Bijlage 2 Aanvraag omgevingsvergunning 20 woningen Guillaume Derksstraat
Tekst van het document
5.6.2
Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn.
29
In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Toetsing initiatief Aangezien er binnen het projectgebied gebouwd zal worden, is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te laten voeren. Dit onderzoek is weergeven in bijlage V. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn hieronder beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat er mogelijk beschermde grondbroedende vogelnesten aanwezig zijn in het broedseizoen. Daarnaast is het mogelijk dat er zoogdieren en amfibieën voorkomen op de locatie. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht. Verder zijn er ter plaatse aanwijzingen gevonden dat het projectgebied is gelegen in het foerageergebied van de kerkuil, de torenvalk en de huismus. Om uit te kunnen sluiten dat deze soorten hinder ondervinden aan de werkzaamheden voor de ontwikkeling zal nader onderzoek uitgevoerd worden. In bijlage VI is het volledige aanvullend ecologisch onderzoek toegevoegd.
Huismus
Uit onderzoek is gebleken dat er in de omgeving minimaal 4 paar huismussen aanwezig zijn. De huismussen zouden het betreffende perceel kunnen gebruiken voor insecten om de jongen te voeren en het verkrijgen van graszaden. Echter wordt het perceel gemaaid, waardoor er op een dergelijk perceel weinig zaden beschikbaar zijn. Daarnaast is er ook veel voedsel voor huismussen in tuinen en voedertafels. De realisatie van de woningen met groene tuinen heeft dan ook geen negatief effect op de huidige populatie.
Torenvalk
Er zijn geen torenvalken waargenomen, de populatie van de torenvalk staat onder druk en alleen zeer goede biotopen worden momenteel door de torenvalk bezet. Aangezien de torenvalk een muizen jager is, moeten er veel veldmuizen zitten om een torenvalk aan te trekken. Deze zijn tijdens het veldonderzoek niet waargenomen. Daarnaast kan de torenvalk goed jagen bij kort gras, waar dit binnen het projectgebied niet het geval is. De realisatie van de woningen heeft geen effect op de instandhouding van deze soort.
Kerkuil 30
Net als de torenvalk is de kerkuil een muizen jager en in zijn element bij kort gras. Daarnaast zijn er loslopende katten in de omgeving aanwezig welke veel van deze muizen wegvangen. Er zijn tijdens het veldonderzoek dan ook geen kerkuilen aangetroffen. De realisatie van de woningen heeft geen effect op de instandhouding van deze soort. Het aspect soortenbescherming vormt dan ook geen belemmering.
5.7
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.
Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3, 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen. Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten. Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geluid. Verder worden er in totaal 25 geluidsgevoelige functies gerealiseerd. Derhalve is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen uit het onderzoek dat is bijgevoegd in bijlage VII. 31
De locatie is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden op grond van de Omgevingswet instructieregels. Er is voor deze onderzoekslocatie geen sprake van enige andere bron met een geluidaandachtsgebied. Verder bevinden zich in de omgeving van de onderzoekslocatie ook geen andere geluidbronnen of activiteiten die in dit kader akoestisch relevant worden geacht. Uit het onderzoek volgt: • dat voor elke relevante geluidbronsoort voldaan wordt aan de standaardwaarde; • dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; • dat de nieuwe woonfuncties geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; • dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Daarnaast zullen er bij de woningen warmtepompen gerealiseerd worden, welke ook een geluidemissie hebben. In bijlage VII is dit nader onderzocht. Uit onderzoek blijkt dat op de perceelsgrenzen waardes optreden van ten hoogste 38 dB(A). Daarmee wordt overal voldaan aan de geldende geluidseisen van ten hoogste 40 dB(A). Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.
5.8
Kwaliteit van de buitenlucht
Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als 32
deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • Een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof; • Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt; • Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt.
Toetsing initiatief
De gemeente Leudal hanteert een maximum van 40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is, op basis van de concentratiekaarten van het RIVM, getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof.
Fijnstof
De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 14,49 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden.
Stikstofdioxide
Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 8,752 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de ontwikkeling, conform de aeriusberekeningen uit paragraaf 5.6.1, geen onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.
