CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan toelichting

Raadsvergadering 14 februari 2023, gemeente LeudalBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘RvR kavels Noorderbaan te Heythuysen’ + Vaststellen beeldkwaliteitsplan ‘RvR Noorderbaan’21.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met zware metalen en vluchtige aromaten. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

21ste kavel Het freatisch grondwater binnen het plangebied is licht verhoog met xylenen en naftaleen. De licht verhoogde gehalten aan xylenen en naftaleen worden waarschijnlijk gedeeltelijk van buiten te onderzoekslocatie aangevoerd. Op de locatie zijn namelijk geen verontreinigingsbronnen aan te wijzen die in relatie zouden kunnen staan met de verhoogd aangetroffen gehalten.

Geconcludeerd kan worden dat het licht verhoogde gehalte aan cadmium in de bovengrond in

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

26

tegenspraak is met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De gemeten concentratie ligt ruim beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond. Gelet op de gemeten componenten en concentraties en het ontbreken van potentiele verontreinigingsbronnen ter plaatse wordt het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem binnen het plangebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. 5.2.2

Geluid

Wegverkeerslawaai Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie (bij nieuwe geluidgevoelige objecten). Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden. De voorkeurs-grenswaarde van 48 dB mag aan de gevel van geluidsgevoelige objecten echter niet overschreden worden. Akoestisch onderzoek is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling noodzakelijk indien nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone (200 meter) van wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km-uur of meer geldt. Omdat het plangebied binnen de geluidzone van o.a. de Noorderbaan en deels de Vlasstraat is gelegen, is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door het onderzoeksbureau K+ Adviesgroep. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 7 Akoestisch onderzoek verkaveling en gevelbelastingen.

Noorderbaan Op basis van de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Echter wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Noorderbaan is maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Leudal kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hoge waarde. In het kader van voorliggend bestemmingsplan kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwe woningen verspreid over het plangebied gesitueerd worden.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

27

Overzicht gevels hogere waarden.

Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee mogelijk worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen stuiten echter op bezwaren van financiële aard.

Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Conform de tabellen in bijlage IV van het onderzoeksrapport (in de separate bijlage) blijkt dat de woningen kunnen beschikken over tenminste één geluidluwe gevel.

Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Binnen het onderzoeksrapport in de separate bijlage is in tabel 4.1 de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.

Om het bovenstaande te waarborgen is binnen de bestemmingsplanregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting ziet erop toe dat in het kader van de aanvraag hogere waarde bij de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen middels een gevelonderzoek is aangetoond dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt.

Vlasstraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 37 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

28

Conclusie Ter plaatse van de woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden zal ten gevolge van de overschrijding een hogere waarde bij het college van burgemeester en wethouders aangevraagd worden dienen te worden. Bij het vaststellen van hogere waarde dient rekening te worden gehouden met het akoestisch klimaat binnen de woningen. Voor de betreffende woningen binnen het plangebied dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) gegarandeerd te worden. In het kader van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen dient derhalve een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaats te vinden. Binnen onderhavig plan wordt de uitvoering van het onderzoek naar de geluidwering van de gevels gewaarborgd binnen de planregels middels een voorwaardelijke verplichting. Voor de overige woningen bestaan er vanuit akoestisch perspectief geen belemmeringen. 5.2.3

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

Woningen (maximaal) 1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van in totaal 21 RvR-kavels met op iedere kavel één woning. Hiermee wordt ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven.

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

29

stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 ìg/m³

Grenswaarden Wlk

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijks-instituut voor Volksgezondheid en Milieu - RIVM) was de concentratie PM10 ter plaatse in 2022 gelegen tussen 13 en 15 µg/m³, de concentratie PM2,5 µg/m³ tussen 7 en 9 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 10 en 12 µg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is derhalve voldoende voor de realisatie van de beoogde woningen.

Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.2.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van woningbouw mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat binnen de Ruimte voor Ruimte kavel zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan.

Toetsing Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van (verder weg gelegen) bedrijven die

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

30

onder de werkingssfeer van het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op circa 870 meter ten zuidwesten van het plangebied en betreft de inrichting 'Lukoil BV' aan de Kloosterstraat 120. Het element van deze inrichting met de grootste risicocontour betreft het LPG-reservoir met een risicocontour 10-6 van 25 meter. Het plangebied valt hier zodoende ver buiten. Daarnaast heeft deze inrichting een invloedsgebied van 150 meter. Het plangebied ligt ver buiten het invloedsgebied van de risicovolle inrichting.

