CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Passende beoordeling

Commissievergadering Fysiek 7 april 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert36.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Ook inwaai van nutriënten en bestrijdingsmiddelen vanuit landbouwgebieden vormt een extra drukfactor. Het beheerplan adviseert maatregelen zoals het herstellen van hydrologische condities door het dempen van sloten, het verhogen van waterpeilen en het creëren van bufferzones. Verder is het verwijderen van opslag van bomen en het beperken van recreatiedruk belangrijk om de kwaliteit van de vennen te behouden. Zonder deze maatregelen blijft het habitattype zeer kwetsbaar voor externe invloeden. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N per hectare per jaar op de locatie waar Lg04 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 5,59 ha.

Figuur 19, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte Lg04 (blauw).

De bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar en ligt ver onder de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties van stikstofdepositie (50 200 mol N/ha/jaar). Directe toxische effecten van stikstofverbindingen komen niet meer voor in Nederland. Ook indirecte effecten zoals vermesting, verzuring of verschuivingen in concurrentieverhoudingen treden bij deze omvang niet op.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

43

20 februari 2026

Bij een depositie van 1 mol N/ha/jaar bedraagt de extra biomassa circa 1,4 kilogram per hectare per jaar; bij 0,01 mol is dit slechts 14 gram per hectare per jaar. Dit is ecologisch niet detecteerbaar en kan geen invloed hebben op vegetatiesamenstelling, waterchemie of successiesnelheid. De bijdrage kan geen versnelling van algengroei of verlanding veroorzaken en heeft geen invloed op het bereiken van omslagpunten in het ecosysteem. De belangrijkste knelpunten (hydrologische instabiliteit en externe nutriëntenbelasting) blijven bepalend voor het habitattype en worden door deze minimale bijdrage niet versterkt. Het huidige beheer, gericht op waterpeilherstel en het beperken van externe invloeden, behoudt zijn effectiviteit. Conclusie De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar veroorzaakt geen significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van Lg04 in Deurnsche Peel & Mariapeel. De bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar, leidt niet tot meetbare veranderingen in waterchemie, vegetatie of concurrentieverhoudingen en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande herstelmaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat deze depositietoename leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

7.4.5 Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels, niet-broedvogels In de PAS-gebiedsanalyse is aangegeven dat van de aangewezen soorten, maken de volgende soorten gebruik van stikstofgevoelige leefgebieden en dus zijn de volgende soorten (indirect) stikstofgevoelig: A004 - Dodaars A224 - Nachtzwaluw A272 - Blauwborst A276 - Roodborsttapuit

7.4.5.1 A004 - Dodaars Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De dodaars (Tachybaptus ruficollis) is een kleine fuutachtige vogel die voorkomt in ondiepe, rustige wateren met een rijke vegetatie. De broedhabitat bestaat uit kleine plassen, vennen en sloten met voldoende beschutting en drijvende vegetatie voor nestbouw. De soort is sterk afhankelijk van een goede waterkwaliteit en een gevarieerde vegetatiestructuur. De instandhoudingsdoelstelling voor de dodaars richt zich op 35 broedparen, behoud en versterking van het broedareaal en het waarborgen van geschikte foerageergebieden. Dit betekent dat de kwaliteit van het leefgebied, waaronder helder water, voldoende waterdiepte en een rijk aanbod van waterplanten en kleine prooidieren, behouden moet blijven. Verstoring door recreatie, verdroging en watervervuiling zijn belangrijke factoren die de populatie kunnen beïnvloeden. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de dodaars laat een positieve ontwikkeling zien. Uit Figuur 21 blijkt dat de populatie in Nederland sinds de jaren negentig is toegenomen, met een piek rond 2005, gevolgd door een lichte daling en daarna stabilisatie en opnieuw een lichte stijging richting 2020. Dit geeft aan dat de soort zich landelijk goed handhaaft. Voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is echter weinig data beschikbaar, zoals zichtbaar in Figuur 20.

Er zijn slechts enkele meetpunten (1990, 2000 en 2015) en daarna ontbreekt structurele monitoring. Hierdoor is het niet mogelijk om een duidelijke trend voor dit specifieke gebied vast te stellen. Op basis van de landelijke trend en de ecologische kenmerken van het gebied kan worden aangenomen dat de soort hier niet onder zware druk staat, mits het hydrologisch herstel en het beheer van waterkwaliteit worden voortgezet.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

44

20 februari 2026

Figuur 20: Dodaars - Deurnsche Peel & Mariapeel

Figuur 21: Dodaars - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen direct effect op de dodaars zelf, maar beïnvloedt de kwaliteit van het leefgebied. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van wateren, waardoor de samenstelling van waterplanten verandert en de waterkwaliteit verslechtert. Dit kan resulteren in een afname van geschikte nestlocaties en een verminderde beschikbaarheid van prooidieren zoals insectenlarven en kleine vis. Daarnaast kan vermesting leiden tot algengroei en zuurstoftekort, wat de ecologische waarde van het habitat verlaagt. Voor soorten zoals

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

45

20 februari 2026

de dodaars, die afhankelijk zijn van een stabiele vegetatiestructuur en helder water, vormt stikstofdepositie daarom een indirecte bedreiging. Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect op de dodaars is beoordeeld op basis van stikstofdepositie. De maximale additionele depositie bedraagt 0,02 mol stikstof per hectare per jaar. Deze toename is verwaarloosbaar in verhouding tot de bestaande stikstofbelasting en heeft geen merkbare invloed op de kwaliteit van het leefgebied of op de instandhoudingsdoelstellingen van de soort. De huidige drukfactoren, zoals structurele stikstofbelasting, hydrologische verstoringen en recreatiedruk, blijven bepalend voor de staat van instandhouding. De tijdelijke extra bijdrage verandert niets aan de noodzaak van herstelmaatregelen zoals het verbeteren van waterkwaliteit en het beperken van vermesting. De additionele depositie is te gering om bestaande knelpunten te versterken of om aanvullende maatregelen noodzakelijk te maken. Conclusie De dodaars is een kwetsbare soort die afhankelijk is van voedselarme, heldere wateren met een rijke vegetatie. De instandhoudingsdoelstellingen vragen om behoud van geschikte broed- en foerageergebieden, wat alleen mogelijk is door het verbeteren van waterkwaliteit en het tegengaan van vermesting en verdroging.

Het projecteffect van maximaal 0,02 mol stikstof per hectare per jaar is niet significant en vormt geen bedreiging voor het behalen van deze doelen. De extra depositie is te gering om bestaande knelpunten te versterken of om aanvullende maatregelen noodzakelijk te maken.

