grond en de waterveiligheid gedurende 50 jaar voldoende borgt. Hiervoor wordt een bestaande dassentunnel tussen het OML-terrein en Buggenummerbroek afgesloten, omdat deze ervoor zorgt dat de hoge grond “lek” is. Het heeft de voorkeur om ter plaatse van de dassentunnel een grondwalletje van ca 30 cm hoog aan te leggen op een hoogte van NAP +22m. De dassen kunnen op deze wijze nog wel gebruik maken van de tunnel. 26
In de paragrafen hierna zijn de ontwerpkeuzes ten opzichte van het referentieontwerp (VKA) per dijkvak nader toegelicht aan de hand van de ontwerpprincipes. De uitgebreide onderbouwing van het ontwerp is terug te vinden in de Ontwerpnota definitief ontwerp (bijlage VIII-B).
4.6 Ontwerpkeuzes per dijkvak 4.6.1 Inleiding Aan het ontwerp van de dijkverbetering liggen keuzes ten grondslag. In deze paragraaf worden eerst de ontwerpfilosofie en ontwerpuitgangspunten toegelicht, waarna een toelichting van de ontwerpkeuzes per dijkvak wordt gegeven.
4.6.1.1 Ontwerpfilosofie Er is een drietal leidende principes bepalend voor de ontwerpkeuzes. Deze principes zijn circulariteit, sober en doelmatig en ruimtelijke inpassing. 1. Circulariteit: Waterschap Limburg heeft de ambitie om dijkverbetering Buggenum het meest circulaire dijkversterkingsproject van Nederland te maken. Hiervoor wordt zo veel mogelijk circulair gewerkt met hergebruik van vrijkomende materialen uit het gebied zelf. Voor de dijkversterking is gewerkt op basis van de principes van grondgestuurd ontwerpen. Hiermee wordt toepassing van zo veel mogelijk gebiedseigen grond mogelijk gemaakt. De nieuwe kleibekleding voor het gehele dijktraject bestaat uit schrale klei. Dit type klei komt van nature veel voor in de omgeving van het project. In combinatie met een gesloten biodiverse grasbekleding biedt de schrale kleibekleding voldoende sterkte. Uit het ecogeochemisch onderzoek is gebleken dat de huidige toplaag van de langsdam zonder extra bemesting grotendeels hergebruikt kan worden in het substraat voor de nieuwe dijkbekleding. 2. Sober en doelmatig: Waterschap Limburg werkt binnen de kaders van sober en doelmatig. Sober betekent dat primair de dijkversterkingsmaatregelen met als zichtjaar 2075 worden uitgevoerd die nodig zijn voor de versterkingsopgave. Daarnaast worden inpassingsmaatregelen uitgevoerd waarbij de huidige functionaliteiten wordt teruggebracht.
Nieuwe functionaliteiten betreffen meekoppelkansen. De financiering hiervoor wordt geborgd bij derden. Doelmatig betekent dat integrale ontwerpafwegingen worden gemaakt op prestaties, kosten en risico’s; 3. Ruimtelijke inpassing: Waterschap Limburg past de dijk samenhangend als een nieuw maar vanzelfsprekend element in het landschap in. Hiertoe worden de vijf leidende principes uit het document ‘Ruimtelijke kwaliteit Noordelijke Maasvallei’ toegepast. Concreet betekent dit dat het dijktracé zo veel mogelijk bestaande landschappelijke structuren volgt met een vloeiende lijn door het landschap. Het aantal (scherpe) knikpunten wordt zoveel mogelijk beperkt. De dijk en versterkingsmaatregelen worden zo veel mogelijk ingericht op multifunctioneel ruimtegebruik. Hierbij is aandacht voor de verbinding tussen het dorp Buggenum en de Maas. Waar mogelijk worden kansen voor recreatief medegebruik benut. In de toelichting van de ontwerpkeuzes in het DO 7(bijlage VIII-B) en het inrichtingsplan (bijlage IV) wordt weergegeven welk leidend principe heeft geleid tot de betreffende ontwerpkeuze.
4.6.1.2 (Geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten Algemene ontwerpuitgangspunten die zijn aangepast op basis van nadere inzichten zijn: Voor het faalmechanisme overloop en overslag (GEKB) is een herbeschouwing van de versterkingsopgave gedaan met de meest recente afvoerstatistiek in het rekenprogramma Hydra-NL, v.2.8.2. Hierin zijn rivierverruimingen bovenstrooms in Limburg en Wallonië meegenomen in de hydraulische randvoorwaarden. Dit resulteert voor dijkvakken dijkvak 5 en 6 in een lagere kruinhoogte. In dijkvak 7 is de versterkingsopgave vervallen, doordat het spoor technisch fungeert als hoge grond. Voor de faalmechanismen stabiliteit binnen- en buitenwaarts is aangetoond dat er geen versterkingsopgave is. Voor (steen)bekleding wordt de versterkingsopgave momenteel uitgewerkt. Uitgangspunt voor het DO is dat de sortering van huidige steenbestorting (10/60kg) kan worden teruggebracht. Voor het faalmechanisme piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave voor de dijkvakken 1, 3, 4 t/m 6. In het DO is de versterkingsopgave voor dijkvak 1, 3 en 4 geoptimaliseerd d.m.v. Mseep 27
berekeningen uit te voeren op het deelmechanisme heave. Hierdoor wordt het mogelijk de pipingmaatregel in dijkvak 4 uit te voeren middels een kleikist. In dijkvak 6 is de dimensionering van de pipingmaatregelen berekend op basis van het deelmechanisme opbarsten en het nader grondonderzoek. Uit de berekening blijkt dat 250m tussen Dorpsstraat en Ohéstraat in dijkvak 6 blijkt te voldoen aan het faalmechanisme piping op basis van de dikte van de deklaag. Alleen het gedeelte ter plaatse van de toekomstige kruising met de overstortleiding voldoet niet op piping, hier moet 20 meter aan beide zijden van de overstortleiding een pipingscherm worden gerealiseerd. In dijkvak 6 liggen twee waterkerende kunstwerken, namelijk de overstortleiding van het bergbezinkbassin en het doorlaatwerk (uitwateringsduiker) voor de Ziep. Voor deze kunstwerken is er een veiligheidsopgave op basis van de faalmechanismen betrouwbaarheid sluiten en piping. Door verleggen en verbreden van de dijk is handhaven op de huidige locatie niet meer mogelijk. De overstortleiding en doorlaatwerk voor de Ziep worden op een nieuwe locatie gerealiseerd. De locatie van het doorlaatwerk voor de Ziep wordt gesitueerd naast een loswal voor boten (meekoppelkans). De afmeervoorzieningen worden verplaatst naar de nieuwe locatie in het koelwaterkanaal.
