Collegemededeling 1dec20
Tekst van het document
B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
30/32
5
Bronnen
BIJ12. Kennisdocument Bever. BIJ12. Versie 1.0. juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Torenvalk. BIJ12. Versie 1.0. juli 2017. Dijkstra, V. en Kurstjens G., 2006. Toekomst voor de bever in Limburg Eindrapport monitoring 2002-2005 en evaluatie. Rapport van de Zoogdiervereniging VZZ en ARK. De Jong, J. J., Bloem, J., Van Delft, S. P. J., Hommel, P. W., Oosterbaan, A., & De Waal, R. W. (2015). Ecologie van bosbodems: een verkennende studie naar ecologisch functioneren van bosbodems op zandgronden (No. 2657). Alterra, Wageningen-UR. Faunabeheereenheid Limburg, 2017. Faunabeheerplan Bever 2017-2020. Roermond. Kennisdocument Poelkikker, 2017. Kennisdocument Poelkikker, versie 1.0 BIJ12 juli 2017 Nationale Databank voor Flora en Fauna (december 2019). Geraadpleegd op 09 december 2019 via ndff.nl. Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl Zoogdierenvereniging, 2013. Met eDNA op het goede spoor. Noordse woelmuis en waterspitsmuis beter in beeld. Zoogdierenvereniging, Nijmegen. Februari 2013
B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
31/32
Colofon
Opdrachtgever
Provincie Limburg
Uitgave
Movares Nederland B.V. Kennislijn Omgeving en Processen groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en ConditioneringDaalseplein 100 Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Telefoon
030 265 55 55
Ondertekenaar
K.N. Raatjes Adviseur Ecologie
Projectnummer
MN000734
Kenmerk
B85-KRA-KA-2000002
© 2020, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestan d of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
B85-KRA-KA-2000002 / Proj.nr. MN000734 / Vrijgegeven / Versie 1.0 / 16 januari 2020 Kennislijn Omgeving en Processen/groep Omgeving en Conditionering:Omgeving en Conditionering
32/32
Bijlage I Wet- en regelgeving In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wet natuurbescherming (Wnb)
De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet. Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg, uitbreiding en, voor zover van toepassing, inrichting, alsmede wijziging, gebruik, beheer en onderhoud van hoofdwegen en hoofdvaarwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Tracéwet en hoofdspoorwegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet. Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wet natuurbescherming. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden.
De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling Bij plannen in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling.
Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet
kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: • A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; • D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en • C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Zorgplicht Binnen de kaders van de Wet natuurbescherming is de Zorgplichtbepaling (artikel 1.11) van toepassing. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor de natuurwaarden van het gebied, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Om een oplossing te bieden voor dit probleem was destijds (1 juli 2015) het Programma Aanpak Stikstof (PAS) opgericht. Het doel van het PAS was het beschermen en ontwikkelen van kwetsbare, voor stikstofgevoelige natuur, terwijl tegelijkertijd economische ontwikkelingen mogelijk bleven.
Projecten waren vanuit de Wet natuurbescherming vergunbaar onder verwijzing naar de passende beoordeling die onder het PAS was opgesteld. Op 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) echter dat het PAS niet als onderbouwing kan worden gebruikt voor toestemmingsverlening op grond van de Wet natuurbescherming. De Afdeling is van oordeel dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt, niet voldoet aan de eisen die de Habitatrichtlijn daaraan stelt. Ook is de Afdeling van oordeel dat de grens-, drempelof afstandsgrenswaarden die voorzagen in een uitzondering op de vergunningplicht, niet rechtmatig waren. Het gevolg is dat plannen en projecten door middel van een afzonderlijke projectspecifieke onderbouwing moeten aantonen dat stikstofdepositie als gevolg van het plan of project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Wanneer dit niet mogelijk is moet middels mitigerende maatregelen of interne/externe saldering worden gekeken of negatieve effecten kunnen worden weggenomen. Wanneer er alsnog negatieve effecten overblijven dient de ADC-toets te worden doorlopen.
