CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Passende beoordeling

Commissievergadering Fysiek 7 april 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan De Leistert en Buitenhof De Leistert36.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Passende beoordeling Stikstofdepositie voor project De Gemeente Leudal 20 februari 2026

Passnede beoordeling Stikstofdepositie voor project De Leistert en Buitenhof De

Opdrachtgever: Gemeente Leudal Leudalplein 1 6093 HE Heythuysen (0475) 85 90 00 Locatie:

Recreatiepark De Leistert Roggel

Rapportnummer GemLeu.Lei.25.VS.OW.03 Status Concept

Datum 20 februari 2026

Vanwege de AVG-regelgeving worden de namen van de projectleider en auteur(s) niet opgenomen in deze rapportage. Het rapport is tot stand gekomen door middel van het vierogen-principe.

Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: E-mail: KvK: IBAN:

0475-420191 info@embridge.nl 13036743 NL53RABO0303441194

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar gebruikt worden voor het doel waarvoor het is opgesteld, met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Embridge Nederland.

Voorliggend rapportage betreft de passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden vanwege project . Het betreft een project specifieke ecologische beoordeling, waarbij effecten van de berekende depositie op Natura 2000-gebieden worden beschouwd. De Omgevingswet vormt het toetsingskader voor deze effectbeoordeling. De ecologische beoordeling betreft enkel de realisatiefase. Uit de stikstofberekening volgt dat in de realisatiefase sprake is van stikstofdepositie op tien Natura 2000gebieden: Leudal Swalmdal Deurnsche Peel & Mariapeel Groote Peel Sarsven en Den Banen Meinweg Weerter- en Budelerbergen & Ringselven Roerdal Maasduinen Strabrechtse Heide & Beuven De depositie vindt plaats binnen één jaar. De hoogste depositie op overbelaste hexagonen bedraagt 0,14 mol/ha/jr. Uit de passende beoordeling volgt dat de tijdelijke depositiebijdrage van het project De Leistert en Buitenhof De Leistert niet leidt tot conflicten met de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen voor enig Natura 2000gebied.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

1

2.

Aanpak

2

2.1

7

Wettelijk kader

3.

Locatie

8

4.

Resultaten stikstofberekening

10

5.

Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden

12

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 6.

7.

8.

Het ecologisch effect van een kleine extra depositiebijdrage Directe schade aan planten De invloed van andere processen op de kwaliteit van het habitat Jaarlijkse fluctuaties achtergronddepositie Ecologische betekenis van een kleine hoeveelheid stikstof

15 15 15 16 16 17 Het effect van een kleine depositiebijdrage is niet afhankelijk van de mate van overbelasting 17 Gevolgen van gering extra depositie voor de beheerinspanning 18 Cumulatie 19

Effectbeoordeling Leudal

20

6.1 6.2 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.5

20 20 21 22 22 24 26 28 30 32 33

Beschrijving Natura 2000-gebied Aanwijzing en ligging gebied Instandhoudingsdoelstellingen Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Leudal H6410 - Blauwgraslanden H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst H9160A - Eiken-haagbeukenbossen H9190 - Oude eikenbossen H91E0C - Vochtige alluviale bossen Habitatrichtlijnsoorten Conclusie effectbeoordeling Leudal

Effectbeoordeling Deurnsche Peel & Mariapeel

34

7.1 Beschrijving Natura 2000-gebied 7.2 Aanwijzing en ligging gebied 7.3 Instandhoudingsdoelstellingen 7.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel 7.4.1 H4030 - Droge heiden 7.4.2 H7110A - Actieve hoogvenen 7.4.3 H7120 - Herstellende hoogvenen 7.4.4 Lg04 - Zuur ven 7.4.5 Habitatrichtlijnsoorten, broedvogels, niet-broedvogels 7.4.5.1A004 - Dodaars 7.4.5.2A224 - Nachtzwaluw 7.4.5.3A272 - Blauwborst 7.4.5.4A276 - Roodborsttapuit 7.5 Conclusie effectbeoordeling Deurnsche Peel & Mariapeel

34 34 35 37 37 39 41 43 44 44 46 48 50 52

Effectbeoordeling Groote Peel

53

8.1 8.2

53 53

Beschrijving Natura 2000-gebied Aanwijzing en ligging gebied

9.

10.

8.3 Instandhoudingsdoelstellingen 8.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Groote Peel 8.4.1 H4030 - Droge heiden 8.4.2 H7120 - Herstellende hoogvenen 8.4.3 Habitatrichtlijnsoorten 8.4.3.1A004 - Dodaars 8.4.3.2A008 - Geoorde fuut 8.4.3.3A276 - Roodborsttapuit 8.5 Conclusie effectbeoordeling Groote Peel

54 55 55 58 60 60 61 63 66

Effectbeoordeling Sarsven en De Banen

67

9.1 Beschrijving Natura 2000-gebied 9.2 Aanwijzing en ligging gebied 9.3 Instandhoudingsdoelstellingen 9.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Sarsven en De Banen 9.4.1 H3110 - Zeer zwakgebufferde vennen 9.4.2 H3130 - Zwakgebufferde vennen 9.4.3 H3140 - Kranswierwateren 9.4.4 Habitatrichtlijnsoorten 9.4.4.1H1831 - Drijvende waterweegbree 9.5 Conclusie effectbeoordeling Sarsven en De Banen

67 67 68 68 69 71 73 75 75 76

Effectbeoordeling Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

77

10.1 Beschrijving Natura 2000-gebied 77 10.2 Aanwijzing en ligging gebied 77 10.3 Instandhoudingsdoelstellingen 78 10.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven 79 10.4.1 H3130 - Zwakgebufferde vennen 80 10.4.2 H4010A - Vochtige heiden 83 10.4.3 H6410 - Blauwgraslanden 86 10.4.4 H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen 88 10.4.5 H91D0 - Hoogveenbossen 90 10.4.6 L4030 - Droge heiden 93 10.4.7 Lg09 - Droog Struisgrasland 95 10.4.8 Lg10 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied 97 10.4.9 Lg13 - Bos van are zandgronden 99 10.4.10 Lg14 - Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden 100 10.4.11 Habitatrichtlijnsoorten 102 10.4.11.1 H1166 - Kamsalamander 102 10.4.11.2 H1831 - Drijvende waterweegbree 104 10.4.11.3 A224 - Nachtzwaluw 105 10.4.11.4 A246 - Boomleeuwerik 107 10.4.11.5 A276 - Roodborsttapuit. 109 10.5 Conclusie effectbeoordeling Weerter- en Budelerbergen & Ringselven 112 11.