Uit inspectie is gebleken dat alleen een klein deel van de drijvende steigers mogelijk hergebruikt kan worden. In de nadere planuitwerking is gebleken dat het afgraven van de langsdam een meer circulaire dijkversterking mogelijk maakt omdat er naar verwachting ca. 110.000 m3 herbruikbaar materiaal vrij komt. Dit maakt de oplossing voor de het Hoogwaterbeschermingsprogramma doelmatig. Hierdoor is er sprake van een aanzienlijke kostenbesparing door vermeden kosten voor aankoop van materiaal voor de dijkversterking, tegenover een relatieve kleinere kostenpost voor compenserende maatregelen voor verplaatsen aanlegplaatsen, maatregelen dwarsstroming en compensatie KRW. De benodigde KRW-compensatie vormt de kans om in samenhang met de beoogde KRW-maatregel Bouxweerd (van Rijkswaterstaat) in samenhang een meer hoogwaardige ecotoop te ontwikkelen met meerwaarde voor de aquatische ecologie.
4.6.2 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 1 4.6.2.1 Het ontwerp Het ontwerp van dijkvak 1 betreft, net als het VKA, een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden (zie figuur 4.2). Het ontwerp is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. Het ontwerp biedt aanvullende bescherming aan achterliggende woningen. De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.3).
4.6.2.2 Ruimtelijke inrichting In dijkvak 1 maakt de dijk de aansluiting met de hoge grond. Om het aantal dijkovergangen te minimaliseren is ervoor gekozen de aansluiting daar te maken waar de Spirwitweg op kruinhoogte komt. De dijk start dus naast de Spirwitweg, waardoor hier geen dijkovergang nodig is en beheervoertuigen direct vanaf de Spirwitweg de dijkkruin op kunnen rijden. Richting het zuidoosten komt de dijk als het ware geleidelijk uit het maaiveld naar boven en koerst deze in een rechte lijn af op de dijkovergang met de Arixweg. Hier wordt de knik in de dijk als het ware onder de bestaande verharde weg geschoven. Ook de Holpotterweg wordt gepasseerd met een lage dijkovergang (zie bijlage IV Inrichtingsplan).
28
Figuur 4.2 Ontwerp dijkvak 1
Figuur 4.3 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 1
4.6.2.3 De ontwerpkeuzes De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 1 (zie figuur 4.4):
De as van de dijk is ten opzichte van het voorkeursalternatief (VKA) met ca. 30 meter in noordelijke richting verschoven in overleg met de grondeigenaren. Dit waarborgt de toegang tot de loods aan Arixweg 18 voor landbouwverkeer uit de richting van Neer en Buggenum. De dijkovergang ter plaatse van de Holpotterweg is landschappelijk geoptimaliseerd, zodat het kruisingsvlak en de dijk tussen de Arixweg in één rechte lijn komen liggen. Het verschuiven van de dijk heeft als voordeel dat de aansluiting met hoge grond bij de Spirwitweg beter ingepast is. Deze wordt namelijk niet meer gekruist, waardoor een overgang niet meer noodzakelijk is. Deze variant is akkoord voor de grondeigenaren. Het is ook een goedkopere variant dan het voorkeursalternatief en daarmee in lijn met sober en doelmatig. De vormgeving van de oprit van de Arixweg is zodanig dat het talud van de overgang aaneengesloten is met de dijk en er geen kiel ontstaat. Ook is rekening gehouden met de eisen vanuit beheer (bochtstraal van de teen is 10 meter).
29
Het verplaatsen van de dijk zorgt voor minder grondverzet voor de aanleg ten opzichte van het VKA. De dijk wordt weliswaar iets langer, maar komt ook op hogere grond te liggen. De dijk komt ter plaatse van de Arixweg heel beperkt in het winterbed liggen. Na vaststelling van het VKA is geconstateerd dat er een pipingopgave is in dijkvak 1. Door het verplaatsen van de waterkering wijzigt ook de pipingopgave licht; het verval wordt namelijk kleiner, omdat de gronden aan de binnendijkse zijde hoger zijn gelegen. Ter plaatse van de overgang naar de hoge grond aan de Spirwitweg is er geen pipingopgave. Achterloopsheid kan hier dus ook worden uitgesloten. De maximale lengte voor een verticale pipingmaatregel is zodanig klein, dat volstaan kan worden met een kleikist ter plaatse van de binnenteen. Het aanbrengen van een kleikist brengt lagere kosten voor aanleg en grondverwerving met zich mee t.o.v. een voorlandverbetering.