7.4.5.2 A224 - Nachtzwaluw Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is een nachtactieve vogel die voorkomt in open, droge gebieden met heide, stuifzand en jonge bosaanplant. Het broedhabitat bestaat uit structuurrijke heidevelden en open plekken in bossen, vaak met zandige gedeelten en lage vegetatie. De soort foerageert op vliegende insecten en heeft behoefte aan rustige gebieden zonder verstoring. De instandhoudingsdoelstelling richt zich op 3 broedparen, behoud van leefgebied omvang en het verbeteren van de kwaliteit van het leefgebied. Dit betekent dat openheid, variatie in vegetatiestructuur en voldoende insectenaanbod moeten worden gewaarborgd. Het voorkomen van verbossing en het handhaven van dynamiek in heide- en stuifzandgebieden zijn cruciaal. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de nachtzwaluw laat een sterke positieve ontwikkeling zien. Uit Figuur 23 blijkt dat de populatie in Nederland sinds 1990 gestaag is toegenomen, met een duidelijke stijging vanaf 2000 en een voortzetting van deze groei tot 2020. Dit geeft aan dat de soort zich landelijk goed herstelt, mede door verbeterd beheer en uitbreiding van geschikt habitat. Voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is de trend minder duidelijk door beperkte data, zoals zichtbaar in Figuur 22.

Er zijn enkele waarnemingen in de jaren negentig en begin 2000, gevolgd door een sterke toename vanaf 2015, met piekwaarnemingen rond 2020. Dit wijst op een positieve ontwikkeling in het gebied, waarschijnlijk door herstelmaatregelen en verbeterde habitatkwaliteit.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

46

20 februari 2026

Figuur 22: Nachtzwaluw - Deurnsche Peel & Mariapeel

Figuur 23: Nachtzwaluw - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen direct effect op de nachtzwaluw zelf, maar beïnvloedt de kwaliteit van het leefgebied. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van heide en open zandgebieden, waardoor vergrassing en verbossing optreden. Dit vermindert de openheid en structuurvariatie die essentieel zijn voor de nachtzwaluw. Daarnaast kan stikstof indirect de insectenpopulatie beïnvloeden, wat gevolgen heeft voor het voedselaanbod. Voor een soort die afhankelijk is van open, insectenrijke gebieden vormt stikstofdepositie daarom een indirecte bedreiging.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

47

20 februari 2026

Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect op de nachtzwaluw is beoordeeld op basis van stikstofdepositie. De maximale additionele depositie bedraagt 0,02 mol stikstof per hectare per jaar. Deze toename is verwaarloosbaar in verhouding tot de bestaande stikstofbelasting en heeft geen merkbare invloed op de kwaliteit van het leefgebied of op de instandhoudingsdoelstellingen van de soort. De huidige drukfactoren, zoals structurele stikstofbelasting en verbossing, blijven bepalend voor de staat van instandhouding. De extra bijdrage verandert niets aan de noodzaak van herstelmaatregelen zoals het tegengaan van vergrassing en het behouden van openheid in heidegebieden. Conclusie De nachtzwaluw is een soort met een positieve landelijke trend en een recent herstel in het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Het projecteffect van maximaal 0,02 mol stikstof per hectare per jaar is niet significant en vormt geen bedreiging voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. De extra depositie is te gering om bestaande knelpunten te versterken of om aanvullende maatregelen noodzakelijk te maken.

7.4.5.3 A272 - Blauwborst Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De blauwborst (Luscinia svecica) is een karakteristieke zangvogel van moerassen, rietlanden en natte ruigten. Het broedhabitat bestaat uit vochtige gebieden met een combinatie van open water, rietkragen en lage struiken. De soort foerageert op insecten en kleine ongewervelden en heeft behoefte aan een gevarieerde vegetatiestructuur met voldoende dekking en open plekken. De instandhoudingsdoelstelling richt zich op het behoud van 350 broedparen, evenals op het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied. Dit betekent dat hydrologische omstandigheden stabiel moeten blijven, dat vermesting en verdroging moeten worden tegengegaan en dat de kenmerkende vegetatiestructuur behouden blijft. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de blauwborst laat een sterke positieve ontwikkeling zien. Uit Figuur 25 blijkt dat de populatie in Nederland sinds 1980 gestaag is toegenomen, met een duidelijke versnelling vanaf de jaren negentig en een voortzetting van deze groei tot 2020. Dit geeft aan dat de soort zich landelijk goed handhaaft en zelfs uitbreidt. Voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is de trend minder duidelijk door beperkte data, zoals zichtbaar in Figuur 24.

Er zijn enkele meetpunten in 1990, 2000, 2005 en 2020, waarbij de aantallen variëren tussen circa 200 en 350 broedparen. Structurele monitoring ontbreekt, waardoor een exacte trend niet kan worden vastgesteld. Op basis van de landelijke trend en de ecologische kenmerken van het gebied kan worden aangenomen dat de soort hier niet onder zware druk staat, mits het hydrologisch herstel en het beheer van waterkwaliteit worden voortgezet.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

48

20 februari 2026

Figuur 24: Blauwborst - Deurnsche Peel & Mariapeel

Figuur 25: Blauwborst - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen direct effect op de blauwborst zelf, maar beïnvloedt de kwaliteit van het leefgebied. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van natte ruigten en rietlanden, waardoor de vegetatiestructuur verandert en soortenrijkdom afneemt. Dit kan resulteren in een afname van geschikte broedlocaties en een verminderde beschikbaarheid van insecten, wat gevolgen heeft voor het voedselaanbod.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

49

20 februari 2026

Voor een soort die afhankelijk is van een gevarieerde, vochtige vegetatie vormt stikstofdepositie daarom een indirecte bedreiging. Projecteffect en negatieve effecten De maximale additionele depositie bedraagt 0,02 mol stikstof per hectare per jaar. Deze tijdelijke toename is verwaarloosbaar in verhouding tot de bestaande stikstofbelasting en heeft geen merkbare invloed op de kwaliteit van het leefgebied of op de instandhoudingsdoelstellingen van de soort. De huidige drukfactoren, zoals structurele stikstofbelasting en verdroging, blijven bepalend voor de staat van instandhouding. De extra bijdrage verandert niets aan de noodzaak van herstelmaatregelen zoals het verbeteren van waterkwaliteit en het tegengaan van vermesting. Conclusie De blauwborst is een soort met een sterke positieve landelijke trend en een stabiele aanwezigheid in het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. De instandhoudingsdoelstellingen vragen om behoud van vochtige, structuurrijke leefgebieden. Het projecteffect van maximaal 0,02 mol stikstof per hectare per jaar is niet significant en vormt geen bedreiging voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De extra depositie is te gering om bestaande knelpunten te versterken of om aanvullende maatregelen noodzakelijk te maken.

7.4.5.4 A276 - Roodborsttapuit Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De roodborsttapuit (Saxicola rubicola) is een karakteristieke soort van open landschappen zoals heidevelden, ruigten en jonge bosaanplant. Het broedhabitat bestaat uit structuurrijke gebieden met lage vegetatie, open zand en verspreide struiken. De soort foerageert op insecten en kleine ongewervelden en heeft behoefte aan openheid en variatie in vegetatiestructuur. De instandhoudingsdoelstelling richt zich op 120 broedparen, behoud van leefgebied omvang en leefgebied kwaliteit. Dit betekent dat vergrassing en verbossing moeten worden tegengegaan en dat dynamiek in heide- en stuifzandgebieden behouden blijft. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de roodborsttapuit laat een sterke positieve ontwikkeling zien. Uit Figuur 27 blijkt dat de populatie in Nederland sinds 1980 gestaag is toegenomen, met een duidelijke versnelling vanaf 2000 en een voortzetting van deze groei tot 2020. Dit geeft aan dat de soort zich landelijk goed herstelt. Voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is de trend minder duidelijk door beperkte data, zoals zichtbaar in Figuur 26. Er zijn enkele meetpunten in 1990, 2000, 2005 en 2020, waarbij de aantallen variëren tussen circa 60 en 125 broedparen. Structurele monitoring ontbreekt, waardoor een exacte trend niet kan worden vastgesteld.

