CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL1 Toelichting

Commissie Ruimte Ontwikkeling en Bereikbaarheid 16 juni 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.289 Vaststelling bestemmingsplan Waterfront Stedelijke Kust Lelystad37.200 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Figuur 5.15. Bestaand netwerk van verbindende fietsroutes (rood) en dragende routes (blauw). Onderdeel van het plan is een investering in langzaam verkeersverbindingen, in aansluiting op het in figuur 5.15 weergegeven bestaand netwerk van verbindende (hoofdfiets)routes. Binnen het plangebied verbindt een doorgaand fietspad, gescheiden van de infrastructuur voor het gemotoriseerde verkeer, de deelgebieden met elkaar. Daarnaast wordt de Oostvaardersdijk ter hoogte van Batavia Stad ingericht als boulevard met een fietsverbinding. Het plangebied takt op diverse punten aan op het hoofdfietsnetwerk van Lelystad. Deze fietsradialen zorgen voor goede verbindingen naar het station, naar het stadscentrum en naar overige bestemmingen in Lelystad.

5 mei 2026

68

5.4.2.4 Verkeersveiligheid Theoretisch geeft een toename van verkeer, in dit geval ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkelingen, meer risico’s voor de verkeersveiligheid, omdat het aantal voertuigbewegingen toeneemt. Zo lang deze verkeersstromen goed, met adequate weginfrastructuur wordt afgehandeld (duurzaam veilig verkeerssysteem en weginrichting), is er geen direct effect op de verkeersveiligheid. Het risico van onvoldoende verkeersafwikkeling op de kruispunten is dat wel; indien de capaciteit van een kruispunt onvoldoende is om de verkeersvraag goed af te wikkelen, zullen automobilisten genegen zijn meer risico’s te nemen. In het plangebied wordt de verkeersveiligheid verhoogd door de beoogde structuur voor het langzaam verkeer, fysiek te scheiden van het gemotoriseerde verkeer. Ook het autovrij maken van de Oostvaardersdijk ter hoogte van Batavia Stad geeft een positief effect op de verkeersveiligheid. De passende maatregelen die in paragraaf 5.4.2.1. genoemd worden om op de kruispunten de afwikkeling naar wens te laten verlopen, zorgen voor een positief effect op de verkeersveiligheid. Parkeren De huidige parkeercapaciteit bij Bataviakwartier bestaat uit circa 3.500 parkeerplaatsen, met daarnaast (tijdelijke) overloopparkeerterreinen die incidentdeel worden gebruikt zie Figuur 5.16. Deze voorzien in de parkeerbehoefte van de huidige voorzieningen.

Dit parkeerterrein wordt via twee in- en uitgangen ontsloten met als zwaartepunt de noordelijke in- en uitgang. Beide ontsluitingen takken aan op de Houtribweg.

5 mei 2026

69

Figuur 5.16. Parkeervoorziening Batavia Stad in bestaande situatie.

Bataviakwartier De ontwikkeling van Bataviakwartier met het beoogde programma leidt naar verwachting tot een toename van mobiliteit. Het bestemmingsplan maakt meer dan 4.000 extra parkeerplaatsen mogelijk en kan daarmee ruimschoots voorzien in de behoefte tijdens normale en drukke dagen. Het daadwerkelijk te realiseren aantal parkeerplaatsen kan worden afgestemd op de daadwerkelijke extra parkeerbehoefte en via een Omgevingsvergunning worden gewaarborgd. Tijdens piekdagen, zoals evenementen, kan er behoefte zijn aan extra parkeermogelijkheden, bijvoorbeeld langs de Houtribweg, zoals ook in de huidige situatie het geval is. De parkeercapaciteit van Bataviakwartier wordt uitgebreid door het Bataviaplein in te richten als parkeerplaats en de bestaande parkeerplaatsen in het noorden en zuiden te voorzien van parkeerdekken, zie Figuur 5.17.

5 mei 2026

70

Figuur 5.17. Extra parkeervoorzieningen voor bezoekersparkeren binnen Bataviakwartier die door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Saerdam, Vliegent Hert, Reygersbeek en Meerdijkhaven Voor de ontwikkeling van de woningen in dit gebied wordt de Nota Parkeernormen Lelystad 2023 of diens rechtsopvolger als uitgangspunt gehanteerd voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen en verdere eisen ten aanzien van het parkeren. In het stedenbouwkundig plan is opgenomen dat voor Meerdijkhaven een uitzondering gehanteerd wordt ten aanzien van de plaatsbepaling voor de parkeerplaatsen. Parkeerplaatsen voor woningen dienen volgens het vigerende parkeerbeleid binnen een loopafstand van 100 meter gerealiseerd te worden. Bij Meerdijkhaven wordt per woning 1 parkeerplaats binnen een loopafstand van 100 meter gerealiseerd. De resterende parkeervraag wordt op ca. 500 meter loopafstand buiten de wijk gerealiseerd, middels twee collectieve parkeerterreinen met een gezamenlijke capaciteit van 1.800 parkeerplaatsen, die gecreëerd worden aan de overzijde van de Houtribweg. Door de parkeervraag op deze wijze op te lossen bestaat een kans op zoekverkeer in de wijk. Door parkeerregulerende maatregelen (parkeervergunningen) kan dit worden voorkomen, zodat voor 5 mei 2026

71

automobilisten duidelijk is of zij in de wijk kunnen parkeren of op de collectieve parkeervoorziening aan de overzijde van de Houtribweg.

Figuur 5.18. Parkeervoorzieningen Saerdam, Vliegent Hert, Reygersbeek en Meerdijkhaven. Door in het bestemmingsplan ruimschoots voldoende parkeerplaatsen mogelijk te maken en de tijdige beschikbaarheid te koppelen aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning, wordt het parkeren adequaat opgelost.

5.4.2.5 Verkeersleefbaarheid De hoofdwegenstructuur van Lelystad is opgebouwd uit gebiedsontsluitingswegen die de wijken ontsluit. Het doel is om de wijken direct te ontsluiten naar deze gebiedsontsluitingswegen, om zo het doorgaande verkeer in wijken te voorkomen. Met de beoogde ontwikkeling wordt het principe om verkeer van en naar de drie verschillende deelgebieden direct te ontsluiten op de hoofdwegenstructuur, op de Houtribweg. Tussen de deelgebieden is uitsluitend een langzaam verkeer verbinding. Hiermee worden de gemotoriseerde verkeersbewegingen binnen de wijk geminimaliseerd. Op basis van de berekeningen met het verkeersmodel is de verwachting dat dit ook zo in de praktijk gaat plaatsvinden. Het model laat zien dat het verkeer zich verder afwikkelt over de hoofdwegen en dat woonstraten en woonwijken niet extra belast worden.