Figuur 4.4 Ontwerpkeuzes dijkvak 1
4.6.3 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 2 4.6.3.1 Het ontwerp Het ontwerp van dijkvak 2 betreft, net als het VKA, een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden (zie figuur 4.5). Het ontwerp is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. Het ontwerp biedt aanvullende bescherming aan achterliggende woningen. De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.6).
30
Figuur 4.5 Ontwerp dijkvak 2
Figuur 4.7 Ontwerpkeuzes dijkvak 2
Figuur 4.6 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 2
4.6.3.2 Ruimtelijke inrichting Dijkvak 2 volgt de oostzijde van de Arixweg tot aan de kruising met de Groeneweg. De lage dijk wordt zo dicht mogelijk tegen de weg gepositioneerd. Oostelijk van de dijk is een kavelpad voorzien, waarmee de buitendijks gelegen percelen vanaf de dijkovergang met de Arixweg worden ontsloten. Aanvullend is in het verlengde van de Poelakkerweg een lage dijkovergang voorzien, aangevuld met een daaraan gespiegelde dijkovergang voor kavels van een andere terreineigenaar. Onderaan deze dijkovergang en op de dijkovergang met de Arixweg worden hekken geplaatst om het wandelen en fietsen op de kruin van dit dicht langs woonbebouwing lopende dijkvak te ontmoedigen (zie bijlage IV Inrichtingsplan).
4.6.3.3 De ontwerpkeuzes De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 2 (zie figuur 4.7):
In dijkvak 2 komt de dijk tussen bedrijfsgebouwen aan de Arixweg en landbouwpercelen te liggen. In de huidige situatie is het voor perceeleigenaren aan de westzijde van de Arixweg mogelijk om vanaf elk punt hun landbouwpercelen aan de oostzijde van de Arixweg te betreden. Dit is door de aanleg van de dijk niet meer mogelijk. Door de aanleg van de dijk wordt deze functionaliteit weggenomen, omdat alle bestaande 31
gelijkvloerse perceeltoegangen vervallen. De functionaliteit van toegang tot de landbouwpercelen wordt hersteld door de aanleg van een buitendijks kavelpad als inpassingsmaatregel bij de dijkovergang van de Arixweg. Het kavelpad is toegankelijk vanaf de Arixweg. Dit kavelpad bestaat uit betongranulaat en wordt 3,5 m breed en ligt 2 meter vanaf de buitenteen. Hier ligt de klei-inkassing die vrij moet blijven van insporing door landbouwvoertuigen. Het kavelpad is hiermee vanuit de richting Neer bereikbaar. Bij de Poelakkerweg wordt een tweede dijkovergang gerealiseerd. Deze dijkovergang ligt in een logische landschappelijke lijn met de Poelakkerweg. Om de opgang naar de dijk te ontmoedigen in verband met privacy van de bewoners, worden aan beide zijden van de Arixweg toegangspoorten geplaatst. Ter plaatse van de binnendijkse zijde van de dijkovergangen aan de Arixweg komen toegangspoorten voor de landeigenaren.
4.6.4 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 3 4.6.4.1 Het ontwerp Binnen dijkvak 3 is het deel Groeneweg in de huidige situatie aangewezen als primaire kering. De huidige kering in dijkvak 3 wordt verlegd en loopt verder op de landbouwpercelen langs de Groeneweg (zie figuur 4.8). Er wordt een groene dijk aangelegd met een kleikist (in plaats van een voorlandverbetering of pipingscherm zoals opgenomen in het VKA). De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.9).
Figuur 4.8 Ontwerp dijkvak 3
Figuur 4.9 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 3 32
4.6.4.2 Ruimtelijke inrichting Bij de kruising van de Arixweg en de Groeneweg maakt de dijk een knik naar het oosten en volgt deze de noordzijde van de Groeneweg. De dijk wordt hier langzaamaan iets hoger, met name daar waar deze twee oude geulrelicten kruist. Net als bij de Arixweg wordt bij de dijkovergang van de naar het noorden afbuigende Wijnaardenweg het dijklichaam onder het tracé van de verharde weg geschoven. Om de realisatie van de dijk en de dijkovergang op deze plek mogelijk te maken zal een karakteristieke boom gerooid moeten worden. Deze wordt in de nabijheid van de dijkovergang gecompenseerd. Op de dijkovergang is een zitelement voorzien, dat uitzicht biedt op het Buggenumse veld. Verder naar het oosten is tevens een dijkovergang voor landbouwverkeer voorzien. Deze ontsluit de meer oostelijk gelegen agrarische percelen. Ook hier is het dijklichaam weer onder het tracé van de Groeneweg geschoven, die in zijn loop over dijk voorzien zal worden van halfverharding. De verharde weg wordt geheel binnendijks aangesloten op de Dorpsstraat, waardoor hier geen dijkovergangen nodig zijn en de bestaande coupure vervalt (zie bijlage IV Inrichtingsplan).
