CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

DC Jysk_Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 69. Vaststelling bestemmingsplan distributiecentrum JYSK25.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Operationeel gebruik Bij het uitwerken van het masterplan en het gebouwontwerp houdt JYSK als eigenaar en gebruiker direct rekening met het meest efficiënte operationele gebruik. Het gebouw moet een logistieke operatie ondersteunen en bijdragen aan de bedrijfsexploitatie. Vanuit duurzaamheidsoogpunt betekent dit dat het gebouw aansluit bij de werkelijke behoefte en 100% functioneel zal zijn in plaats van een commerciële logistieke ontwikkeling voor

(vastgesteld)

blz. 31

meerdere huurders waarbij compromissen altijd leidend zijn. Een ander onderscheid is de gebruiksduur die is voorzien op minimaal 25 jaar. Dit betekent ook de doorkijk naar een continu gebruik en minder leegstand. Logistiek en transport Doordat JYSK haar winkels in Nederland, België, Noord-Frankrijk, UK en Ierland vanuit Lelystad wil gaan bevoorraden in plaats van huidige distributiecentra in bijvoorbeeld Uldum (Denemarken) bespaart JYSK miljoenen vrachtwagenkilometers per jaar. Ook is JYSK voornemens om in Lelystad gebruik te gaan maken van de binnenvaartterminal die kan bijdragen aan een efficiëntere en duurzamere manier van transport. Door de implementatie van geautomatiseerde High Bay magazijnen met een gebouwhoogte van meer dan 40 meter, is sprake van een zeer hoge opslag dichtheid. Hiermee wordt de benodigde footprint met een veelvoud gereduceerd ten opzichte van standaard logistieke centra met een hoogte tot 15 meter. De dichtheid van opslag wordt verhoogd tot een maximale efficiënte werking. Het voordeel van grootschalige automatisering is ook dat de benodigde werkgelegenheid varieert van beperkt geschoold tot hoog gekwalificeerd personeel, hetgeen tot een gezondere arbeidsmarkt en regionale economie leidt. Medewerkers bij JYSK kunnen dan ook door scholing en training doorstromen naar hogere functies.

(duurzame) energie Het distributiecentrum zal worden aangesloten op het elektriciteitsnet voor het gebruik en de levering van elektriciteit. De daken zullen gedeeltelijk bedekt worden met PV (zonne)panelen. Om onderhouds-, veiligheids- en verzekeringsredenen is het niet zeker of de hoge daken geschikt zijn om PV-panelen te plaatsen, dat zal nader worden beschouwd. De best beschikbare technische oplossingen zullen worden toegepast in de gebruiker specifieke installaties (automatisering van de logistieke operatie) en de gebouwgebonden diensten en installaties. Dit betekent dat elke uitrusting wordt geselecteerd op operationele prestaties op lange termijn, inclusief energie-efficiëntie. De hoogbouwmagazijnen, de zogeheten high bay's zullen niet verwarmd worden omdat ze als gesloten boxen zullen functioneren. Dit bespaart veel energie. De werkplekken worden zoveel mogelijk voorzien van daglicht (ramen/daklichten) om te besparen op de verlichting. Voor de verwarming van de kantoren zullen warmtepompsystemen worden toegepast. Intentieovereenkomst Engie – Provincie Flevoland In het kader van duurzaamheid hebben Engie (als eigenaar en uitbater van de Maxima-centrale) en provincie Flevoland een intentieovereenkomst getekend.

Met die overeenkomst wordt de intentie uitgesproken om kansen die kunnen bijdragen aan het bereiken van energieambities in goed onderling overleg te gaan onderzoeken op haalbaarheid. Eén van die kansen is de realisatie van zonne-energie op en/of in de directe omgeving van Flevokust. In aansluiting daarop is JYSK vooralsnog voornemens om zonnepanelen toe te passen op een deel van haar daken. Daarnaast zal initiatiefnemer (JYSK) in overleg treden met energieleveranciers over mogelijke samenwerking en het verkennen van toepassing van mogelijke alternatieve energie aansluitingen en duurzame opwekking. JYSK heeft met de voorgenomen ontwikkeling nadrukkelijke aandacht voor de

(vastgesteld)

blz. 32

duurzaamheidsopgave van de gemeente Lelystad. De ontwikkeling is niet strijdig met dit beleidsdocument. Verdere uitwerking vindt grotendeels plaats in de procedure van de omgevingsvergunning en het voorbereidingsoverleg daarvan. 3.3.4 Welstandsnota De gemeente Lelystad heeft het beleid voor welstand in een Welstandsnota opgenomen. De drie belangrijkste doelstellingen van de welstandsnota geven nader inhoud aan de vereenvoudiging van het welstandstoezicht. De drie doelstellingen zijn: Welstandstoezicht is een instrument voor ruimtelijke kwaliteit; Welstandscriteria zijn duidelijk en vooraf bekend; Heldere omschrijving van de procedures van welstandsbeoordeling en duidelijke rol van de welstandscommissie. De vereenvoudiging heeft geleid tot de volgende welstandsniveaus: één welstandsvrij niveau, gebieden met beperkte of stedenbouwkundige welstand en gebieden met een volledige of architectonische welstand. Voor gebieden buiten de bebouwde kom geldt een welstandsvrij regime. Voor ontwikkelingsgebieden zoals Flevokust is echter ook sprake van toetsing van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken aan redelijke eisen van welstand. Hiervoor geldt het vastgestelde welstandsbeleid, een door de gemeenteraad vastgesteld beeldkwaliteitsplan of een beeldregieplan.