5 mei 2026

72

Conclusie Voor het aspect verkeer levert samengevat de volgende conclusies op: • De bereikbaarheid per auto van de planvorming is op orde, maar door de extra autostromen ten gevolge van de planontwikkelingen, raken naar verwachting enkele kruispunten in Lelystad overbelast. Hiervoor zijn infrastructurele aanpassingen nodig: wijziging van de kruispuntvorm of het realiseren van vrije afslaande bewegingen; • Het effect van de planontwikkeling op de bereikbaarheid per openbaar vervoer is beperkt positief, aangezien er enkele bushaltes extra op de Houtribweg zijn voorzien; • Ook de bereikbaarheid voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) verbetert, met name vanwege een nieuwe, gescheiden fietsverbinding door het plangebied en het autoluw maken van de Bataviahaven; • De genoemde punten bij het langzaam verkeer zorgen tevens voor een beperkt positief effect, naar verwachting, op de verkeersveiligheid; • Het parkeren is adequaat opgelost en ingevuld voor de planvorming; • Voor het aspect verkeersleefbaarheid, met name in de bestaande wijken, zijn geen effecten voorzien vanuit de planvorming; Om de knelpunten die mogelijk ontstaan of verergeren op kruispuntniveau ten gevolge van de planontwikkeling is nader onderzoek verricht om de verkeersafwikkeling ook op deze kruispunten en weer op orde te krijgen.

Met periodieke monitoring door de gemeente op kruispuntniveau wordt inzicht verkregen of de verkeersafwikkeling aanvaardbaar blijft gedurende de planontwikkeling. De voorgestelde verkeerskundige maatregelen kunnen getroffen worden als blijkt dat de kruispunten verzadigd raken. Verkeer vormt geen belemmering voor het plan.

5.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden.

Luchtkwaliteitseisen Op basis van artikel 5.16 Wm kan een bestemmingsplan worden vastgesteld indien: • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, die behoort bij de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of • aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor Een grenswaarde is opgenomen of;

5 mei 2026

73

•

het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Onderzoek Door Haskoning is een onderzoek Luchtkwaliteit uitgevoerd ten behoeve van de Milieueffectrapportage. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3 van deze toelichting. De bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven. In Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.5.4 zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof ( PM10 en PM2,5) aangegeven8. Tabel 5.4: Grenswaarden Stof

Criterium

Grenswaarde (µg/m3)

NO2

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3

18 uren per jaar

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

etmaalgemiddelde concentratie van 50 µg/m3

35 etmalen per jaar

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m3

PM10

PM2.5

Om het projecteffect in beeld te brengen is de luchtkwaliteit in de situatie na de realisatie vergeleken met de luchtkwaliteit in de situatie zonder deze ontwikkeling (referentiesituatie). De berekeningen zijn uitgevoerd met het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)9. Om het projecteffect van beide alternatieven in beeld te brengen is de luchtkwaliteit in de situatie na de realisatie vergeleken met de luchtkwaliteit in de situatie zonder deze ontwikkeling (referentiesituatie). Bij de concentratieberekening zijn de volgende wegen meegenomen 10; - de wegen binnen Lelystad die zijn opgenomen in het CIMLK; - de belangrijkste ontsluitingswegen van Lelystad die zijn opgenomen in het CIMLK; - aanvullende wegvakken van ontsluitingswegen van het plangebied en van wegen waarop grote verkeerseffecten te zien zijn. De berekeningen zijn uitgevoerd ter hoogte van de rekenpunten langs deze wegen. De rekenpunten en wegvakken die in het model zijn opgenomen zijn weergegeven in Figuur 5.19. De verkeersgegevens zijn afkomstig uit het Strategisch Verkeersmodel Lelystad-Almere STRAVELA. De geleverde verkeerscijfers betreffen weekdaggemiddelde etmaalintensiteiten, onderverdeeld naar personenauto’s, middelzwaar verkeer en zwaar vrachtverkeer.

8

Ten aanzien van de overige stoffen waarvoor in de Wm grenswaarden zijn opgenomen, zijn in het laatste decennium nergens in Nederland normoverschrijdingen opgetreden en vertonen de concentraties een dalende trend. Dit beeld wordt bevestigd door metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit van het RIVM. Daarmee is het redelijkerwijs niet aannemelijk dat ten gevolge van dit project de grenswaarden voor andere stoffen dan NO2, PM10 en PM2,5 overschreden worden. 9 Voor de NO2-, en PM10-concentraties is gebruik gemaakt van CIMLK versie 2023. De uitkomsten van de PM 2.5-concentraties zijn in deze versie nog niet gevalideerd. Voor de PM2.5-concentratie is daarom gerekend met CIMLK versie 2022. 10 De wegkenmerken zijn overgenomen uit CIMLK (monitoringsronde 2022, zichtjaar 2030) 5 mei 2026

74

Figuur 5.19. Rekenpunten en wegvakken. De maximale concentraties die zijn berekend zijn weergegeven in tabel 5.5. Uit de resultaten van de modelberekeningen blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO 2-, PM10- en PM2.5concentraties. Tabel 5.5: Luchtkwaliteit – Maximale concentraties NO2 (jaargemiddelde concentratie, μg/ m3)

PM10 (jaargemiddelde concentratie, μg/ m3)

PM10 (# overschrijdingen etmaal grenswaarde van 50 μg/ m3)

PM2.5 (jaargemiddelde concentratie, μg/ m3)

Grenswaarden

40

40

35

25

Toetspunten

17,7

15,4

6

8,2

Het criterium voor de effectbeoordeling van het thema luchtkwaliteit is het effect op de jaargemiddelde NO 2, PM10- en PM2.5-concentratie. Het effect van het planvoornemen op de jaargemiddelde NO2-, PM10- en PM2.5-concentratie is over het algemeen zeer klein. In tabel 5.6 is het minimale, het maximale en gemiddelde effect op de jaargemiddelde concentratie (NO2, PM10 en PM2.5) als gevolg van de realisatie weergegeven. Tabel 5.6: Effect op de jaargemiddelde concentratie (NO2, PM10 en PM2.5) Jaargemiddelde NO2concentratie (µg/m3)

Jaargemiddelde PM10concentratie (µg/m3)

Jaargemiddelde PM2.5concentratie (µg/m3)

Grenswaarden

40

40

25

Maximale afname

-0,4

0,0

0,0

5 mei 2026

75

Maximale toename

0,6

0,1

0,0

Gemiddelde verandering

0,1

0,0

0,0

Conclusie Uit de berekende concentraties op toetspunten blijkt dat met het planvoornemen voor zichtjaar 2040 ruim wordt voldaan aan de grenswaarden voor de NO2-, PM10- en PM2.5-concentraties. Hieruit volgt dat voldaan wordt aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer, waarmee het project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

5.6

Geluidhinder

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en is via een formele procedure vastgelegd. Het hogere waardenbesluit is toegevoegd aan het akoestisch onderzoek in bijlage 10 van de toelichting. Wegverkeerslawaai Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.

Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh).

Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. 5 mei 2026

76

Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: • 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur; • 5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Een industrieterrein is volgens de Wet geluidhinder een terrein waar zich bedrijven kunnen vestigen die genoemd worden in artikel 40 van de Wet geluidhinder en onderdeel D van Bijlage I behorende bij het Besluit omgevingsrecht (de zogenaamde grote lawaaimakers). Op grond van hoofdstuk V van de Wet geluidhinder is rondom deze terreinen een zone vastgesteld, waarbuiten de etmaalwaarde van het gemiddelde geluidsniveau ten gevolge van alle bedrijven op dat terrein niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). De zone is een planologisch aandachtsgebied, waarbinnen regels van kracht zijn, die aan zowel industriële activiteiten als aan woningbouw beperkingen opleggen. De ligging en omvang van de zone wordt met een bestemmingsplan vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan dient gekeken te worden naar de geluidsbelasting van geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving van het industrieterrein. Indien de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt, kan de gemeente een hogere waarde vaststellen. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A).

Scheepvaartlawaai In de Nederlandse wet- en regelgeving zijn geen bepalingen voor het omgevingsgeluid van scheepvaart opgenomen. De beoogde woningbouw die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is gelegen op een vergelijkbare afstand tot de scheepvaartroutes en -aanlegplaatsen als de bestaande woningen aan de Saerdam. Nu de bestaande woningen maatgevend zijn en er ook geen klachten bekend zijn, vormt het aspect scheepvaartlawaai geen belemmering voor het plan.

5.6.1

Onderzoek

5.6.1.1 Wegverkeerslawaai Door Haskoning is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 10 van dit bestemmingsplan. De bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven. Het plangebied is gelegen nabij meerdere geluidbronnen, waaronder de Houtribweg, Visarenddreef en industrieterrein Noordersluis. In het kader van de onderbouwing van het bestemmingsplan Waterfront, dient onder andere voor het aspect geluid onderzoek te worden uitgevoerd. Binnen het bestemmingsplan zijn geluidgevoelige objecten gelegen, zie onderstaande afbeelding in het rood weergegeven. Volgens de Wet geluidhinder dienen de locaties waar sprake is van nieuw te realiseren geluidgevoelige objecten te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van deze wet. Indien sprake is van een overschrijding van de wettelijke voorkeurswaarde wordt onderzocht welke geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen. Indien de maatregelen niet mogelijk zijn of stuiten op bezwaren dan wordt aangegeven voor welke geluidgevoelige objecten een hogere waarde dient te worden vastgesteld. De gemeente Lelystad heeft een beleid opgesteld waarin regels zijn opgenomen voor het vaststellen van hogere waarden: Beleid hogere grenswaarden en zonebeheer (vastgesteld 23 januari 2007) en Nota

5 mei 2026

77

Geluidbeleid Lelystad 2010-2015 (versie 8.0, september 2010). In het kort komt het gemeentelijk beleid op het volgende neer: • De wettelijke voorkeursgrenswaarde is uitgangspunt, hogere grenswaarden zijn uitzonderingen. • Voordat een hogere grenswaarde kan worden verleend worden eerst alle reële maatregelen overwogen (geluidsreducerend asfalt, geluidswallen of-schermen) en waar nodig krijgen de woningen een hogere geluidsisolatie; • Niet meer dan 10 procent van de nieuw te bouwen woningen mag meer geluid op de gevel krijgen dan wettelijk is bepaald. De maximale hogere grenswaarde buiten het Stadshart bedraagt 53 dB Lden voor geluid afkomstig van wegverkeer en 58 dB Lden voor geluid afkomstig van spoorwegverkeer, Voor het Stadshart geldt 58 Lden voor geluid afkomstig van wegverkeer en 61 dB Lden voor geluid afkomstig van spoorwegverkeer; • Woningen met meer geluid op de gevel worden zodanig ingedeeld dat minstens één zijde van de woning geluidsluw is. Met het beleid wordt rekening gehouden bij de beoordeling van het plan. Resultaten Voor het onderzoek naar de geluidseffecten op de nieuwbouw zijn alle wegen betrokken waarbij het nieuwbouwplan binnen de geluidszone van deze wegen (conform art. 74 Wgh) is gelegen. Het gaat daarbij om de volgende wegen: • Houtribweg (50 km/uur); • Visarenddreef (deels 50, deels 70 km/uur). Wegen die geen zone hebben (art.

74 lid 2 Wgh), en waarop de Wet geluidhinder dus niet van toepassing is, zijn: • wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De nieuwe bouwvlakken (woonbuurten) van het plan Waterfront liggen (voor een deel) binnen de geluidzone van de Houtribweg en Visarenddreef. Als basis voor de geluidberekeningen en toetsing aan grenswaarden is uitgegaan van de grenzen van het bestemmingsplan. Ter indicatie zijn ook de geluidbelastingen op de mogelijke nieuwbouw weergegeven met de maximaal toelaatbare hoogtes conform het bestemmingsplan. Voor de geluidberekeningen is uitgegaan van peiljaar 2040, circa 10 jaar na realisatie van de nieuwbouw. Er is gebruik gemaakt van het rekenprogramma GeoMilieu (versie 2023.12), dat voldoet aan Standaardrekenmethode 2 (SRM2) van het Rmg2012. In het geluidonderzoek worden de verkeersintensiteiten op de wegen uitgedrukt in het gemiddeld aantal motorvoertuigen dat in de dag-, avond- en nachtperiode per uur over de weg rijdt, uitgedrukt in weekdaggemiddelden. De gegevens zijn afkomstig uit het Strategisch Verkeersmodel Lelystad-Almere STRAVELA en betreffen het peiljaar 2040. Zoals blijkt uit de resultaten is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB bij de woonbuurten 1, 2 en 3 vanwege de Houtribweg. De geluidbelasting is ten hoogste 54 dB.

