Collegemededeling 26nov24 over voorgenomen projectbesluit Waterschap Limburg dijkversterking Buggenum
Tekst van het document
6.4.1.1.3 Reliëf In algemene zin kan gesteld worden dat de dijkversterking lokaal, maar over een grote lengte een significante aanpassing van het reliëf met zich meebrengt. Deze verandering is op plekken waar in de huidige situatie nog geen (nood)dijk ligt relatief groter dan op plekken waar reeds een dijk ligt. In dijkvakken 1, 2 en 3 (de lage agrarische dijk) wordt impact op het reliëf dus relatief het grootst. De aan te leggen dijken zijn hier weliswaar relatief laag, maar deze worden aangelegd in een landschap dat juist gekenmerkt wordt door een nog goed bewaard gebleven subtiel reliëf van rivierterrassen, geulrelicten en steilranden. De dijk heeft daarmee een negatief effect op het reliëf van dit deelgebied. In dijkvak 4 wordt ten opzichte van het tracé van de huidige (nood)dijk, dat van het VKA een ander tracé gevolgd. Daarmee is ook hier sprake van een significante impact. In de nieuwe situatie is de dijk hoger en langer, en sluit deze pas ter hoogte van de Groeneweg aan bij dijkvak 3. Bovendien doorsnijdt de dijk enkele agrarische percelen. Ook hier wordt het effect van de dijk op het bestaande reliëf dus als negatief beoordeeld. In de dijkvakken 5 en 6 wordt een bestaande dijk opgehoogd. De impact op het reliëf is hiermee dus relatief beperkt.
Voor dijkvak 5 geldt echter dat de huidige nooddijk langs de relatief hooggelegen Dorpsstraat vrij laag is en de dijkversterking hier gepaard gaat met de verwijdering van de strekdam en het koelwaterkanaal. In de nieuwe situatie ligt vanuit de Dorpsstraat gezien de Maas dus direct achter de dijk. Dit levert ten opzichte van 62
de uitgangssituatie een heldere opeenvolging op, waarmee de impact op het bestaande reliëf meer dan gecompenseerd wordt en dus onder de streep een positief effect wordt bereikt. De grotere hoogte van de dijk vormt immers een kleinere barrière tussen dorp en Maas dan het huidige koelwaterkanaal en de strekdam. In dijkvak 6 is het effect top het reliëf relatief het kleinst. Het bestaande reliëf wordt immer gevolgd versterkt. Bovendien wordt door de aanvullingen van een oude door kleiwinning ontstane laagte in het Buggenummerbroek een verbetering van het reliëf bereikt. Alles bij elkaar wordt de impact op de landschappelijke kernkwaliteit reliëf voor dijkvak 6 als neutraal beoordeeld.
6.4.1.1.4 Cultuurhistorisch erfgoed Met name in dijkvak 4 raakt de dijkversterking aan het culturele erfgoed van het dorp. Het verwijderen van de langsdam vormt hierbij als het ware een volgende en laatste fase in een ontwikkeling waarbij het dorp in de loop der tijd steeds meer plaats gemaakt heeft voor de Maas. Hierbij raakt de op de huidige langsdam gelegen oude kademuur met gedenksteen verloren. Deze wordt weliswaar in de vorm van bakstenen zitelementen op de nieuwe dijk teruggeplaatst. Maar gesteld kan worden dat hiermee toch een deel van het cultuurhistorisch erfgoed verloren gaat.
6.4.1.1.5 Ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal De dijkversterking is nodig binnen het gebied, omdat de kering in de huidige situatie niet hoog en sterk genoeg is om Buggenum in de toekomst te beschermen tegen hoogwater. Bedijking vormt een potentiële barrière voor regenwater en de afvoer van beken en rivieren. In het plangebied bevindt zich één beek (de Ziep in dijkvak 6) die reeds in de huidige situatie de dijk kruist. In de nieuwe situatie zal deze beekkruising opnieuw worden ingericht, waarbij de afvoercapaciteit wordt verbeterd. In dijkvakken 1, 2 en 3 wordt een nieuwe dijk aangelegd in een in de huidige situatie onbedijkt landschap. Dit heeft tot gevolg dat bij stortbuien het regenwater tijdelijk in laagten tegen de dijk aan blijft staan. Om dit zoveel mogelijk te voorkomen worden kwetsbare laagtes op landbouwgrond aangevuld met daartoe geschikte grond. In dijkvak 4 wordt de dijk ten opzichte van de huidige situatie naar buiten verplaatst. Het laagste punt in het landschap waar regenwater zich kan verzamelen wordt daarbij verplaatst naar een locatie die verder van woningen en andere kwetsbare objecten ligt. Het waterbergend vermogen van het landschap wordt door de dijkversterking niet aangetast. De ruimte voor water en waterberging binnen de Groenblauwe mantel blijft gelijk en wordt niet aangetast door de dijkversterking.
Aantasting van de kernkwaliteit van de Groenblauwe mantel van de landschapstypen rivierdal en velden is daarom niet aan de orde. In het ontwerp in paragraaf 4.5 en de ontwerpkeuzes 4.6 is opgenomen hoe met deze ruimtelijke kwaliteiten in het ontwerp rekening is gehouden.
6.4.1.2 Cultuurhistorie Het dorp Buggenum is gelegen op een natuurlijke verhoging aan een oude Maasmeander. Ten noorden van het dorp ligt het Buggenumse veld. Door zijn huidige schaal, openheid en ligging is het Buggenumse veld een van de allerlaatste relatief onaangetaste cultuurlandschappen in de wijde omgeving. Voor wat betreft de cultuurhistorische waarden geldt bij de versterking van dijk dat rekening gehouden wordt met de historische kern van Buggenum en de rijksmonumenten en historische akkergrens die aan de zuidzijde bij een van de oplossingsrichtingen liggen. Er zijn geen mitigerende maatregelen voor cultuurhistorie, omdat er geen nadelige effecten op dat thema verwacht worden als gevolg van het project.
6.4.2 Natuur: Beschermde gebieden en stikstofdepositie 6.4.2.1 Natura2000 habitatrichtlijn Er is geen sprake van ruimtebeslag op het Natura 2000-gebied door de dijkversterking. Er liggen twee Natura 2000-gebieden nabij het projectgebied; het Leudal op circa 3,5 km ten noordwesten van Buggenum en Swalmdal op circa 2 km ten noordoosten van Buggenum (zie figuur 6.2). Als gevolg van het project dijkversterking Buggenum is er sprake van een tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in de Natura 2000-gebieden. In de Passende Beoordeling (bijlage VI-B) zijn de effecten van stikstofdepositie in de aanlegfase van het project beoordeeld. Het project leidt tot een depositietoename van maximaal 0,36 mol N/ha (cumulatief over een periode van twee jaar) op 63
stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen. Uit de beoordeling blijkt dat de tijdelijke en geringe depositiebijdrage door dit project er niet toe leidt dat het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten in gevaar wordt gebracht. De natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden niet aangetast door de depositiebijdrage van het project. Ook in cumulatie met andere projecten of plannen leidt dit project niet tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase vindt geen verandering in stikstofemissies plaats. Van een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase is daardoor geen sprake. Er is als gevolg van het beoogd voornemen geen sprake van tijdelijke verstoring van Natura 2000-gebieden (verstoring door geluid, trillingen, optische verstoring). De werkzaamheden vinden plaats op minimaal 2 kilometer afstand. Er is dus geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Er is geen noodzaak voor aanvullende (mitigerende) maatregelen.
