BL1.1 Motivering woningbouw Karveel 39
Tekst van het document
De projectlocatie is in cluster- en woonerfwijken met de code S2 gelegen. Het welstandsniveau ter plaatse van de projectlocatie is stedenbouwkundige / beperkte welstand. In gebieden met stedenbouwkundige welstand is de stedenbouwkundige samenhang van complexen en straatbeelden essentieel. Het welstandsbeleid richt zich op de voorkanten van bouwwerken en bouwblokken en op de naar de weg en openbaar groen gerichte zijkanten. De achterkanten zijn welstandsvrij. Criteria zijn erop gericht om de hoofdvorm van een gebouw of blok intact te laten. Ingrepen in een blok of een ensemble van blokken worden beoordeeld in relatie met de aanpalende blokken en met het oog op de stedenbouwkundige impact van de verandering in haar omgeving. In beleid zijn de volgende hoofdzaken vastgelegd: Welstandscriteria cluster- en woonerfwijken (S2) Plaatsing o Nieuwbouwplannen en verbouwingen (aan- en uitbouwen, dakopbouwen, overige bijgebouwen) moeten de ruimtelijke samenhang in de straat en de directe woonomgeving ondersteunen. Hoofdvorm o Het volume van aan- , uit- en dakopbouwen en andersoortige bijgebouwen moeten qua afmetingen en volume ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw en daar in architectonische zin bij passen. Gevelaanzicht o Gebouwen moeten qua gevelopbouw en architectuur passen bij de overige bebouwing in het erf of de straat. o Gebouwen mogen geen blinde gevels aan de straatzijde hebben.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 26
Materiaalkeuze, kleurgebruik en detaillering o Materiaal- en kleurgebruik voor bebouwing dient te passen bij de soortgelijke bebouwing in de omgeving en dient een duurzaam karakter te hebben. o Aan- en uitbouwen en bijgebouwen moeten qua materiaal, kleur en detaillering passen bij het hoofdgebouw. Hieronder zijn de vier beeldkwaliteitsprincipes uitgewerkt voor de beoogde ontwikkeling. Principe 1: twee sferen In het plan zijn twee deelgebieden: ‘Blok’ en ‘Zoom’ te onderscheiden die enigszins bij elkaar passen maar toch verschillend zijn van elkaar. Door dit onderscheid te maken komt een fijne beperkte mix van architectuur in het plan. De twee gebieden hebben een typologisch verschil (lage ten opzichte van een hoge goot) en zorgen hiermee voor een asymmetrisch straatprofiel. De principes voor de gebieden zijn hieronder weergegeven. Zoom: -
rood-bruine baksteen; lage goot; verbijzonderingen: luifel boven de deur en metselwerkdetails; antraciet dakpan; haag als erfafscheiding.
Blok: -
lichtbruine baksteen; hoge goot; verbijzonderingen: doorgestoken dakkapellen en metselwerkdetails; antraciet dakpan; pergola en haag als erfafscheiding; bij het Blok is de pergola op de koppen van het bouwblok de hoek omgezet.
Figuur 10. Twee sfeergebieden binnen het projectgebied (bron: Stedenbouwkundig ontwerp, d.d. 12 september 2024)
Principe 2: stedenbouwkundige oriëntatie De woningen staan met hun voorkant aan de straat of aan het voetpad. Enkele plekken, zoals weergegeven in onderstaand figuur met een gele of rode ster, hebben een meer overhoekse oriëntatie en vragen dus om extra aandacht voor de kopgevel. Er zijn twee orden van accenten. Eerste orde accenten (weergegeven met rode ster) zijn te vinden bij de entree van het plan aan de rondgaande weg. Hier hebben de woningen een
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 27
volume-accent op/aan de woning, zoals doorgestoken dakkapel. De voordeur zou hier bijvoorbeeld ook in de kopgevel kunnen komen. Tweede-orde accenten (aangegeven met gele sterk) zijn op een aantal overige interessante hoeken te vinden. Woningen hebben hier tenminste gevelopeningen en metselwerkdetails. Figuur 11. Stedenbouwkundige oriëntatie in het projectgebied (bron: Stedenbouwkundig ontwerp, d.d. 12 september 2024)
Principe 3: bouwhoogte en kapvorm Bebouwing in de Zoom is één laag met langskap en bebouwing in het Blok is twee lagen met langskap. De huisarts is mogelijk één of twee laags. In geval van eenlaags in de basis één laag plat, maar bij een tweede laag iets terugliggend. De bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter. Figuur 12. Bouwhoogte en kapvorm in het projectgebied (bron: Stedenbouwkundig ontwerp, d.d. 12 september 2024)
Principe 4: overgang openbaar-privé In de basis is uitgegaan van groene erfafscheidingen tussen openbaar en privé. Aan de voorzijde komt een lage haag en aan de achterzijde een begroeid hekwerk. De woningen in het Blok hebben aan de voorzijde naast een lage haag een mee ontworpen pergola voor extra verblijfskwaliteit. Op de pergola-constructie kan
