CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL TNO Eindrapport_Verwering_AsbestDaken

Raadsvergadering 13 september 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 231. TNO informatie verwering asbestdaken41.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

In 2003 zijn door het RIVM en TNO de risico’s van asbest in de bodem beoordeeld (Swartjes et al., 2003). Op basis hiervan is een interventiewaarde bodem van 100 mg/kg ds (droge stof) afgeleid, uitgedrukt als de optelsom van de concentratie aan chrysotiel en 10x de concentratie amfibool asbest (gewogen norm). De afgeleide concentratie in de lucht ligt hierbij tussen het VR en MTR (Tempelman et al., 2010). Ten behoeve van de locatie specifieke risicobeoordeling (Circulaire bodemsanering, 2013) is voor respirabele asbestvezels in de contactzone (bovenste 50cm van de bodem) een waarde van 10 mg/kg ds (gewogen) vastgesteld, waarboven sprake is van “onaanvaardbare risico’s”.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

18 / 113

2 Plan van aanpak 2.1

Procedure

Voor het onderzoek naar de verwering van asbestdaken en de emissie en verspreiding van asbest(vezels) is in de periode februari - maart 2021, op basis van op dat moment beschikbare kennis, een voorlopig plan van aanpak ontwikkeld voor het uit te voeren veldonderzoek. Op basis van een literatuuronderzoek (zie Hoofdstuk 3), grotendeels uitgevoerd in april - mei 2021, is zoveel mogelijk reeds beschikbare informatie met betrekking tot de verwering van asbestdaken geïnventariseerd en geëvalueerd. Op basis van deze informatie is beoordeeld waar de kennishiaten liggen met betrekking tot de verwering van asbestdaken en de daarmee gepaard gaande verspreiding en blootstellingsrisico’s van asbestvezels. Op deze manier wordt een mogelijke herhaling van reeds uitgevoerd onderzoek (inclusief bijbehorende analyses) zoveel mogelijk vermeden. Op basis van de meest recente informatie uit de literatuur is het voorlopige plan van aanpak eind mei 2021 bijgesteld, inclusief een beschrijving van de onderbouwing voor aanvullende windrichting-aangestuurde (veld)metingen. Deze (veld)metingen zullen zich richten op: 1. De hoeveelheid asbest(vezels) die bij afwatering vrijkomt, rekening houdend met de mate van verwering, toepassing en leeftijd van het dak. 2.

De mate van blootstelling van bewoners/gebruikers van huizen, schuren en stallen voorzien van asbesthoudende daken via inademing van asbestvezels in gecontamineerde binnen- en buitenlucht. Hierbij zal rekening worden gehouden met de staat van verwering c.q. leeftijd van het dak. Het bijgestelde plan van aanpak is op 3 juni 2021 voorgelegd aan de technisch-wetenschappelijke begeleidingscommissie “Routeonderzoek asbestvezels”. De begeleidingscommissie bestaat uit:  Sven de Mulder (OVAM)  Frank Swartjes (RIVM)  Jan Tempelman (Adviesbureau Jan Tempelman)  Yvonne Waterman (Stichting Expertise Centrum Asbest & Vezels (ECAV))  Nico van Zandwijk (University of Sydney, Faculty of Medicine and Health) In het overleg met de commissie op 9 juni 2021 zijn commentaarpunten besproken, en is op basis daarvan het bijgestelde plan van aanpak op een aantal punten verder aangepast: 1. De hoeveelheid asbest in gesedimenteerd stof is een belangrijke indicator voor het potentiële blootstellingsrisico, derhalve zullen in de binnenruimten (woningen, loodsen en schuren) aanvullende stofmonsters worden genomen. 2. Behalve materiaaleigenschappen, zoals type plaat (golfplaat, lei), asbestsoorten, coating en dikte plaatmateriaal is ook de hellingshoek van het dak belangrijk. Bij de selectie van locaties zal daarom ook worden gelet op de hellingshoek van het dak. 3.

De vezelemissie vanuit asbestdaken is waarschijnlijk een discontinu proces, onder invloed van bepaalde weerscondities. Bij langdurige metingen is de kans groter dat deze specifieke condities “gevangen” worden. De duur van de buitenluchtmetingen zal daarom worden verlengd naar minstens 4 weken. 4. Bij loodsen met stalen dakspanten ontstaat meer frictie tussen de asbestcementplaten vanwege uitzetting en inkrimping van het staal onder invloed van de temperatuur. Bij de selectie van locaties zullen daarom een aantal loodsen, schuren of stallen worden gezocht met stalen dakspanten.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

19 / 113

Het definitieve plan van aanpak is op 17 juni 2021 gedeeld met de opdrachtgever en de technischwetenschappelijke begeleidingscommissie, en akkoord bevonden. In dit plan van aanpak is als optie aanvullend onderzoek (windrichting-aangestuurde (360°) luchtmetingen) opgenomen, gericht op het bepalen van de asbestvezelemissie via luchterosie. Het bepalen van deze verweringssnelheid via luchterosie (vezels/m2/jaar) is complex en maakte in eerste instantie geen onderdeel uit van het onderzoek. In juli 2021 is definitief besloten deze extra windrichting-aangestuurde (360°) metingen alsnog toe te voegen aan het onderzoeksplan, en is in augustus 2021 hiervoor een aanvullend meetplan ontwikkeld wat is voorgelegd aan de provincie Overijssel. In het overleg op 24 augustus 2021 met de provincie Overijssel en het Ministerie I&W is het aanvullend meetplan akkoord bevonden en is overeengekomen om deze metingen, gezien de lange voorbereidingstijd, in te zetten in de winterperiode, gelijktijdig met de reeds geplande veldmetingen in deze periode. Als onderdeel van het aanvullende meetplan zitten tevens extra analyses, conform de procedure in het in 2016 uitgevoerde onderzoek naar de achtergrondconcentratie aan asbestvezels in de Nederlandse buitenlucht (Tromp, 2016), met onderscheid in chrysotielvezels en amfibole asbestvezels.

