BL TNO Eindrapport_Verwering_AsbestDaken
Tekst van het document
c) De meting is uitgevoerd bij actieve ventilatie in de ruimte door twee ventilatoren. d) Deze extra analyse is uitgevoerd conform de door TNO ontwikkelde methode voor achtergrondconcentraties in de buitenlucht (Tromp, 2016); hierbij zijn de overige anorganische vezels niet meegeteld (x). Barneveld
Zomer
Bij toepassing van de standaard NEN-ISO 14966 analysemethode zijn op de filters geen asbestvezels aangetoond. Wel zijn op een groot deel van de filters andere anorganische vezels aangetroffen. Bij toepassing van de door TNO ontwikkelde methode voor achtergrondconcentraties in de buitenlucht (Tromp, 2016) zijn op 3 van de 5 filters wel asbestvezels aangetoond. Met
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
61 / 113
uitzondering van Hoevelaken-1 is op alle locaties de concentratie anorganische vezels in de buitenlucht hoger dan de concentratie anorganische vezels in de binnenlucht. Met uitzondering van Loenen zijn de concentraties aan anorganische vezels op de benedenwindse en bovenwindse meetposities vrijwel identiek. Op locatie Hoevelaken-1 is in de winterperiode een actieve meting in de schuur uitgevoerd, waarbij twee ventilatoren zijn gebruikt om gesedimenteerd (historisch) stof in de lucht te brengen. Ten opzichte van de meting in de zomerperiode is de concentratie aan anorganische vezels niet toegenomen, maar juist afgenomen. Dit kan te maken hebben met bepaalde activiteiten in de zomerperiode, maar ook meer heersende weersomstandigheden (o.a. vochtigheid).
5.3
Continue fijnstof metingen
Voorafgaand aan de fijnstof metingen op de locaties Hoevelaken-1, Hoevelaken-2, Lelystad-2 en Loenen hebben de twee fijnstof monitoren (Grimm EDM-180) gedurende 2 weken op de TNO locatie in Utrecht gestaan voor onderlinge kalibratie. Met behulp van dit vergelijkbaarheidsonderzoek zijn correctiefactoren bepaald zodat de gemeten concentraties met de twee monitoren vergelijkbaar zijn. Na de kalibratie zijn de fijnstof monitoren naast de beneden- en bovenwindse filtermetingen geplaatst aan weerszijde van het asbestcement dak. In combinatie met gegevens over windrichting en windsnelheid kan hiermee de bijdrage van het asbestcement dak op de fijnstof concentratie in de lucht (in µg/m3) worden bepaald. De bijdrage wordt bepaald door eerst een selectie te maken van metingen waarbij de wind met voldoende snelheid (> 0,5 m/sec) over het dak waait, vanuit de bovenwindse opstelling in de richting van de benedenwindse opstelling. Deze zogenoemde windhoek is ook gebruikt voor de aansturing van de windrichting-aangestuurde filtermetingen. Van alle metingen bij bovengenoemde windhoek, worden de fijnstof concentraties van de bovenwindse metingen afgetrokken van de simultaan gemeten fijnstof concentraties van de benedenwindse metingen. Het resultaat zijn minuutgemiddelde netto fijnstof concentraties die het gevolg zijn van de deeltjesemissie afkomstig van de schuur met asbestcement dak.
In Figuur 12 is een voorbeeld gegeven van de windrichting-aangestuurde metingen in Loenen, over de meetperiode 2 – 16 november 2021. Hierbij zijn de beneden- en bovenwindse metingen als datapunten in µg/m3 weergegeven en is met de grijze balk zichtbaar gemaakt wanneer de wind over het asbestdak heeft gewaaid in de richting van het benedenwindse stations. Tevens is de windsnelheid in m/sec aangegeven om te kunnen beoordelen of de deeltjes emissie correleert met de windsnelheid. In Bijlage I: Beschrijving meetlocaties zijn dezelfde figuren voor de locaties Hoevelaken-1, Hoevelaken-2 en Lelystad weergegeven. Op meerdere locaties zijn meerdere uitschieters (extreem hoge concentraties) te zien. Gezien het feit dat deze emissies geen relatie hebben met de windsnelheid is het twijfelachtig dat deze uitschieters afkomstig zijn van deeltjesemissie van het asbestcement dak. Namelijk, ook andere activiteiten rondom de schuren kunnen hiervan de oorzaak zijn. Daarom is de netto fijnstof concentratie over de gehele meetperiode berekend op basis van zowel het rekenkundig als geometrisch gemiddelde van de netto minuutgemiddelde fijnstof concentraties (Tabel 20). De geometrisch gemiddelde concentratie wordt veel minder beïnvloed door deze hoge piek concentraties en geeft een representatiever beeld van de gemiddelde netto fijnstof bijdrage van het asbestcement dak.
De verschilwaarden zijn voorzien van een standaarddeviatie. Deze standaarddeviatie is bepaald op basis van meetdata van de vier locaties waarbij de windrichting haaks op het dak stond. Hierbij hebben beide fijnstof monitoren geen invloed van het asbestcement dak en zouden in het ideale geval precies dezelfde concentratie moeten aangegeven. Op basis van deze meetdata is een variatie in de meetdata van de twee fijnstof monitoren geconstateerd van ca. 20%. Op basis hiervan blijkt dat alleen voor Loenen en Hoevelaken-1 de bijdrage van het asbestcement dak op de fijnstof concentratie significant is.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
62 / 113
Figuur 12: Fijnstof concentraties, in µg/m3, op de benedenwindse (oranje punten) en bovenwindse (blauwe punten) meetstations van de locatie Loenen, in relatie tot de windrichting (grijze balk bij wind over het asbestcement dak) en windsnelheid (gele lijn).
Tabel 20: Gemiddelde boven- en benedenwindse fijnstof concentraties en de verschilconcentraties als rekenkundig gemiddelde (AM) en geometrisch gemiddelde (GM) waarden inclusief standaarddeviatie (SD) over de gehele meetperiode.
Concentratie fijnstof (µg/m3) Locatie
Loenen
Meetperiode
2-11-2021 - 16-11-2021
Bovenwinds
Benedenwinds
Verschil
AM
GM
AM
GM
AM ± SD
GM ± SD
6,6
5,0
20,6
6,2
14,0 ± 1,3
1,2 ± 1,0
Hoevelaken-1 16-11-2021 - 26-11 2021
8,6
5,5
12,4
7,2
3,8 ± 1,7
1,7 ± 1,1
Hoevelaken-2 27-12-2021 - 17-1-2022
5,5
4,8
6,7
5,4
1,3 ± 1,1
0,7 ± 1,0
19-1-2022 - 11-2-2022
16,0
5,1
9,1
4,9
-7,0 ± 3,2
-0,2 ± 1,0
Lelystad-2
5.4
Regenwater en slib
In Tabel 21 zijn de asbestvezelconcentraties weergegeven voor de negen monsters regenwater, bemonsterd gedurende de zomer- (5x) en winterperiode (4x). De asbestconcentratie is weergegeven in vezels > 5 μm per liter met een 95% betrouwbaarheidsinterval op basis van de Poisson-statistiek. Indien in het monster geen asbestvezels zijn aangetroffen, wordt alleen de bepalingsgrens vermeld. In alle regenwatermonsters zijn asbestvezels gedetecteerd van het type chrysotiel. In het water bemonsterd op meetlocatie Loenen zijn ook amfibole asbestvezels van het type crocidoliet aangetroffen. Representatieve SEM opnamen van de aangetroffen vezels zijn weergegeven in Figuur 13. In Tabel 22 zijn de resultaten weergegeven van de opgevangen slibfractie. De totale massa aan asbest in het slib is berekend op basis van het geschatte percentage aan asbest in de asrest. De
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
63 / 113
percentages zijn geschat door meerdere analisten, waarna het gemiddelde geschatte percentage is bepaald. De laagste en hoogste geschatte percentages zijn gebruikt als onder- en bovengrenzen. Op basis van de analyseresultaten van de monsters regenwater en slib (Tabel 21 en 22) in combinatie met gegevens van het dakoppervlak dat is gebruikt voor het opvangen van regenwater en slib en lokale neerslaggegevens afkomstig van de nabijgelegen KNMI neerslagstations zijn emissiefactoren voor uitspoeling afgeleid voor asbestvezels (vezels/m2/maand) en totaal asbest (gr/m2/maand) (Tabel 23). Deze waarden zijn berekend voor de periode van monsterneming in de zomer en/of de winter. Het dakoppervlak (Opp) is bepaald op basis van de bemonsterde breedte (BDak = 1 m) en de lengte (nok tot de dakrand) van het dak. De lengte is berekend op basis van de hellingshoek (∠α ). Daartoe is gebruik gemaakt van vergelijking (2). (2)
𝑂𝑝𝑝
∠
Figuur 13: Representatieve secundaire elektronen (SE) beelden van asbest vezels gedetecteerd in de watermonsters; (links) chrysotiel en (rechts) crocidoliet
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
64 / 113
Tabel 21: Totaal vezelconcentratieniveaus aan chrysotiel, crocidoliet (amfibool) en totaal asbest, inclusief 95% betrouwbaarheidsinterval (Poissonverdeling)
Locatie
Chrysotiel [ּ105 vezels/L]
Periode
Nominaal b) Barneveld
Totaal asbest a) [ּ105 vezels/L]
Amfibool asbest [ּ105 vezels/L]
95% BI c)
Nominaal
95% BI
Nominaal
95% BI
Zomer
45
36-56
-
<1,7
45
36-56
Zomer
13
9,2-17
-
<0,8
13
9,2-17
Winter
1,3
1-1,8
-
<0,1
1,3
1-1,8
Hoevelaken-2 Winter
16
13-21
-
<0,8
16
13-21
Hoevelaken-1
Lelystad-1
Zomer
3
0,6-8,9
-
<3
3,0
0,6-8,9
Lelystad-2
Winter
3,2
2,4-4,2
-
<2
3,2
2,4-4,2
3-8
29
24-35
3-6
11
8,5-13
Loenen
Zomer
24
19-30
5,1d)
Winter
6,3
4,7-8,3
4,3 d)
Milheeze Zomer 0,8 0,5-1,2 <0,1 0,8 0,5-1,2 a) Totaal asbest is de concentratie chrysotiel en de concentratie amfibool asbest b) De nominale (gemiddelde) concentratie is de meest waarschijnlijke concentratie op basis van het aantal getelde asbestvezels. c) Het 95%-betrouwbaarheidsinterval (95% BI) geeft de meetonzekerheid aan op basis van de Poissonverdeling (NEN-ISO 14966), weergegeven als de beneden- en de bovengrens. Bij het niet aantreffen van vezels wordt de bepalingsondergrens (<) weergegeven op basis van het eenzijdige betrouwbaarheidsinterval. d) Op de meetlocatie in Loenen is crocidoliet gedetecteerd.
