Bijlage 7 Passende beoordeling
Tekst van het document
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
70
20 februari 2026
instandhoudingsdoelstellingen betekent dit dat het doelbereik voor H3110 niet wordt aangetast door de additionele depositie van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar. Conclusie De maximale stikstofdepositiebijdrage van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op H3110 in Sarsven en de Banen is ecologisch verwaarloosbaar. De bijdrage leidt niet tot directe toxische effecten, veroorzaakt geen detecteerbare vermesting of verzuring en resulteert niet in verschuivingen in vegetatiesamenstelling, concurrentieverhoudingen of structuur- en functie-eigenschappen van het habitattype. De omvang van de bijdrage ligt ver onder de bandbreedte van natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in achtergronddepositie en kan het eventueel bereiken van een omslagpunt in zeer zwakgebufferde systemen niet veroorzaken of versnellen. Tegen de gebiedsspecifieke achtergrond van hydrologie, buffering en het weren van gebiedsvreemd voedselrijk water heeft het projecteffect geen invloed op de bepalende kwaliteitscriteria en belemmert het de instandhoudingsdoelstellingen voor H3110 in Sarsven en de Banen niet.
9.4.2 H3130 - Zwakgebufferde vennen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen van habitattype 3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben ofwel koolstofgelimiteerd zijn. Zwakgebufferde vennen daarentegen zijn niet koolstofgelimiteerd en kunnen hoewel de naamgeving hierover verwarring wekt- zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meterslang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen de plassen plus de oeverzones - vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm (oligotroof) tot voedselarm (mesotroof), van aquatisch tot vochtig, langdurig tot zeer kortstondig overstroomd enzovoort. Voor een deel betreft het systemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone.
Die gemeenschappen zijn ook elders buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide. De begroeiingen vormen in de zwakgebufferde vensystemen veelal patronen van smalle zones of mozaïeken of subtypen onderscheiden. De begroeiingen behoren tot vier verschillende verbonden van plantengemeenschappen (het Potamion graminei, Hydrocotylo Baldellion, Eleocharition acicularis uit de klasse Littorelletea uniflorae en het Nanocyperion flavescentis uit de klasse Isoeto-Nanojuncetea). Drijvende waterweegbree (Luronium natans) kan in sommige van de zwakgebufferde vennen van dit habitattype grote populaties vormen. Het is een te beschermen soort volgens de Habitatrichtlijn Bijlage II. Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje (Molinia caerulea), en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van Pitrus (Juncus effusus). Vennen met zulke begroeiingen zonder aanwezigheid van de voor zwakgebufferde vennen kenmerkende gemeenschappen en soorten worden niet tot het habitattype gerekend. Bij het bepalen van het habitattype van een ven, is het belangrijk het gehéle venlichaam in ogenschouw te nemen.
Wanneer in een ven naast de voor habitattype H3130 kenmerkende plantengemeenschappen ook de voor habitattype H3110 kenmerkende gemeenschap (Isoeto Lobelietum) aanwezig is, wordt het gehele ven als mozaïek van beide habitattypen beschouwd. Het beheer zal in dergelijke gevallen vooral op het meer zeldzame en meer bedreigde habitattype H3110 zeer zwakgebufferde vennen gericht moeten zijn. De begroeiingen van habitattype H3130 en H3110 kunnen ook mozaïekbegroeiingen vormen met aquatisch voorkomende kranswierbegroeiingen (van het verbond Nitellion flexilis) van habitattype H3140 kranswierwateren. Deze worden dan als onderdeel van H3110 of H3130 opgevat. De instandhoudingsdoelstelling is gericht op uitbreiding en herstel van oppervlakte en behoud van de kwaliteit van deze vennen, met bijzondere aandacht voor het voorkomen van verdere verzuring en vermesting, het behouden van de karakteristieke soortenrijkdom en het waarborgen van een stabiele waterhuishouding. GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
71
20 februari 2026
Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De staat van instandhouding van H3130 in Sarsven en de Banen is variabel en plaatsgebonden. In De Banen komen H3130 en H3110 samen voor en is de ontwikkelingsgraad van H3130 in delen nog matig, onder meer in de Schoorkuilen. De belangrijkste knelpunten zijn hydrologische verstoring door afwatering en beïnvloeding van kwelstromen, instroom van gebiedsvreemd en voedselrijk water, interne nalevering uit organische sedimentlagen en voortgaande verzuring bij ontoereikende buffering. Het beheer en de herstelstrategie zijn gericht op het hydrologisch loskoppelen van de vennen van agrarische afwatering, het vasthouden van water met stuwen en peilgestuurde drainage, het omleiden of dempen van watergangen, het vergroten van retentie en, waar ecologisch aangewezen, het verwijderen van organische sedimenten. De Sarsven is in 2009 hersteld door afkoppeling van de Einderbeek en door baggerwerk, waarmee het doorstroomsysteem van de vennenreeks doelmatiger is geworden en herstelkansen voor doelsoorten zijn vergroot. Maaibeheer wordt toegepast om verlanding met riet tegen te gaan en om open oevers te behouden, zodat laagblijvende oligotrofe vegetaties zich kunnen handhaven.
In het beheerplan is vastgelegd dat het gebied voor H3130 een beperkte landelijke bijdrage levert, met nadruk op kwaliteitsverbetering door herstel van hydrologie en beperking van externe nutriëntenaanvoer. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H3130 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 25,23 ha.
Figuur 41, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H3130 (blauw).
