CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL TNO Eindrapport_Verwering_AsbestDaken

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 231. TNO informatie verwering asbestdaken41.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

61 locaties in Soweto (ZuidAfrika) met ernstig toplaag 0-3cm in verweerde AC de afwateringnietgolfplaat van 50 zone; 1 monster Philips et al. jaar oud, waarvan hechtgebonden: per locatie, in (2009) 46 chrysotiel & range 100-1000 totaal 61 crocidoliet, 8 monsters chrysotiel en 7 chrysotiel & amosiet

Respirabele Opmerkingen vezels (mg/kg)

-

ook vijf 4-uurs luchtmetingen uitgevoerd bij geringe activiteiten in afwateringzones van het dak (heen en weer lopen): < 290 v/m³

AM 220.000 v/kg, range 74.0002.100.000 v/kg (inclusief niet respirabele vezels)

in eerder onderzoek zijn bij luchtmetingen geen vezels aangetroffen (< LOD)

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Beschrijving Concentratie monsterneming (mg/kg)

10 locaties in Overijssel en 10 3 trajecten: 02cm, 2-5cm en locaties in 5-10cm op drie Gelderland met afstanden: 0, 50 matig-ernstig Oosterwegel en 100cm van verweerde AC (2014) golfplaat, waarvan dakrand; 2-6 14 met chrysotiel monsters per locatie, in totaal en 6 met 78 monsters chrysotiel & crocidoliet

totaal: AM 180, GM 29, range 06700 niethechtgebonden: AM 160, GM 13, range 0-1650

toplaag 0-2cm in 6 locaties in nietde afwateringVlaanderen met zone; 1 monster hechtgebonden: Peters et al. ernstig verweerde per locatie, in (2015) AM 410, GM 69, AC golfplaat (10totaal 6 range 17-2200 15% chrysotiel) monsters 25 locaties in 3 trajecten in de Overijssel met afwateringzone: matig tot ernstig 0-10cm, 10verweerde AC Öksüztepe 20cm en 20golfplaat, waarvan 30cm; 1-2 (2015) 18 met chrysotiel monsters per en 7 met locatie, in totaal chrysotiel & 36 monsters crocidoliet

Wetterauw (2017)

3 trajecten: 02cm, 2-5cm en 5-10cm op drie 8 locaties in afstanden: 0, 50 Drenthe met en 100cm van verweerde AC dakrand; 12-18 golfplaat, waarvan monsters per 6x chrysotiel en locatie verdeeld 2x chrysotiel en over noord- en crocidoliet zuidzijde dak, in totaal 118 monsters

Abesim (2019)

toplaag 0-10 cm 40 locaties in in de Vlaanderen, afwateringzone, waarvan 34 AC verdeeld over golfplaat, 2 asbest trajecten 0-2, 0daklei en 2 asbest 5 en 0-10 cm; 2gevellei 3 monsters per

totaal: AM 240, GM 48, range 02170 niethechtgebonden: AM 74, GM 24, range 0-540

39 / 113

Respirabele Opmerkingen vezels (mg/kg) verdeling asbest over 3 afstanden van dakrand: 6580% (0cm), 2535% (50cm) en 1AM 7,7, GM 3,2, 3% (100cm), verdeling asbest in range 0-70 0-2, 2-5 en 5-10cm is 45-55%, 40-45% en ca. 10%; kleefmonsters dak vrijwel allemaal ++

-

-

-

verdeling asbest in 0-10, 10-20 en 2030cm is 55-60%, 25-30% en 15-20%

verdeling asbest over 3 afstanden van dakrand: 4050% (0cm), 3040% (50cm) en 15totaal: AM 300, 20% (100cm), GM 230, range 0verdeling asbest in 940 AM 19, GM 9,0, 0-2, 2-5 en 5-10cm nietis 30-35%, 40-45% range 0-160 hechtgebonden: en ca. 20-25%; AM 240, GM 150, verdeling asbest range 0-900 noord- en zuidzijde is ca 55% en ca. 45%; kleefmonsters dak vrijwel allemaal ++ totaal: AM 290, concentraties in GM 61, range 0traject 0-2 cm niet 6400 per definitie hoger nietdan de andere hechtgebonden: trajecten AM 220, GM 25, range 0-6400

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Beschrijving Concentratie monsterneming (mg/kg)

40 / 113

Respirabele Opmerkingen vezels (mg/kg)

locatie, in totaal 113 monsters ook luchtmetingen uitgevoerd bij gesimuleerde activiteiten in de afwateringzone: totaal: AM 5700, lopen, toplaag 0-10cm GM 570, range 02 locaties in in de 31 (bij hoogste spitten/harken, 21.000 Vlaanderen met grasmaaien, afwateringzone; niettotaal Peters et al. verweerde AC opwaaien. Locatie 2 monsters per hechtgebonden: concentratie (2021) golfplaat (10-15% A (42-72 mg/kg): locatie, in totaal AM 5700, GM bepaald) chrysotiel) geen asbest < 500 4 monsters 570, range 42v/m3; locatie B 21.000 (1700-21000 mg/kg): 3x < 500, 1x 180 en 1x 190 v/m³ AM = rekenkundig gemiddelde, GM = geometrisch gemiddelde, range = minimum-maximum

Bij een vergelijking van de resultaten van de diverse bodemonderzoeken valt op dat de door Abesim (2019), Geofox-Lexmond (Oosterwegel, 2014), ACMAA (Öksüztepe, 2015) en Arcadis (Wetterauw, 2017) gevonden asbestconcentraties in de afwateringzone redelijk vergelijkbaar zijn (zie Figuur 6), met rekenkundig gemiddelde concentraties (AM) tussen de 180 en 300 mg/kg voor totaal asbest en tussen de 74 en 240 mg/kg voor niet-hechtgebonden asbest. De asbestconcentraties gevonden door VITO (Peters et al., 2021) en TNO (Tromp, 2002) liggen wel een stuk hoger. Dit komt voor een groot deel doordat in deze onderzoeken een aantal zeer ernstig verweerde asbestdaken zijn meegenomen, wat heeft geresulteerd in enkele hoge uitschieters. Door de eerder lognormale dan normale verdeling van de asbestconcentraties zoals gevonden in deze onderzoeken lijkt een vergelijking op basis van het geometrisch gemiddelde (GM) meer relevant. In dat geval zijn ook de resultaten van VITO (GM: 160 mg/kg) redelijk vergelijkbaar. Door Geofox-Lexmond (Oosterwegel, 2014), Arcadis (Wetterauw, 2017) en VITO (Peters et al., 2021) is ook de respirabele vezelconcentratie (vezels met een lengte < 100 µm) in bodem bepaald. De gemiddelde concentraties aan respirabele vezels in deze studies (8, 19 en 31 mg/kg) zijn redelijk vergelijkbaar.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Figuur 6:

41 / 113

Overzicht van de gemeten asbestconcentraties in de bodem in de afwateringzone onder asbestcementdaken, waarbij de verschillende studies apart zijn weergegeven met behulp van boxwhisker plots. In de legenda staan de onderzoeksbureaus vermeld, inclusief het aantal locaties met asbestcement daken dat in de betreffende studies is onderzocht.

Van de uitgevoerde bodemonderzoeken zijn alle meetresultaten gegroepeerd naar type asbestcement (AC met alleen chrysotiel (CHR) en AC met zowel chrysotiel (CHR) als crocidoliet (CRO)) en verweringsgraad van het asbestcement dak (licht/matig verweerd en ernstig verweerd). In Tabel 7 en Tabel 8 zijn de resultaten hiervan samengevat voor respectievelijk niet-hechtgebonden asbest en respirabel asbest. Wegens het ontbreken van voldoende meetdata kon voor respirabel asbest geen onderscheid worden gemaakt in verweringsgraad. De resultaten zijn weergeven aan de hand van diverse statistische parameters: rekenkundig gemiddelde inclusief standaarddeviatie, geometrisch gemiddelde, mediaan (middelste waarde van de distributie), 75-, 90- en 95percentielen van de distributie en de maximaal gemeten waarde. Voor respirabel asbest is ook het percentage respirabele vezels ten opzichte van de totale asbestconcentratie weergegeven. Uit de gepresenteerde data in Tabel 7 en 8 blijkt dat er geen significant verschil aanwezig is in de asbestconcentraties gevonden onder asbestdaken met alleen chrysotiel en asbestdaken met zowel chrysotiel als crocidoliet. Hierbij moet worden opgemerkt dat het in beide gevallen gaat om nietgewogen concentraties.

Voor niet-hechtgebonden asbest is wel een significant verschil te zien in de asbestconcentraties in de bodem onder licht/matig verweerde en ernstig verweerde daken. Over het algemeen liggen de asbestconcentraties in de bodem onder ernstig verweerde daken een factor 20 hoger dan onder licht-matig verweerde daken.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

42 / 113

Tabel 7: Overzicht van berekende statistische parameters van de verzamelde meetdata van concentraties aan niethechtgebonden asbest (mg/kg) uit diverse bodemonderzoeken in Nederland en Vlaanderen (Tromp, 2002, Oosterwegel, 2014; Peters et al., 2015; Öksüztepe, 2015, Wetterauw, 2017; Abesim, 2019; Peters et al., 2021).