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 28
begroeiing omhoog klimmen. Zo ontstaat een groene en gelaagde overgang van de woning, pergola, haag, wadi naar het pad. Figuur 13. Overgang privé en openbaar in het projectgebied (bron: Stedenbouwkundig ontwerp, d.d. 12 september 2024)
Materialisering Materialisatie van het erf is helder en eenduidig en wordt bij voorkeur uitgevoerd in gebakken klinkers. De parkeervakken worden uitgevoerd in half-open verharding. Er moet rekeningen gehouden worden met een uitstapstrook van volledig dichte materialen tussen de parkeervakken Hierna zijn enkele referenties weergegeven waarmee de beoogde beeldkwaliteit van de bebouwing wordt weergegeven. Figuur 14. Referenties beeldkwaliteit bebouwing (bron: stedenbouwkundig plan, d.d. 12 september 2024)
Conclusie De beoogde ontwikkeling zorgt voor voldoende ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 29
CULTUURHISTORIE, MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed. Monumenten De aanwijzing van rijksmonumenten is opgenomen in de Erfgoedwet en deze monumenten zijn daarmee wettelijk beschermd. In een Omgevingsplan kan een rijksmonument worden opgenomen, maar dit is door de bescherming op grond van de Erfgoedwet niet verplicht.
In een Omgevingsplan dienen voor alle beschermde monumenten regels te zijn opgenomen om de omgeving van het beschermde monument te beschermen. In de periode tot eind 2029 geldt een overgangsfase voor gemeentelijke monumenten. Na de overgangsfase worden alle gemeentelijke monumenten beschermd in een Omgevingsplan. Tot die tijd kunnen gemeentelijke monumenten ook beschermd worden via een erfgoedverordening. Archeologische monumenten In een omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de (te verwachten) archeologische waarden. Een archeologische onderzoeksplicht in het Omgevingsplan regelt bijvoorbeeld wanneer archeologisch onderzoek moet plaatsvinden en aan welke eisen dit moet voldoen. In beginsel is een project kleiner dan 100 m² vrijgesteld, maar in een Omgevingsplan kan een andere vrijstellingsgrens worden vastgelegd. Stads- en dorpsgezichten & cultuurlandschappen Zowel het Rijk, de provincie als een gemeente kan een stads- of dorpsgezicht met een bijzonder cultuurhistorisch karakter aanwijzen voor bescherming. In een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht zijn de rechtsgevolgen niet gelijk aan die van een gemeentelijk beschermd gezicht. Vergunningsvrij bouwen is in een Rijksbeschermd stadsgezicht bijvoorbeeld ingeperkt. Een landschappelijk waardevol gebied kan beschermd zijn als cultuurlandschap.
Roerend of immaterieel erfgoed In de Omgevingswet is bepaald dat in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld aan roerend of immaterieel erfgoed als dit erfgoed direct of indirect voorwerp kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Denk hierbij bijvoorbeeld aan regels voor een haven met historische schepen. Of het toedelen van een functie aan een locatie die samenhangt met een (lokaal) volksgebruik dat wordt aangemerkt als immaterieel cultureel erfgoed. Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 30
Relatie tot ontwikkeling Conform het bestemmingsplan “Boeier – Karveel” (welke onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het “Omgevingsplan gemeente Lelystad”) geldt ter plaatse van de projectlocatie geen dubbelbestemming voor archeologie of cultuurhistorische waarden. In de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen dat op 5 november 2002 de Gedeputeerde Staten van Flevoland een lijst heeft vastgesteld waarop voor de gemeente Lelystad gebieden zijn aangegeven die van archeologische inventarisatie zijn uitgesloten. Het betreft onder andere plangebieden in de bestaande stad, waar de bodem in het verleden reeds geheel verstoord is geweest als gevolg van bouwactiviteiten. De projectlocatie is binnen de bestaande stad gelegen, waardoor een onderzoek naar archeologische waarden niet benodigd is. De bebouwing ter plaatse van de projectlocatie is daarnaast niet aangemerkt als rijks- of gemeentelijk beschermd monument. De projectlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht en is niet gelegen binnen een molenbiotoop, zodat deze onderwerpen niet verder om aandacht vragen. Conclusie In het kader van het aspect cultuurhistorie, monumenten en archeologie is sprake van een etfal.
DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Klimaat en energietransitie en natuurinclusief bouwen Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze GoFlo) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.
Beleid Provincie Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma De provincies stellen beleidsdoelen op in hun Omgevingsvisies ten aanzien van de risico’s van de klimaatverandering en energietransitie. In hoofdstuk 3 van deze GoFlo zijn deze doelen reeds aan bod gekomen, zoals in paragraaf 3.2.1 en 3.2.4. Kort samengevat is een van de belangrijkste doelen het afsluiten van het gas. Voor een verdere beschrijving van deze doelen verwezen naar het provinciaal en gemeentelijk beleid van deze GoFlo. Omgevingsverordening en instructieregels
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 31
In de Omgevingsverordening kan de provincie dwingende bepalingen opgenomen hebben waaraan gemeenten in het omgevingsplan moeten voldoen. Dit noemt men instructieregels. Beleid waterschap Ook het waterschap kan regels vastleggen in haar verordening en bijbehorende beleidsregels waaraan getoetst dient te worden. In dit geval gelden de regels van het Waterschap Zuiderzeeland. In paragraaf 5.13 is nader ingegaan op het beleid van het waterschap. Omgevingsplan gemeente De gemeente stelt normen en regels vast in het omgevingsplan waaraan getoetst dient te worden. Deze normen kunnen ook betrekking hebben op klimaatadaptatie en energietransitie. De normen worden vervat als omgevingswaarden in het omgevingsplan. Vooralsnog zijn in het omgevingsplan geen regels met betrekking tot duurzaamheid opgenomen. Wel beschikt de gemeente over duurzaamheidsbeleid. Kadernota Duurzaamheid Lelystad Duurzaamheid leeft, op allerlei niveaus: bij inwoners, bedrijven, instanties én overheden. Er zijn allerlei initiatieven van inwoners en bedrijven, die duurzaamheid zien als een kans en hierin willen investeren. De overheid voelt de urgentie om hier een actieve rol in te spelen.
Het beleid van Lelystad focust op zes speerpunten: Energie; meer energiebesparing en meer duurzame energie; Afval en Circulaire economie; meer scheiden, minder restafval en van afval naar grondstof; Voedsel; meer consumptie van gezonde lokale producten en minder voedsel weggooien; Fysieke leefomgeving; duurzame gebiedsontwikkeling, milieuvriendelijk beheer in een groene, biodiverse stad; Mobiliteit: minder en schonere mobiliteit; Onderwijs en Ondernemen; versterken van de (duurzame) basis in het onderwijs, samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven bij duurzame innovatie en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen. Energieneutraal Lelystad is op weg naar energieneutraal in 2025. Hiervoor moet allereerst de vraag naar energie zo veel mogelijk beperkt worden en beperkt blijven, ten tweede is de ambitie om duurzame energie te gebruiken. Ten slotte wordt fossiele brandstof zo schoon en efficiënt mogelijk gebruikt. Om te komen tot een vermindering van de uitstoot van CO2 is van belang het energieverbruik te verminderen en de resterende energievraag duurzaam op te wekken. Duurzame energie wordt opgewerkt zonder fossiele brandstoffen en zonder radioactieve stoffen (kernenergie) en bestaat bijvoorbeeld uit zonne-energie en windenergie. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling wordt zoveel mogelijk klimaatadaptief uitgevoerd.
Hierbij gaat het om het voorkomen van wateroverlast, waarbij zowel een teveel als een tekort aan water een rol speelt, en het voorkomen van hittestress. Dit sluit aan bij het beleid van de gemeente. Onder andere de volgende maatregelen worden genomen: de bergingen hebben sedumdaken, de parkeerplaatsen hebben halfopenverharding en er komen groene hagen. Water blijft zoveel mogelijk in het projectgebied. Daarnaast wordt het aanwezige groen zoveel mogelijk behouden als foerargeergebied voor vogels en wordt groen toegevoegd. Daarnaast worden diverse maatregelen genomen op woningniveau, zoals het realiseren van nestkasten. Conclusie In het kader van het klimaat en energietransitie is sprake van een etfal.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 32
ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a.