Op basis van de landelijke trend en de ecologische kenmerken van het gebied kan worden aangenomen dat de soort hier niet onder zware druk staat, mits het beheer gericht op openheid en variatie wordt voortgezet.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

50

20 februari 2026

Figuur 26: Roodborsttapuit - Deurnsche Peel & Mariapeel

Figuur 27: Roodborsttapuit - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen direct effect op de roodborsttapuit zelf, maar beïnvloedt de kwaliteit van het leefgebied. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van heide en open zandgebieden, waardoor vergrassing en verbossing optreden. Dit vermindert de openheid en structuurvariatie die essentieel zijn voor de soort. Daarnaast kan stikstof indirect de insectenpopulatie beïnvloeden, wat gevolgen heeft voor het voedselaanbod. Voor een soort die afhankelijk is van open, insectenrijke gebieden vormt stikstofdepositie daarom een indirecte bedreiging.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

51

20 februari 2026

Projecteffect en negatieve effecten De maximale additionele depositie bedraagt 0,02 mol stikstof per hectare per jaar. Deze toename is verwaarloosbaar in verhouding tot de bestaande stikstofbelasting en heeft geen merkbare invloed op de kwaliteit van het leefgebied of op de instandhoudingsdoelstellingen van de soort. De huidige drukfactoren, zoals structurele stikstofbelasting en verbossing, blijven bepalend voor de staat van instandhouding. De extra bijdrage verandert niets aan de noodzaak van herstelmaatregelen zoals het tegengaan van vergrassing en het behouden van openheid in heidegebieden. Conclusie De roodborsttapuit is een soort met een sterke positieve landelijke trend en een stabiele aanwezigheid in het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. De instandhoudingsdoelstellingen vragen om behoud van open, structuurrijke leefgebieden. Het projecteffect van maximaal 0,02 mol stikstof per hectare per jaar is niet significant en vormt geen bedreiging voor het behalen van deze doelen. De extra depositie is te gering om bestaande knelpunten te versterken of om aanvullende maatregelen noodzakelijk te maken.

7.5

Conclusie effectbeoordeling Deurnsche Peel & Mariapeel

Het voorliggende project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Deze bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar. Voor de betrokken habitattypen, is in de beoordeling vastgesteld dat een dergelijke minimale en tijdelijke bijdrage geen meetbare of zichtbare effecten heeft op vegetatiesamenstelling, bodemchemie of hydrologie. Ook de lopende beheermaatregelen die in het gebied noodzakelijk zijn om instandhoudingsdoelen te bereiken, ondervinden geen negatieve invloed van deze minimale bijdrage. Voor de aangewezen soorten die (deels) afhankelijk zijn van stikstofgevoelige leefgebieden verandert de kwaliteit en beschikbaarheid van foerageer- en schuilhabitat niet. Er is geen effect op voedselbeschikbaarheid of andere ecologische randvoorwaarden af te leiden uit de projectbijdrage. Op grond van ecologische kennis kan daarom met zekerheid worden geconcludeerd dat de tijdelijke additionele depositie van 0,02 mol N/ha/jaar geen negatieve effecten veroorzaakt voor de staat van instandhoudingen van de habitattypen en soorten in het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze bijdrage niet geraakt en negatieve effecten zijn uitgesloten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

52

20 februari 2026

8. Effectbeoordeling Groote Peel Voor de beschrijving en beoordeling in deze paragraaf is gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Beheerplan Groote Peel, Deurnsche Peel & Mariapeel (Provincie Noord-Brabant, oktober 2017); Natuurdoelanalyse (NDA) Groote Peel (140) (Provincie Noord-Brabant, februari 2023); Gebiedsanalyse Deurnsche Peel & Mariapeel (139) en Groote Peel (140) (Provincie Noord-Brabant, december 2017). Profieldocumenten van de relevante habitats (Ministerie van LNV 2014).

8.1

Beschrijving Natura 2000-gebied

De Groote Peel vormt tezamen met de nabijgelegen Deurnsche Peel en Mariapeel het restant van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. De Groote Peel is samen met de Deurnsche Peel en Mariapeel de zuidelijkste representant van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. In de Groote Peel is in het verleden wel turf gewonnen, maar het gebied is vervolgens niet in cultuur gebracht. Het Brabantse deel is machinaal verveend waardoor er nauwelijks een puttenstructuur aanwezig is. Het Limburgse deel is grotendeels met de hand verveend, waardoor een groot areaal veenputten aanwezig is. Door erosie van de resterende hoge delen is de puttenstructuur vaak onduidelijk. De Groote Peel wordt gekenmerkt door een complex van horsten en slenken. Het gebied kent daardoor een grote landschappelijke afwisseling van open vochtige en droge heideterreinen, pijpestrootjessavannen, struwelen en bosjes en moerassige laagten met veenputten en plaatselijk bossen en natte heide. Door eerdere vernattingsmaatregelen zijn verschillende grote plassen ontstaan. In enkele veenputten vindt veengroei plaats.

8.2

Aanwijzing en ligging gebied

Het gebied Groote Peel (140) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In Figuur 28 is de ligging van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Figuur 28, ligging van het Natura 2000-gebied Groote Peel (groen) ten opzichte van het projectgebied (rood omlijnd)

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

53

20 februari 2026

8.3

Instandhoudingsdoelstellingen

Voor het Natura 2000-gebied Groote Peel zijn vanuit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. De instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 4 voor alle habitattypen die te maken hebben met een projecteffect. Daarna zijn de habitattypen broedvogels en niet-broedvogels die effect ondervinden uitgewerkt. In de PAS-gebiedsanalyse (tabel 5.c) is aangegeven dat drie broedvogels met instandhoudingsdoelstellingen (dodaars, geoorde fuut en roodborsttapuit) deels afhankelijk zijn van één of meerdere stikstofgevoelig leefgebied. Er wordt echter de conclusie getrokken dat in Groote Peel alleen voor deze soorten effecten van stikstofdepositie te verwachten zijn. Overige soorten worden beschouwd als niet stikstofgevoelig en worden daarom niet verder meegenomen in dit rapport. Tabel 4 Instandhoudingsdoelstellingen van habitat soorten en habitattypen waar sprake is van en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Groote Peel. Habitattype Code H4030 H7120 Broedvogels

Omschrijving Droge heiden Herstellende hoogvenen

Doelstellingen Oppervlakte = = Doelstellingen

Code

Soort

Aantal broedparen

A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A119 Porseleinhoen A272 Blauwborst A276 Roodborsttapuit Niet-broedvogels

40 40 5 200 80 Doelstellingen

Kwaliteit = > Omvang leefgebied = = > = =

Relatieve bijdrage <2% 6-15% Kwaliteit leefgebied = = > = =

Kwaliteit leefgebied A041 Kolgans Behoud = = A127 Kraanvogel Behoud = = A701 Taigarietgans Behoud = = A702 Toendrarietgans Behoud = = Bron: vastgesteld aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied en wijzigingsbesluit aanwezige waarden. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. Code

Soort

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

Populatie

54

Omvang leefgebied

20 februari 2026

8.4

Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Groote Peel

Hieronder is de spreiding van de relevante stikstofgevoelige habitattypen weergegeven in de realisatiefase voor Natura 2000-gebied Groote Peel.