Ter aanvulling op de welstandsnota is voor de ontwikkeling van Flevokust een nieuw beeldregieplan opgesteld die in april 2016 is vastgesteld door de gemeenteraad. Momenteel wordt er een nieuwe beeldregieplan opgesteld deze borduurt voort op het beeldregieplan fase 1 dan nog vastgesteld worden door de raad. Beeldregieplan Flevokust De gemeenteraad heeft besloten om voor een aantal ontwikkellocaties, waaronder Flevokust, beeldregieplannen op te stellen. Beeldregieplannen zijn globaler van karakter dan beeldkwaliteitsplannen en hebben als doel om, naast een aantal spelregels, te verleiden en te inspireren. Gemiddeld is het detailniveau van de welstandscriteria gelijk aan die van de stedenbouwkundige welstand uit de Welstandsnota, samen met de gemeente zal JYSK een nadere invulling geven aan de gewenste en nog nader uit te werken details richting de aanvraag van de omgevingsvergunning. Bij Flevokust speelt het zicht vanaf de waterzijde en de hoofdontsluiting een belangrijke rol. Voor het plangebied zal daarom extra aandacht worden gevraagd voor de stedenbouwkundige inpassing en de beeldkwaliteit. Dit wordt, zoals genoemd, in een latere fase nader uitgewerkt. Binnen het huidige beeldregieplan zijn drie sferen toebedeeld aan plangebied Flevokust waarbij de ontwikkellocatie grotendeels is gelegen in de sfeer 'intern'.

De ambitie ten aanzien van uitstraling, thematiek, massa en vorm wordt nog verder uitgewerkt in de volgende fase.

(vastgesteld)

blz. 33

Figuur 9 Indeling 'sferen' Flevokust

Wel is in het bestaande beeldregieplan al een wensbeeld gegeven op basis van een aantal referentie-objecten. In onderstaande een uitsnede van het wensbeeld behorende bij de sfeer 'intern'.

Figuur 10 Sfeerbeelden beeldregieplan

Stedenbouwkundige visie Aan het beeldregieplan ligt een visie ten grondslag. Deze visie is globaal van opzet en is erop gericht om het hele gebied te ontwikkelen volgens één samenhangende structuur. Deelgebieden worden in overleg met betrokken partijen nader uitgewerkt in stedenbouwkundige plannen. Belangrijke overkoepelende thema's zijn het Kralensnoer, structuur van het landschap, (groen) raamwerk, bebouwingsopzet en korrelgrootte en tot slot de infrastructuur. Kralensnoer De ontwikkeling op Flevokust dient zich op een logische manier te voegen in dit kralensnoer. De opgave is om de buitendijkse Maxima centrale en de beoogde kranen op de containerterminal aan de noordzijde en het Houtribbos zuidelijk van Flevokust de meest opvallend elementen te laten zijn. Flevokust is straks zichtbaar, maar zal zich met respect voegen in het landschap. Structuur van het landschap Het terrein van Flevokust is in gebruik geweest als viskwekerijcomplex. Het gebied bestond tot die tijd uit grote vijverbekkens die het gehele gebied omvatten. Na het stopzetten van deze activiteit zijn de bekkens drooggezet. De structuur ervan is nog duidelijk zichtbaar in de aanwezige kades loodrecht op de IJsselmeerdijk en centrale

(vastgesteld)

blz. 34

toegangskade evenwijdig aan die dijk. Wat tevens opvalt, is dat de visvijvers in het noorden groot van formaat zijn en in het zuiden klein. Aan weerzijden van Flevokust bevinden zich het Houtribbos en het Visvijverbos. Oostelijk van Rijksweg A6 bevindt zich een relatief open polderlandschap. Groen raamwerk Een groen raamwerk rondom het terrein van Flevokust zorgt voor het, gewenste, besloten karakter van het gebied. De bomenrijen tussen de IJsselmeerdijk en de beoogde bebouwing zorgt voor een afschermend effect en creëert daarmee een zachtere overgang tussen landschap en bedrijventerrein. Intern wordt het gebied opgedeeld in kamers doordat er openingen zijn aangebracht in de vorm van infrastructuur met groenstroken en bomenrijen. Deze vizieren zorgen voor doorzicht vanuit de IJsselmeerdijk en het water naar het achterliggend polderlandschap en houden de orthogonale opzet van de voormalige visvijvers leesbaar. Bebouwingsopzet en korrelgrootte Buitendijks zijn het de beoogde kranen die in het oog springen. Zij vormen samen met de Maximacentrale, het nieuwe aanzicht vanuit de kust. Binnendijks wordt de verkavelingsrichting afgestemd op de orthogonale hoofdstructuur van de voormalige visvijvers.

Voor de indeling van de kamers een verdeling aangehouden die in grote lijnen overeenkomt met de korrelgrootte van de visvijvers: in het noorden een grote korrel en richting bestaande stad een steeds kleinere korrel. Infrastructuur De hoofdontsluiting is gedacht vanaf Binnenhavenweg - rotonde Houtribweg en Karperweg. Belangrijke ontwerpopgave vormt de aansluiting van de hoofdontsluiting op de IJsselmeerdijk en de containerterminal. Stedenbouwkundig moet duidelijk worden dat op deze plek langs de IJsselmeerdijk een aantal gebieden samenkomen. Het overige netwerk bestaat uit secundaire wegen geflankeerd met bomen. Zij zorgen samen met de hoofdontsluiting voor een opdeling in verschillende kamers. De fietsinfrastructuur loopt aan de waterzijde van de IJsselmeerdijk en zal intact blijven. Op de hoofdontsluiting, ter plaatse van de huidige Karperweg, komt een vrij liggend fietspad. Welstandscriteria beeldregieplan In het beeldregieplan worden (per deelgebied) criteria genoemd waaraan bouwwerken dienen te voldoen, ondersteund met enkele referentiebeelden. Het plan onderscheidt deelgebied A (buitendijks) en deelgebied B (binnendijks), daarnaast is deelgebied C (Flevokust overig) van toepassing.

(vastgesteld)

blz. 35

Figuur 11 Indeling deelgebieden, in rood het plangebied bij benadering

Voor het deelgebied C wordt een verdere uitwerking van het beeldregieplan opgesteld waarmee vervolgens de welstandscriteria verder vormgegeven kunnen worden.

Betekenis voor het bestemmingsplan: JYSK werkt de plannen uit binnen het ruimtelijk kwaliteitskader zoals hiervoor is beschreven. Omdat sprake is van meerdere bouwvolumes is met de gemeente afgestemd dat de eis dat kantoor en bedrijfshal één eenheid vormen, losgelaten. Er is gelet op de omvang juist behoefte aan een bepaalde (verticale) parcelering van volumes in plaats van horizontale eenheid. In lijn met het beeldregieplan worden afspraken gemaakt tussen gemeente Lelystad en JYSK zodat bij de toetsing van de omgevingsvergunningaanvraag wordt voldaan aan de gestelde eisen. Inherent aan een ontwikkeling van deze omvang is dat het landschap verandert. Het zicht vanuit meerdere richtingen wordt beïnvloed. Dit gegeven wordt als geaccepteerd beschouwd. Door een juiste keuze van materialisering en een groene inpassing kan de ontwikkeling landschappelijk worden verantwoord. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ruimtelijke kaders of kunnen bijzondere eisen ten aanzien van de hoogte van de gebouwen, conform verzoek van JYSK tot 46m, in onderling overleg worden gepast. Voorts wordt tevens gewerkt aan het beeldkwaliteitsplan voor het gehele bedrijventerrein.

(vastgesteld)

blz. 36

(vastgesteld)

blz. 37

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Algemeen

De gevolgen voor milieu- en omgevingsaspecten vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling onderbouwd aan de hand van diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten en -onderzoeken.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'.

Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m

(vastgesteld)

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

blz. 38

5.1 5.2 5.3 6

500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

300 m 500 m 700 m 1.000 m

Tabel 3 Richtafstanden VNG per omgevingstype

Betekenis voor het bestemmingsplan: Het grotere gebied bestaat voornamelijk uit agrarische grond waarop op sommige plekken in de toekomst verschillende bedrijven te vinden zullen zijn. De omgeving van het distributiecentrum kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied, door de verschillende bedrijven die zich bevinden in de buurt en de nabijheid van de A6. Een distributiecentrum wordt niet gezien als een gevoelige functie in het kader van milieuzonering, waardoor bedrijven of instellingen in de omgeving niet beperkt worden door de gewenste ontwikkelingen. Een distributiecentrum wordt wel gezien als een activiteit die milieuhinder kan veroorzaken. In de richtafstandenlijst wordt een distributiecentrum genoemd onder milieucategorie 3.1. In de richtafstandenlijst zijn specifieke afstanden genoemd ten opzicht van geur, stof, geluid en gevaar. Deze afstanden zijn respectievelijk 30, 10, 50 en 50 meter. Bij de bouw wordt (ruimschoots) voldaan aan de richtafstanden van de VNG, ook als milieucategorie 4.1 of 4.2. van toepassing zou zijn. Nabijgelegen gevoelige objecten (zoals woningen) bevinden zich niet binnen deze afstand van het plangebied en worden daarom niet belemmerd. 4.2.1 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling geeft ten aanzien van de richtafstandenlijst beperkte hinder naar de directe omgeving.

Aangezien gevoelige objecten op ruime afstand zijn gelegen ten opzichte van het te ontwikkelen distributiecentrum is er geen belemmering ten aanzien van de milieuzonering.

4.3

Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging, dient in enkele gevallen een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop en waarbinnen deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Betekenis voor het bestemmingsplan: Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit is voor de voorgenomen ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 2) uitgevoerd waarbij gebruik is gemaakt van de volgende onderzoeksnorm: • NEN 5725:2017 nl – bodem – Landbodem – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Doel van het vooronderzoek is het nagaan of in of in de nabijheid van de onderzoekslocatie bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden waardoor verontreinigende stoffen in de bodem zijn terecht gekomen. Het vooronderzoek is de eerste fase van bodemonderzoek. Uit het vooronderzoek volgt of sprake is van een

(vastgesteld)

blz. 39

verdachte locatie of niet. Uit de geraadpleegde rapporten van eerdere bodemonderzoeken blijkt dat nabij de onderzoekslocatie licht verhoogde gehalten aan kobalt is aangetoond in de grond en een sterk verhoogde concentratie aan barium en een overschrijding van de streefwaarde van de metalen barium, zink en nikkel in het grondwater. Van barium is bekend dat vaak natuurlijk verhoogde gehalten kunnen voorkomen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat activiteiten op aangrenzende percelen geleid hebben tot verhoogde gehalten ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie. Ook is ten oosten van de onderzoekslocatie asbest aangetoond bij een indicatief onderzoek. De exacte locatie hiervan is onbekend, wel is dit op geruime afstand (>25m) verwijderd van de onderzoekslocatie. Op basis van het vooronderzoek is het gebied onderverdeeld in 3 locaties;

Tabel 4 resultaat bodemonderzoek per deellocatie

Voorafgaand aan verdere locatieontwikkeling dient milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt om hierbij alle toegangsdammen en boomstroken als verdachte deellocaties voor zowel regulier milieukundig bodemonderzoek (NEN5740) als asbestbodemonderzoek (NEN5707) te beschouwen. Dit onderzoek zal plaatsvinden en in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden beoordeeld. Het bestemmingsplan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht.

4.4

Water

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de waterbelangen. Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Waterparagraaf Het proces van de watertoets is via een digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Waterschap Zuiderzeeland. De ingediende digitale watertoets is bijgevoegd als Bijlage 3. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. In de ontwerpfase is het Waterschap betrokken bij het voorstel tot inrichten van het nieuwe plangebied. De watertoetsprocedure is daarvoor gevolgd. Na het plaatsgevonden vooroverleg heeft het Waterschap een wateradvies ingebracht. Aandacht is gevraagd op

(vastgesteld)

blz. 40

de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding en in hoeverre deze de waterschapsbelangen raken. Dit wateradvies is verwerkt in onderstaande waterparagraaf en bijgevoegde watertoets. 4.4.1 KRW

Wet- en regelgeving

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1. vasthouden, bergen en afvoeren; 2. schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Waterwet De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Waterschap Zuiderzeeland (ZZL).

Het algemeen bestuur van Zuiderzeeland heeft op 27 oktober 2015 het Waterbeheerplan

(vastgesteld)

blz. 41

2016 – 2021 vastgesteld. Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 4.4.2 Beschrijving van het watersysteem Primaire waterkering op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. In het relevante streefbeeld raakt het plangebied aan de Noordzijde net de buitenbeschermingszone van de IJsselmeerdijk.

Figuur 12 Situatie waterkering met beschermingszones, plangebied bij benadering

De ruim 17 kilometer lange IJsselmeerdijk loopt van de Houtribdijk bij Lelystad noordwaarts naar de Ketelbrug, die de Flevopolder verbindt met de Noordoostpolder.

(vastgesteld)

blz. 42

Uitgangspunten en randvoorwaarden Het plangebied is gelegen nabij de primaire waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (ministerie I&M, 2012). Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperking voor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen wordt dan ontheffing verleend op het verbod met een watervergunning. Per zone zijn hier voorwaarden voor geformuleerd. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur. De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat een beschermingszone ook in bestemmingsplannen dient te worden verankerd. Om voldoende rekening te houden met de waterstaatkundige belangen worden aan de gronden die zijn gelegen in genoemde beschermingszone(s) van de primaire waterkering de juiste bestemming of gebiedsaanduiding toegekend in een ruimtelijk plan. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen. Doordat locatie gedeeltelijk is gelegen in de buitenbeschermingszone van de waterkering gelden bepaalde beperkingen vanuit de Keur van ZZL. Op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan is de beschermingszone van de waterkering weergegeven middels de 'vrijwaringszone-dijk' met daarbij een koppeling naar de regels van het bestemmingsplan. In de algemene aanduidingsregels zijn voorwaarden opgenomen waarmee de bescherming van de waterkering wordt geborgd en eventuele ontwikkelingen binnen die zone vooraf door het waterschap schriftelijk worden goedgekeurd.

Versterking IJsselmeerdijk (HWBP) In het kader van het Landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP), waarmee de waterschappen en het Rijk Nederland waterveilig maken, is waterschap Zuiderzeeland gestart met de verkenning naar de versterking van de IJsselmeerdijk. Momenteel bevindt het project zich in de verkenningsfase en wordt gewerkt naar een voorkeursbeslissing (juli 2022), de realisatie van de werkzaamheden is beoogd in de periode september 2024 tot december 2027. Het is goed mogelijk dat een deel van de IJsselmeerdijk en de weg die daarop ligt in deze periode niet bereikbaar is. De dijkversterking is noodzakelijk vanwege nieuwe waterveiligheidsnormen doordat zich meer mensen en economische waarde achter de dijk bevinden en daarnaast de klimaatverandering die zorgt voor hogere waterstanden en zwaardere stormen. Gedurende de verkenningsfase is de onzekerheid over het benodigde ruimtebeslag groot omdat meerdere alternatieven worden afgewogen. Echter, kijkende naar het alternatief

(vastgesteld)

blz. 43

met het grootste ruimtebeslag binnenwaarts, zal dit zeer waarschijnlijk de bestaande beschermingszones niet doen wijzigen. Als toch wijzigingen van de beschermingszones nodig zijn zal dit later gerealiseerd worden dan de beoogde ontwikkeling op het Flevokust bedrijventerrein. Daarom mag geconcludeerd worden dat de versterking geen directe invloed heeft op de voorgenomen ontwikkeling van Jysk op het bedrijventerrein van Flevokust. Indirecte invloeden zoals aangegeven over tijdelijke stremming van de weg IJsselmeerdijk zijn niet uit te sluiten.

4.4.3 Voldoende water In het streefbeeld is het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, op orde. Het beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. De waterhuishouding in het plangebied verandert in de toekomstige situatie. Door het plaatsen van gebouwen, buitenopslag en parkeerplekken neemt het totaal aan verhard oppervlak toe. Compensatie waterberging Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Bij (een toename van) verhard oppervlak wordt het regenwater snel(ler) afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief kan worden beïnvloed met snellere en hogere peilstijgingen en afvoer. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden bij nieuwe ontwikkelingen is er een compensatieplicht voor de toename van het verhard oppervlak. De minimale hoeveelheid open water is bepaald aan de hand van de uitgangspunten van het Waterschap Zuiderzeeland en aan de hand van de “Keur 2017”.

Hierin staat vermeld dat er compensatie verplicht is indien er in stedelijk gebied een toename van meer dan 750 m2 aan verhard oppervlak is. De Beleidsregel 'Compensatie toename verharding en versnelde afvoer' van ZZL geeft aan op welke wijze een toename aan verharding of versnelde afvoer moet worden gecompenseerd. Binnen bovengenoemde beleidsregel wordt de bergingsnorm (percentage van verharding wat aan open water moet worden gerealiseerd) gekoppeld aan de maximaal toelaatbare peilstijging (m). De maximaal toelaatbare peilstijging wordt gedefinieerd binnen de beleidsregel door het verschil tussen het laagst gemeten maaiveld en het streefpeil binnen het plangebied. De omvang van de waterberging wordt berekend via de volgende relatietabel.

Maximaal toelaatbare peilstijging (m) =0,8 >0,8-1,0 >1,0-1,2 >1,2-1,4 >1,4

Bergingsnorm t.a.v. extra verharding 6% 5,5% 5% 4,5% 4%

Tabel 5 Relatietabel bergingsnorm en maximaal toelaatbare peilstijging. Bron: Beleidsregel Compensatie toename verharding en versnelde afvoer (ZZL).

(vastgesteld)

blz. 44

Op 05-08-2021 heeft het waterschap te kennen gegeven dat voor het plangebied een maximale toelaatbare peilstijging van 1,0-1,2 m geldt. De bergingsnorm wordt daardoor vastgesteld op 5% van de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie.

Figuur 13 Situatie berekende oppervlaktes JYSK

Voor de oppervlakteanalyse van het plangebied is uitgegaan van de volgende aannames: Er wordt uitgegaan van het totaaloppervlak van de plattegrond in figuur 14. Dit is een aanname. Bij verdere uitwerking van het ontwerp zal er opnieuw een berekening moeten worden gedaan. De oppervlakteanalyse van de toekomstige situatie is gedaan met behulp van de plattegrond in figuur 13. Dit betreft een oudere plattegrond van het plangebied, maar is in verhardingstoename eensgelijks. De oppervlaktewateren aan de randen van het gebied (figuur 13) worden gerealiseerd op het omliggende waterpeil NAP -6,20m. Tussen de gebouwen in wordt een extra watergang gerealiseerd welke fungeert als alternatieve waterberging. De oppervlakte van gebouwen is uit de plattegrond in figuur 13 herleid. Het verhard oppervlak is ingeschat door een oppervlakteanalyse. Het onverhard oppervlak is de restpost van het totaaloppervlak minus verhard oppervlak minus het oppervlak aan gebouwen. De oppervlakteverdeling van de huidige situatie berust zich op figuur 14.

(vastgesteld)

blz. 45

Figuur 14 Oppervlakteverdeling van de huidige situatie binnen het plangebied van JYSK

Uit de oppervlakteanalyse komt de volgende verdeling van bebouwing, wegen (verhard), onverhard en water oppervlakten.

Tabel 6 Berekening van oppervlakten Distributiecentrum JYSK in huidige en nieuwe situatie

Uit de oppervlakteanalyse wordt duidelijk dat er veel verharding binnen het gebied wordt gerealiseerd in de vorm van bebouwing en wegen. Het totaaloppervlak van bestaande watergangen 827 m² wordt gedempt en zal extra gecompenseerd worden. In tabel 3.3 wordt de netto wateropgave voor de watercompensatie van de verhardingstoename berekend. Dit berust zich op de bergingsnorm van 5% welke eerder is vernoemd. De netto wateropgave voor het plangebied is berekend als het verschil tussen de toename aan netto oppervlaktewater en de watercompensatie benodigd. Een positieve

(vastgesteld)

blz. 46

netto wateropgave betekent dat er een overschot aan wateroppervlak wordt gerealiseerd.

Tabel 7 Berekening van netto wateropgave voor watercompensatie na verhardingstoename.

Uit de voorgaande tabel kan worden afgeleid wat de bruto wateropgave betreft. De bruto wateropgave wordt ingevuld door: 1. Nieuw open water op streefpeil à 10.764 (9.937+827) m² bestaande uit: a. Een watergang aan de noordwestelijke/primaire kering zijde van de kavel b. Een watergang tussen HBW1 en HBW2 2. Nieuw open water op streefpeil à ca. 20 m², nog te verwerken in het ontwerp van het bij 1 genoemde water. Invulling alternatieve watercompensatie binnen plangebied Er wordt vervolgens gerekend met een maatgevende bui van 69 mm / uur / m2 (Beleidsregels Alternatieve Waterberging HHNK wordt in overeenstemming met ZZL gebruikt als maatstaaf voor de cijfers van watercompensatie). JYSK wilt graag 20% extra neerslagintensiteit toevoegen om klimaat adaptief te ontwerpen, waardoor de maatgevende bui voor de compensatieberekening circa 83 mm / uur / m2 wordt. Met deze neerslagintensiteit geeft de wateropgave van 20 m2 een waterberging van circa 2m3. Binnen de berekening voor alternatieve waterberging is geen rekening gehouden met de waterberging van een HWA-stelsel binnen het plangebied. Klimaatverandering Momenteel is de drooglegging ongeveer 1,6 m. Dit wordt als voldoende beschouwd. Het plangebied wordt opgehoogd naar het peil van NAP -3,90 m, waardoor de toekomstige drooglegging 2,3 meter wordt.

Om met de maximaal toelaatbare peilstijging (1,20 meter) en een opbolling van het grondwater geen grondwateroverlast te krijgen wordt een horizontaal drainagestelsel in het plangebied aangelegd. Dit wordt verder voorzien binnen de bouwvergunning. Goed functionerend watersysteem In het streefbeeld zorgt het watersysteem in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en voldoet aan de gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR). Het waterschap streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger, waardoor zij weloverwogen kan

(vastgesteld)

blz. 47

anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Er is momenteel overleg tussen initiatiefnemer, gemeente Lelystad, en ZZL over de inrichting van het plangebied wat betreft de waterstaatswerken en bijhorende kunstwerken. Het huidig schetsontwerp geeft geen indicatie van enige waterstaatswerken en bijhorende kunstwerken. De eventuele alternatieve waterberging dient een overstort te hebben richting open water. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een goot worden gerealiseerd, inclusief een afvoerbeperkend kunstwerk of constructie. Er dienen duikers te worden geplaatst voor een verbinding met de forellentocht (noordwesten) en het gemeentelijk watersysteem (zuidoosten). Als laatste zal de watergang aan de noordrand worden verbonden met de watergangen van de aanliggende kavels.

Dit kan door middel van een duiker, of door middel van een directe open verbinding. 4.4.4

Schoon water

Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Afstromend hemelwater van 50 of meer aaneengesloten parkeerplaatsen wordt als vervuild aangemerkt op grond van het beleid van het waterschap. Bij de inrichting van het nieuw aan te leggen watersysteem wordt gestreefd naar het behouden van een ecologisch gezond watersysteem. Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van de trits "schoon houden, scheiden, zuiveren". Het gebruik van uitlogende bouwmaterialen wordt vermeden. Verder vindt binnen het plangebied geen behandeling van (afval)water plaats waardoor de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt beïnvloed. Voor het plan wordt een 100% gescheiden stelsel aangelegd, conform het gemeentelijk rioleringplan.

Het is onduidelijk wat voor type openbaar rioolsysteem de gemeente voornemens is aan te leggen, maar er wordt uitgegaan van een gescheiden stelsel waar op aangesloten kan worden. Voor de afvoer van het hemelwater van verhard oppervlak (daken en wegen) geldt dat deze zoveel mogelijk rechtstreeks wordt afgevoerd naar het open water via goten binnen het plangebied. Het verhard oppervlak wat niet direct grenst aan open water wordt aangesloten op het regenwaterstelsel dat onder de wegen komt óf de alternatieve waterberging. Het regenwaterstelsel wordt conform de eisen van de

(vastgesteld)

blz. 48

gemeente Lelystad aangelegd. Gebaseerd op gegevens van een vergelijkbaar distributiecentrum van JYSK in Hongarije kan uitgegaan worden van een productie van ongeveer 15 m3/d. De precieze aansluiting van het vuilwater (DWA) is nog niet bekend. Dit kan eventueel, in samenspraak met gemeente Lelystad, op de persriolering aan de zuidkant van het plangebied. Bij een verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan kan een opzet worden gemaakt voor het beheer en onderhoud van het toekomstig oppervlaktewater, hiervoor wordt overlegd met zowel het waterschap als de gemeente, aangezien mogelijk een deel van de compensatie gecombineerd kan worden. Aangezien er sprake is van meer dan 50 aaneengesloten parkeerplaatsen zal het afstromend hemelwater voordat het wordt geloosd op het oppervlaktewater, worden gezuiverd via een zuiveringsvoorziening. Over de precieze lozingsroute en het type zuiveringsvoorziening zal bij de aanvraag watervergunning overleg plaatsvinden met het bevoegd gezag. 4.4.5 Conclusie Het plangebied is gelegen nabij de primaire waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Hier wordt met voorliggend bestemmingsplan aan voldaan. Het plangebied raakt net de beschermingszone van de primaire waterkering.

In voorliggend bestemmingsplan is de beschermingszone opgenomen op de verbeelding. Om te kunnen voldoen aan de eisen van waterschap Zuiderzeeland en voldoende waterberging te kunnen realiseren als compensatie van de nieuwbouw van het distributiecentrum is in de watertoets een berekening uitgevoerd. Deze berekening is gebaseerd op een stedenbouwkundig ontwerp uit de schetsfase maar toont aan dat er voldoende mogelijkheden zijn om binnen de ontwikkeling deze wateropgave ruimschoots te realiseren. Het plan behoeft daarmee nog verdere uitwerking maar voldoet aan de gestelde eisen en is daarmee geen belemmering. Er wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het hemelwater wordt afgevoerd richting het oppervlaktewater. Het afvalwater afkomstig van de parkeerplaatsen wordt gezuiverd voordat het geloosd wordt. Voor de start van de uitvoering wordt een watervergunning aangevraagd. Het wordt geadviseerd hierin eventueel de volgende werkzaamheden in op te nemen: Dempen water; Aanbrengen verharding; Graven water; Plaatsen van kunstwerken; Bouwen in buitenbeschermingszone (eventueel); Plaatsen beschoeiing; Lozingsroute en zuiveringsvoorziening afvalwater parkeerplaatsen;

4.5

Landschap en cultuurhistorie

Archeologie Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, aangezien ze grotendeels verborgen liggen in de bodem. Hierdoor zijn ze niet eenvoudig te karteren. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart

(vastgesteld)

blz. 49

van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentkaart (AMK) opgesteld. Bij bodemverstoringen dient getoetst te worden of de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden. Betekenis voor het bestemmingsplan: In het bestemmingsplan Lelystad – Flevokust binnendijks zijn geen regels opgenomen voor archeologie. Volgens de gemeentelijke beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een lage archeologische verwachting. Om er toch zeker van te zijn dat de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden is er gekeken naar eerdere archeologische onderzoeken. Er is een notitie opgesteld die is bijgevoegd als Bijlage 4. Op basis van de onderzoeken kwam de volgende conclusie naar voren: In 2016 is door Transect een nieuw bureauonderzoek uitgevoerd binnen een deel van het plangebied. Dit bureauonderzoek stelt dat de gemeentelijke beleidskaart inmiddels verouderd is (uit 2008) en dat de IKAW3 dateert van 2019. In het verwachtingsbeeld van de IKAW3 is het pleistoceen dekzandreliëf opnieuw gemodelleerd. Daarbij heeft een deel van het plangebied dat voorheen een lage verwachting kreeg nu een middelhoge verwachting toegekend gekregen.

Op basis van het reeds uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om in het plangebied een dubbelbestemming archeologie te hanteren voor archeologie uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in de nieuwe bestemmingsplannen daar waar op de IKAW3 een middelhoge kans op archeologie aangegeven is (zie figuur 15). Deze dubbelbestemming kan gelden voor een diepte van bijvoorbeeld 4.70 meter -mv (9,3 m onder NAP). Op 5 m onder maaiveld (min 30 cm marge) zijn de hoogste dekzandopduikingen waargenomen in de voorgaande booronderzoeken. De maximale verstoringsgrenzen daarvan kunnen door het bevoegd gezag worden bepaald. Voor de bouw van het distributiecentrum kan vervolgens bepaald worden of met het geplande heipalenplan deze verstoringsgrenzen worden overschreden. Zo ja, dan dient er voor de bouw een verkennend en eventueel aanvullend karterend booronderzoek uitgevoerd te worden. Scheepswrakken worden binnen het plangebied niet meer verwacht aangezien er op deze locatie uitgestrekte visvijvers hebben gelegen tot het eind van de vorige eeuw. Dit advies wordt voor goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid en geldt als uitgangspunt voor het voorliggende bestemmingsplan.

(vastgesteld)

blz. 50

Figuur 15: Het plangebied met de voorgestelde zone met een dubbelbestemming 'Waarde-archeologie'

4.5.1 Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijken delen van het plangebied kansrijke locaties met middelhoge verwachting uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Op deze locaties zal volgens de regels van dit bestemmingsplan gelden op een diepte vanaf 4.70m-mv op de in bovenstaande figuur aangegeven vlakken. De ontwikkeling voorziet niet in een vergraving tot deze diepte waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor deze waarden. Wel is aanvullend onderzoek vereist indien de verstoringsgrens van 2% van het gehele plangebied wordt gehaald op die diepte (bijv. door heipalen). Dit onderzoek kan uitgevoerd worden vooruitlopend om de aanvraag van de omgevingsvergunning en is daarmee niet belemmerend voor dit plan.

4.6

Natuur

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de natuur. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het project op de beschermde natuurwaarden.

(vastgesteld)

blz. 51

4.6.1 Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Effecten van het project; soorten Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied (mogelijk) geschikt is voor verschillende beschermde soorten. Negatieve effecten op vogels, vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën als gevolg van de werkzaamheden kunnen op basis van dit onderzoek niet worden uitgesloten. In onderstaande wordt per soort een nadere toelichting op de situatie gegeven, evenals enkele maatregelen of aanvullende onderzoeken. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Wel is het plangebied geschikt voor broedende akker- en weidevogels. Er wordt aangeraden om de werkzaamheden plaats te laten vinden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus).

Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zullen moeten vinden, dient de projectlocatie en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecheckt te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Vleermuizen Vleermuizen worden mogelijk door de werkzaamheden verstoord, hetgeen een overtreding van artikel 3.5, lid 2 is. Het is nodig om tijdens de werkzaamheden en tijdens de gebruiksfase het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting richting de groenstroken zoveel mogelijk te voorkomen. Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten met een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn dan geschikt (BIJ12, 2017). Daarnaast is het van belang dat er een ruimte van minimaal tien meter afstand aanwezig is tussen de bebouwing en de groenstroken. Indien dit niet mogelijk is, zal aanvullend onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de functie van de groenstroken.

Overige zoogdieren In verband met de aanwezigheid van geschikt habitat (kleinschalig landschap en voldoende beschutting) is de aanwezigheid van de boommarter, bunzing en steenmarter niet uit te sluiten in de nabije groenstroken. Inmiddels zijn de groenstroken niet meer in het plangebied aanwezig en is daarmee de kans op een geschikt habitat niet meer aanwezig. Het risico op de aanwezigheid van de boommarter, bunzing en steenmarter is daarmee niet aannemelijk.

(vastgesteld)

blz. 52

Reptielen De groenstroken rondom het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de ringslang. Tijdens het veldbezoek is de ringslang niet binnen het plangebied aangetroffen. Echter is de aanwezigheid van een ringslang tussen het hoge gras op het moment van de werkzaamheden niet uit te sluiten. Het is daarom nodig om het maaien en het verwijderen van de bomen binnen de groenstroken stapvoets te laten plaatsvinden. Op deze manier zullen mogelijk aanwezige ringslangen en/of andere vrijgestelde dieren het projectgebied tijdig kunnen verlaten. Indien een ringslang zal worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden zullen deze moeten worden gestaakt tot het dier het gebied op eigen kracht het projectgebied heeft verlaten. Zodoende zullen de werkzaamheden, welke van korte duur zullen zijn, geen nadelig effect hebben op mogelijk aanwezige ringslangen. 4.6.2 Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest.

Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als zij het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd. Natura2000-gebieden Natura2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen.

In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden. NatuurNetwerkNederland (NNN) Op ca. 500m van het plangebied is een volgens de provinciale Omgevingsverordening (art. 7.1) een NNN-gebied gelegen.

(vastgesteld)

blz. 53

Figuur 16 Ligging NNN

Er is geen sprake van externe werking op dit nabijgelegen NNN-gebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben ook geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk. Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Natura 2000 Het Natura 2000-gebied 'IJsselmeer' (figuur 17) is op ca. 200m ten westen van het plangebied gelegen.

Figuur 17 Ligging Natura 2000 gebied

Daarnaast liggen de Natura 2000-gebieden 'Markermeer & IJmeer' (circa 3,1 kilometer tot

(vastgesteld)

blz. 54

plangebied), 'Ketelmeer & Vossemeer' (circa 9,0 kilometer tot plangebied), 'Oostvaardersplassen' (circa 10,9 kilometer tot plangebied), 'Zwarte Meer' (circa 22,2 kilometer tot plangebied) en 'Veluwerandmeren' (circa 22,5 kilometer tot plangebied) tevens in de nabijheid c.q. omgeving van het plangebied. Deze gebieden kennen stikstofgevoelige habitattypen zoals Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) en Overgangs- en trilvenen (H7140A). Het 'IJsselmeer' is tevens aangewezen voor de volgende soorten; rivierdonderpad (H1163), meervleermuis (H1318), noordse woelmuis (H1340) en groenknolorchis (H1903) (MLNV, 2021).

Figuur 18 Ligging Natura 2000 gebieden

Tussen het plangebied en het Natura 2000 gebied 'IJsselmeer' ligt een groenstrook en is een weg, de IJsselmeerdijk, gelegen. De aanwezige weg veroorzaakt al de nodige verstoring op het Natura 2000-gebied. Effecten van werkzaamheden of de aanwezigheid van een distributiecentrum zullen daarom niet merkbaar zijn op het Natura 2000-gebied. Uit een uitgevoerd onderzoek naar stikstofdepositie (zie Bijlage 6) blijkt dat er geen effecten van stikstofdepositie zullen optreden op Natura 20000-gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Er is in de gebruiksfase van de planontwikkeling Distributiecentrum JYSK in gemeente Lelystad geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn op voorhand uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouwwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Voor de voorgenomen planontwikkeling is geen Wnb-vergunning benodigd voor het onderdeel stikstofdepositie.

(vastgesteld)

blz. 55

4.6.2.1 Stikstofdepositie Met het plan wordt een distributiecentrum gerealiseerd. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouw- en sloopwerkzaamheden. Deze wet is sinds 1 juli 2021 in werking. Daarom is de aanlegfase van de voorgenomen planontwikkeling niet nader beschouwd. Tijdens de gebruiksfase van het distributiecentrum zullen extra verkeersbewegingen van licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer, zowel op het terrein als richting/vanaf het distributiecentrum ontstaan. Deze twee typen verkeersbewegingen worden in deze paragraaf nader uiteengezet. Het distributiecentrum wordt niet aangesloten op het gasnet, maar wordt op een duurzame manier verwarmd. Hierdoor ontstaan bij de verwarming geen emissies van stikstof. Het jaar van de ingebruikname van het distributiecentrum is op 2023 gesteld. Dit betreft een conservatieve aanname. Voertuigen op het terrein JYSK verwacht het gebruik van een terminaltruck en elektrische vorkheftrucks ten behoeve van de op en overslag op het terrein. Er wordt verwacht dat de terminaltruck 1.250 uur per jaar ingezet wordt. De uitstoot van de voertuigen wordt berekend via de ingebouwde calculator voor een 'kipper' van AERIUS (Mobiele werktuigen – Bouw en Industrie).

Voor de berekening is uitgegaan van een oppervlakte-bron met de omtrek van het plangebied. De berekende emissie is 247,50 kg NOx en 6,83 kg NH3. JYSK verwacht het gebruik van een terminaltruck en elektrische vorkheftrucks en elektrische terminaltrucks ten behoeve van de op- en overslag op het terrein. 4.6.2.2 Wegverkeer De verkeersgeneratie van wegverkeer in de gebruiksfase is berekend op basis van de verwachting van JYSK van licht verkeer, middel zwaarverkeer en vrachtverkeer. Voor de busjes is gerekend met de categorie middel zwaarverkeer, dit betreft een conservatieve aanname. De verwachte hoeveelheid verkeersbewegingen is gebaseerd op de piekmomenten van het distributiecentrum. Voor een conservatieve berekening wordt er gerekend met deze situatie vanaf het jaar van ingebruikname (2023). De ingebruikname zal echter eind 2023 plaatsvinden. De verwachte hoeveelheid voertuigen op piekmomenten is weergegeven in Tabel 1. Op basis van deze hoeveelheid voertuigen zijn de voertuigenbewegingen per jaar bepaald, dit is weergegeven in onderstaande tabel.

(vastgesteld)

blz. 56

Tabel 8: Piekmomenten en verwachte verkeersbewegingen in de gebruiksfase

Als route van en naar het plangebied is uitgegaan van een toekomstige ontsluiting van het plangebied via de Karperweg en de Binnenhavenweg richting de N307, alwaar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld. Daarnaast worden er 8.000 containers per jaar met een vrachtwagen vervoer, vanuit de containerterminal richting het terrein van Jysk. Dit resulteert in 16.000 vervoersbewegingen (enkele reis) van vrachtverkeer, echter worden hiervoor grotendeels elektrische vrachtwagens ingezet. Daarom zijn, als conservatieve aanname 10.000 vervoersbewegingen in categorie zwaar vrachtverkeer meegenomen. AERIUS Calculator gaat daarbij uit van standaardwaarden voor het gemiddelde Nederlandse wagenpark aan vrachtverkeer. De route van de vrachtwagens is gemodelleerd vanaf de toekomstige ontsluiting van het plangebied, via de Karperweg in noordoostelijke richting en de rotonde, rechtstreeks richting de containerterminal. 4.6.2.3 Berekeningen In onderstaande subparagraaf wordt nader toegelicht welke berekeningen zijn uitgevoerd om de stikstofdepositie in de gebruiksfase te bepalen. Voor de specificering van de berekening wordt verwezen naar de exports van de AERIUS-berekening in de bijlagen van de Notitie stikstofdepositie. Berekening gebruiksfase zonder salderen Er is een berekening gemaakt met de AERIUS Calculator 2020 voor de gebruiksfase.

Hierbij is nog geen rekening gehouden met saldering (verschilberekening met emissies in de referentiesituatie) Op basis van de gehanteerde uitgangspunten worden geen effecten van stikstofdepositie als gevolg van de plantontwikkeling berekend groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Aanvullende berekening effecten buiten 5 km (zonder salderen) Omdat AERIUS Calculator de depositiebijdragen uit wegverkeer berekent met de Standaardreken-methode 2, zoals beschreven in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, worden bijdragen uitgerekend tot 5 km van de weg. Voor de verschilberekening van de gebruiksfase is met een controleberekening nagegaan of effecten buiten de huidige afkapgrens van 5-km voor wegverkeer uit te sluiten zijn. Er is een aanvullende berekening gemaakt, waarbij de wegverkeersbronnen in de gebruiksfase zijn omgezet naar emissiebronnen met de sector 'Anders'. Dit heeft tot gevolg dat deze bronnen worden doorgerekend met het Operationele Priotaire Stoffen Model (OPS). Op deze wijze is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden berekend. De 'stikstofruimte' in de huidige situatie is niet omgezet naar de sector 'Anders', als conservatie benadering. Uit de controleberekening van de gebruiksfase, waarin het wegverkeer gemodelleerd is als sector 'Anders', volgt dat een toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000- gebieden niet op voorhand is uit te sluiten.

Berekening gebruiksfase met intern salderen Binnen het plangebied is er in de huidige situatie (referentiesituatie voor het bestemmingsplan) sprake van agrarisch gebruik waarbij de landbouwpercelen worden bemest. Bij het bemesten (aanwending van dierlijke en/of kunstmest) van agrarische percelen komen emissies van ammoniak (NH3) vrij. De percelen die in agrarisch gebruik zijn binnen het plangebied zijn ingetekend in figuur 19. In totaal beslaan deze percelen in het plangebied 21,8 hectare.

(vastgesteld)

blz. 57

Figuur 19 Huidige landgebruik plangebied

Op basis van open data van de Basisregistratie Gewaspercelen en Boer&Bunder is het huidig agrarische gebruik in kaart gebracht. Vakken '1' en '3' betreffen percelen waar in 2021 voor het eerste jaar het gewas luzerne wordt geteeld. Bij de teelt van luzerne is bemesting niet toegestaan na het eerste jaar van de teelt. Als conservatieve benadering is daarom geen rekening gehouden met emissies als gevolg van het bemesten van de percelen waar luzerne wordt geteeld. Het vlak '2' is in 2021 in gebruik voor de teelt van prei. Dit perceel heeft een oppervlak van circa 9,9 hectare. De huidige agrarische percelen worden uit productie genomen om plaats te maken voor het de planontwikkeling tot een bedrijfskavel. Met het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan komt de bestemming 'Agrarisch' van de percelen in het vigerend bestemmingsplan 'Lelystad Flevokust – binnendijk' (vastgesteld d.d. 13 april 2006), te vervallen. Daarmee komen ook de stikstofemissies als gevolg van mesttoediening in de huidige situatie te vervallen. Luchtfoto's tonen aan dat ook voor het vaststellen van het vigerende bestemmingsplan in 2006 reeds sprake was van agrarisch gebruik. Het meest zuidelijk agrarisch perceel (Vlak '2') binnen het plangebied, betreft een perceel waarop prei wordt geteeld. De grondsoort van het perceel is bouwland op klei.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=5429e4d0-08de-4bc5-a7a5-2e65c6ccb150