Buisleidingen Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de omgeving geen buisleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op 5,8 kilometer ten oosten van het plangebied en betreft een buisleiding van de Gasunie. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze buisleiding vormt deze geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Uitsnede Risicokaart Nederland met aanduiding plangebied blauw omlijnd

Risicovol transport over de weg Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de omgeving geen wegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Op circa 880 meter ten oosten van het plangebied ligt de Walk (N279), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze wegen bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Gezien de afstand en beperkte mate van transport van risicovolle stoffen over deze weg wordt er zodoende geen significante invloed uitgeoefend op de hoogte van het groepsrisico. De ligging van het

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

31

plangebied ten opzichte van deze weg vormt daarmee geen belemmering.

Risicovol transport over het spoor Op basis van de risicokaart zijn binnen het plangebied en de omgeving geen spoorwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op circa 2,6 kilometer ten zuiden van het plangebied en betreft de spoorweg Maastricht-Eindhoven. Voor spoorlijnen bedraagt het plasbrandaandachtsgebied (PAG) 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven voor doorgaand verkeer. Het plangebied is niet gelegen binnen dit plasbrandaandachtsgebied.

De plaatsgebonden risicocontour 10-6 bedraagt 1 meter. De plaatsgebonden risicocontour 10-7 bedraagt 15 meter en de plaatsgebonden risicocontour 10-8 bedraagt 119 meter. Buiten deze contour wordt er geen rekenkundige invloed uitgeoefend op het groepsrisico. Het invloedsgebied voor groepsrisico van deze spoorlijn bedraagt 995 meter. Indien binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd dient het groepsrisico te worden verantwoord. Onderhavige ontwikkeling is gelegen op een afstand van circa 2,6 kilometer, waardoor een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde is.

Risicovol transport over het water In de wijde omgeving rondom het plangebied vindt geen risicovol transport over vaarwegen plaats. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.5

Milieuzonering

De (indicatieve) lijst "Bedrijven en Milieuzonering 2009", uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. Een woning betreft een milieugevoelige functie. Nadere toetsing aan het aspect milieuzonering is dan ook vereist om te kunnen bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat binnen de beoogde woningen en of omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt.

Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functies binnen onderhavig plan niet leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een perceel met een maatschappelijke bestemming, waarop zorgwoningen gerealiseerd mogen worden. Dit zijn hindergevoelige objecten. Echter vormen de beoogde woningen binnen onderhavig plan geen

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

32

functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast worden binnen het plangebied ook geen andersoortige milieugevoelige functies voorzien.

Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfuncties niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.

Op circa 160 meter van het plangebied ligt ten westen een perceel met de bestemming 'Bedrijf'. Op dit perceel mag zich een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2 vestigen. Hiervoor wordt conform de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering' een richtafstand van 30 meter geadviseerd. De RvR-kavels (woningen) zijn ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen.

Daarnaast ligt op circa 44 meter afstand ten noordwesten van het plangebied een perceel met de bestemming 'Bedrijf' en de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - takelbedrijf. Voor dit type bedrijf geldt milieucategorie 3.2 (categorie 'Stalling van vrachtwagens met koelinstallaties'). Hiervoor wordt een richtafstand van 100 meter geadviseerd voor het aspect geluid, 30 meter voor stof en 10 meter voor geur en gevaar. In het noordelijk gedeelte van het plangebied worden echter geen woningen voorzien (zie het verkavelingsplan in hoofdstuk 3). De meest noordelijk gelegen woningen liggen op een afstand van circa 140 meter van het bovengenoemde bedrijfsperceel. Zodoende vormt de ligging van dit bedrijfsperceel geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Ten westen van het plangebied op circa 30 meter een kunstgalerij (categorie 'Veilingen voor huisraad, kunst'). Hiervoor geldt milieucategorie 1 en wordt een richtafstand van 10 meter voor geluid gehanteerd. Het plangebied ligt ruim buiten deze richtafstand.

Tot slot is er op het naastgelegen perceel (HHS00-N-167) een agrarisch perceel gelegen. Op dit perceel zijn activiteiten toegestaan voor gewassenbestrijding met mobiele spuitinstallaties. Voor de spuitinstallaties geldt een spuitzone van 50 meter. Omdat er woningen binnen deze zone zijn beoogd, is er een spuitzone onderzoek uitgevoerd. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 8 Locatiespecifiek spuitzone onderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat gewasbeschermingsmiddelen, op een afstand van vijf meter, niet leiden tot een overschrijding van de AOEL. Het blootstellingspercentage van de afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen blijft namelijk onder de 100%. Desondanks is, vanwege de locatiespecifieke situatie, het advies om een spuitzone van minimaal 10 meter aan te houden. Voor deze zone dient uitgegaan te worden van de afstand tussen de agrarische perceelsgrens en de grens van de driftgevoelige bestemming.