Concentratie niet-hecht gebonden asbest (mg/kg) Aantal metingen

Totaal 150

AC CHR 67

AC CHR/CRO 38

Licht-matig verweerd 59

Sterk verweerd 31

Rekenkundig gemiddelde

400

490

370

87

1220

Standaard deviatie

1890

2580

1120

286

3890

Geometrisch gemiddelde

37

30

63

16

98

Mediaan

37

26

63

14

73

75 percentiel

130

90

260

53

540

90 percentiel

570

730

680

110

2.100

95 percentiel

1.620

1.680

1.860

361

12.400

Maximaal

21.000

21.000

6.700

1.650

21.000

Tabel 8: Overzicht van berekende statistische parameters van de verzamelde meetdata van concentraties aan respirabele asbestvezels (mg/kg) uit diverse bodemonderzoeken in Nederland en Vlaanderen (Oosterwegel, 2014; Wetterauw, 2017; Peters et al., 2021).

Aantal metingen Rekenkundig gemiddelde

Concentratie respirabel asbest (mg/kg) AC AC Totaal CHR CHR/CRO 56 37 19 18

16

20

% respirabel asbest t.o.v. de totale asbestconcentratie AC AC Totaal CHR CHR/CRO 60 36 19 25%

30%

18%

Standaard deviatie

28

28

28

30%

30%

29%

Geometrisch gemiddelde

4,0

4,0

4,2

1,3%

2,6%

0,8%

Mediaan

9,0

9,8

8,2

9%

23%

6%

75 percentiel

23

21

26

50%

50%

24%

90 percentiel

41

37

70

77%

83%

78%

88%

95%

88%

95 percentiel

75

62

106

Maximaal

160

160

106

Over de blootstellingsrisico’s van met asbest verontreinigde afwateringzones is niet veel bekend. In één studie van TNO (Tromp, 2002) zijn luchtmetingen uitgevoerd op en in de buurt van verontreinigde afwateringzones (concentratie range: 20 – 6700 mg/kg) van een oude steenfabriek met een sterk verweerd asbestcement dak. Hierbij is geringe activiteit gesimuleerd door heen en weer te lopen tijdens de bemonstering. Tijdens de vier uur durende metingen is geen asbest in de lucht aangetroffen (<290 vezels/m3). In de studie van VITO (Peters et al., 2021) is op twee locaties meer activiteit gesimuleerd door middel van lopen, spitten/harken, grasmaaien en opwaaien. Op de locatie met een geringe asbestconcentratie in de bodem (42-72 mg/kg) is geen asbest in de lucht aangetroffen (<500 vezels/m3), maar op de ernstig verontreinigde locatie (1.700-21.000 mg/kg) is in twee van de vijf metingen een geringe asbestconcentratie in de lucht aangetroffen (180 en 190 vezels/m3).

3.5

Beoordeling verwering

Er zijn diverse beoordelingsmethoden ontwikkeld om de conditie en verwering van asbestcement daken in kaart te brengen (o.a. Peters et al., 2013; Tromp, 2007; Tromp, 2017; Tempelman, 2011; Campopiano et al., 2009; Kfoury et al., 2019). Meestal gaat het om een visuele beoordeling op basis van bepaalde indicatoren of een combinatie van visuele inspectie aangevuld met kleefmonsters van

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

43 / 113

het AC oppervlak. In 2006 is door TNO in opdracht van de toenmalige VROM Inspectie (huidige Inspectie ILT) een eenvoudige scoringslijst opgezet voor een beoordeling van asbestcementdaken door niet-asbestdeskundigen (Tromp, 2007b). Hierbij zijn een aantal simpele en heldere vuistregels ontwikkeld die een goede indicatie geven van de verweringsgraad van asbestcement plaatmateriaal (zie Tabel 9). Van de genoemde indicatoren is de leeftijd van het asbestcement dak de meest objectieve maat om de conditie van het plaatmateriaal te beoordelen. In het onderzoek van Zhang et al. (2016) wordt aangenomen dat de aantasting en verwering van asbestcement daken lineair verloopt en dat de verweringsnelheid over de jaren constant is. Een coating vertraagt het verweringsproces; op basis van onderzoek van Spurny (1989a, 1989b) blijkt dat gecoate platen in het begin een lagere vezelemissie hebben, maar in de loop van de tijd (ca. 3-5 jaar) verweert deze coating en neemt de vezelemissie weer toe. Het gebruik van het gebouw is vooral belangrijk in de functie van een stal of als mestopslag. Hierbij komen ammoniakdampen vrij die reageren met cement in de dakplaten. De conditie van het plaatmateriaal, zoals gaten, afgebrokkelde randen, scheurvorming, roestende bevestigingsbouten, is een goede maat om de veroudering van de interne matrix structuur van dakplaten te beoordelen.

Door verwering zal ook het asbestcementoppervlak steeds verder corroderen en zal het cement steeds verder uitlogen. Dit kenmerkt zich door uiterlijke kenmerken zoals een verruwing van het oppervlak en het feit dat de asbestvezels niet meer goed zijn ingesloten in de cementmatrix waardoor ze deels vrij komen te liggen aan het oppervlak. Ook delaminatie (loskomen van flinters en schilfers) van het plaatmateriaal is een effect van voortschrijdende aantasting. Door verweringsverschijnselen zullen na verloop van tijd korstmossen op het oppervlak groeien. Deze mossen produceren zuren waardoor het verweringsproces wordt versneld. De aantasting van het oppervlak is vaak lastig te beoordelen, daarom wordt ook de inspectie van dakgoten of afwateringzone meegenomen in de beoordeling, hoe meer asbesthoudende restanten zichtbaar hoe meer het cementoppervlak is aangetast. Een aantal mogelijke indicatoren, zoals oriëntatie en hellingshoek van het dak, is toentertijd niet meegenomen, omdat er geen inzicht was in het effect van deze indicatoren op het verweringsproces. Om dezelfde reden zijn ook aanvullende materiaaltesten, zoals het loskrabben van schilfers, het meten van de ruwheid van de platen en een plakbandtest niet meegenomen. Voor al deze testen ontbraken toen voldoende validatiegegevens.

Tabel 9: TNO-methode voor de beoordeling van de verweringsgraad van asbestcement daken (Tromp, 2007b).

Indicator Leeftijd materiaal Type plaat Gebruik Conditie materiaal

Conditie oppervlak

Criteria > 40 jaar (10) / 30-40 jaar (5) / 20-30 jaar (0) ongecoat (5) / gecoat (0) Stal of mestopslag (10) / opslag, stalling, schuur, garage (0) volledig intact (0) / enkele beschadigingen - gaten, afgebrokkelde randen (2) / veel beschadigingen - gaten, afgebrokkelde randen (5) geen vezelstructuren zichtbaar (0) / enkele vezelstructuren zichtbaar (2) / veel vezelstructuren zichtbaar (5) / mosgroei (2) geen asbestverdachte restanten - flinters, vezels (0) / wel asbestverdachte restanten - flinters, vezels (5)

Inspectie dakgoten of onderliggende bodem Beoordeling verwering > 20: saneren 10-20: beoordeling gebruiksrisico / herbeoordeling o.b.v. kleeftest / uitloogtest < 10: periodieke herbeoordeling

De bovenstaande methodiek is in 2010 en 2016 doorontwikkeld tot de uiteindelijke beoordelingsmethode zoals die is samengevat in Tabel 15 (paragraaf 4.2). Hierbij zijn extra

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

44 / 113

indicatoren: ventilatie en dakhelling toegevoegd. De hellingshoek bepaalt in hoeverre weersinvloeden effect hebben op de verwering van het dakoppervlak. Hoe lager de hellingshoek hoe groter de kracht op het oppervlak door neerslag en hoe groter de doordringdiepte van vocht in de cementbeplating. Daarnaast zullen de daken langer vochtig blijven, vooral als platen al ruw zijn door verweringsprocessen en/of mosgroei aanwezig is. Ventilatie binnen een gebouw zorgt ervoor dat er geen condensvorming ontstaat aan het binnenoppervlak van het plaatmateriaal en dat eventueel vrijgekomen schadelijke dampen zoals ammoniak snel worden afgevoerd. Ventilatie is vooral relevant voor stallen met dieren en mestopslag. De oriëntatie van het dak heeft een beperkte invloed op de veroudering en verwering van gevelbeplating. Voor dakbeplating waar de hellingshoek van het dak dermate laag is (in de regel <30°) blijkt dat er weinig verschil is tussen een loef-, luw-, zon- en regenzijde. Dit blijkt ook uit een bodemonderzoek van Arcadis (Wetterauw, 2017) waar zowel de afwateringszone aan de noordzijde en zuidzijde zijn bemonsterd (zie tevens Tabel 6, paragraaf 3.4). De concentraties aan asbest in de afwateringszone lagen aan de noordzijde gemiddeld ca. 20% hoger dan aan de zuidzijde, maar het verschil was statistisch niet significant. Campopiano et al.

