CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Collegemededeling 1dec20

Commissievergadering Fysiek 6 april 2021, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Fietsbrug Neerbeek’ te Nunhem23.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1.2 Locatie

Het plangebied bevindt zich in de provincie Limburg. Het is gelegen tussen de steden Roermond en Venlo en omvat de beek Neerbeek (zie figuren 1.1 t/m 1.3).

Figuur 1.1: Overzichtskaart van het plangebied in de oude situatie. De oude brug is zowel geschikt voor het autoverkeer als voor het fietsverkeer. In het werkvak van de oude brug wordt een autobrug en een fietsbrug gerealiseerd. B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

3/32

Figuur 1.2: Overzichtkaart tijdelijke situatie met in het geel de tijdelijke weg voor het autoverkeer. Het fietsverkeer wordt omgeleid via het nieuwe fietspad (groen) en over de tijdelijke en bestaande fietsbruggen.

Figuur 1.3: Overzichtskaart nieuwe situatie met in het aqua de twee nieuwe kunstwerken voor fiets- en autoverkeer. B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

4/32

Figuur 1.4: Overzichtsfoto van de huidige situatie van de auto- en fietsbrug over de Neerbeek. 1.3 Activiteiten

In het kader van het project k08 kunstwerk Neerbeek N273 vinden de volgende werkzaamheden plaats: • Kappen van één boom ter hoogte van Napoleonsweg 101 • Kappen eventuele struiken langs nieuw aan te leggen fietspad • Plaatsen nieuw fietspad over bestaand struinpad en door weiland • Plaatsen tijdelijke damwand naast de Neerbeek • Plaatsen van een tijdelijke autobrug over de Neerbeek • Plaatsen van een tijdelijke fietsbrug over de Neerbeek • Aanleg van twee nieuwe bruggen over de Neerbeek

1.4 Wettelijk kader

Bij een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling is het vanuit natuurwetgeving van belang om na te gaan of de werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op beschermde natuurwaarden. Het volgende wettelijk kader is gehanteerd: Wet natuurbescherming: onderdeel beschermde soorten en beschermde gebieden; Provinciaal beleid: Binnen de provincie Limburg wordt onderscheidt gemaakt in goudgroene natuurzone (Natura 2000 en NNN), zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Zie voor uitleg over het wettelijk kader bijlage 1.

1.5 Doel

Het doel van de quickscan is toetsing van de voorgenomen ingrepen aan het wettelijk kader ten aanzien van natuur. Voorliggende rapportage betreft een quickscan ecologie waarmee middels een bureaustudie en biotoopverkenning een goede eerste indruk over de natuurwaarden in het plangebied wordt verkregen. Er wordt duidelijkheid gegeven over eventuele vervolgstappen: is er aanvullend veldonderzoek nodig? En is het nodig om een ontheffing of vergunning aan te vragen? Indien nodig wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

5/32

2

Methode

Hieronder bespreken we de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten. 2.1 Beschermde gebieden

In de wijde omgeving van het plangebied is gekeken naar mogelijke effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden. Beschermde gebieden die zijn meegenomen in deze quickscan omvatten: Natura 2000-gebieden en gebieden die vallen onder de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone als beschreven in de Omgevingsverordening Limburg (2014). Voor de effectbepaling is naast ruimtebeslag op beschermd gebied, ook gekeken naar mogelijke indirecte effecten als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen of optische verstoring. Bij Natura 2000-gebieden is tevens gekeken naar ‘externe werking’ op beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied, ook als er geen sprake is van ruimtebeslag. Denk hierbij aan negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie. Op basis van de effectbepaling is aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nader onderzoek, het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming of het doorlopen van de ‘nee-tenzij procedure’ voor de natuurzones.

2.2 Beschermde soorten

Bureaustudie

Een inventarisatie is gedaan naar bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna, zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming. Voor de bureaustudie zijn de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens van de afgelopen 5 jaar in (de omgeving van) het plangebied geraadpleegd. Als zoekgebied is een afstand van tenminste 500 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie alleen soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd. Indien de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort, geldt dit als een overtreding op de Wet natuurbescherming. Oriënterend veldbezoek

Het oriënterend veldbezoek van een quickscan ecologie kan het hele jaar door worden uitgevoerd omdat het in eerste instantie gaat om een verkenning van geschikte biotopen voor beschermde soorten in het plangebied. Een veldecoloog van Movares heeft op 11 december 2019 het plangebied bezocht. Tijdens het veldbezoek is middels visuele inspectie gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en (sporen van) beschermde dieren in (de omgeving van) het plangebied. Tijdens de inspectie is ook een biotoopbeoordeling uitgevoerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van geschikte biotopen en essentiële landschappelijke functies voor beschermde soorten.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

6/32

Effectbepaling beschermde soorten

Op basis van de gegevens uit de bureaustudie en het oriënterende veldbezoek heeft een beoordeling plaatsgevonden van de effecten van de voorgenomen ingreep op de beschermde natuurwaarden in (de omgeving van) het plangebied. Vervolgstappen

Op basis van de effectbepaling zijn de vervolgstappen vastgesteld. Hierbij is per soortgroep aangegeven of er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is benodigd. Indien nodig wordt aangegeven of er eerst nog aanvullend veldonderzoek naar specifieke soortgroepen moet worden uitgevoerd. Indien nodig wordt aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen of te verzachten (mitigerende maatregelen).

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

7/32

3 3.1 Beschermde gebieden

Resultaten

In figuur 3.1 is de ligging van beschermde gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.