De beoogde woningen en de daarbij behorende tuinen worden op een afstand van minimaal 10 meter van het perceel gesitueerd. Daartussenin is een zone 'groen' opgenomen waardoor langdurig menselijk verblijf is uitgesloten.

Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen die (negatieve) invloed kunnen uitoefenen op de voorgenomen ontwikkeling of die door de ontwikkeling worden belemmerd.

Beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid Gemeente Leudal - Actualisatie - Evaluatie 2014

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

33

In oktober 2011 is de beleidsnota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Leudal vastgesteld en in werking getreden. Vanwege het feit dat er binnen de gemeente een aantal relevante ontwikkelingen heeft plaatsgevonden en er nieuwe inzichten zijn verkregen heeft hierop aanvullend een evaluatie en actualisatie plaatsgevonden in 2014. De beleidsnota is een belangrijk document waar diverse beleidsvelden in samen komen. Het doel van het gemeentelijke geluidbeleid is om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te verbeteren.

Uitgangspunt bij het gebiedsgerichte geluidbeleid is de ruimtelijk functionele indeling van het gemeentelijke grondgebied. Hierbij worden de huidige situatie en de ontwikkelingen die op korte termijn gerealiseerd zullen worden geïnventariseerd. Daarnaast is het huidige achtergrondgeluidniveau in heel de gemeente geïnventariseerd (referentieniveaukaart). Op basis van deze inventarisaties wordt de gemeente ingedeeld in akoestische gebiedstypen. Per gebiedstype worden richtwaarden voor het maximaal toelaatbare geluidniveau en andere beleidsregels vastgesteld.

Het grondgebied is ingedeeld in een groot aantal deelgebieden die elk zijn gekarakteriseerd door een beschrijving van het ruimtelijk gebruik en het gemiddelde referentieniveau. Per deelgebied is vervolgens bepaald tot welke categorie van akoestische gebiedstypen het behoort. Het resultaat van deze gebiedsanalyse vormt de basis voor de plankaart behorende bij het lokaal gebiedsgericht geluidbeleid.

Onderhavig plangebied is conform de kaart met deelgebieden gelegen binnen de typering 'Wonen'. Dit is een gebied met een woonfunctie. Hier geldt een richtwaarde van 45 dB (A). Conform de kaart 'Belangrijke geluidzones' is het plangebied niet gelegen binnen de geluidzone van nabijgelegen transportassen (weg- en railverkeer). Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen de geluidzone van nabijgelegen bedrijvigheid. Onderhavige ontwikkeling stuit dan ook niet op akoestische belemmeringen.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

34

Uitsnede kaart Belangrijke geluidzones (ligging plangebied blauwe pijl)

Conclusie Het aspect 'milieuzonering' vormt naar aanleiding van bovenstaande bevindingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.6

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Toetsing In de directe omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt op 600 meter ten noorden van het plangebied aan de Roligt 19, daarnaast is er nog een intensieve veehouderij gelegen op circa 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied aan de weg Achter het Klooster 9. Voor woningen geldt buiten de bebouwde kom, ten opzichte van veehouderijen met een geuremissiefactor, een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van het emissiepunt van de veehouderij. Gelet op de tussenliggende afstanden tussen de bovengenoemde veehouderijen en de toekomstige woningen, wordt ruimschoots aan deze vaste afstand voldaan.

Binnen de gemeente Leudal geldt met betrekking tot het aspect geurhinder de 'Verordening geurhinder

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

35

en veehouderij 2017'. Het plangebied wordt hierbinnen aangemerkt als onderdeel van de 'kern' van Heythuysen (zie navolgende afbeelding). Voor de kernen is géén afwijkende geurnorm vastgesteld in de geurverordening. Derhalve geldt hier een maximale geurbelasting van 3 odour units.