Het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol stikstof per hectare per jaar op delen van H3130 in Sarsven en de Banen. Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op planten zijn bij de huidige concentratieniveaus in Nederland niet aan de orde. De beoordeling richt zich daarom op indirecte mechanismen zoals vermesting, verzuring en mogelijke veranderingen in concurrentieverhoudingen. Een jaarlijkse depositie van 1 mol stikstof per hectare komt overeen met veertien gram stikstof per hectare en, indien volledig benut, met een theoretische biomassatoename van ongeveer 1,4 kilogram droge stof per hectare
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
72
20 februari 2026
per jaar. Voor 0,01 mol per hectare gaat het om circa 0,14 gram stikstof per hectare per jaar en een theoretische aanwas van ongeveer 0,014kilogram droge stof per hectare per jaar, wat neerkomt op ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter. Een dergelijke verandering is in vegetatiekundige monitoring niet detecteerbaar en kan geen verschuiving in groeisnelheid van individuele planten of in competitiestructuur en vegetatiesamenstelling veroorzaken. De meteorologisch gedreven jaarlijkse fluctuaties van de achtergronddepositie bedragen ongeveer vijf tot tien procent, wat in absolute zin overeenkomt met circa 50 tot 200 mol stikstof per hectare per jaar. De tijdelijke additionele bijdrage van 0,01 mol valt volledig weg binnen deze natuurlijke variatie en kan ecologisch noch statistisch worden onderscheiden. Het mechanisme van plotselinge kwaliteitsverslechtering, een omslagpunt als gevolg van langdurige overbelasting en hydrologische uitputting van de buffercapaciteit, kan door een dergelijke minimale extra bijdrage niet worden veroorzaakt of meetbaar versneld. Tegen de gebiedsspecifieke achtergrond van Sarsven en de Banen blijft de kwaliteit van H3130 bepaald door de hydrologische randvoorwaarden, buffering en het weren van gebiedsvreemd water.
Het project heeft op deze procesmatige knelpunten geen invloed en interferert niet met de in uitvoering of voorbereiding zijnde herstel- en beheermaatregelen die voor dit habitattype zijn voorzien. De instandhoudingsdoelstellingen en het doelbereik voor H3130 blijven daarmee onaangetast. Conclusie De maximale depositiebijdrage van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op H3130 Zwakgebufferde vennen in Sarsven en de Banen is ecologisch verwaarloosbaar. Deze bijdrage veroorzaakt geen directe toxische effecten, leidt niet tot detecteerbare vermesting of verzuring en resulteert niet in verschuivingen in vegetatiesamenstelling, concurrentieverhoudingen of structuur- en functie-eigenschappen. De omvang van de bijdrage ligt ver onder de bandbreedte van natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in achtergronddepositie en kan het eventueel bereiken van een omslagpunt in zwakgebufferde systemen niet veroorzaken of versnellen. Binnen het gebiedsspecifieke kader van hydrologie, buffering en het weren van gebiedsvreemd en voedselrijk water heeft het projecteffect geen invloed op de bepalende kwaliteitscriteria en belemmert het de instandhoudingsdoelstellingen voor H3130 in Sarsven en de Banen niet.
9.4.3 H3140 - Kranswierwateren Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype omvat kranswierbegroeiingen in matig voedselrijke wateren. Het water is helder, voedselarm tot matig voedselrijk en onvervuild. Doorgaans is het basenrijk. De begroeiing bestaat uit ondergedoken waterplanten met fijne bladeren. In de randmeren kunnen zich uitgestrekte velden met kranswieren vormen. De instandhoudingsdoelstelling is gericht op uitbreiding en herstel van oppervlakte en behoud van de kwaliteit van deze wateren, met bijzondere aandacht voor het voorkomen van verdere vermesting en verzuring, het behouden van de karakteristieke soortenrijkdom en het waarborgen van een stabiele, natuurlijke waterhuishouding. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De huidige staat van instandhouding van H3140 in Sarsven en de Banen wordt als onzeker beoordeeld, met beperkte en wisselende waarnemingen en een duidelijke gevoeligheid voor veranderingen in waterkwaliteit en hydrologie.
Belangrijke knelpunten die in het beheerplan en de gebiedsanalyse zijn beschreven, zijn overschrijding van de kritische depositiewaarde voor stikstof, verzuring en vermesting van het watersysteem, verdroging en hydrologische verstoring door afwatering en beïnvloeding van kwelstromen, optredende troebelheid door interne nalevering uit organische sedimentlagen, verstoring door watervogels en de aanwezigheid van vis die de vegetatiestructuur kan beïnvloeden, alsmede het ontbreken van voldoende aaneengesloten areaal om een functionele ecologische eenheid te waarborgen. De herstelstrategie en het beheer richten zich op hydrologisch herstel en het weren van gebiedsvreemd, voedselrijk water door middel van peilbeheer en waterconservering, het plaatsen van stuwen en toepassen van GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
73
20 februari 2026
peilgestuurde drainage, het omleiden of dempen van watergangen, het vergroten van retentie en, waar ecologisch aangewezen, het verwijderen van organische sedimenten om interne nalevering van nutriënten te verminderen en de doorzichtcondities te verbeteren. Deze maatregelen zijn in samenhang ontworpen met de doelstelling om de abiotische randvoorwaarden, vooral helderheid en lage nutriëntenbeschikbaarheid, te stabiliseren zodat kranswiervegetaties zich opnieuw kunnen vestigen of handhaven. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H3140 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 5,60 ha.
Figuur 42, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H3140 (blauw).
Het project veroorzaakt een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op delen van H3140 in Sarsven en de Banen. Directe toxische effecten van gasvormige stikstofverbindingen of ammonium in de bodem en het water worden bij de huidige concentratieniveaus in Nederland niet meer verwacht. De beoordeling richt zich daarom op indirecte processen, zoals vermesting, verzuring en verandering in concurrentieverhoudingen tussen soorten, alsook op licht- en troebelheidscondities die bepalend zijn voor kranswieren. Een jaarlijkse depositie van 1 mol stikstof per hectare komt neer op veertien gram stikstof per hectare; in groeimodellen voor vegetatie correspondeert dit, wanneer volledig beschikbaar, met een theoretische toename van ongeveer 1,4 kilogram droge stof per hectare per jaar. Voor 0,01 mol stikstof per hectare per jaar is de additionele aanvoer circa 0,14 gram stikstof per hectare per jaar en de theoretische biomassatoename ongeveer 0,014 kilogram droge stof per hectare per jaar, omgerekend circa 0,0014 gram per vierkante meter. Een verandering van deze orde is niet detecteerbaar in vegetatiekundige monitoring en kan geen meetbare verschuiving in groeisnelheid van planten of in competitiestructuur en vegetatiesamenstelling veroorzaken.
