CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Passende beoordeling

Commissievergadering Fysiek 7 april 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert36.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Figuur 9, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H6410 (blauw).

De ecologische betekenis van een extra depositie van 0,02 mol N/ha/jaar is, bezien tegen de algemene ecologische onderbouwing en de gebiedsspecifieke context, verwaarloosbaar. Directe toxische effecten van gasvormige stikstofverbindingen of ammonium op vegetatie treden in Nederland niet meer op bij de huidige achtergrondconcentraties; een zeer geringe extra depositie kan daarom geen directe plantschade veroorzaken. Ook indirecte processen zoals vermesting en verzuring worden bij deze omvang niet meetbaar beïnvloed. Ter illustratie: 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 14 gram stikstof en resulteert hoogstens in circa 1,4 kilogram extra droge-stofproductie per hectare per jaar. Voor 0,02 mol N/ha/jaar gaat het om circa 0.64 gram stikstof en een theoretische biomassatoename van circa 0,064 kilogram per hectare per jaar (ongeveer 0,0064 gram per vierkante meter). Dergelijke hoeveelheden zijn vegetatiekundig niet detecteerbaar en kunnen de groeisnelheid van individuele planten, de concurrentieverhoudingen tussen soorten of de soortensamenstelling van H6410 niet merkbaar veranderen. Daarnaast ligt de jaarlijkse natuurlijke variatie in achtergronddepositie door meteorologische fluctuaties in de orde van vijf tot tien procent, wat voor Nederlandse situaties neerkomt op ruwweg 50 tot 200 mol N/ha/jaar.

Een projectbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar valt daar volledig in weg en kan, ook bij langdurige beschouwing, niet leiden tot een aantoonbare versnelling van vermestings- of verzuringsprocessen, noch tot het bereiken of vervroegen van eventuele omslagpunten in kwetsbare systemen. Voor H6410 in Leudal is de gebiedsspecifieke kwaliteit sterk gekoppeld aan hydrologie, bodemchemie en beheer. De NDA beschrijft dat de geomorfologie en het beekdallandschap (met lokale kwel, grondwaterstanden en de historische verlaging daarvan door onder meer winning en ontwatering) bepalend zijn voor het voorkomen en de potentie van blauwgraslanden in dit gebied. Deze condities zijn ruimtelijk sterk heterogeen over het beekdal verdeeld. De NDA schetst onder meer dat orchideeënrijke, schraalgrasland- en blauwgraslandrelicten langs de beken voorkomen en dat de ontwikkeling en instandhouding daarvan primair afhankelijk zijn van passend

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

23

20 februari 2026

hydrologisch herstel en verschralend beheer. De beperkte stikstofbijdrage uit dit project grijpt niet aan op deze sturende factoren en is, gegeven de ordegrootte, ecologisch niet betekenisvol voor de actuele of potentiële kwaliteit van H6410 binnen Leudal. Het Natura 2000-beheerplan voor Leudal plaatst H6410 binnen de integrale ecologische analyse van het gebied en verbindt de instandhoudingsdoelen aan condities en beheer. Tegen die achtergrond kan worden vastgesteld dat een additionele depositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar geen afbreuk doet aan de in het beheerplan veronderstelde werking en effectiviteit van de maatregelen voor blauwgraslanden, en geen belemmering vormt voor het realiseren of behouden van de beoogde kwaliteit. De omvang en ruimtelijke spreiding van de projectbijdrage zijn daarvoor te gering en blijven ruimschoots onder de bandbreedte van natuurlijke depositieschommelingen. Conclusie De instandhouding van H6410 in Leudal is primair afhankelijk van hydrologie en beheermaatregelen zoals maaien en opslagverwijdering. De additionele stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar door het project is ecologisch verwaarloosbaar, veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiestructuur, soortensamenstelling of bodemchemie en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen.

De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar leidt tot significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H6410 Blauwgraslanden in het Natura 2000-gebied Leudal.

6.4.2 H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft bossen met meestal beuk in de boomlaag en hulst en/of taxus in de struiklaag, voorkomend op voedselarme tot licht voedselrijke zand- en leemgronden. Het habitattype komt voor op de hogere zandgronden en in het heuvelland. Het type neemt een tussenpositie in tussen enerzijds de Oude eikenbossen (H9190) en anderzijds de Eikenvoor op plekken met een moder- in plaats van een humuspodzolbodem of een leemhoudende in plaats van een leemarme bodem. Op deze gronden is de Beuk concurrentiekrachtig en zal in de loop van de successie gaan enTot het habitattype worden alleen gerekend: bossen op bosgroeiplaatsen van vóór 1850 en bosopstanden van minstens 100 jaar oud die daaraan grenzen. Een belangrijk deel van de biodiversiteit van dit habitattype komt voor in de zomen en mantels van het bos zelf. Daarom zijn deze (gewenste) mozaïekvegetaties opgenomen in de definitie. Hoewel beuk en hulst in de Europese definitie een duidelijke rol spelen, wordt daarin ook melding gemaakt van de invloed van bosbeheer op het voorkomen van deze naamgevende soorten. In de Nederlandse situatie zijn door intensief bosbeheer beuk, hulst en taxus uit veel bossen op de genoemde bodems verdwenen, maar ze komen ook weer vanzelf terug bij extensivering van het beheer.

Het actuele voorkomen van beuk, taxus of hulst is dus geen goed onderscheidingscriterium. De instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype is behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat H9120 in Leudal een matige staat van instandhouding kent. Belangrijke knelpunten zijn stikstofdepositie, die leidt tot verzuring en vermesting van de bodem, en het ontbreken van voldoende natuurlijke processen zoals doodhoutvorming en variatie in structuur. De achtergronddepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, waardoor de bodem verzuurt en nutriëntenbalans verschuift. Dit kan leiden tot een afname van kenmerkende soorten en een toename van soorten die profiteren van hogere stikstofbeschikbaarheid.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

24

20 februari 2026

Het beheerplan voorziet in maatregelen zoals het verwijderen van opslag van exoten (bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers) en het reguleren van de bosstructuur door kleinschalige ingrepen. Daarnaast wordt strooiselbeheer toegepast om de nutriëntenbalans te herstellen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en blijven ook bij geringe extra stikstofdepositie effectief. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,12 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H9120 voorkomt. De toename van 0,10 mol betreft zeer kleine projecteffect op een oppervlakte van 14,65 ha.

Figuur 10, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H9120 (blauw).

