Toelichting en bijlagen Campuskwadrant 131221 VA verkleind
Tekst van het document
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
25
Het plaatsgebonden risico als gevolg van dit spoortraject levert gezien de afstand tot het projectgebied, geen belemmering op voor de planontwikkeling. Naast het plaatsgebonden risico geldt langs de spoorlijnen waarover veel zeer brandbare vloeistoffen vervoerd (kunnen) worden (meer dan 3.500 ketelwagenequivalenten brandbare vloeistoffen, stofcategorie C3) een vast plasdrasaandachtsgebied (PAG) tot 30 meter ter weerszijden van de spoorbaan. In het voorliggende geval leidt dit PAG - op grond van het aantal transporten C3 én de kleinste afstand tussen het plangebied en de spoorlijn van circa 160 m, niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van het plan. Groepsrisico Voor de berekening van de hoogte van het groepsrisico is inzicht nodig in de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de transportas voor gevaarlijke stoffen. De groepsrisico-inventarisatieafstand is de afstand tussen de spoorlijn en de grens van het invloedsgebied. Onder het invloedsgebied wordt verstaan: het gebied waar dodelijke slachtoffers kunnen vallen als gevolg van een ongeluk met een gevaarlijke stof. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt (1% letaliteitsgrens). Binnen dit gebied worden de personen meegeteld voor de hoogte van het groepsrisico.
In de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. De ligging van het invloedsgebied is per stofcategorie in onderstaande tabel opgenomen. stofcategorie
Invloedsgebied (m)
A B2 B3 C2 C3 D4
460 995 >4.000 35 375 >4.000
Uit bijlage II Tabel Basisnet Spoor, zoals opgenomen in de Regeling basisnet, blijkt dat op het traject Weesp-Hattem (Route 40) de volgende transporten structureel plaatsvinden: Spoorlijn
Route 40 WeespHattem
Stofcategorie
A 1.430
B2 910
B3 0
C2 5.620
Warmte-Koude Bleve Verhouding C3 1.110
D4 180
A 0
B2 0,84
Op basis van de transporten blijkt dat over het spoor toxische stoffen worden vervoerd. De toxische stoffen bepalen de begrenzing van het invloedsgebied. Uit de tabel blijkt dat als gevolg van het transport van D4-stoffen de maximale grens van het invloedsgebied 4.000 m bedraagt. De personen binnen dit gebied worden meegeteld voor de hoogte van het groepsrisico. Voor de hoogte van het groepsrisico is een berekening uitgevoerd (zie bijlage 7). De resultaten daarvan zijn als volgt:
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
26
-
-
-
Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is meer dan 10% van de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico niet toeneemt, hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. Het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Het plangebied ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied.
Advies Brandweer Flevoland Het gebied van Campuskwadrant ligt in het effect- en invloedsgebied van het spoor waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor de scenario’s waarbij een gifwolk vrijkomt, of een explosie plaatsvindt, heeft Brandweer Flevoland geadviseerd om de volgende maatregelen in het bestemmingsplan over te nemen: 1. 2. 3. 4. 5.
Een voorziening om de bewoners tijdig te waarschuwen bij een incident op het spoor, bijvoorbeeld een alarm in de gangen; Een voorziening om de mechanische ventilatie uit te schakelen bij een gifwolk; Een voorziening (aan de risicozijde) om bij een explosie letsel door scherfwerking te voorkomen; Voldoende vluchtwegen (uitgangen) van voldoende capaciteit te realiseren aan de risicoluwe zijde. Dus van het spoor af; Het scenario gifwolk/explosie dient te worden opgenomen in het ontruimingsplan (in overleg met de Brandweer Flevoland op te stellen).
Conclusie Het project voldoet aan het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico in zowel de huidige als toekomstige situatie is meer dan 10% van de oriëntatiewaarde. Omdat het groepsrisico niet toeneemt, hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.9
Trillingshinder
In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Wel dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. ProRail adviseert doorgaans indicatief onderzoek te doen naar de te verwachten trillingsniveaus, waarbij specifiek wordt gekeken naar de locatie en de bouwkarakter-istiek van de te realiseren woningen. Als de te verwachten trillingsniveaus groter zijn dan de na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouw-research (SBR), dan zouden eisen / maatregelen in de uitwerking van het plan kunnen worden overwogen aan de woningen. Trillingsbronnen In het plangebied worden geen nieuwe trillingsbronnen toegevoegd. Een indicatief onderzoek naar de gevolgen van het bestemmingsplan voor omliggende trillingsgevoelige functies is derhalve niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
27
Trillingsgevoelige functies Bij trillingsgevoelige gebouwen gaat het bijvoorbeeld om woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, en kinderdagverblijven. In dit bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Spoorwegverkeer kan trillingen in de bodem veroorzaken. Doordat de trillingen zich verder in de bodem ver-spreiden, kunnen gebouwen en personen in de omgeving daar hinder van ondervinden. Het plangebied ligt in de nabijheid van het tracé van de Hanzelijn, de spoorlijn van Lelystad naar Zwolle, op een indicatieve afstand van circa 180 m ten opzichte van het spoor. In de ‘Handreiking Nieuwbouw en spoortrillingen’ (mei 2019, Ministerie van Infra-structuur en Waterstaat) wordt geadviseerd om voor ontwikkelingen die op minder dan 100 meter van het spoor liggen, onderzoek naar trillingshinder uit te voeren. Volgens de handreiking geldt dat appartementencomplexen trillingsgevoelig kunnen zijn. De mate waarin, is afhankelijk van de grootte van de gebouwen. Over het algemeen zijn bij appartementencomplexen (middel)zware funderingen en een stijve draagconstructie te verwachten. Resultaten reeds verricht onderzoek gebouw A In februari 2021 is reeds een quickscan naar trillingshinder uitgevoerd, specifiek voor gebouw A (Grietenij).
Voor de realisatie van dit gebouw is destijds een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waar dit onderzoek onderdeel van was. De conclusie van deze quickscan is dat op de bouwlocatie De Grietenij een verwaarloosbaar risico met betrekking tot spoortrillingen is. De afstand van het dichtstbij het spoor liggende bouwblok A is met 125 m zeer groot en trillingssterkten in de bodem (op maaiveld) zijn op deze afstand al gezakt onder de voelbaarheidsgrens. Alleen goederentreinen zijn op deze afstand hooguit nog enigszins meetbaar. Reizigerstreinen zullen op deze afstand niet te onderscheiden zijn van het achtergrondniveau en de invloeden van het overige wegverkeer. Specifiek trilgedrag (resonanties) van de gebouwconstructie zal geen dusdanige invloed hebben dat trillingssterkten in de appartementen tijdens de goederentreinpassages tot boven de streefwaarde uit de SBR-B voor de nachtperiode uitstijgen. Conclusie: omdat gebouw A het dichtst bij het spoor ligt, kan worden aangenomen dat de conclusies van dit rapport zeker ook gelden voor de realisatie van de gebouwen B tot en met G. Hiermee wordt voldaan aan de SBR-B. Er is dan ook geen aanleiding tot het doen van vervolgonderzoek met betrekking tot trillingen.
4.10
Water
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
28
Het bestemmingsplan is op 30 juli 2021 digitaal aangemeld bij het Waterschap Zuiderzeeland. De ontvangen uitgangspunten zijn in bijlage 8 opgenomen. Daaruit is gebleken dat voor het plan de normale procedure van toepassing is. Over de afstemming van de uitgangspunten voor riolering en de benodigde watercompensatie heeft tussen de gemeente en het waterschap diverse afstemmingen plaatsgevonden. Het waterschap heeft via de brief van 13 augustus 2021 een positief wateradvies gegeven. De ontvangen adviezen zijn verwerkt in deze waterparagraaf. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie water-thema's 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Thema 1: Veiligheid Veiligheid - primaire waterkeringen op orde Het plangebied ligt niet buitendijks. Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema 2: Voldoende water Wateroverlast Als met een ontwikkeling binnen het stedelijk gebied sprake is van een netto toename van meer dan 750 m² verhard oppervlak, dan dienen – om wateroverlast in de toekomst te voorkomen - compenserende maatregelen te worden getroffen (=6% van het totaal aan netto toename van het verhard oppervlak).
Het bestaande plangebied bestaat overwegend uit grasveld, met daaraan ondergeschikt voetpad- en wegverharding. Met de realisatie van de nieuwbouw is per saldo sprake van een toename van de verharding. De toename bestaat uit een de realisatie van bebouwing, de aanleg van bestrating en parkeerplaatsen. In totaal neemt de totale verharding toe met circa 16.720 m2. Conform de uitgangspunten van de watertoets wordt een totale watercompensatie van circa 1.000 m2 gerealiseerd ten behoeve van de extra waterbuffering en waterbergend oppervlak. In het plangebied zelf wordt rondom gebouw B een watercompensatie van 424 m2 gerealiseerd. De rest van de watercompensatie is voorzien in Campus Zuid, ten zuiden van de Larserdreef. Dit nieuwbouwgebied krijgt hetzelfde waterpeil als de omgeving van het plangebied. De gemeente Lelystad dient hiervoor een verzoek voor een watervergunning bij het waterschap Zuiderzeeland in. Campus Zuid zal in de toekomst hetzelfde waterpeil als het Campuskwadrant krijgen. In het kader van klimaatadaptief beheer van de openbare ruimte krijgt met name de voor te stellen materialisering de nodige aandacht. Bijvoorbeeld de toepassing van waterdoorlatende bestratingen/verhardingen ten behoeve van de parkeerplaatsen.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
29
B
Ligging van het compensatiegebied Blauw = extra waterberging rondom gebouw B (aansluitend op bestaande sloot langs Gordiaandreef)
Compensatiegebied in Campus Zuid B: totaal 1.135 m2 compensatie t.b.v. Campuskwadrant gebouwen B t/m G
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
30
Goed functionerend watersysteem Binnen en buiten het plangebied wordt nieuw water aangelegd (als compensatie voor de toename van de verharding), inclusief verbindingssloten. Dit wordt nieuw stedelijk water. Anticiperen op watertekort Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen. Thema 3: Schoon Water In het project zijn meer dan 50 parkeerplaatsen op het maaiveld voorzien. Het hemelwater dat op de parkeerplaatsen terecht komt, wordt geïnfiltreerd in de bodem. Goede structuurdiversiteit en oppervlaktewaterkwaliteit Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. In het plangebied wordt 424 m2 extra water toegevoegd.
Dit betreft de uitbreiding van een bestaande sloot langs de Gordiaandreef. Er wordt geen water gedempt. Goed omgaan met afvalwater In het gebied is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het project wordt op dit stelsel aangesloten. In het project worden geen uitlogende materialen gebruikt.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. De gemeente Lelystad heeft in 2008 haar beleid vastgelegd in het document “Archeologische monumentenzorg in Lelystad". In het bestemmingsplan Lelystad Midden-West (gedeeltelijk) is geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en top 10-locaties. Daarnaast heeft het plangebied een lage verwachtingswaarde voor archeologische vondsten. In het bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie’ opgenomen. Voldaan wordt aan het gemeentelijke beleid “Archeologische monumentenzorg in Lelystad. Nader onderzoek is niet nodig. In 1980 is bij werkzaamheden in het plangebied een scheepswrak aangetroffen. Het wrak van het zeventiende-eeuws beurtschip, bekend als OB71, is in 1981 in zijn geheel geborgen. De vondstlocatie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
31
Cultuurhistorie Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. De inrichting van dit terrein en het ontwerp van de gebouwen voldoen aan de gestelde stedenbouwkundige en architectonische randvoorwaarden, passend bij de karakteristieke kenmerken van de stedenbouwkundige structuur van het Campuskwadrant en de omgeving daarvan. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waarden waarmee in het plangebied rekening gehouden moet worden.
4.12
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet Natuurbescherming. Doel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland, 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en 3. Vereenvoudiging van regels. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen en ook niet nabij Natura 2000-gebieden. De 3 dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (IJsselmeer, Markermeer & IJmeer en Oostvaardersplassen) liggen ieder op een afstand van meer dan 3 kilometer. Het aspect gebiedsbescherming geeft – gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot het Natura 2000-gebied - geen belemmeringen. Soortenbescherming Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming betreft de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”.
Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wil verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Kenschets plangebied Het plangebied bestaat in de huidige situatie hoofdzakelijk uit gras (openbare groenvoorziening). Ter plaatse is een aantal bomen aanwezig. De gemeente Lelystad heeft een inventarisatie op de bomen uitgevoerd. Het resultaat is dat alle bomen in het plangebied (gefaseerd) worden gekapt. De kapvergunning is door de gemeente reeds aangevraagd. De locatie wordt op de gemeentelijke natuurwaardenkaart aangegeven als ‘voor biodiversiteit belangrijk gebied’. Dit vanwege de aanwezigheid of sterke potentie voor één of meerdere soorten vernoemd op de Rode Lijst.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
32
In dit geval gaat het om het Bruin Blauwtje (een grasvlinder). Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening met deze soort gehouden door voldoende bloemrijk grasland toe te voegen en dit gefaseerd te maaien. Resultaten quickscan Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan uitgevoerd (zie bijlage 9). Samenvattend zijn de resultaten als volgt: Natura 2000 Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied ligt, beperken eventuele effecten zich tot externe werking. De werkzaamheden zijn niet van invloed op de doelsoorten van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er zullen geen broedplaatsen, rustplaatsen of groeiplaatsen van deze doelsoorten worden aangetast. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (> 3,1 kilometer) zijn negatieve effecten - met uitzondering van stikstofdepositie - op voorhand uitgesloten. NNN Het plangebied ligt buiten het NatuurNetwerk Nederland (en natuur buiten het NNN). Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot deze gebieden (>1,9 kilometer), de ligging binnen de bebouwde kom en de aard en omvang van de plannen geen effect op deze gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrens Wet natuurbescherming van Lelystad.
Voor de betreffende te kappen bomen geldt het beschermingsregime vanuit de Wet natuurbescherming niet. Vervolgstappen in het kader van de houtopstanden zijn zodoende niet aan de orde. Wel kunnen vervolgstappen vanuit de gemeentelijke regels ten aanzien van kap van bomen van toepassing zijn, zoals het aanvragen van een kapvergunning. Voor het gehele gebied is een kapvergunning afgegeven. Soortenbescherming Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: - binnen het plangebied zijn geen waarnemingen die duiden op vaste rust- of verblijfplaatsen waaronder nest- en roestplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten of rustplaatsen; - binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen algemene vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nest- of vaste rustplaats tot broeden komen. Ieder in aanbouw of in gebruik zijnde nest is beschermd; - verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van bebouwing en bomen met holtes of scheuren uitgesloten; - mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied.
Gelet op de vele geschikte alternatieven gaat het hier niet om essentieel leefgebied van vleermuizen; - verblijfplaatsen en leefgebied van hermelijn en wezel zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied; - verblijfplaatsen en voortplantingshabitat van de rugstreeppad zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
33
-
-
groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, vissen, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten; in het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen.
Advies en vervolg Hermelijn en Wezel Per 28 januari 2021 zijn in provincie Flevoland de kleine marterachtigen – bunzing, hermelijn, wezel – van de lijst met vrijstellingen gehaald. Dat betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing nodig is indien het plangebied deel uitmaakt van functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. Omdat deze diersoorten moeilijk zijn aan te tonen, zet provincie met name in op mitigatie in plaats van onderzoek. Om het plangebied aantrekkelijk en geschikt te houden voor kleine marterachtigen kunnen voorzieningen worden getroffen die als verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen geschikt zijn, bijvoorbeeld een marterhoop. In het rapport is geadviseerd om de vervolgstappen voor te leggen en af te stemmen van de provincie Flevoland. Ten behoeve van de aanvraag van een ontheffing is een Activiteitenplan opgesteld. Zie bijlage 10. Doel van dit activiteitenplan is het beschrijven van de voorgenomen ingreep en de maatregelen die worden genomen om negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden te mitigeren of te compenseren. De ontheffing is inmiddels aangevraagd en dient voor start van de nieuwbouw te zijn verleend. Rugstreeppad Verblijfplaatsen van de rugstreeppad kunnen worden vastgesteld aan de hand van 3 veldbezoeken in de periode van half april t/m mei (juni) en half juni -begin augustus.
Er moet tenminste 1 ronde russen half april tot en met mei worden uitgevoerd. Bij afwezigheid van de rugstreeppad kunnen amfibieschermen rondom het plangebied worden geplaatst om te voorkomen dat de rugstreeppad alsnog zijn intrede neemt binnen het plangebied. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Dit nader onderzoek is uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 11. Hieruit blijkt dat bij de voorgenomen werkzaamheden geen verblijfplaatsen of individuen van de rugstreeppad worden aangetast. Een overtreding op de Wet natuurbescherming is met betrekking op de rugstreeppad niet aan de orde. Conclusie: er hoeven geen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de rugstreeppad binnen het plangebied.
4.13
Kabels en leidingen
Volgens het bestemmingsplan zijn in het plangebied geen kabels en leidingen aanwezig die een planologische belemmering met zich meebrengen. Wel moet voor de positionering van de nieuwbouw en grondwerkzaamheden rekening worden gehouden met de bestaande kabels en leidingen. De in het plangebied aanwezige kabels zijn geïnventariseerd. Indien nodig zullen kabels en leidingen worden verlegd. In het plangebied worden brandkranen en glasvezelkabels aangelegd. De appartementen worden voorzien van stadsverwarming.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
34
5.
PLANBESCHRIJVING
5.1
Algemeen
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten een juridische vertaling in de regels en de verbeelding hebben gekregen. Het bestemmingsplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan is opgezet volgens de wettelijke regelgeving en qua systematiek volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het plan is digitaal raadpleegbaar uitgevoerd. Het digitale plan verschaft de burger ‘online’ informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Handboek bestemmingsplannen Lelystad Naast dat het bestemmingsplan voldoet aan de Wro en de Wabo, voldoet het (waar mogelijk) ook aan het handboek van de gemeente Lelystad. Het handboek maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld.
Vanwege het specifieke ontwerp van dit project, kunnen op deze locatie niet alle bouwen gebruiksmogelijkheden die in het algemeen standaard binnen deze bestemmingen worden geboden, mogelijk worden gemaakt. De beide bestemmingen zijn specifiek toegespitst op de ontwerpprincipes van het project en de ruimtelijke ontwikkelmogelijkheden die daarbinnen kunnen worden geboden. Parapluplan woningsplitsing en kamerbewoning De regels uit dit parapluplan (vastgesteld 22 september 2020) zijn in dit bestemmingsplan voor Campuskwadrant overgenomen. Met deze regels wordt woningsplitsing en verkamering van woningen in alle woonwijken binnen in het stedelijk gebied van Lelystad ruimtelijk gereguleerd.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
Algemeen De voorgenomen ontwikkeling past om niet in het huidige bestemmingsplan dat voor dit plangebied geldt (Lelystad Midden West gedeeltelijk, 2013). Dit nieuwe bestemmingsplan voor dit gebied is nodig omdat: het maximum bebouwingspercentage van 30% niet toereikend is voor het beoogde woningbouwplan; de toegestane maximale bouwhoogte van 15 m voor hoofdgebouwen niet toereikend is voor de beoogde bouwhoogtes van een aantal woongebouwen; binnen de huidige bestemming ‘Gemengd’ een bouwvlak ontbreekt.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
35
Het nieuwe bestemmingsplan heft deze strijdigheden op en maakt de beoogde ontwikkeling mogelijk. De bestemming ‘Gemengd’ wordt vervangen door een volledige woonbestemming, omdat de beoogde ontwikkeling geen gemengde functies bevat. Verkeer-Verblijf De e-bikeroute loopt centraal door het plangebied en is een belangrijk structurerend element voor deze gebiedsontwikkeling. Daarom is deze route voorzien van de bestemming Verkeer-Verblijf, met de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - verblijf - e-bike route’. Daarbij zijn binnen deze bestemming enkele ondergeschikte functies toegestaan die passend zijn bij de inrichting als e-bikeroute, zoals bermen, groen en straatmeubilair. Water Conform de uitgangspunten van de watertoets is voor deze ontwikkeling een watercompensatie van circa 1.000 m2 benodigd ten behoeve van de extra waterbuffering en waterbergend oppervlak. Een deel van deze compensatie wordt in het plangebied rondom gebouw B gerealiseerd (424 m2). Deze compensatie wordt juridisch geborgd door middel van de bestemming Water. De rest van de watercompensatie is voorzien in Campus Zuid, ten zuiden van de Larserdreef. Dit nieuwbouwgebied heeft hetzelfde waterpeil als de omgeving van het plangebied. Over de omvang en de locatie van deze compensatie is overeenstemming tussen de gemeente en het waterschap.
De gronden met de bestemming Water zijn bestemd voor waterlopen, waterpartijen, oevers, bermen en beplanting, wegen, straten, paden en extensief dagrecreatief gebruik. En daaraan ondergeschikt groenvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat binnen deze bestemming geen gebouwen mogen worden geplaatst, is een bouwmogelijkheid binnen de bestemmingsregeling uitgesloten. Bouwwerken geen gebouwen zijnde – zoals bijvoorbeeld kunstwerken - zijn onder bepaalde restricties wel toegestaan. Wonen - Woongebouw Voor het gebied waar de zes woongebouwen worden gerealiseerd, is één bestemming opgenomen: Wonen - Woongebouw. Voor deze bestemming is gekozen omwille van een aantal redenen: - deze bestemming sluit aan bij de gemeentelijke systematiek voor woongebouwen; - deze bestemming geeft de nodige flexibiliteit bij de verdere uitwerking van de plannen voor de gebouwen en omliggend openbaar gebied; - er is tussen de gemeente en de Centrada overeenstemming over het Masterplan en het Beeldregieplan; - de ontwikkeling vindt in nauwe afstemming plaats tussen de gemeente Lelystad en Centrada. Voor deze ontwikkeling is een overeenkomst afgesloten. - voor de beheersituatie zal naar verwachting een omgevingsplan worden opgesteld (na inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting in 2022).
Binnen deze bestemming zijn woongebouwen toegestaan, inclusief gebouwen ten behoeve van onderhoud en beheer, bergingen en stallingen, trappenhuizen en liftschachten.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
36
De bestemming biedt ook ruimte voor de bijbehorende functies zoals wegen, straten en paden. Maar ook parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en tuinen. Woongebouwen De zes woongebouwen worden binnen de aangegeven bouwvlakken gebouwd. Bij de begrenzing van de bouwvlakken is een marge van 0,30 m aangehouden ten opzichte van de feitelijke footprint van de gebouwen. Omdat de maximale bouwhoogtes van de gebouwen variëren, is overeenkomstig het Masterplan per bouwvlak de maximale bouwhoogte van het betreffende woongebouw op de verbeelding weergegeven. Binnen deze bouwhoogtes is ten opzichte van het beoogd aantal bouwlagen, een marge van circa 1,5 m opgenomen. In de bouwregels is vastgelegd dat er in totaal maximaal 280 appartementen mogen worden gerealiseerd. Parkeren Door middel van de aanduiding ‘parkeerterrein’ is bepaald waar de parkeerterreinen worden gerealiseerd. De maximale begrenzing van deze terreinen is overgenomen uit het stedenbouwkundig matenplan, dus inclusief reserveringsstroken. Binnen deze aanduiding is ruimte voor 320 parkeerplaatsen, die later zo nodig aangevuld kunnen worden met 100 parkeerplaatsen in de reserveringsstroken. Aanvullend is via een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de parkeernorm voor deze ontwikkeling 1,4 bedraagt.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
37
6.
UITVOERBAARHEID
Een wettelijk onderdeel van het bestemmingsplan is om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het project. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Via de procedure van het bestemmingsplan wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aangetoond. Tijdens deze procedure zijn verschillende wettelijke momenten waar op de plannen kan worden gereageerd. De initiatiefnemer ziet het verder als haar eigen verantwoordelijkheid om de omwonenden op de gebruikelijke wijze tijdig over de plannen te informeren. Door Centrada wordt – in afstemming met de gemeente Lelystad - een communicatieplan opgesteld, zodat een zorgvuldige communicatie met de omgeving (inclusief politiebureau en basisschool De Zevenster) wordt geborgd. De omwonenden ontvangen een informatiebrief, voordat de planologische procedure wordt gestart. Ook worden inwoners via een persbericht op de hoogte gesteld. De gemeente Lelystad draagt zorg voor de communicatie rondom de totale gebiedsontwikkeling. Resultaten Overleg 3.1.1. Bro In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerp bestemmingsplan “Campuskwadrant” verzonden voor advies naar de vooroverleg-partners: 1. 2. 3.
Provincie Flevoland Waterschap Zuiderzeeland Veiligheidsregio Flevoland
Alle drie partners hebben een advies gegeven. Deze zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Het ontwerp bestemmingsplan is hierop aangepast. De Reactienota is opgenomen in bijlage 12. Resultaten tervisielegging ontwerp bestemmingsplan Conform artikel 3.9a Wro heeft dit ontwerp bestemmingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure doorlopen die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerp bestemmingsplan is na behandeling in het college van burgemeester en wethouders in de Stadskrant gepubliceerd. Het plan heeft zes weken ter inzage gelegen. Het ontwerp bestemmingsplan is ook digitaal raadpleegbaar op de site van de gemeente. Belanghebbenden hebben in die zes weken hun zienswijze kenbaar kunnen maken bij de gemeente. Het resultaat van deze periode is dat er geen zienswijzen binnen zijn gekomen. Vervolg procedure Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure zijn ook de volgende procedures doorlopen:
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
38
Procedure beeldregieplan Het Beeldregieplan heeft de inspraakprocedure conform de Inspraakverordening Lelystad 2008 doorlopen. Het beeldregieplan heeft 6 weken ter inzage gelegen, gelijktijdig met het ontwerp-bestemmingsplan. Binnen deze periode konden ingezetenen en belanghebbenden een inspraakreactie indienen. Het resultaat is dat er geen inspraakreacties zijn binnengekomen. Het beeldregieplan en het vastgestelde eindverslag van de inspraak zullen ter vaststelling aan de raad worden aangeboden. Tegen de vaststelling van het beeldregieplan is geen bezwaar of beroep mogelijk. Procedure verzoek hogere waarde De publicatie van het ontwerp besluit Hogere Waarden is ter inzage gelegd. Gedurende 6 weken vanaf de terinzagelegging konden zienswijzen worden ingediend met betrekking tot het ontwerp besluit Hogere Waarden (hierna: HW). Het resultaat is dat er geen zienswijzen zijn binnengekomen. Vervolgens nemen B&W een definitief HW-besluit. Na het onherroepelijk worden van het besluit, wordt de vastgestelde hogere waarde bij het Kadaster geregistreerd. Belanghebbenden kunnen beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het HW-besluit Zo spoedig mogelijk nadat het HW-besluit onherroepelijk is geworden, moet dit worden ingeschreven in de openbare registers.
Crisis- en herstelwet De ontwikkeling van het gebied Campuskwadrant valt onder de categorieën van projecten die zijn aangewezen in bijlage I (artikel 3.1) bij de Crisis en herstelwet (Chw). Afdeling 2 Chw is op de bestemmingsplanprocedure van toepassing. Dat betekent dat belanghebbenden die tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in beroep gaan, in het beroepschrift de beroepsgronden moeten aanvoeren. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Verder moet de Raad van State een eventueel beroep bij voorrang, binnen een half jaar, behandelen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Aangetoond moet worden dat het project economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en het kostenverhaal. Financiële haalbaarheid De gronden zijn in eigendom van de gemeente Lelystad. Via een koop- ontwikkelingsovereenkomst worden de gronden aan Centrada overgedragen. De overeenkomst wordt uiterlijk voor de vaststelling van het bestemmingsplan ondertekend. De planontwikkelingskosten voor het project zijn voor rekening van Centrada. De gemeente legt het gehele openbaar gebied aan. Centrada legt de parkeerplaatsen aan, en blijft vervolgens ook eigenaar van de parkeerplaatsen. Kostenverhaal Het project voorziet in de bouw van meerdere woningen. In de Wet ruimtelijke ordening is opgenomen dat voor dergelijke bouwplannen in verband met het kostenverhaal van de gemeente, een exploitatieplan moet worden vastgesteld. Omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is (via de koop-ontwikkelingsovereenkomst), is het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
39
7.
EINDCONCLUSIE
Ruimtelijke aanvaardbaarheid De planontwikkeling past niet binnen de huidige juridische-planologische kaders. In ruimtelijk opzicht is de beoogde planontwikkeling wél aanvaardbaar. De onderbouwing daarvan is als volgt. Het doel is om in dit gebied circa 280 woningen in een Campusomgeving te realiseren. Het gaat daarbij om een cluster van woongebouwen in een ruim opgezette, groene omgeving. Er is daarom gekozen voor beperkte, compacte footprints voor de gebouwen. Daarmee blijft er meer ruimte over voor het groen in het campusgebied. Daarbij is ervoor gekozen om meer de hoogte op te zoeken in de gebouwen. De bouwhoogte van de gebouwen wordt daarmee gemiddeld hoger dan de maximale bouwhoogte van 15 m die nu in het huidige bestemmingsplan is voorzien. De beoogde bouwhoogtes van de nieuwe woongebouwen variëren van 13,5 m tot 19,5 m voor gebouwen C tot en met G en 43,5 m voor gebouw B. De bouwhoogtes van de bestaande gebouwen in de directe omgeving zijn circa 12 tot 15 meter (De Grietenij bestaand en nieuw, politiebureau, Triade gebouw), en circa 37 meter voor de Meijerij aan de overkant van de Gordiaandreef. Gebouw B is met 14 bouwlagen de hoogste toren en fungeert als landmark in de noordwesthoek van het plangebied. Deze toren staat met zijn voet in de uit te breiden waterpartij en naast de ongelijkvloerse fietsoversteek over de Gordiaandreef.
Deze woontoren maakt samen met de nabijgelegen woontoren De Meierij –12 bouwlagen – een ruimtelijke verbinding tussen Campus Noord en Campus Midden en markeert daarmee naast het gebied ook het knooppunt van de e-bike route. Milieuhygiensche aanvaardbaarheid Geconcludeerd is dat met de realisatie van het project geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Uit de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plan aanvaardbaar is. Economische aanvaardbaarheid Het plan is economisch uitvoerbaar (koop-ontwikkelingsovereenkomst wordt voor de vaststelling van het bestemmingsplan ondertekend).
Bestemmingsplan Campuskwadrant
AXON Adviseurs BV
40
Bijlagen
Bijlage 1
Beeldregieplan
Bijlage 2
Parkeerbalans
Bijlage 3
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
Bijlage 5
Stikstofberekening
Bijlage 6
Bodemonderzoek
Bijlage 7
Verantwoording groepsrisico (pm)
Bijlage 8
Uitgangspunten Waterschap t.b.v. de watertoets
Bijlage 9
Quickscan flora en fauna
Bijlage 10
Activiteitenplan ontheffingsaanvraag marterachtigen
Bijlage 11
Nader onderzoek rugstreeppad
Bijlage 12
Reactienota Overlegpartners 3.1.1. Bro
41
Bijlage 1 Beeldregieplan
Campuskwadrant Beeldregieplan 14.12.2021
2
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
Inhoudsopgave Inleiding
4
Aanleiding
4
Plangebied en reikwijdte
4
Stedenbouwkundig kader
6
Beeldkwaliteit
8
Stedenbouwkundige hoofdopzet
8
Toelichting
12
Beeldregie Buitenruimte
17
Bijlage 1 Algemene welstandscriteria
20
Algemene criteria Campuskwadrant
20
Bijlage 2 kleurenpalet gevelmetselwerk
21
Colofon
22
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
3
Inleiding Aanleiding In Campus Midden ligt aan de noordzijde de longstay locatie Campuskwadrant waar woningbouwcorporatie Centrada circa 300 woningen ontwikkelt. Voor het hele gebied Campus Midden is een gebiedsvisie geschreven door de gemeente waarbinnen het stedenbouwkundig ontwerp voor de longstay locatie is gemaakt. Het stedenbouwkundig plan is vastgelegd in de CM.1 Campuskwadrant plankaart 039 Campus de dato 21-09-2021. Voor deze locatie heeft de gemeenteraad op dit Beeldregieplan Campus Midden locatie Centrada/Campuskwadrant vastgesteld, besluitnummer xxxx de dato xx-xx-2021. Dit beeldregieplan dient de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwbouw op deze locatie te borgen. Na vaststelling door de gemeenteraad geldt dit beeldregieplan als onderdeel van de welstandsnota waaraan bouwplannen worden getoetst op redelijke eisen van welstand. Voor dit plan is gekozen voor een alternatief traject om de ruimtelijke en esthetische kwaliteit te borgen binnen de kaders van de welstandsnota 2015. Aan de zijde van de ontwikkelende partij, Centrada, wordt een supervisor aangewezen om de beoogde ruimtelijke en esthetische kwaliteit te bewaken bij de bouwende/ontwerpende partijen van verschillende gebouwen binnen het Campuskwadrant.
Vanuit de gemeente wordt een supervisor benoemd voor de welstandstoetsing conform hoofdstuk 1.4.4 Supervisor en de Matrix rolverdeling welstandsbeoordeling uit de welstandnota 2015. Plangebied en reikwijdte Het plangebied Campuskwadrant is aan de noordzijde begrenst door de Gordiaandreef, aan de oostzijde door Doelen 10, aan de zuidzijde door sportcomplex de Rietlanden en Triade en aan de westzijde door Grietenij 15 en 16. Het gebouw “A” bevindt zicht buiten de plangrens van dit beeldregieplan. Dit beeldregieplan heeft betrekking op de verschijningsvorm, het beeld en de sfeer van de gebouwen, gekoppeld aan de stedenbouwkundige hoofdopzet. Het betreft specifiek de gebouwen B t/m G in de plankaart. Tezamen vormen deze zes gebouwen het ensemble het Campuskwadrant. De gebouwen staan als alzijdige urban villa’s respectievelijk woontoren in het campus en gezamenlijk begrenzen zij het groene autovrije kwadrant tussen de gebouwen. Daarmee bepalen zij in hoge mate de sfeer en de identiteit van het woongebied. Tevens vormen de privé buitenruimtes onderdeel van dit beeldregieplan, omdat deze medebepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Het beeldregieplan regelt geen functies, aantal woningen, bouwhoogtes, bebouwingspercentages, minimale afstanden tussen de gebouwen of tot perceelsgrenzen en dergelijke. Deze punten worden geregeld in het bestemmingsplan.
Daarnaast is voor dit gebied reeds een stedenbouwkundig plan beschikbaar waarin uitgangspunten zijn vastgelegd voor de verkaveling, parkeeroplossing, aansluiting en inrichting van de openbare ruimte en dergelijke. De gemeente kan u nader informeren over deze plannen.
4
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
Gri ete nijb rug
GORDIAAND
REEF
Tjalkbrug
De Doelen
ZUIG PLA
DREEF
ERS
MIDDEN
locatie plangebied
brug Politie
SDR EEF
Grietenij
Plangebied Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
5
Stedenbouwkundig kader Lelystad kent van oorsprong een centraal gelegen smal en langwerpig centrumgebied. In dit centrumgebied bevinden zicht bovenwijkse maatschappelijke en centrumvoorzieningen voor de stad. Deze zone is in zuidelijke richting meegegroeid met de stad. Vanaf het stadcentrum/stadshart wordt deze zone in zuidelijke richting geleidelijk minder stedelijk en is er meer ruimte voor groen. De huidige ambitie beschouwt dit deel als campus met alzijdig georiënteerde gebouwen in een open veld. Het campus bestaat uit een campus noord (hier bevind zich onder andere het ziekenhuis), een campus midden en een campus zuid. De locatie Campuskwadrant ligt aan de noordzijde van campus midden. De gemeente heeft een ruimtelijke visie voor campus midden opgesteld. Hierin wordt beoogt een campus met zorgvuldig ontworpen alzijdige gebouwen in een parkachtige en autoluwe setting. Het gebied kent aaneengesloten groene ruimtes waarbij de verhouding bebouwd-onbebouwd circa 30%:70% bedraagt. Een noordzuid fietsverbinding dat onderdeel uit maakt van het hoofdfietsnetwerk van Lelystad loopt als belangrijke langzaamverkeersader door het gebied en is hiermee een ruggengraat voor de ruimtelijke opzet van Campus Midden. Deze hoofdfietsroute zal worden opgewaardeerd tot metropolitane fietsroute tussen Lelystad en Almere.
Ontsluiting voor auto’s in het gebied gebeurt via ontsluitingslussen van de omliggende dreven; het autoverkeer kruist hierbij nooit de hoofdfietsroute.
Verdeling Campus Noord, Midden en Zuid 6
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
ca. 19902014
< ca. 1975
ca. 1975 -1982
. ca
19
75
19
ca. 1982- 1990
82
ca. 1990-2014
ca. 1982 -1990
ca. 1990-2014
> ca. 2014 Campus Midden
Locatie Campus in structuur Lelystad
Functies woonwijk winkelcentrum wijkcentrum bedrijventerrein centrale voorzieningen zone stadscentrum - zeer stedelijk maatschappelijk/bedrijven/ wonen - stedelijk maatschappelijk/bedrijven/ wonen - campus
plangebied
Groei stad, bouwjaar per wijkdeel 1968-1975 1975-1982 1982-1990 1990-2014 vanaf 2010 - heden
Richting groei centrumgebied groeirichting centrumgebied
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
7
Beeldkwaliteit In dit hoofdstuk wordt de beoogde sfeer beschreven en bijbehorende welstandscriteria die van toepassing zijn op de bebouwing en de niet openbaar toegankelijke buitenruimtes. Stedenbouwkundige hoofdopzet Op basis van de eerder genoemde ruimtelijke visie is een Masterplan opgesteld voor de longstay locatie voor Centrada met een stedenbouwkundig ontwerp en beeldkwaliteitsambitie (Masterplan Campus Midden locatie Centrada dd. 29 maart 2021, auteur FAME). Dit masterplan vormt het uitgangspunt voor het stedenbouwkundig plan, het woonomgevingsplan en dit beeldregieplan. Het stedenbouwkundig ontwerp voorziet in 2 ensembles: De Grietenij en het Campuskwadrant. Het ensemble De Grietenij wordt gevormd door het bestaande wooncomplex aan De Grietenij en een nieuw gebouw met een L-vormige footprint dat het complex afmaakt als een woonhof. Deze valt buiten de reikwijdte van dit beeldregieplan. Het tweede ensemble, Campuskwadrant, wordt gevormd door een zestal compacte alzijdige woongebouwen die zijn georganiseerd rond een centraal middengebied, het kwadrant. Ze zijn daarmee niet alleen zelfstandige volumes in het totale Campus Midden gebied, maar vormen samen een cluster met het gemeenschappelijk autovrije kwadrant als samenbindende factor.
Dit is geïnspireerd op de centrale kwadranten in de campussen van bijvoorbeeld Princeton en Harvard Universities in de Verenigde Staten, waarbij de universiteitsgebouwen rondom een autovrij “central green” staan (het kwadrant). Deze ruimte wordt gebruikt voor de verkeersbewegingen van studenten en docenten tussen de verschillende gebouwen en is daarmee tevens een plek waar men elkaar ontmoet. Het ensemble in Campus Midden staat onder een hoek van ongeveer 45 graden gedraaid ten opzichte van de noord-zuid as van het hele Campusgebied, conform de uitgangspunten van de ruimtelijke visie Campus van de gemeente. Entrees zijn gericht op het kwadrant. Open ruimtes tussen de afzonderlijke gebouwen waarborgen de openheid, zichtlijnen en verbinding met de rest van de Campus. De centrale fietsverbinding loopt als ruggengraat door het kwadrant. De fietsverbinding is niet alleen verkeerstechnisch een verbinding, maar ook ruimtelijk en versterkt de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van dit woongebied. De bouwhoogtes van de woongebouwen varieert tussen de 4 en 6 bouwlagen met een accent van 14 bouwlagen. Deze hoogste toren staat als landmark in de noordwest hoek nabij de ongelijkvloerse fietsoversteek over de Gordiaandreef en vormt bovenplans de evenknie van de Meierij aan de noordzijde van deze dreef.
Alle gebouwen, met uitzondering van de toren van 14 bouwlagen, liggen met het peil van de begane grond vloer circa 30 cm opgetild ten opzichte van het maaiveld.
Masterplan ensemble Campuskwadrant
Referentiebeeld: plaatsing gebouwen in Campus rond gemeenschappelijk kwadrant
Referentiebeelden: padenstructuur 8
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
Stedenbouwkundig plan gemeente Lelystad
Opmerking: laatste versie wordt nog aangeleverd door cluster Stedenbouw.
Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
9
GORDIAAND
REEF
kwadrant ZUIG
MIDDEND
ERS PLA
REEF
SDR EEF
te ou sr et dfi of ho
Masterplan stedenbouwkundige opzet 10 Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
Masterplan kaart stedenbouwkundig ontwerp Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
11
Toelichting Het parkeren vindt plaats op het maaiveld en is landschappelijk ingebed in het plan tussen de woongebouwen, zodanig dat het gebied binnen het ensemble, het kwadrant, vrij blijft van auto’s. De parkeerkoffers worden omzoomd door groene taluds en incidenteel met hagen die het zicht op de auto’s grotendeels ontneemt en het groene karakter van de campus daarmee behoudt. De algemene openbare inrichting van het openbare gebied volgt het thema en de sfeer van een campus: gras met solitaire bomen of kleine groepjes van 2 a 3 bomen. Overzicht en sociale veiligheid staat hierbij voorop. Het centrale kwadrant wordt groen ingericht met een zorgvuldig ontworpen padenstructuur en met plekken voor ontmoeting, spel en ontspanning. Het groen loopt door tot aan de gevels van de gebouwen. De entrees van de woongebouwen komen uit op dit centrale gebied. De padenstructuur bestaat hoofdzakelijk uit een brede, meanderende en in breedte variërende loper die de gebouwentrees verbindt. De inrichting van het openbaar gebied is vastgelegd in het woonomgevingsplan.
12 Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
Het Campuskwadrant wordt ontworpen als stedenbouwkundig ensemble in het totale Campus. Het onderscheidt zich als zodanig binnen het campus gebied en kent als totale gezamenlijke footprint een vergelijkbaar oppervlak als het Porteum aan de zuidwest zijde van het Campus Midden. Ieder voor zich staan de gebouwen wel vrij in het groen en hebben een alzijdige compacte footprint en karakter. De 5 woongebouwen C t/m G variëren in hoogte van 4 tot 6 bouwlagen. In de noordoosthoek is gebouw B met 12 bouwlagen een landmarkt aan de Gordiaandreef. Alle 6 woongebouwen hebben hun hoofdentree aan het centrale kwadrant. Waar er op de begane grond gemeenschappelijke, multifunctionele of openbaar toegankelijke ruimtes gepland staan bevinden deze zich aan de zijde van het kwadrant en zijn deze ook, voor zover van toepassing, vanaf de kwadrant toegankelijk. De begane grond van ieder woongebouw kent een open karakter. Bij gebouwen C t/m G wordt dit mede ingegeven door het woonprogramma op de begane grond, maar ook bij gemeenschappelijke fietsenbergingen dient zoveel mogelijk openheid in de gevels te worden gerealiseerd. De woongebouwen liggen met het vloerpeil van de begane grond woningen circa 30 cm verhoogd ten opzichte van het maaiveld, met uitzondering van gebouw B (hoge toren) omdat hier geen woonprogramma op de begane grond aanwezig is.
De woongebouwen zijn alzijdig, waarbij alle zijden gelijkwaardig zijn in openheid en uitwerking; er is geen sprake van een “achterkant” of van gesloten gevels, woningen zijn gelijkmatig georiënteerd in alle richtingen en zijn in principe georganiseerd ronden een centrale kern met stijgpunten. De gebouwvolumes kennen een heldere hoofdvorm en zijn plat gedekt. De bebouwing vertoont een sterke onderlinge samenhang en een hoogwaardige uitstraling. Door hun vergelijkbare footprint en hoofdvorm wordt de onderlinge samenhang van het ensemble versterkt. Voor de onderlinge samenhang is een orthogonale structuur voor de gevels voorgeschreven die als basis uitgaat van de maat van een wooneenheid die herkenbaar zichtbaar is in de gevels.
Stedenbouwkundige doelstellingen
Spelregels • Hoofdopzet: stedenbouwkundige opzet conform stedenbouwkundig plan • Alzijdige compacte woongebouwen als ensemble met een centraal groen kwadrant • Positionering van de gebouwen volgens het bepaalde in het stedenbouwkundig plan • Woongebouwen worden ontsloten vanuit het centrale kwadrant • Een sterke samenhang door positionering en vorm van de footprints • Bouwhoogtes volgens bestemmingsplan
Massa en vorm • Bouwvolumes zijn compact met een heldere eenduidige hoofdvorm. De footprint is vierkant tot rechthoekig met korte en lange zijde in een verhouding van bij benadering 2:3. Uitzondering is gebouw E, deze mag staan in een verhouding van 3:5. Zie figuur 1. Deze verhoudingen zijn van belang in het kader van de onderlinge samenhang. • De gebouwen landen direct op het maaiveld: de materialisering van de hoofdmassa loopt door tot aan het aansluitende maaiveld.
Welstandscriteria
Uitstraling/thematiek • De gebouwen in het Campuskwadrant vertonen een sterke samenhang en verwantschap in architectuur door de uitgangspunten voor de gevelstructuur. Alle hierna genoemde criteria dienen een bijdrage te leveren aan de beoogde sfeer. Situering • Gebouwen liggen aan het centrale kwadrant, hoofdentrees zijn hierop georiënteerd • Het vloerpeil van de begane grond van de woongebouwen C t/m G ligt circa 30 cm verhoogd ten opzichte van het aansluitende maaiveld • Balkons op de begane grond hangen vrij boven het maaiveld (30cm b.k. vloer); ter plaatse van de hoofdentrees van de woongebouwen ligt het maaiveld gelijkvloers met vloerpeil begane grond. Zie figuur 1
figuur 1
figuur 2
Referentiebeelden: Foto 1: alzijdig compact woongebouw in campus. Foto 2 en 3: heldere hoofdvorm in het groen.
1
2
3 Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
13
Gevelaanzicht • De architectuur van de gevels is van hoge kwaliteit. Het volume van de gebouwen blijft ten alle tijden eenvoudig en duidelijk zichtbaar als solid, zonder overbodige uitstekende elementen of inhammen/happen uit het volume. • Gevels zijn zorgvuldig en alzijdig ontworpen. • Op de begane grond komen geen blinde gevels voor, grote gesloten vlakken worden vermeden. Dit geldt voor iedere gevel van de afzonderlijke gebouwen. • Ieder afzonderlijk gebouw kent binnen de hier beschreven kaders een eigen expressie. Hierdoor zijn de gebouwen overtuigend van elkaar afwijkend zonder uit de toon te vallen van het ensemble/geheel. • Naast de hoofdvorm als gemeenschappelijke factor hebben de gevels een afleesbare orthogonale structuur die een afspiegeling is van de grootte van de wooneenheden. De structuur kan bestaan uit een grid of raster met vullingen, of kan zichtbaar worden door de wijze van plaatsen van gevelopeningen in de gevel. • Bij de gebouwen tot 6 bouwlagen is het grid of raster eenduidig per gebouw. Bij de toren van 14 bouwlagen mag sprake zijn van een spel in maat en schaal om de landmark functie te benadrukken. • Reliëf in de gevels wordt ingezet ter ondersteuning van de gevelstructuur; bijvoorbeeld ter benadrukking van het verschiltussen hoofdstructuur en vulling, of in de vorm van diepe neggen van gevelopeningen om de structuur te benadrukken.
• Er is geen sprake van een gevelplint, hoogstens op subtiele wijze. • Hoofdentrees van de gebouwen zijn duidelijk onderscheidbaar en representatief en worden qua compositie opgenomen in de gevelstructuur. De hoofdentrees kunnen terugliggend worden uitgevoerd. • Er worden geen luifels toegepast. • De architectuur van ieder gebouw moet passend zijn in het ensemble. • Hemelafvoeren aan de gevels zijn niet toegestaan. • Beweegbare zonwering wordt integraal meeontworpen; hiertoe worden voldoende diepe negges gemaakt zodanig dat de zonweringskast binnen de negges vallen.
maat wooneenheid
g e l i j kma t i g ve r
n a d r u k o p h o r i zo n t a a l
n a d r u k o p ve r t
g e me n g d g r i d
grid door plaat
Boven: spelregels orthogonale gevelstructuur
1 14 Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
b a si s st r a mi e n st r u ct u u r
2
r deel d gr i d
Referentiebeelden: Foto 1: Referentiebeeld waarbij geen sprake is van uitgesproken plint, mag wel op subtiele wijze. Foto 2 : orthogonale gevelstructuur door positionering gevelopeningen in combinatie met gevelband. Foto 3: orthogonale gevelstructuur door reliëf. Foto 4 en 5: orthogonale gevelstructuur door positionering en kadering gevelopeningen. Foto 6: orthogonale gevelstructuur d.m.v. gevelbanden met herkenbare grootte van wooneenheid. Foto 7: referentie ortogonale gevelstructuur door reliëf met accenten. Foto 8 : variatie in schaal van orthogonale structuur bij hoge toren die de hoogte benadrukt en ondersteunt. 3
4
5
t i caal
t si ng openi ngen
6
7
8 Beeldregieplan Campuskwadrant ontwerp
15
Privé buitenruimtes • De woningen krijgen uitpandige vrij uitkragende balkons. Deze vormen een integraal onderdeel van de architectuur en gevelcompositie. Balkons worden niet ondersteund door kolommen buiten het hoofdvolume/gevel. • De balkons zijn zodanig vormgegeven dat ze het heldere hoofdvolume van ieder gebouw intact laten. • Balkons worden als individuele balkons per woning toegepast; aan elkaar gekoppelde balkons zijn niet toegestaan, evenals privacyschermen. Het verticaal in één lijn boven elkaar plaatsen wordt vermeden. Balkons verspringen t.o.v. elkaar in het gevelbeeld en komen voor in alle gevels. • Balkonhekwerken zijn niet 100% transparant maar gedeeltelijk of semiondoorzichtig. Balustrades mogen semitransparant in glas, metalen platen of lamellen worden uitgevoerd. Gemetselde balustrades zijn alleen als lage borstwering toegestaan tot circa 30cm boven vloerniveau. • Op de begane grond worden de privé buitenruimtes vormgegeven als zogenaamde maaiveldbalkons, oftewel balkons “zwevend” boven het maaiveld met een hekwerk. • Bij gebouw B is het toegestaan om boven de 6e bouwlaag (semi-)loggia’s toe te passen. Bij gebouwen C t/m G is dit alleen toegestaan op de bovenste bouwlaag.
Materiaalkeuze, kleurgebruik en detaillering • Er wordt gebruik gemaakt van onderhoudsarme materialen in natuurlijke tinten passend binnen het spectrum van kleuren zoals aangegeven in het kleurenpalet in bijlage 2. Harde accent kleuren worden vermeden. • Als hoofdmateriaal voor de gevels wordt gevelmetselwerk toegepast. Toe te passen gevelstenen zijn handvorm en wasserstrich. Strengpers of geglazuurde stenen zijn niet toegestaan. Voor het kleurenpalet metselwerk wordt verwezen naar bijlage 2. • Per gebouw wordt 1 (hoofd-)tint metselwerk toegepast. Van het pallet komt iedere tint minimaal 1 keer als hoofdkleur van een gebouw voor. Regie hierover wordt gevoerd door supervisor aangewezen door Centrada. • Als ondergeschikt secundair materiaal kan gevelbeplating worden toegepast met een natuurlijke uitstraling. Kunststof (volkern-) platen worden als gevelmateriaal vermeden. • Voegwerk van het metselwerk is minimaal 3mm terugliggend t.o.v. de gevelsteen.
1
2
4
5
Algemene welstandscriteria • Voor algemene welstandscriteria zie bijlage 1 Referentiebeelden: Foto 1: semi-transparante balkons Foto 2 en 3: balkon als onderdeel van de gevelstructuur Foto 4, 5 en 6: balkon als onderdeel van de gevelstructuur. Hoofdvorm blijft intact. Foto 7: maaiveldbalkon
6
3
7
Beeldregie buitenruimte In dit hoofdstuk wordt het ambitieniveau voor de inrichting van het openbaar gebied beschreven. Daarnaast zijn criteria geformuleerd voor de verhardingen, beplanting en objecten in de buitenruimte. Dit betreft zowel het openbaar gebied als de uitgeefbare (parkeer)terreinen. Deze criteria vormen het beoordelingskader ten behoeve van de inrichting van de openbaar toegankelijke buitenruimte voor de supervisor.
Ambitieniveau algemeen De basisgedachte van de openbare inrichting is een groene Campus als verbindend element. Het kwadrant (middengebied tussen de woongebouwen) is een gemeenschappelijk autovrij gebied. Het gebied zal als geheel volgens (een nader te ontwerpen) landschapsplan worden aangelegd. Daarbij wordt er gestreefd naar een duurzame en klimaatadaptieve inrichting. Bij de materiaalkeuze wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van natuurlijke infiltratie van regenwater en tegengaan van ‘heat island effect’ door het creëren van voldoende schaduw én vergroting van de biodiversiteit. Het principe van de landschappelijke inrichting is eenvoud: het groen in het openbaar gebied bestaat voornamelijk uit gras en bomen als solitairen, of in kleine groepjes van maximaal drie. De inheemse bomen zullen afwisselend enkelstammig en meerstammig zijn en variëren in grootte en groeivorm. Er is sprake van zoveel mogelijk doorzichten en overzicht. Incidenteel kan lage beplanting met heesters of vaste planten voorkomen, waarbij de toegepaste soorten een bijdrage moeten leveren aan de vergroting van zowel de belevingswaarde als de biodiversiteit. Sociale veiligheid staat voorop in de vormgeving. Bepalend is de snelfietsroute (e-bikes) route die geflankeerd door groen als een ruggengraat door de hele Campus loopt. Aansluitingen van ieder gebouw op het maaiveld is zorgvuldig vormgegeven.
Dit wordt in overleg met, en ter goedkeuring van de supervisor ontworpen en aangelegd. Het is zeer wenselijk de sociale interactie tussen woongebouw en openbare ruimte te bevorderen. De waterpartij aan de noordzijde langs de Gordiaandreef wordt uitgebreid voor extra waterberging. De woontoren in de noordwest hoek staat met zijn voet in het water. De waterpartij krijgt een natuurlijke oever, de Campus loopt met het groen tot aan de waterkant. Solitaire inheemse bomen komen aan de waterkant te staan.