Tabel 22: Asbestconcentratie in de bemonsterde slibfractie in gram totaal asbest en in percentage ten opzichte van het drooggewicht, inclusief betrouwbaarheidsinterval
Locatie Barneveld Hoevelaken-1 Hoevelaken-2
Periode Zomer
Massa slib (gr)
Asrest (%)
Geschat % asbest
32
16
21,5 (12,5 – 30)
massa (gr) 3,4 (2,0 – 4,8)
Asbest in slib % in slib 11 (6 – 15)
Zomer
61
14
50 (40 – 60)
7,2 (5,8 – 8,6)
12 (9 – 14)
Winter Winter
4,8 3,9
2,1 0,7
50 (40 – 60) 7,5 (2 – 12,5)
1,1 (0,9 – 1,3) 0,05 (0,01 – 0,09)
23 (18 – 27) 1,3 (0,4 – 2,3)
Lelystad-1
Zomer
2,5
1,1
37,5 (25 – 50)
0,4 (0,30 – 0,60)
17 (11 – 23)
Lelystad-2
Winter Zomer
1,9 22
0,5 4,3
37,5 (25 – 50) 57,5 (40 – 75)
0,20 (0,13 – 0,26) 2,5 (1,7 – 3,2)
10 (7 – 14) 11 (8 – 15)
Loenen Milheeze
Winter
0,6
0,2
60 (50 – 70)
0,12 (0,10 – 0,14)
20 (17 – 23)
Zomer
23
12
2,5 (1 – 3,5)
0,27 (0,12 – 0,42)
1,2 (0,5 – 1,8)
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
65 / 113
Tabel 23: Emissiefactoren voor de uitspoeling van asbest via het dakoppervlak afgeleid voor asbestvezels (vezels/m2/maand) en totaal asbest (gr/m2/maand) in de periode van monsterneming (zomer en winter), inclusief betrouwbaarheidsinterval
Dak Neerslag oppervlak (mm) (m2)
Opgevangen Uitspoeling asbest via dakoppervlak regenwater vezels/m2/maand gram/m2/maand (L) x 108
Locatie
Periode
Barneveld
Zomer
3,8
188
706
0,39 (0,23 – 0,55)
3,6 (2,9 – 4,5)
Zomer
8,0
183
1461
0,39 (0,31 – 0,46)
1,0 (0,7 – 1,3)
Hoevelaken-1
Winter
8,0
125
1000
0,05 (0,04 – 0,07)
0,07 (0,05 – 0,09)
Hoevelaken-2
Winter
11,2
118
1322
0,006 (0,002–0,01)
1,3 (1,0 – 1,6)
Lelystad-1
Zomer
2,9
150
431
0,06 (0,04 – 0,08)
0,2 (0,04 – 0,6)
Lelystad-2
Winter
2,9
157
455
0,05 (0,03 – 0,07)
0,4 (0,3 – 0,5)
Zomer
6,4
204
1295
0,13 (0,09 – 0,17)
2,0 (1,7 – 2,4)
Winter
6,4
110
707
0,01 (0,009 – 0,02)
0,7 (0,5 – 0,8)
Zomer
8,9
125
1109
0,01 (0,005 – 0,02) 0,04 (0,03 – 0,07)
Loenen Milheeze
Uit de resultaten blijkt dat de uitspoeling van asbest in de zomer sneller verloopt dan in de winter. Directe doorrekening naar emissiefactoren per jaar is daarom lastig. De locaties Hoevelaken-1, Lelystad en Loenen zijn zowel in de zomer als in de winter bemonsterd; voor deze locaties wordt aangenomen dat de uitspoeling over een jaar het gemiddelde is van de zomer- en wintergegevens. Voor de locaties Hoevelaken-2, Barneveld en Milheeze wordt voor de berekening gebruik gemaakt van de verhouding van de uitspoeling van asbest in de winter en zomer van de locaties met asbestcement golfplaten: Hoevelaken-1 (14%) en Loenen (8%). Op basis van bovenstaande aannamen zijn in Tabel 24 de jaarlijkse emissiefactoren, in gr/m2/jaar en vezels/m2/jaar gegeven. Ter vergelijking is hierin ook de leeftijd van het dak en de verweringsgraad op basis van visuele inspectie en kleefmonsters gegeven. Tabel 24: Jaarlijks emissiefactoren voor de uitspoeling van asbest via het dakoppervlak in gram/m2/jaar en vezels/m2/jaar (inclusief betrouwbaarheidsinterval) en vergelijking met de verweringsgraad op basis van visuele inspectie en kleefmonsters.