Daar komt bij dat meteorologisch gedreven jaarlijkse fluctuaties van achtergronddepositie in de orde van vijf tot tien procent liggen, wat in absolute termen overeenkomt met ongeveer vijftig tot tweehonderd mol stikstof per hectare per jaar. Tegen deze achtergrond valt een additionele 0,01 mol volledig weg in de natuurlijke variatie en kan statistisch noch ecologisch worden onderscheiden. Voor aquatische systemen die gevoelig zijn voor plotselinge kwaliteitsverslechtering wanneer buffering en waterkwaliteit langdurig onder druk staan, geldt dat een dergelijk minimale extra bijdrage het bereiken van een omslagpunt niet kan veroorzaken of meetbaar versnellen.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
74
20 februari 2026
In Sarsven en de Banen blijven de bepalende factoren voor H3140 de hydrologische randvoorwaarden, het helder, voedselarm watersysteem en het weren van gebiedsvreemd water. Het project heeft op deze procesmatige knelpunten geen invloed en interfereert niet met de voorziene herstel- en beheermaatregelen. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen verandert het doelbereik voor H3140 niet door de additionele depositie van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar. Conclusie De maximale depositiebijdrage van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op H3140 kranswierwateren in Sarsven en de Banen is ecologisch verwaarloosbaar. De bijdrage veroorzaakt geen directe toxische effecten, leidt niet tot detecteerbare vermesting of verzuring en resulteert niet in verschuivingen in vegetatiesamenstelling, concurrentieverhoudingen of de licht- en doorzichtcondities die essentieel zijn voor kranswiergemeenschappen. De omvang van de bijdrage ligt ver onder de bandbreedte van natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in achtergronddepositie en kan een eventueel omslagpunt in kranswierwateren niet veroorzaken of versnellen. Tegen de gebiedsspecifieke achtergrond van hydrologie, helderheid en het weren van gebiedsvreemd, voedselrijk water heeft het projecteffect geen invloed op de bepalende kwaliteitscriteria en belemmert het de instandhoudingsdoelstellingen voor H3140 in Sarsven en de Banen niet.
9.4.4 Habitatrichtlijnsoorten In de PAS-gebiedsanalyse is aangegeven dat de drijvende waterweegbree stikstofgevoelig is.
9.4.4.1 H1831 - Drijvende waterweegbree Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen Drijvende waterweegbree (Luronium natans) is een zeldzame waterplant die behoort tot de habitatrichtlijnsoorten en in Nederland strikt beschermd is. De soort groeit in ondiepe, heldere, matig voedselarme tot matig voedselrijke wateren met een zandige of venige bodem. Drijvende waterweegbree komt voor in vennen, plassen, kanalen en traag stromende beken, waar het water relatief schoon en lichtdoorlatend is. De soort is herkenbaar aan de langgesteelde, ovale tot lancetvormige bladeren die vaak op het water drijven, en aan de kleine witte bloemen die boven het wateroppervlak uitsteken. De instandhoudingsdoelstelling voor drijvende waterweegbree is gericht op uitbreiding van populatie en leefgebied. Dit betekent dat het leefgebied behouden of vergroot moet worden, de waterkwaliteit op orde moet zijn en de natuurlijke dynamiek van het watersysteem behouden blijft. De landelijke trend is ongunstig: de soort is in de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan door vermesting, verzuring, verdroging, watervervuiling en het verdwijnen van geschikt habitat. In de Natuurdoelanalyse wordt benadrukt dat herstel van waterkwaliteit, het tegengaan van verrijking en het behouden van een open, lichtdoorlatende waterkolom essentieel zijn voor het voortbestaan van deze soort.
Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen direct toxisch effect op drijvende waterweegbree, maar beïnvloedt de soort vooral indirect via het leefgebied. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van het water, waardoor de groei van algen en snelgroeiende waterplanten wordt gestimuleerd. Dit zorgt voor een afname van de lichtdoorlatendheid van het water en een toename van de concurrentie om ruimte en licht. Drijvende waterweegbree is juist gebaat bij helder, voedselarm water met weinig concurrentie van dominante soorten. Daarnaast kan stikstofdepositie bijdragen aan verzuring van het watersysteem, wat de beschikbaarheid van essentiële mineralen beïnvloedt en de groeiomstandigheden voor de soort verder verslechtert. In de Natuurdoelanalyse wordt benadrukt dat een te hoge stikstofbelasting leidt tot een afname van het aantal geschikte groeiplaatsen en een verhoogd risico op het verdwijnen van populaties. Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect bedraagt maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch verwaarloosbaar en leidt niet tot meetbare veranderingen in de waterkwaliteit, de lichtdoorlatendheid of de concurrentieverhoudingen in het leefgebied van drijvende waterweegbree. Tegen de achtergrond van de bestaande stikstofbelasting is een extra bijdrage van 0,02 mol niet van invloed op het behalen van de
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
75
20 februari 2026
instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort. Ook versnelt deze bijdrage niet het optreden van negatieve processen zoals vermesting, verzuring of het verdwijnen van geschikte groeiplaatsen. De bestaande knelpunten, zoals stikstofdepositie, watervervuiling en verdroging, blijven bepalend voor de kwaliteit van het leefgebied en vereisen regulier beheer en herstelmaatregelen. Conclusie Drijvende waterweegbree is een kwetsbare soort die afhankelijk is van helder, voedselarm tot matig voedselrijk water met een goede waterkwaliteit en voldoende licht. De belangrijkste knelpunten zijn vermesting, verzuring, verdroging en het verdwijnen van geschikt habitat, vooral als gevolg van menselijke ingrepen en atmosferische depositie van stikstof. Het beheer is gericht op het herstel van natuurlijke processen, het tegengaan van externe belasting en het behouden van een open watersysteem. De maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar als gevolg van het project is ecologisch verwaarloosbaar. Deze bijdrage heeft geen meetbare invloed op de waterkwaliteit, de vegetatiestructuur of het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor drijvende waterweegbree. Zowel volgens de Natuurdoelanalyse als het NDA-advies is er geen sprake van een verslechtering van de staat van instandhouding of een toename van de beheerinspanning.
De instandhoudingsdoelstellingen voor deze soort blijven volledig haalbaar, ook met deze additionele depositie.