4.6.4.3 De ontwerpkeuzes
Figuur 4.10 Ontwerpkeuzes dijkvak 3 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 3 (zie figuur 4.10):
Ten opzichte van het voorkeursalternatief (VKA) is de splitsing Groeneweg - Wijnaardenweg versoberd. In het VKA was er een aanvullende verbinding tussen de Groeneweg en de Wijnaardenweg, komend vanuit oostelijke richting (Dorpsstraat). Omdat deze verbinding een aanvullende functionaliteit biedt ten opzichte van de huidige situatie, is deze niet subsidiabel. Vanwege het aanvullende ruimtebeslag is deze toerit daarom vervallen. De bochtstraal van de aansluiting tussen Groeneweg naar de Wijnaardenweg wordt gehandhaafd, waarmee de huidige functionaliteit wordt behouden. De markante boom en het bankje op de huidige kruising van de Groeneweg worden verplaatst naar de buitendijkse kant van de Wijnaardenweg (10 m uit de dijkteen) en een zitplek op de dijk. 33
Het dijktracé is in de overgang van dijkvak 3 en 4 (in tegenstelling tot de haakse hoek in het VKA) schuin over de Groeneweg gelegd, zodat de bestaande verbinding tussen de Groeneweg en de Groezeweg hersteld kan worden. Dit ontwerp houdt er rekening mee dat de dijkovergang buiten de verstoringscontour van de dassenburcht ligt. Voor faalmechanismen piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave in dijkvak 3. Er wordt een kleikist aangelegd in plaats van een pipingscherm of voorlandverbetering (zoals opgenomen in het VKA). Een kleikist brengt lagere kosten en een kleiner ruimtebeslag met zich mee.
4.6.5 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 4 4.6.5.1 Het ontwerp In dijkvak 4 wordt een nieuwe groene dijk aangelegd met een kleikist (i.p.v. een pipingscherm zoals opgenomen in het VKA) buiten de verstoringscontour van de dassenburcht aan de Groeneweg. Vanaf de coupure in de Dorpsstraat volgt de kering in dijkvak 4 weer de huidige ligging van de bestaande kering (zie figuur 4.11). De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m en de taludhellingen zijn 1:3 (figuur 4.12).
4.6.5.2 Ruimtelijke inrichting Vanaf het knikpunt tussen dijkvakken 3 en 4 begint de dijk zich sterker boven het maaiveld te verheffen. De dijk doorkruist hier een aantal agrarische percelen. Het dijktracé is zo gekozen dat er binnendijks een zo goed mogelijk bruikbaar stuk land overblijft om het gebruik als boomkwekerij voort te zetten en dat de dijk buiten de verstoringscontour van de buitendijks gelegen bewoonde kunstburcht voor dassen komt te liggen. Het deel van deze percelen dat buitendijks komt te liggen zal mogelijk een meer extensief agrarische of natuurlijk karakter krijgen, hetgeen zou leiden tot een logische positie van de dijk als scheidlijn tussen natuur en landbouw (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De oever van de Maas wordt geoptimaliseerd om dwarsstroming tegen te gaan en hoogwaardige ecotopen te realiseren voor de compensatie voor de Kaderrichtlijn Water. Dit wordt bereikt door in lijn met steenbestorting van dijkvak 5 circa anderhalve meter boven het stuwpeil van de Maas een vooroever met openingen aan te leggen die deze kom afschermt van de (stroming van de) Maas (zie figuur 4.13). In het tussen de huidige oever en deze dam liggende gebied ontstaat zo een meer natuurlijke oever, hetgeen als habitat een wezenlijke toevoeging is aan de ecologie van dit deel van de Maas.
De dam wordt middels twee bruggen aan te sluiten op het buitendijkse wandelpad van dijkvak 5. Hierdoor ontstaat een interessant ommetje, dat wandelaars zal stimuleren om niet op, maar onderlangs de dijk te gaan lopen. Vanaf het knikpunt met dijkvak 5 wordt een dijkovergang voor fietsers en landbouwverkeer gerealiseerd. Deze sluit de binnendijks gelegen Dorpsstraat aan op de buitendijks gelegen Groezeweg. Tevens wordt in het verlengde van de Dorpsstraat richting de buitendijks gelegen laan met lindes aan weerszijden middels een trap een dijkovergang voor voetgangers gerealiseerd. Zowel deze trap als de hieronder beschreven trap tegenover café het Veerhuis zullen worden voorzien van een hek om het tussen beide trappen gelegen deel van de dijk minder toegankelijk te maken voor wandelaars en fietsers.
34
Figuur 4.11 Ontwerp dijkvak 4
Figuur 4.12 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 4
Figuur 4.13 Principe dwarsdoorsnede kom
35
4.6.5.3 De ontwerpkeuzes
Figuur 4.14 Ontwerpkeuzes dijkvak 4 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 4 (zie figuur 4.14):
Het dijktracé is ten opzichte van het VKA buitenwaarts verschoven waardoor de agrarische percelen binnendijks blijven en om te zorgen dat de bedrijfsvoering van de boomgaard voortgezet kan worden. Het tracé komt buiten de verstoringscontour van de dassenburcht (kunstburcht) aan de Groeneweg te liggen en wordt daarmee vergunbaar. Ook worden scherpe knikken in het dijktracé zoals opgenomen in het VKA voorkomen. In dijkvak 4 worden maatregelen tegen graafschade van dassen gerealiseerd d.m.v. een gaas op het dijktalud en in de dijkteen. Hierbij is de lengte van de maatregel tegen graafschade beperkt tot het deel van de dijk waar het risico op graafschade het grootst is. Dit is ter plaatse van de hoofdburcht, waar de begroeiing gehandhaafd blijft. In Buggenum ontstaat de voor dijkversterkingen unieke situatie dat een habitat met rust- en verblijfplaatsen van dassen doorkruist wordt door een dijkversterking. De hoofdburcht blijft buitendijks liggen, maar de bijburcht komt binnendijks te liggen. De dijkversterking introduceert hier dus een nieuw risico, dat middels voorzieningen tegen graafschade beheerst wordt. De bestaande wegverbinding Dorpsstraat - Groeneweg voor auto- en fietsverkeer wordt hersteld door aanleg van een wegverbinding aan de binnenzijde van de dijk.