Figuur 3.1: De ligging van beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied. 3.1.1. Natura 2000-gebieden

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Leudal op een afstand van 300 meter ten opzichte van het werkvak autobrug en 166 meter ten opzichte van de tijdelijke fietsbrug. De ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot ruimtebeslag op het Natura 2000-gebied. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Gezien de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied (300 meter), en de aard van de werkzaamheden worden indirecte negatieve effecten als gevolg van verstoring door de nieuwbouw van de auto- en fietsbrug en de aanleg van de tijdelijke autobrug niet verwacht als gevolg van verstoring door trillingen, licht en optische verstoring. Aangezien de tijdelijk te plaatsen fietsbrug maar 166 meter bij het Natura 2000-gebied vandaan ligt, kunnen hier, gezien de uit te voeren activiteiten, indirecte negatieve effecten niet worden uitgesloten. Het gaat om negatieve effecten door verstoring door licht, geluid en optische verstoring. Binnen het Natura 2000-gebied Leudal zijn zes stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van soorten aanwezig. Tijdens de aanlegwerkzaamheden wordt gebruik B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

8/32

gemaakt van materieel dat uitstoot van stikstof veroorzaakt. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied kan niet op voorhand met zekerheid worden uitgesloten dat er een toename aan stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitattypen. Richtlijnen, die op voorhand kunnen worden gebruikt om uit te sluiten dat negatieve effecten op habitattypen niet optreden als gevolg van tijdelijke toename in emissie van stikstof, zijn niet beschikbaar. Een berekening in AERIUS dient te worden gemaakt om de hoeveelheid depositie op gevoelige overbelaste habitattypen en/of leefgebieden te bepalen. 3.1.2. Provinciaal beschermde gebieden

Beschermde natuurgebieden zijn in de provincie Limburg aangewezen en beschermd in de Omgevingsverordening Limburg (2014). Hierin wordt onderscheid gemaakt in 1) de Goudgroene natuurzone, 2) de Zilvergroene natuurzone en 3) de Bronsgroene landschapszone. De bescherming van deze drie landschapszones is respectievelijk opgenomen in Artikel 2.6, 2.13 en 2.7 van de Omgevingsverordening. In Limburg is het NNN vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. Hierin zijn ook de Natura 2000gebieden opgenomen. De Zilvergroene natuurzone is een samenstel van gebieden grenzend aan en verbindingen vormend tussen gebieden van de Goudgroene natuurzone, waaronder de Natura 2000-gebieden. De Zilvergroene natuurzone omvat ook landbouwgrond waarvoor in het kader van de herijking van de voormalige EHS de taakstelling gericht op ontwikkeling van nieuwe natuur is komen te vervallen. De (potentiele) betekenis voor de natuur en voor de samenhang van het netwerk van natuurgebieden bestaande uit de Goudgroene natuurzone is echter nog steeds relevant. De Bronsgroene landschapszone omvat landschappelijke waardevolle beekdalen (voor zover niet gelegen in goud- of zilvergroen), hellingen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin gelegen (extensieve) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen en dergelijke.

Activiteiten in de Goudgroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone die de natuur- en landschapswaarden aantasten moeten worden gecompenseerd. Dit is uitgewerkt in de Beleidsregel natuurcompensatie. Deze Beleidsregel is ook van toepassing op activiteiten binnen het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het plangebied is gelegen binnen de Bronsgroene landschapszone en Goudgroene natuurzone. Negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging kunnen daarom niet worden uitgesloten en nadere toetsing is benodigd.

3.2 Beschermde soorten

In deze paragraaf wordt per soortgroep aangegeven welke beschermde soorten er op basis van de bureaustudie en het oriënterend veldbezoek in (de omgeving van) het plangebied worden verwacht. Vervolgens wordt per soortgroep ingegaan op mogelijke effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden. Tot slot wordt per soortgroep aangegeven welke vervolgstappen er nodig zijn (zoals maatregelen, nader onderzoek of aanvraag ontheffing).

3.2.1. Vaatplanten

Resultaten bureaustudie

Waarnemingen van beschermde soorten vaatplanten in (de omgeving van) het plangebied zijn niet bekend. Resultaten veldbezoek

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten planten aangetroffen op de planlocatie. Het veldbezoek is midden december uitgevoerd, een minder ideale periode om beschermde planten te identificeren. In het plangebied bestaat de vegetatie uit B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

9/32

kruiden, grassen en zegges. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere veldzuring, hondsdraf, brede dovenetel en zwarte zegge aangetroffen. Op basis van biotoop kunnen beschermde soorten planten niet worden uitgesloten. Effectbespreking en vervolgstappen

Tijdens het project wordt voor het aanleggen van het fietspad, de tijdelijke weg en de tijdelijke bruggen beslag op grond gedaan. Tijdelijke fietspad

Negatieve effecten op beschermde soorten planten als gevolg van de aanleg van het fietspad worden niet verwacht. Het fietspad wordt aangelegd op een bestaand struinpad en door weiland. Bovendien wordt het fietspad aangelegd langs een beukenhaag (zie figuur 3.2). Bij beuken valt op dat weinig ondergroei aanwezig is. Dit komt onder andere door het geringe zonlicht dat de bodem bereikt en het looizuur dat meekomt met het afgevallen blad (De Jong et al., 2015). Onder beuken komen dan ook geen beschermde soorten planten voor. Beschermde soorten vaatplanten die in de regio kunnen voorkomen zijn soorten zoals gladde zegge en grote leeuwenklauw. Waarbij de grote leeuwenklauw niet van zure standplaatsen houdt en daardoor wordt uitgesloten dat deze hier voorkomt, houdt de gladde zegge wel van natte en zure ondergronden. Echter, de zuurtegraad voor het voorkomen van de gladde zegge wordt opgebouwd door de aanwezigheid van veenmossen in de ondergroei. Deze mossengroep is niet aangetroffen in de ondergroei. Beschermde planten worden daarom niet verwacht en negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten worden daarom uitgesloten. Tijdelijke weg autoverkeer en tijdelijke bruggen

Negatieve effecten op beschermde soorten planten kunnen niet worden uitgesloten voor de aanleg van de tijdelijke weg en de tijdelijke bruggen. Percelen rondom het plangebied worden beheert met schapen, waardoor afvoer van nutriënten optreedt. Daarnaast speelt de beek een belangrijke rol in aanvoer van bronwater. Hierdoor kunnen mogelijk beschermde vaatplanten voorkomen. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van de werkzaamheden zijn daarom niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek ten behoeve van beschermde soorten vaatplanten is daarom benodigd.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

10/32

Figuur 3.2: Locatie te plaatsen fietspad weergegeven in het groen. In rood is het reeds liggende fietspad weergegeven. 3.2.2. Vogels