9.5
Conclusie effectbeoordeling Sarsven en De Banen
Het voorliggende project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen. Deze bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar. Voor de betrokken habitattypen, is in de beoordeling vastgesteld dat een dergelijke minimale en tijdelijke bijdrage geen meetbare of zichtbare effecten heeft op vegetatiesamenstelling, bodemchemie of hydrologie. Ook de lopende beheermaatregelen die in het gebied noodzakelijk zijn om instandhoudingsdoelen te bereiken, ondervinden geen negatieve invloed van deze minimale bijdrage. De Habitatrichtlijnsoorten die gebruikmaken van stikstofgevoelige leefgebieden, worden niet negatief beïnvloed. Hun leefgebieden behouden dezelfde kwaliteit en omvang, terwijl de geringe en kortdurende projectbijdrage geen enkele invloed heeft op voedselbeschikbaarheid of hydrologische omstandigheden. Op grond van ecologische kennis kan daarom met zekerheid worden geconcludeerd dat de tijdelijke additionele depositie van 0,02 mol N/ha/jaar geen negatieve effecten veroorzaakt voor de staat van instandhoudingen van de habitattypen en soorten in het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze bijdrage niet geraakt en negatieve effecten zijn uitgesloten.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
76
20 februari 2026
10. Effectbeoordeling Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Voor de beschrijving en beoordeling in deze paragraaf is gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Kernrapport Natura 2000-plan Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (Provincie Limburg en NoordBrabant, november 2021); Natuurdoelanalyse (NDA) Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (Provincie Limburg, maart 2023); Gebiedsanalyse Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (Provincie Limburg, december 2017). Profieldocumenten van de relevante habitats (Ministerie van LNV 2014).
10.1
Beschrijving Natura 2000-gebied
Dit gebied bestaat uit de deelgebieden Weerterbos, Ringselven en Kruispeel (Habitatrichtlijngebied) en de Hugterheide en de Weerter- en Budelerbergen (Vogelrichtlijngebied). Het Weerterbos is een oud bosgebied. Daarvoor was het een moerasgebied omgeven door heide en moeras. Het wordt gekenmerkt door een gecompliceerde bodemopbouw met leemarm en lemig dekzand en lokale veenontwikkeling. Soortenarme dennenaanplanten bepalen tegenwoordig in sterke mate het aanzien van het terrein. Op natte delen, in slenken en geïsoleerde laagtes staat relatief zuur berkenbroekbos. In deze laagten liggen vele watertjes en worden zwak gebufferde vennen hersteld. De Hugterheide ligt in Noord Brabant en is een bosgebied dat voornamelijk bestaat uit grove dennen en is aangeplant op stuifzand. De stuifzanden zijn nog duidelijk te herkennen in het heuvelachtige terrein. Het naastgelegen gebied Hugterbroek en 'In den Vloed' aan de Limburgse zijde bestaan uit moeras en bos. De Weerter en Budelerbergen bestaan uit een aaneengesloten (naald)bosgebied met een centraal gelegen heide- en stuifzandterrein. Het Ringselven en de Kruispeel zijn gelegen aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart. Het Ringselven is een ven omgeven door moerasvegetaties. De Kruispeel bestaat uit berkenen elzenbroekbossen, met enkele vennen gelegen langs de Tungelroysche beek.
10.2
Aanwijzing en ligging gebied
Het gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (138) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In Figuur 43 is de ligging van het Natura 2000-gebied weergegeven.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
77
20 februari 2026
Figuur 43, ligging van het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (geel, groen en blauw) ten opzichte van het projectgebied (rood omlijnd).
10.3
Instandhoudingsdoelstellingen
Voor het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn vanuit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. De instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 6 voor alle habitattypen en leefgebieden die te maken hebben met een stikstofdepositie. Daarna zijn de stikstofgevoelig habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels die effect ondervinden uitgewerkt. In de PAS-gebiedsanalyse en natuurdoelanalyse is aangegeven dat er twee habitatrichtlijnsoorten en drie vogelsoorten in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven stikstofgevoelig zijn. De stikstofgevoelige soorten zijn de kamsalamander, drijvende waterweegbree, nachtzwaluw, boomleeuwerik en roodborsttapuit. Alleen deze soorten worden meegenomen in de effectbeoordeling omdat overige soorten niet stikstofgevoelig zijn en dus zijn negatieve effecten op overige soorten niet verwacht.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
78
20 februari 2026
Tabel 6 Instandhoudingsdoelstellingen van habitat soorten en habitattypen waar sprake is van en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Habitattype Code Omschrijving H3130 Zwakgebufferde vennen H4010A Vochtige heiden H6410 Blauwgraslanden H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H91D0* Hoogveenbossen L4030 Droge heiden Lg09 Droog Struisgrasland Kamgrasweide & Bloemrijk Lg10 weidevogelgrasland van het zand- en veengebied Lg13 Bos van are zandgronden Eiken- en beukenbos van lemige Lg14 zandgronden Habitatrichtlijnsoorten Code Soort H1134 Bittervoorn H1149 Kleine modderkruiper H1166 Kamsalamander H1337 Bever H1831 Drijvende waterweegbree Broedvogels
Doelstellingen Oppervlakte > > = = >
Kwaliteit > > = = >
Relatieve bijdrage <2% <2% <2% <2% 2-6%
Er zijn geen instandhoudingsdoelstelling opgesteld voor leefgebieden.
Doelstellingen Populatie = = = =
Omvang leefgebied = = = = Is in aanmelding.
Kwaliteit = = = =
Doelstellingen
Kwaliteit leefgebied A224 Nachtzwaluw 18 = = A246 Boomleeuwerik 55 = = A276 Roodborsttapuit 20 = = Bron: vastgesteld aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied en wijzigingsbesluit aanwezige waarden. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. Een * staat voor een prioritair habitattype. Code
Soort
Populatie
Omvang leefgebied
10.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Hieronder is de spreiding van de relevante stikstofgevoelige habitattypen weergegeven in de realisatiefase voor Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
79
20 februari 2026
Figuur 44, Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven (hexagonen lichtpaars gekleurd).
10.4.1 H3130 - Zwakgebufferde vennen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen van habitattype H3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben ofwel koolstofgelimiteerd zijn. Zwakgebufferde vennen daarentegen zijn niet koolstofgelimiteerd en kunnen hoewel de naamgeving hierover verwarring wekt- zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meterslang en breed. De leefgemeenschappen van deze vensystemen de plassen plus de oeverzones - vertonen een grote variatie binnen een klein oppervlak. Dat komt door allerlei milieuverschillen binnen het systeem en overgangssituaties (gradiënten) in zones en fijnschalige mozaïeken. De standplaatscondities variëren van zeer voedselarm (oligotroof) tot voedselarm (mesotroof), van aquatisch tot vochtig, langdurig tot zeer kortstondig overstroomd enzovoort. Voor een deel betreft het systemen die zijn ontstaan uit uitgeveende hoogveenvennen. Sommige van de pioniergemeenschappen komen binnen vensystemen alleen voor op kale vochtige plekjes in het hogere gedeelte van de oeverzone.