Ten behoeve van de ontwatering van de agrarische percelen wordt een molgoot en infiltratievoorziening opgenomen waar tussen de Groeneweg en Dorpsstraat een doorgaande wegverbinding wordt aangelegd. De bestaande verbinding tussen de Dorpsstraat en de Groezeweg voor fiets- en landbouwverkeer wordt hersteld. De Dorpsstraat met lindes wordt hierdoor logisch ingepast. De oorspronkelijke wegverbinding tussen de Dorpsstraat en Dorpsstraat met lindes wordt hersteld met een dijktrap, die alleen toegankelijk is voor voetgangers. De dijkovergangen lopen op in een helling van 1:15. De dijkovergangen Dorpsstraat en Groeneweg naar Groezeweg voor fiets- en landbouwverkeer worden hersteld, zie ook dijkvak 3. Op basis van diverse keukentafelgesprekken en ontwerpateliers met bewoners is de dijkovergang voor landbouw en fietsverkeer van de Dorpsstraat naar de Groezeweg ten gevolge van 36
verkeersveiligheid op de Dorpsstraat en de Groeneweg verplaatst. De dijkovergang is verplaatst van dijkvak 5 naar dijkvak 4 vanwege het kruisend verkeer vanuit de uitritten van percelen. Deze dijkovergang wordt uitgevoerd in halfverharding. Binnendijks wordt een nieuwe wegverbinding in asfalt aangelegd tussen de Groeneweg en de Dorpsstraat. Aanleg van deze weg is doelmatig ten opzichte van het handhaven van de bestaande langere route voor het autoverkeer met twee dijkovergangen. De nieuwe verbindingsweg komt na realisatie in eigendom en beheer bij de gemeente Leudal. Voor faalmechanismen piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave voor dijkvak 4. In het DO is de versterkingsopgave geoptimaliseerd op basis van nieuwe berekeningen. Hierdoor is het mogelijk de pipingmaatregel in dijkvak 4 uit te voeren middels een kleikist in plaats van een pipingscherm (zoals opgenomen in het VKA). Ongewenste dwarsdoorstroming wordt voorkomen met het opvullen van de kom, het aanleggen van een hogere vooroever (langsdam) en het verflauwen van de oever benedenstrooms van de kom (tot aan de WBL-leiding) (zie Rivierkundige - en KRW-maatregelen in paragraaf 7.2 en 7.3). De langsdam wordt aan beide zijden met bruggen verbonden aan het aan de dijkteen en huidig talud. Er wordt een aansluiting gemaakt op het wandelpad naar de Groezeweg om een wandelrondje mogelijk te maken.
Hierbij worden bestaande bomen zo veel mogelijk behouden.
4.6.6 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 5 4.6.6.1 Het ontwerp In dijkvak 5 ligt de huidige dijk over de Dorpsstraat. De nieuwe dijk bij de Dorpsstraat komt verder richting de Maas te liggen en wordt met 2 meter verhoogd ten opzichte van de huidige dijk. De insteek van de dijk (teen) komt op de locatie van de huidige dijk te liggen. En de dijk loopt vanaf hier tot in het koelwaterkanaal. Dit kanaal wordt dus ter plaatse gedempt (zie figuur 4.15 en principe dwarsdoorsnedes in figuur 4.16 en 4.17). In de nieuwe situatie wordt het dijkvak voorzien van een groene waterkering met oeverbescherming. De kruinhoogte komt op NAP +22,3 m en de taludhellingen van de dijk zijn 1:3 en de aansluiting van het achterland 1:10.
37
Figuur 4.15 Ontwerp dijkvak 5
Figuur 4.16 Principe dwarsdoorsnede DP5a dijkvak 5
Figuur 4.17 Principe dwarsdoorsnede DP5b dijkvak 5 (legenda: zie figuur hierboven)
4.6.6.2 Ruimtelijke inrichting Langs de Dorpsstraat wordt de dijk feitelijk in het koelwaterkanaal gelegd, waarbij de huidige langsdam wordt verwijderd. Binnendijks ontstaat hierdoor tussen de Dorpsstraat en de teen van de dijk een brede strook die onder een flauwe helling vanaf de Dorpsstraat oploopt naar de teen van de dijk. Hierdoor komt de dijk niet alleen verder van de Dorpsstraat en de daar tegenover liggende huizen te liggen, maar lijkt de dijk door het geringere hoogteverschil tussen teen en kruin ook lager. Als afscheiding tussen de Dorpsstraat en deze groenstrook is een heg voorzien. De groenstrook zelf wordt ingezaaid met gras en er worden enkele lage bomen (maximaal 5 meter hoogte) geplaatst (zie bijlage IV Inrichtingsplan). Tegenover café Het Veerhuis wordt middels de trap een dijkovergang voor voetgangers gerealiseerd. Deze verbindt de binnendijks gelegen Dorpsstraat en groenstrook met het buitendijkse wandelpad. Dit wandelpad wordt aangelegd op het beheerpad, dat op de overgang van de steenbekleding naar het grastalud is gelegen. Op en onderaan de dijk zijn mogelijk zitelementen voorzien. Deze worden opgetrokken uit baksteen die vrijkomt uit de keermuur op de huidige langsdam en speelt een belangrijke rol in het herstellen van het contact tussen het dorp (met name haar bewoners) en de Maas. In dit zitelement krijgt ook de gedenksteen op de langsdam een plaats.