Leudal
Swalmdal
Figuur 6.2 Natura 2000-gebieden nabij het projectgebied
6.4.2.2 Natuurnetwerk Limburg / Groenblauwe Mantel (Omgevingsverordening Limburg) 6.4.2.2.1 Natuurnetwerk Limburg Ten noorden van dijkvak 6 en 7 ligt een natuurgebied uit het Natuurnetwerk Limburg (voorheen: Goudgroene natuurzone) dat binnen het projectgebied valt (zie figuur 6.3). In dit gebied zijn drie beheertypen aanwezig: kruiden- en faunarijk grasland (N12.02), glanshaverhooiland (N12.03) en dynamisch moeras (N05.04). Ook ten noordoosten van het projectgebied en aan de overzijde van de Maas liggen gebieden uit het NNL. Deze liggen volledig buiten het projectgebied. Binnen NNL streeft de provincie naar behoud en beheer van bestaande natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
64
Figuur 6.3 Natuurnetwerk Limburg-gebieden nabij het projectgebied Voor het bepalen van de effecten op NNL is een Nee, tenzij-toets & compensatieplan NNL (bijlage VI-C) opgesteld. Uit de toets blijkt dat door de uitvoering van de werkzaamheden in totaal 12.582 m2 van het NNL tijdelijk verloren gaat binnen de werkgrens en systeemgrens (zie figuur 6.4).
Figuur 6.4: Ligging van het plangebied (rood en blauw omlijnd) ten opzichte van de NNL met de beheertypen Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02), Glanshaverhooiland (N12.03) en Wintergastenweide (N13.02). 65
Voor Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) geldt een ontwikkelingstermijn van 2-25 jaar. Doorgaans geldt voor deze ontwikkelingstermijn voor de natura compensatie een toeslag van 1/3 van de oppervlakte waar oppervlakteverlies optreedt (Bijlage IX, Artikel 4 Omgevingsverordening). Aangezien door het beoogd voornemen uitsluitend sprake is van een tijdelijk oppervlakteverlies van het NNL, het beheertype na afronding van de werkzaamheden wordt hersteld, het beoogd voornemen een beperkte impact op bestaande en potentiële natuurwaarden en de kwaliteit van het bestaande Kruiden- en faunarijk grasland beperkt is, is beoordeeld dat een toeslag van de compensatieopgave in deze situatie niet noodzakelijk is. Het beheertype binnen het plangebied is snel vervangbaar (<2 jaar) en de abiotische randvoorwaarden zijn eenvoudig om te realiseren. Het gehele dijklichaam wordt ingezaaid met een inheems, kruidenrijk grasmengsel. Dit kruidenrijk grasmengsel dient passend te zijn bij de vegetaties van het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02). Op termijn kan dit zich onder invloed van verschraling mogelijk door ontwikkelen naar Glanshaverhooiland (N12.03). Door het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) over de gehele lengte van de dijkversterking te ontwikkelen wordt de samenhang van het NNN-gebied verbeterd.
De dijkversterking maakt dan een robuuste verbinding tussen het NNN-gebied aan de westkant van het plangebied en het NNN-gebied aan de oostkant van het plangebied mogelijk. Doordat het NNL waar oppervlakteverlies plaatsvindt ter plaatse, direct na afronding van de dijkversterking wordt hersteld en de samenhang van het NNN-gebied wordt verbeterd, is beoordeeld dat in deze situatie afgeweken kan worden van de voorwaarde uit de omgevingsverordening om de compensatie gereed te hebben voor aanvang van de activiteit. Doordat het NNL op dezelfde locatie wordt hersteld en teruggebracht, is het niet mogelijk om deze compensatie vooraf het beoogd voornemen gereed te hebben. De compensatieopgave wordt verder toegelicht in paragraaf 7.3.
6.4.2.2.2 Groenblauwe mantel Uit de Verkenning gebiedsbescherming natuur [lit. 20] blijkt dat er alleen tijdelijke effecten zijn welke op de lange termijn, in de gebruiksfase, niet meer aan de orde zijn.
6.4.2.2.2.1 Groene karakter Binnen het plangebied zijn verspreid enkele bomenrijen aanwezig. Voor de aanleg van het dijklichaam worden vermoedelijk enkele bomenrijen (gedeeltelijk) gekapt. Doordat het maar enkele bomenrijen betreft, de bossen en bomenrijen in de omgeving behouden blijven en wanneer het dijklichaam ingezaaid wordt met een inheems kruidenrijk grasmengsel (vanzelfsprekend passend binnen de voorwaarden voor erosiebestendigheid) blijft de kernkwaliteit groene karakter van de Groenblauwe mantel in de landschappen rivierdal en velden behouden.
6.4.2.2.2.2 Visueel-ruimtelijk karakter Het halfopen karakter van het rivierdal wordt behouden en niet aangetast door de aanleg van een dijklichaam, doordat het dijklichaam op plaatsen met bestaande infrastructuur komt, langs de randen van de open graslanden. Dit wegenpatroon komt overeen met het landschapstype. Doordat het plangebied grotendeels de bestaande infrastructuur volgt wordt ook het open karakter van het landschap velden behouden. In het noordelijk deel van het plangebied loopt het dijklichaam richting het noordwesten haaks op de Arixweg door naar de Meiboomkensweg. Op deze locatie is geen bestaande infrastructuur aanwezig en loopt het dijklichaam door aanwezige agrarische percelen heen. Aangezien dit een relatief kleine oppervlakte betreft van het gehele gebied dat is toegewezen als velden is geconcludeerd dat de kernkwaliteit visueel-ruimtelijk karakter van de Groenblauwe mantel van het landschapstype behouden wordt.
6.4.2.2.2.3 Cultuurhistorisch erfgoed Doordat het dijklichaam grotendeels bestaande infrastructuur volgt blijven de vruchtbare gronden en oude stads- en dorpskernen binnen het rivierdal behouden. Aantasting van de kernkwaliteit van de Groenblauwe mantel van het landschapstype rivierdal is daarom niet aan de orde. Doordat het dijklichaam grotendeels bestaande infrastructuur volgt, oude stads- en dorpskernen behouden worden en maar voor een relatief klein deel in het noordelijk deel van het plangebied agrarische percelen 66
doorkruist blijven de oude landbouwgronden behouden. Aantasting van de kernkwaliteit van de Groenblauwe mantel van het landschapstype velden is daarom niet aan de orde.
6.4.2.2.2.4 Reliëf In het noordelijk deel van het plangebied doorkruist het dijklichaam een terraswand. Doordat dit een relatief kleine oppervlakte betreft en deze alleen doorkruist wordt door het dijklichaam blijft de terraswand als lijnvormig element aanwezig in het landschap. Aantasting van de kernkwaliteit reliëf van de Groenblauwe mantel van de landschapstypen rivierdal en velden is daarom niet aan de orde.
6.4.2.2.2.5 Ruimte voor water en waterberging in laagten en beekdal De dijkversterking is nodig binnen het gebied, omdat de kering in de huidige situatie niet hoog en sterk genoeg is om Buggenum in de toekomst te beschermen tegen hoogwater. De ruimte voor water en waterberging binnen de Groenblauwe mantel blijft gelijk en wordt niet aangetast door de dijkversterking. Aantasting van de kernkwaliteit van de Groenblauwe mantel van de landschapstypen rivierdal en velden is daarom niet aan de orde.
6.4.2.2.2.6 Externe werking Groenblauwe mantel – NNL Tijdens de aanlegfase kunnen werkzaamheden binnen de Groenblauwe mantel leiden tot verstoring binnen de beheertypen van het NNL. Dit betreffen tijdelijke effecten welke op de lange termijn, in de gebruiksfase, niet meer aan de orde zijn. Het dijklichaam wordt grotendeels op de plek van bestaande infrastructuur gerealiseerd, waardoor in de huidige situatie al sprake is van barrièrevorming, optische verstoring en geluidsverstoring voor soorten behorend bij het beheertype. Onder voorwaarde dat de dijkversterking geen verkeersaantrekkende werking heeft en niet leidt tot intensiever gebruik van de weg worden negatieve effecten door externe werking op het NNL voor de gebruiksfase uitgesloten.
6.4.2.3 Beschermde soorten (Vogel- en habitatrichtlijn) In het plangebied bevinden zich soorten die zijn opgenomen in de Lijst beschermde soorten - Omgevingswet11, alsook soorten welke zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Een overtreding ten aanzien van deze soorten tijdens de werkzaamheden kan niet geheel worden uitgesloten. Dit betreft de soorten das, bever en vleermuizen. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning F&F-activiteiten aangevraagd. Bij deze aanvraag zijn de mitigerende maatregelen om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen nader uitgewerkt. Op basis van de vergunning wordt nog een ecologisch werkprotocol opgesteld waar de aannemer zich tijdens de werkzaamheden aan dient te houden. Een overzicht van de mitigerende maatregelen t.b.v. de flora en faunawet is opgenomen in het mitigatieplan (bijlage VI-A) en paragraaf 7.3. Daarnaast werkt het Waterschap conform de geldende gedragscode. Gelet op de te nemen mitigerende maatregelen worden er geen belangrijke nadelige gevolgen verwacht ten aanzien van andere beschermde soorten.