Effectbeoordeling Strabrechtse Heide & Beuven

113

11.1 Beschrijving Natura 2000-gebied 11.2 Aanwijzing en ligging gebied 11.3 Instandhoudingsdoelstellingen 11.4 Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven 11.4.1 Lg03 - Zwakgebufferde sloot 11.4.2 H4010A - Vochtige heiden 11.4.3 H3160 - Zure vennen

113 113 114 114 115 117 119

120 11.4.4 H4030 - Droge heiden 11.4.5 Habitatrichtlijnsoorten 11.4.5.1 H1831 - Drijvende waterweegbree 11.5 Conclusie effectbeoordeling Strabrechtse Heide & Beuven

121 124 124 125

Typische habitatsoorten

126

12.1 Vaatplanten 12.2 Mossen en Korstmossen 12.3 Vogels 12.4 Amfibieën 12.5 Reptielen 12.6 Zoogdieren 12.7 Haften, Kokerjuffers, Libellen, Sprinkhanen & Krekels 12.8 Dagvlinder 12.9 Paddenstoelen 12.10 Kranswieren 12.11 Conclusie typische habitatsoorten 12.12 Samenvatting Effectbeoordeling

126 128 129 130 131 131 132 133 133 134 134 134

13.

Cumulatie

135

14.

Gebruiksfase

136

14.1

136

12.

15.

Vergewisplicht

Conclusie

137

1. Inleiding De gemeente Leudal is bezig om de bestaande bestemmingsplannen voor het gehele gemeentelijke grondgebied te actualiseren. Reden hiervoor is het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening, waarin wordt voorgeschreven dat bestemmingsplannen niet ouder mogen zijn dan 10 jaar. Het bestemmingsplan voor recreatiepark De Leistert dateert uit 1996 en is derhalve sterk verouderd. Om die reden heeft de gemeente aanvankelijk de actualisatie van het bestemmingsplan voor De Leistert willen oppakken. Het recreatiepark, met inmiddels een grootte van circa 91 ha, is het belangrijkste en grootste recreatiepark van de regio. De Leistert bestaat uit een grote camping met stacaravans en kampeerplekken voor eigen tenten of caravans. In voorliggende rapportage wordt getoetst of de stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben op de aanwezige Natura 2000-gebieden. Er wordt getoetst op de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, leefgebieden, habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten die zijn aangewezen voor de desbetreffende Natura 2000gebieden, waarop een projecteffect plaatsvindt. Deze passende beoordeling zal alleen ingaan op mogelijke effecten van stikstofdepositie. Directe effecten, zoals geluid, mechanische effecten, optische verstoringen, etc., blijven buiten beschouwing.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

1

20 februari 2026

2. Aanpak Bij een stikstofonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de realisatiefase en de gebruiksfase. In dit geval is de realisatiefase de periode waarin het project wordt uitgevoerd en is de gebruiksfase de periode na ingebruikname van het project. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS-Calculator. Met behulp van dit rekenprogramma zijn berekeningen gemaakt voor de realisatiefase. Er is gerekend met een referentie situatie. Voor de realisatiefase berekent de AERIUS-software de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van de emissiebronnen. Ten behoeve van de realisatiefase en de gebruiksfase wordt de stikstofdepositie gesaldeerd met de stikstofdepositie van het huidige gebruik en de locatie Ophoven 1 Neer. In het kader van het beleid voor in- en extern salderen is gerekend met 50% van de stikstof producerende activiteiten. Als gevolg van de saldering vindt een afname van de stikstof plaats. Dit blijkt uit de stikstofberekening. Significant negatieve effecten zijn derhalve uitgesloten. Het salderen voldoet aan de beleidsregels voor Salderen. Hierop wordt hieronder ingegaan op de voorwaarden van artikel 6 van het beleid, voor zover van toepassing. Intern salderen Op dit moment is er nog geen concreet beleid voor intern salderen, daarom wordt aangehaakt bij de doelstellingen van het extern salderen.

Voor intern salderen geldt dat de activiteit planologisch legaal aanwezig moet zijn en gerealiseerd. Niet ter discussie staat dat het recreatiepark bestaande hieraan voldoet. De Leistert bestaat uit een kampeerterrein en een terrein met 313 recreatiewoningen. Het kampeerterrein heeft kampeerplaatsen, jaarplaatsen met stacaravans en campingverhuuraccommodaties met onder andere glampingtenten, safaritenten en lodges. Bij het recreatiepark behoren een subtropisch zwembad, buitengolfslagbad, speeltuin, visvijver en een plaza met onder andere twee restaurants, recreatieruimtes, supermarkt, en bowlingbaan. In het kader van stiksofdepositie zijn stookinstallaties (gasverbruik voor recreatiewoningen, camping en zwembad) en de verkeersgeneratie relevant. In het kader van het intern salderen is gerekend met maximaal 165.000m3 gasverbruik in plaats van het werkelijke verbruik van ruim 800.000m3. Deze vermindering komt tot stand doordat het nieuwe zwembad volledig gasloos wordt. Voor de gebruiksfase is rekening gehouden met de bestaande referentiesituatie, de activiteit die feitelijk planologisch legaal aanwezig was. In het kader van de activiteiten zijn de relevante onderdelen het verkeer en het gasverbruik. Ten behoeve van de verschilberekening is rekening gehouden met een gasverbruik van 160.000m3 per jaar. Het feitelijke gasverbruik in de bestaande situatie is ca. 850.000m3 per jaar.

Uitgangspunt is echter dat het nieuwe zwembad gasloos wordt zodat niet gerekend hoeft te worden met het werkelijke gasverbruik. Voor de resterende stikstofdepositie uit de verschilberekening wordt de locatie Ophoven 1 ingezet. Hieronder is de invoer van de referentiesituatie weergegeven. Voor het verkeer op de camping en Buitenhof is rekening gehouden met de koude start.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

2

20 februari 2026

Figuur 1: Invoergegevens referentiesituatie.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

3

20 februari 2026

Extern salderen Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit. De actieve boerderij Ophoven 1 ligt op slechts 750 meter van het recreatiegebied. De effecten van stikstofdepositie van beide activiteiten liggen daarom in dezelfde Natura 2000 gebieden.

Figuur 2: Afstand tussen boerderij en De Leistert (ca. 750 meter).

De saldogevende activiteit voldoet tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming van de saldogever of tot het moment van het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldoontvanger met het oog op de saldo-ontvangende activiteit aan de volgende eisen: o de toestemming voor de activiteit is sinds de referentiesituatie onafgebroken aanwezig geweest; o de activiteit wordt nog steeds uitgevoerd, dan wel hervatting is mogelijk zonder nieuwe toestemming en zonder nieuwe omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a Ow. Voor de locatie van de saldogever is door de provincie Limburg een vergunning Wet natuurbescherming verleend d.d. 15 maart 2018 met zaaknummer 2016-0116. Het gaat om het huisvesten van 49.800 legkippen. Van deze stal worden er 7.800 legkippen overeenkomstig huisvestingssysteem HE 2.3.2.1 ingetrokken ten behoeve van externe saldering. Op 29 april 2024 is er bij de provincie Limburg een aanvraag Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit aangevraagd (zaaknummer Z2024-00000768). Het huisvestingssysteem HE 2.3.2.1 voldoet aan de

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

4

20 februari 2026

emissiegrenswaarden zoals opgenomen in artikel 4.820 van het Besluit activiteiten leefomgeving (bal) en de regels zoals opgenomen in artikel 6 van de Beleidsregels Salderen Provincie Limburg. Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. In de beleidsregels wordt uitgegaan van het hergebruiken van 70% van het saldo van de saldogever. In het kader van de Leistert wordt de N-emissie met 50% gereduceerd. Hiermee wordt 20% extra gereduceerd waarmee gesteld kan worden dat aan de additionaliteit is voldaan. Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. De vergunde activiteiten zijn volledig gerealiseerd.

Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis van feitelijk gerealiseerde capaciteit uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 en 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is. Onderstaande invoer is gebruikt voor de berekening. Hierbij is rekening gehouden met de richtlijnen uit het Bal.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

5

20 februari 2026

Figuur 3 Invoer gegevens referentie situatie in AERIUS Calculator

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

6

20 februari 2026

2.1

Wettelijk kader

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren (Ow 5.1 aanhef en onder e). Waarbij een Natura 2000-activiteit een activiteit is inhoudende het realiseren van een project zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (Ow Bijlage bij artikel 1.1, deel A). Bij mogelijk significant negatieve effecten voor een dergelijk project is de aanvrager van de betrokken omgevingsvergunning verplicht een passende beoordeling uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van die richtlijn, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied (Ow 16.53c lid 1). Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als met de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (Bkl 8.74b lid 1).

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

7

20 februari 2026

3. Locatie Recreatiepark De Leistert (Figuur 4) ligt ten noorden van de kern Roggel en ten zuiden van het bosachtige natuurgebied de Ophovense Zandberg. Het recreatiepark heeft een puntige vorm en wordt aan alle zijden begrensd door openbare wegen. Aan de zuidelijke zijde vormt de N562, oftewel Heldensedijk, de grens. Dit betreft tevens de belangrijkste ontsluitingsweg. De overige grenzen worden gevormd door de Schansdijk en Kunneweg.

Figuur 4, overzicht projectlocatie. Bron: AERIUS-berekening met kenmerk RchehnZu38EX.

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn op een afstand van circa 1,3 km in zuidelijke richting van het projectgebied op een afstand van circa 5,7 km in zuidoostelijke richting van het projectgebied. Figuur 5 geeft een overzicht van de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de projectlocatie en de locaties binnen de Natura 2000-gebieden waar sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

8

20 februari 2026

Figuur 5, De ligging van het projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De minimumafstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebieden bedraagt ongeveer 1,3 km.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

9

20 februari 2026

4. Resultaten stikstofberekening In Figuur 5 is het projectgebied weergegeven in relatie tot de stikstofdepositie tijdens de realisatiefase. Er is sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden: Leudal; Deurnische Peel & Mariapeel; Groote Peel; Sarsven en Den Banen; Weerter- en Budelerbergen & Ringselven; Strabrechtse Heide & Beuven. Het maximale projecteffect in de realisatiefase is 0,10 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebied Leudal. De realisatiefase betreft een tijdelijke situatie en de depositie is zeer beperkt. In tabel 1 is een overzicht van de toename van stikstofdepositie en de oppervlakte met habitattypen waarbij sprake is van een tijdelijke toename van stikstofdepositie tijdens de realisatiefase In de tabel en de beoordeling in de volgende hoofdstukken is onderscheid gemaakt tussen de gekarteerde habitats en de als zoekgebied aangeduide delen van de habitats. De aanduiding zoekgebied (ZG) wordt gebruikt voor een locatie waarvan verwacht wordt dat het betreffende habitattype daar aanwezig is, maar dat nog niet zeker is. Vanwege het voorzorgsprincipe moet een dergelijke locatie worden getoetst alsof de habitat daar daadwerkelijk aanwezig is. AERIUS Calculator rapporteert afzonderlijk voor deze zoekgebieden. Omdat echter in de beoordeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen delen die wel en geen zoekgebied zijn, zijn deze in dit rapport samengevoegd.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

10

20 februari 2026

Tabel 1, Grootste toename per Nederlands Natura 2000-gebied en habitattype/leefgebieden in de realisatiefase. Natura 2000gebied

Habitattype

Grootste tijdelijke toename (mol N/ha/jr)

Oppervlakte habitattype stikstofdepositie (ha)

H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

0,10

13.38

H9160A - Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

0,10

6,35

ZGH9160A - Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)

0,10

0,05

0,13 0,06 0,05 0,03 0,14 0,03 0,02 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

0,32 14.65 10,29 3,49 0,02 0,07 269.28 5.59 16.90 0,61 0,02 802.21 8,24 25,23 5,60 1,83 345.58 177.00 0.96 0.57 6.32

0,01

0.56

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0.01 0.01 0.01

18.99 5,99 5,59 0,10 0,01 0.05 0.11 0.17

H9190 - Oude eikenbossen Leudal H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst ZGH9190 - Oude eikenbossen ZGH9120 - Beuken-eikenbossen met hulst H6410 - Blauwgraslanden ZGH91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen Lg04 - Zuur ven Deurnsche Peel ZGH7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen & Mariapeel H4030 - Droge heiden H7110A - Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen Groote Peel H4030 - Droge heiden H3130 - Zwakgebufferde vennen Sarsven en De H3140 - Kranswierwateren Banen H3110 - Zeer zwakgebufferde vennen Lg13 - Bos van arme zandgronden L4030 - Droge heiden Lg14 - Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden H3130 - Zwakgebufferde vennen H91D0 - Hoogveenbossen Weerter- en Budelerbergen & Lg10 - Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en Ringselven veengebied Lg09 - Droog struisgrasland H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden) H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Lg03 - Zwakgebufferde sloot H4030 Droge Heiden Strabrachtse Heide & Beuven H3160 Zure Vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) * AERIUS Monitor - Relevant gekarteerd (ha)

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

11

20 februari 2026

5. Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden Bij de ecologische effectbeoordeling staan zowel de kritische depositiewaarden (KDW) als ook de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit, oppervlakte, sturende factoren en beheer van de habitattypen en/of soorten centraal. In de volgende paragrafen zijn de verschillende aspecten en de aanpak van de effectbeoordeling toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ook beschreven op welke wijze de ecologische beoordeling is uitgevoerd en welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd. Hierna is eerst -in algemene zin- beschreven of een kleine extra depositiebijdrage een meetbaar of zichtbaar negatief effect op de kwaliteit van habitats kan hebben en gevolgen van een geringe extra depositiebijdrage voor het beheer. Daarna is in hoofdstuk 6 tot en met 15 voor ieder Natura 2000-gebied per afzonderlijk habitat beschreven of de depositiebijdrage die wordt veroorzaakt door het project in de realisatiefase kan leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van het Natura 2000-beheerplan, de Gebiedsanalyse1 en de Natuurdoelanalyse van deze gebieden. Kritische depositiewaarde (KDW) Onder de Kritische depositiewaarde (KDW), vastgesteld door Van Dobben et.

al 2 waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van de habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit. De kwaliteit van een habitattype wordt bepaald door de aanwezigheid en de samenstelling van kenmerkende planten- en diersoorten. De atmosferische depositie bij gebruiksfase van een project wordt bepaald door een combinatie van de huidige achtergrondwaarde (de heersende depositie als gevolg van het totaal van de bijdragen van alle emissiebronnen, exclusief de bijdrage van het project) en het projecteffect. Stikstofdepositie is voornamelijk van belang voor de habitattypen, maar kan ook consequenties hebben voor leefgebieden van soorten.