De maximale (wettelijke) ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde conform het beleid van de gemeente (53 dB) wordt overschreden met 1 dB. De resultaten laten ook zien dat er geen sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB vanwege de Visarenddreef (op bouwvlakniveau). 5 mei 2026

78

Figuur 5.20. Geluidbelasting (incl. art. 110g Wgh) t.g.v. Houtribweg, contour op 14m hoogte. In onderstaande tabel zijn de resultaten per weg samengevat. Dit betreft de resultaten nog zonder eventuele (aanvullende) geluidmaatregelen. Tabel 5.7: Maximale geluidbelasting per bron

5 mei 2026

79

Tabel 5.8: Maximale geluidbelasting per woonbuurt, incl. art. 110g Wgh.

Ten gevolge van de Houtribweg wordt de voorkeurswaarde overschreden op de randen van de nieuw te realiseren woonbuurten 1, 2 en 3. De geluidbelasting is ten hoogste 54 dB. Aangezien de geluidbelasting op de randen van de woonbuurten hoger is dan de voorkeurswaarde, is een onderzoek naar maatregelen uitgevoerd. Ten gevolge van de Visarenddreef wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden. Volgens de Wet geluidhinder worden er geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van het geluid van de Visarenddreef. Bij het nemen van maatregelen is eerst gekeken naar bronmaatregelen (zoals geluidreducerend wegdek) en vervolgens naar maatregelen in de overdracht (zoals geluidschermen of wallen). Naast de bron- en overdrachtsmaatregelen kan het geluid binnen het plangebied gereduceerd worden door stedenbouwkundige ontwerp- en gebouwoplossingen. Resultaten en maatregelen Geluidbelasting van de zoneplichtige wegen in het kader van de Wgh Ten gevolge van de Houtribweg wordt de voorkeurswaarde overschreden op de randen van de nieuw te realiseren woonbuurten 1, 2 en 3. De geluidbelasting is ten hoogste 54 dB. Aangezien de geluidbelasting op de randen van de woonbuurten hoger is dan de voorkeurswaarde, is een onderzoek naar maatregelen uitgevoerd. Een bronmaatregel is vanuit geluid gezien een doelmatige maatregel.

Na toepassing van een bronmaatregel in de vorm van steenmastiekasfalt (SMA NL-8G+) wordt nog niet voldaan aan de voorkeurswaarde. De geluidbelasting wordt maximaal 52 dB. Aanvullende schermen zijn niet wenselijk vanuit landschappelijk oogpunt. Voor dit plan dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Aangezien het plan nog niet uitgewerkt is, is met de gemeente afgesproken hogere waarden vast te stellen van maximaal 53 dB (= maximale hogere waarde vanuit het gemeentelijke beleid). Daarbij is het van belang dat bij de uitwerking van het plan rekening wordt gehouden met deze maximale hogere waarden en de vereisten opgenomen in het beleid. Dit laatste betreft met name de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte per woning bij de woningen waar sprake is van een geluidbelasting van 49-53 dB ten gevolge van de Houtribweg. Voor de binnenwaarde van de nieuwe woningen moet worden voldaan aan 33 dB (art 3.3, lid 1 Bouwbesluit) voor wegverkeerslawaai. Ten gevolge van de Visarenddreef wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden. Volgens de Wet geluidhinder worden er geen aanvullende eisen gesteld ten aanzien van het geluid van de Visarenddreef.

5 mei 2026

80

Tabel 5.9: Maximale geluidbelasting per woonbuurt met bronmaatregel incl. art. 110g Wgh.

Geluidbelasting van de niet zoneplichtige weg in het kader van een goede ruimtelijke ordening Aangezien nog geen verkeersgegevens bekend waren van de 30 km/uur wegen binnen het plangebied zijn deze wegen niet uitgewerkt in dit rapport of beoordeeld. Bij de uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden dat ook deze wegen zoveel mogelijk buiten het geluidluwe gebied zijn gelegen zodat een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Geluidseffecten op bestaande woningen Ten gevolge van de verkeersgeneratie van de nieuwbouw is er bij bestaande woningen rondom het plangebied sprake van een geluidseffect van ca. 1 à 2 dB. De maximale geluidbelasting op representatieve woningen is maximaal 56 dB. Een toename van 1 à 2 dB is te reduceren met een geluidreducerend wegdek. Er bestaat echter geen verplichting op grond van de Wgh om maatregelen te treffen vanwege de geluidtoename vanwege het plan. Wel moeten de resultaten van het onderzoek worden meegewogen in de besluitvorming. Cumulatieve waarde De cumulatieve geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer is (zonder maatregelen) maximaal 59 dB. De milieukwaliteit binnen het plan, conform methode Miedema, kan omschreven worden als ‘goed’ tot ‘matig’. De WHO-streefwaarden worden overschreden.

Echter, door bij het ontwerp van de woningen met de eisen van het geluidbeleid van de gemeente Lelystad rekening te houden (met name geluidluwe gevels en buitenruimtes), kan bij de woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.6.1.2 Industrielawaai Door Haskoning is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd ten behoeve van de Milieueffectrapportage. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van dit bestemmingsplan. De bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven. De volgende bestaande bedrijventerreinen en (bedrijfs)activiteiten liggen nabij het plandeel Meerdijkhaven en kunnen mogelijk industrielawaai veroorzaken op nieuwe geluidgevoelige functies binnen dat plandeel: • Bedrijventerrein Werkeiland Lelystad Haven; • De laad- en loskade bij bedrijventerrein Lelystad Haven; • Bedrijventerrein Noordersluis (industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder). Industrieterrein Wet geluidhinder Bedrijventerrein Noordersluis is een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Rondom het industrieterrein ligt een geluidzone. De geluidzone rondom het industrieterrein, begrensd door de 50 dB(A) etmaalwaarde contour op 5 meter boven plaatselijk maaiveld, loopt tot binnen het plangebieddeel ten 5 mei 2026

81

noorden van de Houtribweg, tot een afstand van circa 50 meter vanaf de rand van de Houtribweg. De geluidbelasting wordt deels veroorzaakt door gereserveerde geluidruimte voor lege kavels op het bedrijventerrein.

