CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL1.1 Motivering woningbouw Karveel 39

Raadsvergadering 15 april 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.093 Bindend advies woningbouw Karveel 3923.130 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 4 bij deze GoFlo. Uit de QuickScan is gebleken dat aanvullend nader onderzoek benodigd is naar vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. Een dergelijk aanvullend onderzoek is dan ook uitgevoerd (zie ook bijlage 5 bij deze GoFlo). De resultaten worden hieronder kort weergegeven.  In het projectgebied is essentieel leefgebied van jaarrond beschermde vogels aanwezig, namelijk dat van Huismus. Indien werkzaamheden worden verricht aan ‘essentieel leefgebied’, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. De betreffende groenstrook blijft echter grotendeels behouden. De werkzaamheden zien met name toe op het plaatsen van een vijftal bergingen in/nabij deze groenzone. Deze werkzaamheden zullen in een ecologisch werkprotocol worden opgenomen.  In het projectgebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om twee zomerverblijven van Gewone dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen.

Vanwege de beoogde sloop van de bestaande bebouwing zal een activiteitenplan worden opgesteld waarin de te mitigeren en compenserende maatregelen worden uitgewerkt. Aan de hand daarvan zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd.  Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het projectgebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken.  Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen zoals benoemd in hoofdstuk 6 van het vervolgonderzoek. Op 24 december 2024 is de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (ten behoeve van de voorkomende beschermde soorten) aangevraagd. Deze omgevingsvergunning doorloopt een separaat spoor en staat derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg. Bescherming houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Ow bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het projectgebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 48

Econsultancy heeft een QuickScan bomen uitgevoerd op 23 augustus 2023. Hieruit is gebleken dat de bomen langs de doorgaande weg (karveel 42) aan westzijde maken onderdeel uit van een beschermde structuur. In de planvorming is derhalve dan ook rekening met deze bomen gehouden. In onderstaand figuur zijn de resultaten van het onderzoek weergegeven.

Figuur 17. Globale groeninventarisatie (bron: stedenbouwkundig plan d.d. 12 september 2024)

Conclusie In het kader van het aspect natuur is sprake van een etfal.

OMGEVINGSVEILIGHEID Algemeen Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Omgevingsveiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het omgevingsveiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 49

Het wettelijk kader m.b.t. omgevingsveiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de omgevingsveiligheid zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).  Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.

Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen:  afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied  aanvullende risicocommunicatie  beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron  vlucht- en schuilmogelijkheden  omgevingsmaatregelen  aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 50

dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw.

Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling Het werken met-, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico’s voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico’s te beheersen worden in ruimtelijke besluiten de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd Het voornemen bestaat om 48 woningen en een huisartsenpraktijk te realiseren. Zowel de woningen als de huisartsenpraktijk zijn geen risicovolle activiteiten. De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. De kaartviewer is geraadpleegd en hierop is zichtbaar dat op circa 500 meter van de projectlocatie gevaarlijke stoffen per spoor worden vervoerd. De projectlocatie is niet gelegen in het invloedsgebied van de transportroute, zoals ook weergegeven in onderstaand figuur. Figuur 18. Uitsnede risicokaart (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl)

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 51

Conclusie In het kader van het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een etfal.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling In het kader van de beoogde ontwikkeling vinden grondroerende werkzaamheden plaats. De provincie Flevoland beschikt over een bodembelastingskaart Ontplofbare Oorlogsresten.

Uit deze bodembelastingskaart is gebleken dat ter plaatse van de projectlocatie en in de nabijheid hiervan geen aandachtsgebied ontplofbare oorlogsresten en verdacht gebied ontplofbare oorlogsresten is gelegen. Derhalve is een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten niet noodzakelijk. In onderstaand figuur is een uitsnede van de bodembelastingskaart weergegeven. Figuur 19. Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten provincie Flevoland (bron: https://kaart.flevoland.nl/bodembelastingkaart/)

Conclusie In het kader van het aspect ontplofbare oorlogsresten is sprake van een etfal.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 52

TRILLINGEN Algemeen Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a.

een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder; b. met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d.

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'.

Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 53

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een trillinggevoelig gebouw en/of een trillinggevoelige ruimte als bedoeld in het Bkl, omdat de beoogde ontwikkeling bestaat uit 48 woningen. In de ruimte omgeving zijn er geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Die zijn ook niet toegelaten. Er zijn daarom vanwege het aspect trillingen geen negatieve effecten op de gezondheid van mensen te verwachten. Conclusie In het kader van het aspect trillingen is sprake van een etfal.