5.9
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. 33
Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
Individuele geurhinder
In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is sprake van een geurgevoelig gebruik van het projectgebied voor woningen. Een woning is namelijk een geurgevoelige functie zoals bedoeld in bijlage I van de Bruidsschat. In de directe omgeving van het projectgebied is echter geen veehouderij aanwezig die voor geuroverlast kan zorgen. Derhalve is er geen geur onderzoek benodigd en vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. 34
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebeiden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.
Toetsing initiatief
Met behulp van de kaart van het register externe veiligheid (figuur 6) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.
35
Figuur 8 Uitsnede kaart register externe veiligheid
Transport van gevaarlijke stoffen
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. • Risicovol transport over water- en autowegen In de omgeving van het projectgebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over water- en autowegen plaats. Dit aspect vormt geen belemmering ten aanzien van de ontwikkeling.
Risicovolle inrichtingen
In de omgeving van het projectgebied is geen risicovolle inrichting aanwezig. Het projectgebied is niet gelegen binnen de risicocontour van een inrichting waardoor dit aspect geen hinder vormt ten aanzien van de ontwikkeling.
Buisleidingen
In de omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit de Veiligheidsregio Limburg-Noord is aangegeven dat de vrije wegbreedte in geval van een eenrichtingsweg minimaal 3,5 meter moet zijn en minimaal 4,5 meter wanneer het gaat om een tweerichtingsweg. Aangezien de weg een tweerichtingsweg is, is het noodzakelijk dat de weg minimaal 4,5 meter breed moet zijn. Bij de realisatie van de woningen wordt hiermee rekening gehouden. 36
Het aspect externe planvoornemen.
5.11
veiligheid
vormt
geen
belemmering
voor
het
Milieubelastende activiteiten
Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die
nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in
hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De beoogde woningen betreffen geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen enerzijds de beoogde woningen en anderzijds functies in de omgeving. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.
Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt 37
dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.
Toetsing initiatief
De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gebied bestaand uit voornamelijk woningen en enkele bedrijven. De aan te houden afstanden conform de VNGpublicatie mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woningen en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven. Adres
Functie
Vlasstraat 25 In Het Veld 1a In Het Veld 2 Vlasstraat 38 Geusert 6
Richtafstand (meter)
Voldaan?
Activiteitencentrum 30
Werkelijke afstand (meter) 225
Bedrijf (opslag)
30
160
Ja
Agrarisch
30
235
Ja
Bedrijf (schildersbedrijf) Bedrijf (takelbedrijf)
10
190
Ja
50
265
Ja
Ja
Aan de richtafstanden kan worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelmogelijkheden worden beperkt. Daarnaast kan worden verondersteld dat het woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen aanvaardbaar is.
5.12
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.
Toetsing initiatief
Conform de VEO bommenkaart zijn er in de omgeving van het projectgebied geen niet-gesprongen explosieven gevonden. In het verleden is op de locatie reeds bebouwing aanwezig geweest en gesloopt. Hierdoor kan daarom worden gesteld dat de locatie als niet verdacht aangemerkt kan worden.
38
5.13
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen
5.13.1
Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Deze zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.
5.13.2
Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.
5.14
Mobiliteit
Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.
39
Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
Verkeersgeneratie
Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.
Toetsing initiatief
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen wijzigen. Aangezien woningen gerealiseerd worden op een terrein waar in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig is, maken we de verkeersaantrekkende werking van de woningen inzichtelijk. De 20 nultredenwoningen (hofwoningen) passen in de CROW-publicatie onder koopwoning tussen/hoek. Voor deze woningen zijn gemiddeld 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per woning opgenomen. Voor de 20 te realiseren woningen zou dat betekenen dat er gemiddeld 148 verkeersbewegingen per etmaal toegevoegd zullen worden. De huidige infrastructuur zal voor het bouwplan van Den Hoeck worden aangepast. Bij deze aanpassing zal de weg worden verbreed naar 4,5 meter. Vanuit verkeersveiligheid is er voor deze ontwikkeling bepaald dat een stoep aangelegd moet worden van de parkeerplaats naar de Vlasstraat. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Parkeren
Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De gemeente Leudal gaat uit van de Nota Parkeernormen Leudal 2025.