Die gemeenschappen zijn ook elders buiten de vensystemen - op de zandgronden te vinden op plekken met vergelijkbare condities zoals op afgeplagde natte heide. De begroeiingen vormen in de zwakgebufferde vensystemen veelal patronen van smalle zones of mozaïeken of subtypen onderscheiden. De begroeiingen behoren tot vier verschillende verbonden van plantengemeenschappen (het Potamion graminei, Hydrocotylo Baldellion, Eleocharition acicularis uit de klasse Littorelletea uniflorae en het Nanocyperion flavescentis uit de klasse Isoeto-Nanojuncetea). Drijvende waterweegbree (Luronium natans) kan in sommige van de zwakgebufferde vennen van dit habitattype grote populaties vormen. Het is een te beschermen soort volgens de Habitatrichtlijn Bijlage II. Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje (Molinia caerulea), en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van Pitrus (Juncus effusus). Vennen met zulke begroeiingen zonder aanwezigheid van de voor zwakgebufferde vennen kenmerkende gemeenschappen en soorten worden niet tot het habitattype gerekend. GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
80
20 februari 2026
Bij het bepalen van het habitattype van een ven, is het belangrijk het gehéle venlichaam in ogenschouw te nemen. Wanneer in een ven naast de voor habitattype H3130 kenmerkende plantengemeenschappen ook de voor habitattype H3110 kenmerkende gemeenschap (Isoeto Lobelietum) aanwezig is, wordt het gehele ven als mozaïek van beide habitattypen beschouwd. Het beheer zal in dergelijke gevallen vooral op het meer zeldzame en meer bedreigde habitattype H3110 zeer zwakgebufferde vennen gericht moeten zijn. De begroeiingen van habitattype H3130 en H3110 kunnen ook mozaïekbegroeiingen vormen met aquatisch voorkomende kranswierbegroeiingen (van het verbond Nitellion flexilis) van habitattype H3140 kranswierwateren. Deze worden dan als onderdeel van H3110 of H3130 opgevat. De instandhoudingsdoelstellingen voor Zwakgebufferde vennen zijn gericht op de uitbreiding van het oppervlak en het verbeteren van de kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De huidige staat van instandhouding van H3130 wordt in de natuurdoelanalyse beoordeeld aan de hand van ecologische criteria, overschrijding van kritische depositiewaarden voor stikstof en de stand van herstelmaatregelen. Voor Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn twee knelpunten bepalend. Het eerste betreft hydrologische verstoringen en de daaruit volgende druk op buffering en waterkwaliteit.
Historische ontwatering en lokale verdroging hebben geleid tot uitspoeling en een afnemende ionenbelasting, waardoor het systeem gevoeliger wordt voor verzuring. Het tweede knelpunt betreft stikstofdepositie, die bij overschrijding van de KDW de vegetatie op termijn kan verrijken en competitieve verhoudingen kan verschuiven. De natuurdoelanalyse toont dat het oplossen van hydrologische knelpunten een randvoorwaarde is en dat stikstofreductie het herstel ondersteunt, maar zonder hydrologisch herstel niet voldoende is om de kwaliteit structureel te verbeteren. Het beheerplan legt een maatregelenpakket vast dat aansluit bij deze analyse. Voor H3130 focussen de maatregelen op het herstellen en stabiliseren van venpeilen, het verminderen van externe belasting, het veiligstellen van schone aanvoer en het ecologisch beheer van venranden en oevervegetaties. In samenhang moeten deze maatregelen het zwak gebufferde systeem robuust houden, zodat kenmerkende soorten en vegetaties zich kunnen handhaven en uitbreiden. De natuurdoelanalyse geeft inzicht in de voortgang van maatregelen en het verwachte effect op het doelbereik; waar KDW-overschrijding en hydrologische druk samenkomen, blijft een systeemgerichte aanpak noodzakelijk.
Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H3130 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 0.56 ha, die 1.47% is van de totale oppervlakte van habitattype H3130 in dit Natura 2000-gebied.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
81
20 februari 2026
Figuur 45, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H3130 (blauw).
Het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op delen van het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op planten treden in Nederland al geruime ti x in bodem en lucht liggen structureel onder niveaus die directe schade kunnen veroorzaken. Een geringe extra depositie kan op basis van de algemene ecologische onderbouwing daarom geen directe schade aan ven- en oevervegetatie veroorzaken binnen H3130. Ook via indirecte mechanismen, zoals vermesting, verzuring of verandering in concurrentieverhoudingen tussen soorten, kan een depositietoename van deze omvang geen meetbaar effect veroorzaken. Eén mol N per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en zou theoretisch ongeveer 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar kunnen genereren. Voor de huidige projectbijdrage van 0,01 mol N per hectare per jaar betreft dit circa 0,014 kilogram extra droge stof per hectare per jaar, oftewel ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze orde van grootte is ecologisch niet detecteerbaar en leidt niet tot waarneembare veranderingen in biomassatoename, soortensamenstelling of competitiestructuur langs venranden.