Dit betekent dat moet worden aangetoond dat er geen Alternatief is met minder schadelijke effecten voor Natura 2000-gebieden, er een Dwingende reden van groot openbaar belang is en dat er Compenserende maatregelen worden getroffen voor Natura 2000-gebieden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’ (artikel 3.10 e.v. Wnb). Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1.
1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4.
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
5.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de verbodsbepalingen. Deze aanvraag wordt getoetst op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’; - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5: 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 mogelijk is om bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op:
-
-
Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wet natuurbescherming bij overtreding van de verbodsbepalingen een vergunning worden aangevraagd. De aanvraag wordt beoordeeld op: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a.
belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Algemeen vrijgestelde soorten Voor soorten van de categorie ‘andere soorten’ (bijlage A en B van de wettekst) kan een vrijstellingsregeling gelden, die per provincie anders kan worden ingestoken. De meeste provincies en het ministerie van LNV hebben ‘tabel 1 soorten’ van de oude Flora- en faunawet opnieuw vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit zijn soorten zoogdieren en soorten amfibieën. Bovengenoemde soorten zijn bij ruimtelijke projecten algemeen vrijgesteld van vergunningplicht. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel
1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet voorkomen. Beleid provincies
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De rijksoverheid heeft de bruto begrenzing van het NNN vastgesteld, de provincies zijn bevoegd om dit netto te begrenzen. De SVIR vervangt verschillende rijksbeleidsstukken zoals de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van de provincies. Het NNN is de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) sinds de afsluiting van het Natuurpact tussen Rijk en de provincies. Nee-tenzijprincipe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden.
De restschade dient te worden gecompenseerd. De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking. Het Rijk en de provincies hebben spelregels afgesproken over wat wel en niet kan omtrent het NNN. Hieronder staat het beslisschema uit de brochure “Spelregels EHS” weergegeven.
Figuur B1.1: Stroomschema ruimtelijke ingrepen in de EHS (tegenwoordig het NNN) Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen.
RAAP-RAPPORT 4440
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer Gemeente Leudal Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Colofon Titel: Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek Versie: 02-04-2020 Auteur: drs. E.J.N. Rondags Projectcode: NENAB Bestandsnaam: RAAPrap_4440_NENAB_20200402 Autorisatie: drs. J. Roymans
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2020 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Samenvatting In opdracht van Movares heeft RAAP in de periode april 2020 een bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie van een nieuwe brug over de Neerbeek, ter plaatse van de N273 te Neer (gemeente Leudal). In het plangebied wordt bovendien een bypass aangelegd en een fietspad heraangelegd. De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeo logische waarde van het terrein. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Het plangebied ligt grotendeels in het beekdal van de Neerbeek waar leek -/woudeerdgronden voorkomen. Hier is er een onbekende (of middelhoge) archeologische verwachting voor natte landschappen. Dergelijke resten kunnen bestaan uit afvaldumps, rituele deposities, resten van molens, etc. De huidige beekovergang is op het kadastrale Minuutplan al aanwezig en gaat terug tot de aanleg van de Napoleonsweg, omstreeks 1811. Hierdoor is er een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van resten van deze beekovergang. De zuidoostelijke randzone van het plangebied bevindt zich waarschijnlijk ter plaatse van een dalvlakteterras waar daalbrikgronden voorkomen. Hier is een hoge verwachting voor droge landschappen.