Locatie
Leeftijd dak (jaren)
Barneveld Loenen Hoevelaken-1 Hoevelaken-2
Verwerkingsgraad
Uitspoeling asbest via dakoppervlak
Visuele inspectie
Kleef monsters
gram/m2/jaar
vezels/m2/jaar x 109
36 - 41
Sterk
++
2,6 (1,5 – 3,8)
2,4 (1,9 – 3,1)
~50
Sterk
++
0,9 (0,6 – 1,1)
1,6 (1,3 – 1,9)
54
Sterk
++
2,7 (2,1 – 3,2)
0,7 (0,5 – 0,9)
36
Matig
++
0,3 (0,1 – 0,5)
7,5 (4,9 – 13)
Milheeze
45
Matig
+
0,2 (0,1 – 0,3)
0,06 ( 0,04 – 0,09)
Lelystad
39 – 41
Matig
+ / ++
0,7 (0,5 – 0,9)
0,3 (0,2 – 0,6)
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
5.5
66 / 113
Gesedimenteerd stof
In Tabel 25 zijn de resultaten van de monsters gesedimenteerd stof weergegeven. Alleen in de schuur van Hoevelaken-1 en Loenen is een spoor (+/-) chrysotiel aangetroffen. In de stal van Hoevelaken-2 en Barneveld en is geen meting verricht omdat hiervoor geen toestemming was. In de woning van Hoevelaken-1 is geen meting uitgevoerd in verband met de renovatie van het huis. Tabel 25: Overzicht van de resultaten van de monsters gesedimenteerd stof
Locatie
Object
Beschrijving monsternemingsplek
Resultaat Asbest *
overige
Barneveld Hoevelaken-1
woning schuur
kast en TV in woning horizontale draagbalken in schuur
-
-
+/- CHR
+ steenwol
Hoevelaken-2
woning
twee kasten in kantoor
-
-
Lelystad-1 Lelystad-2
woning woning
kast in woonkamer en keuken kast en TV in woonkamer
-
-
woning
horizontale draagbalken in schuur
+/- CHR
+/- steenwol
schuur woning
boekenkast en TV in woonkamer kast in woonkamer en keuken
-
+/- steenwol
schuur
vloer en stalen rails schuifdeur
-
+/- steenwol
Loenen Milheeze * CHR = chrysotiel
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
67 / 113
6 Evaluatie onderzoeksresultaten 6.1
De emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken
Op vijf locaties in de zomer en vier locaties in de winter is het uitgespoelde asbestslib inclusief de asbestvezels gedurende 2 maanden opgevangen met door TNO ontwikkelde regenwaterbakken. Op basis van deze metingen is een gemiddelde maandelijkse emissies in de zomer en winter berekend van respectievelijk 0,2 (0,01 – 0,4) en 0,03 (0,01 – 0,05) gram per m2 dakoppervlak. Op basis van metingen op de locaties Loenen en Hoevelaken-1, waar zowel in de zomer als in de winter uitgespoeld asbestslib is opgevangen, blijkt dat in de zomer de uitspoeling van asbestslib gemiddeld een factor 10 sneller verloopt dan in de winter. Op basis van bovengenoemde emissiegegevens zijn voor elke locatie jaarlijkse emissiefactoren afgeleid (zie Tabel 24). De locatie specifieke emissiefactoren zijn op basis van de verweringsgraad van het asbestcement dak gegroepeerd waarna rekenkundige en geometrische gemiddelde waarden voor matig en sterk verweerde daken zijn berekend (zie Tabel 26). Tabel 26: Jaarlijks emissiefactoren voor de uitspoeling van asbest via het dakoppervlak in gram/m2/jaar en losse vezels/m2/jaar, inclusief standaarddeviatie (SD), bij sterk en matig verweerde daken
Verwering asbestcement dak
Uitspoeling asbest via dakoppervlak
Visuele inspectie
Kleefmonsters
gram/m2/jaar AM ± SD
GM
AM ± SD
GM
48 (39 – 54)
sterk
++
2,0 ± 1,0
1,8
1,6 ± 0,9
1,4
40 (36 – 45)
matig
+ / ++
0,4 ± 0,3
0,4
2,6 ± 4,2
0,5
36 - 54
sterk + matig
1,2 ± 1,1
0,8
2,1 ± 2,8
0,8
Leeftijd asbestdak
vezels/m2/jaar x 109
De gemiddelde jaarlijkse emissie van asbest via uitspoeling met regenwater is 1,2 ± 1,1 (SD) gram per m2 dakoppervlak per jaar, met een laagst gemeten waarde van 0,2 (Milheeze) en een hoogste gemeten waarde van 2,7 (Hoevelaken-1) gr/m2/jaar. Voor matig en sterk verweerde asbestdaken ligt de jaarlijkse emissie op respectievelijk 0,4 ± 0,3 (SD) en 2,0 ± 1,0 (SD) gr/m2/jaar. De gemiddelde jaarlijkse emissie van losse asbestvezels via uitspoeling met regenwater is 2,1 ± 2,8 (SD) x 109 vezels per m2 dakoppervlak per jaar, met een laagst gemeten waarde van 0,06 x 109 (Milheeze) en een hoogste gemeten waarde van 7,5 x 109 (Hoevelaken-2) vezels/m2/jaar. Op basis van de vezeldimensies (lengte en diameter) en de dichtheid van asbest is de massa aan respirabele asbestvezels berekend op 17 (0,5 – 57) mg/m2/jaar, dit is ca. 1% op de totale hoeveelheid aan uitgespoeld asbest. Omdat tijdens de blootstellingsmetingen en windrichting-aangestuurde metingen in de nabijheid van de asbestcementdaken geen asbestvezels in de lucht zijn aangetroffen (concentratie < 10 vezels/m3) kan de emissie via luchterosie niet exact worden bepaald. Op basis van fijnstof metingen aan weerszijden van het asbestcement dak kan de bijdrage van het asbestcement dak op de fijnstof concentratie op het benedenwindse meetpunt wel bepaald worden (zie Tabel 20).
De maximale bijdrage van matig en sterk verweerde asbestcement daken is berekend op respectievelijk ≤ 0,7 µg/m3 en 1,2 – 1,7 µg/m3, op basis van het geometrisch gemiddelde. Hierbij is aangenomen dat de bijdrage alleen het gevolg is van vrijkomende deeltjes van de verwerende daken en dat overige activiteiten en/of processen rondom de gebouwen geen rol spelen; de bijdragen moeten daarom worden beschouwd als maximum waarden. Ondanks dat de emissiefactor via luchterosie niet exact berekend kan worden, kan wel een schatting van de maximale vezelconcentratie worden afgegeven van de emissie, in vezels/m2/jaar, op basis van de bepalingsgrens (ca. < 10 vezel/m3) van de buitenluchtmetingen. Ook is een schatting van de
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
68 / 113
emissie, in µg/m2/jaar mogelijk op basis van de fijnstof metingen, waarbij een aanname wordt gemaakt van het percentage asbest in het fijnstof. Op basis van het onderzoek van VITO (Tabel 13, Peters et al., 2015) naar de asbestconcentratie van slib in dakgoten is het percentage asbest geschat op ca. 0,3%. Bij de schattingen is gebruik gemaakt van het lijwervel model (Duyzer et al., 2004). Een lijwervel ontstaat aan de lijzijde van een gebouw als gevolg van invloed van het gebouw op de vrije stroming van wind. Er ontstaat daarbij een gebied achter het gebouw waar de windsnelheid is verminderd. De asbestvezels afkomstig van het asbestcement dak van het gebouw komen (onder bepaalde condities) in deze wervel terecht en worden daar maar beperkt verdund. De concentratie in de wervel is daardoor relatief hoog vergeleken met de concentratie zoals die zou worden gevonden wanneer normale verspreiding door de wind optreedt, zonder het gebouw (schuur/loods, stal, huis). De wervel strekt zich uit over een bepaalde afstand achter het gebouw die maximaal 7x de dakhoogte is. Met formule (3) wordt het lijwervelmodel kwantitatief beschreven (Duyzer et al., 2004): (3)
𝐶
Hierin is ‘C’ de concentratie in de lijwervel in vezels/m3 of µg/m3, ‘Q’ de emissiefactor in vezels/sec of µg/sec, ‘A’ het oppervlak van het gebouw op de windrichting geprojecteerd (hoogte x breedte) in m2, ‘Uh’ de windsnelheid op dakhoogte in m/sec en ‘K’ een dimensieloze vormfactor. De K waarde is afhankelijk van de afmeting van het gebouw en de oriëntatie op de windrichting. Voor een lang breed gebouw met loodrechte aanstroming is ‘K’ ongeveer één. Bij kleinere gebouwen en/of zonder loodrechte aanstroming wordt ‘K’ kleiner. Er is in deze berekeningen uitgegaan van een K factor van 0,2, in overeenstemming met Van Melle (1984). Op basis van formule (3) is voor alle locaties de totale emissiefactor per gebouw berekend waarna deze is gecorrigeerd voor het dakoppervlak om de emissiefactor, in vezels/m2/jaar en µg/m2/jaar in te kunnen schatten. Voor de bemeten locaties in de winter is de asbestemissie via luchterosie geschat op 0,012 (0 – 0,025) gr/m2/jaar. Dit betekent dat, op basis van de fijnstof metingen en het geschatte percentage asbest in fijnstof, het maximale aandeel van luchterosie op de totale asbestemissie ca. 5% is. Op basis van de gemeten vezelconcentratie (bepalingsgrens ca. 10 v/m3) gedurende de zomer- en winterperiode is de maximale asbestvezelemissie via luchterosie geschat op 0,08 (0,01 – 0,21) x 109 vezels/m2/jaar.
Dit betekent dat het maximale aandeel van luchterosie op de totale emissie aan losse asbestvezels ca. 10% is. Echter, wanneer rekening wordt gehouden met de totale hoeveelheid aan uitgespoeld asbest (conglomeraten van samengeklitte vezelbundels en matrixdeeltjes, vezelbundels en losse vezels) is het maximale aandeel van luchterosie op de totale asbestemissie ca. 0,1%. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van ander onderzoek (Fischer & Meyer, 1983; Bornemann & Hildebrand, 1986; Spurny, 1989; Brown, 1998). Zoals in paragraaf 3.2.1 staat beschreven liggen de emissiefactoren van andere onderzoeken die enigszins representatief zijn voor de Nederlandse situatie tussen de 0,5 en 4 gram/m2/jaar. De door TNO bepaalde emissiefactoren geven een verdere detaillering van de in 2007 gepubliceerde globale indicatie van “gemiddeld 1 - 3 gram asbest/m2/jaar” (Tromp, 2007), rekening houdend met de verweringsgraad en seizoensinvloeden. De emissie van asbest door uitspoeling is verreweg de meest dominante route. Er lijkt een relatie te bestaan tussen de ouderdom van het dak en de emissie van asbest(vezels).