Daarmee is uitgesloten dat de beperkte bijdrage resulteert in een meetbare toename van mestminnende soorten, een versnelling van successie of een merkbare versterking van verzuringsprocessen in het ven-systeem. De jaarlijkse achtergronddepositie van stikstof in natuurgebieden varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en bedraagt in absolute zin tientallen tot honderden mol N per hectare per jaar. Tegen deze achtergrond vormt een additionele 0,01 mol N per hectare per jaar een verwaarloosbare fractie van de natuurlijke variatie en levert zij geen zichtbaar of meetbaar signaal op boven op de systeemruis. Evenmin draagt deze minimale bijdrage merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die in zwakgebufferde systemen voornamelijk door achtergronddeposities en hydrologie wordt bepaald. In zwakgebufferde aquatische systemen kunnen abrupte kwaliteitsverslechteringen optreden wanneer de buffercapaciteit lokaal wegvalt. Het bereiken van dergelijke omslagpunten wordt evenwel gedreven door langdurige achtergronddeposities en hydrologische factoren en kan niet worden veroorzaakt of meetbaar versneld door een zeer geringe extra depositie van de orde 0,01 mol N per hectare per jaar. Binnen het vennenmozaïek is bovendien sprake van sterke ruimtelijke heterogeniteit, zodat een uniforme, gelijktijdige
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
82
20 februari 2026
systeemrespons ecologisch onaannemelijk is en een minimale bijdrage lokaal geen doorslaggevende rol kan spelen. Beslissend is dat deze beperkte bijdrage niet interfereert met de belangrijkste knelpunten van H3130 in dit gebied. Voor dit habitattype blijven hydrologische randvoorwaarden, buffering en waterkwaliteit de dominante factoren voor kwaliteit en doelbereik. Omdat het projecteffect zich beperkt tot een minimale additionele depositie en geen ingrepen in waterhuishouding, wateraanvoer, waterkwaliteit of beheermaatregelen omvat, kan niet worden geconcludeerd dat de depositietoename bijdraagt aan een verslechtering van het habitattype. De bestaande herstel- en beheermaatregelen die gericht zijn op hydrologisch herstel en het behouden van zwak gebufferde omstandigheden blijven effectief en worden door deze geringe depositietoename niet in hun werking beperkt. Conclusie Voor het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven geldt dat de ecologische randvoorwaarden primair worden bepaald door hydrologie, buffering en waterkwaliteit. Deze factoren zijn cruciaal voor het behoud van oligotrofe omstandigheden en voor het voorkomen van verzuring en vermesting.
De kenmerkende vegetaties van Pilvaren, Veelstengelige waterbies en andere soorten die afhankelijk zijn van zeer voedselarme omstandigheden reageren vooral op veranderingen in waterhuishouding en chemische buffering, niet op minimale fluctuaties in stikstofdepositie. De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar en ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie. Deze bijdrage veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiesamenstelling, groeisnelheid, concurrentieverhoudingen of bodemchemie. Ook draagt zij niet bij aan het versneld bereiken van omslagpunten in ven-systemen, die uitsluitend optreden bij langdurige en veel hogere stikstofbelasting in combinatie met hydrologische knelpunten. Omdat de belangrijkste drukfactoren voor H3130 (zoals verdroging en verlies van buffering) niet worden beïnvloed door deze minimale depositie, blijft de effectiviteit van herstelmaatregelen en regulier beheer volledig intact. De instandhoudingsdoelstellingen, gericht op uitbreiding van het areaal en verbetering van de kwaliteit, worden door deze bijdrage niet belemmerd.
Op grond hiervan kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar significante negatieve effecten heeft op de staat van instandhouding van H3130 Zwakgebufferde vennen en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.
10.4.2 H4010A - Vochtige heiden Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit type vochtige heiden komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden en in het heuvelland. De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland (zie habitattypen H6410 en H6230). In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje (Molinia caerulea) domineren of treden struiken zoals gagel (Myrica gale) op de voorgrond. Begroeiingen met gagel (11RG3) worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren. De subassociatie met Gevlekte orchis is gebonden aan bodems met een wat hogere pH, die wordt gebufferd door basenrijk water, afkomstig uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit omliggende hogere zandruggen. De subassociatie met Korstmos wordt gekenmerkt door de open dwergstruiklaag, waartussen de korstmossen groeien. Vaak ontstaan de open plekken door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
83
20 februari 2026
De subassociatie met Rode en Blauwe bosbes komt voor bij een relatief vochtig microklimaat, zoals noordhellingen en beschaduwde heiden. De instandhoudingsdoelstellingen voor Vochtige heiden zijn gericht op de uitbreiding van het oppervlak en het verbeteren van de kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De natuurdoelanalyse beoordeelt H4010A in delen van het gebied als verdroogd en ruimtelijk geïsoleerd, met verlies van de oorspronkelijke gradiënten naar droge heide en beekdalvegetaties. Oorzaken zijn de aanleg van afwateringsslootjes en sloten en een algemene daling van de grondwaterstand, waardoor zijdelingse afvoer en wegzijging versneld zijn en natte heide is teruggedrongen. De beoordeling van de landschappelijke samenhang doordat de gradiënt met H4030, H6410 en H6230 ontbreekt of slechts fragmentarisch aanwezig is. De gebiedsanalyse en het beheerplan richten het herstel primair op systeemmaatregelen: het vertragen van afvoer, verhogen en stabiliseren van peilen, scheiden van landbouwwater en natuurwater en het ecologisch beheren van heideranden, zodat vochtige heide weer vlakdekkend of als robuuste gradiënt kan optreden. Deze aanpak beoogt de abiotische randvoorwaarden voor H4010A te herstellen, waarna regulier heidebeheer (begrazing, gefaseerd maaien, incidenteel plaggen waar nodig) de kwaliteit kan bestendigen.
Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H4010A voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 1.47 ha, die 8.89% is van de totale oppervlakte van habitattype H4010A in dit Natura 2000-gebied.
Figuur 46, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H4010A (blauw).
Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op planten treden in Nederland al geruime tijd niet meer op; x in bodem en lucht liggen structureel onder niveaus die directe schade kunnen veroorzaken. Een minimale extra depositie kan daarom geen directe schade aan heidevegetaties in H4010A veroorzaken.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
84
20 februari 2026
Ook via indirecte mechanismen, zoals vermesting, verzuring of verandering in concurrentieverhoudingen tussen soorten, kan een depositietoename van deze omvang geen meetbaar effect veroorzaken. Eén mol stikstof per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en zou theoretisch ongeveer 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar kunnen genereren. Voor de huidige projectbijdrage van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar betreft dit circa 0,014 kilogram extra droge stof per hectare per jaar, oftewel ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze orde van grootte is ecologisch niet detecteerbaar en leidt niet tot waarneembare veranderingen in biomassatoename, soortensamenstelling of competitiestructuur van vochtige heide. Daarmee is uitgesloten dat de beperkte bijdrage resulteert in een meetbare toename van mestminnende soorten, versnelling van successie of een merkbare versterking van verzuringsprocessen binnen het heidesysteem. De jaarlijkse achtergronddepositie van stikstof in natuurgebieden varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en bedraagt in absolute zin tientallen tot honderden mol stikstof per hectare per jaar. Tegen deze achtergrond vormt een additionele 0,01 mol per hectare per jaar een verwaarloosbare fractie van de natuurlijke variatie en levert zij geen zichtbaar of meetbaar signaal op boven op de systeemruis.