Figuur 5.21. Geluidszone Noordersluis. Ligging geluidgevoelige objecten in relatie tot geluidszone Noordersluis In het MER is geconcludeerd dat enkele woonbuurten in Meerdijkhaven over een afstand van circa 15 meter zich binnen de geluidzone bevonden. Ter plaatse van deze aanduiding mogen gronden en bouwwerken niet worden gebruikt voor de realisatie van woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder. Met een stedenbouwkundige aanpassing en de doorwerking hiervan op de verbeelding is geborgd dat de bestemmingen ‘Woongebied’ (art. 16 t/m 19 van de planregels) buiten deze ‘geluidzone – industrie’ gesitueerd zijn. Een toetsing aan de Wet geluidhinder is derhalve niet meer aan de orde. Bedrijven op het industrieterrein 1. AWZI Lelystad-Haven Deze afvalwaterzuivering ligt aan de Zuiveringweg 106, op bedrijventerrein Noordersluis. In het bestemmingsplan Noordersluis 2012 heeft de AWZI een maatbestemming. De afstand tot het plangebied (deel ten noorden van de Houtribweg) is ruim 100 meter. De afstand tot de voorgenomen eerstelijnswoonbebouwing binnen het plangebied is circa 135 meter. Voor de inrichting is in het kader van de milieuvergunningverlening een geluidonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). 2. Robeo Casings BV Dit bandenhandelsbedrijf ligt aan de Zuiveringweg 125, op bedrijventerrein Noordersluis.

De afstand tot het plangebied (deel ten noorden van de Houtribweg) is ruim 50 meter. De afstand tot de voorgenomen eerstelijnswoonbebouwing binnen het plangebied is circa 85 meter. Het bedrijf handelt in nieuwe en tweedehandsbanden. Het terrein wordt in hoofdzaak gebruikt voor opslag. Het terrein is omgeven door een circa 7 meter hoge halfopen overkapping. Gezien de afstand tot de te projecteren woonbebouwing, de aard van de werkzaamheden (hoofdzakelijk opslag) en de afschermende werking van de overkapping is er geen relevante geluidbelasting te verwachten door dit bedrijf.

5 mei 2026

82

3. Heembeton Deze betonwarenfabriek ligt aan de Vaartweg 131, op bedrijventerrein Noordersluis. In het bestemmingsplan Noordersluis 2012 heeft de betonwarenfabriek een maatbestemming. De afstand tot het plangebied (deel ten noorden van de Houtribweg) is ruim 250 meter. De afstand tot de voorgenomen eerstelijnswoonbebouwing binnen het plangebied is circa 300 meter. De betonwarenfabriek ligt aan de rand van het bedrijventerrein. Uit het geluidrapport bij het bestemmingsplan ‘Noordersluis 2012’ blijkt dat Heembeton akoestisch relevant is voor de woonwijk Lelystad-Haven aan de zuidwestzijde van het bedrijf, tot op een afstand van circa 150 meter van het bedrijf. Ter plaatse van de voorgenomen woningbouw in het plangebied op een afstand van circa 300 meter is dit bedrijf niet meer akoestisch relevant. Maximale planologische mogelijkheden Voor deze beschouwing geldt het plangebied als gemengd gebied in de zin van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009. Dit komt door de ligging van de Houtribdijk tussen het bedrijventerrein en het plangebied. 1. Milieucategorie 4.2, richtafstand 200 meter Op bedrijventerrein Noordersluis zijn bedrijven toegelaten tot maximaal milieucategorie 4.2 met een richtafstand voor geluid tot een gemengd gebied van 200 meter.

De afstand van de gronden op het bedrijventerrein waar deze milieucategorie is toegelaten tot de rand van het plangebieddeel ten noorden van de Houtribweg is circa 300 meter. Omdat aan de richtafstand wordt voldaan zijn er geen negatieve geluideffecten te verwachten als gevolg van de invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan voor deze terreindelen biedt. 2. Milieucategorie 4.1, richtafstand 100 meter Op een deel van de gronden van bedrijventerrein Noordersluis zijn bedrijven toegelaten tot maximaal milieucategorie 4.1 met een richtafstand voor geluid tot een gemengd gebied van 100 meter. De afstand van de gronden op het bedrijventerrein waar deze milieucategorie is toegelaten tot de rand van het plangebied deel ten noorden van de Houtribweg is circa 150 meter. Omdat aan de richtafstand wordt voldaan zijn er geen negatieve geluideffecten te verwachten als gevolg van de invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan voor deze terreindelen biedt. 3. Milieucategorie 3.2, richtafstand 50 meter Op een deel van de gronden van bedrijventerrein Noordersluis zijn bedrijven toegelaten tot maximaal milieucategorie 3.2 met een richtafstand voor geluid tot een gemengd gebied van 50 meter.

De afstand van de gronden op het bedrijventerrein waar deze milieucategorie is toegelaten tot de rand van het plangebied deel ten noorden van de Houtribweg is circa 50 meter. Omdat aan de richtafstand wordt voldaan zijn er geen negatieve geluideffecten te verwachten als gevolg van de invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan voor deze terreindelen biedt. Conclusie Voor het onderdeel wegverkeerslawaai zijn hogere waarden vastgelegd van maximaal 53 dB. In de planregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen slechts wordt verleend indien de woningen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder of de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere grenswaarde van maximaal 53 dB ten gevolge van de Houtribweg. Daar waar sprake is van een hogere grenswaarde dient voldaan te worden aan de vereisten van het actuele gemeentelijke geluidbeleid.

5 mei 2026

83

Voor het onderdeel industrielawaai is geconcludeerd dat de nabijgelegen (bedrijfs)activiteiten geen industrielawaai veroorzaken op nieuwe geluidgevoelige functies binnen het plangebied. Met een stedenbouwkundige aanpassing is geborgd dat de realisatie van woningen in Meerdijkhaven niet worden beperkt door de geluidszone industrie van het bedrijventerrein Noordersluis Geluid vormt geen belemmering voor het plan.

5.7

Externe veiligheid

Wettelijk kader Externe veiligheid beschouwd de gevolgen van een ongeval bij de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen voor de omgeving en de kans dat daarbij dodelijke slachtoffers vallen. Hierbij wordt getoetst aan de volgende besluiten: • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het planvoornemen maakt geen nieuwe risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk. Wel maakt het planvoornemen zogenaamde (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk binnen de invloedsgebieden van nabijgelegen risicobronnen. Voor de relevante risicobronnen is onderzocht of wordt voldaan aan de voorwaarden van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

5.7.1

Onderzoeksresultaten

Door Haskoning is een onderzoek Externe Veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 11 van dit bestemmingsplan. De bevindingen van het onderzoek worden hieronder beschreven.