(2009) hebben in 2008 diverse evaluatiemethoden van verwering van asbestcement daken met elkaar vergeleken aan de hand van 40 daken in Italië; het betrof twee visuele beoordelingsmethoden (algoritme A en B), een plakband-/kleeftest conform de Italiaanse Standaard UNI 10608 (1997) en een visuele inspectie van het asbestcementoppervlak met een stereomicroscoop. In Tabel 10 staan de indicatoren en gebruikte criteria vermeld van beide visuele beoordelingsmethoden. De plakbandtest bestaat uit het strippen van een droog cementoppervlak met plakband cq. tape (minimaal 48 uur geen regen). De massa aan restanten op het plakband, in microgrammen per cm2 oppervlak, is een maat voor de verweringsgraad van het asbestcement plaatmateriaal. Kfoury et al. (2019) hebben in 2018 dezelfde evaluatiemethoden gebruikt om de conditie van 46 asbestcement daken in Libanon in kaart te brengen. Tabel 10: Twee methoden (algoritmen A en B) voor de beoordeling van de verweringsgraad van asbestcement daken (Campopiano et al., 2009).

Indicator Beoordelingssystematiek A: Binding vezels in cementmatrix (inspectie met blote oog) Aanwezigheid scheuren Brosheid asbestcement Vrijkomen deeltjes Leeftijd dak Type(n) asbest Beoordelingssystematiek B: Brosheid asbestcement

Criteria goed / vezels deels los van de matrix / vezels makkelijk met pincet te verwijderen geen, enkele, veel de hoeken/randen: breken moeilijk met scherp geluid / breken makkelijk met dof geluid bij het wrijven met een latex handschoen komen geen / wel deeltjes vrij <10 jaar / 11 - 30 jaar / > 30 jaar alleen chrysotiel / ook amfibool hoeken/randen moeilijk met tang te breken met scherp geluid / met tang te breken/buigen met enige delaminatie / met de hand te breken/buigen en veel delaminatie goede binding in de matrix / vezels deels los van de matrix / vezels makkelijk met pincet te verwijderen geen / enkele / veel geen / weinig / substantieel geen / weinig / substantieel

Binding vezels in cementmatrix (inspectie met vergrootglas) Aanwezigheid scheuren/delaminatie Niet-hechtgebonden materiaal in dakgoot Vorming 'stalactieten' aan dakranden Beoordeling verwering : zeer slecht (saneren) / slecht (inkapselen met coating) / redelijk (geen actie)

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

45 / 113

Uit de resultaten van de onderzoeken van Campopiano et al. (2009) en Kfoury et al. (2019) blijkt dat de twee visuele beoordelingsmethoden redelijk vergelijkbaar zijn. Algoritme A vertoont een sterkere correlatie met de kleeftest en algoritme B juist met de microscopische inspectie, echter de correlaties blijven over het algemeen laag (R2 ≤ 0,3). Verder blijkt dat géén van de methoden op zichzelf een goede voorspelling geeft van de veroudering en verwering van een asbestcement dak. Wel blijkt dat met de combinatie van visuele inspectie en een plakbandtest een betrouwbare beoordeling mogelijk is. Echter, géén van de methoden is volledig objectief en is afhankelijk van de expertise en bekwaamheid van de inspecteur cq analist. Dit laatste verklaart mogelijk ook de verschillen in resultaten van Campopiano et al. (2009) en Kfoury et al. (2019). Campiano et al. (2009) hebben vergelijkbare resultaten voor de visuele beoordelingsmethoden en de kleeftest methode, terwijl in de studie van Kfoury et al. (2019) de resultaten op basis van de kleeftest methode substantieel hoger uitvallen.

In het onderzoek van VITO naar de vrijstelling en verspreiding van vezels vanuit verweerde asbesthoudende dak- en gevelbekleding is een beoordelingsystematiek gebuikt op basis van visuele inspectie en relevante gegevens met betrekking tot de locatie en de toepassing (zie Tabel 11) in combinatie met een kleeftest van het asbestcement oppervlak (Peters et al., 2013). In het rapport staat vermeld dat de toekenning van de verweringsgraad subjectief gebeurde door de onderzoeker op basis van de beoordeelde criteria. Ook wordt gemeld dat soms de verweringsverschijnselen niet homogeen zijn, wat een representatieve inschatting bemoeilijkt. Tabel 11: VITO-methode voor de beoordeling van de verweringsgraad van asbestcement daken (Peters et al., 2013).

Indicator Visuele inspectie (zonder vergrootglas): Status cementmatrix Aanwezigheid barsten Aanwezigheid losse asbestbundels Aanwezigheid coating Gegevens locatie en toepassing: Orientatie dak/gevel Schaduw door bomen Hellingshoek Ouderdom materiaal Ouderdom coating (Hogedruk) reiniging toegepast Toepassing stallen Beoordeling verwering: zeer hoog / hoog / laag

Criteria zeer goed / goed / slecht / zeer slecht nee / ja nee / ja nee / ja - volledig / ja - deels verweerd windrichting nee / ja 0 - 90° jaren jaren nee / ja nee / ja

De kleefmonsters werden in drievoud met dubbelzijdig koolstoftape op willekeurige plekken van het asbestcement dak genomen, waarbij drie maal over de tape wordt gewreven, voordat de tape wordt losgetrokken. De analyse van de hoeveelheid asbestvezels en bundels is grotendeels gebaseerd op de NEN 2991+C1. Hierbij wordt bij een vergroting van 600x ten minste 14 mm2 van het kleefmonster afgezocht met SEM-EDX. De resultaten zijn weergegeven als concentraties (vezels/cm2) en in klassen ++ (>1000 v/cm2), + (100-1000 v/cm2), +/- (10-100 v/cm2) en – ( 10 v/cm2). De gemiddelde standaardafwijking in de vezelconcentratie van de 26 triplo kleefmonsters is 70%. Echter, bij een vergelijking van de klasse-indeling van drie individuele kleefmonsters blijkt dat voor de locaties met AC golfplaat, de locaties met asbestlei en alle locaties samen, respectievelijk 91%, 75% en 81% van de triplo-metingen in dezelfde klasse vallen. In de onderzoeken van Arcadis (Wetterauw, 2017) en Geofox-Lexmond (Oosterwegel, 2014) zijn op een vergelijkbare manier kleefmonsters genomen. In Tabel 12 zijn de resultaten van VITO (26 locaties), Geofox-Lexmond (8 locaties) en Arcadis (8 locaties) samengevat.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

46 / 113

Bij vergelijking van de resultaten van de visuele inspectie met individuele kleefmonsters blijkt dat ca. 40% van de kleefmonsters in dezelfde klasse terechtkomt als de visuele inspectie en ca. 60% van de kleefmonsters hoger uitkomt. De ernstig verweerde en nauwelijks/licht verweerde daken worden op basis van de visuele inspectie en kleefmonstertest veelal in dezelfde categorie geplaatst; voor de matig-redelijk (hoog) verweerde asbestdaken is het resultaat van de kleefmonstertest vaak (ca. 80%) één klasse hoger dan op basis van de visuele inspectie is beoordeeld. Samenvattend wordt een asbestdak met de kleefmonstertest iets slechter beoordeeld dan met de visuele inspectie. Tabel 12: Resultaten van de individuele kleefmonsters van asbestdaken ten opzichte van de verweringsgraad op basis van visuele beoordeling, uitgevoerd door VITO (26 locaties), Arcadis (8 locaties) en GeofoxLexmond (8 locaties).

Klasse kleeftest asbestdak (vezels/cm2)

visuele beoordeling asbestcement daken en gevels zeer hoog (++)

hoog (+)

laag (+/-)

golf plaat

dak lei

gevel lei

totaal

golf plaat

dak lei

gevel lei

totaal

golf plaat

dak lei

gevel lei

totaal

metingen

18

6

-

24

25

9

9

43

3

15

3

21

0 (-)

0%

0%

-

0%

0%

11%

0%

2%

0%

80%

100%

71%

1-100 (+/-)

0%

0%

-

0%

0%

0%

0%

0%

0%

7%

0%

5%

101-500 (+)

11%

17%

-

13%

12%

22%

33%

19%

100%

13%

0%

24%

>500 (++)

89%

83%

-

88%

88%

67%

67%

79%

0%

0%

0%

0%

De resultaten van het onderzoek van VITO (Peters et al., 2013) zijn gebruikt voor het ontwikkelen van een kleefmonstertest voor de evaluatie van de hechtgebondenheid van asbesthoudende materialen (Peters et al., 2016a). Hierin wordt geen onderscheid meer gemaakt in de klassen ‘zeer hoog’ en ‘hoog’; bij minder dan 100 asbeststructuren per cm2 (klassen +/- en -) wordt de verweringsgraad als laag beoordeeld en bij meer dan 100 asbeststructuren per cm2 (klassen + en ++) wordt de verweringsgraad als hoog beoordeeld. Bij een vergelijking van de resultaten zoals weergegeven in Tabel 12 met slechts twee klassen (hoog en laag) in plaats van drie klassen blijkt dat ca. 90% van de onderzochte asbestdaken met een visuele inspectie en kleefmonstertest in dezelfde klasse terechtkomt (resultaten niet apart weergegeven). In het onderzoek van VITO (Peters et al., 2016) is tevens is de invloed van het vochtgehalte van het asbestcement materiaal op het resultaat van de kleeftest onderzocht. Bij de kleeftest op vier veldvochtige, droge en waterverzadigde materialen waren de resultaten als volgt: veldvochtig: ++(n=3) / +(n=1), droog: ++(n=2) / +(n=1) / +/-(n=1), waterverzadigd ++ (n=1) / +(n=1) / +/-(n=2). Hieruit blijkt dat het vochtgehalte een gering effect heeft op de kleefmonstertest, bij extreme vochtgehalten zal de kleeftest minder representatief zijn.