de regels van hoofdstuk 5;
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De grens voor het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking ligt bij wonen op het toevoegen van 11 woningen of meer en bij bedrijven op het toevoegen van een brutovloeroppervlak van 500 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een toevoeging van meer dan 11 woningen ten opzichte van de huidige planologische situatie. Derhalve dient de Ladder doorlopen te worden. De stedelijke ontwikkeling kan gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Hierdoor moet de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen worden. Voor de huisartsenpraktijk geldt dat deze ten opzichte van de huidige planologische situatie reeds is toegestaan. Hiervoor hoeft de ladder derhalve formeel niet doorlopen te worden. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 48 woningen. De woningen zijn een mix smalle, grotere en senioren rijwoningen. Zo voorziet het plan in woningen voor verschillende doelgroepen, met mogelijkheden voor doorstroming binnen de wijk. Uit de woonvisie 2022-2027 Lelystad is gebleken dat er behoefte is aan verschillende typen en segmenten woningen voor onder andere gezinnen, 65+ huishoudens en huishoudens met hoge inkomens.
Naast het bedienen van deze doelgroepen blijkt uit de woonvisie dat het belangrijk is om de diversiteit aan woningen in Lelystad te vergroten. De beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan deze behoefte.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 33
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing. Op basis van het gemeentelijke beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 34
5
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefmgeving (GoFlo) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Daartoe integreert de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor. De Omgevingswet beoogt maatwerk te bieden op basis van de specifieke kenmerken van de locatie én van het type activiteit. Dit gebeurt door gebruik te maken van milieuwaarden. Milieuwaarden zijn milieuaspecten of hinderaspecten waarvoor in het door de gemeente op te stellen omgevingsplan normen worden gesteld. Deze normen zien toe op geluid, geur en licht. De milieuthema’s stof en gevaar worden op andere wijze gereguleerd. Het inzichtelijk maken van milieuwaarden komt aan de orde wanneer een nieuwe functie wordt gestart, een bestaande functie wordt veranderd of een ingrijpende wijziging van de bedrijfsvoering plaatsvindt. In 2019 heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl gepubliceerd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van de eerder genoemde milieuwaarden. De invoering van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) is de belangrijkste reden geweest om te komen tot een nieuwe Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024.
Deze handreiking vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019, welke zijn gebaseerd op de Wro respectievelijk de Crisis- en herstelwet. Met de handreiking kan beter worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de handreiking zijn drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of bijvoorbeeld geschikt is voor functiemenging. De opties luiden als volgt: 1. een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; 2. een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009); 3. door uitvoeren van gericht onderzoek. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 48 woningen en een huisartspraktijk. In het geldende omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Lelystad” zijn (nog) geen normen vastgesteld ten aanzien van de milieuwaarden op de thema’s geluid, geur en licht. Voor de beoogde ontwikkeling is een gericht onderzoek naar ‘geluid door activiteiten huisartsenpraktijk’ uitgevoerd op 24 oktober 2024. Hieronder wordt zijn de onderzoeksresultaten en beoordeling samengevat:
Het geluid van de huisartsenpraktijk is lager dan de standaardwaarden volgens het Bkl en lager dan de richtwaarden voor een geluidgevoelig gebouw in de gebiedstypering ‘gemengd gebied met wonen’. Er is sprake van een aanvaardbare geluidsituatie en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 35
De maximale geluidniveaus bedragen ten hoogste 76 dB(A) bij de nieuwe woningen en 64 dB(A) bij de bestaande woningen. Het betreft piekgeluiden als gevolg van dichtslaande portieren. In het Bkl en in de handreiking ‘VNG-handreiking activiteiten en milieuzonering’ zijn voor de dagperiode geen waarden voor het maximale geluidniveau opgenomen. Het equivalente geluidniveau ten gevolge van inrichtingsgebonden verkeer bedraagt ten hoogste 48 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de nieuwe woningen. Bij de bestaande woningen is dit 46 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).
Gezien voorgaande is het geluid afkomstig van de huisartsenpraktijk aanvaardbaar voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Hoewel de overige parkeerplaatsen in het plangebied ook openbaar zijn, ligt het voor de hand dat deze parkeerplaatsen enkel worden gebruikt door de toekomstige bewoners dan wel het bezoek van de toekomstige bewoners. Het gebruik van deze parkeerplaatsen vindt dus slechts op beperkte momenten plaats (enkel wanneer de bewoner thuiskomt dan wel het bezoek langskomt). Een dergelijk gebruik van de parkeerplaatsen is inherent aan de realisatie van de beoogde woonwijk en het geluid afkomstig van het gebruik van deze parkeerplaatsen is daarmee passend bij het normale omgevingsgeluid dat past bij een woonomgeving. Bij de inrichting van de openbare ruimte is rekening gehouden met de positionering van de parkeerplaatsen, zodat deze niet direct op een geluidgevoelige ruimte (zoals een slaapkamer) worden gerealiseerd. De parkeerplaatsen zijn veelal aan de tuinen van de woningen gesitueerd en slechts in beperkte gevallen aan de zijgevel van een woning op de kopse kant. Gelet op voorgaande is een volledig akoestisch onderzoek naar het geluid afkomstig van het gebruik van de parkeerplaatsen niet aan de orde en is voor dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie In het kader van het aspect activiteiten en milieuzonering is sprake van een etfal.
ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.
Relatie tot ontwikkeling Er worden werkzaamheden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. Op 24 augustus 2023 is door onderzoeksbureau Boot een asbestinventarisatierapport opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze GoFlo. Hieronder worden de resultaten samengevat weergegeven. Het onderzoek is uitgevoerd door middel van een visueel onderzoek zonder destructieve (sloop)handelingen, wat betekent dat enkel direct waarneembare toepassingen beoordeeld zijn. Tijdens de inventarisatie zijn heel Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 36
beperkt asbestverontreinigingen waargenomen. Voorafgaand aan de sloop dient daarom nog een aanvullend destructief onderzoek te worden uitgevoerd. Hier zal invulling aan worden gegeven. Daarnaast dienen deze werkzaamheden tenminste vier weken voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld. Conclusie In het kader van het aspect asbest is sprake van een etfal.
BODEM Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw. Daarnaast geldt ter plaatse het “Voorbereidingsbesluit bodem’ van de gemeente Lelystad. Het doel van deze voorbeschermingsregels is dat nieuwe activiteiten die in voorbereiding zijn en die (mogelijk) strijdig zijn met nieuwe regels in het omgevingsplan, worden voorkomen. Gezien voorgaande is ten behoeve van het beoogde gebruik onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de bodem. In juli 2023 heeft onderzoeksbureau Boot een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is in bijlage 3 opgenomen. Uit het vooronderzoek blijkt dat geen activiteiten of calamiteiten hebben plaatsgevonden welke een negatieve invloed op de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse hebben uitgeoefend. Voor de locatie is de hypothese ‘onverdacht’ conform de NEN 5725 van toepassing. Op basis van het vooronderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van asbest in de bodem. De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieu hygiënische zin geen belemmering voor het beoogde gebruik, waarbij sprake is van wonen en bijbehorende tuinen of gebruik hiermee vergelijkbaar. Conclusie In het kader van het aspect bodem is sprake van een etfal.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 37
GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: Woonfunctie Onderwijsfunctie Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen
Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden
Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden
53 Lden
70 Lden
55 Lden
65 Lden
50 Lden 40 Lnight
55 Lden 45 Lnight
Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.
De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 38
tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een geluidgevoelig gebouw of ruimte in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De beoogde ontwikkeling behelst namelijk de realisatie van 48 woningen en een huisartsenpraktijk. De projectlocatie is daarnaast gelegen in de zone van de weg. Derhalve is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek een randvoorwaarde voor de voorgenomen ontwikkeling. Op 24 oktober 2024 is door Alcedo een onderzoek uitgevoerd ten aanzien van het geluid van wegen (zie bijlage 8). Hieruit is gebleken dat het geluid van de gemeentewegen ten hoogste 48 dB bedraagt en daarmee voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB volgens de Omgevingswet. Het geluid van wegen vraagt daarmee verder niet om aandacht. Conclusie In het kader van het aspect geluid is sprake van een etfal.
GEZONDHEID Algemeen Toetsing aan het aspect gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. De gemeente Lelystad heeft een plan van aanpak geschreven voor een gezond en actief leven. Hieronder is het Plan van aanpak: Gezond en Actief Leven Akkoord Het plan van aanpak van de gemeente Lelystad beschrijft de inzet die in Lelystad wordt gedaan vanuit de middelen van de regeling Specifieke uitkering voor sport, bewegen, gezondheidsbevordering, cultuurparticipatie en de sociale basis. Het plan gaat over de jaren 2024-2026. Er zijn een viertal leidende principes geformuleerd welke de basis zijn voor het plan van aanpak: 1. We zetten erop in dat al onze inwoners gelijke kansen hebben op een goede gezondheid, zowel mentaal als fysiek. We investeren daarom ongelijk om gelijke kansen op gezondheid te bevorderen. 2. We benaderen gezondheid breed en positief. Ons uitgangspunt is positieve gezondheid, waarbij binnen de gezondheidszorg het accent op de mens ligt en niet op de ziekte. Gezondheid is meer dan alleen leefstijl; we willen de achterliggende oorzaken van ongezondheid kennen en sturen op verbetering van deze dieperliggende oorzaken. 3. Om de inwoners te ondersteunen wanneer het zelf niet gaat is soms maatwerk nodig.
Dit betekent dat we, waar nodig, ruimte laten om te differentiëren in onze aanpak om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de situationele omstandigheden. 4. Health in all policies: We pakken de gezondheidsvraagstukken vanuit een breed perspectief aan, waarbij we de verschillende domeinen overstijgen. We streven er naar dat gezondheid in alle beleidsdomeinen wordt meegewogen. Bij de inzet op sport, bewegen, cultuur, gezondheid en sociale basis wordt de stip op de horizon uit het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) in gedachten gehouden: een gezonde generatie in 2040. Een generatie met weerbare, gezonde mensen die kunnen opgroeien, leven, werken en wonen in een gezonde leefomgeving en waarin sprake is van een sterke sociale basis. Waarin de fysieke en mentale gezondheid vanaf het prille begin wordt bevorderd en behouden en waar speciale aandacht uitgaat naar mensen in kwetsbare situaties. De doelen uit het GALA voor een gezonde generatie in 2040 zijn: Terugdringen gezondheidsachterstanden Een gezonde fysieke leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten Versterken van de sociale basis Een gezonde leefstijl Versterking van mentale weerbaarheid en gezondheid Vitaal ouder worden Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 39
Relatie tot ontwikkeling Onder het aspect gezondheid vallen meerdere aspecten zoals luchtkwaliteit, geluid en bodem. Deze aspecten worden apart beschouwd in voorliggende onderbouwing. Voor wat betreft de omgevingsaspecten is sprake van een etfal en dit past dan ook binnen een gezonde fysieke leefomgeving. In aanvulling hierop wordt met de realisatie van de huisartsenpraktijk voorzien in de behoefte dat zorg dichtbij is voor meer mensen. Daarnaast wordt opgemerkt dat met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van 48 woningen en een huisartspraktijk. Een van de doelen om een gezonde generatie in 2040 te bereiken is een gezonde fysieke leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. De gemeente Lelystad werk aan leefbare en gemende wijken, waarbij rekening wordt gehouden met de huidige woningbehoefte, door onder andere in te spelen op de realisatie van betaalbare woningen. De beoogde wijk heeft een open inrichting waarbij veel groenvoorzieningen worden gerealiseerd. Hierdoor wordt men gestimuleerd om naar buiten te gaan. Ook levert dit een bijdrage voor omwonenden om elkaar te ontmoeten. Er is een plek voorzien voor een speeltuin voor kinderen is de leeftijd tot circa 6 jaar. Ten oosten van het gebied is reeds een plek aanwezig voor oudere kinderen.
Daarbij wordt opgemerkt dat doordat de ontwikkeling zich in stedelijk gebied bevindt diverse voorzieningen op loop- en fietsafstand aanwezig zijn. Conclusie In het kader van het aspect gezondheid is sprake van een etfal.
LUCHT Algemeen De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.
Relatie tot ontwikkeling Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 40
Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2; bruto vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brut vloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen. Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.
Figuur 15. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit (bron: www.infomil.nl)
In onderhavig geval is sprake van het voornemen om 48 woningen en een huisartsenpraktijk te realiseren. Op basis van bovenstaande voorbeelden en tevens de berekening zoals weergegeven in figuur 14 kan geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en daarmee in het niet betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Ook om die reden kan een luchtkwaliteitsonderzoek achterwege blijven Aandachtsgebieden luchtkwaliteit De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Dit artikel is echter uitsluitend van toepassing op bepaalde activiteiten (zoals de aanleg van wegen, activiteiten die een toename in verkeersintensiteiten veroorzaken of milieubelastende activiteiten). De ontwikkeling bevindt zich niet in een aandachtsgebied is niet aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Gezonde fysieke leefomgeving In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, wordt volledigheidshalve wel in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in de hierna volgende tabel. Tabel 1.
Totale concentraties stikstof en fijnstof nabij het projectgebied (bron: CIMLK)
Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2022 Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2030
NO2 (µg/m³) 13,26
PM10 (µg/m³) 16,30
PM2,5 (µg/m³) 8,33
9,94
12,92
6,12
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Rekenpunt 50000578_31775 Rekenpunt 50000578_31775 Pagina | 41
Grenswaarde
40
40
25
Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Zodoende kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een gezonde fysieke leefomgeving. Conclusie In het kader van het aspect lucht is sprake van een etfal.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.
11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van bijlage V van het Omgevingsbesluit, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.
In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. In bijlage 11 is een aanmeldnotitie opgenomen. Conclusie Omdat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is een m.e.r.- beoordeling noodzakelijk. Uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat geen sprake is van grootschalige nadelige milieugevolgen. Aan de hand van de m.e.r.-beoordeling kan het bevoegd gezag een besluit nemen. Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 42
MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Mobiliteitsvisie Lelystad 2020-2030 Lelystad heeft ambities, wil groeien naar een ‘Next Level’. In het programma Lelystad Next Level (LNL) en het traject Omgevingsvisie Lelystad zijn deze wensen voor de toekomst van de stad beschreven en is een strategie uitgewerkt om dit waar te maken. Daarnaast zijn er trends en ontwikkelingen in techniek en de wijze waarop mensen zich verplaatsen. De ambities, trends en ontwikkelingen leiden tot groei van de bedrijvigheid, het aantal inwoners en de toename van bezoekers aan de stad en omgeving.
Een toename van de verplaatsing van mensen en ook goederen is daarvan het gevolg. De gemeente Lelystad wilt daarbij dat de manier waarop mensen zich verplaatsen duurzaam is, de leefbaarheid van de woonomgeving ten minste op niveau blijft, de stad en voorzieningen bereikbaar blijven en veilig verkeer vanzelfsprekend is. Naar aanleiding van deze opgaven worden de volgende uitgangspunten toegepast: Lelystad zet in op een duurzaam mobiliteitssysteem en gebruik van duurzame vervoermiddelen (lopen, fietsen en OV). Autoverkeer wordt geleid naar wegen van hogere orde: Rijks- en provinciale wegen voor doorgaand verkeer, de buitenring en de binnenring rondom het stadscentrum voor stedelijk verkeer en als parkeerroute rondom het stadshart. De vlotte doorgankelijkheid en doorstroming op de Binnenring rondom het Stadshart wordt gehandhaafd en zo mogelijk verbeterd. Knooppunten faciliteren een duurzame en efficiënte verplaatsing van deur tot deur. De infrastructuur is passend door een mix van gedragsbeïnvloeding, slimme aanpassing en nieuwe aanleg van infrastructuur. Voor de verkeersveiligheid heeft scheiding van vervoerwijzen met verschillende snelheid en massa de voorkeur. ‘Verleiden’ gaat voor ‘afdingen’: Lelystad stimuleert gewenst gedrag om doelen te bereiken.
Lelystad bevordert door voorbeeldgedrag, stimulering en facilitering elektrisch vervoer en vervoersmiddelen die gebruik maken van waterstof als ‘brandstof’. Nota Parkeernormen Lelystad 2023 Het beleid ten aanzien van parkeren is door de gemeente vastgelegd in de Nota parkeernormen Lelystad 2023 zoals vastgesteld op 12 juli 2024. Bij een buitenplanse omgevingsvergunning dient het effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dient in beeld gebracht te worden wat de parkeerbehoeftes zijn. Relatie tot ontwikkeling Parkeerbehoefte auto Op basis van het parkeerbeleid kan berekend worden hoeveel autoparkeerplaatsen er nodig zijn en of er derhalve voldoende parkeergelegenheid voor auto’s aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van 48 woningen en een huisartspraktijk. Onderstaand zijn de van toepassing zijnde autoparkeernormen opgenomen:
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 43
In onderstaand figuur is de gebiedsbepaling weergegeven van Lelystad. Zoals is weergegeven is de projectlocatie gelegen in gebied ‘III’ wat duidt op ‘rest bebouwde kom’. Figuur 16. Begrenzing typering gebieden (bron: Nota Parkeernormen Lelystad 2023)
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 44
Uitgangspunt is dat de parkeervraag van een ontwikkeling niet wordt afgewenteld op het openbare gebied in de omgeving of in ieder geval geen problemen veroorzaakt in de openbare ruimte in de omgeving. Wat betreft de invulling van de parkeereis wordt de volgende afweging gemaakt (in volgorde): 1. Op eigen terrein. 2. Op een nabijgelegen perceel. 3. In de openbare ruimte (nieuw te realiseren plaatsen). 4. In de openbare ruimte (gebruik restcapaciteit). Het parkeren vindt geclusterd plaats in enkele parkeerkoffers, op korte loopafstand van de woningen. In de parkeertelling is rekening gehouden met dubbelgebruik voor gebruikers van de huisartsenpraktijk. Door voldoende parkeerplaatsen bij de huisarts te realiseren wordt tegengegaan dat buiten het projectgebied geparkeerd wordt. In onderstaande parkeerbalans is door middel van het aanwezigheidspercentage de parkeervraag naar parkeerplaatsen berekend voor zowel de woningen als de huisartspraktijk. Hieruit blijkt dat de parkeerbehoefte op een werkdagavond het hoogste is. De parkeerbehoefte bestaat op dat moment uit 78 parkeerplaatsen. Hier wordt met de beoogde ontwikkeling in voorzien. Opgemerkt wordt dat er in