Figuur 29: Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Groote Peel (hexagonen lichtpaars gekleurd).

8.4.1 H4030 - Droge heiden Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op al dan niet lemige- dekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus re soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen heide-klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum), gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi).

Struwelen met brem (Cytisus scoparius), solitaire jeneverbes (Juniperus oxycedrus) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa), bochtige smele en pijpenstrootje. Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren, worden ze als deel van het habitattype beschouwd. De subassociatie met tandjesgras komt voor op iets voedsel- en basenrijkere standplaatsen, bijvoorbeeld op plekken waar de bodem is omgewoeld of waar de bodem iets lemiger is. De mosrijke subassociatie komt voor op noordhellingen van stuwwallen, met een iets vochtiger microklimaat. Vormen met veel dophei komen vooral voor op de meer lemige zandgronden. Habitattype H4030 betreft struikheibegroeiingen van alle bodemtypen. Uitzonderingen zijn: (1) in de duinen, waar de struikheibegroeiingen vallen onder H2150 duinheiden met struikhei, (2) op duinvaaggronden of vlakvaaggronden, waar ze vallen onder H2310 binnenlandse stuifduinen en (3) op verdroogd hoogveen waar ze

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

55

20 februari 2026

gerekend worden tot het habitattype H7120 herstellende hoogvenen. Droge heide met dominantie van kraaihei (Empetrum nigrum) wordt beschouwd als een eigen habitattype (H2320). De instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype is behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit, waarbij het tegengaan van verbossing en vergrassing centraal staat. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De actuele staat van H4030 in De Groote Peel wordt in de natuurdoelanalyse beschreven als overwegend gunstig op de genoemde hogere locaties, met de constatering dat de kwaliteit is verbeterd. De analyse geeft aan dat de verspreiding in hoofdzaak samenhangt met minerale opduikingen, en dat de continuering van het huidige beheer volstaat om de aanwezige oppervlakte te behouden. Tegelijkertijd wijst de documentatie op verschillen tussen karteringen en op het feit dat delen van eerder als droog gekarteerde heide natter zijn geworden en lokaal zijn overgegaan naar vochtige of vergraste natte heide; dit benadrukt dat hydrologische dynamiek en standplaatscondities de actuele verschijningsvorm mede bepalen. Binnen het beheerplanregime is vastgelegd dat het beheer richtinggevend is voor het bereiken en borgen van de instandhoudingsdoelen. De beheerinspanning is primair gericht op het behouden van de open heidestructuur en de daaraan gekoppelde structuur- en functie-eisen.

De gebiedsdocumenten maken duidelijk dat, gegeven de huidige ruimtelijke ligging van H4030 in De Groote Peel en de aard van de standplaatsen, het voortzetten van het bestaande beheer toereikend wordt geacht om de doelstelling van behoud van oppervlakte en kwaliteit te realiseren. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H4030 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 8,24 ha.

Figuur 30, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H4030 (blauw).

Het voornemen veroorzaakt uitsluitend een additionele stikstofdepositiebijdrage van maximaal 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op delen van habitattype H4030. Een beoordeling van dit effect dient plaats te vinden in het licht van de gebiedsspecifieke staat en doelstellingen, en tegen de achtergrond van de algemeen-ecologische principes omtrent de betekenis van zeer kleine depositietoenames zoals toegelicht in de overkoepelende tekst. Directe toxische schade aan vegetatie door atmosferische stikstofverbindingen doet zich in Nederland onder de huidige concentraties niet voor. Een additionele bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan zodoende geen directe

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

56

20 februari 2026

schade veroorzaken aan de fysiologie van heideplanten. Dit volgt uit de algemene onderbouwing waarin wordt geconcludeerd dat directe effecten bij de huidige achtergrondniveaus uitgesloten zijn en dat kleine toenames in depositie nooit tot meetbare directe schade leiden. Ook via indirecte mechanismen zijn effecten van deze orde van grootte uitgesloten. Zoals in bij de effectenbeoordeling van natura 2000-gebeiden is uiteengezet, staat 1 mol N/ha/jaar gelijk aan 14 gram stikstof per hectare per jaar. Op basis van een stikstofgehalte van circa 1 procent in droge-stofproductie levert 1 mol N/ha/jaar hooguit een additionele groei van ongeveer 1,4 kilogram droge stof per hectare per jaar op; 0,01 mol N/ha/jaar komt daarmee neer op circa 0,14 gram stikstof en ongeveer 14 gram extra droge stof per hectare per jaar, oftewel circa 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Een dergelijke toename is ecologisch en methodisch onmeetbaar en kan geen verschuiving in concurrentieverhoudingen, geen versnelling van vergrassing en geen verandering in soortensamenstelling of vegetatiestructuur teweegbrengen. Verder geldt dat de jaarlijkse meteorologische fluctuaties in achtergronddepositie in de orde van vijf tot tien procent liggen, wat voor stikstofgevoelige systemen neerkomt op tientallen tot honderden mol N/ha/jaar variatie per jaar.

Tegen deze bandbreedte is een bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar verwaarloosbaar en niet detecteerbaar in vegetatie- of bodemchemische responsen. Ook de mogelijkheid van plotselinge verslechtering bij het bereiken van omslagpunten is in algemene zin niet beïnvloedbaar door bijdragen van deze omvang; dergelijke omslagen, indien relevant, worden gedreven door de langjarige achtergronddepositie en standplaatscondities, niet door zeer geringe extra bijdragen. Beslissend in de gebiedscontext is dat de natuurdoelanalyse voor De Groote Peel aangeeft dat H4030 op de betrokken locaties van goede kwaliteit is en dat continuering van het beheer de oppervlakte in stand houdt. De beperkte depositiebijdrage interfereert niet met de in de gebiedsdocumenten benoemde randvoorwaarden en tast de uitvoering en effectiviteit van het beheerplan niet aan. Er is geen enkele aanwijzing in de gebiedsspecifieke bronnen dat een depositietoename van deze omvang de trend of de staat van H4030 in De Groote Peel zou kunnen wijzigen, noch dat aanvullende specifieke beheermaatregelen vereist zouden zijn om dit effect te mitigeren.