In figuur 4.18 is het ruimtelijke principe van dijkvak 5 weergegeven. In de kern bestaat dit uit het terugbrengen van huidige functies.
38
Figuur 4.18 Ruimtelijk principe dijkvak 5
4.6.6.3 De ontwerpkeuzes
Figuur 4.19 Ontwerpkeuzes dijkvak 5 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 5 (zie figuur 4.19):
In het VKA waren nog 2 alternatieven (2A1-a en 2B-b) die verder onderzocht moesten worden in de planuitwerking. Er is gekozen om het rivierwaarts versterken van de huidige kering (alternatief 2B-b in VKA). Hierdoor wordt het koelwaterkanaal gedempt en de langsdam (grotendeels) afgegraven. Omdat de kruin van de dijk verder rivierwaarts is gelegen vergeleken met alternatief 2A1-a, is er geen damwand nodig en wordt er geen extra druk geleverd op de rioolpersleiding dan in de huidige situatie. De helling van het talud is 1:3. De kering heeft een niveau van circa NAP+22,3 meter. De huidige kering wordt verwijderd.
39
De aansluiting van nieuwe dijk met maaiveld heeft in het VKA een talud van 1:10. Dit is vrij steil, daarom wordt deze helling naar een flauwer talud van 1:20 gebracht om de ruimtelijke inpassing van de dijk ten opzichte van de aangrenzende woningen te optimaliseren. De extra toerit van de Dorpsstraat naar de aanlegplaatsen vervalt, omdat er in de huidige situatie alleen een dijktrap tegenover het Veerhuis aanwezig is. Deze dijktrap wordt wel hersteld. Het bestaande bakstenen monument op de langsdam is voor het dorp Buggenum van grote cultuurhistorische en emotionele waarde. Dit wordt hersteld in de vorm van een zitelement aan de buitenzijde van de dijk ter plaatse van het Veerhuis. Pipingmaatregel betreft het realiseren van een kleibekleding met een breedte van 2 meter in de buitenteen bestaande uit stevige klei. In de overgang tussen steen- en grasbekleding op het buitentalud is de mogelijkheid om te wandelen. Binnen- en buitendijks worden de bestaande wandelvoorzieningen van de langsdam hersteld, middels een halfverhard pad aan de binnenzijde en op de platberm aan de buitenzijde. Aan de buitenzijde wordt het pad gecombineerd met de overgang tussen steen- en grasbekleding. Op de huidige langsdam staat een oude notenboom die door de omgeving als waardevol wordt gezien.
Herplant is op basis van de waterschapsverordening mogelijk op minimaal 8,5 meter uit de binnenteen van de dijk. In overleg met bewoners/eigenaren wordt bekeken of de boom aan de binnendijkse zijde van de Dorpsstraat teruggebracht kan worden. Er is een meekoppelkans benoemd om het onderhoudspad op de kruin van de dijk tussen de Ohéstraat en de dijkovergang van de Dorpsstraat op te waarderen naar een befietsbaar pad of fietspad. Vanwege het ontbreken van draagvlak bij de aanwonenden is deze meekoppelkans niet meegenomen.
In de tabel in bijlage III zijn de restpunten uit het VKA en de optimalisaties van het ontwerp van dijkvak 5 opgenomen.
4.6.7 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 6 4.6.7.1 Het ontwerp grond In dijkvak 6 loopt de te versterken dijk aan de buitenzijde van Buggenummerbroek. Het tracé volgt hier de huidige kering die loopt vanaf het Kop van het End (waar de kering aansluit op de Dorpsstraat) langs het koelwaterkanaal van de voormalige Nuon Centrale tot aan het spoorlichaam (zie figuur 4.20). De principe dwarsdoorsnedes zijn weergegeven in figuur 4.21 t/m 4.23. De kruinhoogte komt op NAP +22,3 m en de taludhellingen variëren van 1:2,5 (bij de dijktrap) tot 1:3.
Figuur 4.20 Ontwerp dijkvak 6
40
Figuur 4.21 Principe dwarsdoorsnede DP6a dijkvak 6
Figuur 4.22 Principe dwarsdoorsnede DP6b dijkvak 6 (legenda: zie figuur hierboven)
Figuur 4.23 Principe dwarsdoorsnede DP6c dijkvak 6 (legenda: zie figuur hierboven)
4.6.7.2 Ruimtelijke inrichting De dijk wordt hier richting de binnenzijde versterkt, door de dijk op te hogen vanaf de buitenkruinlijn. De buitendijkse platberm wordt verlaagd, zodat de binnenteen en het binnendijkse inspectiepad één geheel vormt met dijkvak 5 (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De in de huidige situatie in het koelwaterkanaal tussen de Dorpsstraat en de langsdam gelegen afmeervoorziening voor de recreatievaart (49 ligplaatsen) wordt verplaatst naar de tussen de Maas en het Buggenummerbroek gelegen deel van het koelwaterkanaal. Dit dijkvak 6 voorziet in de huidige situatie ook in een tijdelijk vergunde demontabele opstelplaats voor een kraanwagen waarmee pleziervaartuigen in en uit het water getakeld kunnen worden. Deze opstelplaats zal worden verplaatst naar de buitenteen van de dijk, bereikbaar middels een afrit vanaf de kruin van de dijk. De kraanwagen komt daarbij dus onderaan de dijk te staan en zal twee keer per jaar (gedurende ca. 2 weken) jachten vanaf een op de kruin van de dijk staande trailer in en uit het water hijsen. De afmeervoorziening en opstelplaats zijn als één geheel ontworpen. De afmeervoorziening voor de recreatievaart komt daarbij alleen aan de dijkzijde van het koelwaterkanaal te liggen. Langs de toerit naar de Ohéstraat wordt parkeren mogelijk gemaakt.