Gezien de steeds hogere leeftijd van de asbestdaken zal de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken de komende jaren gaan toenemen: dit blijkt zowel uit gegevens van dit onderzoek en ander onderzoek (zie Hoofdstuk 3). Echter, door de grote variatie in verwerende daken ontbreekt een éénduidige correlatie en is een accurate prognose van het verloop van de verwering en de toename in de emissie van asbestvezels vooralsnog niet mogelijk. Op basis van de
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
69 / 113
in dit onderzoek bepaalde emissiefactoren voor uitspoeling en luchterosie en het huidige geschatte totale oppervlak aan asbestdaken in Nederland van ca. 74 mln m2 5 kan wel een indicatie worden gegeven van de hoeveelheid vrijkomende asbest(vezels) vanuit asbestdaken op dit moment. Als wordt aangenomen dat het aantal sterk en matig verweerde asbestdaken in Nederland ongeveer gelijk is kan een jaarlijkse emissie via uitspoeling van 1,2 (0,2 – 2,7) gram/m2/jaar worden aangehouden en een jaarlijkse emissie via luchterosie van maximaal 0,08 (0,01 – 0,21) x 109 vezels/m2/jaar. Dit betekent een totale hoeveelheid van ongeveer 90 (15 – 200) ton asbest dat per jaar via uitspoeling vrijkomt. Voor luchterosie gaat het om maximaal 6 (0,7 – 16) x 1015 vezels per jaar die in de lucht terecht komen; omgerekend naar massa betekent dit maximaal 50 kg per jaar. De hoeveelheid uitgespoeld asbest zal, afhankelijk van de regenwaterafvoer, deels via het rioolwater worden afgevoerd naar rioolwaterzuiveringsinstallaties, deels worden afgevoerd naar het oppervlaktewater in de directe omgeving en deels op de bodem onder asbestdaken terecht komen.
6.2
Verspreiding, blootstellingsroutes en blootstellingsrisico’s
In dit hoofdstuk worden op basis van de resultaten van de uitgevoerde meetcampagnes (Hoofdstuk 5) en de informatie zoals gevonden in het literatuuronderzoek (Hoofdstuk 3) de verspreiding en blootstellingsroutes zoals weergegeven in Figuur 1 (zie paragraaf 1.2) beschreven en voorzien van kwantitatieve gegevens. Op basis van die gegevens wordt het blootstellingsrisico voor bewoners, omwonenden en passanten van woningen en schuren/loodsen en stallen met asbestcement daken ingeschat. Blootstellingsroute 5: verspreiding door illegale/ondeskundige sloop, is niet in het onderzoek meegenomen en wordt daarom buiten beschouwing gelaten.
6.2.1
Route 1: Verspreiding van asbestvezels in de buitenlucht
Deze route beschrijft het vrijkomen van asbestvezels vanuit asbestdaken door luchterosie. Tijdens de uitgevoerde meetcampagnes in de zomer- en winterperiode konden met de standaard meettechnieken (conform NEN-ISO 14966) in de buitenlucht in de nabijheid van asbestcementdaken geen asbestvezels worden aangetoond (concentratie < bepalingsgrens van 10 vezels/m3). De concentraties aan asbestvezels, bepaald met een specifieke methode voor de bepaling van het achtergrondniveau (Tromp, 2016), liggen in dezelfde concentratie range als de in Nederland gemeten achtergrondconcentraties in 2016, met een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 13 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 28 vezels/m3 voor alle asbestvezels en 3 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 14 vezels/m3 voor vezels met een lengte langer dan 5 µm. Zowel de blootstellingsmetingen in de zomer als de windrichting-aangestuurde metingen in de winter zijn over een lange periode van ca. 1 maand uitgevoerd, waarbij de meetapparatuur in de lijwervel van het asbestcement dak is geplaatst (zie Tabel 16 en Bijlage I voor de exacte posities van de meetapparatuur). Op één uitzondering na (Lelystad-2) varieerde de afstand tot het dak van 0 (rand van het dak) tot 10 meter. Vanwege praktische redenen is de meetopstelling op locatie Lelystad-2 op 30 meter afstand geplaatst, echter door de hoogte van het gebouw (ca.
8 meter) bevond de opstelling zich nog steeds in de lijwervel (zie paragraaf 6.1), wat betekent dat ook daar, net zoals bij de andere objecten, het verdunningseffect minimaal is gehouden (Duyzer et al., 2004). Ook is de meetapparatuur zoveel mogelijk benedenwinds van het asbestcement dak opgesteld, rekening houdend met de meest dominante windrichting (zuidwesten wind). Op deze manier is de kans het grootst dat asbestvezels die zijn vrijgekomen vanuit het asbestcement dak gemeten worden.
5
Kamerbrief voortgang asbestdaken, kenmerk IENW/BSK-2021/324316, 21 december 2021
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
70 / 113
De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van ander onderzoek (o.a. Peters et al. 2013; Tromp, 2007; Heierli & Weber, 2005). Zoals in paragraaf 3.3 staat beschreven zijn ook in andere onderzoeken waarbij de juiste meet- en analysetechnieken zijn gebruikt en die representatief worden geacht voor de huidige situatie in Nederland, zonder andere asbestbronnen, in de buitenlucht vrijwel nooit asbestvezels aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 100 vezels/m3), en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (~100 vezels/m3). Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat onder normale gebruiksomstandigheden (zonder beroering van het dak) de verspreiding van asbestvezels van asbestdaken naar de lucht beperkt is; dit geldt ook voor (sterk) verweerde daken. Dit wil zeggen dat het risico op blootstelling aan asbestvezels via deze route voor bewoners, omwonenden en/of passanten van gebouwen met asbestdaken klein is.
6.2.2
Route 2+7: Depositie op de bodem en verdere verspreiding asbestvezels
Deze route beschrijft de depositie van asbest(vezels) op de bodem en verdere verspreiding van asbestvezels door resuspensie. Alleen wanneer een dakgoot ontbreekt of niet meer goed functioneert zal door uitspoeling van asbest vanaf het asbestdak door regenwater asbesthoudende restanten en -vezels op de onderliggende bodem terechtkomen. Voor een kwantitatief inzicht in deze depositie route is gebruikt gemaakt van reeds uitgevoerd onderzoek (Tromp, 2002; Oosterwegel, 2014; Peters et al., 2015; Peter et al., 2021; Öksüztepe, 2015, Wetterauw, 2017; Abesim, 2019). Zoals in paragraaf 3.4 staat beschreven geven al deze onderzoeken een vergelijkbaar beeld van de concentraties aan asbest in de afwateringzone. Onder licht – matig verweerde asbestdaken is de gemiddelde concentratie aan niet-hechtgebonden asbest 90 ± 290 mg/kg (AM ± SD) en 16 mg/kg (GM) 6. Onder sterk verweerde asbestdaken ligt de concentratie een stuk hoger met 1200 ± 3900 mg/kg (AM ± SD) en 98 mg/kg (GM). De gemiddelde respirabele vezelconcentratie is hierbij 18 ± 28 mg/kg (AM ± SD) en 4,0 mg/kg (GM). Uit de resultaten blijkt dat de concentraties in de afwateringzone sterk kunnen variëren met hoge uitschieters voor niet-hechtgebonden asbest en respirabele asbestvezels tot boven de 10.000 mg/kg en 100 mg/kg.
De verontreiniging bevindt zich in de directe afwateringzone (0 – 100 cm van de dakrand) en de contactzone (bovenste 20-30cm) met de meeste asbest in de toplaag (60-90%). In twee studies zijn blootstellingsmetingen uitgevoerd, waarbij activiteit met deze verontreinigde bodem is gesimuleerd door lopen, spitten/harken, grasmaaien en opwaaien (Tromp, 2002; Peters et al., 2021). Bij de meeste metingen zijn géén asbestvezels in de lucht aangetroffen, met uitzondering van één ernstig verontreinigde locatie waar een enkele keer een lage asbestvezelconcentratie in de buitenlucht is gemeten (~185 vezels/m3). Om inzicht te krijgen in de potentiële blootstellingsrisico’s bij zwaardere activiteiten zoals graven en storten kan gebruik worden gemaakt van het in Figuur 14 gepresenteerd blootstellingsmodel dat is ontwikkeld door TNO (Swartjes en Tromp, 2008). De afgeleide vezelconcentratie in de lucht bij zwaarder grondverzet in de afwateringszone onder licht – matig verweerde asbestdaken ligt rond de 100 vezels/m3. Voor de sterk verweerde asbestdaken ligt de afgeleide asbestvezelconcentratie rond de 1000 vezels/m3.