Vanwege de ligging nabij het beekdal, in een gradi ëntzone (overgang van nat naar droog), is het een gunstige ligging voor nederzettingslocaties van zowel vindplaatsen van jager verzamelaars (laat-Paleolithicum t/m Mesolithicum) als van landbouwers (Neolithicum t/m Nieuwe tijd). Ter plaatse van het plangebied kunnen archeologische resten in principe vanaf het maaiveld voorkomen. Deze zullen leesbaar zijn onder de bouwvoor. Aangezien de ingrepen (voornamelijk) plaats zullen vinden ter plaatse van een bestaande weg, waar in het verleden de zwarte grond reeds is verwijderd ten behoeve de fundering van de bestaande weg, zal er vermoedelijk geen bouwvoor meer aanwezig zijn. Archeologische resten worden hier direct onder aanwezige sto llagen verwacht. Specifiek voor het beekdal geldt dat archeologische resten op meerdere niveaus aangetroffen worden, ingebed in beekafzettingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Aangezien planaanpassing niet mogelijk is, dient er een archeologisch vervolgonderzoek plaats te vinden. Aangezien het om wegwerkzaamheden gaat is de meest praktische manier van vervolgonderzoek een intensieve archeologische begeleiding.
Wanneer tijdens de archeologische begeleiding een vindplaats wordt aangetroffen zal deze worden opgegraven (behoud ex situ) binnen het te verstoren vlak, indien deze niet in situ behouden kan blijven. De Napeolonsweg, met de bijhorende brug en het dijklichaam, is een zeer interessant onderzoeksthema. In het plangebied zijn kansen aanwezig om het wegprofiel (weggreppels en dijklichaam) en mogelijk nog aanwezige restanten van de houten brug te onderzoeken. Daarom wordt geadviseerd - indien de werkzaamheden zich daartoe lenen - om een profielsleuf haaks op de weg aan te leggen om het wegprofiel te documenteren. Voor aanvang van de werkzaamheden (en begeleiding) dient er een PVE (Plan van Eisen) opgesteld worden. Dit PVE moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[3]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................ 3 Inhoud....................................................................................................................................... 4 1 Inleiding ................................................................................................................................. 5 1.1 Kader ....................................................................................................................................... 5 1.2 Administratieve gegevens .......................................................................................................... 6 1.3 Doel- en vraagstelling ............................................................................................................... 6
2 Bureauonderzoek ................................................................................................................... 9 2.1 Methode ................................................................................................................................... 9 2.2 Aardkundige situatie ................................................................................................................. 9 2.3 Archeologische gegevens ......................................................................................................... 13 2.4 Historische situatie .................................................................................................................. 16 2.5 Huidige situatie ........................................................................................................................ 18 2.6 Toekomstige situatie ................................................................................................................ 20
3 Gespecificeerde archeologische verwachting ........................................................................ 21 4 Conclusies en advies ............................................................................................................ 23 4.1 Conclusie ................................................................................................................................ 23 4.2 Advies ..................................................................................................................................... 24 4.3 Tot slot .................................................................................................................................... 25
Literatuur ................................................................................................................................ 26 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ........................................................... 27
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[4]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van Movares heeft RAAP in de periode april 2020 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie van een nieuwe brug over de Neerbeek, ter plaatse van de N273 te Neer in de gemeente Leudal (figuur 1). In het plangebied wordt bovendien een bypass aangelegd en een fietspad heraangelegd. Het onderzoek vond plaats in het kader van een bestemmingsplanwijziging en een omgevingsvergunning. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Leudal (Verhoeven et al., 2010) ligt het plangebied in waarde archeologie WA-5. Het heeft grotendeels een middelhoge archeologische verwachting voor natte landschappen (figuur 2: lichtblauw). De zuidoostelijke rand van het plangebied valt nog net binnen een zone met een hoge archeologische verwachting voor droge landschappen (figuur 2: donkerroze). De zone van de Neerbeek maakt deel uit van archeologisch onderzoek ( figuur 2: arceringen, niet vrijgegeven of onbekend). Het beleid voor waarde archeologie WA-5 schrijft voor dat er 2
bij bodemingrepen groter dan 1000 m en dieper dan 40 cm -Mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Deze voorschriften zijn verankerd in het bestemmingsplan “Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016” (vastgesteld 2019-09-04; www.ruimtelijkeplannen.nl). De exacte omvang 2
van de bodemingrepen is nog niet bekend maar bedragen waarschijnlijk wel meer dan 1000 m . De diepte van de ingrepen bedraagt circa 1m –Mv. De ingrepen zijn daarmee groter dan de vrijstellingsgrens. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerend beleid. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, 4004 Opgraven (landbodems) en 4006 Specialistisch onderzoek. Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[5]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek
Bureauonderzoek
Opdrachtgever
Movares
Bevoegde overheid
Provincie Limburg
Plaats
Neer
Gemeente
Leudal
Provincie
Limburg
Centrumcoördinaten (X/Y)
196212/362742
Toponiem
Napoleonsweg ter hoogte van nr. 101, Neerbeek
Kadastrale gegevens
onbekend
Oppervlakte plangebied
De geplande werkzaamheden zullen over een afstand van circa 200m plaats gaan vinden. Voor het bureauonderzoek wordt uitgegaan van een strook van circa 40m breedte (ca. 8000 m²). De exacte oppervlakte van de toekomstige bodemverstoringen is in deze fase nog niet bekend.