In 2016 is de gemiddelde achtergrondbelasting in de 'kernen' berekend op 0,06 tot 7,5 odour units (zeer goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat). In 2007, 2011 en in 2016 wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde waarden voor de maximale achtergrondbelasting uit de gebiedsvisie 2011. Een knelpunt ontstaat echter als de achtergrondbelasting hoger is dan de maximale waarde die geldt voor het gebied, waarin het geurgevoelige object (bijvoorbeeld een woning) zich bevindt. In de kernen is sprake van een toename van het aantal knelpunten ten opzichte van 2007 met 4 stuks. Er zijn in 2016 alleen nog knelpunten in de kern Ell en Baexem. Er zijn géén knelpunten in de kern Heythuysen.

Zonering Heythuysen middels 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017' (rode omlijning plangebied)

Conclusie Aangezien wordt voldaan aan de toegestane geurbelasting en wordt voldaan aan de vaste afstand ten opzichte van de in de nabijheid gelegen veehouderijen, is nader onderzoek naar het aspect geur niet noodzakelijk. Voor wat betreft het aspect geurhinder zal in de woningen sprake zijn van een goed woonen leefklimaat.

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect 'archeologie' in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

36

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.

Binnen het vigerende bestemmingsplan 'Woonkern Leudal 2017' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Derhalve is het plangebied ook mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen, die betrekking heeft op de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden, moeten bij verstoringen dieper dan 40 cm onder het maaiveld en bij oppervlakte van bodemingrepen groter dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 20 RvR-kavels, waarbij het verstoringsoppervlakte (ook mede in relatie tot de aanleg van de noodzakelijke infrastructuur) boven de 1.000 m2 ligt. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook noodzakelijk.

Reeds is er in 2000 een archeologische inventarisatie en booronderzoek opgesteld door RAAP. Het onderhavig plangebied valt binnen het onderzoeksgebied van dit onderzoek. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 9 Archeologische Aanvullende Inventarisatie. De toenmalig aangetroffen vindplaats nummer 4, waarvan de begrenzingen niet geheel duidelijk zijn, ligt in het onderhavig plangebied. Het betreft een zone rondom de boringen 174, 192, 207, 209, 211 en 225. Door RAAP is destijds geadviseerd om ter plaatse van de vindplaatsen een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren.

In het kader van onderhavig plan is door Aeres Milieu een programma van eisen ten behoeve van een archeologisch proefsleuvenonderzoek opgesteld. Voor een volledige weergave van het programma van eisen wordt verwezen naar de Bijlage 10 Programma van Eisen.

Het proefsleuvenonderzoek is momenteel in uitvoering. Op basis van de bevindingen vanuit het proefsleuvenonderzoek zal bezien moeten worden of het plangebied vanuit archeologisch perspectief kan worden vrijgegeven. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat specifieke gebieden worden vrijgegeven en ter plaatse van andere locaties nadere werkzaamheden uitgevoerd moeten worden of bepalingen moeten worden opgenomen. Derhalve is vooralsnog de huidige archeologische dubbelbestemming gehandhaafd binnen het plangebied.

Cultuurhistorie Op basis van de 'Cultuur Historische Waardenkaart' van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Wel is de Vlasstraat aangeduid als een 'andere weg ouder dan 1806'. Daarnaast zijn er twee cultuurhistorische elementen aan de noordzijde van het plangebied in de vorm van 'oude grens herkenbaar in terrein' en 'natuurlijke waterloop onderbroken'. De ontwikkeling van 20 RvR-kavels oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Vlasstraat, de Belandsebeek of de oude herkenbare grens binnen het landschap.

Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

37

5.4

Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In deze paragraaf is daarom een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.

Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL2014 welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuur-gebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

38

houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In de quickscan zijn de gevolgen van de beoogde ontwikkeling afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 11 Quickscan flora en fauna.

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Leudal", bevindt zich op circa 2 kilometer afstand van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig plan een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavige bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase . Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 12 AERIUS-berekening.

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 400 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De noordkant van het perceel ligt wel binnen de bronsgroene landschapszone. Dit wordt gecompenseerd in de toekomstige situatie door geen woningen aan de noordkant van het plangebied te verwezenlijken, maar een groene strook te realiseren met wandelpaden. Soortbescherming Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Als actieve beschermingsmaatregel voor de patrijzen wordt geadviseerd om gedeeltes bloemrijk grasland aan te planten langs de rand van het plangebied en de bronsgroene landschapszone om zo het leefgebied van de patrijs en daarmee de lokale populatie in stand te houden. Gezien de groene vormgeving van het planvoornemen wordt deze actieve beschermingsmaatregelen actief

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

39

toegepast binnen onderhavig planvoornemen.

Houtopstanden Aangezien binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

Conclusie Vanuit het aspect 'ecologie' bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied.

5.5

Leidingen en infrastructuur

Binnen (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

5.6

Verkeerskundige aspecten

Verkeer Conform CROW publicatie 'Toekomst-bestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (publicatie, nr. 381) zorgt de beoogde realisatie van de 21 RvR-kavels (21 vrijstaande woningen) voor een verkeersgeneratie van 168 motorvoertuigbewegingen per etmaal (8 mvt / etmaal x 21 vrijstaande woningen = 168 mvt / etmaal). Er is uitgegaan van het woningtype 'koop vrijstaand' en de ligging 'rest bebouwde kom'.

De woningen binnen het plangebied worden ontsloten middels een nieuw te realiseren weg die aansluit op de Vlasstraat ten westen van het plangebied. Deze nieuwe wegverlenging kent enkele vertakkingen richting de noordelijk en zuidelijk gelegen woonkavels. Aan het eind van deze toegangswegen is voldoende ruimte beschikbaar, zodat motorvoertuigen kunnen keren. Gezien het profiel van de Vlasstraat en de nieuwe wegverlening, zullen deze de toename van het aantal verkeersbewegingen zonder problemen kunnen verwerken.

Parkeren Het parkeren zal plaats vinden op het eigen terrein van iedere RvR-kavel. Conform de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Leudal zorgt onderhavige ontwikkeling voor een parkeerbehoefte van 2,7 parkeerplaats per RvR-kavel (conform de norm voor een vrijstaande woning). Gezien de omvang en ruimte opzet van de woonkavels zal worden voorzien in de realisatie van minimaal 3 parkeerplaatsen op het eigen terrein van iedere woonkavel. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. De realisatie van afdoende parkeerplaatse wordt daarnaast gewaarborgd binnen de bestemmingsplanregels.

5.7

Duurzaamheid

Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame (stedelijke) ontwikkeling, lage milieubelasting, energieneutrale woningbouw/gemeente en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

40

Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren: De energiebehoefte van het gebouw; Het primair fossiele energiegebruik; Het aandeel hernieuwbare energie. De te realiseren woningen binnen het plangebied zullen aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door 'kierdicht' te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten.

Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.

Tot slot is op basis van de 'Wet voortgang energietransitie' de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.

Duurzaamheidsaspecten worden verder uitgewerkt bij de planuitwerking ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

5.8

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het besluitgebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.

Beleidsk ader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het besluitgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Nationaal:

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

41

Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water.

In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen om orde wil brengen en houden. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem' In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen binnen het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater.

Grondwater Op basis van POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn.

Oppervlaktewater Conform de 'Leggerkaart' van Waterschap Limburg ligt ten noorden van het plangebied het primaire oppervlaktewaterlichaam 'Belandsebeek' en ten oosten het primaire oppervlaktewaterlichaam 'Tienderveld'. Onderhavige ontwikkeling voorziet geen bebouwing in het noordelijk gedeelte van het plangebied, welke grenst aan de Belandsebeek. De Tienderveld wordt met de ontwikkeling ook niet aangetast. Daarnaast wordt er geen hemelwater afgevoerd vanuit het plangebied richting deze watergangen. Het hemelwater afkomstig van de toekomstige woonpercelen zal op eigen terrein worden

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

42

opgevangen en geïnfiltreerd. Daarnaast ligt ten zuidwesten van het plangebied de regenwaterbuffer 'Vlasroot Noord, Oost en Zuid'. Onderhavig plan voorziet niet in afwatering richting deze regenwaterbuffers.

Afvalwater en hemelwater Het afvalwater wordt geloosd op het nog aan te leggen rioolstelsel binnen het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang (21 woningen) en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het gemeentelijk rioolstelsel. Het hemelwater zal worden geïnfil-treerd op eigen terrein.

Voor onderhavig plan is het gemeentelijk rioleringsplan Leudal 2017-2021 van de gemeente Leudal van toepassing. Op basis van deze trits (vasthouden- bergen-afvoeren) wordt water zo lang mogelijk vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater, om wateroverlast en overstromingen te voorkomen en in droge periodes zo lang mogelijk te beschikken over gebiedseigen water. Als vasthouden en bergen niet meer mogelijk zijn, wordt het water afgevoerd naar elders.

Waterschap Limburg streeft ernaar op bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en binnen het plangebied te verwerken. Conform de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019) geldt de norm dat 100 mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. 1. Ruimte voor Ruimte kavels (woonkavels) De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd binnen de RvR-kavels is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. Gezien de omvang van de woonkavels (800 m2) zal er in ieder geval voldoende ruimte beschikbaar zijn om afdoende bergingscapaciteit te realiseren.

De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen voor de diverse woningen. 2. Openbaargebied (wegen en paden) Conform de inrichtingstekening in hoofdstuk 3 is zichtbaar dat er globaal gezien in het midden van het plangebied een verlaging van het maaiveld is voorzien ten behoeve van de berging van hemelwater. Bij een bui van T=100 + 10% (=49.9 mm in een half uur) dient er binnen het plangebied 285 m³ (5.700 m² x 49.9mm = 285 m³) aan regenwater geborgd te worden. In totaal wordt 641m² aan grond binnen het plangebied met 0,5 meter omlaag gebracht. Dit levert minimaal 320 m³ bergingscapaciteit op voor de berging van hemelwater. Hierin zijn de taluds (ca. 1:6) nog niet meegenomen. Derhalve zal ook het hemelwater afkomstig van het verhard openbaar gebied (wegen en paden) binnen het plangebied geborgd kunnen worden.

In zijn algemeenheid betreft onderhavig initiatief een klimaatbestendige ontwikkeling, omdat wordt voorzien in veel gronden met een "groene" functie (d.w.z. bospercelen, landschappelijke inpassing en agrarische gronden). Hierdoor is er voldoende ruimte beschikbaar om het hemelwater ruimte te bieden om binnen het plangebied te infiltreren.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

43

Overleg waterbeheerder De planstukken zijn voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg heeft aangegeven akkoord te zijn met het plan. Er is echter wel opgemerkt dat de primaire watergang 'Tienderveld' nog in het kopje 'Oppervlaktewater' benoemt moet worden. Dit is reeds aangepast. Tevens heeft het Waterschap verzocht om de aan te planten bomen niet in het profiel van de vrije ruimte te realiseren maar net ernaast.

Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

M.e.r.-beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. 5.9.1

Beoordeling directe m.e.r.-plicht

Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.4 'Ecologie' blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

44

5.9.2

M.e.r.-beoordeling

Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Indien het bevoegd gezag zelf degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In het voorliggende geval is de gemeente initiatiefnemer voor het wijzigingsplan. Middels deze paragraaf wordt daarom invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.19 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden.

Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

45

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het wijzigingsplan.

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 70.000 m². Het project richt zich op de realisatie van 21 RvR-kavels (21 woningen), op een terrein dat tot momenteel een agrarische bestemming kent.

Cumulatie met andere projecten Nee. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

46

Verontreiniging en hinder

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.2): Het plangebied is binnen de geluidszone gelegen van de Noorderbaan den de Vlasstraat. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In paragraaf 5.2.2 is reeds aangetoond dat er vanuit akoestisch perspectief geen belemmeringen bestaan ten aanzien van onderhavig planvoornemen (wel is voor elke woonpercelen een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het kader van akoestiek). Geur (zie ook paragraaf 5.2.6): Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Er is conform de 'Verordening geurhinder en veehouderij 2017' sprake van een zeer goed tot redelijk goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.6): Het project leidt tot een verkeersgeneratie van circa 160 motorvoertuigen per/etmaal.

Deze toename in verkeer kan zonder probleem verwerkt worden op de omliggende wegen.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie kennen de gronden binnen het gehele plangebied een agrarische bestemming. In de huidige situatie is er sprake van gebruik als grasland en akkerbouwgronden.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit N.v.t. en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.4 'Ecologie'.

gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

Nee.

gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

N.v.t.

bestemmingsplan RvR-kavels Noorderbaan te Heythuysen

47

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.3): Op basis van de 'Cultuur Historische Waardenkaart' van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Wel is de Vlasstraat aangeduid als een 'andere weg ouder dan 1806'. Daarnaast zijn er twee cultuurhistorische elementen aan de noordzijde van het plangebied in de vorm van 'oude grens herkenbaar in terrein' en 'natuurlijke waterloop onderbroken'. De ontwikkeling van 21 RvR-kavels oefent echter geen invloed uit op het verloop en profiel van de Vlasstraat, de Belandsebeek of de oude herkenbare grens binnen de landshap. Archeologie (zie ook paragraaf 5.3): in het kader van onderhavige ontwikkeling zal een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=86af6ada-1e29-4480-bc2c-4e45c5c898c0