6
AM = rekenkundig gemiddelde, GM = geometrisch gemiddelde en SD = standaard deviatie
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
71 / 113
Figuur 14: Gemiddelde asbestvezelconcentraties in de lucht (vezels/m3), inclusief 95% betrouwbaarheidsintervallen (balkjes) gemeten bij diverse activiteiten met licht tot zwaar asbestverontreinigde grond (mg/kg), onderverdeeld naar activiteiten met hechtgebonden asbest (groen), niet-hechtgebonden asbest (blauw) en simulatiemetingen in het laboratorium met losse asbestvezels in droge zandgrond met extreme activiteit (rood)
6.2.3
Route 3: Inwaai/inloop van asbestvezels naar de woning
Deze route beschrijft het via de wind of schoeisel verspreiden van asbest naar de woning vanuit de verontreinigde afwateringzone of direct via het asbestcement dak (wind). Tijdens de 2 weken durende meetcampagnes zijn in de woningen in de buurt van de asbestcement daken geen asbestvezels aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 30 vezels/m3). Dit geldt zowel voor de woningen in de buurt van schuren/loodsen en stallen met een asbestcement golfplaten dak als voor de woningen waarvan het dak en een deel van de gevel zelf bestond uit asbestcement leien. Deze laatste woningen bevonden zich tevens in een buurt waar een groot deel van de andere woningen ook waren voorzien van asbestcement dak- en gevelleien. De metingen zijn veelal in de woonkamer of keuken geplaatst, waarbij veronderstelt kan worden dat er voldoende activiteit heeft plaatsgevonden. In de stofmonsters die binnen in de woningen zijn verzameld is ook geen asbest aangetroffen. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek (o.a. Peters et al., 2015; Peters et al., 2016b; Tromp, 2007; Heierli & Weber, 2005).
Zoals in paragraaf 3.3 staat beschreven zijn ook in andere onderzoeken die representatief worden geacht voor de huidige situatie in Nederland, in woningen vrijwel nooit asbestvezels aangetroffen, en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (≤ 100 vezels/m3). In de twee gevallen dat er wel een verhoogde concentratie in de binnenlucht werd aangetroffen betrof het woonwijken met veel asbestcement gevels en daken in sterk verweerde toestand, namelijk een ‘inloop’ situatie waarbij de woningen waren voorzien van asbestleien gevel- en dakbekleding, zonder dakgoten met afwatering direct op de stoep voor de deur van de woning, en een ‘inwaai’ situatie, waarbij de woningen volledig waren bekleed met asbestcement golfplaten met alleen uitsparingen voor ramen.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
72 / 113
De woningen met asbestcement gevel- en dakleien in dit onderzoek waren voorzien van dakgoten, waardoor de kans dat uitgespoelde asbestvezels in de looproute rond de woning terecht komen, en zo via bijvoorbeeld schoeisel de woning in worden genomen beperkt is. En hoewel de woningen zelf waren voorzien van asbestcement gevel- en dakleien en ook in een buurt stonden met (groten)deels vergelijkbare woningen is ‘inwaai’ ook niet relevant gebleken. Wel dient te worden opgemerkt dat de asbestleien in dit onderzoek matig verweerd waren en niet ernstig verweerd zoals de situatie met de asbestcement golfplaten. De helft van de onderzochte locaties met schuren/loodsen en stallen met een asbestcement golfplaten dak waren voorzien van een intacte dakgoot. In deze gevallen is de kans op uitspoeling van de vrijgekomen asbest(vezels) naar de bodem onder deze daken beperkt, en dus ook de kans op verspreiding hiervan naar bijvoorbeeld de woning of de binnenzijde van de schuur/loods of stal door loopbewegingen beperkt. De andere helft van de onderzochte locaties waren niet voorzien van een dakgoot of hadden een kapotte dakgoot. Echter, er was in géén van de gevallen sprake van een directe inloop via de afwateringzone naar de nabij gelegen woning.
Dit betekent dat in deze situaties de bewoners zich niet veelvuldig langs de afwateringzone hoeven te begeven, waardoor de verspreiding van asbest(vezels) naar de woning beperkt is. Bij woningen, schuren en stallen met asbestcement daken met een directe inloop via een (verharde) afwateringzone naar de (nabij gelegen) woning is inwaai/inloop van asbest(vezels) wel een belangrijke (potentiële) verspreidingsroute en is het risico op inademing van asbestvezels door het opnieuw in de lucht komen (resuspensie) van gesedimenteerde asbestvezels aanzienlijk groter.
6.2.4
Route 4: Verspreiding door interne verwering in schuren en stallen
Deze route beschrijft het vrijkomen van asbestvezels door interne verwering van het asbestcement onderdak. Tijdens de uitgevoerde meetcampagnes zijn in de schuren/loodsen en stallen geen asbestvezels in de lucht aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 30 vezels/m3). De metingen zijn gedurende een lange periode van ca. 1 maand uitgevoerd waarbij de apparatuur zoveel mogelijk in de open ruimte in de schuur/loods en stal is geplaatst. In de stofmonsters die binnen in de schuren en loodsen zijn verzameld is in twee gevallen (op draagbalken) een spoor chrysotiel aangetroffen. In de meeste schuren en loodsen heeft naar verwachting weinig activiteit plaatsgevonden. Op één locatie is daarom extra activiteit gesimuleerd door het plaatsen van twee ventilatoren in de schuur. Ondanks dat op deze locatie een spoor chrysotiel in het gesedimenteerde stof is aangetroffen, zijn ook hier géén asbestvezels in de lucht aangetroffen. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek (o.a. Peters et al., 2015; Peters et al., 2016b; Tromp, 2007).
Zoals in paragraaf 3.3 staat beschreven zijn ook in andere onderzoeken die representatief worden geacht voor de huidige situatie in Nederland, in schuren/loodsen en stallen vrijwel nooit asbestvezels aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 100 vezels/m3) en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (~100 vezels/m3). Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat er onder normale gebruiksomstandigheden (zonder beroering van het onderdak) de verspreiding van asbestvezels door interne verwering van het onderdak beperkt is.
6.2.5
Route 6: Uitspoeling via regenwater in dakgoten
Deze route beschrijft de het vrijkomen van asbest(vezels) vanuit dakgoten en verdere verspreiding bij het reinigen van dakgoten. Bij goed functionerende dakgoten zal het grootste deel van het slib via het rioolwater worden afgevoerd naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het vrijkomende zuiveringsslib wordt in Nederland standaard afgevoerd naar verbrandingsinstallaties, cementovens
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
73 / 113
of elektriciteitscentrales7 waar het wordt verbrand bij een temperatuur van ca. 600 – 900 °C. Deze temperaturen zijn in theorie hoog genoeg om het asbest te denatureren. De omzettingstemperatuur van chrysotiel en crocidoliet is ca. 700 °C en voor amosiet ligt deze op ca. 800 °C. Bij de omzetting wordt de kristallijne asbeststructuur van de vezels omgezet in een amorfe silicaatstructuur, waarna onschadelijke silicaatmineralen worden gevormd (Justen et al., 2000; Mattenklott, 2004). In hoeverre de omzetting, onder de praktijkomstandigheden die zich voordoen bij de verbrandingsinstallaties, volledig is, is onbekend. Tijdens 2 maanden durende meetcampagnes in de zomer en winterperiode variëren de gemeten asbestvezelconcentraties in het opgevangen regenwater tussen de 0,1 en 4,5 x 106 vezels/L, met een gemiddelde van 1,4 x 106 vezels/L. Bij omrekening naar vezels per kilogram slib betekent dit 2,5 (0,3 – 13) x 1011 vezels/kg; omgerekend naar massa is dit ca 1200 mg/kg. Het totale asbestpercentage in het opgevangen slib varieert van 1,2 tot 23%, met een gemiddelde van 12% (120.000 mg/kg). Dit betekent dat ca. 1 (0,1 – 5) % aanwezig is als losse asbestvezels; het overige deel is matrix gebonden asbesthoudend materiaal. Dit komt overeen met het gemiddelde percentage losse asbestvezels op de bodem onder asbestdaken.
