Aanvraag omgevingsvergunning 6 woningen Pietersplein 6-16 Roggel
Tekst van het document
2032-2034
plaatsvindt.
Ook
uit
deze
huishoudentop die
prognoses
blijkt
dat
de
woningbehoefte voor huur- en koopwoningen de komende jaren hoog blijft. Als het gaat om betaalbare koopwoningen wordt in de Versnellingsagenda uitgegaan van minimaal € 280.000 tot maximaal € 390.000 (prijspeil 2024). Om ook de versnelling er in te houden als het gaat om realiseren van bouwplannen, gaat de agenda uit van een realisatietermijn van 1 jaar na vergunningverlening. Het
planvoornemen
bestaat
uit
het
realiseren
van
6
woningen/
woonappartementen ter plaatse van een strategische locatie. Gezien de genoemde randvoorwaarden en beleidsuitgangspunten kan het planvoornemen binnen
de
kaders
van
uitvoeringsmaatregelen
de voor
Versnellingsagenda particuliere
en
de
daarin
gestelde
nieuwbouwprojecten
worden
gerealiseerd.
4.4.4
Bestemmingsplan
Voor het besluitgebied geldt het bestemmingsplan “Woonkernen Leudal 2017”, dat op 14 november 2017 door de gemeenteraad van Leudal is vastgesteld. In dit bestemmingsplan is aan het besluitgebied de bestemming ‘Centrum’ toegekend
met
daarbinnen
tevens
een
bouwvlak.
Daarnaast
zijn
de
dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ op het besluitgebied gelegen. Dit geldt tevens voor de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – wonen op verdieping’.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
31
SMA-Advies
Enkelbestemming “Centrum” Volgens artikel 8.1 lid b. onder 9 is aangegeven dat wonen uitsluitend op de verdieping mogelijk is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- wonen op de verdieping' (sw-wv), met dien verstande dat uitsluitend bestaande woningen zijn toegestaan, dan wel woningen ter plaatse van die in bijlage 10 van het Bestemmingsplan zijn opgenomen. Nu deze specificaties op grond van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet aan de orde zijn, is het wonen op de verdieping dan wel begane niet toegestaan.
Figuur 7. Uitsnede Bestemmingsplan “Kernen Leudal 2017” enkelbestemming Centrum
Wonen is alleen toegestaan indien bij vaststelling van het genoemde bestemmingsplan er reeds een woning aanwezig was. Nieuwe woningen zoals bedoeld in het planvoornemen, zijn niet rechtstreeks toegestaan. De gewenste ontwikkeling is dus in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan “Kernen Leudal 2017”. Nu het aan de orde zijnde plan gaat over het realiseren van de bestemming “Wonen” niet zijnde “bestaand wonen”, is de gewenste bestemming in strijd met de bovenstaande gebruiksregels. Strijdigheid bouwregels Volgens artikel 8.2.1 van de bouwregels zijn alleen bestaande woningen toegelaten. In het aan de orde zijnde plan worden binnen het bouwvlak 6 woningen toegevoegd. Het toevoegen van deze woningen is strijdig met de bovenstaande bouwregels. Daarnaast is gesteld dat de goot-hoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan de bestaande gooten bouwhoogte ten tijde van de ter inzage legging van het vastgestelde bestemmingsplan, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte,
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
32
SMA-Advies
maximum bouwhoogte' een afwijkende hoogte is aangegeven, waarbij die aangeduide goot- en bouwhoogte als maximum geldt. Het bestaande gebouw heeft één bouwlaag. Het te realiseren gebouw heeft 2 bouwlagen
waardoor
de
goot-
en
bouwhoogte
de
maximumwaarden
overschrijden. Het wijzigen van de goot- en bouwhoogte is dus in strijd met de bouwregels. Dubbelbestemming Waarde Het gehele plangebied ligt ook binnen de dubbelbestemming “WaardeArcheologie-4” en “Waarde-Archeologie-5”. Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming en behoud van de in- of op deze gronden voorkomende archeologische waarden. In paragraaf 5.6 wordt daar verder op ingegaan.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
33
SMA-Advies
5.
UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN
5.1
Bodem
Het
onderzoeksperceel
is
thans
deels
bebouwd
en
verhard.
Het
onderzoeksperceel is gelegen binnen een “Centrum” bestemming zoals vastgelegd
in
het
bestemmingsplan.
Bij
het
vaststellen
van
dit
bestemmingsplan is ten behoeve van het toekennen van de maatschappelijke bestemming rekening gehouden met de ter plaatse bekende bodemkwaliteit. Formeel dient in het kader van een bestemmingswijziging aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Nu de bestaande bestemming wordt omgevormd naar een woonbestemming is er sprake van een functiewijziging. Vanwege het huidig en voormalig gebruik van het betreffende perceel is er geen reden om aan te nemen dat, ten gevolge van het
gebruik van het
perceel, sprake
is van
activiteiten die
mogelijk
bodembedreigend zijn geweest. Bodemonderzoek 2 januari 2024 In
het
kader
van
een
initiatief
van
de
gemeente
Leudal
om
het
bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van het herontwikkelen van een aantal percelen noordelijk van de Pietersplein, is ter plaatse van de percelen met sectie G, sectienummer 2406 (ged), door Aeres-Milieu op 2 januari 2024 een rapport verkennend bodemonderzoek ex NEN 5740 opgesteld (kenmerk: AM23407,
zie
bijlage
2).
In
het
kader
van
dat
het
uitgevoerde
bodemonderzoek is ook het onderhavig plangebied onderzocht (deelgebied C). Op de onderzoekslocatie bevindt zich thans een gesloten en leegstaand gedeelte van hotel / restaurant ‘De Beukelaer’. De voortuin is begroeid met grassen. Het binnenplein tussen de kerk en het hotel/ restaurant is bestraat met tegels en klinkers. Er zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van
bodemverontreinigingen of
bronnen
van verontreinigingen. Tijdens de
veldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door het Pietersplein, aan de oostzijde door het detailhandelspand van “Mooi, de mooiste mode”, aan de zuidzijde door de Sint Petruskerk en aan de westzijde door hotel-restaurant “De Beukelaer”.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
34
SMA-Advies
Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond (dieptetraject 0,00 – 0,50 mmv.) deels licht verhoogd is met zink, cadmium en lood. De ondergrond (dieptetraject 0,50 – 1,00 m-mv.) is licht verhoogd met cadmium en PAK. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is ten aanzien van deelgebied C gesteld dat er geen sporen van asbest of asbesthoudende materialen zijn aangetroffen. Volgens het bodemrapport is het dus niet aannemelijk dat ter plaatse
asbest
op
of
in
de
bodem
aanwezig
is.