Toename van depositie kan de abiotiek die ten grondslag ligt aan het voorkomen van habitattypen nadelig beïnvloeden. Vervolgens kunnen typische soorten, maar ook Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten, die afhankelijk zijn van een goede vegetatieopbouw en -samenstelling van een habitattype, nadelig beïnvloed worden. De KDW is in Van Dobben et. al (2023) primair uitgedrukt in (hele) kilogrammen stikstof per hectare per jaar. Preciezer dan hele kilogrammen wordt niet verantwoord geacht. Omdat vaak gebruik wordt gemaakt van moleenheid, zijn de kilogrammen ook rekenkundig omgezet naar hele mol waarden (1 kg N = 71,43 mol N). Bij de beschrijving of er wel of niet sprake is van overschrijding van de KDW worden de termen niet overbelast, naderend overbelast, en overbelast gehanteerd. Bij naderend overbelast is de achtergrondwaarde onder de KDW, maar is het verschil met de KDW minder dan 70 mol N/ha/jr. Bij niet overbelaste situaties is het verschil met de KDW meer dan 70 mol/ha/jr. De huidige situatie is in de effectbeoordeling gebruikt om te bepalen of voor een bepaald habitattype of leefgebied sprake is van (naderende) overschrijding van de KDW en daarmee van een (naderende) overbelasting. Autonoom is mogelijk sprake van een daling van de achtergronddepositie. Omdat dit onzeker is, wordt uitgegaan

1 De gebiedsanalyses zijn opgesteld ten behoeve van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Hoewel het PAS niet meer gebruikt kan worden als kader voor vergunningverlening zijn delen van de gebiedsanalyses, zoals de ecosysteembeschrijvingen, goed bruikbaar als achtergrondinformatie voor het uitvoeren van een ecologische beoordeling. 2 Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000: Herziening 2023. Juli 2023

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

12

20 februari 2026

van de achtergronddepositie in de huidige situatie. Deze beoordeling is op hexagoonniveau uitgevoerd. Wanneer er in de huidige situatie geen sprake is van een overbelasting, dan wel naderende overbelasting is stikstof geen knelpunt en kunnen effecten worden uitgesloten. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen uit de definitieve aanwijzingsbesluiten vormen het toetsingskader. De doelen voor habitattypen zijn gericht op oppervlakte en kwaliteit. Voor soorten (habitatsoorten en vogels) zijn doelen gericht op oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied en zijn doelen geformuleerd voor de populatie waarbij voor vogels vaak een aantalsdoelstelling is opgenomen. Voor de doelen zijn behouds-, uitbreidings-, of verbeteropgaven opgesteld. Dit zijn de instandhoudingsdoelstellingen. De staat van instandhouding is gunstig als de trend vanaf het moment van aanwijzing neutraal of positief is en/of de gestelde aantallen (bijvoorbeeld broedvogels of overwinterende vogels) of draagkrachtsdoel worden gehaald. Voor de bepaling van de aanwezigheid van habitattypen, -soorten en bijbehorend leefgebied binnen het Natura 2000-gebied en de staat van instandhouding is in de beoordeling gebruik gemaakt van de meest actuele informatie uit de natuurdoelanalyses, beheerplannen en de actuele vigerende habitattypen- en leefgebiedkaarten zoals opgenomen in AERIUS Calculator/Monitor.

Zoekgebieden Voor zowel de habitattypen als leefgebieden zijn zoekgebieden aangegeven op de habitattypen- en leefgebiedenkaart. In de zoekgebieden zijn, conform het Methodiekdocument kartering habitattypen Natura 2018, locaties aangegeven waar de aanwezigheid van een habitattype en/of leefgebied niet met zekerheid door middel van kartering is vastgesteld, maar wel met een bepaalde mate van zekerheid aanwezig is. In de voorliggende effectbeoordeling zijn de zoekgebieden meegenomen, voor zover er instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgesteld voor het betreffende Natura 2000-gebied. Habitattypen Bij de effectbeoordeling van habitattypen is gekeken naar die locaties waar sprake is van een stikstofdepositietoename als gevolg van het project in een situatie van een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde. Vegetaties zijn namelijk gebonden aan een standplaats. De locaties van een habitattype waar geen sprake is van een toename van stikstofdepositie zijn niet betrokken in de effectbeoordeling. Stikstofdepositie uit de lucht heeft een vermestende en verzurende werking op de bodem die van invloed kan zijn op vegetatie(ontwikkeling) ter plekke. Met de te hoge stikstofdepositie, mogelijk versterkt door verdroging en/of achterstallig beheer, treedt er door een overmaat aan voedingsstoffen (vermesting) versnelde successie op met vergrassing en verbossing.

Snelgroeiende soorten profiteren namelijk van de grote beschikbaarheid aan voedingsstoffen. Hierdoor verandert de vegetatiesamenstelling. De mate waarin is verder afhankelijk van het habitattype en standplaatsfactoren zoals het bodemtype. Ook de mate waarin verzuring van de bodem plaatsvindt door te hoge stikstofdepositie is afhankelijk van standplaatsfactoren (onder andere bodemtype, natuurlijke overstroming). Verzuring van de bodem door te hoge stikstofdepositie leidt tot uitspoeling van kalk en andere mineralen waardoor de vegetatiesamenstelling verandert. Voor habitattypen waar sprake is van een stikstofdepositietoename is de huidige kwaliteit en trend beschreven en is bepaald wat de sleutelfactoren en knelpunten zijn. Sleutelfactoren zijn bepalend voor het voorkomen en de kwaliteit van het type. Het betreft vaak de sturende factoren (grond)waterhuishouding en aanwezigheid van (natuurlijke) dynamiek. Ook is het huidige beheer beschreven. Beheer in de vorm van begrazing, maaien en afvoeren, afplaggen, uitbaggeren zijn voor diverse habitattypen noodzakelijk om de natuurlijke successie terug te zetten en is daarmee een sterk bepalende sleutelfactor voor de kwaliteit van een habitattype. Bij de beschrijving en beoordeling is gebied specifieke informatie van de betreffende habitattypen betrokken.

Hierbij is gebruik gemaakt van de meest recente natuurdoelanalyses, beheerplannen en gebiedsanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

13

20 februari 2026

Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten De effectbeoordeling van habitat- en vogelrichtlijnsoorten die (deels) afhankelijk zijn van stikstofgevoelig leefgebied is anders dan bij de habitattypen. Bij aangewezen soorten staat de vraag centraal of het Natura 2000gebied voldoende draagkracht biedt voor het in standhouden van een minimaal aantal van de soort. De meeste soorten zijn in meer of mindere mate mobiel en zijn daarmee niet strikt plaatsgebonden. De draagkracht van een gebied wordt bepaald door aanbod van geschikt leefgebied, dat kan bestaan uit een divers aanbod van verschillende vegetatietypen (habitattypen en leefgebieden), alsook voldoende rust of afwezigheid van andere verstorende factoren zoals verlichting. Voor de gebiedsspecifieke beschrijving van de verspreiding, trend en knelpunten van de soorten is gebruik gemaakt van de meest recente natuurdoelanalyses, beheerplannen en gebiedsanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden. Per relevante soort is gekeken naar de mogelijke leefgebieden/habitattypen en het projecteffect op potentieel geschikt leefgebied binnen het Natura 2000-gebied. In bijlage II van de herstelstrategieën (Smits & Bal 2006) zijn de soorten beschreven die geheel of deels gebruik maken van stikstofgevoelig leefgebied en/of habitattypen. In AERIUS-Calculator is het stikstofgevoelig leefgebied opgenomen.

In de beoordeling is specifiek gekeken of de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelig leefgebied, als gevolg van het project, leidt tot een knelpunt voor de instandhoudingsdoelstelling van de specifieke soort. Typische soorten Typische soorten zijn dier- en plantensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype. Deze soorten zijn opgenomen in de profielendocumenten van de habitattypen en worden benoemd in de beheerplannen van het Natura 2000-gebied. De aanwezigheid van typische soorten vormt een kwaliteitsaspect van een habitattype. Typische soorten zijn op zichzelf niet aangewezen en kennen dus ook geen zelfstandige instandhoudingsdoelstelling. Op 20 februari 2019 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak geoordeeld dat bij een beoordeling van een project de gevolgen moeten worden geïnventariseerd en onderzocht voor de typische soorten, op voorwaarde dat deze effecten de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied kunnen aantasten. In de effectbeoordeling dient beoordeeld te worden of een eventueel effect op één of meer typische soorten ook een gevolg heeft voor de kwaliteit van een aangewezen habitattype. Bij het in beeld brengen van de gevolgen van stikstofdepositie voor een habitattype is de kwaliteit van het habitattype integraal meegenomen en daarmee indirect ook de gevolgen voor typische soorten.

De kwaliteit van een habitattype omvat bijvoorbeeld ook de structuur van de vegetatie en voedselaanbod voor typische diersoorten zoals sprinkhanen, krekels, dagvlinders, libellen, amfibieën, reptielen en vogels. Er is daarom geen afzonderlijke toets voor typische soorten nodig. Beoordeling significante effecten In de effectbeoordeling moet worden aangegeven of er door het projecteffect sprake kan zijn van significante effecten voor het betreffende habitattype, habitatsoort of vogelsoort. Significante effecten zijn aan de orde wanneer als gevolg van de toename van stikstofdepositie door een plan of project gevaar dreigt voor het halen van de betrokken instandhoudingsdoelstellingen. Waarbij de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten van de betrokken Natura 2000gebieden.3 Bij uitbreidings- of verbeterdoelen moet worden beoordeeld of de toename van stikstofdepositie als gevolg van het plan of project zodanige veranderingen in de omstandigheden veroorzaakt dat het behalen van deze doelen wordt belemmerd. Het gaat hierbij om concreet waarneembare veranderingen, zoals verandering van de soortensamenstelling van de vegetatie. Wanneer een verbeterdoelstelling geldt, maakt het tijdpad van de verbetering zoals uitgewerkt in het Natura 2000-beheerplan deel uit van de doelstelling.

Wezenlijke vertraging in het tijdpad als gevolg van de toename van stikstofdepositie door een plan of project kan als significant worden gekwalificeerd.

3

HvJEU 7 september 2004, zaak C-127/02 (Kokkelvisserij), punt 49

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

14

20 februari 2026

5.1

Het ecologisch effect van een kleine extra depositiebijdrage

Een toename van de depositie kan -in een overbelaste situatie- verschillende effecten hebben op de kwaliteit van vegetaties en het leefgebied van soorten. Zo kunnen zeer hoge doses van stikstof directe toxische effecten hebben op planten. Ook leidt langdurige overbelasting met stikstof tot verrijking en verzuring van de bodem. Als de bodem voedselrijker wordt, verschuiven concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten, waardoor soorten die voedselarme omstandigheden prefereren zullen afnemen of zelfs verdwijnen. Daarvoor in de plaats vestigen zich voedselminnende plantensoorten, die vaak niet kenmerkend zijn voor deze habitats. Ook kan de vegetatie hierdoor minder geschikt worden als voedselbron voor bijvoorbeeld rupsen en andere blad-etende insecten en dit kan weer gevolgen hebben voor diersoorten hoger in de voedselketen. Een overmaat van stikstofverbindingen in de bodem kan niet alleen leiden tot verrijking (vermesting) van de bodem, maar ook tot verzuring. Dit proces ontstaat door dat bodemmineralen oplossen en uitspoelen. Hierdoor stijgt de zuurgraad in de bodem steeds meer, waarbij in gevallen van sterke bodemverzuring het voor planten giftige aluminium vrij beschikbaar komt. Verzuring van de bodem heeft ook nadelige gevolgen voor het bodemleven, waardoor de strooiselvertering trager verloopt of zelfs vrijwel geheel stil kan vallen.

Deze effecten worden groter naarmate de overbelasting hoger is en langer aanhoudt. Deze veranderingen vertalen zich ook in de samenstelling van de vegetatie, en in het verlengde daarvan de fauna. Een depositietoename in een overbelaste situatie kan de effecten van vermesting en verzuring versterken. Niet iedere depositietoename van stikstof leidt echter direct of na verloop van tijd tot een zichtbare en meetbare toename van het soms al aanwezige effect op de vegetatie en de kwaliteit van de habitat. Ook is een geringe extra depositiebijdrage niet van wezenlijke invloed op de langjarige trend van de totale achtergronddepositie. Evenmin is in een dergelijk geval sprake van een meetbare bijdrage aan de accumulatie van stikstof in het ecosysteem, gelet op de opgebouwde accumulatie in de afgelopen decennia en de verdere opbouw in de toekomst. Er zijn nog andere redenen waarom effecten van een kleine hoeveelheid extra stikstof afwezig of niet betekenend zijn. Hieronder is dat in algemene zin nader toegelicht. Daarbij is in rekenvoorbeelden uitgegaan van een extra depositiebijdrage van 1 mol stikstof per hectare per jaar. Deze waarde wordt slechts als rekenvoorbeeld gebruikt en is geen drempelwaarde en is evenmin gebaseerd op de extra depositiebijdrage die wordt veroorzaakt door het project dat in dit rapport is beoordeeld.

In project-specifieke beoordeling die na deze algemene beschrijving volgt, is onder meer van geval tot geval bepaald of deze algemene principes ook in die specifieke situatie gelden.

5.2

Directe schade aan planten

Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH 4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, waarop de overige bouwstenen zijn gebaseerd, treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland (inmiddels) op een niveau waarop directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt (Smits & Bal 2014). Dit effectmechanisme speelt daarom in Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. Hieruit volgt ook de conclusie dat kleine toenames van depositie van stikstof nooit kunnen leiden tot meetbare directe schade aan planten.

5.3

De invloed van andere processen op de kwaliteit van het habitat

In vrijwel alle situaties zijn andere processen en drukfactoren dan de stikstofbelasting ook bepalend voor de aanwezigheid en kwaliteit van een habitat. Een slechte habitatkwaliteit heeft in de meeste gevallen meerdere oorzaken waar stikstof er bij stikstofgevoelige habitats vaak één van is. Andere factoren die de oppervlakte en kwaliteit van een habitat onder druk kunnen zetten zijn bijvoorbeeld een te lage grondwaterstand, wegvallen van kwelstromen en mineraalrijk water door grondwateronttrekkingen, vervuiling van grondwater met

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

15

20 februari 2026

nutriënten uit de landbouw, inwaai van bestrijdingsmiddelen, overmatige betreding door recreatie en te weinig natuurlijke dynamiek (verstuiving, begrazing, overstroming). Dit betekent dat een matige of slechte kwaliteit van een habitat niet alleen of per definitie aan een overbelasting met stikstof toe te rekenen is, maar ook (mede) kan worden veroorzaakt door andere 'knelpunten' waar stikstof géén invloed op heeft of bijdrage aan levert. In veel gevallen versterken deze drukfactoren elkaar.

5.4

Jaarlijkse fluctuaties achtergronddepositie

Uit het rapport dat hoort bij de berekeningen van de achtergronddepositie van het RIVM (Velders et al. 2018) blijkt dat meteorologische fluctuaties leiden tot variaties in jaargemiddelde concentraties en deposities leiden in de ordegrootte van 5 tot 10 procent. Dit betekent dat de jaarlijkse fluctuatie 50 tot 200 mol N/ha/jr bedraagt. Een extra depositie van -als voorbeeld- 1 mol N/ha/jr is een te verwaarlozen fractie van deze fluctuatie, mede gelet op de onzekerheden over de berekende omvang van de fluctuaties.

5.5

Ecologische betekenis van een kleine hoeveelheid stikstof

Bij een hoge stikstofdepositie is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen zal relatief snelgroeiende planten bevoordelen, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Dit effect treedt overigens niet op wanneer andere nutriënten beperkend zijn voor groei (zoals fosfaat). Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en/of bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een kleine depositietoename van -als voorbeeld- 1 mol/ha/jr is de volgende berekening illustratief. Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare. De productie van een natuurlijk habitattype zoals bijvoorbeeld blauwgrasland loopt uiteen van 1.000 tot 7.500 kg droge stof/ha/jaar (Runhaar et al. 2009).

In blauwgraslanden met een goede kwaliteit zal de productie van biomassa aanzienlijk lager zijn dan de bovenmarge van 7.500 kg en daarom wordt in dit rekenvoorbeeld verder uitgegaan van 1.000 3.000 kg droge stof/ha/jaar. Het aandeel in stikstof in natuurlijk grasland is ongeveer 10 gram per kg droge stof, dus ongeveer 1% (Eichhorn et al 2020). Voor de biomassaproductie van een natuurlijk habitattype zoals blauwgrasland is dus gemiddeld 10-30 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 700 tot meer dan 2.000 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een jaarlijkse depositie van 1 mol/ha/jaar (14 gram) zorgt dus voor de aanwas van 1,4 kg biomassa (droge stof) per hectare per jaar. Dat is 0,14 gram met vierkante meter. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten.

Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie, en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Die samenstelling bepaalt de vegetatiekundige kwaliteit van het habitattype. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een kleine extra depositiebijdrage de oppervlakte en de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Ongeacht de huidige kwaliteit van de betrokken habitattypen en/of de instandhoudingsdoelstellingen voor een specifiek Natura 2000-gebied leidt een kleine extra depositiebijdrage nimmer tot negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de habitats. Gelet daarop kan de stikstofdepositiebijdrage niet leiden tot een verschuiving in

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

16

20 februari 2026

concurrentiepositie of een verandering in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen.

5.6 Voor een aantal habitats verloopt het effect van een langdurige overbelasting met stikstof als gevolg van verzuring niet gradueel, maar kan op een zeker moment een omslagpunt bereikt worden waarbij de kwaliteit van de habitat plotseling zeer sterk verslechtert en herstel niet zondermeer meer mogelijk is. Dit geldt met name voor aquatische habitats en sommige terrestrische habitats die van nature zwak gebufferd zijn, en waarvan de buffercapaciteit vrijwel verdwenen is. Uitloging en verzuring is in deze habitattypen een natuurlijk proces, maar het kan mede het gevolg zijn van veranderingen in de hydrologie en van de verzurende werking van stikstofdepositie. Daardoor verzuurt een zwak gebufferde standplaats eerder en verandert de vegetatie sneller van karakter als de buffercapaciteit opgeheven is ('omslag'). Het bereiken van een eventueel omslagpunt kan niet veroorzaakt of meetbaar versneld worden door een kleine extra depositiebijdrage. Deze omslagpunten zullen dan worden bereikt als gevolg van de (veel grotere) jaarlijkse achtergronddepositie die zich in de bodem heeft geaccumuleerd. De extra depositiebijdragen van het voornemen zijn marginaal in verhouding tot die autonoom optredende stikstofdeposities.

Als in delen van een habitat een omslagpunt bereikt wordt vanwege een te hoge achtergronddepositie zal dit ook zonder een kleine extra depositiebijdrage plaatsvinden en het moment waarop het omslagpunt bereikt wordt kan niet meetbaar een deel van de habitat, zal dat met of zonder een kleine extra depositiebijdrage plaatsvinden en deze extra depositiebijdrage is niet van wezenlijke invloed op het moment waarop deze omslag plaatsvindt. In een Natura 2000-gebied, en daarbinnen binnen het areaal van een habitattype, is nooit sprake van uniforme situaties over het hele areaal. Binnen dit areaal is sprake van een grote heterogeniteit in (doorwerking) van ecologische factoren die de samenstelling en kwaliteit van een habitattype ter plekke (kunnen) bepalen. Stikstof is er daar één van. Het is daarom onmogelijk dat een heel habitattype, zich over het hele areaal en op hetzelfde moment in een exact identieke situatie bevindt t.a.v. een mogelijk omslagpunt. Het kan hooguit zo zijn dat er lokaal situaties aanwezig zijn waar een dergelijk omslagpunt zo dicht is genaderd dat een omslagpunt zou dreigen, en dan alleen voor de twee hierboven genoemde habitattypen.

Als er voor deze habitattypen een omslagpunt wordt overschreden, dan speelt dit vanwege de grote ruimtelijke heterogeniteit alleen zeer lokaal, en dan is, zoals hierna wordt toegelicht, de belangrijkste oorzaak de autonome stikstofdepositie. Een kleine extra depositiebijdrage kan dus nooit zorgen voor grootschalig omklappen van een systeem. Voor de overige habitattypen bestaat alleen een gradueel verband tussen omvang van de stikstofdepositie en kwaliteitsvermindering, waardoor hiervoor dus geen sprake is van dergelijke omslagpunten (Goderie & Vertegaal, 2020).

5.7 Het effect van een kleine depositiebijdrage is niet afhankelijk van de mate van overbelasting In een ecologische beoordeling wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de betrokken gebieden, waaronder een eventuele overschrijding van de KDW. De conclusies van de ecologische beoordeling zijn echter niet afhankelijk van de precieze mate van al aanwezige overbelasting: zeer kleine extra depositiebijdragen hebben gelet op het voorgaande ongeacht de mate van de bestaande stikstofbelasting geen, of slechts verwaarloosbare effecten op de vegetatiekundige kwaliteit van de betrokken habitats. Als de kwaliteit van de vegetatie niet verandert zijn er ook geen gevolgen voor de overige kwaliteitsaspecten zoals het voorkomen van typische soorten, de abiotiek en de (goede) structuur en functie.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

17

20 februari 2026

5.8

Gevolgen van gering extra depositie voor de beheerinspanning

Los van de negatieve effecten van stikstofdepositie is voor het in standhouden van de meeste habitattypen regulier en bestendig beheer noodzakelijk. Zonder beheer zullen heidevegetaties bijvoorbeeld, op den duur verbossen als gevolg van natuurlijke successie. Stikstofdepositie kan deze successie versnellen. Met dit reguliere beheer worden over het algemeen grote hoeveelheden stikstof afgevoerd. Reguliere beheersmaatregelen bestaan onder meer uit maaien, plaggen, begrazen, opslag verwijderen en strooisel verwijderen. De meeste maatregelen kunnen desgewenst jaarlijks uitgevoerd worden. Plaggen is echter een vrij ingrijpende maatregel die eens in de 10 à 50 jaar wordt uitgevoerd, afhankelijk van de noodzaak voor de instandhouding. In deze paragraaf maken we inzichtelijk welke hoeveelheden stikstof met de verschillende maatregelen uit het terrein kunnen worden afgevoerd. Vervolgens wordt inzichtelijk gemaakt welke extra beheersmaatregelen genomen moeten om de additionele stikstofdepositie ten gevolge van dit plan af te voeren. Plaggen Het plaggen van vegetaties gebeurt eens in de zoveel jaar onder meer bij heide- en stuifzandvegetaties. De maatregel kan echter ook ingezet worden bij diverse andere korte vegetaties, bijvoorbeeld in de duinen.

Het plaggen van heideterreinen met voornamelijk struikheide levert een netto stikstofafvoer van ruim 900 kg N/ha (ruim 60.000 mol N/ha) op (Härdtle et al. 2009). In een reguliere beheercyclus kan bijvoorbeeld 10 % van het totale oppervlak worden geplagd. Uitgaande van de hiervoor genoemde stikstofafvoer voor struikheide levert het plaggen van 0,1 ha per jaar een stikstofafvoer van ruim 6.000 mol N/ op. Bij een additionele stikstofdepositie van 1 mol N/ha/jaar zou minder dan 0,2 m2 extra geplagd moeten worden om deze depositie uit het terrein te verwijderen. Voor andere (kortere) vegetaties dan struikheide kan de stikstofafvoer lager liggen, maar de orde van grootte blijft min of meer hetzelfde. Het plaggen van minder dan 0,2 m 2 van korte vegetaties is geen reële maar ook geen noodzakelijke beheermaatregel. Begrazing Een andere gunstige vorm van het beheer van korte vegetaties is gescheperde begrazing. Ook dit kan worden ingezet bij heide, maar ook bij andere korte vegetaties. Over het algemeen wordt dit toegepast met schapen, in worden gehaald om elders te overnachten. Hierdoor verdwijnt alle zomers leidt dit tot een forse afvoer van stikstof. Zo bleek de netto stikstofafvoer in een vrij intensief begraasd heideterrein in Duitsland na een jaar begrazing uit te komen op 22,1 kg N/ha (Fottner e.a., 2007); dit is ruim 1.500 mol N/ha/j.

Afhankelijk van de intensiteit van begrazing en de voedselrijkdom van de bodem kunnen deze waarden nog hoger komen te liggen. In een ingerasterde heide (geen gescheperde begrazing) met een begrazingsdichtheid van 1-1,5 schaap/ha, ligt de afvoer van stikstof beduidend lager. Zo vonden Ebersen et al (2003) een gemiddelde stikstofafvoer van ca 2 kg N (ca 142 mol N/jaar) per schaap. Bij jaarrond extensieve begrazing zal de minimale stikstofafvoer 140 mol N/ha/jaar bedragen oplopend tot ca. 500 mol bij hogere begrazingsintensiteiten. Voor de afvoer van een additionele stikstofdepositie van 1 mol stikstof/ha/jaar is moet een schaapskudde van 200 schapen ongeveer 20 minuten langer grazen. Dit is geen reële maar ook geen noodzakelijke beheermaatregel. Maaien Maaien is een beheermaatregel die voor een zeer groot deel van alle Habitattypen met korte vegetaties kan zomers maaien (van vaatplanten) kan worden afgevoerd, varieerde in een onderzoek van Dorland (2012) tussen 26 - 66 kg N/ha en kan hiermee worden geschat op gemiddeld 39 kg N/ha/jaar (ruim 2.700 mol N/ha/jaar). De werkelijke effectiviteit hangt af van de lokale situatie. Uitgaande van bovengenoemde waardes wordt met het maaien van 4 m2 de additionele depositie van 1 mol N/ha al afgevoerd. Dit is geen reële maar ook geen noodzakelijke beheermaatregel.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

18

20 februari 2026

Strooisel verwijderen Deze maatregel wordt ingezet om verruiging van de ondergroei in Habitattypen die bestaan uit bossen tegen te gaan. Tijdens een onderzoek van De Keersmaeker et al. (2016) op de Lüneburger Heide in Duitsland is in de strooisellaag van het beuken-eikenbossen met hulst is een stikstofgehalte van 4860 kg N/ha (ruim 340.000 mol N/ha) gemeten (De Keersmaeker et al. 2016). In andere habitattypen en afhankelijk van de lokale situatie kan meer of minder strooisel verwijderd worden dan in beuken-eikenbossen. Echter ook bij een klein percentage van bovengenoemde waardes wordt al zeer veel stikstof afgevoerd. Om 1 mol/ha/jaar additionele stikstofdepositie af te voeren hoeft van minder dan 1 m2/ha/jaar strooisel verwijderd te worden. Dit is geen reële maar ook geen noodzakelijke beheermaatregel. Opslag verwijderen Deze beheermaatregel kan worde toegepast bij heide- en hoogveenvegetaties en bij de meeste Habitattypen die bestaan uit bostypen. Bij heide kan het gaan om berkenopslag, bij bostypen kan het gaan om het verwijderen van exoten (Amerikaanse vogelkers), of andere ongewenste opslag. Het stikstof- gehalte in stammen en takken van berkenopslag varieert van 0,2-0,4% (Martin et al., 1998; Jacobsen et al, 2003; De Jong, 2011; allen geciteerd in Mol-Dijkstra & Bolhuis, 2013). In een eerder onderzoek is het stikstofgehalte in berkenopslag berekend.

De waarden varieerden van 1.927,19 mol N/ha/jaar in uitlopers van eerder gekapte bomen tot 11.277,66 mol N/ha/jaar in normaal ontwikkelde bomen (Mol-Dijkstra & Bolhuis, 2013). Deze berekening betrof terreinen waar verbossing had plaatsgevonden, dus geen open vegetaties. In open vegetatietypen zoals heide en hoogveen is het verwijderen van opslag een noodzakelijke maatregel om de kwaliteit van de vegetatie te behouden. Zelfs bij een relatief geringe hoeveelheid verwijderde opslag wordt al meer stikstof afgevoerd dan de 1 mol N/ha/jaar die via een project kan worden aangevoerd. Zo leidt het verwijderen van slechts 10 m² opslag al tot een afvoer van meer dan 1 mol N. Omgerekend betekent dit dat er circa 10 kg opslag per hectare verwijderd moet worden om deze hoeveelheid stikstof af te voeren.

5.9

Cumulatie

Indien een plan/project leidt tot enig effect, maar dit effect niet significant is omdat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, dient vervolgens beoordeeld te worden of deze conclusie nog steeds geldt indien rekening wordt gehouden met reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten. Dit is in een apart hoofdstuk beschreven (hoofdstuk 17).

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

19

20 februari 2026

6. Effectbeoordeling Leudal Voor de beschrijving en beoordeling in deze paragraaf is gebruik gemaakt van de volgende literatuur: Natura 2000-plan Leudal (147), (Provincie Limburg, november, 2018); Gebiedsanalyse Leudal (Provincie Limburg, december 2017); Natuurdoelanalyse (NDA) Leudal (147) (Provincie Limburg, maart 2023); Profieldocumenten van de relevante habitats (Ministerie van LNV 2014).

6.1

Beschrijving Natura 2000-gebied

Het Leudal omvat de dalen van een aantal beken die vanuit de Roerdalslenk naar het dal van de Maas stromen. Door het hoogteverschil zijn de beken diep ingesneden en is de stroomsnelheid van het water vrij groot. De kern van het beekdal wordt gevormd door twee meanderende beken, de Zelsterbeek of Roggelsebeek en de Leubeek of Tungelroysebeek. Met name de Zelsterbeek is voor een groot deel aan kanalisatie ontkomen, ditzelfde geldt voor het stroomafwaartse deel van de Leubeek. De genormaliseerde trajecten van beide beken zijn in 2000 weer meanderend gemaakt. De vegetatie rondom de beken is zeer gevarieerd. De afgesneden meanders van de beken herbergen soortenrijke moerasvegetaties. Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden. De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en berkenbroekbossen voor. Hoger op de gradiënt, op de flanken van de beekdalen, bestaan de bossen uit eikenbeukenbossen, eiken-berkenbossen en naaldbossen. Plaatselijk komen matig voedselrijke tot voedselrijke graslanden voor en zijn enkele heideterreintjes aanwezig.

6.2

Aanwijzing en ligging gebied

Het gebied Leudal (147) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn. In Figuur 6 is de ligging van het Natura 2000-gebied weergegeven.

Figuur 6: ligging van het Natura 2000-gebied Leudal (geel) ten opzichte van het projectgebied (rood omlijnd).

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

20

20 februari 2026

Figuur 7, Deelgebieden Leudal. Bron: Natuurdoel analyse Leudal.

6.3

Instandhoudingsdoelstellingen

Voor het Natura 2000-gebied Leudal zijn vanuit de Habitatrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen en habitatrichtlijnsoorten met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. De instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 2 voor alle habitattypen die te maken hebben met een stikstofdepositie. Daarna zijn de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten die effect ondervinden uitgewerkt. In de PAS-gebiedsanalyse en natuurdoel analyse is aangegeven dat geen aangewezen Habitatrichtlijnsoorten stikstofgevoelig zijn. Er wordt echter de conclusie getrokken dat in Leudal voor deze soorten geen effecten van stikstofdepositie te verwachten zijn. Tabel 2 Instandhoudingsdoelstellingen van habitat soorten en habitattypen waar sprake is van en toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied Leudal. Habitattype Code Omschrijving

Doelstellingen Oppervlakte Kwaliteit Relatieve bijdrage = = <2% H6410 Blauwgraslanden = > <2% H9120 Beuken-eikenbossen met hulst > = 2-6% H9160A Eiken-haagbeukenbossen = = <2% H9190 Oude eikenbossen > > 2-6% H91E0C* Vochtige alluviale bossen Habitatrichtlijnsoorten Doelstellingen Code Soort Populatie Omvang leefgebied Kwaliteit H1134 Bittervoorn = = = H1149 Kleine modderkruiper = = = H1163 Beek/Rivierdonderpad = = = H1337 Bever > = = Bron: vastgesteld aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied en wijzigingsbesluit aanwezige waarden. Oppervlakte in het onderhavige gebied uitgedrukt als percentage van de landelijke oppervlakte. Een * staat voor een prioritair habitattype.

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

21

20 februari 2026

6.4

Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Leudal

Hieronder is de spreiding van de relevante stikstofgevoelige habitattypen weergegeven in de realisatiefase voor Natura 2000-gebied Leudal.

Figuur 8, Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Leudal (hexagonen lichtpaars gekleurd).

6.4.1 H6410 - Blauwgraslanden Omschrijving habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), blauwe zegge (Carex panicea) en tandjesgras (Danthonia decumbens). De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet (Phragmites australis) en melkeppe (Peucedanum palustris) talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden pimpernel (Sanguisorba officinalis) in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus (Juncus acutiflorus) in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium) in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig). Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia (Parnassia palustris).

Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren, worden echter gereke aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling. De instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype is gericht op behoud en verbetering van zowel oppervlakte als kwaliteit. Staat van instandhouding, knelpunten en beheer Uit de natuurdoelanalyse blijkt dat H6410 in Leudal een kwetsbare positie inneemt. De kwaliteit staat onder druk door stikstofdepositie, hydrologische verstoringen en verruiging. De achtergronddepositie ligt boven de kritische depositiewaarde, waardoor snelgroeiende soorten worden bevoordeeld en karakteristieke soorten verdrongen

GemLeu.Lei.25.VS.OW.03

22

20 februari 2026

kunnen worden. Daarnaast vormt het ontbreken van voldoende beheer een knelpunt: zonder maaien en begrazing treedt successie op naar soortenarme graslanden of struweel. Het beheerplan voorziet in regulier maaibeheer, gericht op het afvoeren van biomassa en daarmee stikstof. Maaien vindt doorgaans jaarlijks plaats en draagt substantieel bij aan het behoud van de vegetatiestructuur. Aanvullend worden maatregelen zoals opslagverwijdering toegepast om verbossing tegen te gaan. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en blijven ook bij geringe extra stikstofdepositie effectief. Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Na uitvoering van de data-analyse blijkt dat het project leidt tot een maximale additionele stikstofdepositie van 0,02 mol N per hectare per jaar op de locatie waar H6410 voorkomt. De toename van 0,02 mol betreft een zeer geringe waarde op een zeer kleine oppervlakte van 0,14 ha.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=ea795581-3ef6-46e7-b7e0-2a9685a2e8ef