CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

DC Jysk_Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 69. Vaststelling bestemmingsplan distributiecentrum JYSK25.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De verschilberekening tussen de huidige situatie en de gebruiksfase toont aan dat er per saldo geen feitelijke toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden plaatsvindt als gevolg van de planontwikkeling. Over de beoordeling van de stikstofdepositie is overleg gevoerd met de provincie Flevoland.

(vastgesteld)

blz. 58

Aanvullende berekening effecten buiten 5 km (met salderen) Er is tevens een aanvullende verschilberekening gemaakt, waarbij de wegverkeersbronnen in de gebruiksfase zijn omgezet naar emissiebronnen met de sector 'Anders'. De aanvullende verschilberekening tussen de huidige situatie en de gebruiksfase toont aan dat er per saldo eveneens geen feitelijke toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden plaatsvindt als gevolg van de planontwikkeling. 4.6.3 Conclusie De voorgenomen planontwikkeling Distributiecentrum JYSK in gemeente Lelystad leidt in de gebruiksfase niet tot een netto toename van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Effecten buiten 5 km zijn in de gebruiksfase echter niet op voorhand uit te sluiten. In deze notitie is tevens intern salderen beschouwd. In de huidige situatie is sprake van stikstofemissies door agrarisch landgebruik, als gevolg van de toediening van mest. Deze agrarische activiteiten, waarbij stikstof wordt uitgestoten, vormen de referentiesituatie (de feitelijke, planologisch legale situatie). In de gebruiksfase van de voorgenomen planontwikkeling, is er ten opzichte van de huidige situatie (referentiesituatie) geen feitelijke toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar.

Netto toenamen van stikstofdepositie buiten 5 km zijn daarbij eveneens uit te sluiten. De voorgenomen planontwikkeling is, conform de uitgangspunten in deze notitie, daarom niet vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel stikstofdepositie. Significante effecten op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn, na beschouwing van intern salderen, op voorhand uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouwwerkzaamheden. De aanlegfase kan dan ook buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Vanuit de uitgevoerde quickscan flora en fauna zijn er enkele aandachtspunten voor mogelijk aanwezige soorten geconstateerd. Met de juiste wijze van handelen heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed op de mogelijk aanwezige soorten en het habitat. Om de nieuwe ontwikkeling op het perceel van Jysk landschappelijk in te passen, wordt aandacht besteed aan een groene omzoming. Hiermee worden ook de ecologische waarden positief beïnvloed. Ook in het grotere geheel van het bedrijventerrein zal in de toekomst aandacht zijn voor de groene inpassing van de nieuwe bebouwing.

4.7

Verkeer en Parkeren

Het parkeerbeleid en de -normen van de Gemeente Lelystad zijn in 2009 voor het laatst vastgesteld. In het parkeerbeleid is opgenomen dat parkeren geheel op eigen terrein moet worden voorzien. Een distributiecentrum wordt in de normen niet specifiek als functie benoemd, maar kan geschaard worden onder logistiek terrein. Een distributiecentrum kan beschouwd worden als arbeidsextensieve bedrijvigheid, waarbij een norm van 0,8 parkeerplaats per 100 m² bruto vloeroppervlakte geldt. Dit resulteert in een theoretische parkeervraag van 1.560 autoparkeerplaatsen. Met de komst van het distributiecentrum zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. In het nieuwe bestemmingsplan moet gemotiveerd

(vastgesteld)

blz. 59

worden dat de nieuwe ontwikkeling verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving. Ook moeten er voldoende (auto)parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De onderbouwing voor de parkeerbehoefte is opgenomen in Bijlage 7.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Autoparkeervraag De algemene normen van de gemeente Lelystad voorzien niet in specifieke kentallen voor een distributiecentrum, waardoor maatwerk nodig is om de parkeervraag realistisch in te schatten. De wijze van automatisering speelt een grote rol op het aantal werknemers en daarmee de parkeervraag. Bij JYSK is sprake van hoogbouw magazijnen en een grote mate van automatisering. Daardoor is sprake van een lager aantal arbeidsplaatsen. Aangezien er geen specifieke parkeernormen voor distributiecentra bestaan, is een vergelijking gemaakt van het aantal parkeerplaatsen dat bij distributiecentra van vergelijkbare winkelketens is aangelegd. Hierbij is het aantal parkeerplaatsen gerelateerd aan de grondoppervlakte van de bebouwing van het distributiecentrum.

Tabel 9 vergelijking aantal parkeerplaatsen met vergelijkbare distributiecentra

Tevens is gekeken naar de te verwachten autoparkeervraag op basis van het aantal werknemers. JYSK heeft cijfers beschikbaar gesteld over het te verwachten aantal werknemers dat op de piekmomenten in het distributiecentrum aan het werk is, gebaseerd op een gelijkwaardige locatie. De werknemers van het distributiecentrum werken op werkdagen in twee ploegendiensten, met in de ochtend maximaal circa 300 werknemers en in de middag maximaal circa 200 werknemers. Tijdens de ploegenwissel is de parkeervraag het grootste, aangezien er dan geparkeerde auto's van werknemers van beide ploegendiensten op het parkeerterrein aanwezig zijn. Ervan uitgaande dat 10% tot 20% van de werknemers carpoolen of met de fiets naar het werk komen, bedraagt de parkeerbehoefte 378-425 autoparkeerplaatsen op het drukste moment (maximaal 241 voor de ochtendploeg, maximaal 149 voor de middagploeg en maximaal 35 voor de kantoorploeg). Op basis van de maximale parkeerbehoefte en de maximale bedrijfsomvang is de parkeernorm voor voorliggend bestemmingsplan bepaald: 0,218 parkeerplaats per 100 m2 BVO. Dit is bepaald aan de hand van de volgende berekening: 425 ÷ (195.000 m2 BVO / 100). Deze parkeernorm is vastgelegd in de algemene regels voor parkeren in voorliggend bestemmingsplan.