Het verschil tussen veldvochtige en droge monsters is minimaal en heeft waarschijnlijk ook te maken met de totale reproduceerbaarheid van de methode (afhankelijk van de specifieke plek van monstername). Bij een vergelijking van de resultaten van de visuele inspectie en de kleefmonstertest (vezelstructuren/cm2 en klasse-indeling) met de leeftijd van het asbestcement dak blijken deze in alle gevallen matig gecorreleerd te zijn (zie Figuur 7). In algemene zin kan wel worden gesteld dat met de kleefmonstertest een hogere score wordt behaald dan met de visuele inspectie en dat de verwering toeneemt met de leeftijd van het dak. Echter, in tegenstelling tot het onderzoek van Zhang et al. (2016) blijkt dat de verwering van asbestcement daken niet geheel lineair verloopt. Het onderzoek van Zhang et al. (2016) en VITO (Peters et al., 2013) zijn wel gebaseerd op verschillende principes. Zhang et al. (2016) hebben de afname van de dikte van het plaatmateriaal onderzocht, terwijl VITO vooral de aantasting aan het oppervlak heeft onderzocht. Wel dient opgemerkt te worden dat de door Zhang et al. (2016) berekende lineaire correlatie mede wordt veroorzaakt

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

47 / 113

doordat de correlatielijn ‘geforceerd’ wordt door het 0-punt (zie Figuur 4, paragraaf 3.2). Als de correlatie alleen op de meetpunten gebaseerd wordt is een meer logaritmisch verband te zien.

Figuur 7: Resultaten van de individuele kleefmonsters van asbestdaken ten opzichte van de verweringsgraad op basis van visuele beoordeling, uitgevoerd door VITO (26 locaties), Arcadis (8 locaties) en Geofox-Lexmond (8 locaties).

Bij vergelijking van de asbestconcentratie in slib uit dakgoten en de klasse-indeling op basis van visuele beoordeling en kleeftesten (Peters et al., 2015) blijkt dat de resultaten van de kleeftesten iets beter overeenkomen met de asbestconcentraties in slib uit dakgoten (zie Tabel 13). Als voor zowel de visuele inspectie als de kleefmonsters voor iedere klasse de gemiddelde asbestconcentratie in slib wordt berekend (onderaan Tabel 13) is te zien dat met beide beoordelingstechnieken de licht/matig verweerde daken (klasse: laag) goed kunnen worden onderscheiden van de ernstig verweerde daken (klasse: hoog en zeer hoog). Tabel 13: Vergelijk van categorie indeling op basis van visuele beoordeling en kleeftesten en de resultaten van de slibmonsters uit dakgoten, afkomstig van het onderzoek in 2015 uitgevoerd door VITO (Peters et al., 2015).

Type asbestdak

Beoordeling asbestdak

Asbestconcentratie in slib

Visuele inspectie

kleeftest

dakgoot (mg/kg)

3mnd (mg/kg)

++ ++ ++ ++ + ++ ++ ++ +/++ +/++

13000 3,6 17000 120 430 780 43 3900 14 42 310 280 Visueel: 4500 3700 160

74 12

zeer hoog Hoog Asbestcement Hoog golfplaat zeer hoog Laag Hoog Hoog Hoog Laag Asbest daklei Laag zeer hoog Hoog Klasse-indeling: zeer hoog Hoog Laag

++ + +/-

52 630

Kleeftest: 5000 340 28

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

48 / 113

4 Uitvoering en methoden 4.1

Selectie meetlocaties

Voorafgaand aan het uitvoeren van de metingen zijn representatieve locaties geselecteerd, op basis van de overeengekomen criteria in de meetstrategie (paragraaf 2.2.3). Doelstelling is een representatieve steekproef van de locaties met asbestcement golfplaten daken en asbestleien daken die in Nederland voorkomen. Voor de verweringsgraad van het asbestcement is gestreefd naar een realistisch “worst-case” scenario, wat betekent dat bij de selectie een groter aandeel aan verweerde en sterk verweerde daken is meegenomen. Naast verwering is voor de asbestdaken onderscheid gemaakt in leeftijd en typen asbest (met of zonder crocidoliet). Voor de keuze van de schuren/loodsen en stallen zijn alleen locaties geselecteerd met het woonhuis dicht op de schuren/loodsen en stallen waarvan een groot deel zonder dakgoten of kapotte dakgoten. Hierdoor kan de verspreiding van asbest via ‘inloop’ als blootstellingsroute worden meegenomen. Er zijn in totaal zeven meetlocaties geselecteerd zoals weergegeven in Figuur 8 en Tabel 14. Er kon geen locatie worden gevonden met sterk verweerde asbestleien daken. In afwijking op de meetstrategie (paragraaf 2.2.3) is daarom een extra locatie in Lelystad geselecteerd (Lelystad-2). Daarnaast bleek de leeftijd van het dak niet altijd een goede indicator voor de verweringsgraad.

Dit blijkt uit de locaties Barneveld en Milheeze, waarbij de jongere asbestcement daken in Barneveld meer verweerd zijn dan de oudere daken in Milheeze. Op de locaties ‘Loenen’ en ‘Hoevelaken-1’ heeft zowel in de zomerperiode als in de herfst/winterperiode veldonderzoek plaatsgevonden. Locaties ‘Barneveld’, ‘Milheeze’ en ‘Lelystad-1’ zijn onderzocht in de zomerperiode en locaties ‘Hoevelaken-2’ en ‘Lelystad-2’ in de herfst/winterperiode. De geselecteerde locaties bevinden zich in de provincies Flevoland, Gelderland en Noord-Brabant. In totaal zijn drie locaties deels voorzien van asbestcement daken met chrysotiel en crocidoliet (Hoevelaken-1, Hoevelaken-2 en Loenen). De meeste asbestcement dak- en gevelplaten zijn uit 1970-1985 en hebben een leeftijd tussen de 36 en 51 jaar. Alleen de locatie Hoevelaken-1 heeft oudere dakplaten (54 en 64 jaar). Op twee locaties (Hoevelaken-1 en Loenen) is geen dakgoot aanwezig. In Bijlage I: Beschrijving meetlocaties zijn de meetlocaties in detail beschreven.

Figuur 8:

De zeven geselecteerde meetlocaties voor het onderzoek naar de verspreidingsroutes en blootstellingsroutes van asbest(vezels) vanuit asbesthoudende daken.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

49 / 113

Tabel 14: Overzicht geselecteerde meetlocaties

Materiaal Verwering Leeftijd Type(n) Beschrijving (jaar) asbest* object

Hoevelaken (1)

CHR

Voormalige veeschuur uit 1967, nu opslag; 405 m², hellingshoek ~20º, dakgoot op diverse plekken kapot. Voormalige kippenschuur uit 1972, 115 m², hellingshoek ~25º, geen dakgoot, agrarisch gebied

CHR + CRO

Drie schuren uit ca. 1970: voormalige varkensschuur, nu loods, 140 m², hellingshoek ~45º, geen Loenen dakgoot; kapschuur en schuur voor opslag, beide 100 m², hellingshoek ~20º, geen dakgoten. Agrarisch gebied (op rand bebouwde kom)

CHR

Drie geschakelde kalverstallen uit 1980-1985, 1200 m², binnenzijde hardschuim platen, hellingshoek ~30º, dakgoot op enkele plekken kapot, agrarisch gebied (1 km van bebouwde omgeving)

CHR

Twee aparte stallen met AC daken uit 1976: 1 varkensstal, 1200 m² en 1 koeienstal met opslag, 1200 m², Milheeze hellingshoek ~20º, stalen dakspanten, dakgoot intact, agrarisch gebied

CHR + CRO

Voormalige varkensschuur uit 1975, nu loods, 1200 m², binnenzijde hardschuim platen, stalen dakspanten, hellingshoek ~30º, dakgoot intact, agrarisch gebied

CHR

Kalverenschuur uit 1985, 1500 m², hellingshoek ~30º, binnenzijde hardschuim platen, stalen dakspanten, dakgoot intact, agrarisch gebied

CHR

Woningen uit 1980-1982 met Lelystad (1) asbestleien gevel/dakpanelen, hellingshoek ~80º, grotendeels dakgoot aanwezig, in woonwijk ca. 50% asbestleien daken, rest is reeds gesaneerd, bebouwde omgeving

45-60

Matig verweerd

30-45

Daklei

Hoevelaken (1)

Voormalige kippenschuur uit 1957, nu opslag, 163 m², hellingshoek ~10º, geen dakgoot, agrarisch gebied