Conclusie Gegeven de gebiedsspecifieke beschrijving en doelstellingen voor H4030 Droge heiden in De Groote Peel, waarin behoud van oppervlakte en kwaliteit centraal staat en waarin de huidige locaties als kwalitatief goed worden beschreven, en gelet op de algemeen-ecologische onderbouwing voor de betekenis van zeer kleine depositietoenames, kan worden geconcludeerd dat een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar geen meetbare of zichtbare gevolgen heeft voor de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid, concurrentieverhoudingen of bodemchemie van H4030 binnen De Groote Peel. De bijdrage ligt ver onder de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties, veroorzaakt geen directe of indirecte schade en kan geen omslagprocessen initiëren of versnellen. De instandhoudingsdoelstelling van behoud van oppervlakte en kwaliteit blijft onverkort haalbaar binnen het bestaande beheerplanregime. Significante negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied De Groote Peel kunnen daarmee worden uitgesloten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

57

20 februari 2026

8.4.2 H7120 - Herstellende hoogvenen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype betreft hoogveenrestanten waar - in ieder geval ten dele - nog een veenpakket aanwezig is en hoogveenherstel gaande is of tenminste naar verwachting mogelijk is. Naar de kleur is de veenbodem (voorzover aanwezig) te beschrijven als zwartveen of witveen. Witveen is lichter gekleurd omdat deze veenbodem in geringere mate is gehumificeerd. Het biedt een betere uitgangssituatie voor het herstel dan zwartveen. Vaak zijn hoogveenrestanten ten dele tot op de zandbodem afgegraven, maar onder bepaalde omstandigheden kan ook op landschapsschaal. Het omvat (een deel van) de volgende elementen: hoogveenbulten, hoogveenslenken en veenputten met veenmos, zure wateren, heidevegetaties, vergraste veenbodems, struwelen en bossen. Het doel van hoogveenherstel is te komen tot hoogveenkernen die met een goed functionerende acrotelm (bestaande uit veenmosbegroeiingen) een stabiele waterstand kunnen handhaven. Voorzover hiervan sprake is, voldoet het het enige habitattype waarvan het in principe steeds de bedoeling is dat het ten dele vervangen wordt door een andere De instandhoudingsdoelstelling voor H7120 Herstellende hoogvenen is behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit.

Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De natuurdoelanalyse geeft aan dat de kwaliteit van H7120 in De Groote Peel de afgelopen jaren is verbeterd, onder meer door een toename van veenmossen, maar dat grote delen nog steeds verdroogd zijn. Het habitattype is kwetsbaar voor hydrologische verstoringen en stikstofdepositie. Verdroging vormt het belangrijkste knelpunt, omdat een stabiel en hoog waterpeil van voedselarm regenwater of licht gebufferd grondwater een essentiële voorwaarde is voor hoogveenontwikkeling. Daarnaast draagt stikstofdepositie bij aan verzuring en vermesting, wat leidt tot versnelde successie en een afname van typische soorten. Het beheerplan voorziet in maatregelen om de hydrologie te herstellen, zoals het verhogen van waterpeilen, het verwijderen van sloten en het creëren van bufferzones. Deze maatregelen zijn in verschillende fasen van uitvoering. In delen van het gebied zijn de maatregelen afgerond, terwijl in andere delen de uitvoering nog gaande is of gepland staat voor een volgende beheerplanperiode. Het beheerplan benadrukt dat flexibiliteit nodig is bij de uitvoering om in te spelen op onverwachte omstandigheden.

Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H7120 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 820,21.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

58

20 februari 2026

Figuur 31, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H7120 (blauw).

Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op vegetatie treden in Nederland niet meer op bij de huidige concentraties. Een extra bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe schade veroorzaken. Ook indirecte effecten, zoals vermesting, verzuring of veranderingen in concurrentieverhoudingen, zijn uitgesloten bij deze omvang. Zoals in de algemene onderbouwing is berekend, staat 1 mol N/ha/jaar gelijk aan 14 gram stikstof per hectare per jaar. Bij 0,01 mol N/ha/jaar gaat het om slechts 0,14 gram stikstof per hectare per jaar, wat neerkomt op een additionele biomassa van circa 14 gram droge stof per hectare per jaar. Dit is ecologisch onmeetbaar en kan geen invloed hebben op vegetatiesamenstelling, successiesnelheid of bodemchemie. Daarnaast ligt de bijdrage ver onder de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in achtergronddepositie, die variëren tussen 50 en 200 mol N/ha/jaar. Tegen deze achtergrond is de extra depositie verwaarloosbaar. Ook het bereiken van omslagpunten in hoogveensystemen, die optreden bij langdurige overbelasting en hydrologische verstoringen, kan niet worden beïnvloed door een bijdrage van deze orde van grootte. De belangrijkste knelpunten voor H7120 in De Groote Peel zijn hydrologisch van aard. Het project heeft geen invloed op waterpeilen, hydrologische buffering of de uitvoering van herstelmaatregelen.

De geringe stikstofbijdrage interfereert niet met de effectiviteit van het beheerplan en vereist geen aanvullende maatregelen. Conclusie Gegeven de instandhoudingsdoelstellingen voor H7120 in De Groote Peel, de huidige staat van het habitattype en de ecologische betekenis van zeer kleine depositietoenames, kan worden geconcludeerd dat een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar geen meetbare of zichtbare gevolgen heeft voor de vegetatie, bodemchemie of hydrologie van herstellende hoogvenen. De bijdrage ligt ver onder de natuurlijke variatie, veroorzaakt geen directe of indirecte schade en kan geen omslagprocessen initiëren of versnellen. De instandhoudingsdoelstelling van behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit blijft onverkort haalbaar binnen het bestaande beheerplanregime. Significante negatieve effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied De Groote Peel kunnen daarmee worden uitgesloten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

59

20 februari 2026

8.4.3 Habitatrichtlijnsoorten In de PAS-gebiedsanalyse is aangegeven dat van de aangewezen soorten, maken de volgende soorten gebruik van stikstofgevoelige leefgebieden en dus zijn de volgende soorten (indirect) stikstofgevoelig: A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A276 - Roodborsttapuit

8.4.3.1 A004 - Dodaars Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De dodaars (Tachybaptus ruficollis) is een kleine fuutachtige vogel die voorkomt in ondiepe, rustige wateren met een rijke vegetatie. Het broedhabitat bestaat uit kleine plassen, vennen en sloten met voldoende beschutting en drijvende vegetatie voor nestbouw. De soort is sterk afhankelijk van een goede waterkwaliteit en een gevarieerde vegetatiestructuur. Voor foerageren gebruikt de dodaars wateren met een rijk aanbod aan kleine prooidieren zoals insectenlarven en kleine vis. De instandhoudingsdoelstelling voor de dodaars richt zich op 40 broedparen, behoud van zowel omvang en kwaliteit van leefgebied. Dit betekent dat de kwaliteit van het leefgebied, waaronder helder water, voldoende waterdiepte en een rijk aanbod van waterplanten, behouden moet blijven. Verstoring door recreatie, verdroging en watervervuiling zijn belangrijke factoren die de populatie kunnen beïnvloeden. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de dodaars laat een positieve ontwikkeling zien. Uit Figuur 33 blijkt dat de populatie in Nederland sinds de jaren negentig is toegenomen, met een piek rond 2005, gevolgd door een lichte daling en daarna stabilisatie en opnieuw een lichte stijging richting 2020. Dit geeft aan dat de soort zich landelijk goed handhaaft.