Op basis van een vergelijking met distributiecentra van vergelijkbare winkelketens en het verwachte aantal werknemers volgens JYSK komt de parkeervraag op een piekmoment

(vastgesteld)

blz. 60

uit op 425 autoparkeerplaatsen. Daarnaast kan JYSK aanvullende maatregelen nemen om de parkeervraag verder te reduceren. Voorbeelden zijn het toepassen/stimuleren van collectief vervoer of pendelbussen voor werknemers, invoeren van een bufferperiode tussen de ploegendiensten (voor een deel van de werknemers) en het stimuleren van duurzame mobiliteit. Vrachtautoparkeervraag Net als het autoparkeren dient ook het parkeren van trekker-oplegger combinaties op eigen terrein te gebeuren. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de benodigde parkeerruimte voor trailers en vrachtauto's die staan te wachten om geladen/gelost te worden. In het voorlopig ontwerp zijn 101 laad- en losplekken en 138 zware vrachtwagenparkeerplaatsen voorzien, waardoor het terrein gelijktijdige stalling van 239 vrachtwagens voorziet. Op drukkere werkdagen zullen naar verwachting circa 435 zware vrachtwagens van en naar het distributiecentrum rijden. Dit komt neer op een bezetting van ongeveer 1,8 vrachtwagens per parkeerplaats per dag. Ervan uitgaande dat elke gate en vrachtwagenparkeerplaats in het ongunstigste geval minimaal 2 keer per dag gebruikt wordt (minimaal 1 keer per ploegendienst)3 , levert dit voldoende capaciteit op (478 parkeerplaatsen) om het vrachtwagenparkeren op eigen terrein af te kunnen handelen.

Van de 435 vrachtwagens zijn er 35 vrachtwagens die zich tussen de haven en het distributiecentrum verplaatsen. Het is aannemelijk dat hierbij van een beperkt aantal vrachtwagens gebruik wordt gemaakt. Uitgaande van vier vrachtwagens met elk 9 ritten komt hiermee de parkeervraag voor zware vrachtwagens op 404 uit. Daarnaast worden per dag circa 50 lichte vrachtwagens verwacht. Afhankelijk van het type en de grootte kunnen deze van de trailerparking of van de parkeerplaatsen voor het autoverkeer (busjes) gebruik maken. Ervan uitgaande dat al deze vrachtwagens van de zware vrachtwagenparkeerplaatsen gebruik moeten maken, is er voldoende capaciteit om de parkeervraag op te vangen. Er zijn 478 plaatsen beschikbaar, terwijl de vraag 454 bedraagt.

Verkeer In de notitie (Bijlage 7) wordt tevens ingegaan op de hoeveelheid verkeer dat als gevolg van de ontwikkeling wordt gegenereerd. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Deze publicatie bevat een bandbreedte voor de verkeersgeneratie, gebaseerd op landelijke gemiddelden. Voor de locatie van het distributieterrein is uitgegaan van gebiedstype 'buitengebied' en stedelijkheidsklasse 'niet stedelijk'. Vrachtverkeer Bij JYSK is sprake van een bevoorrading van de winkels van minimaal 1 keer per week, waardoor het aantal vrachtwagenbewegingen naar verwachting per dag beperkt zal zijn. JYSK schat in dat op basis van een gelijkaardig distributiecentrum het aantal lichte en zware vrachtwagenverplaatsingen respectievelijk circa 100 en 800 per werkdag zal bedragen. Naast de bevoorrading van de winkels ontvangt het distributiecentrum naar verwachting 8.000 containers per jaar via de containerterminal aan de haven aan het IJsselmeer, welke over een afstand van ongeveer 1 kilometer naar het distributiecentrum vervoerd moeten worden. Ervan uitgaande dat er wekelijks een bevoorradingsmoment

(vastgesteld)

blz. 61

plaatsvindt, telt dit op tot circa 155 containers die per week tussen de haven en het distributiecentrum vervoerd moeten worden. Naar verwachting zal het aantal containers dat tussen de haven en het distributiecentrum verplaatst wordt over de verschillende dagen van de week (maandag tot en met zaterdag) verspreid worden, waarbij het aantal per dag zal fluctueren. Het maximaal aantal verplaatsingen per werkdag is ingeschat op circa 70 ritten (35 containers). Autoverkeer Uit de parkeerberekening volgt dat naar verwachting 378 tot 425 werknemers als bestuurder van een auto naar het werk komen. Uitgaande dat zij enkel een aankomende en vertrekkende rit hebben, telt dit op tot een verkeersgeneratie van 850 voertuigen per werkdag. Totale verkeersgeneratie Bij elkaar opgeteld genereert het distributiecentrum circa 1.720 tot 1.820 motorvoertuigverplaatsingen per werkdag, waarvan 70 zware vrachtwagenverplaatsingen voor het vervoeren van goederen tussen de haven en het distributiecentrum. Gezien het hoge aandeel vrachtverkeer is het raadzaam om voor het personenverkeer en het vrachtverkeer verschillende toegangen op het terrein te voorzien.

Tabel 10 Overzicht berekende verkeersgeneratie

Naar verwachting genereert het distributiecentrum van JYSK ca. 1720-1820 motorvoertuigverplaatsingen per werkdag. Aparte toegangen voor het vrachtverkeer en het personenverkeer zijn gezien het hoge aandeel zwaar vrachtverkeer vanuit verkeersveiligheidsperspectief noodzakelijk. Verkeersontsluiting In een aparte notitie dat is bijgevoegd als Bijlage 8, wordt duidelijkheid gegeven over de verkeersontsluiting tijdens de bouw en na oplevering. Hierbij wordt het omliggende wegennet betrokken: De IJsselmeerdijk, de N307 en de A6. In deze notitie worden de volgende conclusies getrokken: Het piekmoment op het distributiecentrum van toe- en uitrijdend verkeer betreft +/14:00. Tijdens dit piekuur is er sprake van 206 verplaatsingen naar het distributiecentrum en 298 van het distributiecentrum. In de tijdelijke situatie kan het verkeer van het distributiecentrum worden ontsloten via de IJsselmeerweg, in de toekomstige situatie vormt de route via de Karperweg – Binnenhavenweg de snelste route naar de A6.