6.4.2.4 Bomen en houtopstanden Voor de versterkingsopgave worden op een aantal plekken in het plangebied bomen gekapt. Het dijktype en de ligging van de dijk is, daar waar mogelijk, afgestemd op het behoud van karakteristieke en waardevolle (beplantings-) structuren en kwaliteiten. De ecologische functie van de te kappen bomen zijn in het kader van beschermde soorten beoordeeld en in de vorige paragraaf opgenomen. Voor te kappen bomen wordt een kapvergunning aangevraagd en/of een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, Bal (voorheen: Wet natuurbescherming) gedaan.
11 Lijst beschermde soorten Omgevingswet (bron: natuurinclusief.nl, 21 mei 2024)
67
6.4.3 Overige maatschappelijke functies 6.4.3.1 Bedrijvigheid De kering is dusdanig ontworpen dat zo min mogelijk ruimtebeslag ter plaatse van erven komt te liggen. In enkele delen van het plangebied is er echter nog wel sprake van beperkt ruimtebeslag op bedrijvigheid (percelen) als gevolg van de dijkversterking. Dit geldt voornamelijk ten aanzien van agrarische grond in dijkvakken 1, 2, 3, 4 en 6. Dit heeft een beperkte vermindering van functionaliteit als gevolg. De bereikbaarheid van agrarische percelen wordt gehandhaafd, indien nodig worden nieuwe op- en afritten aangelegd. Ten aanzien van bedrijvigheid is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen.
6.4.3.2 Verkeer Bij het aanleggen van de kering wordt bereikbaarheid van percelen in stand gehouden of vervangen (dijkvak 2). Ten behoeve van ontsluiting van het landbouwperceel grenzend aan de Arixweg- Groeneweg was in het DOeen tweezijdige perceelontsluiting ingetekend. In overleg met de perceeleigenaren is afgesproken deze perceelontsluiting enkelzijdig in het verlengde van de Poelakkerweg te leggen. Hiermee vervalt de perceeltoegang in oostelijke richting. Door aanleg van de dijk ontstaat er een nieuwe routestructuur. De bestaande routes over de Ohéstraat, Dorpsstraat, Groeneweg, Arixweg en Poelakkerweg blijven gehandhaafd. Ter plaatse van de Arixweg en de Wijnaardenweg worden dijkovergangen gerealiseerd. De route richting de Groezeweg wordt alleen toegankelijk voor wandelaars, fietsers en landbouwverkeer ten behoeve hiervan wordt een dijkovergang gerealiseerd. De verbinding voor het autoverkeer tussen de Dorpsstraat en de Groeneweg komt binnendijks te liggen, waardoor bij hoogwater de ontsluiting van Buggenum gewaarborgd wordt. De wegverbinding van de Groeneweg en Dorpsstraat naar de Groezeweg wordt afgewaardeerd en alleen toegankelijk voor landbouw-, wandel- en fietsverkeer. Tussen de Groeneweg en Dorpsstraat wordt een wegverbinding aangelegd voor autoverkeer als doorgaande wegverbinding.
Door ingepaste maatregelen en maatwerk is er voor het verkeer geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen.
6.4.3.3 Wonen De voorgenomen ontwikkelingen aan het dijktraject hebben beperkte gevolgen voor de woonomgeving. Bij enkele woningen kan enige zichthinder ontstaan als gevolg van de hogere kering. Bij dijkvak 5 is de kering vanwege het wooncomfort verder van de woningen gesitueerd. De effecten gedurende de aanlegfase worden besproken in paragraaf 7.4.
6.5 Conclusie van de toetsing Na toetsing op de bovenstaande punten, kan geconcludeerd worden dat de uitvoering van dit plan in overeenstemming is met de doelstellingen van de Omgevingswet. De voorgenomen activiteiten hebben, na het nemen van de nog uit te werken compenserende en/of mitigerende maatregelen, geen negatief effect op de waterkwantiteit, waterkwaliteit en maatschappelijke functies.
68
7. Maatregelen om (mogelijke) effecten en verstoring te voorkomen 7.1 Inleiding Het in hoofdstuk 3 beschreven ingepast voorkeursalternatief is in samenspraak met de omgeving geoptimaliseerd om voor zo min mogelijk nadelige gevolgen voor de leefomgeving te zorgen. De ontwerpkeuzes hiervoor zijn toegelicht in hoofdstuk 4. Ook de uitvoering van werkzaamheden wordt geoptimaliseerd om mogelijke hinder voor de omgeving te beperken. Dit is toegelicht in de hoofdstukken 5 en 6. Desalniettemin veroorzaken de werkzaamheden voor de kering en de nieuwe kering zelf mogelijk een aantal nadelige gevolgen. De mogelijke nadelige gevolgen zijn eveneens benoemd in hoofdstuk 6. In dit hoofdstuk 7 wordt de omvang van de mogelijke nadelige gevolgen samengevat en worden compenserende maatregelen toegelicht. Paragraaf 7.2 gaat nader in op rivierkundige compensatie. Paragraaf 7.3 bevat een samenvatting van het integrale mitigatieplan dat opgenomen is in bijlage VI-A bij dit ontwerp Projectbesluit. Hierin is voor de aspecten landschap en cultuurhistorie en natuur, waaronder bomen en houtopstanden, nader uitgewerkt hoe mogelijke nadelige gevolgen van de dijkverbetering gecompenseerd worden. Waterschap Limburg heeft dit integrale compensatieplan opgesteld in nauw overleg met gemeente, provincie en in afstemming met RWS.
In paragraaf 7.4 zijn de maatregelen beschreven die hinderbeperkend werken tijdens de uitvoering en in paragraaf 7.5 gaat in op financieel nadeel.
7.2 Rivierkunde 7.2.1 Maatregelen tegen effecten hoogwaterveiligheid Ten gevolge van het verwijderen van de langsdam in dijkvak 5 wordt een netto waterstandsverlaging bij maatgevend hoogwater (MHW) gerealiseerd (zie bijlage VII). De dijkversterking heeft dus een positief effect op de waterstand op de Maas. Er is wel sprake van een zogenaamd zaagtandeffect (zie figuur 7.1). Dit is een lokale verlaging verhoging van de waterstand die bij nagenoeg elke rivierverruimende maatregel optreedt. De maximale waterstandsverhoging in de as van de rivier is ca. 1 cm. Bovenstrooms is het effect van de ingreep een waterstandsverlaging van ca. 8,5 mm. Benedenstrooms is het effect van de ingreep binnen korte afstand verwaarloosbaar. Omdat de netto waterstandsverlaging (oppervlakte onder de nul-lijn) groter is dan de lokale waterstandverhoging past dit effect binnen de randvoorwaarden van het rivierkundig beoordelingskader en hoeft daarom niet gecompenseerd te worden. Door het verflauwen van de kom ten behoeve van het voorkomen van hinder voor de scheepvaart, wordt het zaagtandeffect overigens enigszins gedempt.
Figuur 7.1 Waterstandseffect (zaagtandeffect) als gevolg van verwijderen langsdam
69
7.2.2 Maatregel tegen hinder of schade door hydraulische effecten Door het verwijderen van de langsdam ter plaatse van dijkvak 5, ontstaat een dwarsstroming op de vaarweg ter hoogte van de kom in de oever van de Maas ter plaatse van dijkvak 4 (zie figuur 7.2). Deze dwarsstroming levert hinder op voor de scheepvaart. Om dwarsstroming te reduceren (tot de norm van maximaal 0,15 m/s volgens het Rivierkundig Beoordelingskader) wordt de oever van de Maas gestroomlijnd door het verflauwen van de oever van de kom met restmateriaal uit de af te graven langsdam tot het raakvlak met de WML leiding onder de Maas. Daarnaast neemt de lengte van ecologisch relevant areaal voor de Kaderrichtlijn Water af (met 400 m). Voor de nautische en ecologische (KRW) effecten worden gecombineerde mitigerende effecten genomen, bestaande uit het opvullen van de oude invaart van het koelwaterkanaal (kom) met uit de langsdam (overschot aan) vrijkomend zand en waar mogelijk slib. De oeverlijn van de nieuwe waterkering wordt doorgetrokken met een lagere vooroever net boven stuwpeil. Achter de oever wordt vrijkomend stikstofrijk materiaal aangebracht onder een schrale toplaag, zodat op natuurlijke wijze riet kan ontstaan.