De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek (o.a. Peters et al., 2013; Peters et al., 2015; Tromp, 2007). Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven zijn in andere onderzoeken, waarbij de juiste meet- en analysetechniek is gebruikt, asbestvezelconcentraties in regenwater gemeten van 2 x 104 tot 2 x 106 vezels/L. Het percentage asbest in de opgevangen slibfractie ligt wel hoger dan de gemeten waarden in historisch slib vanuit dakgoten, respectievelijk 3000 (4 – 17.000) mg/kg (Peters et al., 2013) en 0,1 – 10% (Tromp, 2007). Het verschil in meettechnieken is hier waarschijnlijk de oorzaak van, namelijk het slib is niet opgevangen in een bezinkingsbak maar is afgescheiden door middel van een zeef. Dit heeft waarschijnlijk geresulteerd in het deels wegspoelen van de fijne slibfractie, waardoor de asbestconcentratie in het slib toeneemt. De totale emissie van asbest door uitspoeling blijft hiermee overigens wel gelijk. Aangezien tijdens de metingen in de buitenlucht (route 1) geen asbestvezels zijn aangetroffen (concentratie < 10 vezels/m3) mag worden verondersteld dat resuspensie van asbestvezels uit slib in dakgoten nauwelijks optreedt.
Wanneer het slib in dakgoten niet wordt beroerd is het risico op blootstelling aan asbestvezels via slib in dakgoten voor bewoners, omwonenden en/of passanten van gebouwen met asbestdaken klein. Om inzicht te krijgen in de potentiële blootstellingsrisico’s tijdens het schoonmaken van dakgoten kan weer gebruik worden gemaakt van het in Figuur 14 gepresenteerd blootstellingsmodel. Op basis van dit blootstellingsmodel ligt de afgeleide asbestvezelconcentratie bij de genoemde activiteiten tussen de 100 en 5000 vezels/m3. Dit betekent dat tijdens het schoonmaken van dakgoten er een evident blootstellingsrisico kan optreden. Het actuele blootstellingsrisico hangt af van veel factoren, zoals o.a. type, frequentie en duur van de activiteit, afstand tot de bron en vochtigheid van het slib.
6.3
Vergelijking met advieswaarden en achtergrondconcentraties
In 2016 is door TNO onderzoek uitgevoerd naar de achtergrondconcentratie in Nederland, waarbij een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 35 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 81 vezels/m3 werd vastgesteld (Tromp, 2016). Slechts een klein deel van deze vezels is langer dan 5 μm (ca. 16%). De gemiddelde concentratie aan asbestvezels met een lengte langer dan 5 μm is 6 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 30 vezels/m3. Van de aangetroffen asbestvezels was 74% chrysotiel en 26% amfibool. De metingen zijn uitgevoerd in de periode mei t/m september 2016 op zeven meetlocaties in Nederland: Amsterdam, Rotterdam, Groningen, Bilthoven, Goor, Wekerom en Biest-houtakker. Alle metingen zijn uitgevoerd in een periode met zeer weinig tot geen neerslag 7
https://www.clo.nl/indicatoren/nl0154-afzet-van-zuiveringsslib-naar-bestemming
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
74 / 113
bij matige wind (windkracht 3 – 4) en relatief veel zon. Onder deze worst-case condities is het aantreffen van asbestvezels in de buitenlucht het grootst. De analyses zijn uitgevoerd met SEMEDX conform een speciaal door TNO ontwikkelde methode (zie paragraaf 4.4.1 en Tromp, 2016). Hierbij wordt bij een hogere vergroting (7000x) het filteroppervlak geïnspecteerd zodat ook de korte vezels en hele dunne (elementaire) vezels met een diameter kleiner dan 0,05 µm kunnen worden gedetecteerd. In het huidige onderzoek zijn de meeste filters onderzocht conform de NEN-ISO 14966, waarbij het filter is geïnspecteerd bij een vergroting van 2000x. Met deze internationaal geaccepteerde standaard normmethode kunnen vezels vanaf ca. 0,15 – 0,2 µm worden gedetecteerd. Omdat TNO gebruik heeft gemaakt van de hoge resolutie SEM-EDX, zijn zelfs vezels vanaf ca. 0,1 µm zichtbaar. Ondanks deze verbeterde resolutie zijn geen asbestvezels in de buitenlucht rondom asbestdaken aangetroffen, dit geldt voor zowel vezels langer en korter dan 5 µm. De asbestvezelconcentratie, op basis van de bepalingsondergrens, is lager dan 10 vezels/m3.
In aanvulling op de NEN-ISO 14966 methodiek zijn de buitenlucht filters in de zomerperiode op locaties Barneveld, Hoevelaken-1, Lelystad-1, Loenen en Milheeze, nogmaals geanalyseerd met de door TNO ontwikkelde methode voor de bepaling van achtergrondconcentraties (Tromp, 2016). Hierbij is een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 13 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 28 vezels/m3 vastgesteld. De gemiddelde concentratie voor asbestvezels met een lengte langer dan 5 µm is 3 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 14 vezels/m3. Net zoals bij de metingen in 2016 blijkt ook hier dat slechts een klein deel van de vezels langer is dan 5 µm (22%) en dat het merendeel van de vezels van het type chrysotiel is (80%). De gemeten asbestvezelconcentraties langer dan 5 µm liggen op en onder de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde verwaarloosbare risiconiveau concentraties voor chrysotiel (28 vezels/m3), amfibool asbest (3 vezels/m3) en gemengde asbestvezels (13 vezels/m3) (zie paragraaf 1.4). De gemeten achtergrondconcentraties in het huidige onderzoek zijn over het algemeen iets lager dan in het onderzoek uit 2016. Zeer waarschijnlijk zijn de slechtere weersomstandigheden in 2021 hiervoor verantwoordelijk. Tijdens de metingen in 2016 was het overwegend droog weer, met gemiddeld 0,1 uur en totaal 0,1mm neerslag.
Ook de gemiddelde temperatuur en het aantal uren zon waren relatief hoog (gemiddelde 20,1 °C met ca. 45% van de dag zon). Tijdens de huidige metingen was er meer neerslag (gemiddeld 35 uur met 75mm neerslag) en de temperatuur was beduidend lager (16,9 °C) met veel minder uren zon (24%). Desondanks zijn de asbestvezelconcentraties in het huidige onderzoek ten opzichte van de gemeten concentraties in 2016 niet significant verschillend; de gemeten concentraties bevinden zich nog steeds in dezelfde concentratie range als de gemeten concentraties in 2016. Dit blijkt ook uit een vergelijking van de overige minerale vezelconcentraties. In het huidige onderzoek is de gemiddelde concentratie aan overige minerale vezels > 5 µm in de buitenlucht 62 ± 73 (AM ± SD) en 34 (GM) vezels/m3 en in het onderzoek uit 2016 waren de concentraties 44 ± 22 (AM ± SD) en 40 (GM) vezels/m3. De analyses van overige minerale vezels zijn in het huidige onderzoek uitgevoerd conform de ISO 14966 terwijl de analyses in 2016 zijn uitgevoerd conform de methode voor achtergrondconcentraties. Echter, doordat de minerale vezels veelal dikker (> 0,2 µm) zijn is een onderlinge vergelijking wel mogelijk; dit wordt tevens bevestigd door de bovengenoemde resultaten.
Doordat de gemeten asbestvezelconcentraties in de lucht niet zijn verhoogd ten opzichte van het in 2016 gemeten achtergrondniveau in Nederland is de bijdrage van verwerende asbestdaken via luchterosie op de achtergrondconcentratie niet exact vast te stellen. Om te beoordelen of de met het regenwater uitgespoelde asbestvezels een directe of indirecte bijdrage kunnen leveren aan de achtergrond concentratieniveaus in Nederland zijn de vezeldiameters en -lengten van de uitgespoelde asbestvezels vergeleken met de vezeldiameters en -lengten van de asbestvezels die
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
75 / 113
zijn aangetroffen in de buitenlucht tijdens het onderzoek in 2016 en het huidige onderzoek in 2021. Ter illustratie zijn in Figuur 15 de lognormale waarschijnlijkheidsverdelingen van de lengten en diameters van de achtergrondvezels en de met regenwater uitgespoelde vezels weergegeven. Hieruit blijkt dat de met regenwater uitgespoelde vezels veel dikker zijn (mediaan 0,3 µm) dan de achtergrondconcentratie vezels (mediaan 0,1 µm). Verder blijkt dat van de achtergrond vezels 75% korter is dan 5 µm, terwijl dit percentage van de uitgespoelde vezels minder dan 10% is. Ondanks deze verschillen kan wel worden afgeleid dat ca. 50% van de vezeldimensies van de uitgespoelde vezels overeenkomt met de vezeldimensies in de achtergrond. Dit betekent dat door resuspensie de uitgespoelde vezels weer in de lucht kunnen komen; dit geldt voor zowel chrysotielvezels als voor crocidolietvezels.