5.7.1.1 Beoordeling relevante risicobronnen Rond het planvoornemen zijn onderstaande risicobronnen aanwezig. Voor de relevante risicobronnen heeft een beoordeling van het plaatsgebonden risico en groepsrisico plaatsgevonden. Tabel 5.10: Overzicht risicobronnen in (de omgeving van) het plangebied Invloedsgebied [m]

Afstand tot plangebied [m]

Vaarweg Amsterdam – Lemmer (Onderdeel van Corridor Amsterdam – Noord-Nederland)

1.070

Spoorweg Weesp – Zwolle (Route 40)

Omschrijving

Wetgeving

Relevant?

0

Bevt

Ja

4.000

2.200

Bevt

Ja

Routering gevaarlijke stoffen N307 (Markerwaarddijk, Houtribweg)

880*

70

Bevt

Ja

Routering gevaarlijke stoffen bedrijventerrein Noordersluis

880*

275

Bevt

Ja

Valspar B.V.

110

400

Bevi

Nee

Meester Vuurwerk

35

165

Vuurwerkbesluit

Nee

*Er zijn geen transportgegevens (hoeveelheid of classificatie van gevaarlijke stoffen) die via het routeringsbesluit worden vervoerd. Worst-case is uitgegaan van het transport van LT2 (toxische vloeistoffen).

5 mei 2026

84

Vaarweg Amsterdam – Lemmer Over de vaarweg worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. De vaarweg is beoordeeld conform het Bevt. Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico van de vaarweg vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het planvoornemen. Het plaatsgebonden risico ligt op de begrenzingslijn van de vaarweg. Deze begrenzingslijn ligt deels op de oever. Groepsrisico: De ontwikkeling van het planvoornemen resulteert in een verwaarloosbaar kleine toename van het groepsrisico. Het groepsrisico dient wel te worden verantwoord door het bevoegd gezag in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Spoorweg Weesp-Zwolle Het planvoornemen ligt op ruim 2.200 meter van de spoorlijn. Toetsing van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico conform het Bevt leveren geen beperkingen op voor het planvoornemen. Het bevoegd gezag moet voldoen aan de verantwoordingsplicht groepsrisico. Zij dient de veiligheidsregio om advies te vragen in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Routering gevaarlijke stoffen N307 Over de N307 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het planvoornemen valt binnen het invloedsgebied. De N307 is beoordeeld conform het Bevt. Plaatsgebonden risico: De N307 ter hoogte van het plangebied heeft geen PR10-6 per jaar contour. Hiermee vormt het plaatsgebonden risico van de N307 geen belemmering voor het planvoornemen.

Groepsrisico: Het groepsrisico neemt niet toe tot boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ten gevolge van het planvoornemen. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden in het kader van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Routering gevaarlijke stoffen bedrijventerrein Noordersluis Het planvoornemen valt binnen het invloedsgebied van de wegen waarvoor het routeringsbesluit is vastgesteld. Beoordeling heeft plaatsgevonden aan het Bevt. Plaatsgebonden risico: Voor de aangewezen wegen geldt geen PR10-6 per jaar contour. Hiermee vormt de routering geen belemmering voor het planvoornemen. Groepsrisico: De aanname is gedaan dat op dit deel van het routeringsbesluit geen transport plaatsvindt van brandbare gassen zoals LPG. Hiermee is het groepsrisico nihil en vormt geen belemmering voor het planvoornemen. In het kader van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid dient het bevoegd gezag het groepsrisico te verantwoorden.

5.7.1.2 Verantwoordingsplicht groepsrisico In het kader van het planvoornemen Waterfront dient te worden voldaan aan de verantwoordingsplicht groepsrisico. Voor alle transportroutes geldt dat het bevoegd gezag advies moet vragen betreffende de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De Veiligheidsregio heeft hierover positief geadviseerd. Daarnaast is het advies om in het kader van de verantwoordingsplicht rekening te houden met de komst van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet worden de aandachtsgebieden geïntroduceerd. Het planvoornemen ligt deels binnen het brand,- en explosieaandachtsgebied van de vaarweg. Dit betreft het gebied tussen de Bataviahaven en de Houtribsluizen. Onder de Omgevingswet dient de gemeente binnen 5 mei 2026

85

deze aandachtsgebieden af te wegen of er al dan niet voorschriftengebieden worden aangewezen waar extra bouwkundige maatregelen gelden. De aandachtsgebieden zijn van kracht na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Aangezien ten opzichte van het voorlopig voorkeursalternatief uit het MER de landaanwinning ter plaatse van Bataviakwartier komt te vervallen en het bestemmingsplan aldaar toeziet op voortzetting van de huidige bestemmingen, ziet de gemeente geen aanleiding voorschriftengebieden aan te wijzen gezien de verwaarloosbare kleine toename van het groepsrisico. Conclusie Het planvoornemen maakt geen nieuwe risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk. Wel maakt het planvoornemen zogenaamde (beperkt) kwetsbare terreien mogelijk binnen de invloedsgebieden van nabijgelegen risicobronnen. Toetsing van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico conform het Bevt leveren geen beperkingen op voor het planvoornemen. De Veiligheidsregio heeft een positief advies afgegeven. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

5.8

Bodemkwaliteit

Wettelijk kader In verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dient onderzoek verricht te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe bestemming mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daar waar sprake is van consoliderend bestemmen van bestaande situaties kan een diepgaand inzicht in de bodemsituatie vooraf achterwege blijven, tenzij een redelijk vermoeden moet bestaan van een saneringssituatie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem benodigd. Het bouwen is alleen toelaatbaar als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. De bodemonderzoeken voor eventuele nieuwe (vervangende) bouwactiviteiten mogen niet te oud zijn en moeten een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.

Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd.

5.8.1

Onderzoek

Om de algemene (water)bodemkwaliteit en bekende (water)bodemverontreinigingen in beeld te brengen is door Haskoning een vooronderzoek (water)bodem uitgevoerd gebaseerd op de NEN5725 (landbodem) en NEN5717 (waterbodem). Voor het vooronderzoek (water)bodem zijn de bodemarchieven en informatiesystemen van de betreffende gemeente, omgevingsdienst, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat geraadpleegd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van dit bestemmingsplan. In het plangebied vinden enkele potentieel verdachte activiteiten plaats welke mogelijk tot een bodemverontreiniging hebben geleid. Het betreft het tankstation met wasstraat (1) en een terrein met opslag van materialen (2) aan de noordzijde in het deelgebied Bataviakwartier en het maritiem bedrijf HEBO (3), het steunpunt van Rijkswaterstaat (4) en het gemaal (5) aan de zuidzijde van deelgebied Meerdijkhaven. Ter plaatse van het gemaal is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging welke mogelijk is 5 mei 2026

86

verspreid tot in het plangebied. De verontreiniging is gerelateerd aan de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse tanks. Er is een bodemsanering gestart, maar de huidige status van de bodemsanering is onbekend. De locatie van de activiteiten is met een nummer weergegeven in onderstaande figuren.