Om de maatregel te realiseren zonder dat vertroebeling op de Maas ontstaat wordt de kom afgesloten met een (tijdelijke) damwand, waar steenbestorting aan de buitenzijde tegenaan wordt gebracht. Samen met het realiseren van een permeabele dam aan de bovenstroomse zijde van het koelwaterkanaal vormen deze twee maatregelen de compenserende maatregelen voor de KRW (zie ook paragraaf 7.3.4). Met het vullen van de kom en aanleggen van de vooroever wordt precies aan de norm voor dwarsstroming voldaan.
Figuur 7.2 Dwarsstroming langs linker oever Ter plaatse van de verplaatste aanlegsteigers in het koelwaterkanaal ontstaat hinder door zuiging van voorbijvarende schepen. De solitaire golf die hierdoor ontstaat heeft zonder beheersmaatregelen een maximale hoogte van 60 cm ter plaatse van de aanlegplaatsen in het koelwaterkanaal. Volgens de Richtlijnen Vaarwegen 2020 [lit. 21] is maximaal 20 cm golfhoogte ter plaatse van de aanlegplaatsen toegestaan. Daarom wordt ter plaatse van de haveningang een vernauwing van het koelwaterkanaal gerealiseerd die een golfdempende werking heeft en ook dient als entree voor de aanlegplaatsen. De doorvaartbreedte ter plaatse van de vernauwing bedraagt 10 meter, gelijk aan tweemaal de breedte van het maatgevend schip dat de aanlegplaatsen kan aandoen. Doordat aanlegplaatsen minder in de luwte liggen ten opzichte van de huidige situatie, is de situatie in principe verslechterd. Om deze reden en om toch mogelijke hinder door hogere stroomsnelheden door zuiging te 70
verminderen, is een ontwerp uitgewerkt in de vorm van een permeabele drempel tot een meter onder stuwpeil van gestapelde rifblokken aan de bovenstroomse zijde van de aanlegplaatsen. Omdat de drempel permeabel is, wordt het aantal waterdeeltjes dat door de translatiegolf wordt verplaatst aan de bovenstroomse zijde van de drempel minder. Hierdoor wordt het effect op de waterstand in het bovenstroomse deel van het koelwaterkanaal verminderd en het effect van weerkaatsing gedempt, waardoor de stroomsnelheden door zuiging afnemen. Er wordt gekozen voor een doorlatende drempel omdat een dichte dwarsdam zou zorgen dat de translatiegolf net bovenstrooms van de recreatieplaatsen zou weerkaatsen. Een visualisatie van deze maatregel is weergegeven in figuur 7.3.
Figuur 7.3: maatregelen tegen zuiging en voor KRW bovenstrooms van afmeervoorzieningen Door de porositeit tussen de blokken is de maatregel tegen zuiging tegelijk ook een geschikte compenserende KRW maatregel. De holle ruimtes tussen de blokken zijn namelijk zowel geschikt als schuilplaats voor vissen en als hechtingsubstraat voor macrofauna. Het bovenstroomse gedeelte van het koelwaterkanaal wordt daarmee afgesloten voor recreatievaart en vormt daarmee ook een geschikte schuilplaats voor vissen.
7.3 Natuur De maatregelen die getroffen worden om de effecten (en verstoring) op de natuur te voorkomen zijn:
7.3.1 Soortenbescherming Er is aanvullend natuuronderzoek [lit. 22] gedaan naar beschermde soorten in het plangebied. Voor sommige soorten zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk, beschreven in het mitigatieplan (bijlage VI-A) . In het mitigatieplan is een natuurkalender opgenomen met de kwetsbare periode van de aanwezige beschermde soorten.
7.3.1.1 Dassen Er zijn verschillende vaste rust- en verblijfplaatsen van dassen aanwezig in het oostelijke deel van het plangebied rondom de Groeneweg in dijkvak 4. Alle vaste rust- en verblijfplaatsen van dassen liggen echter buiten het plangebied en blijven behouden. De dijkversterking doorkruist het functioneel leefgebied van deze dassen, de verstoringen zijn echter tijdelijk, tijdens de aanlegfase van het project. Wel kunnen deze verstoord raken bij de werkzaamheden. Daarnaast kan de nieuwe dijk leiden tot versnippering van het functioneel leefgebied en is het noodzakelijk maatregelen te treffen om het doden en verwonden van dassen te voorkomen. In de eindsituatie is er geen negatief effect voor de das. Voor de das worden de volgende maatregelen getroffen om bovenstaande effecten te voorkomen:
Voorkom aantasting van dassenburchten door geen werkzaamheden binnen 20 meter van burchten uit te voeren. In een zone van 20-50 meter van burchten (zie figuur 7.4) zijn werkzaamheden alleen toegestaan in de minst kwetsbare periode van de das (juli t/m november). Binnen de kwetsbare periode van das (december t/m juni) zijn werkzaamheden alleen toegestaan als minimaal 50 meter afstand tot burchten gehouden wordt. De toegestane afstand van 20 en/of 50 meter wordt door de ecologisch deskundige in het veld gemarkeerd met behulp van piketten. Het trillen voor de verdichting van de grond ter fundering van de weg en het eventueel duwen of trillen van damwanden of palen mag binnen dijkvak 4 alleen uitgevoerd worden buiten de kwetsbare periode van de das (welke loopt van december tot en met juni).
71
De tijdelijke damwand voor de KRW-maatregel voor het vullen van de kom wordt op een afstand van meer dan 100 meter afstand van de dassenburchten getrild. Dit levert geen belemmeringen voor de das op en kan jaarrond worden uitgevoerd. Werkzaamheden die in de directe omgeving van de burcht plaatsvinden dienen zo kort mogelijk te duren en moeten uitgevoerd worden met zo min mogelijk licht, geluid en trillingen. Gebruik geen (extra) werkverlichting welke uitstraalt naar de zone van 50 meter rondom de dassenburchten. Ook niet bij de opslag van het materieel. Dit kan door gebruik te maken van armaturen welke het mogelijk maken de verlichting goed te richten en uitstraling naar de omgeving te voorkomen. Gedurende de nacht mag er geen verlichting branden binnen dijkvak 3 en 4. Bij beveiligingscamera’s is het wel toegestaan gebruik te maken van infrarood verlichting welke goed afgesteld wordt op het materieel dat beschermd moet worden. Dat wil zeggen dat deze altijd hoog geplaatst zijn en naar beneden toe afgesteld zijn zodat uitstraling voorkomen wordt. Aan het eind van iedere werkdag worden kuilen en greppels dieper dan 20 cm afgedekt met een plaat of op een plek voorzien van een talud van maximaal 45 graden. Plaatsen van bouwhekken is niet voldoende doordat dassen hier makkelijk onderdoor kunnen komen.
Het betreden en vernielen van dassenwissels moet zo veel als mogelijk worden voorkomen. Aan het eind van iedere werkdag is al het materieel en materiaal verwijderd van eventueel aanwezige wissels (vaste looproutes). Dassen moeten de mogelijkheid hebben het plangebied iedere nacht vrij over te steken, gezien de vaste rust- en verblijfplaatsen van de familie zich aan weerszijden van de werkstrook bevinden. Alle het aanwezige personeel moet op de hoogte gesteld worden van de locatie van de burchten zodat zij hier rekening mee kunnen houden. De burchten worden niet gemarkeerd met visuele middelen omdat dit tot verstoring kan leiden van de dassen.