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten weergegeven, waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 5.2: Vogels met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Grote gele kwikstaart V Steenuil V Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene broedvogels

Binnen het plangebied is geschikt broedbiotoop aangetroffen voor algemene broedvogels (zie figuur 3.3). Het betreft ruigte, bomen en oevers. Tijdens het veldbezoek zijn onder meer de volgende vogels aangetroffen: vink, koolmees, pimpelmees, merel, blauwe reiger, zilver reiger, kraai en winterkoning. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek nesten van algemene broedvogels aangetroffen. B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

11/32

Figuur 3.3: Broedbiotoop en nestplaats van een algemene broedvogel. Vogels met jaarrond beschermde nesten

Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen vogels met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Ook zijn er geen holten of horsten aangetroffen die door vogels met jaarrond beschermde nesten als nestplaats kunnen worden gebruikt. Wel is tijdens veldbezoek op een afstand van 85 meter ten westen van het plangebied, in een tuin, een nestkast voor een steenuil waargenomen (zie figuur 3.4). Dit komt ongeveer overeen met de locatie van de waarneming van de steenuil uit de NDFF. Tevens is op ongeveer 100 meter van het plangebied een nestkast voor een torenvalk aangetroffen. Van de grote gele kwikstaart is het bekend dat deze graag nestelt onder een brug of bij boomwortels. Tijdens het veldbezoek is visueel geïnspecteerd of nesten gevonden konden worden op deze locaties. De aanwezige brug bevatte echter te weinig vegetatie (mede door het aanwezige voetpad dat onder de brug doorloopt) rondom de brughoofden om veiligheid bij broeden te kunnen bieden. Nesten zijn niet aangetroffen.

Figuur 3.4: Nestkast steenuil in een tuin ten westen van het projectgebied.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

12/32

Effectbespreking en vervolgstappen Algemene broedvogels

Binnen het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor algemene soorten broedvogels. Het vernietigen van nesten van broedende vogels en het verstoren van broedende vogels is verboden conform Wnb artikel 3.1. Om verstoring van broedende vogels en de vernietiging van nesten van broedende vogels te voorkomen, dienen werkzaamheden waarbij beplanting wordt verwijderd of aan de oevers wordt gewerkt, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige worden gecontroleerd of er in de te verwijderen bomen en/of struiken broedende vogels aanwezig zijn. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. In de provinciale verordening van de provincie Limburg is vastgesteld dat voor sommige vogelsoorten, zoals de waargenomen blauwe reiger, getoetst moet worden of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft. Door het plaatsen van een tijdelijke autobrug wordt beslag gelegd op een deel van het leefgebied van de blauwe reiger. Echter, het plangebied omvat maar een klein gedeelte van het totale leefgebied dat hij tot zijn beschikking heeft.

Zodoende blijft voldoende leefgebied beschikbaar voor deze soort. Vogels met jaarrond beschermde nesten

Binnen het plangebied zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht. Wel kan het project een effect hebben op de functionele leefomgeving van de steenuil. Globaal jaagt de steenuil binnen een straal van 350 meter rondom zijn nestplaats tijdens het broedseizoen (zie figuur 3.5) op kleinere knaagdieren en amfibieën tijdens het broedseizoen (Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen', 2017). Van deze voedselbron is aangetoond dat die in het plangebied aanwezig zijn (zie paragraaf 3.2.3 en 3.2.6). Het project kan effect hebben op de soorten waarop de steenuil jaagt en kan zodoende effect hebben op de functionele leefomgeving van de soort. Echter, in de omgeving van het plangebied blijft voldoende functioneel leefomgeving bewaard voor de steenuil om in te foerageren. Zodoende is een negatief effect uitgesloten. Torenvalk is qua voedselaanbod aangewezen op smalle ruigtestroken, ruige bermen en kruidenrijke overhoekjes (BIJ12). Deze biotopen worden beperkt aangetast door de voorgenomen werkzaamheden. Indien de kast daadwerkelijk in gebruik is door een torenvalk, blijft er voldoende leefgebied over om de functionaliteit van de nestplaats te waarborgen

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

13/32

Figuur 3.5. Overzicht projectgebied en voorkomen vogels met een jaarrond beschermd nest. In het lichtblauw is het foerageergebied van de steenuil aangegeven. Te midden van de blauwe cirkel is de nestkast van de steenuil gevonden tijdens het veldbezoek. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. 3.2.3. Grondgebonden zoogdieren

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde grondgebonden zoogdieren weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 5.3: Beschermde grondgebonden zoogdieren die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Aardmuis AV Bever H Bosmuis Av Bunzing Av Das N Dwergmuis Av Dwergspitsmuis Av Eekhoorn Av1 Haas Av Huisspitsmuis Av Konijn Av B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

14/32

Soort Categorie Wnb Ondergrondse woelmuis Av Ree Av Rosse woelmuis Av Veldmuis Av Waterspitsmuis N Wild zwijn N Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. 1 Voor de eekhoorn geldt een vrijstelling in de periode maartapril en juli tot en met november. Resultaten veldbezoek

Tijdens het veldbezoek zijn groenstructuren, bosschages en wallen aangetroffen binnen het plangebied waar zich algemene soorten als aardmuis, bosmuis, dwergmuis kunnen bevinden (zie figuur 3.6). Dit zijn soorten die door de provincie Limburg zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen het plangebied worden ook grondgebonden zoogdieren verwacht die niet algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Limburg, zoals bever, das, waterspitsmuis, wild zwijn en eekhoorn. Bever

In 2002 zijn in de bovenloop van de Neerbeek (in de Tungelroyse beek) bevers uitgezet. In de tussentijd zijn er meerdere territoriums gevormd (Dijkstra & Kurstjens, 2006; Faunabeheereenheid Limburg, 2017). Het plangebied bevat een combinatie van bomen (verschillend in leeftijd) en een meanderende beek. Dit vormt geschikt leefgebied voor de bever. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van de bever in en rondom het plangebied waargenomen (zie figuur 3.7). Het betreffen vraatsporen die dateren van enkele dagen tot enkele weken/maanden oud. In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen burchten om holen waargenomen die door de bever als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Het plangebied bevat foerageergebied voor de bever. Das

De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Het plangebied voldoet aan deze vereisten voor de das. Tijdens het veldbezoek is het plangebied visueel geïnspecteerd op burchten van de das. Deze zijn niet waargenomen. Waarnemingen uit NDFF geven weer dat een mogelijke burcht op een afstand van 500 meter ten opzichte van het plangebied voor de tijdelijke fietsbrug ligt, in het Natura 2000-gebied Leudal. Het plangebied vormt voor de das alleen mogelijk foerageergebied en/of wordt gebruikt als mogelijke looproute langs de beek. Eekhoorn

Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. In het plangebied, tussen het werkvak van de B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

15/32

brug en de tijdelijke brug, is geschikt biotoop aanwezig voor de eekhoorn in de vorm van eiken, elzen en beuken. Deze bomen bieden voldoende voedsel voor deze soort. Daarnaast zijn de bomen ook voldoende groot om te worden gebruikt door eekhoorns. Tijdens het veldbezoek zijn in deze bomen geen nesten van eekhoorns gezien. Desalniettemin kan het voorkomen van eekhoorn niet worden uitgesloten. Waterspitsmuis

De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De beek en haar oevers gelegen in het plangebied voldoen aan deze eisen qua leefgebied. Het plangebied van zowel de autobrug als de fietsbrug voldoen aan de biotoopkenmerken voor de waterspitsmuis en voorkomen van de waterspitsmuis kan niet worden uitgesloten. Wild zwijn

Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het bos een combinatie is van eiken, elzen en beuken. Dit maakt het bos geschikt voor het wild zwijn om in te foerageren. Tijdens het veldbezoek (late herfst) zijn geen wroet sporen van wilde zwijnen aangetroffen. Daarnaast is het voornaamste leefgebied van het wild zwijn grotere bossen, zoals ten westen van het plangebied. Het bos in het plangebied, tussen de fietsbrug en de N273 in, is vrij klein voor het wild zwijn.

Figuur 3.6: Vraatsporen grondgebonden zoogdieren (aardmuis, bosmuis, dwergmuis) nabij het nieuw aan te leggen fietspad.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

16/32

Figuur 3.7: Vraatsporen bever nabij de reeds aanwezige fietsbrug. Effectbespreking en vervolgstappen

Het plangebied is geschikt voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren, zoals de aardmuis, bosmuis, dwergmuis. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Voor deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming echter niet nodig, omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Limburg bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd vanuit één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen. Het plangebied is geschikt voor de Habitatrichtlijnsoort bever en de nationaal beschermde soorten das, waterspitsmuis, wild zwijn en eekhoorn. Mogelijke negatieve (tijdelijke) effecten voor deze soorten zullen voornamelijk optreden tijdens de aanlegfase, aangezien na oplevering geen extra beslag wordt gelegd op mogelijk foerageergebied. Bever

Het plangebied wordt door de bever gebruikt als foerageergebied. Tijdelijke effecten, zoals verstoring door licht, geluid, trillingen en optische verstoring gedurende de aanlegfase kunnen niet worden uitgesloten. Door de werkzaamheden, voor de twee nieuwe kunstwerken N273 voor auto- en fietsverkeer, kunnen de oevers tijdelijk minder toegankelijk zijn voor de bever om te gebruiken tijdens het foerageren. Hierdoor kunnen mogelijke foerageergebieden en verblijfplaatsen van elkaar worden gescheiden. Nader inventarisatieonderzoek is nodig om de exacte functies rondom het plangebied aan te wijzen. Het betreft locaties met de functies voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden). De beste periode B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

17/32

voor een dergelijk onderzoek is aan het einde van de winter (maart - april). Als tijdens dit onderzoek blijkt dat het plangebied essentieel is, dan dient voor een ontheffing inzichtelijk gemaakt te worden hoe groot de populatie is en wat het effect van het project is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie (Kennisdocument Bever, 2017). Das

Op een afstand van ongeveer 500 meter bevindt zich mogelijk een burcht. Dit maakt dat het plangebied binnen het foerageergebied van de das ligt (1,5 tot 12 km van de burcht (Soortenstandaad Das, 2015)). De wandelpaden gelegen naast de beek en onder de autobrug door zijn geschikt als looproute voor de das. Hier zijn echter geen wissels aangetroffen. Tijdens de aanlegfase treedt alleen een mogelijk tijdelijk negatief effect op door verstoring door licht, geluid, trillingen en optische verstoring. Door ruimtebeslag kan een mogelijke looproute onder de bestaande brug worden verstoord. Echter, voldoende foerageergebied blijft bestaan richting bijvoorbeeld het noorden, waar een zelfde soort habitat bevindt met weilanden, akkerlanden, en bosschages. De brug vormt daarmee geen essentiële looproute. Genoeg alternatieven blijven bewaard voor de das om te foerageren. Bovendien verdwijnen geen vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen door toedoen van dit project. Na oplevering van het project treedt geen effect meer op het foerageergebied van de das, aangezien geen extra ruimtebeslag plaats vindt. De ruimte onder de brug is dan weer beschikbaar om de weg te passeren. Eekhoorn

Door de werkzaamheden zal geen (tijdelijk) beslag worden gelegd op het leefgebied van de eekhoorn, aangezien geen bomen worden gekapt binnen het bosrijke gedeelte tussen de tijdelijke fietsbrug en autobrug in. De aanleg van het fietspad zal geen verdere effect op het foerageren opleveren aangezien deze niet tot onderbreking van het leefgebied leidt. Mogelijk treden negatieve effecten op door verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor de eekhoorn geldt dat deze is vrijgesteld in de periode maart-april en juli t/m november. Indien het verwijderen van de vegetatie in deze periode wordt verricht, hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Kunnen de werkzaamheden niet binnen deze periode worden uitgevoerd dan is nader onderzoek naar het voorkomen van de eekhoorn in het plangebied noodzakelijk. Indien deze wordt aangetroffen dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de ontheffingsaanvraag dient dan goed onderbouwt te worden waarom werken in deze periode niet mogelijk is. Waterspitsmuis

Het plangebied ter hoogte van de Neerbeek is geschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden door ruimtebeslag op leefgebied van de waterspitmuis of door verstoring door licht, geluid, trillingen en optische verstoring. Nader onderzoek is nodig om aan te tonen of de soort al dan niet binnen het plangebied voorkomt. Dit kan worden gedaan door middel van eDNA of door inloopvallen te plaatsen.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

18/32

Wild zwijn

Door de voorgenomen werkzaamheden ter hoogte van het aan te leggen fietspad kunnen negatieve effecten op leefgebied van het wild zwijn optreden door ruimtebeslag op het leefgebied van het wild zwijn. De overige werkzaamheden (aanleg (tijdelijke) auto- en fietsbrug) kunnen negatieve effecten veroorzaken door verstoring door geluid, licht, trillingen en optische verstoring. Voor het wild zwijn geldt echter dat het geen essentieel leefgebied is dat een tijdelijk effect ondervindt. Aangezien het wild zwijn van een rustige omgeving houdt, het bos in het plangebied ondiepe poelen mist, en omdat het plangebied het meest oostelijke bosachtige gebied in de omgeving is, wordt een eventueel tijdelijk effect door de aanlegfase niet verwacht. Buiten het plangebied, en met name binnen het Natura 2000-gebied, bevinden zich bosschages die een betere functionaliteit/ kwaliteit bieden. In de directe omgeving is voldoende alternatief leefgebied voor. De effecten op het wild zwijn zijn tijdelijk. Na uitvoering van de werkzaamheden is het leefgebied weer beschikbaar. Er zijn geen vervolgstappen voor het wild zwijn noodzakelijk. 3.2.4. Vleermuizen

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de soorten vleermuizen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 5.4: Beschermde vleermuizen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Gewone dwergvleermuis H Laatvlieger H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek

Het oriënterende veldbezoek heeft overdag plaatsgevonden waardoor geen actieve vleermuizen konden worden waargenomen. Wel is zo goed als mogelijk biotoopinformatie verzameld om de aan- of afwezigheid van mogelijke foerageergebieden, vliegroutes en verblijfplaatsen te bepalen. Vleermuizen foerageergebied

Vleermuizen foerageren in gesloten tot halfopen landschap in de beschutting van opgaande elementen in groene bebouwde omgeving en water. Rondom en in de plangebieden zijn deze elementen aanwezig waardoor de plangebieden geschikt als foerageergebied voor vleermuizen.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

19/32

Vleermuizen vliegroutes

Tijdens vleermuistransecttelling (2014 t/m 2016) zijn vliegroutes van de twee soorten vleermuizen waargenomen ten noorden van het plangebied (zie figuur 3.8). Het gaat om een vliegroute van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Beide soorten kunnen ook gebruik maken van de beek, gelegen in het plangebied, als mogelijke vliegroute (deze is niet meegenomen in de transecttellingen). Voorkomen van andere soorten vleermuizen die het plangebied gebruiken als vliegroute is niet uit te sluiten.

Figuur 3.8: Vliegroutes gewone dwergvleermuis en laatvlieger rondom plangebied als waargenomen tijdens vleermuistransecttelling (2014 t/m 2016). Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Vleermuizen verblijfplaatsen

Bebouwing en holten en bomen kunnen door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt worden. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig die door gebouwbewonende soorten als verblijfplaats kan worden gebruikt. Daarnaast zijn in ( de directe omgeving van) het plangebied geen bomen met holten aanwezig die door boombewonende soorten als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Wel is in de directe omgeving een woonhuis aanwezig waar mogelijk vleermuizen kunnen verblijven.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

20/32

Effectbespreking en vervolgstappen Vleermuizen foerageergebied

Het project zal in de uiteindelijke situatie geen beslag leggen op potentiële foerageergebied van de twee soorten vleermuizen, aangezien de nieuwe bruggen op dezelfde locatie liggen als de huidige brug reeds ligt. Door de werkzaamheden kan tijdelijk ruimtebeslag zijn op het foerageergebied van vleermuizen. Echter, in de directe omgeving van het plangebied blijft voldoende alternatief foerageergebied over. Denk hierbij aan bomenrijen en tuinen in de directe omgeving van het plangebied. Het gaat daarom niet om essentieel foerageergebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen bij de aanleg negatieve effecten door verstoring door licht optreden. Deze effecten kunnen worden voorkomen door te werken tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de groenstructuren en de beek onverlicht blijven. Vleermuizen vliegroutes

Door toedoen van het project treedt geen ruimtebeslag op (essentiële) vliegroutes op. De beekloop wordt niet aangetast en de kap van een enkele boom leidt niet tot een gat binnen een lijnvormig groenelement. Van de werkzaamheden in de aanlegfase kunnen de soorten daarentegen wel hinder ondervinden door verstoring door verlichting. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de gebouwen, opgaande beplanting en de Neerbeek onverlicht blijven. Daarnaast dient blokkering van de beek in de aanlegfase, tussen zonsondergang en zonsopgang, voorkomen te worden. Bovendien zijn in de directe omgeving alternatieve vliegroutes aanwezig. De mogelijk vliegroutes in het plangebied zijn daarmee niet essentieel. Gezien de aanwezigheid van alternatieve vliegroutes in de omgeving (zie figuur 3.8), kan er worden uitgesloten dat een eventuele vliegroute in het plangebied een essentiële vliegroute is. Vleermuizen verblijfplaatsen

In het plangebied zijn geen bomen en/of gebouwen aangetroffen met geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied is een huis waarin vleermuizen mogelijk kunnen verblijven. Tijdens de werkzaamheden kunnen de soorten in dit woonhuis wel hinder ondervinden door verstoring door verlichting. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Indien dit niet mogelijk is dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting waarbij de gebouwen, opgaande beplanting en de Neerbeek onverlicht blijven.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

21/32

3.2.5. Reptielen

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten reptielen weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 5.5: Beschermde reptielen die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Hazelworm Av2 Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. 2Voor de hazelworm geldt een vrijstelling in de periode juli, augustus en september. Resultaten veldbezoek

Gedurende het veldbezoek is gelet op eventueel biotoop van reptielen. Het veldbezoek is midden december uitgevoerd. Dit is niet een optimale periode voor het waarnemen van reptielen, aangezien deze dan hun winterslaap houden. De hazelworm heeft een relatief breed biotoop dat loopt van bossen en houtwallen tot steenhopen en tuinen. Biotoop is aanwezig binnen de plangebieden van de tijdelijke fietsbrug en het kunstwerk N273. Daarnaast zijn waarnemingen van de hazelworm op korte afstand van het plangebied aanwezig. De aanwezigheid van de hazelworm in het plangebied is daarom niet met zekerheid uit te sluiten. Effectbespreking en vervolgstappen

Op basis van het aanwezige biotoop en verspreiding van de hazelworm wordt de hazelworm in het plangebied verwacht. Het plangebied is geschikt als zomer-, winteren voortplantingsbiotoop. Voor de hazelworm geldt een vrijstellingsperiode binnen de provincie Limburg in de periode juli t/m september. In deze periode mag gewerkt worden zonder ontheffing. Indien niet gewerkt kan worden in deze periode, is nader onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid van de hazelworm al dan niet uit te sluiten. Is de hazelworm inderdaad aanwezig in het plangebied, dan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 3.2.6. Amfibieën

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten amfibieën weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

22/32

Tabel 5.6: Beschermde amfibieën die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Alpenwatersalamander H Bruine kikker Av Av Gewone pad Kleine watersalamander Av Poelkikker H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. Resultaten veldbezoek Algemene vrijgestelde soorten amfibieën

Tijdens veldbezoek is waargenomen dat binnen plangebied watergangen aanwezig zijn die geschikt zijn voor algemene (vrijgestelde) soorten amfibieën zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Dit zijn soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen. Poelkikker

De poelkikker heeft als voorplantingsbiotoop vennen, poelen of sloten nodig. Ongeveer 200 meter stroomopwaarts van het plangebied ligt een waterlichaam dat wordt gestuwd. Dit in combinatie met de beekloop en de naastliggende graslanden en bos in het plangebied (respectievelijk zomer- en winterbiotoop), maakt het voorkomen van de poelkikker binnen het plangebied aannemelijk. Alpenwatersalamander

De alpenwatersalamander maakt geen gebruik van stromende wateren, zoals de beek die in het plangebied aanwezig is. De soort maakt gebruik van stilstaande wateren in greppels of bospoelen. Tijdens het veldbezoek zijn geen poeltjes aangetroffen waarin de soort kan voortplanten of overwinteren. Het voorkomen van de alpenwatersalamander wordt daarom niet verwacht in het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen

Het plangebied is geschikt voor algemene soorten amfibieën, zoals de gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Deze dieren kunnen door de werkzaamheden worden verstoord. Ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig omdat de soorten algemeen zijn vrijgesteld door de provincie Limburg bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden waarbij water wordt gedempt of vegetatie wordt verwijderd van één kant uit te voeren zodat aanwezige dieren de kans krijgen zich te verplaatsen.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

23/32

Het plangebied is daarnaast geschikt als biotoop voor de poelkikker. Deze soort is beschermd volgens de Wnb. Werkzaamheden, zoals het plaatsen van damwanden kan door indirecte effecten, zoals trillingen, een effect hebben op de soort. Nader onderzoek dient aan te tonen of de soort gebruik maakt van het plangebied. Indien de aanwezigheid van de poelkikker binnen het plangebied wordt aangetoond is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 3.2.7. Vissen

Resultaten bureaustudie

Waarnemingen van beschermde soorten vissen in (de omgeving van) het plangebied zijn niet bekend. Resultaten veldbezoek

Tijdens het veldbezoek zijn geen vissen waargenomen. Wel zijn zoetwatermossels waargenomen waarmee het water geschikt kan zijn voor een soort als bittervoorn. Deze is echter niet beschermd door de Wnb. Wel geldt de zorgplicht voor deze soort. Een beschermde soort, zoals de beekdonderpad, wordt hier niet verwacht. Deze soort gebruikt kunstmatige structuren, zoals kribben en stortstenen, als biotoop. Deze structuren zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Effectbespreking en vervolgstappen

Beschermde soorten vissen worden niet in het plangebied verwacht. Negatieve effecten op beschermde soorten vissen treden naar verwachting niet op. Wel moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Dit kan bijvoorbeeld door bij het werken aan de oevers en bij het plaatsen van (tijdelijke) damwanden de aanwezige vissen op te schrikken door bijvoorbeeld met de schep van een kraan rustig vanuit één kant door het water te manoeuvreren. Daarnaast wordt aanbevolen om zo veel mogelijk buiten de kritische paaiperiode voor vissen de werkzaamheden uit te voeren (april t/m half augustus). 3.2.8. Ongewervelden

Resultaten bureaustudie

In de onderstaande tabel zijn de beschermde soorten ongewervelden weergegeven waarvan waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend zijn. Tabel 5.8: Beschermde ongewervelden die in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen in de afgelopen 5 jaar. Bron: NDFF, december 2019. Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Soort Categorie Wnb Kleine ijsvogelvlinder H Legenda categorie Wet natuurbescherming (Wnb): V = vogels (artikel 3.1 Wnb), H = soorten Habitatrichtlijn en/of Verdrag van Bonn of Bern (artikel 3.5 Wnb), N = nationaal beschermde soorten volgens Wnb (artikel 3.10 Wnb), AV = beschermde soorten waarvoor de provincie Limburg een algemene vrijstelling heeft afgegeven voor ruimtelijke ingrepen.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

24/32

Resultaten veldbezoek

De waardplant van de kleine ijsvogelvlinder is de wilde kamperfoelie. Deze is tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Dit heeft mogelijk te maken met de periode waarbinnen het veldbezoek is uitgevoerd (december). Wel is geschikt biotoop gevonden voor de wilde kamperfoelie, namelijk moeras, struweel en loofbossen. Aangezien de kleine ijsvogelvlinder afhankelijk is van deze waardplant voor het voltooien van zijn levenscyclus, is tevens mogelijk geschikt biotoop aanwezig voor deze soort. De kleine ijsvogelvlinder kan zodoende niet worden uitgesloten. Daarnaast kunnen soorten, zoals de grote vos en de beekrombout tevens in en rondom de plangebieden verwacht worden. Deze soorten hebben vochtige bosranden en stromende wateren nodig. Dit is zowel aanwezig in het plangebied van het kunstwerk N273 en de tijdelijke fietsbrug als er tussenin. Effectbespreking en vervolgstappen

Het project heeft na oplevering geen ruimtebeslag op potentieel biotoop van de kleine ijsvogelvlinder. Ook worden eventueel tijdelijke negatieve effecten op deze soort niet verwacht, aangezien voor het project geen struwelen hoeven te worden gekapt waarin wilde kamperfoelie zich kan bevinden. De ijsvogelvlinder is minder gevoelig voor effecten als trillingen en licht. Voor de mogelijke soorten grote vos en beekrombout geldt hetzelfde. Negatieve effecten worden niet verwacht aangezien grote bomen (onderdeel van een bosschage) niet gekapt worden. Deze bomen zijn noodzakelijk voor de soort grote vos. De larven van de beekrombout leven in de bodem van de beek waar ze ’s nachts jagen. Indien de bodem van de beek niet aangetast wordt, treedt geen negatief effect op deze soort op. Indien de damwanden niet op de bodem van de beek worden geplaatst worden negatieve effecten op de soortgroep niet verwacht. Bij plaatsing van damwanden in het beekbed is nader onderzoek benodigd.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

25/32

4

Conclusies

In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken. 4.1 Beschermde gebieden

Natura 2000

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leudal bevindt zich op een afstand van ongeveer 166 meter afstand van de tijdelijke fietsbrug en 300 meter van de autobrug. Directe negatieve effecten als gevolg van oppervlakteverlies zijn daarmee uitgesloten. Indirecte negatieve effecten (verstoring door trillingen, licht en optische verstoring) door de nieuwbouw van de autobrug en de aanleg van de tijdelijke autobrug worden niet verwacht. Voor de aanleg van de tijdelijke fietsbrug kunnen indirecte negatieve effecten niet worden uitgesloten. Het gaat om negatieve effecten door verstoring door licht, geluid en optische verstoring. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied kan niet op voorhand met zekerheid worden uitgesloten dat er een toename plaatsvindt van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen waarvoor het Natura 2000-gebied Leudal is aangewezen. Richtlijnen, die op voorhand kunnen worden gebruikt om uit te sluiten dat negatieve effecten op habitattypen niet optreden als gevolg van tijdelijke toename in emissie van stikstof, zijn niet beschikbaar. Een berekening in AERIUS dient te worden gemaakt om de hoeveelheid depositie op gevoelige overbelaste habitattypen te bepalen. Provinciaal beschermde gebieden

Het plangebied is gelegen binnen de Bronsgroene landschapszone en Goudgroene natuurzone. Negatieve effecten als gevolg van verstoring en verontreiniging kunnen daarom niet worden uitgesloten en nadere toetsing is benodigd. Nadere NNN-toetsing is benodigd. 4.2 Beschermde soorten

Binnen het plangebied is biotoop aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vaatplanten, algemene broedvogels, vogels met jaarrond beschermd nest, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, reptielen en amfibieën. In onderstaande tabel is per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming.

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

26/32

Soortgroep

Tabel 7: Conclusies en aanbevelingen m.b.t. beschermde soorten (Wet natuurbescherming) Beschermde Soorten? Nader Ontheffing Wet onderzoek? natuurbescherming nodig?

Vaatplanten

Misschien.

Ja

Algemene Broedvogels

Ja.

Nee

Vogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren, vrijgestelde soorten

Ja.

Nee

Ja, het plangebied vormt leefgebied voor vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten, zoals aardmuis, bosmuis, dwergmuis en eekhoorn.

Nee

Grondgebonden zoogdieren, Habitatrichtlijn Grondgebonden zoogdieren, nationaal beschermde soorten Vleermuizen foerageergebied en vliegroutes

Ja, de bever komt in het plangebied voor. Ja, het plangebied vormt mogelijke essentieel leefgebied voor de nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren das, waterspitsmuis en wild zwijn Nee, het betreft geen essentieel foerageergebied, essentiële vliegroutes.

Voor de eekhoorn is aanvullende onderzoek noodzakelijk als niet gewerkt kan worden in de periode maartapril en juli tot en met november. Ja

Ja, naar de mogelijk aanwezigheid van de waterspitsmuis. Nee

Ja, indien tijdens vervolgonderzoek beschermde vaatplanten worden aangetroffen. Nee, mits maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen. Nee, er worden geen nesten en/of essentieel leefgebied aangetast door de werkzaamheden. Nee, voor de algemeen vrijgestelde soorten (door provincie Limburg). Wel dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Voor de eekhoorn geldt dat deze is vrijgesteld in de periode maartapril en juli tot en met november. Kan niet in deze periode worden gewerkt en uit het aanvullend onderzoek komt dat de eekhoorn voorkomt in het plangebied, dan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ja, indien uit het nader onderzoek komt dat negatieve effecten op essentieel leefgebied optreden. Ja, indien uit het aanvullend onderzoek naar voren komt dat de waterspitsmuis in het plangebied voorkomt. Nee, maar om tijdelijke verstoring van foeragerende en overvliegende dieren te voorkomen dient uitsluitend tussen zonsopgang en zonsondergang gewerkt te worden of gebruik te worden gemaakt van

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

27/32

Soortgroep

Beschermde Soorten?

Nader onderzoek?

Ontheffing Wet natuurbescherming nodig?

Vleermuizen verblijfplaatsen

Nee.

Nee

Reptielen

Ja.

Amfibieën, vrijgestelde soorten amfibieën.

Ja, het plangebied vormt leefgebied voor vrijgestelde amfibieënsoorten zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander.

Nee, indien gewerkt kan worden in de periode juli, augustus en september. In deze periode is de hazelworm vrijgesteld. Nee

Amfibieën, vrijgestelde soorten amfibieën, Habitatrichtlijn Vissen Ongewervelden

Ja, het plangebied vormt mogelijk leefgebied voor de poelkikker.

Ja

Ja, indien uit het aanvullend onderzoek naar voren komt dat de poelkikker in het plangebied naar voren komt.