Sterk verweerd

30-45

Locatie periode 2

CHR + CRO

45-60

Golfplaat

Locatie periode 1

* CHR = chrysotiel, CRO = crocidoliet

Loenen

Barneveld

Hoevelaken (2)

Lelystad (2)

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

4.2

50 / 113

Beoordeling dak

De AC daken zijn in detail beoordeeld op basis van een visuele inspectie in combinatie met kleefmonsters van het dakoppervlak. Voor de visuele inspectie is gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek AC daken, zoals weergegeven in Tabel 15 (Tromp, 2017). Tabel 15: Beoordelingssystematiek AC daken

Indicator

Beoordeling

oorspronkelijk ongecoat Type plaat oorspronkelijk gecoat Oorspronkelijk schuur voor dieren (varkens, kippen ect.) en huidig Mestopslag gebruik goederenopslag, garage, woning of stalling goed geventileerd en geen condensvorming, vochtsporen en/of zwartkleuring aan binnenzijde Ventilatie niet of slecht geventileerd en/of condensvorming, vochtsporen en/of zwartkleuring aan binnenzijde dakhelling > 300 Dakhelling dakhelling 15-300 dakhelling < 150 dak goed gemonteerd dak en in goede staat: - weinig beschadigingen (alleen enkele afgebroken stukjes) - vrijwel alle bouten intact en volgringen niet versleten - geen verzakkingen in het dakoppervlak en gordingen in goed staat dak goed gemonteerd en in redelijke staat: - meerdere beschadigingen (afgebroken stukken, beginnende scheuren) - bevestigingsbouten deels verdwenen, los of weggeroest Conditie - lichte verzakking(en) in de dakopbouw en gordingen licht aangetast materiaal en dak in slechte staat: montage - slecht gemonteerd dak en/of slecht uitgevoerde reparaties - veel beschadigingen (breuk, scheuren, gaten, afgebrokkelde randen) - veel bouten los of weggeroest waardoor dakplaten losliggen - verzakking(en) in de dakopbouw en gording aangetast/verzakt - de interne cementstructuur is aangetast door het water dak zeer ernstig beschadigd, waardoor functionaliteit van het dak voor groot deel is verdwenen nauwelijks/licht aangetast

oppervlak: - relatief egaal/glad oppervlak vrijwel zonder ruwe plekken en putten - de vezels zitten nog goed ingesloten in de matrix - geen delaminatie (loszittende schilfers/laagjes) zichtbaar aan het oppervlak en aan de randen - nauwelijks vezelrestanten en flinters in dakgoten en/of op de bodem matig/redelijk aangetast oppervlak: - enigszins of plaatselijke verruwing van het oppervlak met putten 3 - de vezels zijn deels los aan het oppervlak zichtbaar en in niet meer goed Conditie ingesloten in de matrix 2 oppervlak - delaminatie (loszittende schilfers/laagjes) zichtbaar aan het oppervlak en aan de randen - vezelrestanten en flinters in dakgoten en/of op de bodem behoorlijk/ernstig aangetast oppervlak: - verruwing van vrijwel het gehele oppervlak met veel putten - de vezels zijn voor een groot deel niet meer ingesloten in de matrix - voortschrijdende delaminatie waarbij flinters en schilfers loskomen uit het oppervlak en aan de randen - veel vezelrestanten en flinters in dakgoten en/of op de bodem geen of nauwelijks mosgroei aanwezig lichte/redelijke mosgroei aanwezig veel/zware mosgroei aanwezig (op grote delen volledig dekkend ‘vlakvol) TOTAALSCORE = LEEFTIJD DAK + PUNTEN Mosgroei

Punten 5 0 8 8 0 0 2 0 2 5 0

3

7

10

0

3

7

0 2 5

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

51 / 113

De punten zijn extra jaren die bij de leeftijd van het AC dak moeten worden opgeteld, dit bepaald de “fysieke” ouderdom van het dak en kan gebruikt worden voor o.a. het stellen van saneringsprioriteiten. Bij een “fysieke” ouderdom van meer dan ca. 60 jaar wordt de algehele conditie van het dak als slecht beoordeeld.

4.3

Monsterneming

4.3.1

Luchtmetingen

Zowel in de zomer als in de herfst/winterperiode zijn luchtmetingen uitgevoerd in woningen, in schuren/loodsen en in de buitenlucht dichtbij asbestcement daken: 

In de zomerperiode (1e meetperiode) is de buitenlucht bemonsterd met behulp van parallelle continue metingen met een meetduur van ca. 4 weken. Daartoe is lucht aangezogen over 0,4 μm Nuclepore nikkelgecoate 47 mm filters met een debiet van ca. 3 L/min en over 0,8 μm Nuclepore goudgecoate 25 mm filters met een debiet van ca. 1 L/min. Een representatieve opstelling is weergegeven in Figuur 9 (links). De opstellingen zijn geplaatst dichtbij en/of vlak boven het asbesthoudende dak. De meetopstellingen in de buitenlucht zijn op strategische plaatsen gepositioneerd waarbij de hoogste vezelconcentraties werd verwacht, rekening houdend met de positie van het asbesthoudende dak, de dominante windrichting en specifieke kennis over de verspreiding van stoffen vanaf een dakoppervlak. Concreet betekent dit dat de meetopstellingen zoveel mogelijk aan de noordoost zijde van het dak en in de lijwervel van het gebouw zijn geplaatst. Een lijwervel ontstaat aan de lijzijde van een gebouw als gevolg van invloed van het gebouw op de vrije stroming van wind. Er ontstaat daarbij een gebied achter het gebouw waar de windsnelheid is verminderd, waardoor het verdunningseffect beperkt is. De lijwervel is afhankelijk van de hoogte en breedte van het gebouw en is maximaal 7 x de dakhoogte (zie paragraaf 6.1) (Duyzer et al., 2004).

In de woningen is lucht bemonsterd via enkelvoudige continue metingen, gedurende ca. 1 - 2 weken. Daartoe is lucht aangezogen met een debiet van ca. 1 L/min over een goudgecoat Nuclepore filter met 0,8 μm poriediameter. Hiervoor zijn kleine PAS-pompjes gebruikt die in een geluidsarme box zijn geplaatst om bewoners zo weinig mogelijk overlast te bezorgen (Figuur 9 (midden)). De opstellingen zijn zoveel mogelijk geplaatst in de ruimte waar de bewoners zich het meest bevinden (woonkamer, keuken) op een hoogte van ca 1,5 meter (ademhoogte).

In schuren/loodsen en stallen is lucht bemonsterd via enkelvoudige continue metingen, gedurende ca. 4 weken, in schuren, stallen en loodsen. Lucht is aangezogen met een debiet van ca. 1 L/min over 0,8 μm Nuclepore goudgecoate filters. De opstelling met de pompen is geplaatst in het midden van de schuur, stal of loods, op 1,5 m hoogte en minimaal 2 meter afstand van grote objecten. Op meetlocatie Hoevelaken-1 is in de tweede periode een ‘worstcase’ situatie gesimuleerd door gedurende de gehele meetperiode in de schuur ook twee ventilatoren te plaatsen, waardoor (historisch) stof in de lucht wordt gebracht. De opstelling in de schuur op meetlocatie Hoevelaken-1 is weergegeven in Figuur 9 (rechts).

In de herfst/winterperiode (2e meetperiode) zijn in de buitenlucht windrichting-aangestuurde metingen uitgevoerd. Deze metingen bestonden uit twee parallelle metingen beneden- en bovenwinds van het asbestcement dak, waarbij lucht is aangezogen met een debiet van 4 en 8 L/min over 25 mm goudgecoate Nuclepore filters met 0,8 μm poriediameter. De pompen zijn hierbij aangestuurd op basis van windsnelheids- en windrichtinggegevens vanuit het ingerichte meteostation op het bovenwindse meetpunt. Alleen als de wind over het asbestcement dak richting het benedenwindse meetpunt waaide is lucht bemonsterd. De windrichtingaangestuurde metingen (360° metingen) hebben 4 - 6 weken geduurd met een effectieve

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

52 / 113

meetduur van minimaal 1 week. In Figuur 10 is de opstelling op de locatie Loenen weergegeven. De benedenwindse (Figuur 10; rechts) en bovenwindse opstellingen (Figuur 10; links) zijn geplaatst aan weerszijden van het dak op ca. 10 meter afstand en 1,5-2 meter hoogte. Naast de bovenwindse opstelling is de meetmast voor de meteodata geplaatst. Het meteostation is op een hoogte van 8 – 10 meter geplaatst. Tegelijkertijd met de windrichting-aangestuurde filtermetingen zijn gedurende een periode van 2 – 4 weken ‘real time’ stofmetingen uitgevoerd met stofmonitoren van het type GRIMM - Environmental Dust Monitor (Model 180). De stofmonitoren zijn naast de benedenwindse en bovenwindse filtermetingen geplaatst (Figuur 10). Met de GRIMM EDM-180 wordt continue stof gemeten in verschillende grootteklassen (0,25 – 32 µm).

Figuur 9: Representatieve opstelling continue luchtmetingen (links) buiten meetlocatie Barneveld, (midden) binnenhuis locatie Lelystad-1 en (rechts) binnen in schuur locatie Hoevelaken-1.