(vastgesteld)

blz. 62

De Karperweg dient te worden heringericht. Op basis van de te verwachte verkeersgeneratie ten gevolge van de ontwikkeling van het distributiecentrum worden geen knelpunten ter hoogte van de turborotonde Binnenhavenweg-N307 verwacht. Bij volledige ontwikkeling van het gehele plangebied kunnen aanpassingen aan de turborotonde wenselijk zijn. 4.7.1 Conclusie In deze paragraaf is nader onderbouwt welke verkeersgeneratie verwacht mag worden van een nieuw distributiecentrum van JYSK. Per werkdag zal dit totale aantal tussen 1720 en 1820 liggen. Geadviseerd wordt aparte toegangen voor vracht- en personenverkeer te realiseren. Ook moet in overleg met de gemeente de infrastructuur worden aangelegd zodat de verkeersbewegingen op een snelle en veilige wijze kunnen plaatsvinden. Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht voor het omliggende wegennet. Daarnaast is op basis van parkeernota's van andere gemeenten, parkeeraanbod distributiecentra van gelijkaardige winkelketens, parkeeraanbod van JYSK bij het hoofddistributiecentrum en het verwachte aantal werknemers van het nieuwe distributiecentrum het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Binnen het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om te voorzien in de parkeerbehoefte van 425 parkeerplaatsen. Ook biedt het huidige ontwerp voldoende gelegenheid voor vrachtwagenparkeerplaatsen en laad-/losmogelijkheden.

JYSK voldoet daarmee aan de eisen van de gemeente dat parkeren volledig plaatsvindt op eigen terrein.

4.8

Geluid

Bij industrie en bedrijvigheid kan geluidhinder voor de omgeving optreden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient, indien relevant, aandacht te worden geschonken aan het aspect geluid. Momenteel is er in het gebied Flevokust een deel 'gezoneerd industrieterrein' en een deel met de bestemming 'agrarisch'. Voorliggend plangebied ligt grotendeels op de bestemming 'agrarisch' en voor een klein deel op het geluidgezoneerde industrieterrein. Dat kleine deel is in 2015 in het zonebeheersplan bestempeld als “Binnendijkse haven”. Voorliggend bestemmingsplan wordt opgesteld voor een distributiecentrum en maakt tevens havengebonden bedrijven mogelijk in de milieucategorie 3.1 en 3.2. De bedrijven die mogelijk worden gemaakt zijn geen grote lawaaimakers. Het is derhalve ook niet noodzakelijk om voorliggend plangebied (gedeeltelijk) onderdeel te laten zijn van het gezoneerde industrieterrein. Er is daarom gekozen voor een aanpassing van de omvang van het gezoneerde industrieterrein in die zin dat het gezoneerde industrieterrein wordt verkleind en voorliggend plangebied geen onderdeel meer is van dat terrein. Het gevolg is dat het voorliggende bestemmingsplangebied volledig is aangewezen met de gebiedsaanduiding 'geluidszone - industrie'. Daarmee vervalt de formele toetsing aan het geluidszonemodel.

Wel zal de vestiging van het bedrijf moeten voldoen aan de gebruikelijke Activiteitenbesluit eisen voor geluid. De invloed van het geluid van Jysk op de omgeving zal gering zijn. Uit de akoestische modellen blijkt al dat de bijdrage op de zonegrens maximaal 40 dB(A) etmaalwaarde zal bedragen. In voorliggend bestemmingsplan is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor een verhoging van de milieucategorie naar 4.2. Voorwaarde hiervoor is dat er wordt aangetoond dat er nog geluidsruimte is binnen de geluidszone van het

(vastgesteld)

blz. 63

industrieterrein.

Figuur 20: nieuwe inpassing Jysk, met zwart gestreepte lijn aangegeven wat de nieuwe grens is van het gezoneerde industrieterrein

Wanneer de milieucategorie van maximaal 3.2 wordt getoetst aan de publicatie 'Bedrijven & Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (2009), dan resulteert dat in het volgende. Op basis van een categorie-indeling van bedrijfstypen worden hierin richtafstanden gegeven voor diverse milieuaspecten, waaronder 'geluid'. Indien deze in acht worden genomen, kan gesteld worden dat er sprake is van een (akoestisch gezien) acceptabel woon- en leefklimaat. Bij het stellen van de richtafstanden wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstyperingen, te weten een 'rustige woonwijk met weinig verkeer' en een 'gemengd gebied'. Indien sprake is van een gemengd gebied, kunnen de richtafstanden in algemene zin met één afstandsstap worden gereduceerd. Zie tabel 11.

(vastgesteld)

blz. 64

Omgevingstype rustige woonwijk Omgevingstype gemengd gebied Een rustige woonwijk is ingericht Een gemengd gebied is een gebied met volgens het principe van een matige tot sterke functiemenging. functiescheiding. Afgezien van Direct naast woningen komen andere wijkgebonden voorzieningen komen functies voor, zoals winkels, horeca en vrijwel geen andere functies (zoals kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in bedrijven of kantoren) voor. Langs de het buitengebied met overwegend randen, in de overgang naar mogelijke agrarische en andere bedrijvigheid kan bedrijfsfuncties, is weinig verstoring door als gemengd gebied worden verkeer. beschouwd.

De beschouwde situatie voor de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein is te karakteriseren als 'gemengd gebied'. Milieucategorie 1 2 3.1 / 3.2 4.1 / 4.2 5.1 / 5.2 / 5.3 6

Rustige woonwijk 10 30 50 / 100 200 / 300 500 / 700 / 1.000 1.500

Richtafstand [m] Gemengd gebied 0 10 30 / (30) 50 100 / 200 300 / 500 / 700 1.000

Tabel 11 Richtafstanden en omgevingstype

De aan te houden afstand van 50 meter op omliggende gevoelige bestemmingen wordt gehaald, waardoor sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan / vestiging van de gewenste bedrijvigheid. 4.8.1 Conclusie Door voorliggend plangebied buiten het geluidgezoneerde industrieterrein te houden wordt recht gedaan aan de toekomstige situatie waarbij geen sprake is van een grote lawaaimaker. In dit bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om bedrijven tot en met categorie 3.2 mogelijk te maken. De vestiging van een milieucategorie 3.2- bedrijf voldoet aan de richtafstanden die moeten worden aangehouden op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Er is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen om bedrijven tot en met categorie 4.2 toe te staan. Daarvoor dient, gepaard met de aanvraag voor een omgevingsvergunning, aangetoond te worden dat het passend is binnen de geluidsruimte van het industrieterrein.