2 1

Figuur 5.22. Ligging tankstation (1) en opslagterrein (2).

3

4

5

Figuur 5.23. Ligging HEBO (3), steunpunt RWS (4) en gemaal (5). Van de overige activiteiten kan pas op basis van bodemonderzoek worden aangetoond of werkelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten dienen eventuele verontreinigingen door het betreffende bedrijf te worden gesaneerd. Er zijn in het plangebied diverse land- en waterbodemonderzoeken uitgevoerd. Uit de bodemonderzoeken blijkt dat de algemene bodemkwaliteit voor landbodem en waterbodem in het plangebied wordt aangemerkt als niet tot licht verontreinigd. In het plangebied zijn in de landbodem en waterbodem hooguit licht verhoogde gehalten aangetoond. De huidige bodemkwaliteit is geschikt voor de gewenste functies en gebruik en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. De huidige activiteiten in het plangebied blijven behouden, zodat de geplande ontwikkeling 5 mei 2026

87

wordt gerealiseerd naast deze activiteiten. De geplande ontwikkeling zelf leidt niet tot een verbetering of verslechtering van de land- en waterbodemkwaliteit in het gebied. De (water)bodemkwaliteit voldoet aan het gewenste gebruik en de functie van het gebied. Er is geen sprake van (rest)verontreinigingen in de (water)bodem en daarmee samenhangende gebruiksbeperkingen. Conclusie Binnen het plangebied zijn hooguit licht verhoogde gehalten in de landbodem en waterbodem aangetoond. De geplande ontwikkeling met en zonder landaanwinning leidt niet tot een verbetering of verslechtering van de algemene land- en waterbodemkwaliteit. In de gebruiksfase is geen sprake van een effect voor bodemkwaliteit en grondverzet. Voor beide alternatieven geldt dat de land- en waterbodemkwaliteit voldoet aan het gewenste gebruik en de functie van het gebied en er is geen sprake van grondverzet. Bodem vormt geen belemmering voor het plan.

5.9

Water

Wettelijk kader In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

Waterwet De Waterwet is in 2009 van kracht geworden en regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Alle regelgeving op het gebied van water is verankerd in de Waterwet. Voor alle activiteiten op, in of met invloed op het oppervlakte- en grondwater en de waterkeringen dient een Watervergunning in het kader van de Waterwet te worden aangevraagd. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk.

De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren. 5 mei 2026

88

Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en -beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Keur Waterschap Zuiderzeeland De Keur van het waterschap Zuiderzeeland is in 2009 in werking getreden. De Keur is gebaseerd op de Waterschapswet, de Waterwet en het Waterbesluit en is afgestemd op de provinciale Verordening voor de fysieke leefomgeving. In 2017 is de Keur geactualiseerd. In deze Keur zijn bepalingen ter bescherming van de ecologische waterkwaliteit opgenomen, indien en voor zover andere wetgeving daarin niet voorziet. Verder zijn in deze Keur bepalingen opgenomen over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in grondwaterlichamen. Tot slot geeft de Keur bepalingen over waterstaatswerken en beschermingszones daar omheen.

Het uitgangspunt daarbij is dat de waterstaatswerken en de beschermingszones qua omvang zijn aangegeven in de legger, dan wel in ieder geval wat betreft de ligging, op kaarten in de bijlagen van de Keur. Dit beleid heeft voor dit bestemmingsplan onder meer raakvlakken waar het gaat om de aanwezigheid van de primaire waterkering met de daarbij horende zones. Deze zones bepalen namelijk de ligging van de dubbelbestemming. De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de normale procedure van toepassing voor de watertoets

5.9.1

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling voorzien in handelingen in het beheergebied van het Waterschap Zuiderzeeland en Rijkswaterstaat door: • In Meerdijkhaven de primaire waterkering buitenwaarts te verleggen zodat de beoogde landaanwinning grotendeels binnendijks komt te liggen en alle woningen hier beschermd worden door de primaire waterkering. • De uitbreiding van de woningbouw heeft mogelijk invloed op de belasting van het binnendijks watersysteem alsook de rioolwaterzuivering. • Het aanleggen van een stadsstrand t.p.v. Saerdam, Vliegent Hert, Reygersbeek als voorlandoplossing voor de dijk. De beoogde buitendijkse landaanwinning moet functioneren als voorlandoplossing waardoor ook op zeer lange termijn de dijk voldoende veilig is/ Hierna wordt per thema achteréénvolgens aangegeven het streefbeeld, de uitgangspunten en de randvoorwaarden van het waterschap gevolgd door hoe daar invulling aan gegeven wordt binnen ontwikkeling Waterfront Stedelijke Kust Lelystad. De volgende thema’s zijn opgenomen: • Waterveiligheid o Primaire waterkeringen op orde • Voldoende water o Wateroverlast o Watersysteem op orde • Schoon water o Kwaliteit kwelwater o Goede structuurdiversiteit 5 mei 2026

89

•

o Goede oppervlaktewaterkwaliteit o Goed omgaan met afvalwater Markermeer – waterbergend vermogen

Voor de eerste drie thema’s is Waterschap Zuiderzeeland het bevoegd gezag. De thema’s voldoende water en schoon water gaan over het binnendijks watersysteem. Voor het laatste thema (Markermeer – waterbergend vermogen) is niet het waterschap, maar Rijkswaterstaat bevoegd gezag. Waterveiligheid - Primaire waterkeringen op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Uitgangspunten Het plangebied is gelegen nabij de waterkering. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (ministerie I&M, 2012). Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperking voor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen.

In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen dient ontheffing te worden verleend op het verbod met een watervergunning. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur. De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Randvoorwaarden In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat een beschermingszone ook in bestemmingsplannen dient te worden verankerd. Om voldoende rekening te houden met de waterstaatkundige belangen worden aan de gronden die zijn gelegen in genoemde beschermingszone(s) van de primaire waterkering de juiste bestemming of gebiedsaanduiding toegekend in een ruimtelijk plan. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur/waterschapsverordening (uitgewerkt in de legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen/het omgevingsplan.