Figuur 10: Representatieve opstelling windrichting-aangestuurde luchtmetingen (links) benedenwinds met een Dust Monitor in de metalen box en (recht) bovenwindse opstelling op meetlocatie Loenen.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

53 / 113

4.3.2 Regenwater en slib Gedurende een periode van 2-3 maanden is regenwater en slib bemonsterd met behulp van een door TNO ontwikkeld regenwater opvangsysteem. In Figuur 11 is het systeem zoals geplaatst in Hoevelaken-2 weergegeven. Het regenwater is onder aan de dakrand opgevangen met behulp van een goot met een lengte van 1 meter, waaraan een flexibele slang is bevestigd die uitmond in een regenton. Aan de bovenzijde van de regenton zijn twee gestapelde zeven met maaswijdte van 4 mm en 0,2 mm geplaatst voor het afvangen van eventuele bladeren en de slibfractie. In de regenton, net onder de zeven, is een overloop geplaatst om het teveel aan water af te voeren. Na de meetperiode is het slib uit de twee zeven kwantitatief overgebracht in een monsterpot. Het regenwater dat in de regentonnen is opgevangen is na homogeniseren bemonsterd in 10L jerrycans.

Figuur 11: Regenwateropvangsysteem op meetlocatie Hoevelaken-2

4.3.3

Kleefmonsters en gesedimenteerd stof

Kleefmonsters zijn op twee representatieve plekken van het dak genomen met dubbelklevend koolstoftape conform het protocol dat is opgesteld door VITO (Peters et al., 2016a). Gesedimenteerd stof is bemonsterd in woningen en enkele schuren/loodsen conform de methodiek in NEN 2991. Hierbij is stof bemonsterd vanaf plekken waar makkelijk stof sedimenteerd en die vrijwel nooit worden schoongemaakt. In woningen is op kasten bemonsterd en in schuren/loodsen op draagbalken. Per ruimte zijn 2 stofmonsters verzameld.

4.3.4 Meetperioden De monsterneming is uitgevoerd gedurende de zomerperiode (16 juli 2021 t/m 13 oktober 2021) en de winterperiode (2 november 2021 t/m 3 maart 2022). Op vijf locaties is in de zomerperiode bemonsterd en op vier locaties in de winterperiode. In Tabel 16 zijn per locatie de gegevens weergegeven van de geanalyseerde monsters. In Tabel 17 zijn de meteogegevens weergegeven tijdens de meetcampagnes in de buitenlucht. In Bijlage I: Beschrijving meetlocaties zijn per meetlocatie de daggemiddelde meteogegevens (neerslag, windrichting en windsnelheid) weergegeven. Het opgevangen volume regenwater is bepaald op basis van de neerslaggegevens van de dichtstbijzijnde neerslagstations. Voor locaties Barneveld en Lelystad zijn de

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

54 / 113

neerslagstations gebruikt in dezelfde plaatsen. Voor de locaties in Hoevelaken is de gemiddelde neerslag berekend op basis van de stations Nijkerk, Soest en Barneveld. Voor de locatie Loenen is de gemiddelde neerslag berekend op basis van stations Eerbeek en Beekbergen en de locatie Milheeze is gebaseerd op de stations Deurne, Helmond en Gemert. Tabel 16: Monsterneming gegevens van de geanalyseerde monsters bemonsterd op de meetlocaties.

Locatie

Periode

Type meting

Start meting

Eind meting

Woning - 5mtr van stal met AC dak – in de woonkamer

datum tijd 04-0814:17 2021 17-0816:15 2021

datum 27-082021 27-082021

Stal met AC dak

Door teveel stof in de stal was geen meting mogelijk

Beschrijving locatie Buiten – dakrand noordzijde

Lucht Barneveld

Zomer Slib + water

Zomer

Hoevelaken (1)

Winter

Hoevelaken Winter (2)

Lelystad (1)

Lelystad (2)

Zomer

Winter

Onder dakrand van stal met AC dak aan noordoostzijde Buiten – op binnenplaats tussen diverse schuren met AC daken op 3 – 8mtr Woning – in woonkamer (op 10 Lucht – 20mtr van meerdere schuren met AC daken) Schuur met AC dak – midden in schuur aan oostzijde Slib + Onder dakrand van schuur met water AC dak aan zuidzijde Bovenwinds – op binnenplaats aan zuidwestzijde Benedenwinds – op ca. 10mtr van 2 schuren met AC daken Lucht aan noordoostzijde Schuur met AC dak – midden in schuur aan oostzijde – met geforceerde ventilatie Lucht Op dezelfde boven- en (monitor) benedenwindse posities Slib + Onder dakrand van schuur met water AC dak aan zuidzijde Bovenwinds – aan zuidwestzijde stal met AC dak Benedenwinds – 10mtr van stal met AC dak aan noordzijde Lucht Stal met AC dak

Duur

Volume

tijd

Uur (dag)

m³ (L)

14:40

552

23,7

14:30

238

13,5

13-102021

-

70 d

710 L

03-0816:07 2021

31-082021

08:19

664

32,1

03-0816:04 2021

17-082021

12:15

332

22,4

03-0816:07 2021 03-082021 16-1110:36 2021

31-082021 13-102021 30-112021

08:15

664

26,2

-

71 d

1460 L

15:15

136

41,2

16-1110:36 2021

30-112021

15:15

135

38,4

2-112021

30-112021

15:04

672

25,0

04-082021

-

14:41

16-1126-1275 d 2021 2021 27-1213-1075 d 1000 L 2021 2021 20-1202-1214:30 168 46,9 14:20 2021 2021 20-1202-1214:30 168 48,6 14:37 2021 2021 Teveel stof in de stal - geen toestemming gekregen om meting uit te voeren 20-1202-1213:15 435 32,5 11:44 2021 2021 27-1217-0121 d 2021 2022 02-1217-0146 d 1320 L 2021 2022

Woning - 25mtr van stal met AC dak - in kantoor Lucht Op dezelfde boven- en (monitor) benedenwindse posities Slib + Onder dakrand van stal met AC water dak aan noordwest zijde Buiten – in achtertuin op 10mtr 03-08van woning met asbestlei 13:24 2021 gevel/dak aan westzijde Lucht Woning met asbestlei gevel/dak 17-0811:00 – in woonkamer 2021 Slib + Onder dakrand van woning met 03-08water asbestlei gevel/dak aan westzijde 2021 Bovenwinds – in voortuin woning 02-0212:00 Lucht met asbestlei gevel/dak aan 2022 westzijde

31-082021 31-082021 13-102021 17-022022

09:55

669

35,7

09:50

335

21,5

-

71 d

430 L

08:30

129

41,0

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Locatie

Periode

Zomer

Loenen

Winter

Milheeze

Zomer

Type meting

Beschrijving locatie

Benedenwinds – in achtertuin 30mtr van woning met asbestlei gevel/dak aan noordoostzijde Woning met asbestlei gevel/dak – in woonkamer Lucht Op dezelfde boven- en (monitor) benedenwindse posities Onder dakrand van woning met Slib + asbestlei gevel/dak aan water westzijde Buiten – 8mtr van schuur met AC dak - noordoostzijde Woning – in gang (5mtr van Lucht schuur met AC dak) Schuur – op zolder bij hooiopslag Slib + Onder dakrand van schuur met water AC dak aan oostzijde Bovenwinds – aan zuidzijde van schuur met AC dak Benedenwinds - 8mtr van schuur met AC dak - noordoostzijde Lucht Woning – in woonkamer (5mtr van schuur met AC dak) Schuur – op zolder bij hooiopslag Lucht Op dezelfde boven- en (monitor) benedenwindse posities Slib + Onder dakrand van schuur met water AC dak aan oostzijde Buiten – tussen 2 stallen met AC dak op 2 en 5mtr aan west en oostzijde Lucht Woning - in woonkamer (10mtr van stallen met AC dak) Slib + water

55 / 113

Start meting

Eind meting

Duur

Volume

datum

tijd

datum

tijd

Uur (dag)

m³ (L)

02-0212:00 2022

17-022022

08:30

129

40,3

19-0114:30 2022 19-012022

02-022022 11-022022

09:39

331

23,3

-

23 d

-

19-012022

03-032022

-

43 d

460 L

11:45

674

39,6

09:22

335

19,1

11:45

674

41,1

89 d

1290 L

09:04

154

44,0

09:12

158

48,1

08:41

335

23,8

08:07

670

31,7

-

14 d

-

-

56 d

710 L

13:30

653

37,1

11:10

191

13,2

13:38

652

38,2

-

70 d

1110

03-082021 03-082021 03-082021 16-072021 16-112021 16-112021 02-112021 02-112021 2-112021 02-112021

10:13 10:40 09:54

09:05 09:12 10:00 10:00 -

31-082021 17-082021 31-082021 13-102021 30-112021 30-112021 16-112021 30-112021 16-112021 28-122021

04-0809:03 2021

31-082021

04-1012:15 2021 04-0809:22 Stal – voorkant bij opslag spullen 2021 Onder dakrand van stal met AC 04-08dak aan zuidoostzijde 2021

12-102021 31-082021 13-102021

Tabel 17: Meteogegevens tijdens de luchtmetingen in de buitenlucht (met minima en maxima tussen haakjes)