(vastgesteld)

blz. 65

4.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierin is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waarin in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Kern van het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)".

In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling van het distributiecentrum van JYSK is door middel van een onderzoek getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De rapportage hiervan is bijgevoegd als Bijlage 9. Als de effecten van een project niet leiden tot overschrijdingen van de grenswaarden, kunnen de ontwikkelingen doorgang vinden.

Tabel 12 Grenswaarden NO2 en Fijnstof

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) stelt strengere advieswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide dan nu in de Europese regelgeving is opgenomen.

Tabel 13 Advieswaarden fijnstof en NO2

(vastgesteld)

blz. 66

Voor het berekenen van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is in dit onderzoek gebruik gemaakt van STACKS+ versie 2021.1/PreSRM 2.101 dat is opgenomen in het rekenprogramma Geomilieu V2021. STACKS+ is door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) goedgekeurd voor gebruik binnen de toepassingsgebieden van de drie standaard rekenmethodes (SRM 1 t/m 3). In de berekening is rekening gehouden met een tweetal emissiebronnen, te weten mobiele werktuigen op het terrein en wegverkeer van en naar het distributiecentrum. Uitgangspunt voor het mobiele werktuig is dat er één terminal truck met verbrandingsmotor wordt ingezet voor vervoer van trailers en aanhangwagens op het terrein zelf. Aangezien deze terminaltruck zich over het gehele terrein zal bevinden zijn in de berekening 10 puntbronnen verdeeld over het terrein. Als route voor het wegverkeer is uitgegaan van een ontsluitende weg vanaf het plangebied, over de Karperweg en vervolgens naar de Houtribweg waarna het verkeer vervolgens zal opgaan in het huidige verkeersbeeld. In navolgende tabel zijn de resultaten van de uitgevoerde berekening weergegeven, evenals de gegeven grenswaarden.

Tabel 14 maximale jaargemiddelde concentratie plansituatie

4.9.1 Conclusie Uit de resultaten van het luchtonderzoek komt naar voren dat langs de ontsluitende wegen en in de directe omgeving van de inrichting geen overschrijdingen optreden van de grenswaarden voor de concentraties stikstofdioxide en fijnstof. Hiermee worden ten gevolge van het plan ook geen mensen blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Hiermee voldoet het plan aan grondslag a van artikel 5.16 lid 1 uit de Wet milieubeheer. Op het gebied van luchtkwaliteit is er geen belemmering om het plan tot uitvoering te brengen. Mocht de ontsluitingswijze in de toekomst aangepast worden, dan heeft dit nauwelijks impact op de uitkomsten van de berekening.

4.10

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's door opslag, productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, echter als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Vanuit een goede ruimtelijke ordening en ten behoeve van een gezonde en veilige leefomgeving is het van belang om de externe veiligheid rondom het plangebied te inventariseren. Nabij het plangebied is een drietal hoge druk gastransportleidingen van Gasunie gelegen.

(vastgesteld)

blz. 67

Figuur 21 Ligging hoge druk gastransportleidingen

Om de externe veiligheidssituatie van de voorgenomen ontwikkeling inzichtelijk te maken en te kunnen verantwoorden is een kwantitatieve risico analyse uitgevoerd voor de hogedrukaardgasleidingen. Het begrip risico wordt in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). 4.10.1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats (buiten de inrichting of langs een transportroute of een buisleiding), uitgedrukt in de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats (langs een inrichting, een transportroute of een buisleiding) zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval (binnen de inrichting of op de transportroute) waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. (Bevi, artikel 1; Bevt, artikel 1; Bevb, artikel 1.) Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties gaat het Rijk uit van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof mag voor omwonenden niet hoger zijn dan één op de miljoen per jaar. Dat betekent dat op een bepaalde plek een omwonende geen grotere kans op zo'n ongeluk mag hebben, dan één op de miljoen per jaar (Bevi, artikel 8; Bevt, artikel 4; Bevb, artikel 11).

4.10.2 Groepsrisico Het groepsrisico is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied (van een inrichting of van een transportroute) en een ongewoon voorval (binnen die inrichting, of langs die transportroute) waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. (Bevi, artikel 1; Bevt, artikel 1; Bevb, artikel 1.) Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute (ook bij buisleidingen)

(vastgesteld)

blz. 68

aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de risicobron. Dit laatste geldt ook voor inrichtingen. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt een invulling gegeven in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht wordt het bevoegd gezag gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen. Ook bestaat er een plicht voor het bevoegd gezag om de veiligheidsregio (voorheen regionale brandweer) in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. De verantwoordingsplicht behelst onder meer de volgende aspecten: de mogelijkheden van zelfredzaamheid; de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid; aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied; nut en noodzaak van de ontwikkeling; mogelijke maatregelen; restrisico. Betekenis voor het bestemmingsplan: Voor het bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 10.