Voor het Natura 2000-gebied Groote Peel is de trend minder duidelijk. Figuur 32 toont dat er vanaf 1980 tot 2020 grote fluctuaties zijn in het aantal broedvogels, met een piek rond 2015 en daarna een lichte daling. Er zijn perioden met ontbrekende data, waardoor een exacte trend lastig vast te stellen is. Op basis van de landelijke trend en de ecologische kenmerken van het gebied kan worden aangenomen dat de soort hier niet onder zware druk staat, mits het hydrologisch herstel en het beheer van waterkwaliteit worden voortgezet.

Figuur 32: Dodaars - Groote Peel

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

60

20 februari 2026

Figuur 33: Dodaars Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen directe invloed op de dodaars zelf, maar kan indirect het leefgebied aantasten. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van wateren, waardoor de vegetatiestructuur verandert. Dit kan resulteren in een afname van waterplanten die essentieel zijn voor nestbouw en beschutting. Daarnaast kan vermesting leiden tot algengroei en troebel water, wat de beschikbaarheid van prooidieren vermindert. Voor de dodaars is een stabiele waterkwaliteit met voldoende vegetatie cruciaal. Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect bedraagt maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch verwaarloosbaar en leidt niet tot meetbare veranderingen in waterkwaliteit of vegetatiestructuur. Tegen de achtergrond van bestaande stikstofbelasting en andere drukfactoren is een extra bijdrage van 0,02 mol niet van invloed op het broed- en foerageergebied van de dodaars. Ook versnelt deze bijdrage niet het optreden van negatieve processen zoals vermesting of verzuring. De instandhoudingsdoelstellingen blijven hierdoor volledig haalbaar. Conclusie De dodaars is een soort die afhankelijk is van rustige, voedselarme wateren met een rijke vegetatie. Hoewel stikstofdepositie op lange termijn een knelpunt kan zijn voor waterkwaliteit, is een extra bijdrage van 0,02 mol N/ha/jaar ecologisch niet significant.

Deze bijdrage heeft geen meetbare invloed op het leefgebied en vormt geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

8.4.3.2 A008 - Geoorde fuut Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De geoorde fuut (Podiceps nigricollis) is een middelgrote fuutachtige vogel die broedt in ondiepe, rustige wateren met een rijke vegetatie en een open structuur. Het broedhabitat bestaat uit plassen, vennen en moerassen met voldoende drijvende vegetatie voor nestbouw en beschutting. De soort is sterk afhankelijk van een goede waterkwaliteit en een stabiele waterstand, omdat nestplaatsen vaak op drijvende planten worden gebouwd. Foerageergebieden moeten een rijk aanbod van kleine prooidieren zoals insectenlarven en kleine vis bieden.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

61

20 februari 2026

De instandhoudingsdoelstelling voor de geoorde fuut richt zich op 40 broedparen, behoud van het broedareaal en behoud van de kwaliteit van het leefgebied. Dit betekent dat helder water, een gevarieerde vegetatiestructuur en rust in het broedseizoen essentieel zijn. Verstoring door recreatie, verdroging en watervervuiling zijn belangrijke factoren die de populatie kunnen beïnvloeden. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de geoorde fuut laat een sterke toename zien vanaf de jaren negentig, met een piek rond 2005, gevolgd door een duidelijke afname richting 2020. Dit blijkt uit Figuur 35, waarin de indexwaarden na 2005 geleidelijk dalen. Voor het Natura 2000-gebied Groote Peel is de trend nog duidelijker: Figuur 34 toont een sterke stijging vanaf 1990 tot een piek rond 2005, waarna de aantallen snel teruglopen tot bijna nul in recente jaren. Deze afname hangt samen met veranderingen in waterkwaliteit, hydrologie en mogelijk verstoring. Het herstel van hydrologie en het behoud van geschikte watervegetatie zijn cruciaal om de soort in het gebied te behouden.

Figuur 34: Geoorde Fuut - Groote Peel

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

62

20 februari 2026

Figuur 35: Geoorde Fuut - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen directe invloed op de geoorde fuut zelf, maar kan indirect het leefgebied aantasten. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van wateren, waardoor de vegetatiestructuur verandert. Dit kan resulteren in een afname van drijvende waterplanten die essentieel zijn voor nestbouw en beschutting. Daarnaast kan vermesting leiden tot algengroei en troebel water, wat de beschikbaarheid van prooidieren vermindert. Voor de geoorde fuut is een stabiele waterkwaliteit met voldoende vegetatie cruciaal. Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect bedraagt maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch verwaarloosbaar en leidt niet tot meetbare veranderingen in waterkwaliteit of vegetatiestructuur. Tegen de achtergrond van bestaande stikstofbelasting en andere drukfactoren is een extra bijdrage van 0,02 mol niet van invloed op het broed- en foerageergebied van de geoorde fuut. Ook versnelt deze bijdrage niet het optreden van negatieve processen zoals vermesting of verzuring. De instandhoudingsdoelstellingen blijven hierdoor volledig haalbaar. Conclusie De geoorde fuut is een soort die afhankelijk is van rustige, voedselarme wateren met een rijke vegetatie en stabiele waterstanden.

Hoewel stikstofdepositie op lange termijn een knelpunt kan zijn voor waterkwaliteit, is een extra bijdrage van 0,02 mol N/ha/jaar ecologisch niet significant. Deze bijdrage heeft geen meetbare invloed op het leefgebied en vormt geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

8.4.3.3 A276 - Roodborsttapuit Algemene omschrijving en instandhoudingsdoelstellingen De roodborsttapuit (Saxicola rubicola) is een kleine zangvogel die broedt in open, kruidenrijke landschappen zoals heidevelden, hoogvenen, ruigten en jonge opslag. Het broedhabitat bestaat uit droge heide en, in mindere mate, herstellend hoogveen, waar de soort profiteert van een open vegetatiestructuur met voldoende lage struiken en graspollen voor nestbouw en uitkijkposten. De roodborsttapuit is sterk afhankelijk van een gevarieerde vegetatie die een rijk aanbod aan insecten biedt, wat essentieel is voor de voedselvoorziening van zowel volwassen vogels als jongen.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

63

20 februari 2026

De instandhoudingsdoelstelling voor de roodborsttapuit richt zich op 80 broedparen, het behoud van het leefgebied omvang en behoud van leefgebied kwaliteit. Dit betekent dat openheid, variatie in vegetatiestructuur en een hoge insectenrijkdom centraal staan. Verstoring van het leefgebied door vergrassing, verbossing of vermesting vormt een bedreiging voor de soort. Trend en populatieontwikkeling De landelijke trend voor de roodborsttapuit laat sinds de jaren tachtig een sterke toename zien. Figuur 37 toont een gestage groei van de indexwaarden vanaf circa 1980 tot rond 2020, waarna de groei afvlakt en stabiliseert op een hoog niveau. Voor het Natura 2000-gebied Groote Peel is de trend eveneens positief. Figuur 36 laat zien dat het aantal broedparen in de Groote Peel sinds 1992 is toegenomen, met een piek van ruim 200 broedparen rond 2017. Daarna is er een lichte daling zichtbaar, maar het aantal blijft aanzienlijk hoger dan in de jaren negentig. Deze ontwikkeling wijst op een succesvol herstel van het leefgebied, mede dankzij actief beheer en herstelmaatregelen.