Figuur 15: Lognormale waarschijnlijkheidsverdeling van de asbestvezeldiameters (links) en vezellengten (rechts) aangetroffen tijdens de achtergrondconcentratiemetingen in 2016 en 2021 (huidige onderzoek) en van de uitgespoelde vezels in het regenwater in het huidige onderzoek.
6.4
Representativiteit van het onderzoek
In het onderzoek is uitgegaan van een beperkte steekproef van asbestcementdaken zoals deze in Nederland voorkomen: voornamelijk schuren/loodsen en stallen met asbestcement golfplaten en woningen met asbestleien daken en gevels. Bij de selectie is wel uitgegaan van een “realistisch worst case”, dat wil zeggen dat géén licht verweerde daken zijn betrokken in het onderzoek; alle daken waren in meer of mindere mate verweerd, waarbij vezelstructuren zichtbaar waren aan het oppervlak. Ook zijn meerdere asbestdaken geselecteerd zonder dakgoten, waarbij asbesthoudende restanten rechtstreeks uitspoelen op de onderliggende bodem. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat dit géén locaties waren waarbij de inlooproute naar de woning via deze afwateringzone liep. Voor deze specifieke “inloop” situatie wordt het uitgebreide onderzoek van TNO in een woningcomplex in Nijmegen (Tromp, 1994) als maatgevend beschouwd (zie Hoofdstuk 3). Voor de “inloop & inwaai” situaties met dakgoten worden de onderzoeken in Lelystad en Huizen (Tromp, 2007) als representatief beschouwd voor sterk verweerde asbestdaken en -gevels in woningcomplexen.
6.4.1
Vergelijking met VITO onderzoeken
De situatie in Nederland is vergelijkbaar met die van Vlaanderen (België). Ook daar is op grote schaal asbestcement plaatmateriaal gebruikt van het type Eternit voor de bekleding van daken en gevels van schuren/loodsen, stallen en woningen. Eternit plaatmateriaal is afkomstig van het bedrijf
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
76 / 113
Eternit. Voor Nederland en Vlaanderen vond de productie van asbestcement dakbedekking vooral plaats in Goor en de productie van gevelbekleding in Kapelle-op-den-Bos. De veroudering en degradatie van het Eternit plaatmateriaal, zal mede gezien de vergelijkbare klimatologische omstandigheden, in Nederland en Vlaanderen vergelijkbaar zijn. Aangezien er door VITO recentelijk meerdere onderzoeken zijn uitgevoerd naar de verwering van asbestcement daken (Peters et al., 2013, 2015, 2016a, 2016b) is een vergelijking uitgevoerd zodat de resultaten in perspectief kunnen worden geplaatst (Tabel 27). Hierdoor ontstaat een beter beeld van de representativiteit van de door TNO geselecteerde locaties en de verweringsgraad van asbestcement daken.
Tabel 27: Vergelijking van de door TNO geselecteerde verweerde asbestcement daken en de asbestcement daken die in de onderzoeken van VITO (Peters et al., 2013, 2015, 2016a, 2016b) zijn meegenomen.
Onderzochte objecten categorie
VITO
zeer hoog n
leeftijd kleeftest % totaal AC
45
56 (40 - 110) * ++ (100%) 15%
% golfplaat
29
24%
% asbestlei
16
0%
categorie leeftijd TNO
Verweringsgraad AC daken
n
kleeftest
hoog
laag
49 (30 - 60) 35 (28 - 42) ++(71%) +(24%) +/-(6%) +(13%) +/-(25%) -(62%) 67% 18% 72%
4%
56%
44%
sterk
matig
51 (39 – 64)
41 (36 – 45)
++ (84%) + (16%)
++ (50%) + (50%)
% totaal AC
11
55%
45%
% golfplaat
9
67%
33%
% asbestlei 2 0% 100% * er is één asbestcement dak van 110 jaar onderzocht; zonder dit dak is de gemiddelde leeftijd 48 jaar
Door VITO zijn in totaal 45 objecten onderzocht waarbij de verwering van de asbestcement daken – en/of gevels, op basis van visuele inspectie en kleeftesten zijn ingedeeld in drie categorieën: zeer hoog, hoog en laag. De meeste onderzochte daken waren “hoog” verweerd met een klein deel “zeer hoog” verweerd (voornamelijk AC golfplaten) en een klein deel “laag” verweerd (voornamelijk asbestleien). In het onderzoek van TNO zijn in totaal 11 objecten beoordeeld op 7 locaties, waarbij de verweringsgraad is ingedeeld in twee categorieën: sterk verweerd en matig verweerd. In totaal zijn iets meer sterk verweerde daken onderzocht dan matig verweerde daken. Ook hier was de verweringsgraad van de golfplaten iets sterker dan die van asbestleien daken en -gevels. Ondanks een iets andere indeling van de asbestcement daken en gevels is de selectie van objecten door TNO goed vergelijkbaar met die van VITO. Wel zijn door VITO laag verweerde asbestdaken en gevels meegenomen, die door TNO niet in het onderzoek zijn betrokken. Dit bevestigt de “realistische worst case” selectie van TNO, die ook tot uitdrukking komt in de gemiddelde leeftijd van de onderzochte asbestdaken en de resultaten van de kleeftesten. De onderzoeksresultaten van TNO en VITO samen geven een goed beeld van de bandbreedte (variatie) in de verwering van asbestcement daken en gevels voor de situatie in Nederland en Vlaanderen.
In Tabel 28 staat een overzicht van de gemeten asbest(vezel)concentraties in lucht en stof. In vergelijkbare situaties komen de resultaten van TNO en VITO goed overeen; in de overige situaties zijn de resultaten complementair en geven samen een representatief beeld van de (potentiële) blootstellingsrisico’s.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
77 / 113
Tabel 28: Overzicht van de lucht- en stofmetingen in en nabij gebouwen met AC daken, uitgevoerd door VITO (Peters et al., 2013, 2015, 2016a, 2016b) en TNO (Arzoni & Tempelman, 2000; Tromp et al., 1994, 1996, 2002, 2007, 2022).
Buitenlucht Binnenlucht woningen met AC daken en/of gevels Binnenlucht woningen met AC daken met inloop via afwateringzone Binnenlucht woningen nabij schuren/stallen met AC daken Binnenlucht in schuren en loodsen
Gesedimenteerd stof Stof van dakspanten
6.4.2
Onderzoeken VITO Metingen op 2 hoog verweerde AC daken: geen asbestvezels aangetroffen 7 woningen met hoog verweerd AC: 1x lage concentratie (100 v/m3) bij inwaai via dakvenster in gesloten zolderkamer
Géén directe inloop situaties bemeten
-
5 loodsen/schuren met hoog verweerd AC: 1x lage concentratie (100 v/m3) bij interne verwering op zolder gebruikt voor opslag, daar ook asbest in het stof aangetroffen (+), 1x lage concentratie (340 v/m3) in loods tijdens saneringswerkzaamheden 11 woningen met hoog verweerde AC daken: 94% -, 3% +/-, 3% + 8 loodsen met hoog verweerde AC daken: 56% -, 17% +/-, 17% +, 10% ++
Onderzoeken TNO 18 locaties met matig-sterk verweerde AC daken: 1x lage concentratie (100 v/m3) 21 woningen met dakgoten, waarvan de route voornamelijk via inloop: 3x lage concentratie (100, 220 en 990 v/m3). De 2 hoogste concentraties bij woningen met sterk verweerd AC golfplaat (Lelystad) 10 woningen met asbestleien daken en gevels zonder dakgoot en inloop via afwateringzone (Nijmegen): verhoogde concentraties (AM 3500, GM 780, range 80 – 27000 v/m3) 9 woningen, afwatering schuren/stallen met en zonder dakgoot, niet in directe inlooproute naar woningen: 1x lage concentratie (80 v/m3) 10 schuren/loodsen met en zonder dakgoten, waarvan 2x met geforceerde luchtventilatie in de binnenruimte: geen asbestvezels aangetroffen
8 woningen en schuren met matig-sterk verweerd asbestcement: 74% -, 26% +/-
Seizoen- en weersinvloeden
Het merendeel van de eerdere onderzoeken (zie Hoofdstuk 3) is uitgevoerd in een droge periode; het gaat hierbij veelal om kortdurende metingen van maximaal 1 dag. Over het algemeen wordt verondersteld dat tijdens droog en zonnig weer de emissie van asbestvezels via luchterosie of resuspensie het hoogst is. Ook zullen éénmaal vrijgekomen vezels zich langer in de lucht begeven en minder snel sedimenteren (door o.a. neerslag en hoge luchtvochtigheid). In dit onderzoek hebben we deze veronderstelling niet kunnen bevestiging, aangezien in géén van de luchtmetingen in de zomer- en winterperiode asbestvezels in de lucht zijn aangetroffen (concentratie < 10 vezels/m3). In de winterperiode zijn ook fijnstofmetingen uitgevoerd die gekoppeld zijn aan windrichting en windsnelheid. Ondanks dat eerder onderzoek (o.a. Cattaneo, 2009) suggereert dat hoge windsnelheden zorgen voor de emissie van asbestvezels vanuit het asbestcement oppervlak, blijkt dit niet uit de fijnstof metingen (Figuur 12 en Bijlage I). Mogelijk heeft dit te maken met de natte omstandigheden in de winter en zouden fijnstofmetingen in de zomerperiode hier meer inzicht in hebben kunnen geven. In de winterperiode zijn windrichting-aangestuurde metingen uitgevoerd waarbij alleen benedenwinds van het asbestcement dak is gemeten. Hierbij worden de hoogste asbestvezelconcentraties in de lucht verwacht.