Bij de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyses is er van uitgegaan dat het totale bebouwde vloeroppervlak 256.000 m² bvo zal bedragen, dit is de gehele oppervlakte van het kavel. Het getal wijkt af van het daadwerkelijk te bebouwen vloeroppervlakte en de aanname is daardoor zeer conservatief. Er is verder gebruikt gemaakt van kengetallen uit het de Handleiding Risicoanalyse Transport van het RIVM voor de bevolkingsgegevens. Voor een bedrijventerrein wordt 40 personen/ha aangehouden. Het aantal personen in het distributiecentrum komt daarmee neer op 1.024 personen (25,6 ha x 40 pers) gedurende de dagperiode. Dit is een worst case benadering, omdat JYSK al heeft aangegeven een lagere personeelsbestand aan te houden. Naar verwachting zijn gedurende de nachtperiode geen mensen in het distributiecentrum aanwezig. 4.10.3 Resultaten Uit de berekeningen zijn de volgende resultaten ten aanzien van het PR en GR gekomen. Plaatsgebonden risico Voor bedrijven (beperkt kwetsbare objecten) geldt voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde van PR 10-6/jaar. De hogedrukaardgasleiding A-570-deel-1, die het dichtst bij het plangebied ligt, heeft geen PR 10-6/jaar contour. De hogedrukaardgasleidingen A570-02 en A655-deel-1 hebben een PR 10-6/jaar contour. Echter, deze contouren bereiken het plangebied niet. Het plaatsgebonden risico is geen belemmering voor het realiseren van het plangebied.

Groepsrisico De groepsrisicoresultaten zijn samengevat in onderstaande tabel.

(vastgesteld)

blz. 69

Tabel 15 Groepsrisicoresultaten aardgastransportleidingen

Voor alle drie de hogedrukleidingen en voor zowel de huidige als de toekomstige situatie, ligt het groepsrisico ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Dat betekent dat er een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet worden opgesteld conform artikel 12 lid 3 van het Bevb en artikel 8 van de Revb. 4.10.4 Verantwoording Zoals gebleken is uit de risico-berekeningen dient voor de hogedrukaardgasleidingen een beperkte verantwoording van het groepsrisico te worden uitgevoerd. Als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen kan een fakkelbrand ontstaan; door een breuk in de leiding stroomt het aardgas onder hoge druk uit de leiding waarbij het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. Vanwege de aanwezigheid van dit risico dient inzichtelijk gemaakt te worden op welke wijze de zelfredzaamheid kan worden bevorderd. Het plan dient te worden voorzien van voldoende vluchtwegen. Daarnaast is het een mogelijkheid dat het bevoegd gezag de burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit. Belangrijk is om na te gaan wat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn om slachtoffers bij de diverse scenario's te voorkomen en om na te gaan of het gebied zodanig ingericht is dat de zelfredzaamheid wordt bevorderd.

Het is van belang dat duidelijk is waarheen gevlucht moet worden. Er moeten (nood)uitgangen en vluchtroutes zijn van de risicobronnen af. Er wordt geadviseerd om een calamiteitenplan op te stellen. Om de zelfredzaamheid te bevorderen dienen gebieden geselecteerd te worden welke als verzamelplaats specifiek gericht op het scenario fakkelbrand ingericht worden. Dit houdt in dat de verzamelplaatsen voldoende worden afgeschermd door gebouwen, zodat het 'vrijeveld-effect' zo veel als mogelijk beperkt wordt. Gebouwen bieden een afschermende werking. In geval van JYSK kan het gebouw bescherming bieden aan personen binnen het gebouw. Personen buiten het gebouw moeten kunnen vluchten van de buisleiding af. In de toelichting van de voorbereiding van de bestrijding en de beperking van de omvang van een ramp gaat het erom hoe de hulpverlening opgestart en ingezet wordt of kan worden en wat de mogelijkheden daartoe zijn. De hulpverlening dient risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag.

(vastgesteld)

blz. 70

4.10.5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de externe veiligheidssituatie nu en in de toekomst onder de gegeven waarden en daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel is het noodzakelijk dat JYSK een calamiteitenplan opstelt waarin maatregelen zijn opgenomen zodat de zelfredzaamheid bij een fakkelbrand wordt verbeterd, de mogelijkheden voor hulpverlening worden bevorderd en eenieder weet hoe te handelen. Het vervolgens resterende restrisico dient met het bevoegd gezag, als verantwoordelijke voor het externe veiligheidsbeleid, te worden besproken.

4.11

Landschappelijke inpassing

Ten aanzien van de beeldkwaliteit en ruimtelijke, landschappelijke inpassing, hanteert Gemeente Lelystad het vigerende beeldkwaliteitsplan voor het eerste gedeelte van Flevokust Haven als voorlopige richtkader waaraan de bouwplannen getoetst worden. Daarmee borgt de gemeente architectonische en ruimtelijke samenhang tussen de verschillende ontwikkelingen. Bij de uitwerking van het plan van JYSK zal derhalve rekening gehouden worden met de kaders uit het vigerende beeldkwaliteitsplan. Eerste verkenningen en overleggen tussen de architect van JYSK en de stedenbouwkundigen van de gemeente geven geen aanleiding om aan te nemen dat er conflicten optreden met de eerdergenoemde kaders. JYSK streeft naar doelmatige, ingetogen en hoogwaardige vormgeving, kleurgebruik en materialisatie, in de “geest van” de kaders en met in acht name van doelmatigheid en functionaliteit. Het ontwerp wordt nader uitgewerkt in overleg met gemeente Lelystad. Het momenteel in ontwikkeling zijnde beeldregieplan voor het gebied waarin JYSK het distributiecentrum wil realiseren zal daarbij bepalend zijn. JYSK ontwerp in lijn met de eisen die door gemeente Lelystad worden gesteld aan de stedenbouwkundige aspecten zodat het ingepast wordt in het (gewenste) beeld van Flevokust. Zoals reeds is aangegeven in paragraaf 3.3.4 wordt een beeldkwaliteitsplan gemaakt om het gewenste beeld nader vorm te geven.

Dat het zicht vanuit verschillende richtingen wordt gewijzigd als gevolg van de ontwikkeling van Jysk en Flevokust in zijn geheel is een gegeven dat als logisch gevolg vasthangt aan een dergelijke ontwikkeling. De gemeente Lelystad is blijvend met de provincie Flevoland in overleg om de invulling van het gehele bedrijventerrein op een landschappelijk inpasbare wijze vorm te geven.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn activiteiten vermeld die direct of indirect m.e.r.-plichtig kunnen zijn. In de onderstaande tabel zijn 2 categorieën vermeld die voor een bedrijventerrein aan de orde kunnen zijn. Beide categorieën zijn vermeld in Bijlage D bij het Besluit m.e.r. Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

(vastgesteld)

blz. 71

D 11. De aanleg, In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling 2 wijziging of activiteit betrekking bedoeld in de van het plan, uitbreiding van heeft op: artikelen 2.1, 2.2 bedoeld in artikel een stedelijk 1°. een oppervlakte en 2.3 van de Wet 3.6, eerste lid, ontwikkelingspro van 100 hectare of ruimtelijke onderdelen a en b, ject met inbegrip meer, ordening, en het van de Wet van de bouw van 2°. een plan, bedoeld in ruimtelijke winkelcentra of aaneengesloten artikel 3.1, eerste ordening dan wel parkeerterreinen. gebied en 2000 of lid, van die wet. bij het ontbreken meer woningen daarvan van het omvat, of plan, bedoeld in 3°. een artikel 3.1, eerste bedrijfsvloeroppervlak lid, van die wet. te van 200.000 m 2 of meer. D 11. De aanleg, In gevallen waarin de De structuurvisie, De vaststelling 3 wijziging of activiteit betrekking bedoeld in de van het plan, uitbreiding van heeft op een artikelen 2.1, 2.2 bedoeld in artikel een oppervlakte van 75 en 2.3 van de Wet 3.6, eerste lid, industrieterrein. hectare of meer. ruimtelijke onderdelen a en b, ordening, en het van de Wet plan, bedoeld in ruimtelijke artikel 3.1, eerste ordening dan wel lid, van die wet. bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. Tabel 16 Categorieën bedrijventerreinen vanuit Bijlage D besluit m.e.r.

De beoogde ontwikkeling kent een omvang van circa 25 hectare, waarbij een bruto vloeroppervlakte gehanteerd wordt tussen 163.000 m² en 193.000 m². Bij de aanleg van het distributiecentrum worden de drempelwaarden zoals gesteld in kolom 2 van categorie D 11.2 en D 11.3 niet overschreden. Vanuit het Besluit m.e.r. ontstaat dus geen plicht tot het uitvoeren van een plan-m.e.r. (kolom 3) of het uitvoeren van een m.e.r. beoordeling (kolom 4). Wel is het nodig voor dit plan een vormvrije m.e.r. beoordeling uit te voeren. Hiervoor is een aparte aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld waarover het college een afzonderlijk besluit dient te nemen. In de aanmeldnotitie is nog uitgegaan van de situatie dat een deel van het plangebied binnen het geluidgezoneerde industrieterrein zou vallen. Naderhand is besloten om het volledige plangebied buiten het geluidgezoneerde industrieterrein te laten. Hierdoor zijn geen grote lawaaimakers mogelijk, wat een positief effect heeft op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie blijft dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van voorliggend bestemmingsplan worden verwacht. Nader onderzoek in een MER is niet noodzakelijk. Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer kan ook een plan-m.e.r. plicht ontstaan als er voor het plan een passende beoordeling nodig is.

Uit het Natura 2000-onderzoek blijkt dat voor dit plan geen passende beoordeling nodig is en langs deze weg dus ook geen plan-m.e.r. plicht ontstaat.

(vastgesteld)

blz. 72

(vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te achterhalen of de maatschappij het plan uitvoerbaar vindt. De bestemmingsplanprocedure kent meerdere momenten waarop burgers en instanties hun mening over het bestemmingsplan kenbaar kunnen maken.

5.1

Maatschappelijk belang

Met de komst van JYSK is de verwachting dat er een mooie mix van ca 400 banen bij zal komen: van hoog opgeleid tot lager opgeleid personeel. Banen die ook zorgen voor een duurzame binding van de medewerkers met de regio waarin zij wonen en werken. JYSK hecht waarde aan de band en betrokkenheid tussen werknemer en werkgever en biedt haar werknemers een aantrekkelijke en prettige werkomgeving. Dit resulteert in een grote groep medewerkers (>70%) met een aanstelling door JYSK. JYSK investeert in de lange termijn en wil regionaal en lokaal betrokken zijn. JYSK streeft dan ook na zo veel mogelijk een aantrekkelijke werkgever te zijn voor de regio en verwacht dat met het aanbieden van zo veel mogelijk arbeidscontracten in dienst van JYSK, dat ook toekomstige medewerkers van buiten de regio, zich uitgenodigd voelen om zich in de nabijheid van het DC gaan vestigen. Het kan voorkomen dat door een tijdelijke piek aan arbeidsbehoefte of door structurele problemen in de regionale arbeidsmarkt, er lokaal onvoldoende gemotiveerd en capabele arbeidskrachten aanwezig zijn. In dat geval zal JYSK, via bemiddelingsbureaus, genoodzaakt zij om een beroep te doen op (tijdelijke) medewerkers uit andere landen, de zogeheten arbeidsmigranten. Alsdan zal JYSK zich inzetten voor goede arbeidsomstandigheden en humaan beleid ten aanzien van huisvesting.

De mogelijkheid kan onderzocht worden of de reeds in de regio aanwezige seizoenarbeiders kunnen worden ingezet om de efficiënte inzet van deze reeds aanwezige arbeiders te kunnen benutten. JYSK streeft er juist naar dat er zoveel mogelijk binding is met haar personeel en biedt continuïteit en goed werkgeverschap.

5.2

Participatie

In het kader van de nieuwe omgevingswet werkt de gemeente Lelystad met een omgevingstafel. In deze maandelijkse omgevingstafel kunnen nieuwe initiatieven gepresenteerd en besproken worden. Hierdoor zijn omgevingspartijen al eerder op de hoogte van de ontwikkeling en de onderzoeken en kunnen zij al hun 'formele' opmerkingen en/of aandachtspunten op de conceptstukken geven. Tijdens de omgevingstafel is besproken dat het voorontwerpbestemmingsplan nog wel formeel voor vooroverleg aangeboden moet worden en dat de reactietermijn van de partijen verkort kan worden naar 2 weken. De opmerkingen uit de omgevingstafel en het formele vooroverleg (kunnen) worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

(vastgesteld)

blz. 74

5.3

Vooroverleg

Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening tevens voorgelegd aan de besturen van de betrokken buurgemeenten, waterschappen en betrokken rijks- en provinciale diensten. Overeenkomstig artikel 3.1.6. Bro dienen de resultaten van dit overleg in de toelichting te worden verwerkt. Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: Rijkswaterstaat Provincie Flevoland Waterschap Zuiderzeeland GGD Flevoland Veiligheidsregio Flevoland Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek Gasunie Brandweer Flevoland Tennet Vitens gemeente Almere gemeente Zeewolde gemeente Dronten gemeente Urk De gemeente Zeewolde, de gemeente Almere, de Gasunie, Tennet, en brandweer Flevoland hebben aangegeven akkoord te zijn met het bestemmingsplan. De Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, het Waterschap Zuiderzeeland en de provincie Flevoland hebben opmerkingen gemaakt. De gemeentelijke reactie op de vooroverlegreacties is bijgevoegd in Bijlage 12. Hieruit volgt op welke wijze rekening is gehouden met de vooroverlegreacties in voorliggend bestemmingsplan. Een weergave van alle vooroverlegreacties is weergegeven in Bijlage 11.

5.4

Wettelijke procedure

In figuur 22 is de bestemmingsplanprocedure, zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening weergegeven.

(vastgesteld)

blz. 75

Figuur 22 Bestemmingsplanprocedure

Inspraak In 2008 heeft de gemeenteraad de 'Inspraakverordening 2008' vastgesteld. De algemene regel is dat bij bestemmingsplannen een voorontwerp wordt gemaakt en dat daarbij een inspraakprocedure wordt doorlopen. De inspraakprocedure houdt in dat het voorontwerp wordt gepubliceerd, waarna burgers en bedrijven inspraakreacties kunnen geven. Op basis van de inspraakreacties kan het ontwerpbestemmingsplan worden opgesteld. De inspraakverordening kent een mogelijkheid om de inspraakfase over te slaan. Dit geldt; "Ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen". In het bestemmingsplan "Lelystad Flevokust - binnendijks" is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen de functie 'bedrijventerrein zijn enkel havengebonden bedrijven toegestaan. Voor de beoogde ontwikkeling van een distributiecentrum kan daarom geen gebruik gemaakt worden van de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan. Aangezien binnen het projectgebied bedrijven zijn toegestaan en er slechts op ondergeschikte punten sprake is van een herziening - en er ook nauwelijks sprake is van direct omwonenden -, wordt voorgesteld voor deze herziening geen voorontwerp op te stellen en geen inspraakprocedure te doorlopen.

Burgers en bedrijven kunnen een zienswijze geven als het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt. Zienswijzen Na de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken worden dan

(vastgesteld)

blz. 76

gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt daarbij in de gelegenheid schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op de stukken naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 9 december 2021, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Vaststelling Vervolgens wordt het bestemmingsplan door de gemeenteraad vastgesteld. De publicatie van het vaststellingsbesluit vindt (over het algemeen) plaats binnen twee weken na de vaststelling. Tijdens de daarop volgende inzagetermijn van zes weken is het voor belanghebbenden mogelijk om beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het bestemmingsplan treedt in werking op de eerste dag ná de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij er een voorlopige voorziening is aangevraagd.

(vastgesteld)

blz. 77

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van de Wro en het Bro moet in de toelichting onder andere inzicht worden verschaft in de wijze waarop binnen het plangebied is omgegaan met het kostenverhaal en in de (economische) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Daarom wordt in onderstaande paragrafen op beide aspecten ingegaan.

6.1

Grondexploitatie

In het kader van de Grondexploitatiewet (opgenomen in afdeling 6.4 van de Wro) moet in sommige gevallen gelijktijdig met het bestemmingsplan door de gemeenteraad een exploitatieplan worden vastgesteld. Met de wet is beoogd om de positie van de gemeente qua kostenverhaal en regie te versterken in het geval van particuliere grondexploitatie. Het uitgangspunt van de wet is dat een gemeente verplicht is om de door haar gemaakte en nog te maken kosten verband houdende met ontwikkelingen door een particuliere grondeigenaar te verhalen indien deze tot exploitatie van de gronden overgaat, dat wil zeggen bouwplannen realiseert in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Dit kostenverhaal vindt plaats via een exploitatieplan. Op grond van artikel 6.12, tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd en het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is. Exploitatieplan De gemeente Lelystad verkoopt haar kavel aan JYSK tegen marktconforme condities waarbij is overeengekomen dat JYSK zelf haar kosten draagt voor de bestemmingswijziging, de gemeente haar kosten en de gemeente zorg draagt voor het bouw- en woonrijp maken van het toekomstige openbare gebied waaronder de infrastructuur.

Omdat sprake is van commerciële condities, worden de door de gemeente te maken kosten ruimschoots gedekt uit de opbrengstwaarde bij verkoop. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. Daarnaast wordt geen noodzaak gezien om een tijdvak of fasering te bepalen of nadere eisen, regels of een uitwerking van regels te stellen zodat kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

(vastgesteld)

blz. 78

6.2

Financiële haalbaarheid

In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan dient de gemeenteraad zich te vergewissen van het feit dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, (financieel) uitvoerbaar is en gerealiseerd kan worden. JYSK is een kapitaalkrachtig wereldwijde speler en heeft met de gemeente Lelystad een overeenkomst gesloten voor de koop van ca. 25ha. grond. Belangrijk is dat JYSK de ontwikkelaar, eigenaar en gebruiker wordt van de logistieke faciliteit. Voor de ontwikkeling van de plannen heeft JYSK de financiële middelen beschikbaar die de benodigde kosten kunnen dekken. Bovendien maakt de ontwikkeling een efficiëntere bedrijfsvoering voor JYSK mogelijk, omdat de bevoorrading dichter bij de winkels plaatsvindt dan momenteel gebeurt. Initiatiefnemer heeft in haar overeenkomst(en) met de gemeente afspraken gemaakt over de dekking van de gemeentelijke kosten alsook de eventuele verschuldigdheid van onverhoopte planschade.

(vastgesteld)

blz. 79

Hoofdstuk 7

Juridische planbeschrijving

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan is een digitaal bestand in gml-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Om het plan te kunnen raadplegen zijn in feite drie onderdelen van belang: een digitale en analoge verbeelding van de geometrisch bepaalde planobjecten (verbeelding); de juridisch bindende regels van het bestemmingsplan (planregels) een bijbehorende toelichting (plantoelichting). Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware; in ieder geval via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het bestemmingsplan opgeroepen worden door het aan- of uitvinken van planobjecten. Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de kaart.

In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de handhaving van het bestemmingsplan.

7.1

Opzet bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals die gelden sinds 1 juli 2008. Naast deze toelichting bestaat het bestemmingsplan uit planregels en een verbeelding. De planregels en de verbeelding zijn de juridisch bindende onderdelen van dit bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP) De regels van dit bestemmingsplan zijn opgezet conform de Wro en het Bro, zoals die gelden sinds 1 juli 2008. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog.

(vastgesteld)

blz. 80

7.2

Bestemmingsplan: artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1: "Inleidende regels", bevat de volgende artikelen:

Artikel 1: Begrippen In artikel 1 zijn de definities van de in het bestemmingsplan voorkomende begrippen gegeven.

Artikel 2: Wijze van meten In artikel 2 is de meetwijze gegeven zoals die in dit bestemmingsplan wordt gehanteerd. Hier is ook aangegeven wat ondergeschikte bouwonderdelen zijn die niet hoeven te worden meegerekend bij het bepalen van de bouwhoogte. Voorbeelden zijn schoorstenen, antennes en zonnepanelen. Hoofdstuk 2: "Bestemmingsregels", bevat de bestemmingen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk twee bevat de volgende artikelen:

Artikel 3: Bedrijventerrein De hoofdfunctie van het plangebied is gericht op de realisatie van een distributiecentrum. Dit is mogelijk gemaakt in de bestemming "Bedrijventerrein". Binnen deze functie is het mogelijk om o.a. verkeers- en parkeervoorzieningen alsmede groenvoorzieningen en waterlopen/-partijen te realiseren. Belangrijke aspecten uit de bestemming zijn de volgende. In de bouwregels is geregeld hoe diep, hoe hoog, over welke oppervlakte mag worden gebouwd en welke afstanden moeten worden aangehouden tot perceelsgrenzen. Windturbines zijn alleen toegestaan wanneer deze intergaal onderdeel uitmaken van een gebouw en mogen in dat geval een maximale mastlengte hebben van 8 meter. Dit omdat separate windmolens landschappelijk niet passend worden geacht. Bovenop een gebouw is het met de genoemde mastlengte wel aanvaardbaar. Erf- en terreinafscheidingen mogen worden gebouwd tot een hoogte van 2 meter. Binnenplans kan hiervan worden afgeweken tot een hoogte van 3 meter, mits kan worden aangetoond dat dit noodzakelijk is vanuit de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld veiligheidseisen) en er geen gevaarlijke situaties ontstaan vanuit verkeersveiligheidsoogpunt. De bouwhoogte voor kranen geldt alleen voor kranen die buiten gebouwen worden gerealiseerd. Van enkele bouwregels kan worden afgeweken via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Een van de afwijkingen die mogelijk is, is het vergroten van de maximale bouwhoogte tot 46 meter. Dit is mogelijk tot een oppervlakte van 40% van de te bebouwen oppervlakte / het gebouw dat wordt gebouwd. Het is dus niet 40% van het bouwperceel. Dit om te voorkomen dat alleen een hoog gebouw van 46 meter hoogte wordt gebouwd. Jysk heeft ter plaatse van de in paragraaf 2.2 beschreven 'high bays' een dergelijke hoogte nodig, die dus niet nodig is over de gehele oppervlakte van de te realiseren bebouwing.

Artikel 4: Waarde-archeologie Dubbelbestemming ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologische

(vastgesteld)

blz. 81

waarden. De gebieden in het plangebied, waarvoor een middelhoge archeologische waarde is voorzien of waarbij sprake is van archeologische vindplaatsen, zijn in het bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie". Binnen deze bestemming is een omgevingsvergunningsplicht voor werken en/of werkzaamheden opgenomen waarin bepaald is dat voor ingrepen dieper dan 4,70m-mv een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden nodig is. Ook is hierbij een archeologisch onderzoek nodig. Hoofdstuk 3: "Algemene regels", bevat de volgende artikelen:

Artikel 5: Anti-dubbeltelregel. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken.

Artikel 6: Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels geven extra regels over mogelijk gebruik van de gronden in het plangebied

Artikel 7: Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels geven regels over specifiek aangeduide gebieden in het plangebied.

Artikel 8: Algemene afwijkingsregels; Ten behoeve van kleine wijzigingen zoals het wijzigen van een bestemmingsgrens of aanpassen van de bouwhoogte zijn toegestaan mits dit voor de technische uitvoerbaarheid van bestemmingen en bouwwerken noodzakelijk is.

Artikel 9: Overige regels; O.a. nadere afspraken parkeren Hoofdstuk 4: "Overgangs- en slotregels", bevat de volgende artikelen:

Artikel 10: Overgangsrecht; Indien de in het plan opgenomen regels. voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsbepalingen van toepassing. De overgangsbepaling heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt.

Artikel 11: Slotregel. In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.

(vastgesteld)

blz. 82

Eindnoten

1. High Bay Warehouse; een opbergsysteem met rekken tot wel 50m hoogte 2. Staatscourant nr. 48104, 15 september 2020 3. Er zijn geen kencijfers of kentallen bekend over hoe vaak per dag van een gate gebruik wordt gemaakt. Daarom is in deze verkeerstoets een minimum gebruik ingeschat.

(vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=5429e4d0-08de-4bc5-a7a5-2e65c6ccb150