Afbakening onderzoeksgebied
Tijdens onderhavig onderzoek is het plangebied inclusief een zone van 500 m rondom het plangebied onderzocht.
Onderzoeksperiode
April 2020
Uitvoerder
RAAP Zuid
Projectleider
drs. E.J.N. Rondags
Projectmedewerkers
drs. M. Lipsch
RAAP-projectcode
NENAB
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer
481153100
Beheer en plaats documentatie
RAAP regio Zuid te Weert
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.3 Doel- en vraagstelling De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd:
Hoe ziet de geo(morfo)logische en/of bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen in en rond plangebied zijn reeds bekend?
Wat was het historisch landgebruik van het plangebied en wat is het landgebruik nu en wat is de invloed daarvan op de (verwachte) archeologie en (bodem)gaafheid?
Wat is de gespecificeerde verwachting ten aanzien van nog onbekende archeologische waarden in het gebied? En wat zijn hiervan de prospectiekenmerken?
Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventuele archeologische resten?
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[6]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Op welke wijze kan bij de planvorming met archeologische resten worden omgegaan?
Met de inzet van welke zoekmethoden kunnen ver wachte resten systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)?
Figuur 1. Aanduiding plangebied (rode lijn). Inzet: ligging in Nederland (ster).
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[7]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 2. Het plangebied (rode stippellijn) op de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart (Verhoeven et al., 2010).
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[8]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
2 Bureauonderzoek 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedse xperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data -archief.
2.2 Aardkundige situatie Geologische situatie (Weerts e.a., 2006)
Overgang Formatie van Boxtel (Bx2, laagpakket van Singraven, beekafzettingen) naar Formatie van Beegden (Be3, rivierzand- en grind).
Geomorfologische situatie (Koomen & Maas, 2004)
Het plangebied is op de geomorfologische kaart niet geclassificeerd (figuur 3). Op basis van extrapolatie kan afgeleid worden dat het grootste deel van het plangebied ligt in het beekdal van de Neerbeek (R42, beekdalbodem). De zuidoostelijke rand van het plangebied bevindt zich mogelijk nog net op een dalvlakteterras (E44). Volgens de geomorfogenetische kaart van het Maasdal betreft dit een laatpleistoceen terras (Isarin et al., 2015a). De hoogteverschillen tussen het lager gelegen beekdal en het hogere dalvlakteterras komen tot uiting op de AHN (figuur 4).
Ouderdom geomorfologische structuur en verwachte diepteligging van archeologisch relevante lagen
Beekdal: Holoceen. Archeologische resten kunnen zich op meerdere niveaus vanaf het maaiveld (en dieper) bevinden, ingebed in beekafzettingen; Dalvlakteterras: laat-Pleistoceen. Archeologische resten bevinden zich direct aan het maaiveld.