Evenmin draagt deze minimale bijdrage merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die in vochtige heiden vooral door achtergronddeposities, hydrologie en beheer wordt bepaald. Voor heidesystemen is een plotselinge kwaliteitsomslag minder waarschijnlijk dan voor aquatische, zwak gebufferde systemen; waar de kwaliteit van H4010A onder druk staat, wordt dit gedreven door verdroging, verlies van buffering en structureel verhoogde achtergronddeposities. Een zeer geringe extra depositie van de orde 0,01 mol stikstof per hectare per jaar kan een omslagpunt niet veroorzaken en niet meetbaar versnellen. Beslissend is dat deze beperkte bijdrage niet interfereert met de belangrijkste knelpunten van H4010A in dit gebied. Voor dit habitattype blijven hydrologische randvoorwaarden, buffering en waterkwaliteit de dominante factoren voor kwaliteit en doelbereik. Omdat het projecteffect zich beperkt tot een minimale additionele depositie en geen ingrepen in waterhuishouding, wateraanvoer, waterkwaliteit of beheermaatregelen omvat, kan niet worden geconcludeerd dat de depositietoename bijdraagt aan een verslechtering van het habitattype. De bestaande herstel- en beheermaatregelen die gericht zijn op hydrologisch herstel en het behouden van voedselarme, natte condities blijven effectief en worden door deze geringe depositie niet in hun werking beperkt.
De natuurdoelanalyse en het beheerplan positioneren systeemherstel als randvoorwaarde; de hier beoordeelde bijdrage is daarvoor niet belemmerend. Conclusie Voor H4010A Vochtige heiden in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven geldt dat hydrologie, buffering en waterkwaliteit de ecologische randvoorwaarden bepalen. Deze factoren zijn cruciaal voor het behoud van voedselarme, natte omstandigheden en voor het voorkomen van verzuring en vermesting. De kenmerkende heidevegetaties reageren vooral op veranderingen in waterhuishouding en geomorfologische gradiënten, niet op minimale fluctuaties in stikstofdepositie. De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar is ecologisch verwaarloosbaar en ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie. Deze bijdrage veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiesamenstelling, groeisnelheid, concurrentieverhoudingen of bodemchemie en draagt niet bij aan het versneld bereiken van omslagpunten. Omdat de belangrijkste drukfactoren voor H4010A niet worden beïnvloed door deze minimale depositie, blijft de effectiviteit van herstelmaatregelen en regulier beheer volledig intact. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze bijdrage niet belemmerd.
Op grond hiervan kan worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol stikstof per hectare per jaar significante negatieve effecten heeft op de staat van instandhouding van H4010A Vochtige heiden en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
85
20 februari 2026
10.4.3 H6410 - Blauwgraslanden Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), blauwe zegge (Carex panicea) en tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet (Phragmites australis) en melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In aalde soorten kenmerkend, zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus (Juncus acutiflorus) in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium) in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris).
Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gereke aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling. De instandhoudingsdoelstellingen voor Blauwgraslanden zijn gericht op het behoud van het oppervlak en behoud van de kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De staat van instandhouding van H6410 wordt primair bepaald door de mate en kwaliteit van basenrijke kwel en de open, schralere structuur van de vegetatie. In de natuurdoelanalyse wordt voor het gebied in algemene zin geschetst dat habitattypen met hydrologische afhankelijkheid gevoelig zijn voor verdroging, versneld afvoeren van (grond)water en de aanvoer van nutriënten via oppervlakte- of grondwater. Waar kwelstromen verzwakken of worden kortgesloten, treden verzuring, verruiging en vergrassing op, met verlies van typische blauwgraslandsoorten. De beoordeling van drukfactoren en doelbereik in de natuurdoelanalyse koppelt deze knelpunten aan de noodzaak van bronmaatregelen en systeemherstel om verslechtering tegen te gaan.
Het beheerplan en de uitvoeringslijnen uit de gebiedsanalyse voor het Natura 2000-gebied beschrijven beheer en herstelmaatregelen die ecologisch noodzakelijk zijn voor H6410. Deze omvatten het herstel van hydrologische randvoorwaarden (vertragen afvoer, verhogen en stabiliseren van peilen, scheiden van landbouwwater en natuurwater), het verminderen van externe nutriëntenbelasting en het vegetatiebeheer gericht op het handhaven van openheid en schraalheid door maaien met afvoer van biomassa, verwijderen van opslag en, waar standplaats en kwaliteit dit vergen, kleinschalig plaggen. De gebiedsdocumenten plaatsen deze maatregelen in het bredere mozaïek van vennen, heide en beekdalcomponenten in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven, zodat gradiënten en samenhang worden hersteld en behouden. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H6410 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 0,44 ha.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
86
20 februari 2026
Figuur 47, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H6410 (blauw).
Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op planten treden in Nederland bij de huidige concentraties niet op. De additionele bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe schade veroorzaken aan blauwgraslandvegetaties. In de indirecte effectroutes (vermesting, verzuring, verschuiving van concurrentieverhoudingen) is de orde van grootte van de bijdrage beslissend. Eén mol stikstof per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en kan onder conservatieve aannames theoretisch circa 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar genereren in grazige vegetaties. Geschaald naar 0,01 mol N/ha/jaar betreft het circa 0,014 kilogram droge stof per hectare per jaar, oftewel ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch niet detecteerbaar en kan geen meetbare verandering veroorzaken in groeisnelheid van individuele planten, vegetatiesamenstelling of competitieve verhoudingen in H6410. De geringe bijdrage resulteert daarom niet in een waarneembare verruiging of vergrassing en kan de schralere structuur van blauwgrasland niet beïnvloeden. Deze onderbouwing volgt uit het onderdeel Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden, waarin de betekenis van zeer kleine depositiebijdragen in algemene zin is beschreven en met illustratieve rekenvoorbeelden is geduid.