De afmeervoorzieningen worden toegankelijk middels een tweetal buitendijks gelegen dijktrappen aan de kopse zijden. De in dijkvak 5 gelegen drijfloopbrug wordt verplaatst direct bovenstrooms van de afmeervoorzieningen. Onder de waterlijn wordt dwars op het koelwaterkanaal een permeabele dam aangelegd bestaande uit betonblokken. Die zorgt ervoor dat de pleziervaartuigen bij de afmeervoorzieningen minder last hebben van deining 41
voor recreatievaart en dient als compensatie voor de KRW. De blokken vormen hechtingssubstraat voor waterplanten en bieden schuilplaatsen voor vissen. Vanaf hier zal het koelwaterkanaal niet meer nautisch toegankelijk zijn en dient zo als rustplaats voor vissen. Tussen de toerit van de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde naar het Buggenummerbroek wordt aan de binnenzijde een pipingscherm gerealiseerd. In de oksel tussen dijkvak 6 en de spoordijk wordt piping tegengegaan door ooit door kleiwinning ontstane lage delen van het Buggenummerbroek aan te helen. Hiermee wordt het oorspronkelijke reliëf hersteld en daarmee de landschappelijke kwaliteit van dit deel van het Buggenummerbroek versterkt. De dijk sluit aan op de noordzijde van het spoor, buiten het raster. De bestaande afrit van de Ohéstraat naar de Vogelkop wordt teruggebracht en aan de binnenzijde wordt een aansluiting gemaakt op de wandelpaden in het Buggenummerbroek. In figuur 4.24 is het ruimtelijke principe van dijkvak 6 weergegeven. In de kern bestaat dit uit het terugbrengen van huidige functies.
Figuur 4.24 Ruimtelijke principe dijkvak 6
4.6.7.3 De ontwerpkeuzes
Figuur 4.25 Ontwerpkeuzes dijkvak 6 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij dijkvak 6 (zie figuur 4.25):
De bestaande aanlegplaatsen en drijvende voetbrug in het koelwaterkanaal worden verplaatst van dijkvak 5 naar dijkvak 6. De afmeervoorzieningen worden verplaatst naar de nieuwe locatie in het koelwaterkanaal. Het huidige aantal van 50 aanlegplaatsen wordt teruggebracht als inpassingsmaatregel. Uit inspectie is gebleken dat alleen een deel van de huidige drijvende steigers en de drijvende brug hergebruikt kan 42
worden. De meerpalen zijn niet herbruikbaar voor de aanlegplaatsen omdat het koelwaterkanaal op de nieuwe locatie dieper is, dus deze niet voldoende inklemming hebben in de ondergrond. Om de aanlegplaatsen bereikbaar te maken wordt een dijktrap aangelegd, als vervanging voor de bestaande toegang. De bestaande drijvende loopbrug wordt verplaatst naar de bovenstroomse zijde van de aanlegplaatsen om een wandelrondje over de Vogelkop te faciliteren. In dijkvak 6 wordt een klein deel van de Ziep gedempt, namelijk waar de dijkophoging de watergang ‘Ziep’ doorsnijdt. Om de aansluiting van de Ziep met het doorlaatwerk te herstellen, wordt de Ziep verlegd en wordt de duiker hersteld. Ten gevolge van de dijkversterking wordt hier een deel van de watergang/wateroppervlak gedempt. Dit moet 1 op 1 (in termen van oppervlak) gecompenseerd worden. Dit wordt gerealiseerd door een nieuwe verbinding van de Ziep met het doorlaatwerk aan te leggen. De twee kunstwerken, de overstortleiding en het doorlaatwerk voor de Ziep, worden op een nieuwe locatie gerealiseerd. Het doorlaatwerk van de Ziep blijft ook in de nieuwe situatie deze functie vervullen. Dit betekent dat ook in de nieuwe situatie de waterstand in het Buggenummerbroek opgezet wordt, hetgeen een positieve bijdrage levert ten aanzien van de pipingopgave. Echter, vanwege het hoge verval blijven pipingmaatregelen noodzakelijk.