Toetsing initiatief
Voor de 20 hofwoningen wordt conform de parkeernota uitgegaan van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Hierdoor zijn er 44 parkeerplaatsen noodzakelijk. Deze 44 parkeerplaatsen zullen gerealiseerd worden op het parkeerterrein aan de Guillaume Derksstraat (figuur 7). Echter zullen er 2 parkeerplaatsen gebruikt worden voor de afvalinzameling. Hierdoor wordt de parkeernorm teruggebracht naar 2,1 parkeerplaats per woning. Gegeven het feit dat er ook kleinere woningen (75-100 m2) worden gerealiseerd en het karakter bij sommige woningen overeenkomt met een appartement (grondgebonden 75100 m2) waarbij een norm van 1,8 parkeerplaatsen per woning geldt, is daarmee de argumentatie om 42 parkeerplaatsen te volgen reëel. Aangezien binnen het projectgebied voldoende gelegenheid is voor parkeren op eigen terrein, vormt het aspect parkeren geen belemmering.
40
Figuur 10 Gezamenlijke parkeerplaatsen (42 parkeerplaatsen).
5.15
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Zo is het uitgangspunt dat vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever worden.
Toetsing initiatief
In het kader van onderhavige ontwikkeling vindt een toename plaats van het verhard oppervlak en zal geen duurzame energie opgewekt worden. Zoals in paragraaf 5.5 is beschreven zal een wadi gerealiseerd worden voor de berging van het hemelwater. In het infiltratieonderzoek is nader toegelicht hoe dit vorm 41
zal krijgen. Het toevoegen van de wadi zal een positieve werking hebben op de biodiversiteit in de omgeving. Daarnaast zullen we woningen gasloos worden uitgevoerd. Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling bestand is tegen de effecten van klimaatverandering.
5.16
Trillingen
Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.
De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.
Toetsing initiatief
Met onderhavige ontwikkeling worden er in totaal 25 trilgevoelige ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. In de omgeving vinden geen activiteiten plaats welke trillingen veroorzaken. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.
5.17
Energietransitie
In navolging van de hogere overheden, werkt ook de gemeente in haar omgevingsplan haar visie op het gebied van energietransitie uit in regels voor haar grondgebied. Bijvoorbeeld door (al dan niet in navolging van het Rijksen/of provinciaal beleid) regels te stellen over de aanwijzing van functies of locaties die windparken mogelijk maken of een verbod op houtstook. 42
De ruimte in de fysieke leefomgeving die de energietransitie vraagt, maakt dit een belangrijk onderwerp voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat daarbij deels over fysieke ingrepen bovengronds, zoals de aanleg van windmolens, zonneparken of schakelstations. Maar de energietransitie heeft ook gevolgen voor de ondergrond. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van warmtenetten, geothermie of de ondergrondse opslag van warmte voor verwarming van gebouwen. Gemeenten dienen conform de artikelen in paragraaf 5.1.7.3 Bkl rekening te houden met de elektriciteitsvoorziening. In Bijlage XV bij het Bkl staan de van rijkswege gemarkeerde locaties voor ontwikkelingen binnen de energietransitie, maar daarnaast kunnen gemeenten zelf ook locaties reserveren voor deze doeleinden.
Toetsing initiatief
Onderhavige locatie ligt niet binnen een aangewezen gebied voor ontwikkelingen binnen de energietransitie. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.18
Lichthinder
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Toetsing initiatief Met de ontwikkeling worden er slechts enkele lantaarnpalen gerealiseerd op de parkeerplaats voor de verkeersveiligheid op de parkeerplaats. Deze verlichting zal gericht zijn op de grond en zullen niet gericht worden op de woningen. Hierdoor vormt het aspect lichthinder geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.19
Bezonning
Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft in verband met bijvoorbeeld hittestress. De 43
Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.
Toetsing initiatief
Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing en/of hoogopgaand groen zal worden geplaatst en er geen sprake is van een ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.
5.20
Slagschaduw
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief
In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
44
5.21
Windhinder
Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het aantal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; - Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.
Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief
In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen en zal geen hoge nieuwbouw plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.22
Project-mer-beoordeling
Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt. 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in 45
bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden.
Toetsing initiatief
Onderhavige ontwikkeling is opgenomen in kolom 1 van bijlage V, waarbij geen drempel is opgenomen in kolom 2 waardoor sprake is van een project-merbeoordeling. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43 lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. In een project-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. In bijlage VIII is een plan-mer-beoordelingsnotie opgenomen, waarvan de belangrijkste conclusies hieronder zijn opgenomen. Het totale voornemen om de locaties aan de Vlasstraat te transformeren, tot 5 vrijstaande levensloopbestendige woningen en twee woonclusters met respectievelijk 8 en 12 nultreden levensloopbestendige woningen, leidt niet of in zeer beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide mer-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is. Dit aspect vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Op DATUM heeft het college van B&W van Leudal besloten dat géén milieueffectrapportage nodig is. Het college bevestigd hiermee de conclusies uit de project-mer-beoordeling toets. Het besluit is als separate bijlage opgenomen.
46
HOOFDSTUK
6 Beperkingengebieden
In een beperkingengebied gelden beperkingen voor activiteiten die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kunnen verstoren. Dit kan onder andere gaan om wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken. In de hoofdstukken 6 tot en met 10 van het Bal staan de voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk. Niet alleen het Rijk kan beperkingengebieden aanwijzen, dat geldt ook voor provincies en waterschappen. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden of bestaan uit algemene regels.
Toetsing initiatief
In onderhavig projectgebied is geen sprake van een belemmeringengebied. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die op grond van deze regels aan beoordeling door het bevoegd gezag onderhevig zijn. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering.
47
HOOFDSTUK
7 Uitvoerbaarheid
7.1
Economische uitvoerbaarheid
7.1.1
Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een BOPA voor rekening komen van de initiatiefnemer.
7.1.2
Kostenverhaal In het geval van de ontwikkeling op onderhavige locatie is er een sprake van kostenverhaal. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de gemeentelijke leges. Afspraken hierover worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
7.1.3
Nadeelcompensatie Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd door de particuliere initiatiefnemer en derhalve is een overeenkomst nadeelcompensatie dan van toepassing. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Participatie De initiatiefnemer heeft de buurt door het uitvoeren van een omgevingsdialoog geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage IX.
7.2.2
Procedure Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het tijdelijke Omgevingsplan van Leudal dient de reguliere procedure, zoals beschreven in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden doorlopen.
In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.
Deze motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aan de gemeente Leudal voorgelegd welk gedurende 8 weken de tijd heeft een besluit te nemen. Wanneer sprake is van benodigde afstemming met de Provincie zullen deze 8 weken verlengd worden tot 12 weken.
De aanvraag wordt ingediend via het DSO. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is 12 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn (artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb). 48
Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP. In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • Een zakelijke weergave van de inhoud; • Dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is; • Dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is. Een vergunning welke is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt. 7.2.3
Bezwaar/ Beroep Na het verlenen van de vergunning kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank tegen de verleende vergunning. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
49
HOOFDSTUK 8.1
8 Belangenafweging en conclusie
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Initiatiefnemer is voornemens op de locatie Vlasstraat ong. te Heythuysen gefaseerd 25 levensloopbestendige woningen te realiseren. Met onderhavige aanvraag wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor de realisatie van twee woonclusters bestaande uit 20 nultredenwoningen. Voor de aanvullende 5 woningen zal een separate omgevingsvergunning worden aangevraagd. Uit onderhavige motivering blijkt dat er vanuit de relevante omgevingsaspecten geen belemmeringen zijn te verwachten. Daarnaast is de ontwikkeling van levensloopbestendige woningen passend binnen het gemeentelijke, provinciale en Rijksbeleid. Onderhavige ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijke omgevingsplan zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het afwijken van het tijdelijke omgevingsplan middels een BOPA, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren.
8.2
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
50
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
RAPPORT VOORONDERZOEK VLASSTRAAT (ONG.) TE HEYTHUYSEN
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
VERANTWOORDING Titel
:
Vooronderzoek Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
Status
:
Definitief
Opdrachtgever
:
LPM Development BV Postbus 2 6000 AA Weert
Contactpersoon
:
Dhr. E. van der Looy
Projectnummer
:
140250457/R
Projectleider
:
Dhr. drs. M.A.J. de Vaan
Opsteller rapport
:
Dhr. ing. M.A.E. Andriën
Controle rapport
:
Dhr. drs. M.A.J. de Vaan
Directie
:
Dhr. ing. E.G.C. van Horen
Handtekening
:
Datum
:
20 oktober 2025
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV Sint Antoniusstraat 10 6097 ND Panheel
tel. e-mail
: :
0475 – 573231 advies@mah-bv.nl
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV beschikt over de volgende certificaten: NEN-EN-ISO 9001: 2015 nr. EC-KWA-01349, VCA** nr. EC-VCA-20240, Monsterneming voor partijkeuringen protocollen 1001 en 1002 nr. EC-SIK-10049, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 nr. EC-SIK-20307, Milieukundige begeleiding van graven in de bodem, saneren van de bodem, grondwatersanering, ingrepen in de waterbodem en nazorg protocollen 6005 en 6007 nr. EC-SIK-60066 en Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.26 van de Arbeidsomstandighedenregeling nr. 07-D070088.01. In § 1.3 staat beschreven welke certificering van toepassing is op de werkzaamheden beschreven in dit rapport. Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1 1.2 1.3 1.4
2
VOORONDERZOEK ...................................................................................................... 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10
3
Aanleiding onderzoek .............................................................................................. 1 Onderzoeksdoel ...................................................................................................... 1 Waarborg en geldigheid .......................................................................................... 1 Opbouw van het rapport .......................................................................................... 1 Algemene gegevens onderzoekslocatie .................................................................. 2 Situering locatie....................................................................................................... 2 Bodemkundige, geologische en geohydrologische gegevens.................................. 2 Historische en huidige informatie............................................................................. 3 Milieuvergunningen ................................................................................................. 4 Bouw- en/of sloopvergunningen .............................................................................. 4 Voorgaand bodemonderzoek .................................................................................. 4 Boven- en/of ondergrondse opslagtanks .................................................................
6 Asbest ..................................................................................................................... 6 Veldinspectie ....................................................................................................... 7
CONCLUSIE EN AANBEVELING ................................................................................. 8
BIJLAGEN 1 2 3 4 5 6 7
Topografische kaart Kadastrale ligging Locatie checklist Plattegrond Luchtfoto Foto’s locatie Gegevens vooronderzoek
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding onderzoek
In opdracht van LPM Development BV is door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV (MAH BV) een historisch onderzoek uitgevoerd voor een locatie gelegen aan Vlasstraat (ong.) te Heythuysen. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bebouwing van een bodemgevoelige locatie (aanleiding A uit de NEN5725). In verband met de bebouwing is ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie in 2021 door MAH BV eerder een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd met het kenmerk 140.21.0042/R, d.d.16 april 2020. Onderhavig vooronderzoek betreft een actualisatie van het in 2021 uitgevoerde bodemonderzoek. 1.2
Onderzoeksdoel
Het doel van het vooronderzoek is het actualiseren van het beschikbare bodemonderzoek zodat dit gebruikt kan worden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bebouwing van de onderzoekslocatie. 1.3
Waarborg en geldigheid
Dit vooronderzoek is door MAH-BV met de grootste zorg en conform de richtlijn NEN 5725 : 2023 uitgevoerd. Het rapport van het vooronderzoek is gebaseerd op informatie verkregen uit onder andere het gemeentearchief, het archief van MAH BV en informatie van de opdrachtgever. 1.4
Opbouw van het rapport
Het vooronderzoek wordt in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 worden de conclusies en aanbevelingen gedaan.
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
1/8
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
2
VOORONDERZOEK
2.1
Algemene gegevens onderzoekslocatie
Opdrachtgever
: LPM Development BV
Locatie
: Adres Plaats Coördinaten Oppervlakte
Kadastrale aanduiding
: Gemeente : Heythuysen Sectie : N Perceelnummer : 1684
Gebruik locatie
: Huidig
: : : :
Vlasstraat (ong.) Heythuysen x = 190.288, y = 363.033 Circa 8.398 m2
: Braakliggend terrein
De topografische ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De kadastrale situatie is weergegeven in bijlage 2. De plattegrond is opgenomen in bijlage 4. Bronnen: - Kadaster; - Gemeente Leudal.
2.2
Situering locatie
De onderzoekslocatie is gelegen ten noorden van de kern Heythuysen. In de directe omgeving zijn enkele woonhuizen en landbouwgronden gelegen. De onderzoekslocatie is ten oosten van de Vlasstraat 26 en ten zuiden van de Guillaume Derksstraat gesitueerd. 2.3
Bodemkundige, geologische en geohydrologische gegevens
Uit de bodemkaart van Nederland (1:50.000) blijkt dat de bodem ter plaatse van het centrum van Heythuysen niet is gekarteerd. Uit extrapolatie van de gegevens blijkt dat de bodem ter plaatse van onderzoekslocatie mogelijk bestaat uit Leek-/woudeerdgronden (pKRn1). Deze bodems zijn gevormd in lichte zavel. De stroming van het freatisch grondwater is volgens het Grondwaterplan Limburg (Provinciale Waterstaat Limburg, rapport GB 2008, oktober 1985) in oost-zuidoostelijke richting en bevindt zich op een hoogte van 24 m+ NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Uit het ondergrondmodel BRO DGM v2.2. (zie figuur 1) blijkt ter plaatse van de onderzoekslocatie globaal van onderstaande bodemopbouw sprake te zijn: Bronnen: - Verkennend bodemonderzoek Vlasstraat 28 te Heythuysen, projectnummer AM11224 uitgevoerd door Aeres Milieu d.d. 15 september 2011 - www.dinoloket.nl
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
2/8
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
Figuur 1: gegevens BRO DGM v.2.2
2.4
Historische en huidige informatie
Uit de historische kaarten blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie al vanaf eind 1800 bebouwing aanwezig is. Vanaf de jaren ’70 is de locatie in gebruik geweest als rundveehouderij. Vanaf 2013 is geen bebouwing meer aanwezig ter plaatse van de onderzoekslocatie. De (op)stallen en woning zijn gesloopt. Sindsdien bestaat de onderzoekslocatie uit een braakliggend terrein dat begroeid is met gras en onkruid. Figuur 2: Historische topografische kaarten 1894
140250457/R
1967
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
3/8
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
2012
2024
Bronnen: - Opdrachtgever; - Gemeente Leudal; - Topotijdreis.nl; - Bodemarchief MAH-BV
2.5
Milieuvergunningen
Op de onderzoekslocatie vinden momenteel geen in het kader van de Wet Milieubeheer vergunningsplichtige activiteiten plaats. In het verleden is er een rundveehouderij actief geweest op de locatie. Bron: - Gemeente Leudal.
2.6
Voorgaand bodemonderzoek
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn de onderstaande bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek Vlasstraat 28 te Heythuysen, rapportnummer AM11224 opgesteld door Aeres Milieu d.d. 15 september 2011. Uit de analyseresultaten is gebleken dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium. Plaatselijk zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. In de puinhoudende oprit zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium en zink aangetoond en een matige verontreiniging met lood. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De resultaten geven aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek. Aanvullend bodemonderzoek Vlasstraat 28 te Heythuysen, rapportnummer AM11321 opgesteld door Aeres Milieu d.d. 7 december 2011. Er heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de puinhoudende oprit. Er zijn slechts licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetroffen minerale olie verontreiniging is afgeperkt en betreft slechts een puntverontreiniging. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
4/8
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
- Nader asbestonderzoek in bodem locatie Vlasstraat 28 Heythuysen, rapportnummer R11.450-BLR-B01 opgesteld door Hamabest d.d. 22 november 2011. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er in de grond geen concentraties asbest zijn aangetoond. In één sleuf zijn twee stukjes asbest aangetroffen. De interventiewaarde voor asbest wordt niet overschreden. - Nader asbestonderzoek in bodem locatie aan de Vlasstraat 28 te Heythuysen, rapportnummer 65688-A opgesteld door Lankelma d.d. 31 mei 2012. Aanleiding voor het onderzoek vormt het aantreffen van een stortgat tijdens de sanering van de minerale olie spot. In geen van de sleuven is asbest aangetroffen boven de interventiewaarde. Er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Opgemerkt wordt dat het aangetroffen stortgat niet beoordeeld is als grond vanwege de grote hoeveelheid puin. Het stortgat zal gedurende het bouwrijp maken in combinatie met de olie sanering van de locatie verwijderd worden. Geschat is dat er 30-50 m3 asbesthoudend stortmateriaal aanwezig is. Evaluatierapport sanering Vlasstraat 28 te Heythuysen, rapportnummer 65688 opgesteld door Lankelma d.d. 28 juni 2012. Het evaluatierapport beschrijft de sanering van een minerale olie verontreiniging. Het betrof een puntverontreiniging van minder dan 25 m3 boven de interventiewaarde.