Figuur 36: Roodborsttapuit - Groote Peel

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

64

20 februari 2026

Figuur 37: Roodborsttapuit - Nederland

Effect van stikstof op de soort Stikstofdepositie heeft geen directe invloed op de roodborsttapuit zelf, maar beïnvloedt het leefgebied indirect. Een verhoogde stikstofbelasting leidt tot vermesting van de bodem, waardoor grassen en opslag van berken dominanter worden. Dit resulteert in een dichtere, minder gevarieerde vegetatie en een afname van het aandeel kruiden en insectenrijke open plekken. Hierdoor kan de beschikbaarheid van voedsel (vooral insecten) afnemen, wat de broedsucces en populatiegrootte negatief kan beïnvloeden. Voor de roodborsttapuit is het behoud van open, kruidenrijke heide essentieel. Actief beheer, zoals begrazing, plaggen en het verwijderen van opslag, is noodzakelijk om de negatieve effecten van stikstofdepositie te compenseren en het leefgebied geschikt te houden. Projecteffect en negatieve effecten Het projecteffect van een extra stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar. Deze hoeveelheid leidt niet tot meetbare veranderingen in vegetatiestructuur of voedselbeschikbaarheid. Tegen de achtergrond van de bestaande stikstofbelasting en andere drukfactoren is een extra bijdrage van 0,02 mol niet van invloed op het broed- en foerageergebied van de roodborsttapuit. Ook versnelt deze bijdrage niet het optreden van negatieve processen zoals vergrassing of verbossing.

De instandhoudingsdoelstellingen blijven hierdoor volledig haalbaar. Conclusie De roodborsttapuit is een soort die afhankelijk is van open, kruidenrijke heide en jonge opslag met een hoge insectenrijkdom. Hoewel stikstofdepositie op lange termijn een knelpunt kan zijn voor de kwaliteit van het leefgebied, is een extra bijdrage van 0,02 mol N/ha/jaar ecologisch niet significant. Deze bijdrage heeft geen meetbare invloed op het leefgebied en vormt geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

65

20 februari 2026

8.5

Conclusie effectbeoordeling Groote Peel

Het voorliggende project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied Groote Peel. Deze bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar. Voor de betrokken habitattypen, is in de beoordeling vastgesteld dat een dergelijke minimale en tijdelijke bijdrage geen meetbare of zichtbare effecten heeft op vegetatiesamenstelling, bodemchemie of hydrologie. Ook de lopende beheermaatregelen die in het gebied noodzakelijk zijn om instandhoudingsdoelen te bereiken, ondervinden geen negatieve invloed van deze minimale bijdrage. Voor de aangewezen soorten die (deels) afhankelijk zijn van stikstofgevoelige leefgebieden verandert de kwaliteit en beschikbaarheid van foerageer- en schuilhabitat niet. Er is geen effect op voedselbeschikbaarheid of andere ecologische randvoorwaarden af te leiden uit de projectbijdrage. Op grond van ecologische kennis kan daarom met zekerheid worden geconcludeerd dat de tijdelijke additionele depositie van 0,02 mol N/ha/jaar geen negatieve effecten veroorzaakt voor de staat van instandhoudingen van de habitattypen en soorten in het Natura 2000-gebied Groote Peel. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze bijdrage niet geraakt en negatieve effecten zijn uitgesloten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

66

20 februari 2026

9. Effectbeoordeling Sarsven en De Banen Voor de beschrijving en beoordeling in deze paragraaf is gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Beheerplan Sarsven en De Banen (146) (Provincie Limburg, januari 2018); Natuurdoelanalyse (NDA) Sarsven en De Banen (Provincie Limburg, januari 2023); Gebiedsanalyse Sarsven en De Banen (Provincie Limburg, december 2017). Profieldocumenten van de relevante habitats (Ministerie van LNV 2014).

9.1

Beschrijving Natura 2000-gebied

Het Sarsven en de Banen zijn twee naast elkaar gelegen heidevennen in Midden-Limburg. Het is een Peelrestant. Gezoneerd en in mozaïek met elkaar komen gemeenschapen voor van zeer zwak gebufferde wateren en van zwak gebufferde wateren. De vennen worden deels gevoed met kwelwater uit omliggende hoge gronden. Het gebied is gelegen in één van de laagten die worden aangetroffen in de voedselarme zandafzettingen van het middenterras van de Maas. Plaatselijk komt moerasveen voor, variërend in diepte. Het bestaat uit een samenstel van vennen, wilgen- en gagelstruweel, elzen- en berkenbroekbos en zowel natte als drogere graslanden.

9.2

Aanwijzing en ligging gebied

Het gebied Sarsven en De Banen (146) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn. In Figuur 38 is de ligging van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Figuur 38: ligging van het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen (geel) ten opzichte van het projectgebied (rood omlijnd).

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

67

20 februari 2026

9.3

Instandhoudingsdoelstellingen

Voor het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen zijn vanuit de Habitatrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen en habitatrichtlijnsoorten met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. De instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 5 voor alle habitattypen die te maken hebben met een stikstofdepositie. Daarna zijn de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten die effect ondervinden uitgewerkt. In de PAS-gebiedsanalyse is aangegeven dat de drijvende waterweegbree een stikstofgevoelig Habitatrichtlijnsoort is. Tabel 5 Instandhoudingsdoelstellingen van habitat soorten en habitattypen waar sprake is van en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen. Habitattype Doelstellingen Code Omschrijving Oppervlakte Kwaliteit Relatieve bijdrage H3110 Zeer zwakgebufferde vennen > = 6-15% H3130 Zwakgebufferde vennen > = <2% H3140 Kranswierwateren > = <2% Habitatrichtlijnsoorten Doelstellingen Code Soort Populatie Omvang leefgebied Kwaliteit H1831 Drijvende waterweegbree > > = Bron: vastgesteld aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied en wijzigingsbesluit aanwezige waarden. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte.

9.4

Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen

Hieronder is de spreiding van de relevante stikstofgevoelige habitattypen weergegeven in de realisatiefase voor Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen.

Figuur 39, Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen (hexagonen lichtpaars gekleurd).

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

68

20 februari 2026

9.4.1 H3110 - Zeer zwakgebufferde vennen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype heeft betrekking op zeer voedsel- en mineraalarme vennen. Het gaat om heideplassen met een zandbodem en soortenarme begroeiingen van een brede oeverzone waarin planten met een zogenoemde isoëtide groeivorm een belangrijke rol spelen. De isoëtide planten zijn gekenmerkt door een rozet van stevige, holle, lijn- of priemvormige bladeren. De meeste soorten zijn aangepast aan wisselende waterstanden op standplaatsen die een groot deel van het jaar onder water staan en zo nu en dan bijna droogvallen of droogvallen. Het zijn zeldzame soorten. Naar Oeverkruid (Littorella uniflora), de nog het meest voorkomende soort, noemt men deze vennen ook wel oeverkruidvennen. De zeer zwak gebufferde vennen van habitattype H3110 groeien slechts langzaam dicht en er treedt nauwelijks of geen verlanding op. Een organische laag ontwikkelt zich nauwelijks. Een van de oorzaken is een gebrek aan koolstof. Andere oorzaken zijn sterk wisselende waterstanden en golfslag door windwerking. Sterke windwerking treedt vooral op in vennen met een grote omvang die in een open landschap liggen. Naast zeer zwak gebufferde vennen bestaan er ook zwak gebufferde vennen van type H3130 en zure vennen van type H3160.

De eerste twee typen onderscheiden zich van elkaar doordat ze een lager gehalte aan koolstof hebben. In de naamgeving komt dit helaas niet tot uitdrukking. Zeer zwak gebufferde vennen hebben doorgaans verzuring en atmosferische vermesting gaan soorten overheersen zoals Knolrus (Juncus bulbosus), Pijpenstrootje (Molinia caerulea) en/of veenmossen. Vennen met zulke begroeiingen maar zonder aanwezigheid van oeverkruid of andere isoëtiden worden niet tot het habitattype gerekend. Het is niet nodig subtypen binnen het habitattype te onderscheiden. De vegetatie van goed ontwikkelde zeer zwak gebufferde vennen wordt gerekend tot één enkele plantengemeenschap (de associatie Isoeto-Lobelietum die hoort bij het verbond Littorellion uniflorae). Bij het bepalen van het habitattype van een ven, is het belangrijk het gehéle venlichaam in ogenschouw te nemen. Wanneer in een ven -naast deze ene associatie- ook een of meer andere plantengemeenschappen aanwezig zijn die kenmerkend zijn voor zwak gebufferde vennen, dan wordt het gehele ven als mozaïek van beide habitattypen beschouwd. De instandhoudingsdoelstelling is gericht op uitbreiding en herstel van oppervlakte en behoud van de kwaliteit van deze vennen.

Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De natuurdoelanalyse voor Sarsven en de Banen beschrijft H3110 als onderdeel van een functioneel vencomplex waarin hydrologie, buffering en nutriëntenhuishouding de ecologische kwaliteit bepalen. In De Banen komen H3110, H3130 en H3140 samen voor, met een duidelijke ruimtelijke heterogeniteit door variaties in waterdiepte, droogvalregime en bicarbonaat. Herstelhandelingen uit het recente verleden zijn ecologisch relevant geweest. De Sarsven is afgekoppeld van gebiedsvreemd en voedselrijk water en voor meerdere vennen in de omgeving zijn herstelmaatregelen uitgevoerd die de interne nutriëntenbelasting verminderen en de buffering consolideren. Ondanks de verbetering van randvoorwaarden blijft de staat van instandhouding van H3110 afhankelijk van het voorkomen van verdere verzuring en van het beperken van externe nutriëntenaanvoer. Belangrijke knelpunten zijn uitloging van basische mineralen en langdurige achtergrondbelasting die de buffercapaciteit aantasten, vermesting via externe aanvoer en hydrologische verstoring door beïnvloeding van kwelstromen en afwatering waardoor de toevoer en retentie van mineraalarm, gebiedseigen water afnemen. De gebiedsanalyse en het Natura 2000-beheerplan voorzien in een samenhangend pakket van maatregelen dat is gericht op hydrologisch herstel en het weren van gebiedsvreemd water.

In de praktijk gaat het om peilbeheer en waterconservering met stuwen en peilgestuurde drainage, het omleiden of dempen van watergangen om instroom van voedselrijk water te voorkomen, het vergroten van retentie bovenstrooms en, waar ecologisch aangewezen, het verwijderen van organische sedimentlagen om interne nalevering van nutriënten te verminderen. Deze maatregelen worden binnen het gebiedsbeleid en de beschikbare instrumenten voor inrichting en beheer uitgewerkt en zijn bepalend voor het structureel herstel van de kwaliteit. De beoordeling van de staat van instandhouding volgt maatlatten voor landschappelijke positie en samenhang, oppervlaktebehoefte en voor structuur en functie. Voor H3110 is het handhaven van een zeer lage GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

69

20 februari 2026

voedingsstoffenbeschikbaarheid en een passende buffering binnen een stabiel, gebiedseigen hydrologisch regime het primaire kwaliteitscriterium. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H3110 voorkomt. De toename van 0,22 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 1,83 ha.

Figuur 40, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H3110 (blauw).

Directe toxische effecten van gasvormige stikstofverbindingen en van ammonium in de bodem treden in Nederland bij de huidige concentratieniveaus niet meer op. Een additionele bijdrage van 0,01 mol kan daarom geen directe schade veroorzaken aan de vegetatie van zeer zwakgebufferde vennen. Met betrekking tot indirecte processen, zoals vermesting, verzuring en veranderingen in concurrentieverhoudingen tussen soorten, is een dergelijke bijdrage ecologisch verwaarloosbaar. Een jaarlijkse depositie van 1 mol per hectare komt overeen met veertien gram stikstof per hectare en kan, wanneer volledig beschikbaar, theoretisch circa 1,4 kilogram droge stof per hectare per jaar aanwas veroorzaken. Voor 0,01 mol per hectare gaat het om circa 0,14 gram stikstof per hectare per jaar en ongeveer 0,014 kilogram droge stof per hectare per jaar, omgerekend ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter. Deze grootteorde is niet detecteerbaar in vegetatiekundige monitoring en kan geen verschuiving veroorzaken in groeisnelheid van individuele planten of in competitiestructuur en vegetatiesamenstelling. De natuurlijke, meteorologisch gedreven fluctuaties van de jaarlijkse achtergronddepositie liggen in de orde van grootte van vijf tot tien procent, wat in absolute zin overeenkomt met ongeveer 50 tot 200 mol stikstof per hectare per jaar.

Een extra 0,01 mol valt volledig binnen deze variatie en kan statistisch noch ecologisch worden onderscheiden van de achtergrond. Het mechanisme van plotselinge kwaliteitsverslechtering, een omslagpunt als gevolg van langdurige overbelasting en hydrologische uitputting van de buffercapaciteit, kan door een dergelijk minimale extra bijdrage niet worden veroorzaakt of meetbaar versneld. Voor H3110 in Sarsven en de Banen blijven de bepalende factoren de gebiedseigen hydrologische condities, de buffering en het weren van gebiedsvreemd en voedselrijk water, zoals in de gebiedsdocumenten beschreven. Het project heeft geen invloed op deze procesmatige knelpunten en interfereert niet met de herstel- en beheermaatregelen in uitvoering of voorbereiding. Binnen het beoordelingskader van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ea795581-3ef6-46e7-b7e0-2a9685a2e8ef