Figuur 7.4: Luchtfoto van een deel van het plangebied met de contouren daarvan met rood weergegeven. Het permanent ruimtebeslag is met geel weergegeven. Vaste rust- en verblijfplaatsen van dassen zijn daarop met blauwe driehoeken weergegeven. Een bufferzone van 20 m en 50 m daaromheen zijn met blauw gearceerd weergegeven. Bron ondergrond: PDOK, 2024. 72
In het spoortalud in dijkvak 7 is een dassentunnel aanwezig. Deze zou gedicht moeten worden om lekkages bij hoogwater via de tunnel te voorkomen. Omdat dit mogelijk negatieve effecten op de das kan hebben omdat het spoortalud daarmee weer een grotere barrière gaat vormen wordt de volgende maatregelen getroffen om dit te voorkomen:
De dassentunnel wordt niet gedicht. In plaats daarvan worden er rondom de tunnelingang dijkjes van 30 cm hoog aangelegd welke voorkomen dat bij de hoogste waterstand waarop de ingreep berekend is er water door de tunnel gaat stromen. De dijkjes worden op enkele meters van de ingang van de tunnel aangelegd waarmee de ingang van de tunnel niet verstoord wordt. Als de werkzaamheden niet in een dag uitgevoerd kunnen worden (tussen zonsopkomst en zonsondergang), dan moeten alle machines en materialen op een afstand van tenminste 10 meter van de ingang van de tunnel geplaatst worden waardoor de dassen niet verstoord worden in het gebruik van de tunnel.
7.3.1.2 Bevers Voor de bever zijn verschillende beverholen aanwezig op de zuidoever van het voormalig koelwaterkanaal in dijkvak 6. In de rest van het plangebied zijn tijdens de onderzoeken geen oeverholen of burchten van de bever aangetroffen. Verspreid door het plangebied zijn knaagsporen van bevers aanwezig, maar er is geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied. Wel is het van belang dat bevers gedurende de nacht via het water de Maas kunnen blijven bereiken vanuit hun verblijfplaatsen. Voor de bever worden de volgende maatregelen getroffen om negatieve effecten te voorkomen:
In de kwetsbare periode (mei t/m augustus) wordt voor alle werkzaamheden een afstand van minimaal 50 meter tot oeverholen van de bever aangehouden. Werkzaamheden aan de overzijde van het koelwaterkanaal op land waarbij het water niet geroerd wordt kunnen wel plaatsvinden binnen de 50 m zone in deze periode omdat deze niet verstorend werken. Buiten de kwetsbare periode wordt een afstand van minimaal 20 meter tot de burcht aangehouden, met uitzondering van voorbijgaande baggerbewegingen op het water of aan de andere zijde van het water (zie figuur 7.5). Alle vegetatie op de oever ten zuiden van het koelwaterkanaal (dekking en voedsel rondom de oeverholen) blijft tijdens de ingreep behouden. Als er verlichting wordt toegepast bij de aanlegplaatsen dan mag deze niet constant branden en moet deze afgeschermd worden zodat deze niet op de zuidelijke oever en een bufferzone van 3 m (gezien vanaf de waterkant) uitstraalt. Daarmee wordt verstoring van de zone rondom de vaste rust- en verblijfplaatsen voorkomen. Het aanleggen van de aanleglocatie voor recreatievaart in dijkvak 6 wordt uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van de bever. Dat geldt in het bijzonder voor het heien van de palen, waarvan de te verwachten verstoring het grootste is.
Bij het inrichten van de overslaglocaties en laad- en losplaatsen wordt er altijd voor gezorgd dat deze tenminste 20 meter van beverburchten verwijderd liggen en in de periode van mei t/m augustus op en afstand van tenminste 50 meter. Daarnaast dient altijd tenminste een meter vrije doorzwemruimte aangehouden te worden in het koelwaterkanaal zodat de dieren via het water vrij kunnen bewegen naar foerageergebieden aan de Maas.
73
Figuur 7.5: Luchtfoto van een deel van het plangebied met de contouren daarvan met rood weergegeven. Het permanent ruimtebeslag is met geel weergegeven. Vaste rust- en verblijfplaatsen van bevers zijn daarop met gele stippen weergegeven. Een bufferzone van 20 m en 50 m daaromheen zijn met blauw gearceerd weergegeven. Bron ondergrond: PDOK, 2024
7.3.1.3 Vogels Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van broedvogels aangetroffen. Wel kan het plangebied overlappen met delen van het functioneel leefgebied van een of meerdere broedparen van de steenuil. Daarnaast kunnen er jaarrond beschermde nesten van de steenuil, boomvalk en torenvalk aanwezig zijn binnen de verstoringszone van de werkzaamheden. De kans op broedende boom- en torenvalken is echter zeer klein, maar moet wel een aandachtpunt blijven tijdens de uitvoering. Voor de steenuil betreft dit dijkvakken 2 en 3. Gezien de beperkte oppervlakte van het plangebied ten opzichte van het geheel aan geschikt foerageergebied en het feit dat dit tijdelijk ruimtebeslag momenteel voornamelijk bestaat uit wegen met bijbehorende bermen, is niet te verwachten dat de ingreep leidt tot een significant effect op functioneel leefgebied van steenuilen. Wel is het van belang bij de ingreep maatregelen te treffen waarmee de verstoring van steenuilen in hun vaste rust- en verblijfplaatsen en gedurende de nacht tijdens het broedseizoen (als de voedseldruk het hoogste is) voorkomen wordt. Door het treffen van de mitigerende maatregelen uit het mitigatieplan (bijlage VI-A) is er in de eindsituatie geen negatief effect voor broedvogelsoorten. Voor de steenuil worden de volgende maatregelen getroffen:
In de kwetsbare periode (februari t/m juli) wordt binnen dijkvakken 2 en 3 gebruik gemaakt van goed licht- en geluidbeheer. Dit houdt in dat er alleen overdag gewerkt wordt (tussen zonsopkomst en zonsondergang). Binnen Dijkvak 2, 3 en 4 wordt niet getrild voor de aanleg van de fundering van de weg binnen de kwetsbare periode. Buiten de kwetsbare periode wordt verlichting indien noodzakelijk altijd van de omliggende erven bij Dijkvak 2 en 3 afgewend als er gewerkt wordt tussen zonsopkomst en zonsondergang.
74
7.3.1.4 Vleermuizen Uit het vooronderzoek naar vleermuizen [lit. 23] blijkt dat er vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig waren in de directe omgeving van het plangebied welke mogelijk vallen binnen de verstoringszone van de werkzaamheden in dijkvakken 2 en 5. Deze verblijfplaatsen gaan niet verloren ten gevolge van de ingreep, maar het is wel van belang verstoring te voorkomen. Daarnaast vormt de Dorpsstraat een vaste vliegroute vormt voor vleermuizen. Deze is gelegen in dijkvakken 4 en 5. Momenteel wordt een nieuw vleermuisonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied waar raakvlakken te verwachten zijn om te onderzoeken of de situatie veranderd is en om een gedetailleerder beeld te krijgen van het belang van het plangebied voor vleermuizen. Hieruit blijkt dat er gedurende de kraamperiode tot maximaal tien gewone dwergvleermuizen gelijktijdig foerageren rondom de bomen aan de Dorpstraat en Groeneweg (gelegen in dijkvakken 4 en 5). Ondanks dat er veel alternatief foerageergebied aanwezig is in de directe omgeving van het plangebied welke behouden blijft, willen we het gebied wel bereikbaar te houden voor deze jagende dieren. De twee bomen met holtes en de bomen met vleermuiskasten gaan niet verloren bij de ingreep. In de winter- en kraamperiode zijn hier geen vaste rust- en verblijfplaatsen in aangetroffen van vleermuizen.