Op
basis
van
de
onderzoeksresultaten is verder gesteld dat er geen aanleiding is om ten aanzien van de onderzochte stoffen een nader bodemonderzoek uit te laten voeren. De kennelijk ter plaatse of in de directe omgeving van het plangebied aanwezige slib-vetafscheider van hotel-restaurant “De Beukelaar” is niet in het bodemonderzoek meegenomen. Dergelijke systemen worden niet betrokken, gezien het gegeven dat het afvalwatersysteem een gesloten systeem betreft waar ingevolge de toepasselijke milieuregels (Besluit activiteiten leefomgeving en diens voorganger) controle op is en dient te voldoen aan aantal inrichtingseisen (NEN1825). De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt gezien de resultaten van het
bodemonderzoek
geen
belemmering
voor
de
voorgenomen
planontwikkeling (woningbouw). Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.2
Geluid
De feitelijke geluidzone is het creëren van een minimum afstand tussen de geluidbron, zoals een weg of spoorweg dan wel een bedrijf en het geluidgevoelige object, zoals woningen. Indien er geen mogelijkheden bestaan om afstand te creëren (bijvoorbeeld in bestaande situaties) tot een gevoelig object, bestaat de mogelijkheid om in de overdrachtsweg (bijvoorbeeld het aanleggen van een geluidwal) of ter plaatse van het gevoelige object zelf maatregelen te treffen (door het akoestisch isoleren van bijvoorbeeld een woning). Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
35
SMA-Advies
5.2.1. Akoestisch onderzoek interne geluidwering Door Adviesbureau BB&E is op 14 oktober 2024 een briefrapport opgesteld inzake de interne geluidwering tussen de betreffende woningen. In het rapport zijn een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van geluid van technische installaties
zoals
het
interne
leidingwerk
en
de
liftvoorziening.
De
aanbevelingen zien op bouwkundige voorzieningen die in acht genomen moeten worden om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit 2012/ Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Het rapport is als bijlage 3 bijgevoegd.
5.2.2
Technische installaties en voorzieningen
Het Bouwbesluit 2012/BBL stelt eisen aan het geluidniveau van (bijvoorbeeld) een buitenunit van een in gebruik te nemen warmtepomp, op de perceelgrens bij grondgebonden woningen en bij posities op deuren en te openen ramen bij aangrenzende appartementen. De maximaal optredende geluidniveaus mogen maximaal 40 dB zijn. Conform de meetmethode uit de Regeling Bouwbesluit is er voor buitenunits met een afzonderlijke instelling voor de avond en nacht (silent mode) een correctie van -5 dB toegestaan op de gemeten dagwaarde tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Voor die buitenunits geldt dus voor de dagperiode een maximum van 45 dB. De 6 woningen worden hoogwaardig en duurzaam uitgevoerd. Dat betekent dat de woning met hernieuwbare energie zoals zonne-energie worden verwarmd en voorzien van warm tapwater. Er zal gekozen worden om een centrale installatie op het dak te plaatsen, zodanig dat aan de geluideisen uit het Bouwbesluit (of BBL) kan worden voldaan en dat omwonenden geen geluidhinder ondervinden van deze voorzieningen. Zo nodig kunnen deze voorzieningen worden omkast (zoals coulissendempers). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is vooralsnog dus niet noodzakelijk.
5.2.3
Wegverkeerslawaai
Voor
verkeerswegen
(en
spoorwegen)
is
een
wettelijk
kader
(Wet
geluidhinder-Wgh/ planologisch aandachtsgebied) ontwikkeld om het aantal geluidgehinderden
ten
gevolge
van
industrielawaai,
weg-
en/of
spoor-
weglawaai te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken, zodanig dat er een prettig leefklimaat kan worden gegarandeerd. Voor verkeerswegen (en spoorwegen) is een wettelijk kader (Wet geluidhinder-Wgh/ planologisch aandachtsgebied) ontwikkeld om het aantal geluidgehinderden ten gevolge van industrielawaai, weg- en/of spoor-weglawaai te voorkomen, dan wel zo veel
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
36
SMA-Advies
mogelijk te beperken, zodanig dat er een prettig leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het plangebied is gelegen aan de Kerkstraat-Pietersplein en gelegen binnen de kern van Roggel. De rond het plangebied liggende wegen en de wegen in kern Roggel betreffende zijn op basis van de Wegenverkeerswet aangeduid als een 30 km/uur wegen. Volgens de Wet geluidhinder heeft een weg een (geluid)zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de
weg. Daarbij
wordt onderscheid
gemaakt in
binnenstedelijke wegen en wegen in het buitengebied. Voor deze wegen geldt dat bij onder andere nieuw te realiseren woningen rekening gehouden moet worden met de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Voor wegen die zijn aangemerkt als 30 km-wegen geldt deze zone niet. Feitelijk zijn deze wegen akoestisch niet relevant en dus zijn deze als het ware gedezoneerd. Akoestisch
relevante
wegen
zoals
de
Tramstraat
zijn
akoestisch
voor
wegverkeerslawaai wel relevant, echter is de afstand te groot om akoestisch enige betekenis te hebben voor het plangebied.
5.2.4
Spoorweglawaai en industrielawaai
Spoorweglawaai Het dichtstbij gelegen spoortraject waarover verkeersbewegingen plaatsvinden is gelegen op een afstand van meer dan 800 meter. Geluid ten gevolge van spoorweglawaai is vanwege de afstand van het plangebied tot de betreffende spoorlijn niet relevant om verder te beschouwen. Industrielawaai Conform artikel 40 van de Wgh ligt er rond een gezoneerd industrieterrein een zone waarbuiten de geluidbelasting ten gevolge van het industrieterrein de 50 dB(A) niet overschrijdt. Het besluitgebied valt niet binnen de geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Industrielawaai is voor het besluitgebied verder niet relevant. Gesteld wordt dat ten gevolge van geluidhinder industrie- en spoorweglawaai geen hinder wordt verwacht en dat geen overschrijdingen plaatsvinden van de binnen de daarvoor gestelde normering. Spoorweglawaai en industrielawaai vormt dus geen randvoorwaarde.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
37
SMA-Advies
5.3
Luchtkwaliteit en geur
Luchtkwaliteit Ruimtelijke plannen moeten worden getoetst aan hoofdstuk 5, titel 2, van de Wet milieubeheer (de Wet luchtkwaliteit). Dit hoofdstuk is op 15 november 2007 in werking getreden en bevat alle basisregels over luchtkwaliteit. In augustus 2009 zijn de regels aangevuld om de Europese richtlijn luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving over te nemen. De luchtkwaliteitseisen van de Wet luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor plannen wanneer de activiteiten kleinschalig zijn dan wel
“niet in
betekenende mate” bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer).
Figuur 8. Indicatieve berekening luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter hoogte van het plangebied
indicatief
de
luchtkwaliteit
bepaald.
Aan
de
hand
van
de
monitoringstool als onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), is een indicatieve berekening uitgevoerd. Hieruit
blijkt
dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel ‘grenswaarden maatgevende stoffen Wm’. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof ligt onder de grenswaarde. In de onderstaande afbeelding zijn van de meest belastende wegen de rekenpunten weergegeven. Gesteld wordt dat het onderhavige plan voor het realiseren van 6 woningen als herbestemming “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de het aspect luchtverontreiniging.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
38
SMA-Advies
Er zal ten behoeve van het gebruik van de woningen geen sprake zijn van een meetbare toename van emissie van stoffen die een negatieve invloed hebben op de luchtkwaliteit zoals de emissie van CO 2 en NOx verkeersbewegingen van voertuigen. Verder leidt het plan niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor de geplande bestemmingswijziging. Geur Met betrekking tot het aspect geur wordt gesteld dat de te realiseren woningen aangemerkt worden als geurgevoelig in de zin van de diverse wet- en regelgeving voor geur en geurhinder. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven, dan wel worden geen andere geuremitterende activiteiten gebezigd die een negatieve invloed kunnen hebben op de actuele (geur)hinderbeleving. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening speelt geur verder geen rol.
5.4 Een
Bedrijfshinder/milieuzonering goede
ruimtelijke
ordening
voorziet
ook
in
het
voorkómen
van
voorzienbare hinder en gevaar door omliggende bedrijven. Met andere woorden dient rekening te worden gehouden met de milieuzone van de voorgenomen activiteiten ten opzichte van de omliggende bedrijven. Door bij nieuwe
ontwikkelingen
voldoende
afstand
in
acht
te
nemen
tussen
milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen), kan een goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid geboden te worden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richt-afstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe ontwikkelingen een passende bestemming krijgen.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
39
SMA-Advies
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste
situering
van
de
gevel
van
een
woning
die
volgens
het
bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Uiteindelijk weegt het bevoegde gezag alle belangen mee in het besluit bepaalde ontwikkelingen wel of andere weer niet toe te staan. De omgeving van het plangebied karakteriseert zich als een gebied met verschillende functies. Om vast te stellen of omliggende bedrijven potentieel belemmerend kunnen zijn voor de gewenste ontwikkeling, is gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de uitgave “Bedrijven en Milieuzonering (VNG 2009)”. In bijlage 2 (Staat van Bedrijfsactiviteiten-kernen) van het bestemmingsplan “Kernen Leudal 2017” zijn deze richtafstanden ook verwerkt. De dichtstbij gelegen (horeca)inrichtingen (Kerkstraat 2, Hotel-restaurant De Beukelaar en 4, “Bie Briels”) zijn gelegen op ca. 10 meter westelijk van de nieuw op te richten woningen. Volgens de VNG-uitgave is de minimaal in acht te nemen afstand tot woningen van derden 10 meter. Andere bedrijven gelegen aan de Markt liggen op een grotere afstand van het plangebied. Het betreft onder andere horeca- en detailhandelsinrichtingen met een minimaal in acht te nemen afstand van 10 meter.
Foto restaurant “De Beukelaer” vanuit Burgemeester Walenberghofje
Uit de inventarisatie blijkt dat er geen bedrijven zijn die belemmerend zijn voor de gewenste ontwikkeling van de 6 woningen. Daarnaast leveren deze woningen ook geen belemmering op voor de bedrijfsactiviteiten rond het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
40
SMA-Advies
Gesteld kan worden dat het oprichten van de woningen geen belemmeringen vormt voor de omliggende bedrijven en dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen voldoende is geborgd. Het aspect milieuzonering vormt dus geen verdere randvoorwaarde bij de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Externe veiligheid
Risico’s naar de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen of het vervoer daarvan, moeten bij nieuwbouwplannen of functiewijzigingen integraal worden afgewogen. Om er zeker van te zijn dat de externe veiligheid problematiek in ruimtelijk beleid goed wordt meegewogen, is in de wet (Besluit externe veiligheid inrichtingen) de zogenaamde verantwoordingsplicht opgenomen die eisen stelt aan gegevens die over het groepsrisico verzameld moeten worden alvorens een ruimtelijk besluit genomen kan worden (art. 13 Bevi). Op
basis
daarvan
moet
door
het
bevoegd
gezag
een
schriftelijke
verantwoording worden opgesteld waarin wordt onderbouwd waarom een bepaald risico aanvaardbaar wordt geacht. De verantwoordingsplicht geldt op het moment dat de nieuwe ontwikkeling voorziet in het toevoegen van extra personen binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit (risicobron). Om risico’s zo veel mogelijk te reguleren is op 27 oktober 2004 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het Bevi verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het Bevi zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De risicovolle bedrijven zijn genoemd in artikel 2 van het Besluit. Over het algemeen gaat het om bedrijven waar (zeer) grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of bewerkt. Naast het Bevi is per 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen milieubeheer (Bevb) en de Handreiking buisleidingen in bestemmingsplannen in werking getreden. Risico wordt uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR).
Bij het plaatsgebonden risico gaat het om de kans dat een persoon overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich een jaar lang permanent en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle bron bevindt. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
41
SMA-Advies
Op 11 november 2011 is het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes. Op 3 maart 2015 is de Wet Basisnet en de betreffende regeling in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, binnenwater en spoor. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen
van
de
risico's
voor
het
vervoer
van
gevaarlijke
stoffen
(vervoerskant).
5.5.1. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) De regelgeving rond de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen volgt uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS). In de WVGS en het Bevt zijn normwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In
de
bijlagen
van
de
Regeling
Basisnet
is
opgenomen
voor
welke
transportroutes de externe veiligheidsrisico’s bepaald moeten worden. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen berekend en geanalyseerd moeten worden. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Als dat het geval is, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich binnen het invloedsgebied van een risicobron
bevindt.
Het
invloedsgebied
wordt
bepaald
door
de
1%
letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied per modaliteit is in navolgende tabellen weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
42
SMA-Advies
Tabel 5.5.1. renvooi gevaarlijke stoffen
Stofcategorie Weg, water
Invloedsgebied 1%-letaliteitsafstand (mtr) Spoor
Spoor
LF1
Weg
Water
45
35
LF2
C3
35
45
35
LT1
D3
375
730
600
880
880
>4000
n.v.t.
LT4
n.v.t.
n.v.t.
GF1
40
n.v.t.
GF2
280
65
355
90
245
n.v.t.
LT2 LT3
GF3
D4
A
>4000
460
GT2 GT3
B2
995
560
1070
GT4
B3
>4000
>4000
n.v.t.
GT5
B3
>4000
>4000
n.v.t.
Tabel 5.5.2. Invloedsgebied per stofcategorie en modaliteit.
5.5.2
Transport over wegen, waterwegen, spoorwegen
Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, spoor of weg, zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Afhankelijk van de soort stoffen die worden getransporteerd reikt het invloedsgebied voor de modaliteit water van 35 meter tot respectievelijk maximaal 1070 en 4000 meter (voor waterwegen en (spoor)wegen, zie tabel 5.5.1). geen wegen spoor)wegen of waterwegen gelegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer plaatsvindt. Het plangebied valt daarmee dus niet binnen het invloedsgebied van een weg, spoorweg of waterweg. De risico’s als gevolg van het transport over het water vormen derhalve geen aandachtspunt voor het plangebied.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
43
SMA-Advies
In de onderhavige toelichting hoeven geen bepalingen te worden opgenomen met betrekking tot externe veiligheidsrisico’s bij transport over het water vanwege de grote ruimtelijke scheiding.
5.5.3 Risicokaart Door de Limburgse gemeenten en de provincie zijn de risicovolle activiteiten in beeld
gebracht.
Er
is
inmiddels
een
landelijke
kaart
samengesteld
(www.risicokaart.nl ) van alle activiteiten die een bepaald (extern) risico met zich meebrengen.
Figuur 9. Uitsnede Risicokaart Limburg
Plangebied Het gebied rond het plangebied is geïnventariseerd op grond van de beschikbare gegevens uit de risicokaart. Hieruit is het volgende gebleken: Binnen het plangebied zelf vinden geen activiteiten plaats met gevaarlijke stoffen die externe veiligheidsrisico’s voor het plangebied of de omgeving met zich meebrengen; Bevi-bedrijven bevinden zich op minimaal 1500 meter afstand van het plangebied; In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen spoor- of waterwegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd; Het plangebied ligt niet binnen de invloedgebieden van een spoorweg of een andere (rijks) weg die is opgenomen in het Basisnet en waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid voor het planvoornemen dus verder geen randvoorwaarde vormt.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
44
SMA-Advies
5.6
Waterhuishouding
5.6.1
Europees en Rijksbeleid
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Leudal in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas (2016-2021) is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Daarnaast is het ontwerpstroomgebiedenbeheersplan vastgesteld.
Een
Rijn,
belangrijk
Maas,
Schelde
onderdeel
van
en
Eems
het
(2022-2027)
SGBP
is
een
maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Naar aanleiding van het verleden opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) zijn afspraken gemaakt over ‘het op orde brengen en het op orde houden’ van het watersysteem. Ten aanzien van wateroverlast zijn normen afgesproken, die in provinciale verordeningen zijn vastgelegd.
Het NBW betreft een standaard werkwijze die in nauwe samenwerking met de waterschappen tot stand gekomen. Het resultaat is geaccordeerd door de themagroep NBW en de Commissie Watersystemen van de Unie van
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
45
SMA-Advies
Waterschappen,
waarin
alle
waterschappen
vertegenwoordigd
zijn.
De
standaard werkwijze is een belangrijk uitgangspunt om tot een eenduidige aanpak van de toetsing te komen en een stap op weg naar uniformering. De waterschappen zijn nu aan zet om bij de toetsing van watersystemen ook daadwerkelijk gebruik te gaan maken van deze standaard werkwijze om de kwaliteit van de toetsingsmethodiek te verhogen. Daarbij zijn een aantal beleidsmatige en technische keuzen gemaakt zoals het vastleggen van een stedelijke (T100-)norm voor huizen, gebouwen en bedrijven.
Waterbeheerprogramma
2022-2027
'Limburgs
water
in
een
veranderend klimaat' Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 8 december 2021 vastgesteld. Het betreft het centrale beleids- en uitvoeringsplan van het waterschap. Met dit
Waterbeheerplan
zet
het
waterschap
de
koers
uit
voor
een
toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe invulling gegeven wordt aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Uitgegaan
wordt
van
de
voorkeursvolgorde vasthouden-
bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden- schoonmaken. Door klimaatverandering worden meer heftige buien en hitte verwacht.
Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still-beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de
lozing
uit
een gebied
niet
toe
mag nemen. Ook bij
kleine
ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Het waterschap hanteert bij ver- en nieuwbouwplannen een aantal beleidsuitgangspunten zoals het gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het lokaal verwerken van schoon hemelwater.
In het aan de orde zijnde planvoornemen zal het regenwater van dakvlakken (zo veel mogelijk) binnen het plangebied worden opgevangen. Daartoe wordt vanwege
het
plaatselijk
ruimtegebrek,
een
verticaal
infiltratiesysteem
ontworpen dat in overleg met de gemeente verder wordt uitgewerkt. Bij
de
verdere
uitwerking
zal
rekening
gehouden
worden
met
de
uitgangspunten van het waterbeheerprogramma van het waterschap.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
46
SMA-Advies
5.6.2
Regionaal en gemeentelijk beleid
5.6.2.1
Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021
Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, zijnde het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdend-stroomgebied-benadering door middel van een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden
voor
natuurlijke
processen
in
het
watersysteem,
moet
het
solidariteitsprincipe in acht worden genomen en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. 5.6.2.2
Gemeentelijke uitgangspunten omgang met hemelwater
Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om
de
waterbelangen
(hemelwater
en
grondwater)
bij
ruimtelijke
ontwikkelingen te borgen, dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in principe de watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in de waterparagraaf. Voorwaarden watertoets Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen:
Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur;.
Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging / infiltratie eis T=25 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 50 mm in 2 uur;
Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui;
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
47
SMA-Advies
Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen;
Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag;
Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden;
Vrijkomend vuilwater (toiletten, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente.
5.6.2.3
Hemelwater
Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt, dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé-percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. De gemeente Leudal houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan:
hergebruiken;
bergen en infiltreren in de bodem of aanleg van groene daken;
noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratie-voorziening;
lozen naar oppervlaktewater;
geknepen lozen op de riolering.
Pas wanneer uit onderzoek blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is, mag het hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het overtollig hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. In deze situatie wordt minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden. Plangebied Voor het plangebied geldt dat na realisering van de woonappartementen het bebouwd
oppervlak
ten
opzichte
van
de
bestaande
situatie
toeneemt
Afkoppelen van bestaande bouw/ afvoer is deels verplicht. In beginsel vindt afvoer van hemelwater van de bestaande bouw plaats via de bestaande voorzieningen. In de bestaande situatie (laagbouw) wordt ca. 112 m2 regenwater van dakvlakken geloosd via het bestaande riool.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
48
SMA-Advies
Het nieuwe woongebouw heeft een bebouwd oppervlak van ca. 370 m2 waarmee het te bebouwen oppervlak toe zal nemen met 263 m2. Om indicatief vast te stellen welke hoeveelheden regenwater gebufferd moet worden, zal uit worden gegaan van het dakoppervlak/ bebouwd gebied van 370 m2. Daarmee wordt dus het hemelwater van het totaal bebouwd oppervlak opgevangen en tijdelijk binnen het plangebied gebufferd. Hoe vervolgens het te bufferen hemelwater
binnen
het
plangebied
wordt
geïnfiltreerd,
is
niet
geheel
uitgewerkt. Voor de berging in kratten onder verharding is binnen het plangebied te weinig ruimte. Gezocht wordt naar een mogelijkheid om het hemelwater diep(er) te infiltreren.
Indicatieve berekening berging hemelwater Bergingseis T= 50 in 45 min.
50,00
Bergingseis T=100 in 30 min.
mm 100,00
mm
Dakoppervlak woongebouw ca.
370,00
375,00
m2
Benodigde waterberging
18,50
37,50
m3
Afgerond
19,00
38,00
m3
Indicatieve berekening uitgaande van ca. 370 m2 dakoppervlak.
Uit de indicatieve berekening blijkt dat ca. 38 m3 hemelwater binnen het plangebied vrij kan komen, rekening houdend met een bergingseis van 100 mm per m2. De te ontwerpen infiltratievoorziening dient dus uit te gaan van een bergingscapaciteit
van 38
m 3.
Vanwege
ruimtegebrek binnen het
plangebied is met de gemeente afgesproken dat voor de benodigde berging van hemelwater gerekend mag worden met 50 mm, hetgeen betekent dat alsnog minimaal 19 m3 hemelwater binnen het plangebied moet worden gebufferd. Het bergen en uiteindelijk infiltreren van het hemelwater in de bodem kan worden uitgevoerd met infiltratiekratten waarboven infiltrerende beklinkering wordt aangebracht om ook het te bergen hemelwater van verhardingen vlot in de ondergrond te infiltreren.
Locatie infiltratiekratten tbv berging hemelwater van dakvlakken tpv de achtergevel ca. 19-20 m3
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
49
SMA-Advies
Om vast te stellen op welke diepte ten opzichte van maaiveld het hemelwater het beste kan worden geïnfiltreerd, is door adviesbureau Sweko op 24 januari 2025
een
waterdoorlaatbaarheidsonderzoek
uitgevoerd
(rapportkenmerk
27372.001, d.d. 29-01-2025). Waterdoorlaatbaarheidsonderzoek 29-01-2025 Uit het waterdoorlaatbaarheidsrapport blijkt de waterdoorlatendheid van de bodem ter plaatse van het plangebied over het algemeen is geclassificeerd als matig
tot
vrij
goed
doorlatend.
Op
basis
van
de
resultaten
uit
het
waterdoorlatendheidsonderzoek is gesteld dat de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt is geacht voor de infiltratie van hemelwater.
De
gemeente stelt dat daarmee in voldoende mate is aangetoond is dat de ondergrond geschikt is om het hemelwater te infiltreren. Het rapport van het waterdoorlaatbaarheidsonderzoek is opgenomen als bijlage 11. 5.6.2.4 De
Grondwater
perceeleigenaar
is
zelf
verantwoordelijk
voor
het
tegengaan
van
grondwateroverlast en/of –onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn. Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of Waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden.
De
ontwikkeling
mag
geen
negatieve
invloed
hebben
op
de
grondwaterstand en op de grondwaterkwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Volgens het rapport Verkennend bodemonderzoek van 2 januari 2024 (zie bijlage 2), geldt voor deellocatie C dat ten tijde van het veldwerk, grondwater is aangetroffen op ca. 1.80 meter minus maaiveld. In eerste instantie speelt grondwater voor het planvoornemen geen rol. Afhankelijk van het aan te leggen funderingstype zijn alsnog maatregelen nodig om bijvoorbeeld de bouwput droog te houden.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
50
SMA-Advies
Plangebied Voor het plangebied geldt dat na realisering van de woningen het bebouwd oppervlak met ca. 263 m2 toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Regenwater van verhardingen en bebouwde oppervlakten worden opgevangen in een berging met een bergend vermogen van minimaal 100 mm van het aangesloten verhard oppervlak. Dat betekent dat, rekening houdend met een bebouwingsoppervlak van 375 m2, ca. 38 m3 hemelwater binnen het plangebied (zie vorige paragraaf). Op basis van het POL2024 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 80 meter (in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei) dient schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien geen grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn dieper dan 80 meter. In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Conform de 'Leggerkaart' van het Waterschap Limburg blijken er daarnaast geen primaire waterlopen gelegen te zijn binnen of rondom het
plangebied. In de
toekomstige situatie wordt ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Conclusie In het kader van de onderhavige ontwikkeling zijn er vooralsnog geen negatieve consequenties op de waterhuishouding.
5.7
Archeologie en cultruurhistorie
De Erfgoedwet is op juli 2016 in werking getreden. De erfgoedwet is de opvolger van de Monumentenwet 1988. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het gaat om een wet die regelt hoe het Rijk, provincies,
gemeenten en ook eigenaren bij ruimtelijke
plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de (Limburgse) bodem. De gemeenten zijn bij deze wet in principe aangewezen als bevoegd gezag en moeten de archeologische belangen op een goede manier verweven en mee laten wegen in het ruimtelijk beleid.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
51
SMA-Advies
Voldoende duidelijk moet zijn dat met de ontwikkelingen geen archeologische waarden worden bedreigd. Volgens de Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart ligt het plangebied (deelgebied C) voor een deel binnen een AMKterrein (terrein van hoge archeologische waarde en historische kernen).
Figuur 10. Uitsnede Verwachtingskaart Leudal, gebied met een hoge archeologische verwachting
In deze gebieden geldt dat archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen in stand gehouden en beschermd moeten worden. In deelgebied C was sinds eind 18 e eeuw een gebouw aanwezig. Mogelijk zijn nog oude funderingsresten van dit voormalige gebouw aanwezig. Voor deelgebied C geldt derhalve een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Voldoende
duidelijk
moet
ook
zijn
dat
met
de
ontwikkelingen
geen
archeologische waarden worden bedreigd. Binnen het besluitgebied liggen de dubbelbestemmingen ‘Waarde–Archeologie 4’ en ‘Waarde–Archeologie 5’. Binnen de eerst genoemde dubbelbestemming geldt een onderzoeksverplichting ingeval de te verstoren oppervlakte groter is dan 250 m 2 en dieper is dan 40 cm onder het maaiveld. Ten aanzien van de tweede dubbelbestemming geldt een onderzoekversplichting ingeval de te verstoren oppervlakte groter is dan 1000 m2 en dieper is dan 40 cm onder het maaiveld. In beginsel mogen zonder omgevingsvergunning binnen de te beschermen gebieden geen nieuwe gebouwen (b.v. woningen) worden opgericht (artikel 28.2.a. bestemmingsplan).
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
52
SMA-Advies
De planvorming heeft betrekking op het vervangen van een bestaand bouwwerk waarbij de voetprint van het bouwvlak in principe niet wijzigt. Ten behoeve van het realiseren van de huidige bebouwing is de ondergrond deels al geroerd. Archeologisch bureauonderzoek Gezien de ligging binnen de laatmiddeleeuwse historische dorpskern van Roggel en de aanwijsbaar aanwezige bebouwingsresten uit de 18 e eeuw, is door Aeres Milieu op 17 januari 2024 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Vastgesteld is dat ter plaatse van het plangebied al vanaf het jaar 1800 bebouwing aanwezig is. Gesteld is dat mogelijk nog oude funderingsresten aanwezig zijn. Voor dit deelgebied geldt derhalve een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd. Verder zijn op basis van het onderzoek een aantal aanbevelingen gedaan. Zo is gesteld dat er een proefsleuvenonderzoek nodig is waarvoor een zogenoemd Programma van Eisen (PvE) moet worden opgesteld. Programma van Eisen Het rapport Programma van Eisen is door Adviesbureau Aeres Milieu opgesteld op 20 juni. Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting die worden uitgevoerd door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied.
Het PvE is inmiddels door de gemeente akkoord bevonden. Bodemverstorende werkzaamheden (zoals ook de sloop van het bestaande pand) moeten worden uitgevoerd volgens het vastgestelde PvE en op aanwijzing van betreffende
de begeleidende archeoloog. Na het uitvoeren van de
werkzaamheden
bepaalt
de
begeleidende
archeoloog
de
vervolgstappen hetgeen kan betekenen dat het terrein wordt vrijgegeven en getart kan worden met de bouw van het woongebouw. Ook kan worden gesteld dat nader onderzoek noodzakelijk is vanwege archeologische
vondsten, dan wel archeologische vondsten opgegraven
moeten worden of in situ behouden moeten blijven. Een en ander kan gevolgen hebben voor de voortgang van het uit te voeren project. Het rapport Programma van Eisen is opgenomen als bijlage 5.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
53
SMA-Advies
Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving cultuurhistorische elementen aanwezig. Het gebouw waarin de verbouwing is voorzien maakt deel uit van een ‘gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’. Daarnaast is de Kerkstraat, de Markt en de Raadhuisstraat ouder dan 1860’. Het planvoornemen heeft geen negatief effect op de rondom aanwezige cultuurhistorische elementen. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.8 De
Ecologie Wet
natuurbescherming
heeft
tot
doel
om
beschermde
flora-
en
faunasoorten en gebieden te beschermen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen tot gevolg hebben dat beschermde gebieden en/of beschermde soorten in het geding
komen.
Indien
dergelijke
soorten
aanwezig
zijn
en
door
de
voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wezenlijk worden bedreigd, kan het zijn dat er een ontheffing moet worden aangevraagd bij de Provincie Limburg. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied van de kern Roggel. Het is niet ondenkbaar dat met de voorgenomen bouwplannen bepaalde planten dan wel dieren worden verstoord of verjaagd. Mede gezien het voormalig gebruik als hotel/ locatie waar mensen samen komen, de direct omliggende bebouwing en verharding en de afwezigheid van betekenisvolle groenvoorzieningen, worden ter plaatse van het plangebied geen (negatieve) effecten verwacht
op
de
direct in de
omgeving
bevindende
habitats,
ecosystemen en beschermde gebieden zoals de Ecologische Hoofdstructuur, Natura 2000 gebieden en beschermde Natuurmonumenten. Soortenbescherming Als het gaat om soortenbescherming is het niet ondenkbaar dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten flora en fauna. De ingreep kan namelijk een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden. Door
Aeres
Milieu
is
november
2023
een
Quickscan
natuurwetgeving
uitgevoerd (bijlage 6). De ingreep kan namelijk een negatief effect hebben op beschermde
natuurwaarden
(plant-
en
diersoorten
en
bijbehorende
leefgebieden) en beschermde gebieden.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
54
SMA-Advies
5.9
Natuur en landschap
De Wet Natuurbescherming (Wnb) vormt in Nederland het wettelijke kader voor o.a. de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning (artikelen 2.7 en 5.6 Wnb). Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura-2000 gebied. Het dichtstbij gelegen Natura-2000 gebied (Leudal, gebiedsnr. 147) is gelegen op ca. 840 meter.
Figuur 11. N-2000 geieden. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (blauw en rood weergegeven). Dichtstbij gelegen N-2000 gebied Leudal op ca 840 meter
Aannemelijk is het dat de voorgenomen ontwikkeling mede gezien de relatief grote afstand naar verwachting geen negatieve effecten op de omliggende groenzones heeft die behoren tot
de
oostelijk gelegen
Natuurnetwerk
Nederland (NNN- voormalig EHS) dan wel de Natura 2000-gebieden. In het rapport van Aeres Milieu wordt gesteld dat binnen het plangebied mogelijk
zoogdieren
en
amfibieën
voorkomen
die
onder
de
Wet
natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Limburg een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verleend.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
55
SMA-Advies
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen(artikel 1.11 Wnb) , moeten dieren die tijdens de uit te voeren werkzaamheden worden
aangetroffen, zo snel
mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. In de opgaande vegetaties in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de opgaande vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. In het rapport wordt aangegeven dat scholeksters soms broeden op platte kiezeldaken. Op de te slopen laagbouw is een kiezeldak aangelegd. Gesteld wordt dat het plat dak tijdens het broedseizoen mogelijk gebruikt wordt door voor het nesten van scholeksters. Scholeksters en hun eieren zijn jaarrond beschermd. Onbewoonde nesten van scholeksters zijn niet jaarrond beschermd Verstoring van broedende scholeksters en/of vernietiging van hun jongen en/of eieren kan worden voorkomen door de kiezels van het plat dak te verwijderen buiten de periode 15 april–1 juli (zijnde het het broedseizoen van de scholekster). Vervolgens kan het gebouw gedurende het hele jaar worden gesloopt. Door zo te handelen wordt voorkomen dat de (zorgplicht) regels van de Wnb worden nageleefd en toegepast.
In dat kader dient ook de zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000 gebieden, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten.
5.9.1
Stikstofemissies bouwfase en realisatiefase
Op 2 november 2022 is het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (1-72021) in de Porthoszaak door de Raad van State vernietigd. Dat besluit regelde de daarin opgenomen resultaatsverplichtingen om uiteindelijk in 2035, 74% stikstofemissie te reduceren. Voor bouwprojecten in de bouw-/ aanlegfase was in het besluit een vrijstellingsregeling opgenomen. Deze
vrijstelling
is
komen
te
vervallen
waardoor
nu
ook,
naast
de
exploitatiefase voor de bouwfase, een stikstofberekening uitgevoerd moet worden om vast te stellen of deze van invloed zijn op stikstofdepositie ter plaatse van Natura-2000 gebieden.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
56
SMA-Advies
Aeriusberekening stikstofonderzoek Door Kragten is op
23 oktober 2024
een stikstofdepositie onderzoek
uitgevoerd. (zie bijlagen 8). Het onderzoek heeft betrekking op een 3 deelgebieden zoals beschreven. Onderhavig deelgebied is opgenomen als deelgebied C. Uit de uitgevoerde berekening, naar de beoogde situatie in rekenjaar 2025 en 2026, volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Stikstofemissies ten gevolgen van het gebruik leiden derhalve ook niet tot stikstofdepositie in de beoogde eindsituatie. Uit de uitgevoerde berekening naar de aanlegfase in rekenjaar 2024, blijkt dat ten gevolge van de aanlegfase een stikstofdepositie van ten hoogste 0,03 mol stikstof/ha/jaar plaatsvindt in het Natura 2000gebied “Leudal”. Op basis van de rekenresultaten en ecologische beoordeling kunnen op basis van de voortoets significant negatieve gevolgen op voorhand worden uitgesloten. Er is conform de Omgevingswet sprake van zogenoemde “Geen Natura 2000activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied”. Een vergunning Natura 2000activiteit is derhalve niet noodzakelijk. De berekende depositie heeft betrekking op de 3 deelgebieden zoals deze in het rapport zijn opgenomen. De bijdrage van deelgebied C, zijnde het aan de orde zijnde plangebied, ligt feitelijk op ca. 840 meter van het Natura-2000 gebied “Leudal” waardoor de bijdrage aan de berekende depositie naar verwachting neerkomt op 0,00 mol-stikstof/ha/jaar.
Voor het onderhavige plangebied hoeft daarom ook geen aanvraag Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. 5.10
Duurzaamheid en energie
In Nederland wordt er jaarlijks steeds meer stroom verbruikt, het merendeel daarvan is duurzame energie. Energie is duurzaam wanneer het opgewekt wordt door energiebronnen die niet schadelijk zijn voor het milieu en per definitie herbruikbaar zijn. Duurzame energie wordt steeds belangrijker omdat de fossiele brandstoffen steeds meer opraken. Energietransitie is het principe van het verschuiven van de energieopwekking van fossiel naar volledig duurzame energie. Onderhavig planvoornemen voorziet er in dat de benodigde energie in de exploitatiefase volledig wordt gehaald uit eclectische energie van hernieuwbare bronnen zoals zonne-energie. Sinds 1 februari 2022 geldt de eis dat het gebruik van hernieuwbare energie verplicht is indien een ingrijpende renovatie plaatsvindt. De verplichting vloeit voort uit de EU-richtlijn Renewable Energy Directive II (RED II). Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
57
SMA-Advies
Deze verplichting geldt alleen als meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil verandert. Bovendien moet de verandering op de integrale gebouwschil zijn uitgevoerd. Hernieuwbare energie (HE) is duurzame of groene energie die afkomstig is van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld. Hiervoor zijn verschillende technieken te gebruiken, zoals zonnepanelen, een warmtepomp of een warmtenet. Zoals al aangegeven worden, nog los van de genoemde
voorwaarden,
de
woningen
naar
verwachting
“all-in-electric”
uitgevoerd en worden ten behoeve daarvan op een deel van het bestaande dakvlak PV-cellen en per woning een warmtepomp met warmteterugwinningsinstallatie geïnstalleerd. Het bouwplan zal voldoen aan de laatste eisen ten aanzien van duurzame woningbouw. Er wordt geen aardgas gebruikt. In die zin voldoet het planvoornemen aan het uitgangspunt alleen gebruik te maken aan hernieuwbare energie.
5.11
Verkeer, infrastructuur en parkeerbeleid
Op basis van de Planwet Verkeer en Vervoer (1998, hierna: Planwet)
is
vastgesteld dat nationale, regionale en lokale overheden samenhangend en uitvoeringsgericht beleid dienen te voeren en dit moeten vastleggen in een verkeers- en vervoerplan. Op 5 juli 2016 heeft de gemeente Leudal de Nota Parkeernormen 2016 vastgesteld waarin de parkeernormen opgenomen voor motorvoertuigen en fietsen. Het doel van de gemeentelijke parkeernota is inzicht te geven in de verwachte parkeerbehoefte op een gemiddelde weekdag van bouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen die plaats vinden binnen de gemeente Leudal. De insteek is dat bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plan wordt zorggedragen voor voldoende parkeergelegenheid voor de auto en de fiets. Indien het niet mogelijk is om binnen het plangebied de parkeervraag op te lossen kan bezien worden of alsnog in de openbare ruimte de aanvullende parkeervraag kan worden opgelost. De gemeentelijke parkeernota (Parkeernota Leudal 2016) maakt ook deel uit van
het
Bestemmingsplan
(bijlage
6).
Het
plangebied
is
volgens
de
parkeernota gelegen binnen het deel dat als “Centrum” is aangemerkt en gaat het daarbij om een “matig stedelijk” gebied. In de Parkeernota zijn de parkeernormen opgenomen voor motorvoertuigen en fietsen.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
58
SMA-Advies
Figuur 20. ligging plangebied binnen “Centrum”, “matig stedelijk” gebied
Het doel van de gemeentelijke parkeernota is inzicht te geven in de verwachte parkeerbehoefte van bouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen die plaats vinden binnen de gemeente Leudal. Parkeerbehoefte nieuwe woonappartementen Voor de nieuw te realiseren woonappartementen geldt volgens de parkeernota een norm van 1,8 parkeerplaatsen per woning4. Dat betekent dat afgerond binnen het plangebied 11 (10,8 afgerond is 11) parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden5. Binnen het plangebied is per woonappartement 1 parkeerplaats voorzien. In totaal zijn binnen het plangebied dus 6 parkeerplaatsen beschikbaar. Er kan met andere woorden niet aan de parkeernorm van de parkeernota worden voldaan. Buiten het plangebied moeten dus nog 5 parkeerplaatsen beschikbaar worden gesteld om voldoende parkeerplaatsen te genereren. Gebruikgemaakt kan worden van de parkeerplaatsen ter plaatse van het Pietersplein.
4
Parkeernota Leudal 2016. Uitgegaan wordt van koopwoningen, etage-middelduur met een norm van 1,8 parkeerplaatsen per woonappartement 5 1,8 parkeerplaatsen per woonappartement x 6 appartementen = 10.8, parkeerplaatsen. Afgerond volgens de afrondingsregels Parkeernota 2016, zijn dat in totaal 11 parkeerplaatsen.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
59
SMA-Advies
Foto parkeerplaatsen Pietersplein, noordelijk van het plangebied
Voor het parkeren/ stallen van fietsen kan gebruik worden gemaakt van de bergingen aan de zuidzijde van het plan. Daarvan is per woonappartement 1 berging beschikbaar. Parkeeronderzoek Pietersplein Door “Groen Licht Verkeersadviezen” is in opdracht van de gemeente Leudal in oktober 2023 een parkeerdrukmeting uitgevoerd (zie bijlage 8) in het kader om ter plaatse van het Pietersplein 10 woningen te ontwikkelen op een daar gelegen grasveld. De (8) privé-parkeerplaatsen van restaurant “De Beukelaer” zijn daarbij ook betrokken (sectie 242). Uit het onderzoek blijkt dat (onder andere) ten behoeve van het parkeer van auto’s voor klanten die het restaurant bezoeken, ook gebruik maken van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Binnen 100 meter (loopafstand voor “wonen”) van het plangebied zijn voldoende parkeerplaatsen zijn voor het parkeren van een tweede auto. Mogelijk dat dan een grotere afstand dan 100 meter (te voet) afgelegd moet worden om de woonappartementen te bereiken. Per saldo kan worden gesteld dat met gebruikmaking van de (gratis) parkeerplaatsen in de openbare ruimte alsnog aan de parkeernorm kan worden voldaan. Voor de planontwikkeling is het parkeren van voertuigen ten behoeve van de woonappartementen geen belemmering.
Benodigd aantal parkeerplaatsen bestaande- en gewenste situatie Voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen die in de huidige situatie beschikbaar zijn, is (zover mogelijk) gerekend met de parkeernormen uit de nota. Voor de berekeningen is het hotel en restaurant “De Beukelaer” buiten beschouwing gebleven, deze worden namelijk niet bij het planvoornomen betrokken.
Ruimtelijke onderbouwing plan 6 woonappartementen Pietersplein 6-16, Roggel
60
SMA-Advies
Het zalencomplex met kegelbaan heeft een huidig oppervlak van ca. 406 m 2. Er is gekozen om 203 m2 bvo aan te houden voor het zalencomplex. Voor de kegelbaan is geen parkeernorm opgenomen. Er is aangesloten bij de categorie ‘bowlingcentrum’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per bowlingbaan c.q. kegelbaan. Voor de zaal is, aangesloten bij de categorie ‘café/bar/cafetaria’. Voor deze categorie geldt een parkeernorm van 7 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor de zaal zijn dus 14 parkeerplaatsen (7 x 2) nodig.
Uitsnede 6 nieuwe parkeerplaatsen ( A t/m F) en 6 bergingen (A t/m F) voor de betreffende woonappartementen
In de gewenste situatie is er dus een afname van in totaal 5 parkeerplaatsen (31 %) ten opzichte van de bestaande situatie. De parkeerdruk neemt door het planinitiatief wezenlijk af. De 5 benodigde (extra) parkeerplaatsen in de openbare