Temperatuur (°C)

Wind snelheid (m/s)

RH (%)

Neerslag

Zonduur (h)

Meetlocatie

Periode

Barneveld

Zomer

16,8 (2 - 27)

3,2 (0 - 8)

82 (47 - 99)

33

95

140

Zomer

17,0 (2 - 27)

3,0 (0 - 7)

81 (50 - 100)

31

85

154

Winter

6,5 (-6 - 19)

2,7 (0 – 8)

90 (58 -99)

58

38

33

Hoevelaken (2)

Winter

5,6 (-6 – 14)

3,1 (0 – 8)

91 (59 – 99)

36

43

25

Lelystad (1)

Zomer

17,1 (3 – 26)

4,0 (0 – 10)

82 (47 – 99)

31

70

158

Lelystad (2)

Winter

7,0 (-3 – 13)

7,1 (1 – 17)

82 (51 – 98)

47

64

59

Zomer

16,7 (2 – 27)

3,3 (0 – 8)

83 (47 – 99)

39

72

156

Hoevelaken (1)

Loenen Milheeze

Duur (h)

Som (mm)

Winter

5,2 (-6 – 13)

2,9 (0 – 8)

94 (59 – 99)

58

39

27

Zomer

16, 8 (2 – 27)

3,3 (0 – 8)

83 (47 – 99)

39

52

155

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

4.4

Analyse

4.4.1

Luchtmetingen

56 / 113

De Nuclepore filters zijn voorafgaand aan de analyse voorbehandeld met een plasmaverasser voor de verwijdering van organisch materiaal. Hierbij is het oppervlak van de filters tweemaal 5 minuten bij 40 W geëtst met een mengsel van zuurstof en argon. Voor het minimaliseren van opladingseffecten tijdens de analyse met SEM-EDX is daarna een dun laagje koolstof opgedampt. De Nuclepore filters zijn onderzocht met scanning elektronen microscopie en energie dispersieve röntgen microanalyse (SEM/EDX) conform NEN-ISO 14966. Hierbij wordt bij een vergrotingsfactor van 2000x en een versnelspanning 15kV een fractie van het totale filteroppervlak geanalyseerd. Met deze methode kunnen vezels met een diameter vanaf ca. 0,2 µm worden gedetecteerd. Door TNO is een hoge resolutie field emission gun scanning elektronenmicroscoop (FEG-SEM) gebruikt waarbij vezels met een diameter vanaf ca. 0,1 µm al zichtbaar zijn. Alle buitenluchtfilters in de zomerperiode zijn nogmaals onderzocht conform de door TNO ontwikkelde methode voor de bepaling van achtergrondconcentraties in de buitenlucht (Tromp, 2016). Hierbij wordt bij een hogere vergroting van 7000x en een versnelspanning van 7kV een deel van het filteroppervlak geanalyseerd. Deze microscoopinstellingen maken het mogelijk om hele dunne (elementaire) korte vezels met een lengte vanaf ca. 0,5 µm en een diameter vanaf ca. 0,04 µm te detecteren.

De SEM/EDX analyses zijn uitgevoerd met behulp van een Tescan MAIA III LMH FEG-SEM, uitgerust met een Bruker Quantax 30 mm2 silicon drift detector voor EDX analyse. Met SEM/EDX kan er tegelijkertijd een morfologische studie op microniveau van vaste materialen als een elementanalyse gedaan worden. De opgenomen EDX spectra zijn geanalyseerd met Bruker Esprit software. De analyse met SEM/EDX bestaat uit het systematisch afzoeken van een representatief aantal beeldvelden. Binnen elk beeldveld worden de volgende parameters bepaald:  aantal vezels,  de lengte en de diameter per vezel, en  de vezelsoort (op basis van chemische samenstelling en morfologie). Er worden twee vezeldefinities onderscheiden:  een deeltje met een diameter groter dan 5 µm en een diameter van minder dan 3 µm en een lengte-diameterverhouding van 3:1 (conform NEN-ISO 14966),  bij vezels korter dan 5 µm, een deeltje met parallelle zijden met een lengte-diameterverhouding van ≥ 5:1 (deze verhouding voorkomt dat (splijt-)fragmenten van niet-vezelige mineralen als vezels worden getypeerd).

De asbestvezelconcentratie wordt uitgedrukt in het aantal vezels per kubieke meter lucht (m3) en wordt bepaald door de volgende factoren:  Aantal getelde vezels [n]  Het afgezocht filteroppervlak (aantal beeldvelden x beeldveldoppervlak) [mm2]  Het totale filteroppervlak [mm2]  Het doorgezogen volume lucht tijdens de monsterneming [m3]

Door middel van formule (1) wordt de asbestvezelconcentratie berekend: (1)

𝐶𝑜𝑛𝑐𝑒𝑛𝑡𝑟𝑎𝑡𝑖𝑒

𝑥

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

57 / 113

Bij de analyse wordt een deel van het filter bekeken, hierbij bestaat de kans dat in het niet onderzochte deel vezels voorkomen. Bij de berekening van de concentratie uit de telling dient daarom rekening gehouden te worden met een onzekerheidsmarge die is uitgedrukt als het 95%betrouwbaarheidsinterval. Dit betekent dat de kans 95% is dat de werkelijke vezelconcentratie binnen dit interval zal liggen. Wanneer geen vezels worden aangetroffen wordt de bepalingsondergrens bepaald die is gebaseerd op een bovengrens van 3 vezels (conform de Poisson statistiek). De bepalingsgrens wordt gedefinieerd als de numerieke vezelconcentratie waaronder, met een betrouwbaarheid van 95%, de werkelijke vezelconcentratie ligt wanneer er geen vezels worden gedetecteerd tijdens de analyse. De bepalingsgrens is afhankelijk van het doorgezogen luchtvolume tijdens de meting en het deel van het filteroppervlak dat is afgezocht. Door middel van formule (2) wordt de asbestvezelconcentratie berekend: (2)

4.4.2

𝐵𝑒𝑝𝑎𝑙𝑖𝑛𝑔𝑠𝑜𝑛𝑑𝑒𝑟𝑔𝑟𝑒𝑛𝑠

𝑥

Regenwater en slib

De monsters regenwater zijn met behulp van drukfiltratie opgewerkt op een goud gecoate Nuclepore filter met een 0,4 µm poriëndiameter. De watermonsters zijn voorafgaand gehomogeniseerd; afhankelijk van de troebeling van het regenwater kon 5 – 200 mL worden gefiltreerd. Tijdens de monstervoorbereiding zijn ook blanco watermonsters (milli-Q water) opgewerkt. De filtratie opstelling is regelmatig grondig gespoeld met milli-Q water om eventuele resten van het monsterwater te verwijderen. De Nuclepore filters zijn voorafgaand aan de analyse voorbehandeld met een plasmaverasser voor de verwijdering van organisch materiaal. De analyse is uitgevoerd met SEM/EDX conform ISO 14966 (zie paragraaf 4.4.1). Het slib is gedurende een nacht gedroogd bij 105 °C en gewogen. Vervolgens is het materiaal verast bij 430 °C, waarvan de asrest wederom is gewogen. De veraste monsters slib zijn geanalyseerd met lichtmicroscopie conform NEN 5896. Hierbij zijn de asrestanten met de stereo lichtmicroscoop bij een vergroting van 5 – 60x onderzocht op asbeststructuren. Op basis van een visuele beoordeling is vervolgens het massapercentage aan asbest geschat. Voor de identificatie van asbest in de asrestanten is gebruik gemaakt van SEM-EDX (zie paragraaf 4.4.1).

4.4.3

Kleefmonsters en gesedimenteerd stof

De kleefmonsters van het dakoppervlak en de monsters gesedimenteerd stof zijn geanalyseerd met SEM-EDX conform NEN-ISO 16000-27 en NEN 2991. Bij twee verschillende vergrotingen van 300x en 1000x wordt het oppervlak van het koolstoftape systematisch afgezocht naar asbestvezelstructuren met SEM-EDX (zie paragraaf 4.4.1). Op basis van de aangetroffen vezelstructuren wordt de verontreinigingsgraad in verschillende klassen aangeduid: - (< 1 asbeststructuren/cm2), +/- (1-100 asbeststructuren/cm2), + (101-500 asbeststructuren/cm2) en ++ (> 500 asbeststructuren/cm2).

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

4.4.4

58 / 113

Nauwkeurigheid van de meetmethoden

De nauwkeurigheid van de meetresultaten wordt bepaald door systematische fouten en toevallige fouten. Systematische fouten kunnen ontstaan tijdens: 

Monsterneming: bij luchtmetingen is de belangrijkste foutenbron het bepalen van het volume doorgezogen lucht; op basis van validatie onderzoek ten behoeve van NEN-ISO 14966 is deze kleiner dan 15%. De belangrijkste foutenbron bij de monsterneming van regenwater en slib is de bepaling van de hoeveelheid neerslag om de totale asbestemissie (per m2 per jaar) te kunnen uitrekenen. Hierbij is uitgegaan van meteogegevens afkomstig van nabij gelegen weerstations, die kunnen afwijken van de specifieke locatie van het onderzoeksobject. Door vergelijking van meteogegevens van meerdere weerstations rondom de onderzoeksobjecten wordt de fout geschat op ca. 15% (5 – 20%).