Omdat het onderzoek in de paarperiode nog niet is afgerond wordt er rekening mee gehouden dat hier paarverblijfplaatsen in aanwezig zouden kunnen zijn. Daarom worden maatregelen getroffen zodat deze mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen niet verstoord kunnen raken. Daarnaast dat als verstoring gedurende de nacht voorkomen wordt, er geen sprake is van aantasting van essentiële foerageergebieden van vleermuizen. Om negatieve effecten op vleermuizen te voorkomen worden in het gehele plangebied de volgende maatregelen getroffen:
Het is van belang dat het plangebied niet meer of op andere locaties verlicht wordt dan in de huidige situatie het geval is. Door verlichting te gebruiken kunnen vleermuizen het plangebied mijden en kunnen foerageergebieden en vaste vliegroutes ongeschikt raken voor vleermuizen. Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is dient deze zoveel mogelijk beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting naar boven en de omgeving toe moet zoveel mogelijk voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die het licht bundelen. Daarnaast mag alleen vleermuisvriendelijke verlichting worden toegepast. Gebruik geen (extra) werkverlichting welke uitstraalt naar de woningen grenzend aan het plangebied of de zone van 50 meter daar rondom heen. Dit kan door gebruik te maken van armaturen welke het mogelijk maken de verlichting goed te richten en uitstraling naar de omgeving te voorkomen. Bij beveiligingscamera’s is het wel toegestaan gebruik te maken van infrarood verlichting welke goed afgesteld wordt op het materieel dat beschermd moet worden. Die wordt altijd van bovenaf naar beneden gericht, zodat deze nooit gevels van gebouwen in de omgeving aanlicht.
De gewone dwergvleermuis moet in staat blijven om de afstand tussen zijn verblijfplaats en foerageergebied, met voldoende beschutting en geleiding, te overbruggen. Als een essentiële vliegroute zijn functie niet meer kan vervullen, is het van belang dat er een nieuwe vliegroute wordt aangeboden of dat er maatregelen getroffen worden om de vliegroute te behouden. De nieuwe dijk overlapt deels met de bomenlaan aan de Dorpstraat welke door maximaal 10 gewone dwergvleermuizen gelijktijdig wordt gebruikt om te jagen. Ondanks dat er geen sprake lijkt te zijn van een intensief (door veel dieren) gebruikte vaste vliegroute is wenselijk om te zorgen dat dit ook tijdens de uitvoering mogelijk blijft. Er is in het ontwerp al gekozen voor een locatie met de minste impact, maar desondanks is het noodzakelijk de bestaande opening te vergroten om de dijk te kunnen creëren. Om negatieve effecten op de vaste vliegroute van vleermuizen aan de Dorpsstraat in dijkvakken 4 en 5 zoveel mogelijk te voorkomen worden daarom onderstaande maatregelen getroffen:
Op plaats waar het bestaande gat in de vliegroute vergroot moet worden om de dijk te kunnen bouwen worden voorafgaand aan de ingreep als geleiding twee vleermuisbakens geplaatst om de geleiding te behouden. 75
In dit geval wordt gebruik gemaakt van palen met vleermuisbakens in bakken (zoals de FaunaFlex), zie figuur 7.6. De hart op hart afstand tussen deze vleermuisbakens en de te behouden bomen op de vliegroute mag maximaal 7 meter bedragen. De bakens ter oriëntatie van de vleermuizen dienen een afmeting van tenminste 1 meter doorsnede hebben op een hoogte van minimaal 4 meter. Deze zijn naar verwachting effectiever als bomen in bakken, omdat de kronen van die bomen vaak op de vlieghoogte van vleermuizen veel kleiner zijn om ze nog hanteerbaar te houden, met als gevolg dat vleermuizen lager gaan vliegen. De vleermuisbakens worden in de bestaande bomenlaan gezet waardoor vleermuizen niet om hoeven te vliegen en op hoogte door kunnen vliegen door het volgen van de bakens. De vleermuisbakens moeten in maart geplaatst worden, en tenminste in de actieve periode van vleermuizen (van april tot en met oktober) aanwezig zijn. De vleermuisbakens moeten functioneel zijn tussen een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopgang. Omdat voor de aanleg van de dijk naar verwachting maar twee extra bomen gekapt hoeven te worden ontstaat een gat van ongeveer 28 meter tussen de te behouden beplanting. Op de dijk is het vanuit veiligheid niet toegestaan opnieuw bomen aan te planten.
Om te voorkomen dat het gat niet overbrugd kan worden door vleermuizen krijgen de twee vleermuisbakens een permanente plek op de nieuwe dijk. De hoogte van de bakens wordt vervolgens afgestemd op de kroonhoogte van de te behouden bomen, en rekening houdend met gebruikers van de dijk zodat de dieren hier overheen geleid worden.
Figuur 7.6: Vleermuisbaken op paal in verplaatsbare bak, (Bron: Fauna Protect)
Figuur 7.7: Voorbeeld vleermuiskasten
Doordat er nog geen onderzoek naar vleermuizen in de paarperiode plaats heeft kunnen vinden bij het nieuwe onderzoek is nog niet zeker dat de boom met holte op de langsdam niet in de paarperiode door boombewonende vleermuizen gebruikt kan worden als vaste rust- en verblijfplaats. Daarom wordt er in het mitigatieplan (bijlage VI-A) vanuit gegaan dat dit wel het geval is. Gebruik in de winter- en kraamperiode is wel al met voldoende zekerheid (conform vleermuisprotocol 2021) uitgesloten. In het mitigatieplan wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de effecten en maatregelen. Maatregelen voor vleermuizen in de notenboom op de langsdam zijn:
Het kappen van de boom vindt plaats wanneer vleermuizen deze niet gebruiken als paarverblijfplaats. Dat wil zeggen dat de bomen gekapt worden buiten de periode van half juli tot eind oktober. 76
Net voorafgaand aan het kappen van de boom dient door een vleermuisdeskundige met behulp van een boomcamera vastgesteld te worden dat er op dat moment geen vleermuizen aanwezig zijn in de boomholte. Wanneer dit wel het geval is dient gewacht te worden totdat de holte verlaten is. Indien nodig kan daarbij aanvullend gebruik gemaakt worden van zogenaamde exclusion-flaps of batcones om te zorgen dat vleermuizen de holte wel kunnen verlaten maar niet meer terug kunnen keren (zie figuur 7.7). De te kappen boom met holtes dienen door een kraan met knijper vastgepakt te worden en na het afzagen voorzichtig neergelegd te worden. Hiermee wordt voorkomen dat achtergebleven dieren gedood of verwond raken op het moment dat de boom de grond raakt. Na het kappen van de boom met holte wordt deze met de opening van de holte naar boven toe neer gelegd. Vervolgens blijft de boom zo tenminste drie dagen liggen voordat zij afgevoerd worden. Hierdoor kunnen onverhoopt achtergebleven vleermuizen die de kapwerkzaamheden overleefd hebben de boom alsnog verlaten.
7.3.2 Gebiedsbescherming Als gevolg van het project dijkversterking Buggenum is er sprake van een tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in de Natura 2000-gebieden. Uit de Passende Beoordeling (bijlage IV) blijkt dat de tijdelijke en geringe depositiebijdrage (van maximaal 0,36 mol N/ha cumulatief over een periode van twee jaar) door dit project er niet toe leidt dat het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten in gevaar wordt gebracht. De natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden niet aangetast door de depositiebijdrage van het project. Ook in cumulatie met andere projecten of plannen leidt dit project niet tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. In de gebruiksfase vindt geen verandering in stikstofemissies plaats. Van een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase is daardoor geen sprake. Er is dan ook geen noodzaak tot uitvoeren van mitigerende en/of compenserende maatregelen. Uit de Nee, tenzij toets & compensatieplan NNL (bijlage VI-C) blijkt dat de compensatie-opgave ligt in het herstel van het beheertype Kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02) door het dijklichaam na afronding van de werkzaamheden in te zaaien met een passend, inheems kruidenrijk grasmengsel.
De ontwikkeltijd van het Kruidenrijk- en faunarijk grasland binnen het plangebied bedraagt naar verwachting minder dan 2 jaar. Initieel bestaat het noodzakelijk beheer uit 2x per jaar maaien inclusief afvoeren van maaisel. Bij het maaien kan (ten behoeve van fauna) pleksgewijs wat vegetatie worden overgeslagen. Bij voldoende verschraling kan de maaifrequentie mogelijk op lange termijn worden verminderd tot 1-jaarlijkse maaibeurt.