Bodemkundige situatie
Volgens de bodemkaart bestaat de bodem ter plaatse van het beekdal uit leek-/woudeerdgronden in lichte zavel (figuur 5: code pKRn1). Deze komen alleen voor in een laaggelegen, diep ingesneden, voormalige meander van de Maas, en behoren tot de hoofdgroep van de oude rivierkleigronden. Dit zijn laat -glaciale rivierafzettingen waarvan de bovenste 80 cm voor meer dan de helft uit klei bestaat. Ter plaatse van het dalvlakteterras komen daalbrikgronden in lichte zavel voor (figuur 5: code BKh25). Deze worden gekenmerkt door een klei inspoelingshorizont (Bt-horizont) met zandige component.
Tabel 2. Overzicht van geraadpleegde geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het plangebied en de directe omgeving.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[9]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 3. Het plangebied weergegeven op een uitsnede van de geomorfologische kaart (naar Koomen en Maas, 2004).
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[10]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 4. Het plangebied weergegeven op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[11]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 5. Het plangebied weergegeven op een uitsnede van de bodemkaart (Stiboka, 1967).
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[12]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
2.3 Archeologische gegevens Gemeentelijk archeologiebeleid Bestemmingsplan
Dubbelbestemming ‘waarde-archeologie 5’
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
Zie ook paragraaf 1.1. Het plangebied heeft grotendeels een middelhoge archeologische verwachting natte landschappen (beekdal). De zuidoostelijke rand van het plangebied valt nog net binnen een zone met een hoge archeologische verwachting voor droge landschappen (dalvlakteterras). De zone van de Neerbeek maakt deel uit van archeologisch onderzoek (niet vrijgegeven of onbekend).
Gemeentelijke archeologische beleidskaart
Waarde-archeologie 5
Tabel 3. Overzicht van het geldende archeologiebeleid en achterliggende verwachtingskaart.
Bekende archeologische gegevens Binnen het plangebied is nog geen archeologische vindplaats bekend. Binnen een straal van 500 m zijn meerdere archeologische monumenten en vondstlocaties bekend (figuur 6). In 2010 werden tijdens de archeologische begeleiding van de herinrichting van de Neerbeek direct ten oosten van het plangebied sporen aangetroffen van een omgreppeld erf uit de 18e eeuw. Naast een woongebouw (circa 11 x 6 m) zijn ook erfgreppels en twee kalkkuilen aangetroffen. Deze erfgreppels zijn nog steeds herkenbaar in de perceelsindeling omstreeks 1830. In overleg met het Waterschap en de gemeente Leudal is besloten om de aangetroffen vindplaats buiten de werkzaamheden te houden en fysiek te beschermen door de site af te dekken met zand. Op circa 70m ten oosten hiervan, werd een puntgave melkteil ontdekt in de oude bedding van de Nee rbeek. Mogelijk is de aangetroffen vondst afkomstig van het genoemde erf (tabel 4: zaakidnrs. 2286203100; Sprengers, 2012). Vanaf 90m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een omgracht terrein (tabel 5: monument 15258 en zaakidnr. 2955920100) met daarbinnen de resten van kasteel Ghoor. De bebouwing bestond uit het eigenlijke kasteel en het (deels) nog bestaande neerhof. Kasteel en neerhof lagen elk op een eiland in een achtvormige gracht.