De beoordeling van dit projecteffect vindt plaats in de context van de bestaande staat van instandhouding, de gevoeligheid van het habitattype, de instandhoudingsdoelstelling uit het beheerplan en de algemeen-ecologische onderbouwing dat zeer kleine depositiebijdragen ecologisch niet betekenisvol zijn. Het habitattype H9120 komt in het Leudal voor op de hogere zandgronden op de flanken van het beekdal, waar lemige dekzanden en lokaal voorkomende leemlagen een structuurrijke bosontwikkeling ondersteunen. Binnen het gebied wordt de actuele kwaliteit sterk beïnvloed door hydrologische gradiënten, bodemchemische processen en het gevoerde bosbeheer. De NDA beschrijft voor H9120 dat verdroging, historische ontwatering en stikstofdepositie drukfactoren zijn, maar tevens dat belangrijke factoren zoals grondwaterregime, bodemopbouw, bosstructuur en verjonging minstens zo bepalend zijn voor de habitatkwaliteit. Daarbij is sprake van een heterogene milieusituatie in het hele gebied; de ecologische respons op milieudrukken is daarom lokaal verschillend. Gelet op het uitgebreide ecologische kader uit de algemene onderbouwing is duidelijk dat directe toxische schade aan bosvegetaties door gasvormige stikstofverbindingen in Nederland niet meer voorkomt. De concentraties liggen ver onder waarden waarbij fysiologische schade aan bomen of hulst optreedt.

Een geringe toename in depositie van 0,10 mol N/ha/jaar kan daarom geen directe schade veroorzaken. Ook de indirecte effecten, zoals bodemverzuring, vermesting of verschuivingen in concurrentieverhoudingen binnen de ondergroei, worden door een dergelijke minimale toevoeging niet beïnvloed. Een depositie van 1 mol per hectare per jaar correspondeert met 14 gram stikstof en resulteert in circa 1,4 kilogram extra droge stof per hectare. De projectbijdrage van 0,10 mol betekent dat slechts ongeveer 1,65 gram stikstof per hectare en een theoretische toename van circa 0,165 kilogram droge stof per hectare per jaar beschikbaar komt. Een dergelijke hoeveelheid is ecologisch niet detecteerbaar, veroorzaakt geen meetbare verandering in groeisnelheden van individuele bomen of struiken, en leidt evenmin tot verschuivingen in de samenstelling van de ondergroei zoals hulst, bramen, varens of schaduwrijke bosplanten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

25

20 februari 2026

De NDA maakt duidelijk dat de belangrijkste knelpunten voor H9120 in het Leudal samenhangen met hydrologische stabiliteit, kwaliteit van de bosstructuur, invloed van leemlagen en de mate van stikstofopbouw uit het verleden. De omvang van de additionele depositie uit dit project is echter vele ordegroottes kleiner dan de jaarlijkse variatie in achtergronddepositie, die volgens landelijke gegevens tussen 50 en 200 mol N/ha/jaar schommelt. Een toevoeging van 0,10 mol N/ha/jaar kan deze variatie niet versterkten of beïnvloeden, noch kan zij bijdragen aan het versnellen van langjarige verzuringsprocessen of het bereiken van eventuele omslagpunten. De instandhoudingsdoelstelling voor H9120 in het beheerplan richt zich op behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. De beperkte projectbijdrage beïnvloedt geen van de abiotische of biotische randvoorwaarden die voor deze doelstelling essentieel zijn. Ook het reguliere bosbeheer, dat onder meer bestaat uit natuurlijk bosbeheer, verjonging en behoud van structuur en oude bomen, wordt door de extra depositie niet in zijn effectiviteit beperkt. De beperkte bijdrage interfereert daarmee niet met de belangrijkste knelpunten voor H9120 en draagt niet bij aan een meetbare kwaliteitsafname, niet aan versnelling van successie, niet aan toename van verzuring en niet aan verandering in samenstelling van typische soorten of hulstdominantie.

De depositietoename van 0,10 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar en kan op grond van het geheel van ecologische inzichten, gebiedsspecifieke kenmerken en instandhoudingsdoelen met zekerheid worden uitgesloten als oorzaak van negatieve effecten op het habitattype H9120 in het Natura 2000-gebied Leudal. Conclusie De instandhouding van H9120 in Leudal is primair afhankelijk van het behoud van natuurlijke bosstructuur, hydrologie en gericht beheer zoals strooiselverwijdering en opslagbeheer. De additionele stikstofdepositie van maximaal 0,10 mol N/ha/jaar door het project is ecologisch verwaarloosbaar, veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiestructuur, soortensamenstelling of bodemchemie en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N/ha/jaar leidt tot significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H9120 Beuken-eikenbossen met hulst in het Natura 2000-gebied Leudal.

6.4.3 H9160A - Eiken-haagbeukenbossen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Eiken-haagbeukenbossen vormen een loofbosgemeenschap met een gevarieerde vegetatiestructuur met een (tot 30 m) hoge en een lage boomlaag, een goed ontwikkelde struiklaag en een weelderige, soortenrijke kruidlaag met typische soorten. De kruidlaag bezit doorgaans een mozaïekachtig karakter, doordat zowel ruimtelijk als in de tijd het lichtaanbod op de bodem sterk wisselt. Veel soorten, waaronder diverse voorjaarsbloeiers, kunnen zich door middel van wortelstokken of bovengrondse uitlopers vegetatief sterk uitbreiden, waardoor ze in staat zijn grote en dikwijls aaneengesloten groepen te vormen. Een opvallende altijdgroene component in deze bossen liaan tot in het kronendak door. De gevarieerde structuur van deze eiken-haagbeukenbossen hangt samen met een eeuwenlange menselijke exploitatie, waarvan het middenbosbeheer het belangrijkste aspect vormt. Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) komt voor op kleiige of lemige mineraalrijke bodems. Het zijn bossen van de beekdalen die deel uitmaken van het landschap van de hogere zandgronden. De instandhoudingsdoelstelling voor H9160A is gericht op vergroten van oppervlakte en behoud van kwaliteit.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

26

20 februari 2026

Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat H9160A in Leudal een matige staat van instandhouding kent. Belangrijke knelpunten zijn stikstofdepositie, die leidt tot verzuring en vermesting van de bodem, en het ontbreken van voldoende natuurlijke processen zoals variatie in bosstructuur en doodhoutontwikkeling. De achtergronddepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, waardoor de bodem mogelijk verzuurt en nutriëntenbalans mogelijk verschuift. Dit kan leiden tot een afname van kenmerkende soorten en een toename van stikstofminnende soorten. Het beheerplan voorziet in maatregelen zoals het verwijderen van opslag van exoten (bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers) en het reguleren van de bosstructuur door kleinschalige ingrepen. Strooiselbeheer wordt toegepast om de nutriëntenbalans te herstellen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en blijven ook bij geringe extra stikstofdepositie effectief. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H9160A voorkomt. De toename van 0,10 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 6,35 ha.

Figuur 11, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H9160A (blauw).

De beoordeling vindt plaats in het licht van de huidige staat van dit habitattype, zoals uiteengezet in de Natuurdoelanalyse en het beheerplan, en in overeenstemming met de algemeen-ecologische onderbouwing over de betekenis van kleine en tijdelijke depositiebijdragen. Het habitattype H9160A komt in het Leudal met name voor op de lemige zandgronden op de flanken van de beekdalen. De aanwezigheid van leemlagen, variatie in vochtbeschikbaarheid en het reliëf van het dekzandlandschap bepalen in sterke mate de structuur en kwaliteit van het bostype. De NDA beschrijft dat de belangrijkste drukfactoren voor dit habitattype bestaan uit verdroging, veranderingen in waterbeschikbaarheid, lokale bodemverzuring en stikstofbelasting. Tegelijkertijd benadrukt de analyse dat vooral hydrologische stabiliteit, bodemchemische buffering en de bosstructuur cruciale sturende factoren zijn. De ruimtelijke heterogeniteit van het Leudal maakt bovendien dat lokale omstandigheden sterk verschillen, waardoor de gevoeligheid voor externe drukfactoren per locatie varieert. De beperkte additionele depositie van 0,10 mol N/ha/jaar kan, gelet op de algemeen-ecologische onderbouwing, geen directe toxische effecten op bomen of ondergroei veroorzaken. De concentraties van stikstofverbindingen liggen in Nederland structureel ver onder niveaus die tot directe fysiologische schade kunnen leiden.

Indirecte effecten zoals versnelling van vermesting, extra verzuring of verschuivingen in soortensamenstellingen worden door deze zeer kleine toename evenmin beïnvloed. Voor het begrip van de schaal is relevant dat 1 mol N/ha overeenkomt met 14 gram stikstof en resulteert in circa 1,4 kilogram extra droge stof per hectare per jaar. Bij GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

27

20 februari 2026

0,10 mol gaat het om ongeveer 1,65 gram stikstof en een biomassatoename van circa 0,165 kilogram droge stof per hectare per jaar. Deze hoeveelheid is ecologisch niet meetbaar en leidt niet tot veranderingen in groeisnelheden van bomen, hulst of ondergroeiplanten. Het beheerplan voor Leudal koppelt de instandhoudingsdoelstelling voor H9160A aan behoud en verbetering van de kwaliteit, waarbij een goed functionerende waterhuishouding, verjongingsdynamiek en een stabiele bosstructuur centraal staan. De zeer geringe stikstofbijdrage uit het project grijpt niet in op deze factoren en interfereert niet met de effectiviteit van de bestaande beheermaatregelen. Ook draagt de bijdrage niet bij aan het bereiken of versnellen van eventuele lokale omslagpunten in bodemchemische processen. De NDA maakt bovendien duidelijk dat de resterende opgave voor H9160A vooral ligt in het verminderen van verdroging, het verbeteren van de bosstructuur en het borgen van natuurlijke dynamiek. De kleine projectbijdrage verandert geen van deze condities en heeft geen waarneembare invloed op typische soorten, bodemprocessen of de vegetatiekundige kwaliteit van dit bos. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele depositie van 0,10 mol N/ha/jaar negatieve gevolgen veroorzaakt voor de oppervlakte, kwaliteit of instandhoudingsdoelen van H9160A binnen het Natura 2000-gebied Leudal.

Conclusie De instandhouding van H9160A in Leudal is primair afhankelijk van het behoud van natuurlijke bosstructuur, hydrologie en gericht beheer zoals strooiselverwijdering en opslagbeheer. De additionele stikstofdepositie van maximaal 0,10 mol N/ha/jaar door het project is ecologisch verwaarloosbaar, veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiestructuur, soortensamenstelling of bodemchemie en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N/ha/jaar leidt tot significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H9160A Eiken-haagbeukenbossen in het Natura 2000-gebied Leudal.

6.4.4 H9190 - Oude eikenbossen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is.. Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. Het zijn stuif- en dekzanden die door de wind zijn afgezet of in het verre verleden door gletsjerijs opgestuwde en verspoelde zanden. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt. In de boomlaag van Oude eikenbossen domineren zomereik (Quercus robur) en ruwe berk (Betula pendula). In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), sporkehout (Rhamnus frangula) en ratelpopulier (Populus tremula) op. De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen. Daaronder zijn een aantal typische soorten die vooral op oude boslocaties groeien. De mantel- en zoomgemeenschappen van dit bostype zijn van wezenlijk belang voor de soortensamenstelling van het habitattype. De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heideen stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen.

Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben. Oude eikenbossen van de duinen zijn onderdeel van het habitattype Duinbossen (H2180). De instandhoudingsdoelstelling voor H9190 is behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat H9190 in Leudal een matige staat van instandhouding kent. Belangrijke knelpunten zijn stikstofdepositie, die leidt tot verzuring en vermesting van de bodem, en het ontbreken van voldoende natuurlijke processen zoals variatie in bosstructuur en doodhoutontwikkeling. De achtergronddepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, waardoor de bodem mogelijk verzuurt en nutriëntenbalans mogelijk verschuift. Dit kan leiden tot een afname van kenmerkende soorten en een toename van stikstofminnende soorten. GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

28

20 februari 2026

Het beheerplan voorziet in maatregelen zoals het verwijderen van opslag van exoten (bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers) en het reguleren van de bosstructuur door kleinschalige ingrepen. Strooiselbeheer wordt toegepast om de nutriëntenbalans te herstellen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en blijven ook bij geringe extra stikstofdepositie effectief. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,13 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H9190 voorkomt. De toename van 0,13 mol betreft een oppervlakte van 10,79 ha. in dit Natura 2000-gebied.

Figuur 12, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H9190 (blauw).

Deze depositiewaarde is zeer gering, tijdelijk en wordt beoordeeld in samenhang met de gebiedsspecifieke ecologie en de instandhoudingsdoelen zoals vastgelegd in de Natuurdoelanalyse en het Natura 2000-beheerplan. Het habitattype H9190 komt in het Leudal voor op lemarm, voedselarm tot matig voedselrijk zand, doorgaans op de hogere delen van het dekzandlandschap. De bossen worden gekenmerkt door oude eikenopstanden, beperkte aanwezigheid van leemlagen en een relatief droge, goed doorlatende bodem. De Natuurdoelanalyse maakt duidelijk dat de belangrijkste drukfactoren voor dit habitattype zijn: verdroging door grondwaterverlaging, veranderingen in de bodemchemie door langdurige stikstofaccumulatie, beperkte natuurlijke verjonging en een afname van relicte bosstructuren. De ruimtelijke heterogeniteit van het Leudal zorgt er echter voor dat lokale groeiomstandigheden sterk variëren en dat drukfactoren per locatie verschillend doorwerken. De beperkte extra depositie van 0,13 mol N/ha/jaar valt ecologisch gezien volledig binnen de jaarlijkse achtergrondfluctuaties van de stikstofdepositie, die volgens de algemene ecologische onderbouwing in de orde van 50 tot 200 mol N/ha/jaar liggen. Directe toxische effecten door stikstofverbindingen zijn in Nederland al decennialang uitgesloten en een dergelijke minimale toename kan fysiologische schade aan bomen of ondergroei niet veroorzaken.

Ook indirecte effecten, zoals extra vermesting of verzuring van de toplaag, worden door deze geringe depositietoename niet versterkt. In de algemene ecologische onderbouwing is beschreven dat 1 mol N/ha/jaar overeenkomt met 14 gram stikstof en kan leiden tot circa 1,4 kilogram extra droge-stofgroei per hectare per jaar. De projectbijdrage van 0,13 mol betekent dat slechts ongeveer 1,82 gram stikstof per hectare beschikbaar komt, wat neerkomt op een theoretische toename van circa 0,182 kilogram droge stof per hectare per jaar. Deze hoeveelheid is te klein om enige invloed te hebben op groeisnelheden van bomen, struiken of bodembegroeiing, en leidt niet tot verschuivingen in concurrentieverhoudingen of soortensamenstelling.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

29

20 februari 2026

De instandhoudingsdoelstelling voor H9190 richt zich primair op behoud en verbetering van de kwaliteit van de oude eikenstructuren, natuurlijke bosdynamiek en herstel van bodemcondities. De Natuurdoelanalyse benadrukt dat de belangrijkste opgaven voor dit habitat liggen in het verminderen van verdroging, herstel van natuurlijke variatie in de bosstructuur en het borgen van de abiotische condities die nodig zijn voor verjonging en stabiliteit. De additionele depositie van 0,05 mol N/ha/jaar grijpt niet aan op deze factoren en heeft geen negatief effect op de effectiviteit van beheermaatregelen die gericht zijn op verjonging, structuurrijkdom of bescherming van oude bomen. Een eventuele versnelling van langjarige verzuringsprocessen of een verschuiving richting een lokaal omslagpunt is uitgesloten. De geringe depositietoename verhoudt zich niet tot de grootteorde van de bestaande achtergronddepositie, die bepalend is voor de cumulatieve stikstofbelasting van de bodem. Ook is er geen realistische ecologische route waarlangs een bijdrage van 0,05 mol kan leiden tot meetbare effecten op typische soorten, strooiselafbraak, mycorrhizale gemeenschappen of regeneratieprocessen.

Geconcludeerd wordt dat de maximale additionele stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar geen meetbare of waarneembare invloed heeft op de abiotische condities, vegetatiekundige kwaliteit, soortensamenstelling of habitatstructuur van H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Leudal. Negatieve gevolgen voor oppervlakte, kwaliteit of het behalen van de instandhoudingsdoelen kunnen met zekerheid worden uitgesloten. Conclusie De instandhouding van H9190 in Leudal is primair afhankelijk van het behoud van natuurlijke bosstructuur, hydrologie en gericht beheer zoals strooiselverwijdering en opslagbeheer. De additionele stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol N/ha/jaar door het project is ecologisch verwaarloosbaar, veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiestructuur, soortensamenstelling of bodemchemie en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar leidt tot significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H9190 Oude eikenbossen in het Natura 2000-gebied Leudal.

6.4.5 H91E0C - Vochtige alluviale bossen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen De beekbegeleidende essenbossen in beekdalen en langs kleinere rivieren van de hogere zandgronden en het heuvelland vertonen veel overeenkomst met het vochtige hardhoutooibos. Ze bezitten echter een typische ondergroei met een bijzonder uitbundig voorjaarsaspect. In het rivierengebied komt dit subtype (ondanks wat de verkorte naam kan suggereren) soms ook voor, in de vorm van Vogelkers-Essenbos. In brongebieden van beekdalen wisselen deze bossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot dit habitattype H91E0 gerekend. De instandhoudingsdoelstelling voor H91E0C is gericht op uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat H91E0C in Leudal een matige staat van instandhouding kent. Belangrijke knelpunten zijn stikstofdepositie, die leidt tot verzuring en vermesting van de bodem, en hydrologische verstoringen die de natuurlijke dynamiek van het habitattype beperken. De achtergronddepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, waardoor de bodem mogelijk verzuurt en nutriëntenbalans mogelijk verschuift. Dit kan leiden tot een afname van kenmerkende soorten en een toename van stikstofminnende soorten.

Het beheerplan voorziet in maatregelen zoals het verwijderen van opslag van exoten (bijvoorbeeld Amerikaanse vogelkers) en het reguleren van de bosstructuur door kleinschalige ingrepen. Strooiselbeheer wordt toegepast om de nutriëntenbalans te herstellen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en blijven ook bij geringe extra stikstofdepositie effectief.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

30

20 februari 2026

Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H91E0C voorkomt. De toename van 0,10 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 13.38 ha die 29,91% is van de totale oppervlakte van habitattype H91E0C in dit Natura 2000-gebied.

Figuur 13, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H91E0C (blauw).

Het habitattype H91E0C bevindt zich in het Leudal langs de diep uitgesneden beekdalen van de Tungelroyse beek en de Roggelse/Zelsterbeek. Het beheerplan en de NDA maken duidelijk dat deze bossen sterk afhankelijk zijn van een dynamische en stabiele hydrologie, waaronder kwelinvloeden, periodieke overstromingen, seizoensgebonden fluctuaties in grondwaterstanden en de aanwezigheid van veen- of leemlagen die lokaal de waterhuishouding reguleren. De kwaliteit van vochtige alluviale bossen wordt in hoge mate bepaald door deze hydrologische condities, in combinatie met natuurlijke verstoring, strooiselafbraak en stabiele bosstructuren. In de NDA wordt stikstofdepositie genoemd als een drukfactor, maar nadrukkelijk naast de voor dit habitattype dominante hydrologische en bodemchemische randvoorwaarden. Binnen de beekdalen is bovendien een hoge ruimtelijke variatie aanwezig die de ecologische respons op drukfactoren lokaal sterk beïnvloedt. De zeer geringe additionele depositie van 0,10 mol N/ha/jaar valt volledig binnen de jaarlijkse achtergrondfluctuaties van 50 tot 200 mol N/ha/jaar zoals beschreven in de algemene ecologische onderbouwing. Directe toxische effecten op bomen en ondergroei kunnen bij dergelijke depositiewaarden worden uitgesloten.

De concentraties van stikstofverbindingen in lucht en bodem in Nederland liggen structureel onder niveaus die directe fysiologische schade aan plantencellen of weefsels kunnen veroorzaken. Ook indirecte effecten, zoals onderhoud van vermesting, versnelde verzuring of een versnelling van veranderingen in concurrentieverhoudingen binnen de vegetatie, worden door deze bijdrage niet beïnvloed. De rekensom die in de algemene ecologische onderbouwing wordt gebruikt geeft aan dat 1 mol depositie overeenkomt met 14 gram stikstof en resulteert in een biomassatoename van circa 1,4 kilogram droge stof per hectare per jaar. De projectbijdrage van 0,10 mol komt neer op slechts ongeveer 1,85 gram stikstof en een theoretische biomassatoename van 0,185 kilogram per hectare per jaar. Deze hoeveelheid is te klein om enige groeisnelheid van bomen, struiken of kruidenlaag waarneembaar te beïnvloeden en ook te klein om een effect te hebben op de concurrentiedynamiek van typische soorten van vochtige alluviale bossen. De instandhoudingsdoelstelling voor H91E0C in het beheerplan richt zich vooral op behoud en verbetering van de kwaliteit, waarbij het herstel van het watersysteem en een robuuste grondwaterdynamiek centraal staan. De Natuurdoelanalyse benadrukt dat verdroging, veranderingen in kwelpatronen en waterretentie de voornaamste knelpunten zijn.

De kleine depositietoename grijpt niet aan op deze factoren en heeft geen invloed op de processen die de habitatkwaliteit van vochtige alluviale bossen bepalen. Evenmin kan de depositietoename bijdragen aan het bereiken of vervroegen van eventuele omslagpunten in bodemchemische processen, omdat

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

31

20 februari 2026

deze voor H91E0C primair worden bepaald door hydrologische stabiliteit en stikstofaccumulatie op veel grotere schaal. De bestaande beheermaatregelen, waaronder hydrologische optimalisatie, herstel van natuurlijke dynamiek en regulier bosbeheer, worden door de bijdrage van 0,10 mol N/ha/jaar niet in hun effectiviteit beperkt. De ruimtelijke heterogeniteit van het beekdal zorgt ervoor dat eventuele drukfactoren lokaal worden gedempt of overstemd door geohydrologische variatie. Daarmee staat vast dat de additionele stikstofdepositie ecologisch niet betekenisvol is. Geconcludeerd wordt dat de maximale additionele depositie van 0,10 mol N/ha/jaar niet leidt tot meetbare of waarneembare effecten op de abiotiek, vegetatiekundige kwaliteit, soortensamenstelling of typische soorten van H91E0C in het Natura 2000-gebied Leudal. Negatieve gevolgen voor oppervlakte, kwaliteit of instandhoudingsdoelen kunnen op grond van de gebiedsspecifieke ecologie en de algemeen-ecologische onderbouwing met zekerheid worden uitgesloten. Conclusie De instandhouding van H91E0C in Leudal is primair afhankelijk van het behoud van natuurlijke bosstructuur, hydrologie en gericht beheer zoals strooiselverwijdering en opslagbeheer.

De additionele stikstofdepositie van maximaal 0,10 mol N/ha/jaar door het project is ecologisch verwaarloosbaar, veroorzaakt geen meetbare effecten op vegetatiestructuur, soortensamenstelling of bodemchemie en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te verbeteren. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat de additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N/ha/jaar leidt tot significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H91E0C Vochtige alluviale bossen in het Natura 2000-gebied Leudal.

6.4.6 Habitatrichtlijnsoorten Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat de maximale stikstofdepositiebijdrage als gevolg van het project 0,10 mol N/ha/jaar bedraagt op stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebied Leudal. Deze depositie ligt op een niveau dat ecologisch gezien als verwaarloosbaar wordt beschouwd en ruimschoots beneden de waarden waarbij negatieve effecten op habitattypen of de soorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen, kunnen optreden. Voor de habitattypen waarop een beperkte toename van depositie is vastgesteld, is een inhoudelijke beoordeling uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar de actuele staat van instandhouding, de gevoeligheid voor stikstof, de aanwezige structuur- en functiekenmerken, het beheer en de effecten van stikstof op de habitattype. Aangezien de bijdrage van het project beperkt blijft tot maximaal 0,10, is vastgesteld dat deze depositie geen enkele meetbare of waarneembare verandering veroorzaakt in de oppervlakte of kwaliteit van de habitattypen. Dit betekent dat processen zoals verruiging of veranderingen in concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten niet worden beïnvloed. Het projecteffect is ecologisch gezien dermate gering dat geen sprake is van wijzigingen in vegetatiesamenstelling, bodemchemische processen, structuurkenmerken of voedselbeschikbaarheid binnen de betreffende habitattypen.

Daarmee worden ook de functies van deze habitattypen voor Habitatrichtlijnsoorten niet negatief beïnvloed. Leefgebieden, migratieroutes, rustplaatsen en voortplantingslocaties behouden volledig hun draagkracht en functioneren ongewijzigd. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat de zeer geringe en tijdelijke stikstofdepositie als gevolg van het project niet leidt tot veranderingen in de oppervlakte, kwaliteit of draagkracht van de betrokken habitattypen en dus geen effecten kan hebben op Habitatrichtlijnsoorten. Negatieve effecten kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten, waardoor het project niet in strijd is met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Leudal.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

32

20 februari 2026

6.5

Conclusie effectbeoordeling Leudal

Het voorliggende project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,10 mol N/ha/jaar. Deze bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar. Voor de betrokken habitattypen, is in de beoordeling vastgesteld dat een dergelijke minimale en tijdelijke bijdrage geen meetbare of zichtbare effecten heeft op vegetatiesamenstelling, bodemchemie of hydrologie. Ook de lopende beheermaatregelen die in het gebied noodzakelijk zijn om instandhoudingsdoelen te bereiken, ondervinden geen negatieve invloed van deze minimale bijdrage. De Habitatrichtlijnsoorten die gebruikmaken van stikstofgevoelige leefgebieden, worden niet negatief beïnvloed. Hun leefgebieden behouden dezelfde kwaliteit en omvang, terwijl de geringe en kortdurende projectbijdrage geen enkele invloed heeft op voedselbeschikbaarheid of hydrologische omstandigheden. Op grond van ecologische kennis kan daarom met zekerheid worden geconcludeerd dat de tijdelijke additionele depositie van maximaal 0,10 mol N/ha/jaar geen negatieve effecten veroorzaakt voor de staat van instandhoudingen van de habitattypen en soorten in het Natura 2000-gebied Leudal. De instandhoudingsdoelstellingen worden door deze bijdrage niet geraakt en negatieve effecten zijn uitgesloten.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

33

20 februari 2026

7. Effectbeoordeling Deurnsche Peel & Mariapeel Voor de beschrijving en beoordeling in deze paragraaf is gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Beheerplan Groote Peel, Deurnsche Peel & Mariapeel (Provincie Noord-Brabant, oktober 2017); Natuurdoelanalyse (NDA) Deurnsche Peel & Mariapeel (Provincie Noord-Brabant, februari 2023); Gebiedsanalyse Deurnsche Peel & Mariapeel (Provincie Noord-Brabant, december 2017). Profieldocumenten van de relevante habitats (Ministerie van LNV 2014).

7.1

Beschrijving Natura 2000-gebied

Het gebied bestaat uit de drie deelgebieden: Deurnsche Peel, Mariapeel en Grauwveen. Tezamen met de nabijgelegen Groote Peel zijn het restanten van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. Deze gebieden zijn de zuidelijkste representanten van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. Door de verschillende verveningsgeschiedenis van de onderdelen van het gebied is er een grote en fijnschalige variatie in vegetatie en landschap, met gradiënten naar iets mineraalrijker milieu. In de oudste veenputten is al lange tijd sprake van hoogveengroei op miniatuurschaal. Op de grote restveeneenheden is nog een relatief grote veendikte aanwezig, waarop door herstelbeheer inmiddels ook op verschillende plaatsen ontwikkeling van hoogveenbegroeiingen plaats vindt. De Deurnsche Peel is het Brabantse deel van het gebied en bestaat naast de kern die grenst aan de Mariapeel ook uit een drietal kleinere deelgebieden: De Bult in het noorden en Grauwveen en Het Zinkske in het zuiden. In de Deurnsche Peel is tot in de jaren zeventig turf gewonnen, de sporen hiervan zijn nog duidelijk zichtbaar. In sommige oude turfputten zijn goed ontwikkelde hoogveenvegetaties te vinden.

Het gebied bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, natte heide op rustend hoogveen en droge heide op minerale gronden, opgaand loof- en naaldbos, gras- en bouwlanden en open water (sloten, kanalen en plassen). De Mariapeel bestaat uit drie complexen (Griendtsveen, De Driehonderd Bunders en Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, droge en vochtige heide, moeras en opgaand loofbos. Er zijn turfgaten aanwezig.

7.2

Aanwijzing en ligging gebied

Het gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (139) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In Figuur 14 is de ligging van het Natura 2000-gebied weergegeven.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

34

20 februari 2026

Figuur 14, ligging van het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (groen) ten opzichte van het projectgebied (rood omlijnd).

7.3

Instandhoudingsdoelstellingen

Voor het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel zijn vanuit de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. De instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 2 voor alle habitattypen en leefgebieden die te maken hebben met een stikstofdepositie. Daarna zijn de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels die effect ondervinden uitgewerkt. In de PAS-gebiedsanalyse (tabel 5C) is aangegeven dat 4 broedvogels (dodaars, nachtzwaluw, blauwborst en roodborsttapuit) deels afhankelijk zijn van één of meerdere stikstofgevoelig leefgebied. Er wordt echter de conclusie getrokken dat in Deurnsche Peel & Mariapeel alleen voor deze soorten effecten van stikstofdepositie te verwachten zijn. Alle andere soorten met instandhoudingdoelstelling worden buiten beschouwing gelaten omdat deze worden gezien als niet stikstofgevoelig.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

35

20 februari 2026

Tabel 3 Instandhoudingsdoelstellingen van habitat soorten en habitattypen waar sprake is van en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Habitattype Code

Omschrijving

H4030 H7110A* H7120 Lg04

Droge heiden Actieve hoogvenen Herstellende hoogvenen Zuur ven

Habitatrichtlijnsoorten Code Soort H1134 Bittervoorn H1149 Kleine modderkruiper Broedvogels Code

Soort

A004 Dodaars A224 Nachtzwaluw A272 Blauwborst A276 Roodborsttapuit Niet-broedvogels

Doelstellingen Oppervlakte Kwaliteit Relatieve bijdrage = = <2% > > <2% =(<) > 6-15% Er zijn geen instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebied Lg04 Doelstellingen Populatie Omvang leefgebied Kwaliteit = = = = = = Doelstellingen Kwaliteit Aantal broedparen Omvang leefgebied leefgebied 35 = = 3 = = 350 = = 120 = =

Kwaliteit leefgebied A041 Kolgans Behoud = = A127 Kraanvogel Behoud = = A702 Toendrarietgans Behoud = = Bron: vastgesteld aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied en wijzigingsbesluit aanwezige waarden. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. Code

Soort

Populatie

Omvang leefgebied

Omdat in de instandhoudingsdoelstellingen, het beheerplan en de natuurdoelanalyse geen onderverdeling van habitattypen is opgenomen, zijn de habitattypen H7120ah beoordeeld onder het overkoepelende habitattype H7120.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

36

20 februari 2026

7.4

Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel

Hieronder is de spreiding van de relevante stikstofgevoelige habitattypen weergegeven in de realisatiefase voor Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel.

Figuur 15, Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel (hexagonen lichtpaars gekleurd).

7.4.1 H4030 - Droge heiden Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op al dan niet lemige- dekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei (Calluna vulgaris). Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) of rode bosbes (Vaccinium vitis-idaea). Zelfs plekken waar gewone dophei (Erica tetralix) domineert over struikhei kunnen onder dit habitattype vallen (want dat is niet strijdig met de vegetatiekundige definiëring; de dominantie van gewone dopheide is op zich dus re soorten die algemeen voorkomen zijn fijn schapegras (Festuca filiformis) en de mossen heide-klauwtjesmos (Hypnum jutlandicum), gewoon gaffeltandmos (Dicranum scoparium) en bronsmos (Pleurozium schreberi).

Struwelen met brem (Cytisus scoparius), solitaire jeneverbes (Juniperus oxycedrus) of gaspeldoorn (Ulex europaeus) maken in veel gebieden deel uit van het heidelandschap en worden dan ook bij dit habitattype gerekend. Plaatselijk komen grasrijke delen voor met grassen zoals ruwe smele (Deschampsia flexuosa), bochtige smele en pijpenstrootje. Zolang de door grassen gedomineerde verarmde vegetaties niet domineren, worden ze als deel van het habitattype beschouwd.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

37

20 februari 2026

De subassociatie met tandjesgras komt voor op iets voedsel- en basenrijkere standplaatsen, bijvoorbeeld op plekken waar de bodem is omgewoeld of waar de bodem iets lemiger is. De mosrijke subassociatie komt voor op noordhellingen van stuwwallen, met een iets vochtiger microklimaat. Vormen met veel dophei komen vooral voor op de meer lemige zandgronden. De instandhoudingsdoelstelling voor H4030 richt zich op behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit, waarbij het tegengaan van vergrassing en verbossing en het bevorderen van natuurlijke dynamiek zoals begrazing en verstuiving centraal staan. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Het habitattype H4030 in Deurnsche Peel & Mariapeel verkeert overwegend in een goede staat van instandhouding, maar kent enkele kwetsbaarheden die blijvende aandacht vragen. De droge heiden in dit gebied zijn van nature afhankelijk van een lage nutriëntenbeschikbaarheid, een open structuur en een stabiele hydrologie. Door historische stikstofdepositie en veranderingen in waterhuishouding is de bodem lokaal verrijkt, wat leidt tot een verhoogde kans op vergrassing door soorten zoals Pijpestrootje. Deze vergrassing vermindert de soortenrijkdom en belemmert de ontwikkeling van typische heidesoorten. Naast stikstofdepositie spelen andere drukfactoren een belangrijke rol.

Verlaging van de grondwaterstand en het wegvallen van kwelstromen hebben geleid tot verdroging van delen van het gebied, waardoor de concurrentiepositie van heidesoorten verder verzwakt. Ook het ontbreken van natuurlijke dynamiek, zoals kleinschalige verstuiving en begrazing, draagt bij aan successie naar struweel en bos. Recreatiedruk en de inwaai van bestrijdingsmiddelen vanuit omliggende landbouwgebieden vormen aanvullende knelpunten die de kwaliteit van het habitattype negatief beïnvloeden. Het beheerplan en de natuurdoelanalyse benadrukken dat effectgerichte maatregelen noodzakelijk blijven om deze processen tegen te gaan. Plaggen en maaien worden toegepast om de voedselrijke bovenlaag te verwijderen en vergrassing terug te dringen. Begrazing met runderen of schapen helpt om opslag van bomen en struiken te beperken en de openheid van het landschap te behouden. Daarnaast is het herstel van hydrologische condities een speerpunt, onder meer door het verminderen van wateronttrekkingen en het optimaliseren van waterpeilen. Deze maatregelen zijn cruciaal om de instandhoudingsdoelstelling, behoud van oppervlakte en kwaliteit, te realiseren, ondanks de overschrijding van de kritische depositiewaarde voor stikstof.

Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H4030 voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 0,61 ha.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

38

20 februari 2026

Figuur 16, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H4030 (blauw).

Het projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar en ligt ver onder de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties van stikstofdepositie. Directe toxische effecten van stikstofverbindingen komen in Nederland niet meer voor, en een dergelijke kleine toename kan ook via indirecte mechanismen zoals vermesting, verzuring of concurrentieverhoudingen geen meetbare effecten veroorzaken. Bij een depositie van 1 mol N/ha/jaar is de extra biomassa slechts 1,4 kilogram per hectare per jaar; bij 0,01 mol is dit nog veel kleiner en niet detecteerbaar. De bijdrage kan geen versnelling van successie, vergrassing of verandering in soortensamenstelling veroorzaken en heeft geen invloed op het bereiken van eventuele omslagpunten in vegetatiesystemen. De belangrijkste knelpunten, zoals het ontbreken van dynamiek en de noodzaak van beheer, blijven bepalend en worden door deze minimale bijdrage niet versterkt. De bestaande beheermaatregelen en regulier beheer, worden door de bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar niet in hun effectiviteit beperkt. Daarmee staat vast dat de additionele stikstofdepositie ecologisch niet betekenisvol is. Conclusie De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar veroorzaakt geen significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H4030 in Deurnsche Peel & Mariapeel.

De bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar, leidt niet tot meetbare veranderingen in vegetatie, bodemchemie of concurrentieverhoudingen en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande beheermaatregelen blijven toereikend om de kwaliteit van het habitattype te behouden. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat deze depositietoename leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

7.4.2 H7110A - Actieve hoogvenen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Levend hoogveen, in het hoogveenlandschap. We spreken van actief hoogveen als de kern uitsluitend door regenwater wordt gevoed en door het vasthouden van dat regenwater in het veen een hogere grondwaterspiegel heeft dan zijn omgeving, en er veenvorming optreedt. Hiervoor is het noodzakelijk dat weinig (< 40 mm/jaar) of geen wegzijging naar de ondergrond optreedt en dat ondanks verschillen in neerslag en verdamping de grondwaterstand ten opzichte van het veenoppervlak weinig fluctueert. Actief hoogveen komt als hoogveenlandschap (subtype A) alleen nog voor in de kernen van grotere hoogveenrestanten, die verder grotendeels tot Herstellende hoogvenen (H7120) behoren. Van oorsprong zijn dit uitgestrekte lenshoogvenen geweest die door ontwatering en vervening thans sterk zijn gedegradeerd. Het essentiële verschil tussen Actieve en Herstellende hoogvenen is de aanwezigheid van een acrotelm: daar waar een actief-veenvormende toplaag aanwezig is, is sprake van H7110_A. Actueel is er nog geen sprake van actieve hoogveenvorming op

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

39

20 februari 2026

landschappsschaal (ondanks de naam van het subtype): de landschapsschaal is nog alleeen aanwezig in de vorm van het omringende habitattype Herstellende hoogvenen. De instandhoudingsdoelstelling voor H7110A is uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De huidige staat van instandhouding van H7110A in Deurnsche Peel & Mariapeel is zeer beperkt en kwetsbaar. Het aanwezige areaal bevindt zich in enkele veenputten in de Mariapeel en verkeert in een pioniersfase van hoogveenvorming. De kwaliteit is afhankelijk van een stabiel, hoog waterpeil met voedselarm regenwater. Verdroging vormt het grootste knelpunt: door ontwatering in de omgeving en wegzijging van water aan de randen van het gebied is het hydrologisch systeem verstoord. Hierdoor neemt de kans op verbossing en vergrassing toe, vooral door berkenopslag en pijpenstrootje. Stikstofdepositie is een belangrijke aanvullende drukfactor. De kritische depositiewaarde voor actieve hoogvenen ligt op circa 500 mol N/ha/jaar, en deze waarde wordt in het gebied ruimschoots overschreden. Dit leidt tot vermesting en verzuring van de bovenlaag, waardoor veenmossen worden verdrongen door snelgroeiende soorten en opslag van bomen. Naast stikstof spelen ook andere factoren een rol, zoals klimaatverandering en incidentele droogte in extreem droge jaren.

Het beheerplan en de natuurdoelanalyse benadrukken dat herstelmaatregelen primair gericht moeten zijn op hydrologie. Belangrijke maatregelen zijn het dempen van sloten, het verhogen van waterpeilen, het aanleggen van hydrologische bufferzones en het verwijderen van opslag van bomen. Deze maatregelen zijn cruciaal om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren. Stikstofreductie is ondersteunend, maar zonder hydrologisch herstel blijft uitbreiding van actieve hoogvenen onmogelijk. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N per hectare per jaar op één locatie (receptor id: 2374026) waar H7110A voorkomt. De toename van 0,01 mol betreft een zeer geringe waarde op een zeer kleine oppervlakte (0,02 ha).

Figuur 17, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H7110A (blauw).

De projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar is extreem gering en ecologisch verwaarloosbaar. Ter vergelijking: de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties in stikstofdepositie bedragen 50 200 mol N/ha/jaar. De bijdrage van 0,01 mol valt volledig weg tegen deze variatie en kan geen meetbare effecten veroorzaken.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

40

20 februari 2026

Directe toxische effecten van stikstofverbindingen op vegetatie komen in Nederland niet meer voor. Ook indirecte effecten zoals vermesting, verzuring of verschuivingen in concurrentieverhoudingen treden bij deze omvang niet op. Bij een depositie van 1 mol N/ha/jaar bedraagt de extra biomassa slechts 1,4 kilogram per hectare per jaar; bij 0,01 mol is dit slechts 14 gram stikstof per hectare per jaar, wat neerkomt op een biomassaaanwas van circa 0,014 kilogram per hectare per jaar. Dit is ecologisch niet detecteerbaar en kan geen invloed hebben op vegetatiesamenstelling, successiesnelheid of bodemchemie. Het bereiken van omslagpunten in hoogveensystemen, waarbij plotseling kwaliteitsverlies optreedt, wordt bepaald door langdurige achtergronddepositie en hydrologische verstoringen. De minimale bijdrage van 0,01 mol kan dit proces niet versnellen. De belangrijkste knelpunten, verdroging en hydrologische instabiliteit, blijven bepalend voor het habitattype en worden door deze extra depositie niet beïnvloed. Het huidige beheer, gericht op hydrologisch herstel en het verwijderen van opslag, behoudt zijn effectiviteit. Conclusie De maximale additionele stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar veroorzaakt geen significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H7110A in Deurnsche Peel & Mariapeel.

De bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar, leidt niet tot meetbare veranderingen in vegetatie, bodemchemie of concurrentieverhoudingen en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande herstelmaatregelen blijven toereikend om uitbreiding en kwaliteitsverbetering van actieve hoogvenen te realiseren. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat deze depositietoename leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

7.4.3 H7120 - Herstellende hoogvenen Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Dit habitattype betreft hoogveenrestanten waar - in ieder geval ten dele - nog een veenpakket aanwezig is en hoogveenherstel gaande is of tenminste naar verwachting mogelijk is. Naar de kleur is de veenbodem (voorzover aanwezig) te beschrijven als zwartveen of witveen. Witveen is lichter gekleurd omdat deze veenbodem in geringere mate is gehumificeerd. Het biedt een betere uitgangssituatie voor het herstel dan zwartveen. Vaak zijn hoogveenrestanten ten dele tot op de zandbodem afgegraven, maar onder bepaalde omstandigheden kan ook op landschapsschaal. Het omvat (een deel van) de volgende elementen: hoogveenbulten, hoogveenslenken en veenputten met veenmos, zure wateren, heidevegetaties, vergraste veenbodems, struwelen en bossen. Het doel van hoogveenherstel is te komen tot hoogveenkernen die met een goed functionerende acrotelm (bestaande uit veenmosbegroeiingen) een stabiele waterstand kunnen handhaven.

Voorzover hiervan sprake is, voldoet het het enige habitattype waarvan het in principe steeds de bedoeling is dat het ten dele vervangen wordt door een De instandhoudingsdoelstelling voor H7120 richt zich op behoud van oppervlakte (maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde) en verbetering van kwaliteit, waarbij herstel van veenmosgroei en het verhogen van waterstanden centraal staan. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De staat van instandhouding van H7120 is matig tot slecht, ondanks dat het habitattype op meerdere plekken aanwezig is. De belangrijkste knelpunten zijn hydrologische instabiliteit en stikstofbelasting. Door ontwatering in de omgeving en wegzijging van water is het waterpeil onvoldoende hoog en stabiel, waardoor veenmossen niet optimaal kunnen groeien. Dit leidt tot dominantie van pijpenstrootje en opslag van berken en wilgen, die het herstelproces belemmeren. Stikstofdepositie versterkt deze processen doordat snelgroeiende soorten worden bevoordeeld en de bodem verder verzuurt. Hierdoor neemt de buffercapaciteit af en wordt veenvorming vertraagd. Naast stikstof spelen ook externe factoren zoals klimaatverandering en recreatiedruk een rol.

Het beheerplan schrijft maatregelen voor die primair gericht zijn op hydrologisch herstel: het dempen van sloten, het verhogen van waterpeilen en het creëren van bufferzones. Daarnaast is actief beheer nodig om opslag van GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

41

20 februari 2026

bomen te verwijderen en vergrassing tegen te gaan. Deze maatregelen zijn cruciaal om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en om H7120 op termijn te laten ontwikkelen tot H7110A. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H7120 voorkomt. De toename van 0,02 mol betreft een zeer geringe waarde op een oppervlakte van 1069,98 ha.

Figuur 18, Stikstofdepositie oppervlakte (hexagoon) en overlappende oppervlakte H7120 (blauw).

0,02 mol N/ha/jaar is ecologisch verwaarloosbaar en ligt ver onder de natuurlijke jaarlijkse fluctuaties van stikstofdepositie (50 200 mol N/ha/jaar). Directe toxische effecten van stikstofverbindingen komen niet meer voor in Nederland. Ook indirecte effecten zoals vermesting, verzuring of verschuivingen in concurrentieverhoudingen treden bij deze omvang niet op. Bij een depositie van 1 mol N/ha/jaar bedraagt de extra biomassa circa 1,4 kilogram per hectare per jaar; bij 0,02 mol is dit slechts 28 gram per hectare per jaar. Dit is ecologisch niet detecteerbaar en kan geen invloed hebben op vegetatiesamenstelling, successiesnelheid of bodemchemie. De bijdrage kan geen versnelling van vergrassing of opslag veroorzaken en heeft geen invloed op het bereiken van omslagpunten in het herstelproces. De belangrijkste knelpunten (hydrologische instabiliteit en de noodzaak van actief beheer) blijven bepalend voor het habitattype en worden door deze minimale bijdrage niet versterkt. Het huidige beheer, gericht op waterpeilherstel en het verwijderen van opslag, behoudt zijn effectiviteit. Conclusie De maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jaar veroorzaakt geen significante negatieve effecten op de staat van instandhouding van H7120 in Deurnsche Peel & Mariapeel.

De bijdrage is ecologisch verwaarloosbaar, leidt niet tot meetbare veranderingen in vegetatie, bodemchemie of concurrentieverhoudingen en interfereert niet met de instandhoudingsdoelstellingen. De bestaande herstelmaatregelen blijven toereikend om het habitattype verder te ontwikkelen richting actieve hoogvenen. Daarmee kan met zekerheid worden uitgesloten dat deze depositietoename leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

42

20 februari 2026

7.4.4 Lg04 - Zuur ven Omschrijving habitattypen Zure vennen zijn kleine, ondiepe wateren die voorkomen op voedselarme, zure zandgronden. Ze worden gevoed door regenwater en hebben een zeer lage nutriëntenbeschikbaarheid. Het habitattype wordt gekenmerkt door een vegetatie van veenmossen, waterveenmos, snavelzegge en soorten als ronde zonnedauw. Deze vennen zijn van groot belang voor specifieke fauna zoals libellen en amfibieën die gebonden zijn aan zure, voedselarme omstandigheden. Het systeem is afhankelijk van een stabiele waterhuishouding en een lage toevoer van voedingsstoffen. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer De staat van instandhouding van Lg04 in dit gebied is matig tot slecht. De belangrijkste knelpunten zijn stikstofdepositie, atmosferische zwavelbelasting (historisch), en hydrologische verstoringen. Door stikstofverrijking neemt de kans op algengroei en dominantie van snelgroeiende waterplanten toe, wat leidt tot verlies van kenmerkende soorten. Verzuring van de bodem en het water door uitspoeling van mineralen en ophoping van ammonium versterkt deze processen. Daarnaast speelt verdroging een grote rol. Verlaging van het grondwaterpeil en wegzijging van water naar omliggende gebieden zorgen voor instabiliteit in de waterstand, waardoor vennen tijdelijk droogvallen en successie naar moerasvegetaties optreedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ea795581-3ef6-46e7-b7e0-2a9685a2e8ef