7.3.3 Bomen en houtopstanden Om de dijkversterking mogelijk te maken, worden in totaal circa 20-30 bomen/houtopstanden verwijderd (zie figuur 7.6). Voor 1 van deze bomen is een kapvergunning aangevraagd. Er zijn geen negatieve effecten op soorten- en/of gebiedsbescherming als gevolg van deze verwijdering. Voor het verwijderen van de overige bomen/houtopstanden wordt nog een melding gedaan in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De eventueel benodigde compensatie wordt dan ook geregeld (middels een maatwerkvoorschrift). Het aantal daadwerkelijk te kappen bomen hangt af van de detaillering van het uitvoeringsontwerp. Een aantal bomen langs de Dorpsstraat en buitenteen dijkvak 6 kan na detaillering van de benodigde werkstroken mogelijk nog gehandhaafd blijven. Er mogen geen bomen hoger dan 5 meter binnen 8,5 m van de kernzone van de waterkering worden terug geplant. Er zijn drie voorkeurslocaties voor het terug planten van bomen en begroeiing: (1) in de verblijfsruimte tussen de Dorpsstraat en nieuwe dijk in dijkvak 5 om de woningen af te schermen van zicht vanaf de kruin, (2) in de oksel van de Dorpsstraat en Groeneweg en (3) ter plaatse van de verplaatste weg op het OML terrein aan de zuidzijde van het spoor. Het nieuwe binnentalud in dijkvak 5 sluiten we aan op een beloopbaar 1:20 talud dat we inrichten als aantrekkelijk wandelgebied.
Daartoe wordt ook een struinpad aangelegd in het gebied. Buiten de kernzone en beheerstrook planten we enkele gebiedskenmerkende middelstamfruitbomen en herplanten we één karakteristieke 77
jonge notenboom van de langsdam. Dit doen we buiten 8,5 meter vanaf de binnenteen van de dijk. Andere jonge notenbomen die vrijkomen van de langsdam schenken we aan bewoners van Buggenum. Om te voorkomen dat het 1:20 talud wordt gebruikt voor wildparkeren, planten we de berm van de Dorpsstraat een meidoornhaag. We kiezen voor middelstamfruitbomen omdat deze vanwege de geringe hoogte (<5m) geen invloed hebben op de waterveiligheid en passen binnen de waterschapsverordening. De positie van de grotere notenboom kiezen we zodanig dat ontgronding, en bladval geen negatieve invloed hebben op de waterveiligheid. De meidoornhaag heeft een hoogte van maximaal 1 meter, zodat de beheerder zicht houdt op de kering. Uit het mitigatieplan (bijlage VI-A) blijkt dat er 2 bomen waardevol zijn voor soorten. Uit de opname houtopstanden [lit. 24] blijkt dat dit een waardevolle boom (B23 Okkernoot-Walnootboom) in dijkvak 5 op de langsdam is (zie figuur 7.). De notenboom wordt gekapt en er wordt een nieuwe boom gepland bij Dorpstraat. Om de realisatie van de dijk en de dijkovergang in dijkvak 3 mogelijk te maken, zal ook een karakteristieke boom (B02 Zomereik) gerooid moeten worden. Deze wordt in de nabijheid van de dijkovergang gecompenseerd.
Figuur 7.8 Bomeninventarisatie Buggenum
7.3.4 Kader Richtlijn Water (KRW) De werkzaamheden vinden plaats in het KRW waterlichaam ‘Zandmaas’ (NL91ZM), wat onderdeel uitmaakt van het deelstroomgebied Maas. Het watertype behoort tot ‘R7, langzaam stromende rivier/nevengeul op zand/klei’ en heeft de status ‘sterk veranderd’. Het waterlichaam Zandmaas heeft een rivierbodem met een vaste ondergrond, zand, zand met slib en/of organisch afval of bestaat uit dik slib zonder macrofauna. In snelstromende delen is mogelijk grind aanwezig. Voor dit KRW-waterlichaam zijn doelen gesteld voor een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel (GEP). Er is onderzoek [lit. 25] en KRW-toets [lit. 26] uitgevoerd om te toetsen of de ingreep in KRW-waterlichaam Zandmaas invloed heeft op het behalen van de KRW-doelstellingen. Uit de toetsing is gebleken dat oeverareaal voor macrofyten, macrofauna en vissen verloren gaat door het afgraven van de langsdam. 78
De wijziging van habitat waarbij een deel van de (semi) eenzijdig aangetakte koelwaterkanaal onderdeel wordt van de hoofdgeul heeft geen negatieve invloed op macrofauna en vissen, gezien de functie als beschutte plaats voor macrofauna en vis behouden blijft. Tijdens de werkzaamheden treedt vertroebeling op met mogelijk negatieve effecten op vis, waterplanten en macrofauna. In de paragraaf hierna zijn de mitigerende maatregelen beschreven hoe om te gaan met de tijdelijke vertroebeling. Om het verlies aan oeverareaal voor macrofyten, macrofauna en vissen te vereffenen, wordt het toekomstige kleinere oeverareaal meer hoogwaardig voor macrofyten, macrofauna en vis ingericht. Het verlies van areaal voor benthische macrofauna in het koelwaterkanaal wordt vereffend door het verwijderen van de langsdam waarbij nieuw te koloniseren areaal ontstaat met een meer stromend karakter.
7.3.4.1 Mitigerende maatregelen Om mogelijke negatieve effecten van tijdelijke vertroebeling gedurende de werkzaamheden tegen te gaan, wordt de volgende richtlijnen gevolgd: 1.
2.
3.
4.
5.
Voer de werkzaamheden die tot maximaal één meter boven het stuwpeil plaatsvinden uit in een tijdsperiode waarin slechts éénmaal in de periode februari t/m juli gewerkt wordt en splits de werkzaamheden niet op in twee jaren, zodat voorkomen wordt dat de werkzaamheden tweemaal in het paaiseizoen voor vissen vallen. Voer de werkzaamheden die vertroebeling van het water kunnen veroorzaken uitsluitend uit van maandag t/m vrijdag tijdens de standaardwerktijden van 07:00 tot 17:00 uur. Het betreft alle graafwerkzaamheden waarbij grond wordt afgegraven dan wel gestort tot één meter boven stuwpeil, zoals: Het ontgraven van de langsdam, inclusief het realiseren van de nieuwe haveningang De aanleg van het grondlichaam van de dijk in het voormalige koelwaterkanaal (dijkvak 5) Baggeren in het voormalige koelwaterkanaal Het aanbrengen van een natuurvriendelijke oever in de kom benedenstrooms van dijkvak 4 en het stroomlijnen van de oever De aanleg van nieuwe aanlegplaatsen en ritstructuur in het koelwaterkanaal (dijkvak 6) Het aanbrengen van maatregelen ter voorkoming van vertroebeling, zoals tijdelijke dwarsdammen en slib- en/of bellenschermen De aanleg van tijdelijke afmeervoorzieningen Plaats een slibscherm, bellenscherm of vergelijkbaar bij de oude en nieuwe invaart van het koelwaterkanaal vóór aanvang van bagger-, ontgravings- of ophoogwerkzaamheden om de verspreiding van
gesuspendeerd materiaal te voorkomen. Voer graafwerkzaamheden waarbij grond wordt afgegraven dan wel gestort tot één meter boven stuwpeil, zoals het afgraven van de langsdam, zoveel mogelijk uit met een milieuknijper (dichte bak waaruit minder afgegraven materiaal valt). Overflow dient zoveel mogelijk voorkomen te worden bij graafwerkzaamheden waarbij grond wordt afgegraven dan wel gestort tot één meter boven stuwpeil, bijvoorbeeld het afgraven van de bestaande dijk. Dit kan door middel het gebruik van een milieuknijper en het gebruik van een niet-drainerende beunbak.
7.3.4.2 Compenserende maatregelen Daarnaast zijn er diverse compenserende maatregelen gepland in het kader van de KRW-toets: 1.
2.
Ter plaatse van de verflauwde oever worden rietplaggen aangebracht over een lengte van 260 meter. Hierdoor ontstaat er een zone met rietruigte als vegetatiestructuur, waarmee een voor de Maas waardevol habitat wordt aangelegd en de ecologische kwaliteit van de oever wordt verhoogd. Ter plaatse van het koelwaterkanaal (ten westen van de afmeerplaats) worden semipermeabele blokken aangebracht in de vorm van een drempel bovenstrooms van de aanlegplaatsen. Door de porositeit tussen de blokken biedt het rif in het koelwaterkanaal een schuilplaats voor macrofauna en vissen en stilstaand water in het koelwaterkanaal wordt voorkomen. De holle ruimtes tussen de blokken zijn 79
zowel geschikt als schuilplaats voor macrofauna en vissen als hechtingsubstraat voor macrofyten. Het bovenstroomse gedeelte van het koelwaterkanaal wordt daarmee afgesloten voor recreatievaart en vormt daarmee ook een geschikte schuilplaats voor macrofauna en vissen.
7.4 Hinderbeperkend werken tijdens uitvoering 7.4.1 Beperken omgevingshinder tijdens uitvoering Tijdens de bouw- en aanlegfase van de dijkversterking kan overlast voor de omgeving plaatsvinden door bijvoorbeeld geluid- en trillingen, verminderde bereikbaarheid, overlast van bouwverkeer, aanleg van bouwwegen en/of afsluiting van nutsvoorzieningen. Om overlast en schade in de omgeving te beperken worden de werkzaamheden zover mogelijk van de bebouwing uitgevoerd. Dit houdt in dat er laad- en loslocaties worden ingericht om het bulkmateriaal zoveel mogelijk per schip aan te voeren, worden de openbare wegen zoveel als mogelijk vermeden en worden er rijplatenbanen zoveel mogelijk aan de buitendijkse zijde aangelegd. Tijdens de ontwerpfase is er gezocht naar een potentiële laad- en loslocatie. Hierbij dient rekening gehouden te worden met nautische aspecten en vergunbaarheid. Ook dient deze locatie niet te ver van het project te liggen om de transportbewegingen te beperken. Voor de effecten en mitigerende en/of compenserende maatregelen met betrekking tot geluid en trillingen (en overige effecten voor o.a. gezondheid, luchtkwaliteit, geur en externe veiligheid) wordt verwezen naar de merbeoordeling (bijlage II).
7.4.2 Maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase De wijze van realisatie is vastgelegd in het Uitvoeringsplan [lit. 9 ]. Een onderdeel van het Uitvoeringsontwerp is een risicocontourenplan, een trillingsprognose, een monitoringsplan en BLVC-plan (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie). Hierin worden de tijdelijke maatregelen en voorzieningen beschreven. De volgende maatregelen worden genomen tijdens de bouw- en aanlegfase om deze hinder zo veel als mogelijk te beperken: 1. Bouwverkeer en werkstroken: Aanvoer bouwmateriaal/materieel vindt zo veel als mogelijk plaats via het water om hinder van vervoer over de weg zo veel mogelijk te beperken. Bouwmateriaal wordt zoveel mogelijk opgeslagen in de buurt van de laad- en loslocaties en gecombineerd met een keetlocatie en/of oplaadlocatie voor materieel. Over het algemeen liggen de bouwwegen buitendijks en worden gecombineerd met de werkstrook; 2. Risicocontouren en monitoring: risicocontouren van het werk worden vastgesteld en vastgelegd op tekening. Voor alle objecten/gronden die binnen de risicocontouren liggen wordt een monitoringsplan opgesteld. Als er uit de risico-inventarisatie en/of risicocontouren blijkt dat er kans is op schade worden voor dat object/grond bouwkundige vooropnamen uitgevoerd en indien mogelijk de uitvoeringsmethode aangepast; 3.
Trillingsprognose: omliggende panden lopen het gevaar om gedurende het project schade te ondervinden van werkzaamheden zoals trillingwerkzaamheden t.b.v. het plaatsen van kwelschermen en/of het effect van tijdelijke grondwaterstandsverlaging door bemaling. Om trillingsschade te voorkomen wordt indien nodig en mogelijk trillingvrij gewerkt. Bij onacceptabele grondwaterstandsverlaging wordt retourbemaling ingesteld. Horizontale grondvervormingen als gevolg van ophoging spelen naar verwachting geen rol voor omliggende panden; 4. Bereikbaarheid: om de doorstroming en bereikbaarheid voor alle verkeersfuncties tijdens de uitvoering te waarborgen, neemt de aannemer maatregelen, zoals opgenomen in het Uitvoeringsplan, en stemt de aannemer deze af met de betreffende (vaar)wegbeheerders. 5. Leefbaarheid: om de leefbaarheid van bewoners en bezoekers in stand te houden gedurende de werkzaamheden, heeft de aannemer een aantal maatregelen bedacht, zoals opgenomen in het Uitvoeringsplan. 6. Veiligheid: voor dit project wordt een integraal veiligheidsmanagementplan opgesteld. Het integraal veiligheidsplan vormt het kader op het gebied van veiligheid en gezondheid. 7. Communicatie: Waterschap Limburg heeft voor het HWBP een communicatie-strategie opgesteld, waarin is beschreven hoe met de omgeving te communiceren. 80
Overige maatregelen zijn terug te vingen in de het Uitvoeringsplan. Indien onverhoopt toch schade ontstaat kan een verzoek tot schadevergoeding worden ingediend. Voor de wijze afhandeling van verzoeken om schadevergoeding wordt verwezen naar paragraaf 5.5.4.
7.5 Financieel nadeel Voor eventueel financieel nadeel, dat onverhoopt ontstaat als gevolg van de rechtmatige uitvoering van het projectbesluit, kan een belanghebbende een verzoek om schadevergoeding indienen bij het Waterschap Limburg op grond van het bepaalde in artikel 15.1 van de Omgevingswet (zie paragraaf 5.5.4).
81
8. Werkingsgebieden, legger, beheer en onderhoud 8.1 Wijzingen in wet- en regelgeving Samen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de Waterschapsverordening van Waterschap Limburg (opvolger van de Keur) en de Omgevingsverordening Limburg 2021 (opvolger van de Omgevingsverordening Limburg 2014) in werking getreden. Dit betekent dat er in plaats van het leggerwijzigingsbesluit voor het wijzigingen van de zoneringen ter bescherming van waterstaatswerken (zoals de waterkering), het vastleggen van ligging, vorm, afmeting en constructie, beheer en onderhoud (voorheen) nu het Besluit voor het wijzigen van de werkingsgebieden zoals opgenomen in de Waterschapsverordening (voorheen: leggerzoneringen) wordt vastgesteld parallel aan het Projectbesluit. Nadat het Ontwerp Projectbesluit is vastgesteld, wordt het ontwerp door de aannemer geoptimaliseerd binnen de kaders die zijn beschreven in dit Ontwerp Projectbesluit. Het leggerbesluit voor het vastleggen van vorm, afmeting en constructie en beheer en onderhoud, stelt Waterschap Limburg vanwege de optimalisatie pas vast na realisatie van dijkverbetering aan de hand van revisietekeningen.
8.2 Besluit tot wijziging van de werkingsgebieden Waterschap Limburg De Waterschapsverordening bevat regels met het oog op bescherming van het watersysteem en van de waterkeringen. De werkingsgebieden geven in (2D)-vlakken aan waar de betreffende regels van de Waterschapsverordening gelden. De geometrische begrenzingen van de werkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage 2 behorende bij de Waterschapsverordening. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 1.13 van de Waterschapsverordening bevoegd de geometrische begrenzingen in bijlage 2 te wijzigen. Parallel aan het Ontwerp-Projectbesluit is op <datum> onder <nummer> een Ontwerp-Besluit vastgesteld door het dagelijks bestuur namens het algemeen bestuur ter wijziging van de werkingsgebieden in de Waterschapsverordening. De gewijzigde werkingsgebieden betreffen de kernzone, beschermingszones en het profiel van vrije ruimte. Het vroegtijdig vastleggen van de werkingsgebieden in de Waterschapsverordening voorkomt ongewenste ontwikkelingen, die de geplande dijkverbetering kunnen belemmeren. Direct na realisatie bieden de vastgelegde werkingsgebieden een afdoende bescherming van de verbeterde dijk en overige waterstaatswerken. Op basis van de Participatie- en inspraakverordening van Waterschap Limburg wordt dit besluit overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb voorbereid.