Aan de zuidzijde van de bebouwing lagen, tussen de kasteelgr acht en een buitengracht, de tuinen van het kasteel. Verder lagen aan de noordzijde van het kasteel, tussen de kasteelgracht en de Neerbeek, een pachthof, een schuur en een watermolen. Het kasteel is gebouwd in circa 1380, waarschijnlijk door Arnold I van Ghoor. In 1796 is het grotendeels afgebroken, nadat het reeds lang in desolate toestand verkeerde. Direct ten westen van de boerderij waren de relicten van het kasteel nog zichtbaar tot ver in de 19de eeuw, zodat mag worden aangenomen dat er zich nog resten in de bodem bevinden. Resten van de watermolen en bijbehorende molenkolk werden in 2000 aangetroffen tijdens een archeologische begeleiding. In de molenkolk zijn delen van het waterrad aangetroffen. Daarnaast zijn in de buurt ook laatmiddeleeuwse aardewe rkfragmenten aangetroffen. De aard van deze laatst genoemde vindplaats is onbekend (tabel 4: zaakidnrs. 2956593100, 3249926100 en 3218327100). In de ruimere omgeving werden nog vondsten aangetroffen uit diverse periodes (Laat -Paleolithicum t/m Late Middeleeuwen). De context hiervan is niet altijd eenduidig te bepalen, vaak gaat het om vondsten die tijdens oppervlaktekarteringen zijn aangetroffen (tabel 4: zaakidnrs. 3281394100, 3118032100, 2976665100 en 3039203100). Deze bevinden zich landschappelijk gezien buiten het beekdal, ter plaatse van het dalvlakteterras.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[13]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Figuur 6. Overzichtskaart archeologische gegevens uit de directe omgeving van het plangebied.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[14]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Monument
Ligging
Complex
Datering
Materiaal
Diepte
Waarde
15258
90m ZW
Kasteel Ghoor
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd A
Funderingen, grachten
Aan het maaiveld
Hoge archeologische waarde
16694
500m NO
Oude dorpskern Neer
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd
bewoningssporen
onbekend
Hoge archeologische waarde
Zaakidnr.
Ligging
Complex
Datering
Materiaal
Diepte
Verzamelwijze
e
2286203100
10m O
bewoning
18 eeuw
Paalkuilen, fundering, erfgreppels, kalkkuilen, aardewerk, munt
Direct onder de bouwvoor
Archeologisch: begeleiding
2286203100
95m NO
Niet te bepalen
Midden Nieuwe tijd
melkteil
In beekafzettingen
Archeologisch: begeleiding
3249926100, 3218327100
110m W
Niet te bepalen
Vroege Middeleeuwen t/m Vroege Nieuwe tijd
Aardewerk, koperen gesp, bronzen munt/mondharp/ riemtong
onbekend
Archeologisch: begeleiding
2956593100
200m W
Molen
Vroege Nieuwe tijd
Muur, waterput, gracht, rad, keramiek, bot
onbekend
Archeologisch: begeleiding
Niet te bepalen
Neolithicum t/m IJzertijd
Paalkuil, handgevormd aardewerk
2955920100 (cf.monument 15258)
165m ZW
Kasteel Ghoor
Late MiddeleeuwenNieuwe tijd A
Funderingen, grachten
Aan het maaiveld
Indirect: archief
3281394100
270m NW
Niet te bepalen
LaatPaleolithicum t/m Neolithicum
vuursteen uit het MiddenNeolithicum met bijmenging andere perioden
onbekend
Archeologisch: (veld)kartering
3118032100
290m NW
Grafveld
Romeinse tijd
Graf, Romeinse munten
onbekend
Indirect: literatuur
niet te bepalen
ook enkele oudere vondsten
o.a. vuurstenen pijlspits en afslag
2976665100
365m NW
Niet te bepalen
Paleolithicum t/m Late Middeleeuwen
Divers (vuursteen, aardewerk)
Aan het maaiveld
Niet archeologisch: kartering
3039203100
375m NW
Niet te bepalen
Romeinse tijd t/m Nieuwe tijd
Bronzen gordelbeslag
onbekend
Niet archeologisch: metaaldetector
Tabel 4. Overzicht van de bekende archeologische monumenten en archeologische vondstlocaties in en rond het plangebied.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[15]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
Wanneer de vindplaatsen en hun landschappelijke inbedding bekeken worden in vergelijking met de situering van het plangebied, dan blijkt dat vooral ter plaatse van de Neerbeek vindplaatsen aangetroffen worden gerelateerd aan natte contexten (vb. resten molen, melkteil). Deze houden verband met nabijgelegen vindplaatsen (kasteel Ghoor, 18e eeuws erf). Opmerkelijk is dat ook het 18
e
eeuwse erf is gelegen binnen het beekdal. Eerder in het plangebied en in de directe omgeving uitgevoerd onderzoek volgens ARCHIS3 Zaakidentificatienummer
Resultaat/advies
Opmerking
2143821100
Ter plaatse van het plangebied is er voor de locatie van de Neerbeek (en aangrenzende oevers) een onbekende verwachting voor het aantreffen van beekdalgerelateerde vindplaatsen (Roymans, 2010).