aanvulling op deze 78 parkeerplaatsen voor vier woningen de mogelijkheid bestaat om een parkeerplaats te realiseren op eigen terrein. Opgemerkt wordt dat ondanks dat binnen de projectlocatie in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien volledigheidshalve en parkeerdrukonderzoek is uitgevoerd, zie bijlage 10. Daaruit volgt dat de parkeerdruk in het openbaar gebied binnen het onderzoeksgebied over alle meetmomenten beperkt is, namelijk 57,8 procent. Knelpunten worden dan ook niet verwacht. Conform de meest recente kengetallen van het CROW dient rekening te worden gehouden met een aandeel oplaadpunten van 5-8% per woning. Hier zal invulling aan worden gegeven. Op dit moment wordt ernaar gestreefd 8 laadpunten te realiseren. Parkeerbehoefte fiets In CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ staan kencijfers voor fietsparkeren voor diverse functies. Er is sprake van een bandbreedte tussen een minimum en een maximum kencijfer. Afhankelijk van het beoogd programma dient de fietsparkeernorm berekend te worden. Het beoogde programma voorziet in de realisatie van 48 woningen en een huisartsenpraktijk. Onderstaand zijn de van toepassing zijnde fietsparkeernormen opgenomen:
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 45
Het uitgangspunt in het parkeerbeleid is dat de parkeereis voor fietsen op eigen terrein moet worden opgelost. Hier wordt per woning in voorzien. Ze krijgen allemaal de beschikking over een berging waar fietsen kunnen worden gestald. Een huisartsenpraktijk is niet specifiek opgenomen in de tabel voor fietsparkeernormen. Bij de huisartspraktijk wordt echter ook voldoende ruimte gecreëerd om fietsen te plaatsen. Verkeersafwikkeling Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ geraadpleegd. Volgens de Nota Parkeernormen Lelystad 2023 geldt in Lelystad wat betreft de stedelijkheidsgraad de categorie “matig stedelijk” gelet op de adressendichtheid. De volgende invoergegevens hebben als uitgangspunt gediend: ‘koop, huis, tussen/hoek’, rest bebouwde kom, matig stedelijk.
48 x koopwoning; minimaal 321,6 mvt/etmaal en maximaal 360 mvt/etmaal. 1 x huisartspraktijk met 9 behandel-/spreekkamers; minimaal 210,6 mvt/etmaal en maximaal 250,2 mvt/etmaal.
In totaal is er voor de beoogde ontwikkeling sprake van een minimale verkeersgeneratie van 532,1 mvt/etmaal en een maximale verkeersgeneratie van 610,2 mvt/etmaal. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de westzijde en zuidoostzijde van het projectgebied. De capaciteit van de omliggende wegen is naar voldoende om het verkeer af te wikkelen. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt naar verwachting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter plaatse van het projectgebied wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en het verkeer kan naar verwachting goed worden afgewikkeld.
NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit.
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 46
Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -
Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden
Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken. Relatie tot ontwikkeling Bescherming gebieden Het projectgebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde
Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO
Pagina | 47
verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. Het projectgebied ligt op zes kilometer afstand van Natura 2000-gebied Oostvaardersplasssen en twee kilometer van Natura 2000-gebied IJsselmeer. Gezien de afstand, afscherming door stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Gelet op voorgaande is door van der Goes en Groot op 22 oktober een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze GoFlo. De maximale projectbijdrage van de aanleg en gebruik van de planlocatie is 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Bescherming soorten De beoogde ontwikkeling heeft, vanwege de aard en omvang van de beoogde werkzaamheden, mogelijk gevolgen voor beschermde dier- en plantsoorten. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt en komt hiervoor nieuwbouw in de plaats. Derhalve is het uitvoeren van een onderzoek noodzakelijk. Er is door van der Goes en Groot op 21 februari 2024 een ecologische QuickScan uitgevoerd.