Monsterpreparatie: verliezen door monstervoorbewerkingstappen zoals drogen, plasma(verassen), filtreren, deelmonstername, etc.. De systematische fout als gevolg van monsterpreparatietechnieken is relatief klein, deze wordt geschat op kleiner dan 5%.

Analyse: de resolutie van de microscoop en analyseprocedure hebben een belangrijke invloed op de zichtbaarheid van dunne vezels. Ten behoeve van de bepaling van de achtergrondconcentratie zijn dunne vezels belangrijk. Met de FEG-SEM-EDX in combinatie met de NEN-ISO 14966 methode wordt een resolutie van 0,1 µm bereikt; in combinatie met de door TNO ontwikkelde methode voor de bepaling van achtergrondconcentraties is een resolutie van 0,04 µm haalbaar. Uit eerdere onderzoeken uitgevoerd met transmissie elektronenmicroscopie (TEM) blijkt dat 50% van de asbestvezels in de Nederlandse buitenlucht een diameter heeft groter dan ca. 0,1 µm en dat 95% een diameter heeft groter dan ca. 0,04 µm (Tromp, 2016). Uit het huidige onderzoek blijkt dat 95% van de vrijkomende vezels vanuit asbestdaken een vezeldiameter heeft groter dan 0,1 µm (paragraaf 6.3). De NEN-ISO 14966 methode is daarom wel geschikt om de verspreiding van asbestvezels vanuit asbestdaken in kaart te brengen maar is niet geschikt om de achtergrondconcentratie te bepalen. Andere belangrijke foutenbronnen bij de analyse met SEM-EDX zijn de vezelidentificatie en vezeltelling; op basis van validatie onderzoek ten behoeve van NEN-ISO 14966 is deze kleiner dan 35% respectievelijk 15% bij inter- en intra laboratorium vergelijking.

De bepaling van het massapercentage aan asbest in slib wordt uitgevoerd op basis van een visuele schatting. De fout als gevolg van deze visuele schatting is bepaald op basis van de 2e lijns controle binnen TNO (heranalyse door meerdere analisten) en is ca. 30%. Bij de presentatie van de analyseresultaten is rekening gehouden met deze systematische fout in de vorm van een betrouwbaarheidsinterval.

Toevallige fouten ontstaan door de combinatie van steekproefgrootte (percentage van het deelmonster dat wordt afgezocht op asbestvezels) en Poisson variabiliteit; deze laatste fout neemt toe wanneer minder vezels worden geteld. De toevallige fout in het meetresultaat wordt uitgedrukt in een 95%-betrouwbaarheidsinterval uitgaande van de Poisson verdeling (zie NEN-ISO 14966). Op basis van deze verdeling is de toevallige fout bij de analyse van het regenwater ca. 15 – 30% en bij de analyse van de luchtfilters (voor de bepaling van de achtergrondconcentratie) ca. 100 – 300%. De toevallige fout als gevolg van de Poisson variabiliteit wordt standaard meegenomen bij de presentatie van de analyseresultaten; dit is het 95%-betrouwbaarheidsinterval.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

59 / 113

5 Resultaten 5.1

Beoordeling verwering asbestdaken

In Tabel 18 staan de resultaten samengevat van de beoordeling van de algehele conditie van het dak op basis van het TNO beoordelingssysteem, de aantasting van het oppervlak op basis van visuele inspectie met het ongewapende oog en de resultaten van de kleeftestmethode van VITO. Op alle locaties was het asbestcement oppervlak in meer of mindere mate aangetast, wat zich uit in verruwing van het oppervlak met putten en zichtbare vezelbundels aan het oppervlak die niet meer goed zijn ingesloten in de matrix. Delaminatie verschijnselen (loszittende schilfers/laagjes) aan de dakranden waren op alle locaties nauwelijks aanwezig. Uit de resultaten kan worden opgemaakt dat de verwering van de daken op de locaties Barneveld, Hoevelaken-1 en Loenen substantieel is (behoorlijk – ernstig verweerd). Op de locaties Hoevelaken-2, Lelystad en Milheeze is de verwering minder (licht – matig verweerd). Tabel 18: Overzicht van de beoordelingsresultaten met betrekking tot de algehele conditie en verweringsgraad van de gevel en/of het dak

Locatie

Type object

Beoordelingssysteem conditie dak Leeftijd Inspectie Fictieve Klasse (jaren) (score) leeftijd indeling

Inspectie aantasting oppervlak

Kleeftest klasse indeling

Barneveld Hoevelaken (1)

kalverstallen voormalig kippenhok (1) voormalige veestal (2)

36 - 41 64

21 22 *

57 - 62 86

Sterk Sterk

++ ++

54

19 *

73

Slecht Zeer slecht Slecht

Sterk

++

voormalige 49 varkensstal (3) 46 voormalige varkensstal (1)

19 *

68

Slecht

Sterk

+

11 *

57

Matig

Matig

++

15 *

51

Matig

Matig

++

Hoevelaken (2)

Lelystad (1)

Kalverenstal (2) woning

36 39-41

5

44 - 46

Redelijk

Matig

+

Lelystad (2)

woning

39-41

5

44 - 46

Redelijk

Matig

++

Loenen

voormalige varkensstal (1)

~50

17 *

~67

Slecht

Sterk

++

(kap)schuren (2 + 3)

~50

15

~65

Slecht

Sterk

++

45 13 58 Matig Matig +/+ varkens- en koeienstal (1 + 2) * bij de beoordeling is aangenomen dat de eerste helft van de tijd het object is gebruikt als stal en de tweede helft als schuur/loods. Milheeze

5.2

Luchtmetingen

In Tabel 19 zijn de concentraties asbestvezels en andere anorganische vezels (o.a. natuurlijke vezelvormige silicaten, synthetische vezels zoals steenwol-, glaswol- en keramische- vezels) weergegeven zoals zijn aangetroffen in de luchtmonsters. In de tabel wordt de concentratie inclusief het 95% betrouwbaarheidsinterval (Poisson) weergegeven van vezels met een lengte langer en korter dan 5 μm. De buitenluchtfilters in de zomer op locaties Barneveld, Loenen, Hoevelaken-1,

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

60 / 113

Lelystad-1 en Milheeze zijn volgens 2 aparte analysemethoden geanalyseerd: de standaard NENISO 14966 methode en de door TNO ontwikkelde methode voor achtergrondconcentraties in de buitenlucht (Tromp, 2016). Tabel 19: Concentratieniveaus van asbestvezels en overige anorganische vezels met lengte > 5 μm en < 5 μm.

Locatie

Periode

Locatie meting

Asbestvezels <5 µm Asbestvezels >5 µm Anorganische (vezels/m³) a,b (vezels/m³) a,b vezels (vezels/m³) nominaal 95%-BI nominaal 95%-BI nominaal 95%-BI

Buitenlucht < 30 < 30 110 55-200 Buitenlucht d 23 (chr) 1 - 130 < 69 x x Woning < 31 < 31 10 11-120 Buitenlucht < 13 < 13 39 18-74 Buitenlucht d 14 (cro) 1 - 79 14 (chr) 1 - 79 x x Zomer Woning < 19 < 19 6,2 0,2-35 Hoevelaken Schuur < 16 < 16 490 390-600 (1) Bovenwinds < 10 < 10 24 9,5-49 Benedenwinds < 11 < 11 54 30-90 Winter c) Schuur < 42 < 42 210 120-350 Bovenwinds <9 <9 <9 Hoevelaken Benedenwinds <9 <9 <9 Winter (2) Kantoor < 32 < 32 < 32 Buitenlucht < 12 < 12 260 200-330 Lelystad (1) Zomer Buitenlucht d 12 (chr) 1 - 66 < 35 x x Woning < 19 < 19 58 27-110 Bovenwinds < 10 < 10 24 9,6-49 Lelystad (2) Winter Benedenwinds < 10 < 10 21 7,6-45 Woning < 18 < 18 6 0,1-33 Buitenlucht < 11 < 11 140 100-200 Buitenlucht d < 32 x x Zomer Woning < 22 < 22 22 4,5-64 Schuur < 10 < 10 92 61-130 Loenen Bovenwinds < 10 < 10 92 62-130 Benedenwinds <9 <9 <9 Winter Woning < 18 < 18 < 18 Schuur < 13 < 13 44 21-81 Buitenlucht < 11 < 11 < 11 Buitenlucht d < 34 < 34 x x Milheeze Zomer Woning < 32 < 32 < Schuur < 11 < 11 < 11 a) De nominale (gemiddelde) concentratie is de meest waarschijnlijke concentratie op basis van het aantal getelde vezels. b) Het 95%-betrouwbaarheidsinterval (95%-BI) geeft de meetonzekerheid aan op basis van de Poissonverdeling (NEN-ISO 14966). Bij het niet aantreffen van vezels wordt de bepalingsondergrens (<) weergegeven op basis van het eenzijdige betrouwbaarheidsinterval.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=cc1ca8c9-e00e-4d28-944b-de5f7dd83ffc