Tijdens de saneringswerkzaamheden is men gestuit op een stortgat met ook asbesthoudend materiaal. Er heeft nader bodemonderzoek plaatsgevonden om de verontreiniging af te perken (zie rapport d.d. 31 mei 2012 van Lankelma). De saneringsdoelstelling was maximale waarde voor wonen. Ter plaatse van een tweetal putwanden in de bovengrond zijn nog licht verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. Deze zijn niet verder ontgraven aangezien alle omliggende grond na de sanering gezeefd zou worden. Niet duidelijk is of dit uiteindelijk ook gebeurd is. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Vlasstraat (ong.) te Heythuysen, rapportnummer 140.21.0042/R opgesteld door MAH BV, d.d. 16 april 2021. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen bebouwing van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten met kwik, zink en/of PAK zijn aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat bovengrond deels altijd toepasbaar is en deels voldoet aan de maximale klasse wonen. De ondergrond is altijd toepasbaar. Uit het asbestonderzoek blijkt dat in de grove fractie (> 20 mm) visueel geen asbestverdacht plaatmateriaal is waargenomen.
In de fijne fractie (< 20 mm) liggen de gehalten aan asbest beneden de restconcentratienorm (100 mg/kg.ds) en de norm voor nader onderzoek (50 mg/lkg.ds). Het verkennend bodem- en asbestonderzoek Vlasstraat (ong.) te Heythuysen dat in 2021 is opgesteld door MAH BV is opgenomen in bijlage 7-1. In deze rapportage is tevens de relevante informatie opgenomen van de eerdere uitgevoerde bodemonderzoeken. Bij het Bodemloket is van de onderzoekslocatie geen informatie bekend over het voorkomen van boven- en/of ondergrondse tanks, bodembedreigende activiteiten, calamiteiten en/of eventuele bodemverontreinigingen (zie figuur 3). In de directe omgeving is voor de Vlasstraat en de Guillaume Derksstraat zelf de LI-code LI164000050 afgegeven (zie bijlage 7.2) voor de aanwezigheid van een ophooglaag van kolengruis, sintels, puin, bouw- en/of sloopafval. Uit het rapport bodemloket blijkt dat voor de BUS-evaluatie die door Haskoning is opgesteld op 4 april 2012 een beschikking is afgegeven.
140250457/R
Vooronderzoek NEN-5725 Vlasstraat (ong.) te Heythuysen
5/8
Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV
Figuur 3: gegevens bodemloket.nl
Uit de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord blijkt dat onderhavige locatie ligt binnen het gebied met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. Uit de ontgravingskaart blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Uit de PFAS-bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Op basis van de bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord en de historische gegevens zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie in de bodem geen puntbronnen te verwachten aan PFAS en/of GenX. De onderzoekslocatie wordt derhalve als onverdacht beschouwd voor wat betreft het voorkomen van PFAS (anders dan diffuus) en/of GenX in de bodem. Bronnen: - Archief MAH-BV; - Gemeente Leudal; - Bodemloket.