Op dit moment wordt als noodmaatregel tegen piping de waterstand in het Buggenummerbroek tot opgezet via de inlaat van de Ziep. In de situatie na dijkversterking is met de terreineigenaar afgestemd dat de maximale waterstand in het Buggenummerbroek bij hoogwater dan NAP +16,70 m bedraagt. Deze waterstand ligt onder de toekomstige maaiveldhoogte. Tussen de Dorpsstraat en de toerit aan de Ohéstraat is geen pipingopgave meer. Tussen de Ohéstraat en het spoor is wel een pipingopgave. Deze wordt opgelost met een pipingscherm met een schermlengte van 6 meter tussen de toerit aan de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde. Het hiervoor toepassen/hergebruiken van de vrijkomende damwand uit de bestaande nooddijk in dijkvak 5 wordt gezien als een kans. Voor het resterende gedeelte tussen de beheertoerit aan het spoor wordt een pipingberm/ophoging van het achterland toegepast. Dit omdat het ongewenst is vanwege omgevingsbeïnvloeding van het spoor een damwand aan te brengen, de afwatering en ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd. Het hoger liggend deel achter de dijk wordt zo veel mogelijk in stand houden in verband met de ligging in de Groenblauwe mantel. In het dijkontwerp wordt het bestaande buitentalud van de dijk in dijkvak 6 zo veel mogelijk in stand gehouden. De dijk wordt dus aan de binnenzijde opgehoogd.
Aan de buitenzijde zit in de huidige situatie een hoge knik in het dijktalud. Door het talud in dijkvak 6 aan de buitenzijde te herprofileren wordt de dijk hetzelfde vormgegeven als de dijk in dijkvak 5. Zo vormt de dijk aan het koelwaterkanaal een uniforme dijk aan het water. Het buitendijks inspectiepad komt lager te liggen dan in de huidige situatie. Dit is behoudens hoogwater met een terugkeertijd van circa 10 dagen per jaar toegankelijk voor beheer. Daarnaast is het geschikt als wandelpad en toegang tot de aanlegplaatsen. Het effect zuiging op aanlegplaatsen uit de Richtlijnen Vaarwegen [lit. 6] wordt gemitigeerd door aanleg van de permeabele dam bestaande uit rifblokken aan de kopse zijde van de aanlegplaatsen en de verplaatste loopbrug in dijkvak 6 (zie ook paragraaf 7.2). Als compensatie is een loslocatie onderaan dijk ingepast (zie paragraaf 4.9).
4.6.8 Deelgebied 3 Spoordijk: dijkvak 7 De dijkversterking binnen dijkvak 7 is ten opzichte van het VKA vervallen, doordat is aangetoond dat de spoordijk Roermond – Eindhoven fungeert als hoge grond die de waterveiligheid gedurende 50 jaar voldoende borgt. Wel wordt een bestaande dassentunnel tussen het OML-terrein en Buggenummerbroek afgesloten door een grondwal (van 30 cm) aan te leggen, omdat de tunnel ervoor zorgt dat de hoge grond “lek” is. Het maaiveld rond de bestaande dassentunnel, halverwege de aansluiting met dijkvak 6 en de Berikstraat (zie figuur 4.26), wordt met enkele decimeters opgehoogd, om te voorkomen dat hier bij extreme waterstanden water doorheen stroomt. Het passeren van de dassentunnel blijft mogelijk.
43
Figuur 4.26 Ontwerp dijkvak 7
4.7 Inpassingsmaatregelen Onderdeel van de versterkte dijk is een aantal inpassingsmaatregelen [lit. 7 en 8]. Deze maatregelen dienen enerzijds om de functies die verweven zijn met de waterkering te herstellen, anderzijds om de nieuwe waterkering optimaal in de omgeving in te passen. Op de plankaart in zijn de inpassingsmaatregelen opgenomen met een genummerd vlak. Het vlak geeft het maximale ruimtebeslag weer, waarbinnen de maatregel nader ontworpen wordt. In tabel 4.1 zijn de inpassingsmaatregelen opgenomen. Eisen die aan de maatregel gesteld worden, zijn in deze tabel opgenomen. Tabel 4.1 Inpassingsmaatregelen Dijk Inpassingsmaatregel vak 1 Verschuiven as van de dijk in noordelijke richting Optimaliseren dijkovergang Holpotterweg (zodat het kruisingsvlak en de dijk tussen de Arixweg in één rechte lijn komen liggen) 2 Aanleg buitendijks kavelpad bij de dijkovergang van de Arixweg Realiseren tweede dijkovergang bij de Poelakkerweg 3
Dijkovergang Groeneweg - Groezeweg en van de Wijnaardenweg samenvoegen, zodat één overgang kan vervallen Verlegging dijktracé in de overgang van dijkvak 3 naar 4
Aanduiding op plankaart
Eisen Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) Ruimtelijke inpassing
Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) en ruimtelijke inpassing
44
4
Dijktracé binnenwaarts verschuiven
Herstel bestaande wegverbinding Dorpsstraat - Groeneweg Herstel bestaande verbinding tussen de Dorpsstraat en de Groezeweg Herstel wegverbinding tussen de Dorpsstraat en Dorpsstraat met lindes met een dijktrap 5
Herstel dijktrap Herstel wandelvoorzieningen langsdam
6
Verplaatsen aanlegplaatsen en drijvende voetbrug in het koelwaterkanaal van dijkvak 5 naar 6 Verplaatsen afmeervoorzieningen naar nieuwe locatie in het koelwaterkanaal Aanleg dijktrap als toegang aanlegplaatsen Verplaatsen kunstwerken overstortleiding en doorlaatwerk voor de Ziep Verlagen buitendijks inspectiepad
Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Behoud functionaliteit van de bestaande situatie Behoud functionaliteit van de bestaande situatie Ten behoeve van beheer en onderhoud en behouden functionaliteit van de bestaande situatie als gevolg van verplaatsen aanlegplaatsen