De jaarlijkse achtergronddepositie van stikstof in natuurgebieden varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en bedraagt in absolute zin tientallen tot honderden mol N/ha/jaar. Tegen deze achtergrond is 0,01 mol N/ha/jaar een verwaarloosbare fractie van de natuurlijke variatie en levert deze bijdrage geen zichtbaar of meetbaar signaal boven op de systeemruis. Evenmin draagt de bijdrage merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die bij H6410 vooral door achtergronddeposities, hydrologie en beheer wordt bepaald. De tijdschaal en drempels die samenhangen met eventuele abrupte kwaliteitsomslagen in kwel-afhankelijke systemen worden gedomineerd door langjarige achtergronddepositie en hydrologische factoren. Een bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan een omslagpunt niet veroorzaken en niet meetbaar versnellen. Beslissend in deze beoordeling is dat de beperkte bijdrage niet interfereert met de belangrijkste knelpunten van H6410 in dit gebied. Voor blauwgraslanden blijven basenrijke kwel, waterkwaliteit en open, schraal vegetatiebeheer de dominante factoren voor kwaliteit en doelbereik.
Omdat het project geen ingrepen omvat in waterhuishouding, kweldynamiek, waterkwaliteit of beheermaatregelen en de stikstofbijdrage ecologisch verwaarloosbaar is, kan niet worden geconcludeerd dat de depositietoename bijdraagt aan een verslechtering van het habitattype. De bestaande herstel- en beheermaatregelen gericht op het versterken van kwelgestuurde condities en het handhaven van schraalheid blijven effectief en worden door deze geringe depositiebijdrage niet
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
87
20 februari 2026
in hun werking beperkt. Deze lijn is in overeenstemming met de doel- en drukfactorenanalyse in de natuurdoelanalyse en met de systeemgerichte aanpak in het beheerplan. Conclusie Voor H6410 Blauwgraslanden in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn basenrijke kwel, waterkwaliteit en een open, schraal vegetatiebeheer de ecologische randvoorwaarden die de kwaliteit sturen. De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar, ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie en veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiesamenstelling, groeisnelheid, concurrentieverhoudingen of bodem- en waterchemie. De bijdrage versnelt het bereiken van eventuele omslagpunten in kwelgestuurde systemen niet en interfereert niet met de kernknelpunten die in de natuurdoelanalyse en het beheerplan zijn beschreven. Tegen de instandhoudingsdoelstellingen kan deze bijdrage geen negatieve invloed uitoefenen. Op grond hiervan kan worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar significante negatieve effecten heeft op de staat van instandhouding van H6410 Blauwgraslanden en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.
10.4.4 H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010. In de internationale literatuur worden deze pionierbegroeiingen meestal beschouwd als behorend tot één plantensociologisch verbond dat de veenslenken beschrijft, het Rhynchosporion albae. In ons land wordt een deel van de begroeiingen, de gemeenschappen van de plagplekken in de natte heide, gerekend tot het verbond dat de natte heide beschrijft, het Ericion tetralicis. Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater.
In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn. De instandhoudingsdoelstellingen voor Pioniervegetaties met snavelbiezen zijn gericht op het behoud van het oppervlak en behoud van de kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De staat van instandhouding van H7150 binnen Weerter- en Budelerbergen & Ringselven wordt primair bepaald door de mate waarin natuurlijke hydrologische processen en waterkwaliteit intact zijn en door de beschikbaarheid van open, onbegroeide of zeer schaars begroeide plekken. Verdroging en versneld afvoeren van grond- en oppervlaktewater reduceren de frequentie en duur van vernatting, waardoor pionierstadia minder vaak ontstaan en sneller sluiten. Aanvoer van nutriënten via oppervlakte- of grondwater kan de standplaats verrijken en de pioniergemeenschappen verdringen, waarbij verruiging en vergrassing optreden en typische pioniersoorten uitblijven.
De natuurdoelanalyse koppelt deze drukfactoren aan overschrijding van kritische depositiewaarden in delen van het gebied en aan de noodzaak van bronmaatregelen en systeemherstel om verslechtering tegen te gaan. Het beheerplan positioneert herstelmaatregelen die voor H7150 ecologisch noodzakelijk zijn: waterhuishoudkundig herstel (vertragen afvoer, verhogen en stabiliseren van peilen, afkoppelen van landbouwwater, verbeteren kwel), het verminderen van externe nutriëntenbronnen en gericht vegetatiebeheer in oever- en randzones. Waar de standplaats door achterstallig beheer is dichtgegroeid, kan kleinschalig en zorgvuldig uitgevoerd plaggen of GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
88
20 februari 2026
het verwijderen van organisch sediment in oeverzones nodig zijn om pioniercondities te herstellen, mits de hydrologische randvoorwaarden en waterkwaliteit daartoe geschikt zijn. Deze beheer- en herstelstrategie verankert H7150 in het grotere mozaïek van vennen en heiden in het gebied, met het doel pionierstadia terugkerend en duurzaam mogelijk te maken. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H7150 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 0,10 ha.
Figuur 48, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H7150 (blauw).
Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op planten treden in Nederland bij de huidige concentraties niet op. De additionele bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe schade veroorzaken aan pioniervegetaties. Voor indirecte effectroutes is de orde van grootte van de bijdrage bepalend. Eén mol stikstof per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en kan onder conservatieve aannames theoretisch circa 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar genereren in een grazige vegetatie. Geschaald naar 0,01 mol N/ha/jaar betreft dit circa 0,014 kilogram droge stof per hectare per jaar, oftewel ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch niet detecteerbaar en kan geen meetbare verandering teweegbrengen in groeisnelheid van individuele planten, vegetatiesamenstelling of competitieve verhoudingen in H7150. De beperkte bijdrage resulteert daarom niet in een waarneembare verruiging of vergrassing en kan de pionierstatus van deze vegetaties niet beïnvloeden. De jaarlijkse achtergronddepositie van stikstof in natuurgebieden varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en bedraagt in absolute zin tientallen tot honderden mol N/ha/jaar.
Tegen deze achtergrond is 0,01 mol N/ha/jaar een verwaarloosbare fractie van de natuurlijke variatie en levert deze bijdrage geen zichtbaar of meetbaar signaal boven op de systeemruis. Evenmin draagt de bijdrage merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die bij H7150 vooral door achtergronddeposities, hydrologie en beheer wordt bepaald. In systemen met zwakke buffering en pionierdynamiek kunnen abrupte omslagpunten optreden wanneer hydrologische en chemische randvoorwaarden wegvallen; het bereiken van dergelijke omslagpunten wordt gedreven door langjarige achtergronddeposities en hydrologische factoren en kan niet worden veroorzaakt of meetbaar versneld door een zeer geringe extra depositie van de orde 0,01 mol N/ha/jaar.
GemLeu.Lei.25.VS.OW.03
89