WATER Watertoets – Weging van het waterbelang Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.

De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 17 september 2024 een digitale watertoets uitgevoerd. Zie bijlage 12. Op basis hiervan is de korte procedure van toepassing. Er is contact opgenomen met het waterschap om het plan inhoudelijk af te stemmen. Het resultaat hiervan is verwerkt in deze waterparagraaf. Voor de weging van het waterbelang / ruimtelijk plan zijn drie beleidsthema’s van toepassing: ‘Waterveiligheid’, ‘Voldoende water’ en ‘Schoon water’. Deze worden hieronder per beleidsthema nader uitgewerkt.

Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier samengevat opgenomen. Internationaal De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Nationaal Het rijksbeleid gaat over ruimte voor water, over het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Zo is de kern van Waterbeleid 21ste eeuw (WB21) dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Hierin worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 54

 

Vasthouden, bergen en afvoeren en Schoonhouden, scheiden en zuiveren.

De Omgevingswet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan in omgevingsvisies en omgevingsplannen die gemeenten en provincies opstellen. Deze komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. Hierin zijn de verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. Het beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen worden door het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten uitgewerkt in programma’s. Hierin staan vastgestelde korte termijnmaatregelen om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma’s zich vaak op slechts één of enkele onderdelen van de fysieke leefomgeving. Centraal staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

Regionaal Waterschappen nemen regels over waterstaatswerken op in de Waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken. Ook bevat het regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen. In haar Watervisie verbindt Waterschap Zuiderzeeland waterthema’s en maatschappelijke opgaven met elkaar. Hierin staan een waterrobuuste, klimaatbestendige inrichting centraal. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Investeringen in het watersysteem zorgen ook in de toekomst voor voldoende water bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.” In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen:  Een veilige en klimaatbestendige delta.  Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.  Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Waterschapsverordening Zuiderzeeland De Waterschapsverordening is de opvolger van de Keur van Waterschap Zuiderzeeland, de vorige verordening. In de Waterschapsverordening staan lokale regels voor dijken, watergangen, grondwater en afvalwaterlozingen.

Met deze lokale regels zorgt het waterschap voor veilige dijken, voldoende wateraanvoer en waterafvoer en schoon en gezond oppervlaktewater.

Waterveiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering, zoals weergegeven in onderstaand figuur.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 55

Figuur 20 Legger keringen (bron: https://experience.arcgis.com/experience/8911478aa46b44fcbd19bb1aacb50eb4/page/LeggerAlgemeen/)

In de huidige situatie is er eveneens geen oppervlaktewater in of nabij het projectgebied aanwezig, zie ook onderstaande figuur. Op basis van de ingevoerde gegevens over het projectgebied zijn er dan ook geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Figuur 11 Luchtfoto projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Voldoende water 5.13.4.1 Wateroverlast Het waterschap streeft naar een watersysteem dat, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, op orde is. Het hele beheergebied dient te voldoen aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt daarbij is dat het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 56

dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het projectgebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. In onderstaande figuur is de beoogde inrichting van het projectgebied weergegeven waarna in de daarop volgende tabel het verhard oppervlakte in zowel de huidige als toekomstige situatie is weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in het type verhard oppervlakte. Voor de half open verharding geldt dat dit voor 50% meegerekend mag worden als verharding, mits voldaan wordt aan de eisen uit het ‘Hydro-adviesWaterdoorlatende verharding’.

Bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling wordt hieraan voldaan en derhalve is in onderstaande tabel een correctie van 50% toegepast omdat de parkeerplaatsen in half open verharding worden gerealiseerd. Conform opgaaf van het waterschap worden tuinen voor 45% meegerekend als verhard oppervlak. Figuur 22 Beoogde inrichting projectgebied (Bron: SVP, d.d. 27 augustus 2024)

Tabel 1 Overzicht verhard oppervlakte huidige en toekomstige situatie

Huidig verhard oppervlak Bebouwing 2.899 m2 Asfalt 523 m2 Straatstenen 2482 m2 Betontegels 950 m2 Beton 31 m2 Totaal

6.885 m2

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Toekomstig verhard oppervlak Bebouwing 2.703 m2 Bergingen 288 m2 Verharding 2.239 m2 Parkeerplaatsen 1.025 m2 Correctie half open verharding -512,5 m2 Tuinen (45%) 2.703 m2 Totaal 6.786,05 m2

Pagina | 57

Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van de realisatie van 48 woningen en een huisartsenpraktijk. Uit tabel 1 volgt dat er in de toekomstige situatie een afname van 98,95 m2 verhard oppervlakte is ten opzichte van de huidige situatie. Volgens de Waterschapsverordening Waterschap Zuiderzeeland geldt dat sprake is van compensatie bij een toename van het verhard oppervlakte groter dan 750 m2 in het stedelijk gebied. Bij de beoogde ontwikkeling is dit niet het geval. Daarom is watercompensatie niet noodzakelijk voor dit plan. Op basis van het waterschapsbeleid geldt voor nieuwe ontwikkelingen een bergingsnorm van 6% volgens de “Beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer”. Advies van het waterschap Zuiderzeeland is echter om een bergingsnorm van 12,8% aan te houden (gebaseerd op toekomstig beleid dat in voorbereiding is). De bergingsnorm is een percentage van de netto toename aan verharding dat aan open water wordt gerealiseerd, dat in directe verbinding staat met het overige watersysteem. Uitzondering op de compensatieplicht geldt voor plannen met een kleine toename verharding (tot 750 m2 toename verharding), omdat de aanleg van waterberging praktisch uitvoerbaar en functioneel moet zijn. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in het graven al dan niet toevoegen van nieuw oppervlaktewater.

Daarbij is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake van een toename in verharding. Gezien voorgaande gelden de genoemde bergingsnormen voor het projectgebied niet. In het kader van de beoogde ontwikkeling is echter toch gekozen om te voorzien in extra waterberging. Bij de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in meerdere wadi’s met een totale lengte van 237,53 meter. Vooralsnog staan de wadi’s niet met elkaar in verbinding. De wadi heeft een bergingscapaciteit van 1,25 m3 per meter. Op basis van de totale lengte, wordt met de wadi’s zodoende voorzien in een bergingscapaciteit van 293,5 m3. Hemelwater wordt (tijdelijk) opgevangen in de wadizone rondom het bouwblok. Hemelwater dat valt op het erf en op daken van woningen kan vervolgens worden geloosd op de wadizone. Door ophoging van het centrale bouwblok kan de grond meer water vasthouden. Mede door de realisatie van de wadi’s wordt voldaan aan het principe vasthouden, bergen en afvoeren. Figuur 23 Toelichting bergingscapaciteit van de wadi

5.13.4.2 Goed functionerend watersysteem Het streefbeeld is dat het watersysteem in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied zorgt en het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk maakt. Waterschap Zuiderzeeland streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 58

Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvlakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Randvoorwaarde is dan ook dat nieuwe ontwikkelingen aansluiten op bestaande peilvlakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvlakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het projectgebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.

Schoon Water Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Bij de beoogde ontwikkeling wijzigt de vervuilingssituatie naar een lozing van huishoudelijk afvalwater van 48 gezinswoningen. Deze woningen worden aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelstel. Daarnaast wordt bij de bouw van de beoogde ontwikkeling geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Hemelwater wordt afgevoerd via het groen dan wel de half open verharding of (tijdelijk) opgevangen in de wadizone rondom het bouwblok. Hemelwater dat valt op het erf en op daken van woningen kan vervolgens worden geloosd op de wadizone. Indien de wadi overloopt, dan wordt het water geloosd op het (hwa-)riool. De verdere uitwerking van de overstortcontstructie en lozing zal met de gemeente worden afgestemd. Ter plaatse van de ontwikkeling wordt voorzien in meer dan 50 parkeerplaatsen. Het waterschap beschouwt het afstromende hemelwater hiervan als vervuild. Voorafgaand aan het lozen op het oppervlaktewater dient dit afstromende hemelwater daarom gezuiverd te worden.

Afstromend hemelwater wordt afgevoerd via groenstroken danwel halfopen verharding of tijdelijk wordt in de wadizone rondom het bouwblok. De groenzone en halfopen verharding ziet het waterschap als voorzuivering omdat het als bodempassage fungeert. Op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening gelden emissiegrenswaarden voor lozen van vervuild hemelwater in oppervlaktewater. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED. Als de wadi voldoet aan deze richtlijnen dan beschouwt het waterschap de wadi als zuiverende bodempassage. Bij de nadere uitwerking van het plan zal hier rekening mee worden gehouden. 5.13.5.1 Goede structuurdiversiteit Goede structuurdiversiteit is een aandachtspunt bij de aanleg van nieuw water. Aangezien dit in het projectgebied niet aan de orde is, wordt dit verder buiten beschouwing gelaten. 5.13.5.2 Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het streefbeeld van het waterschap is dat grond- en oppervlaktewater leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden biedt voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren mag hier geen belemmering voor vormen.

Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigde of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Ter plaatse van of in nabijheid van het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn wijzigingen in de oppervlaktekwaliteit dan ook niet aan de orde. Zoals onder

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 59

‘Schoon water’ toegelicht, worden uitloogbare materialen niet toepast, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op de (grond)waterkwaliteit. 5.13.5.3 Goed omgaan met afvalwater Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het projectgebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Uitgangspunt in bestaande gebieden is dat schoon regenwater wordt afgekoppeld van het rioolstelsel. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van huishoudelijk afvalwater van 48 gezinswoningen en een huisartsenpraktijk. Deze worden aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelstel. Het afvalwater wordt zodoende afgekoppeld, waarmee aan de ambities van het waterschap wordt voldaan.

Eventueel bedrijfsmatig afval(water) van huisartsenpraktijk zal worden afgevoerd volgens de geldende eisen zoals uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Conclusie In het kader van het aspect water is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 60

6

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan Karveel 39 15-17 is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Lelystad en Clave Vastgoed. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van het participatieproces is in samenspraak met de gemeente een plan van aanpak opgesteld, zie bijlage 13. Op 16 mei, 10 juli en 11 november 2024 zijn bijeenkomsten georganiseerd voor de omgeving. Hieronder wordt de inhoud van de bijeenkomsten samengevat weergegeven. Voor de volledigheid zijn de verslagen toegevoegd in bijlage 14. Participatiebijeenkomst donderdag 16 mei 2024 Tijdens de eerste bijeenkomst is vooral opgehaald welke zorgen en kansen er leven in de buurt. Er is een 4tal panelen met daarop de ruimtelijke uitgangspunten, concept ruimtelijke opzet met referentiebeelden van de woningtypen, concept ruimtelijke opzet met referentiebeelden openbare ruimte en parkeren en ten slotte een planning van het proces weergegeven tijdens de bijeenkomst. Op basis van een reactieformulier is aan de aanwezigen gevraagd om reactie te geven op de gepresenteerde plannen. De vragen op het formulier gingen over kansen voor de ontwikkeling, aandachtspunten en algemene opmerkingen. Hieruit bleek dat onderstaand lijstje de belangrijkste aandachtspunten zijn: - parkeren voor zowel de woningen als huisartsenpraktijk; - geen sociale woningbouw; - behoud van het karakter van de wijk (ruim opgezet, veel groen); - geen hoogbouw.

Participatiebijeenkomst woensdag 10 juli 2024 In de tweede bijeenkomst is getoond op welke wijze de benoemde (aandachts)punten n.a.v. de eerste participatiebijeenkomst in de plannen zijn verwerkt. Allereerst is er een presentatie gegeven door de stedenbouwkundige. Op basis van verschillende panelen met daarop het verkavelingsplan, 3D beelden en referentiebeelden van de woningen en de openbare ruimte hebben bezoekers kennis kunnen nemen van de plannen. Op basis van een reactieformulier is aan de aanwezigen gevraagd reactie te geven op de gepresenteerde plannen. De vragen op het formulier gingen over positieve punten van de gepresenteerde planopzet, eventuele zorgen over de gepresenteerde planopzet en algemene opmerkingen. De reacties hierop zijn overwegend positief geweest. Los van enkele individuele zorgen bestaat er daarmee een breed draagvlak voor de plannen in de buurt.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 61

Participatiebijeenkomst maandag 11 november 2024 Tijdens deze laatste participatiebijeenkomst zijn omwonenden geïnformeerd over de huidige stand van zaken en zijn de wijzingen ten opzichte van het ontwerp van 10 juli 2024 toegelicht. Tijdens de bijeenkomst bleek dat er veel draagvlak is voor het plan zoals dat thans is voorzien.

Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. In dat kader zal vanwege de omvang van de ontwikkeling (> 30 woningen) de gemeenteraad om advies worden gevraagd. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 62

7

CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID Voor zover een aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal; artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een etfal, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4) De initiatiefnemer heeft als doel om 48 woningen en een huisartspraktijk te realiseren ter plaatse van het projectgebied. Omdat de ontwikkeling niet geheel mogelijk is om op basis van het geldende omgevingsplan, wordt een planologische procedure doorlopen. De planologische procedure wordt aan de hand van een omgevingsvergunning voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 24016.GOFLO

Pagina | 63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=819b3854-80bc-48af-9b95-711eb4020b2f