Nee. Ja, het plangebied vormt potentieel leefgebied voor de kleine ijsvogelvlinder, grote vos en de beekrombout

Nee Nee, indien geen grote bomen binnen een bosschage worden gekapt en het beekbed niet wordt aangetast.

Nee Nee, indien geen grote bomen binnen een bosschage worden gekapt en het beekbed niet wordt aangetast.

gerichte verlichting. Nee, maar om tijdelijke verstoring op mogelijke verblijfplaatsen in de directe omgeving te voorkomen dient uitsluitend tussen zonsopgang en zonsondergang gewerkt te worden of gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Nee, indien gewerkt kan worden in de periode juli, augustus en september. In deze periode is de hazelworm vrijgesteld.

Nee, het betreft door de provincie Limburg algemeen vrijgestelde dieren. Er dient wel rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11).

Nader onderzoek

In bovenstaande tabel is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar vaatplanten, bever, waterspitsmuis en poelkikker. Deze onderzoeken zijn hieronder beschreven:

B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

28/32

Soort Vaatplanten Bever

Waterspitsmuis

Poelkikker

4.3 Maatregelen

Onderzoek Dit onderzoek houdt in dat een bezoek plaatsvindt in de periode 27 april en 30 september (Protocol trefkansonderzoek vaatplanten, Floron). Nader inventarisatieonderzoek is nodig om de exacte functies binnen het plangebied aan te wijzen. Het betreft locaties met de functies voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (routes of foerageergebieden). Bij het onderzoek naar waterspitsmuis dienen inloopvallen geplaatst te worden en wordt 3 nachten (6 controles) gevangen onder begeleiding van een specialist in de periode van augustus tot oktober. Een alternatief voor het plaatsen van inloopvallen is een eDNA onderzoek naar de soort. eDNA-onderzoek kan het gehele jaar worden uitgevoerd (Inventarisatie muizen met inloopvallen, NDFF; Zoogdierenvereniging, 2013). Voordeel van het eDNA onderzoek is dat deze minder arbeidsintensief is en minder stress veroorzaakt bij de stressgevoelige waterspitsmuis. In de periode tussen mei en september (meest optimaal mei-juni) dienen twee bezoeken plaats te vinden (minimaal 10 dagen tussen bezoeken) op zonnige dagen met weinig wind. Dit dient door een expert gedaan te worden (Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen', 2017; Kennisdocument Poelkikker, 2017). Dit betreffen avondbezoeken waarbij naar kooractiviteit wordt geluisterd.

Om negatieve effecten op algemeen beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen worden in ieder geval de volgende maatregelen voorgesteld: • Om effecten op broedende vogels te voorkomen dienen werkzaamheden, waarbij beplanting wordt verwijderd of aan oevers wordt gewerkt buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode. Het verschilt per soort. Veel vogelsoorten broeden ongeveer tussen 15 maart en 15 juli. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige op het gebied van broedvogels worden gecontroleerd of broedende vogels aanwezig zijn. Dit geldt ook voor de periode vlak voor of na het broedseizoen, het gaat om een broedgeval ongeacht de datum. Indien effecten op broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten mag er niet gewerkt worden. • Om effecten op algemeen beschermde kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën zoveel mogelijk te beperken dienen werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd van één kant te worden uitgevoerd, zodat aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen. Deze maatregel valt onder de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). • Mogelijk indirecte effecten als verstoring door licht kunnen voorkomen worden door tussen zonsopgang en zonsondergang te werken.

Indien toch gebruik moet worden gemaakt van kunstlicht, dient gebruik te worden gemaakt van gerichte verlichting. Hierbij dient lichtval op bomen, watergangen en gebouwen in de omgeving te worden vermeden om verstoring te voorkomen (o.a. van vleermuizen). • Om effecten op vissen te voorkomen dienen vanuit de algemene zorgplicht (artikel 1.11 maatregelen getroffen te worden om effecten te mitigeren. Dit kan door bij werken aan de oevers en bij het plaatsen van (tijdelijke) damwanden de aanwezige vissen op te schrikken door bijvoorbeeld met de schep van een kraan rustig door het water te manoeuvreren richting water waar geen B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering

29/32

werkzaamheden plaatsvinden. Daarnaast wordt aanbevolen om zo veel mogelijk buiten de kritische paaiperiode voor vissen de werkzaamheden uit te voeren (april t/m half augustus). • Er wordt aanbevolen om te voorkomen dat er ondiepe poelen ontstaan tijdens werkzaamheden die mogelijk plaatsvinden in de actieve periode van rugstreeppad (april-oktober) of alpenwatersalamander (april-juni). Poelen kunnen functioneren als tijdelijk geschikt voortplantingswater. Wanneer deze door bovenstaande soorten in gebruik worden genomen, dienen werkzaamheden tijdelijk stilgelegd te worden. 4.4 Bovenwettelijke maatregelen

Om biodiversiteit in en rondom het plangebied te verhogen, kunnen de volgende bovenwettelijke maatregelen worden toegepast: • De grote gele kwikstaart is een geziene gast in de omgeving van het plangebied en in de provincie Limburg. Voor deze soort is het mogelijk om nestkasten te plaatsen onder bijvoorbeeld brugdelen. • Vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger, worden vooral gevonden in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Daarnaast zijn (inbouw) kasten beschikbaar die kunnen dienen als verblijfplaats voor deze gebouwbewonende soorten. Om de gebouwbewonende soorten te ondersteunen kunnen kasten of een extra spouwwand geplaatst worden aan of voor het landhoofd van de brug. Voor boombewonende soorten kunnen verblijfplaatsen worden gecreëerd door het plaatsen van vleermuiskasten aan bomen. • Uit waarnemingen uit het NDFF blijkt dat de das de N273 oversteekt. Er zijn waarnemingen van meerdere doodgereden dassen zowel noordelijk als zuidelijk van het kunstwerk N273. Het aanleggen van een faunapassage op deze locatie kan daarom een meerwaarde zijn. Dit kan door ruimte te maken onder de bruggen en het plaatsen van geleidende rasters.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=0a68f786-bbc4-468c-9440-fcc52e0968f0