Archeologisch bureauonderzoek door RAAP ter plaatse van de Tungelroyse beek en de Neerbeek (2007)
Er werden 10 vindplaatsen aangetroffen. Vindplaatsen 1 en 2 bevinden zich op circa 10 en 90 m ten noordoosten van het plangebied en betreffen nederzettingsresten uit de 18e eeuw en een melkteil (zie ook tabel 4; Sprengers, 2012).
Archeologische begeleiding door RAAP herinrichting Neerbeek (2012)
Geen resultaten gemeld in ARCHIS. Hangt vermoedelijk samen met zaakidnrs. 2956593100, 3249926100 en 3218327100 (zie tabel 4).
Archeologische begeleiding (2000)
Op basis van het booronderzoek werd geadviseerd om binnen het centrale, zuidelijke en oostelijke deel een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek werden geen archeologische resten aangetroffen (Hensen, 2019).
Booronderzoek door ArcheoPro (2018) en proefsleuvenonderzoek door RAAP (2019) ter plaatse van plangebied waterberging RWS
Geen resultaten gemeld in ARCHIS.
Booronderzoek door ArcheoPro (2012)
Niet van toepassing. Voor het plangebied zelf zijn geen adviezen opgesteld (Janssens, 2009). De Romeinse weg bevindt zich naar verwachting op circa 950m ten (zuid)oosten van het plangebied.
Archeologisch bureauonderzoek door RAAP van de Romeinse weg op de Westoever van de Maas (2009)
(Deels binnen plangebied)
2286203100 (deels binnen en direct ten oosten van het plangebied)
2022320100 (175m W)
4602544100, 4662209100 (40m Z)
2368727100 (185m Z) 2266601100 (groot gebied waar plangebied deel van uitmaakt)
Tabel 5. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek in en rond het plangebied.
Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen Op 31 maart is dhr. J. Hanssen benaderd van de vereninging Oos Naer en studiegroep Leudal afdeling archeologie. Hieruit is geen nieuwe informatie met betrekking tot het plangebied verkregen.
2.4 Historische situatie Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in de het historisch g ebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[16]
Plangebied nieuwe brug N273 te Neer, gemeente Leudal; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek
vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daar mee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaats gevonden. Het plangebied maakt deel uit van N273, die ook wel bekend staat als de Napoleons weg. Deze weg is aangelegd vanaf 1811 tijdens het bewind van Napoleon, en daardoor op het kadastrale minuutplan e
(begin 19 eeuw, figuur 7) al te zien. De Napoleonsweg leidde van Maastricht over Maaseik naar Venlo en vormde een onderdeel van het traject naar Hamburg. Zoals gebruikelijk was de weg kaarsrecht. Dit is ook zo ter plaatse van het plangebied en het beekdal van de Neerbeek. Om de reli ëfverschillen te overbruggen (hoogteverschil met dal meer dan 1 m), is er ter plaatse van de weg een dijklichaam aangelegd. De hogere ligging van de weg is goed te zien op latere kaarten (figuur 8). Aanvankelijk bestond de weg uit een bestraat gedeelte, aan beide zijden omzoomd door bomenrijen, met daar weer naast een afwateringssloot aan beide zijden. Later werd deze weg geasfalteerd. De Napoleonsweg was altijd een drukke verkeersader tot aan de aanleg van de A73.
Figuur 7. Het plangebied (zwarte stippellijn) op het kadastrale Minuutplan omstreeks 1811-1832.
RAAP-rapport 4440 / versie 02-04-2020
[17]