In de zomerperiode is continu gemeten, maar is bij plaatsing van de meetapparatuur wel rekening gehouden met de dominante windrichting. Toch zal een deel van de tijd lucht worden aangezogen die niet uit de richting van het asbestcement dak
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
78 / 113
komt. Uit de meteo gegevens blijkt dat het grootste deel van de wind (60 – 100%) wel uit de richting van het dak komt. Op de locatie in Loenen is 100% van de tijd de wind richting de meetapparatuur over het asbestcement dak gekomen; voor de andere locaties (Barneveld, Hoevelaken-1, Lelystad1 en Milheeze) was dit meer dan de helft (ca. 50 - 70%) van de tijd. Dit betekent dat de metingen in de zomer een voldoende betrouwbaar beeld geven van de asbestvezelemissie van het asbestcement dak. Op basis van de uitspoeling resultaten blijkt wel een groot verschil tussen de zomer- en winterperiode. In de zomerperiode wordt ca. 10 keer zoveel asbest met het regenwater mee gespoeld dan in de winterperiode. Dit verschil is groter dan verwacht en kan niet éénduidig worden verklaard. Dit kan te maken hebben met de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag of met temperatuurswisselingen. In de winter valt normaal gesproken meer neerslag; als de verweringsnelheid in vergelijking met de zomer gelijk blijft zal er een verdunning van de vezelconcentratie in het regenwater optreden. Daarnaast kunnen korte hevige buien met veel intensiteit (die vooral in de zomer optreden) voor meer uitspoeling zorgen dan lange perioden motregen met weinig intensiteit.
Tijdens de winterperiode zal door (nacht)vorst het water in de cementmatrix bevriezen en uitzetten waardoor de matrix gaat delamineren en asbesthoudende restanten vrijkomen. Deze aantasting zal verergeren naarmate er meer vorst-dooi momenten zijn. In de zomer is deze vorst-dooi aantasting afwezig maar kunnen er wel grote temperatuurverschillen ontstaan in de asbestcement matrix, vooral als overdag de volle zon op het asbestcement dak schijnt. Door het dagelijks uitzetten en weer inkrimpen van de asbestcementplaten kunnen beschadigingen in de matrix ontstaan, zoals putten en scheurtjes, waarbij asbesthoudende restanten vrijkomen. Ook kunnen platen over elkaar schuren met dito effect. Uit onderzoek van VITO (Peters et al., 2016b) blijkt dit effect vooral op te treden bij stalen dakspanten. Op twee van de locaties (Milheeze en Hoevelaken-2) zijn de dakspanten van staal, echter is de uitspoeling van asbesthoudende restanten niet hoger ten opzichte van de overige asbestcementdaken.
6.5
Beoordelingssystematiek verwering asbestdaken
Uit de evaluatie van de diverse beoordelingssystemen van asbestcement daken en gevels (paragraaf 3.5) blijkt dat een eenvoudige beoordeling op basis van visuele inspectie de beste methode is om de mate van verwering op objectieve wijze te kunnen schatten. Het gebruik van meer kwantitatieve methoden biedt nauwelijks extra informatie ten opzichte van een visuele beoordeling in het veld. De meeste beoordelingssystemen maken gebruik van een score-tabel waarbij verschillende indicatoren worden gewogen en een bepaalde puntenscore krijgen toegekend. De optelsom van de puntenscores is een kwalitatieve maat om de conditie en verwering van asbestcement daken en gevels met elkaar te vergelijken en kan als mogelijke opmaak voor prioritering bij toekomstige sanering worden gebruikt. Één van de op visuele inspectie gebaseerde methoden is het in 2016 door TNO ontwikkelde beoordelingssysteem (Tromp, 2016). De methode is gebaseerd op een eenvoudige visuele inspectie in het veld op basis van een reeks indicatoren in combinatie met relevante gegevens van het gebouw, het dak en/of de gevels (Tabel 15). De objectiviteit van de indicatoren kan worden vergroot door middel van duidelijke beschrijvingen en foto’s die als vergelijkingsmateriaal gebruikt kunnen worden. Bij twijfel kan de visuele inspectie worden aangevuld met kleefmonsters.
Uit onderzoek (Peters et al, 2016a) blijkt dat kleefmonsters goed onderscheid kunnen maken in licht verweerde (hechtgebonden) daken en matig-sterk verweerde (niet-hechtgebonden) daken; verdere gradatie in verwering kan op basis van kleefmonsters niet worden afgeleid.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
79 / 113
In de door TNO ontwikkelde methode wordt de puntenscore gecombineerd met de leeftijd van de dak/gevel beplating. Op basis van eerder onderzoek (Peters et al., 2013; Zhang et al., 2016) blijkt de leeftijd de belangrijkste indicator van de conditie van het asbestcement plaatmateriaal. De optelsom van de leeftijd en de puntenscore is de zogenaamde fictieve leeftijd van een asbestcement dak of gevel. Net zoals bij andere beoordelingssystemen kent de fictieve leeftijd geen wetenschappelijk onderbouwde basis, en moet dan ook worden gezien als leidraad. Op basis van de in dit onderzoek beoordeelde daken en gevels geeft de onderstaande koppeling tussen verweringsgraad en puntenscore de beste correlatie: matig verweerd: fictieve leeftijd jonger dan 60 jaar, sterk verweerd: fictieve leeftijd tussen de 60 en 80-90 jaar, ernstig verweerd: fictieve leeftijd ouder dan 80-90 jaar. De bovengenoemde categorie indeling zegt iets over de algehele conditie van het gebouw en het materiaal en de verwering/aantasting van het oppervlak. Echter, de beoordelingssystematiek zegt niets over het actuele en potentiële blootstellingsrisico. Daarom is het belangrijk om ook de verspreidingsroutes, inclusief looproutes naar de woning, en het daarmee gepaard gaande blootstellingsrisico mee te laten wegen bij de beoordeling van de saneringsurgentie.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
80 / 113
7 Conclusie en aanbevelingen Om inzicht te krijgen in de blootstellingsrisico’s voor bewoners en omwonenden is in opdracht van de provincie Overijssel in overleg met het Ministerie van I&W door TNO onderzoek uitgevoerd naar de verspreidings- en blootstellingsroutes van asbest(vezels) die vrijkomen vanuit verwerende asbesthoudende daken van woningen, schuren en stallen. Ten behoeve van het onderzoek zijn representatieve “worst case” meetlocaties geselecteerd waarbij rekening is gehouden met de leeftijd en verweringsgraad van het dak en de aan-/afwezigheid van dakgoten. Doordat klimatologische omstandigheden en typen asbestcement in Nederland vergelijkbaar zijn met die van Vlaanderen (België), is als onderdeel van de literatuurstudie speciaal aandacht gegeven aan de onderzoeken uitgevoerd door het Vlaamse onderzoeksinstituut VITO. De onderzoeksresultaten van TNO en VITO samen geven een representatief beeld van de verwering van asbestcement daken en gevels en de verspreidings- en blootstellingsroutes van asbestvezels. Op basis van de resultaten van het onderzoek, inclusief de uitgevoerde literatuurstudie, worden de volgende conclusies getrokken over de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken, de mate van verspreiding en het risico op blootstelling voor bewoners en omwonenden: