CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Passende beoordeling

Commissievergadering Fysiek 7 april 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert36.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

20 februari 2026

Beslissend in deze beoordeling is dat de beperkte bijdrage niet interfereert met de belangrijkste knelpunten van H7150 in dit gebied. Voor pioniervegetaties met snavelbiezen blijven basenarme, schone en dynamische standplaatsen (gestuurd door waterhuishouding, waterkwaliteit en open vegetatiestructuur) de dominante factoren voor kwaliteit en doelbereik. Omdat het project geen ingrepen omvat in waterhuishouding, kweldynamiek, waterkwaliteit of beheer en de stikstofbijdrage ecologisch verwaarloosbaar is, kan niet worden geconcludeerd dat de depositietoename bijdraagt aan een verslechtering van het habitattype. De bestaande herstel- en beheermaatregelen die gericht zijn op het versterken van hydrologische condities, het scheiden van natuur- en landbouwwater en het handhaven van pioniercondities blijven effectief en worden door deze geringe depositiebijdrage niet in hun werking beperkt. Conclusie Voor H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn waterhuishouding, waterkwaliteit, openheid en natuurlijke micro-dynamiek de ecologische randvoorwaarden die de kwaliteit sturen.

De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar, ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie en veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiesamenstelling, groeisnelheid, concurrentieverhoudingen of bodem- en waterchemie. De bijdrage versnelt het bereiken van eventuele omslagpunten niet en interfereert niet met de kernknelpunten die in de natuurdoelanalyse en het beheerplan zijn beschreven. Tegen de instandhoudingsdoelstellingen van H7150 kan deze bijdrage geen negatieve invloed uitoefenen. Op grond hiervan kan worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar significante negatieve effecten heeft op de staat van instandhouding van H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.

10.4.5 H91D0 - Hoogveenbossen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van Zachte berk (Betula pubescens) in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden, in hoogveengebieden, in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. Ze vormen buiten het hoogveengebied plaatselijk mozaïeken met elzenbroekbos. Zulke boscomplexen worden dan helemaal bij dit habitattype H91D0 gerekend. boven de invloed van het grondwater) behoren bij dit habitattype. Het onderscheid is soms niet goed te maken, vooral in gebieden op de overgang van hoogveen naar beekdalen. In laagveenlandschappen is het veenbos het eindstadium in de laagveenverlanding. In hoogveengebieden komt het type van nature voor aan de randen, in de zogenoemde lagg-zone, en rondom beekjes of opduikingen van de minerale bodem in het hoogveen. In intacte hoogveensystemen van de West-Europese Atlantische laagvlakte komen geen bossen midden op het hoogveen voor. Op in het verleden verdroogde en/of vermeste hoogveenbodem kunnen echter wél bossen voorkomen.

Die bossen op aangetaste hoogveenbodem horen niet bij de veenbossen van habitattype H91D0, maar maken deel uit van de herstellende hoogvenen van habitattype H7120 (zie aldaar). Bossen op veen in de duinen maken deel uit van duinbossen van habitattype H2180. De hoogveenbossen van dit habitattype maken plantensociologisch onderdeel uit van één verbond (het Betulion pubescentis). Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden. In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen ven als de associatie Zompzegge-Berkenbroek (Carici curtaebeschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau,

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

90

20 februari 2026

is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van hoogveen naar beekdalen. Om deze reden wordt dit onderscheid niet tot uitdrukking gebracht in subtypen. De instandhoudingsdoelstellingen voor Hoogveenbossen zijn gericht op de uitbreiding van het oppervlak en het verbeteren van de kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De natuurdoelanalyse beoordeelt de staat van instandhouding van H91D0 in relatie tot hydrologie, waterkwaliteit, stikstofdruk en de historische ingrepen in het gebied. Voor het Weerterbos is vastgesteld dat verdroging en versneld afvoeren van water door sloten en rabatten, gecombineerd met ontwatering in de omgeving, hebben geleid tot verlies van hoogveencondities en versnelling van successie naar minder veenafhankelijke bosstadia. De restanten hoogveenbos zijn sterk geïsoleerd en klein, zodat microhydrologische processen gemakkelijk worden verstoord. Daarbij speelt stikstofdepositie als aanvullende drukfactor door mogelijke beïnvloeding van bodemchemie en kruidlaag wanneer kritische depositiewaarden langdurig worden overschreden, al blijft de hydrologie de dominante factor.

Het beheerplan en de natuurdoelanalyse positioneren daarom systeemherstel als randvoorwaarde: vertragende maatregelen op afvoer, het verhogen en stabiliseren van peilen, het afkoppelen en omleiden van landbouwwater en waar mogelijk verondiepen van watergangen. In de kernrapportage worden concrete aandachtspunten genoemd voor het Weerterbos, zoals het verder scheiden van landbouwwater en natuurwater en het isoleren van diep ingesneden afvoeren, om de actuele verdroogde situatie te keren en de kwelgestuurde natuurwaarden te herstellen. Naast hydrologie is verbetering van bosstructuur en samenstelling relevant: het bevorderen van inheemse loofboomopslag, terugdringen van exoten, versterken van structuurvariatie en borgen van natuurlijke verjonging onder een passend licht- en wilddrukregime. Deze beheerroute is in de gebiedsdocumenten benoemd als noodzakelijk om de kwaliteit en oppervlakte van H91D0 duurzaam te verbeteren. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H91D0 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 4,59, die 18,31% is van de totale oppervlakte van habitattype H91D0 in dit Natura 2000-gebied.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

91

20 februari 2026

Figuur 49, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H91D0 (blauw).

Directe toxische effecten van gasvormige stikstofverbindingen treden in Nederland bij de huidige concentraties niet op. Een additionele bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe fysiologische schade veroorzaken aan bomen, struiken, veenmossen of de kruidlaag binnen hoogveenbossen. Bij indirecte effectroutes is de orde van grootte van de bijdrage bepalend. Eén mol stikstof per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en kan onder conservatieve aannames theoretisch ongeveer 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar genereren in een grazige vegetatie. Geschaald naar 0,01 mol N/ha/jaar betreft dit circa 0,014 kilogram droge stof per hectare per jaar, overeenkomend met ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch niet detecteerbaar en leidt niet tot waarneembare veranderingen in groei, vegetatiesamenstelling of concurrentieverhoudingen in de ondergroei of bosopbouw van H91D0. De jaarlijkse achtergronddepositie varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en beslaat in absolute zin tientallen tot honderden mol N/ha/jaar. Tegen deze achtergrond vormt 0,01 mol N/ha/jaar een verwaarloosbaar kleine fractie van de natuurlijke variatie en kan zij geen zichtbaar of meetbaar signaal toevoegen boven op de systeemruis.

Evenmin draagt de bijdrage merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die binnen hoogveenbossen primair door langjarige achtergronddepositie, hydrologische condities en standplaatskenmerken wordt bepaald. In hoogveensystemen kunnen kwalitatieve omslagen optreden wanneer de buffercapaciteit en waterhuishouding wegvallen, maar het bereiken van dergelijke omslagpunten wordt gedreven door hydrologische factoren en langjarige achtergronddeposities van veel grotere orde dan 0,01 mol N/ha/jaar. De minimale extra depositie kan een omslagpunt niet veroorzaken en niet meetbaar versnellen. Beslissend is dat deze beperkte bijdrage niet interfereert met de belangrijkste knelpunten van H91D0 in dit gebied. Het project grijpt niet in op hydrologie, waterkwaliteit, bosstructuur of beheer, en de depositiebijdrage is ecologisch verwaarloosbaar. De effectiviteit van de in de gebiedsdocumenten voorziene bos- en systeemmaatregelen blijft daardoor onaangetast. De lijn van de natuurdoelanalyse en het beheerplan, waarin hydrologisch herstel en bosstructuurverbetering als randvoorwaarden voor doelbereik zijn benoemd, wordt door deze minimale bijdrage niet doorkruist.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

92

20 februari 2026

Conclusie Voor H91D0 Hoogveenbossen in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn hydrologie, waterkwaliteit, natuurlijke bosstructuur en verjonging van inheemse soorten de ecologische randvoorwaarden die de kwaliteit sturen. De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar, ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie en veroorzaakt geen meetbare effecten op groei, vegetatiesamenstelling, concurrentieverhoudingen of bodem- en waterchemie binnen het hoogveensysteem. De bijdrage versnelt het bereiken van eventuele drempels in bodemverzuring of verschuiving van de ondergroei niet en interfereert niet met de kernknelpunten die in de natuurdoelanalyse en het beheerplan zijn beschreven. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze minimale bijdrage niet belemmerd. Op grond hiervan kan worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar significante negatieve effecten heeft op de staat van instandhouding van H91D0 Hoogveenbossen en op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven.

10.4.6 L4030 - Droge heiden Omschrijving habitattypen Binnen het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven vertegenwoordigt L4030 Droge heide het leefgebied van open-terreinsoorten dat ecologisch samenhangt met heide- en stuifzandcomplexen op voedselarme, zure zandgronden. In dit landschap komen droge heiden met dominantie van struikhei voor, afgewisseld met open zand, mossen en korstmossen; de gradiënten lopen lokaal over naar natte heide en venmilieus, waardoor een mozaïek van leefgebieden ontstaat. De natuurdoelanalyse beschrijft dat de Loozerheide, Boshoverheide en de Weerter- en Budelerbergen gezamenlijk een uitgestrekt bos-, stuifzand- en heidesysteem vormen met open terrein en droge heide, waarin leefgebied voor soorten als Nachtzwaluw, Boomleeuwerik en Roodborsttapuit ruim aanwezig is. Deze open-terreinvogels, samen met karakteristieke reptielen en ongewervelden, zijn kenmerkend voor het functionele leefgebied van droge heide in dit Natura 2000-gebied. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De natuurdoelanalyse beoordeelt de staat van instandhouding van het heidelandschap en het bijbehorende leefgebied van de soorten in relatie tot drukfactoren en herstelmaatregelen.

Historisch beheer en functies in delen van het gebied hebben geleid tot homogenere opstanden en lokale bebossing van heide-gradiënten; daarnaast spelen verruiging, vergrassing en verlies aan natuurlijke dynamiek een rol. Waar openheid en zandmobiliteit afnemen, neemt de geschiktheid van leefgebied L4030 af. De gebiedsanalyse en het beheerplan positioneren de noodzakelijke beheer- en herstelmaatregelen in lijn met deze analyse: gerichte begrazing, gefaseerd maaien en, waar ecologisch verantwoord, kleinschalig plaggen om vergrassing en opslag tegen te gaan; herstel van stuifzanddynamiek om de heidekarakteristiek en de open zandfractie te behouden; en het beperken van externe nutriëntenbronnen om de schraalheid van het leefgebied te bestendigen. In de populatie-analyse voor Boomleeuwerik is zichtbaar dat voldoende habitat aanwezig is en dat doelbereik samenhangt met gunstig heide- en omvormingsbeheer, wat onderstreept dat beheer en landschappelijke dynamiek de kwaliteit van L4030 bepalen. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar L4030 voorkomt.

De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 177 ha, die 30.31% is van de totale oppervlakte van habitattype L4030 in dit Natura 2000-gebied.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

93

20 februari 2026

Figuur 50, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte L4030 (blauw).

Het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op delen van het leefgebied L4030 Droge heide. Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op vegetatie treden in Nederland bij de huidige concentraties niet op. Een additionele bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe schade veroorzaken aan de vegetatie die het leefgebied L4030 vormt. Voor indirecte effectroutes is de orde van grootte van de bijdrage doorslaggevend. Eén mol stikstof per hectare per jaar komt overeen met 14 gram stikstof en kan onder conservatieve aannames theoretisch circa 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar genereren; geschaald naar 0,01 mol N/ha/jaar betreft dit circa 0,014 kilogram extra droge stof per hectare per jaar, oftewel ongeveer 0,0014 gram per vierkante meter per jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch niet detecteerbaar en leidt niet tot waarneembare veranderingen in groeisnelheid, vegetatiesamenstelling of competitiestructuur van droge heide binnen het leefgebied. Daarmee is uitgesloten dat de minimale bijdrage resulteert in een meetbare toename van mestminnende soorten, extra vergrassing of een versnelling van successie in het heidelandschap. De jaarlijkse achtergronddepositie van stikstof varieert meteorologisch met vijf tot tien procent en bedraagt in absolute zin tientallen tot honderden mol N/ha/jaar.

Tegen deze achtergrond vormt 0,01 mol N/ha/jaar een verwaarloosbare fractie van de natuurlijke variatie en kan deze bijdrage geen zichtbaar of meetbaar signaal boven op de systeemruis leveren. Evenmin draagt zij merkbaar bij aan langjarige accumulatie van stikstof in het ecosysteem, die in het leefgebied L4030 primair door achtergronddepositie en beheer wordt bepaald. Voor heidelandschappen worden kwaliteitsomslagen in de regel gedreven door het wegvallen van natuurlijke dynamiek en structureel verhoogde achtergronddeposities, niet door additionele verhogingen van de orde 0,01 mol N/ha/jaar. Gezien het project geen ingrepen omvat in hydrologie, zandmobiliteit, geomorfologie of beheer, en de depositiebijdrage ecologisch verwaarloosbaar is, kan niet worden geconcludeerd dat deze bijdrage de leefgebiedkwaliteit aantast. De beoogde beheer- en herstelmaatregelen die in de natuurdoelanalyse en het beheerplan zijn voorzien, blijven effectief en worden door deze minimale bijdrage niet in hun werking beperkt. Conclusie Voor L4030 Droge heide in Weerter- en Budelerbergen & Ringselven zijn openheid, lage nutriëntenstatus en natuurlijke dynamiek de ecologische randvoorwaarden die de kwaliteit van het leefgebied sturen.

De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar, ligt vele ordegroottes onder de natuurlijke variatie in achtergronddepositie en veroorzaakt geen meetbare effecten op GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

94

20 februari 2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ea795581-3ef6-46e7-b7e0-2a9685a2e8ef