Invulling thema waterveiligheid binnen ontwikkeling Waterfront Stedelijke Kust Lelystad Beleid bouwen nabij primaire keringen Op 18 november 2008 heeft het waterschap Zuiderzeeland het Beleid bouwen nabij primaire keringen definitief gemaakt. Belangrijk aandachtspunten uit het beleidsdocument moeten in het bestemmingsplan opgenomen worden. Het beleidsstuk moet veiligheid bieden, door middel van het beperken van bouwactiviteiten op en nabij dijken rond Flevoland. Om veiligheid te realiseren zijn de dijk en de omgeving van de dijk in zones opgedeeld; de kernzone, de binnenbeschermingszone, de tussenbeschermingszone en de 5 mei 2026

90

buitenbeschermingszone. Hieraan gekoppeld heeft het waterschap in de Keur een bouwverbod opgenomen. Van dit verbod kan het waterschap ontheffing verlenen. De Keur geldt voor het gehele keurgebied wat ter grondslag ligt aan het instandhouden van de dijken. Voor dit bestemmingsplan zijn het daadwerkelijke dijklichaam (de kernzone), de binnenbeschermingszone (20 m) en de buitenbeschermingszone relevant. De binnendijkse buitenbeschermingszone is 80 m, buitendijks is deze 155 m. Hier moet bij vermeld worden dat voor de buitenbeschermingszone geen bouwverbod geldt op basis van de Keur. Voor het feitelijke dijklichaam en de direct aangrenzende binnenbeschermingszone moet ontheffing aangevraagd worden voor bouwactiviteiten. De zones ter plaatse van het plangebied zijn in Figuur 5.24 aangegeven.

Figuur 5.24. Overzicht beschermingszones primaire waterkeringen. Dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" De Oostvaardersdijk is een primaire waterkering die van belang is voor de bescherming van het achterliggende binnendijkse gebied. Het doel van deze bestemming is het beschermen van de bestaande dijk en het dijklichaam. De beschermende regeling is opgenomen om werken en werkzaamheden te voorkomen die van invloed kunnen zijn op de waterkerende functie van het dijklichaam. De dubbelbestemming ligt daarom op het dijklichaam (de kernzone) van de dijk. De dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" ligt op de bestaande dijk langs het Markermeer. Deze dijk heeft beschermingszones. De beschermingszones zijn bedoeld voor mogelijke toekomstige dijkverzwaringen. De ruimte hiervoor is in dit bestemmingsplan aangegeven, in de vorm van de aanduiding 'vrijwaringszone dijk'. Uitgangspunten bestemming • De bescherming van de waterkerende functie van de bestaande dijk is belangrijk, dit werkt direct door op de kernzone en de binnenbeschermingszone rond de dijken; • Wijzigingen in de waterkeringen zijn alleen toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning en na toetsing aan criteria. Advies hierover wordt gevraagd aan de waterbeheerder; • De kernzone en binnenbeschermingszone mogen niet worden bebouwd, voor een optimaal functioneren van de primaire waterkering(en).

Wel zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

5 mei 2026

91

HWBP-dijktraject en integrale gebiedsontwikkeling Waterfront In het kader van het HWBP-dijktraject van het Waterschap Zuiderzeeland worden maatregelen getroffen aan de primaire waterkering in het plangebied, waarmee de hoogwaterveiligheid van Lelystad en omgeving in de toekomst geborgd blijft. Bij de ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met de eisen en voorwaarden vanuit versterkingsopgaven en waterveiligheid in het algemeen. De waterkering is daarmee beoogd onderdeel van integrale gebiedsontwikkeling met behoud van veiligheidsfunctie. Voor het verleggen van de waterkering zal het waterschap een projectbesluit in procedure brengen. De werkelijke dimensies van het nieuwe dijktracé worden pas bepaald tijdens vervolgprocedures wanneer er over enkele jaren door Waterschap Zuiderzeeland een projectbesluit wordt genomen in het kader van de Waterwet. Dit projectbesluit zal voor delen van het plangebied een nieuw dijktracé aanwijzen. Dit projectbesluit werkt direct door in het dan geldende omgevingsplan. Het projectbesluit vestigt een dubbelbestemming op het nieuwe dijktracé waarmee de ligging van de bestemming "Waterstaat - Waterkering" wijzigt (straks aangeduid als beperkingengebied). Voldoende water - Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspunten wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto toe. Deze toename is groter of gelijk aan 750 m².

Invulling thema ‘voldoende water – wateroverlast’ binnen ontwikkeling Waterfront Stedelijke Kust Lelystad Bataviakwartier, Bataviahaven en Noordersluis Met ontwikkeling Waterfront worden percelen die nu nog onverhard zijn ontwikkeld en verhard. Verharding leidt zonder maatregelen tot een versnelde afvoer naar het binnendijks watersysteem. Dit leidt tot snellere en grotere peilstijgingen en soms tot wateroverlast. Om dit te voorkomen, hanteert het waterschap de beleidsregel dat initiatiefnemers van bouw- en inrichtingsprojecten de nadelige gevolgen van verharding moeten compenseren. Uitgangspunt voor ontwikkeling Waterfront is dat er voldoende ruimte voor waterberging gerealiseerd wordt om daarmee de nadelige gevolgen te compenseren.

5 mei 2026

92

Saerdam, Vliegend Hert, Reygerbseek & Oostvaardersdijk Binnen deze deelgebieden neemt het verhard oppervlak niet toe. Daarmee neemt de eventueel versnelde afvoer van hemelwater op het binnendijks watersysteem dus ook niet toe. Meerdijkhaven Dit deelgebied betreft deels een landaanwinning waarbij de waterkering verlegd wordt. De huidige waterscheiding ter plaatse van de Oostvaardersdijk blijft in takt omdat deze niet wordt afgegraven waardoor het gebied wat afwatert op het binnendijks watersysteem niet groter wordt. Het grondwater van de landwinning staat in open verbinding met het aangrenzende Markermeer. De nieuwe ontwikkeling ligt hoger dan het polderniveau en loopt wat af richting de Houtribweg. Tussen de woonbuurten zijn lagere valleien voorzien. In de groenstrook langs de Houtribweg is ruim voldoende ruimte om extra oppervlaktewater (kwelsloot) te creëren voor waterberging. Daarmee wordt een stijging van de grondwaterstand en daarmee grondwateroverlast ten oosten van de Houtribweg naar verwachting voorkomen. De kwelsloot watert af op het oppervlaktewatersysteem in Lelystad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=20df5ca9-9444-406c-b821-5012b4a9a5b3