2.2

Onderzoekstrategie

2.2.1

Kennishiaten

Uit het literatuuronderzoek is gebleken dat het belangrijkste kennishiaat de emissie van asbestvezels via luchterosie is (vezels/m2/jaar). In meerdere studies zijn wel omgevingsmetingen en blootstellingsmetingen in de binnen- en buitenlucht uitgevoerd, maar dit betrof veelal kortdurende metingen met relatief hoge detectiegrenzen. De uitspoeling via regenwater is in enkele studies wel redelijk in kaart gebracht, maar door het ontbreken van contextuele informatie en/of essentiële gegevens (onder andere dakoppervlak, hoeveelheid neerslag) kan op basis van deze studies nog geen goed inzicht worden verkregen in de verweringssnelheid (gr/m2/jaar en vezels/m2/jaar) via uitspoeling. Bovendien maakt het ontbreken van deze contextuele informatie het moeilijk en in sommige gevallen zelfs onmogelijk om een vertaling naar de Nederlandse praktijk te maken.

2.2.2

Scope van het onderzoek

Het veldonderzoek heeft zich primair gericht op het bepalen van de hoeveelheid asbest(vezels) die uitspoelt via regenwater om zo inzicht te krijgen in de verweringssnelheid (gr/m2/jaar en vezels/m2/jaar) via uitspoeling. Daarnaast zijn luchtmetingen uitgevoerd in binnensituaties (inpandig in woningen en schuren/loodsen) en buitensituaties (rondom asbestdaken), om inzicht te krijgen in de actuele blootstellingsrisico’s voor bewoners en omwonenden. Hierbij zijn zowel de vezels langer en korter dan 5 µm meegenomen. Als aanvulling op de luchtmetingen zijn in binnensituaties kleefmonsters van (stoffige) oppervlakken genomen om een indruk te krijgen van de mogelijke potentiële blootstellingsrisico’s als gevolg van het weer in de lucht brengen van gesedimenteerde asbestvezels. Daarnaast zijn metingen in de buitenlucht uitgevoerd om de verweringssnelheid via luchterosie (vezels/m2/jaar) in kaart te brengen. In de tweede meetperiode zijn in de buitenlucht windrichting-aangestuurde luchtmetingen bovenwinds en benedenwinds van het asbestcement dak uitgevoerd. In Tabel 1 is de aanpak beschreven om de diverse blootstellingsroutes in kaart te brengen. Daarbij is tevens aangegeven welke onderdelen binnen de scope van dit onderzoek vallen.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

20 / 113

Tabel 1: Plan van aanpak beoordeling verschillende blootstellingsroutes

Route Beschrijving blootstellingsroute

Uitvoering onderzoek

1

Via metingen in de buitenlucht in de omgeving van Verspreiding en directe inademing AC daken en via windrichting-aangestuurde asbestvezels vanuit asbestdaken metingen beneden- en bovenwinds van het dak

2

Depositie op de bodem door uitspoeling vanaf Via literatuuronderzoek en metingen naar uitspoeling asbestdaken via route 6

3

Inademing asbestvezels in woningen door Via metingen in de binnenlucht en monsterneming inwaai/inloop gesedimenteerd stof

4

Directe inademing asbestvezels in schuren Via metingen in de binnenlucht en monsterneming en stallen gesedimenteerd stof

5

Verspreiding en inademing asbestvezels door Buiten de scope van het onderzoek illegale/ondeskundige sloop en asbestbrand

6

Uitspoeling via regenwater en inademing Indirect, via kwantificatie uitspoeling asbest asbestvezels via verontreinigd slib van (gr/m2/jaar en vezels/m2/jaar) en blootstellingsmodel dakgoten asbest in bodem (TNO/RIVM, 2008)

7

Indirect via literatuuronderzoek en Verspreiding en inademing asbestvezels via blootstellingsmodel asbest in bodem (TNO/RIVM, verontreinigde grond (o.a. grondverzet) 2008)

2.2.3

Meetstrategie

Voor een vertaling naar een “conservatief” jaargemiddeld beeld zijn “realistische worst case” meetlocaties geselecteerd. Bij de selectie van de meetlocaties is gezocht naar locaties met (bij voorkeur) variatie in:  type materiaal: asbestcement en asbestlei,  type asbest: alleen chrysotiel en chrysotiel + crocidoliet,  hellingshoek van het dak: <150, 15-300 en >300,  ouderdom: 30-45 en 45-60 jaar,  verweringsgraad: licht en sterk verweerd,  toepassing: woning, schuur/loods en stal,  locatie: bebouwde en landelijke omgeving Bij de selectie van de locaties is ook rekening gehouden met de volgende aandachtspunten:  De woning dient op hetzelfde erf en dichtbij de schuur, loods of stal (met AC dak) te staan. Dit is de worst case situatie voor inloop/inwaai van asbest naar de woning;  Bij voorkeur asbestcementdaken met beperkte mosgroei, omdat mosgroei de uitspoeling van asbest met regenwater hindert en de meting bemoeilijkt;  Bij voorkeur geen bomen dichtbij het asbestcement dak omdat afgevallen bladeren het regenwater opvangsysteem hinderen;  Bij voorkeur een aantal locaties zonder dakgoot.

Dit is de worst case situatie voor inloop/inwaai van asbest via de afwateringzone naar de woning;  Bij voorkeur enkele locaties met stalen dakspanten bij loodsen, schuren en stallen; stalen dakspanten zorgen voor meer wrijving tussen de asbestcement dakplaten vanwege uitzetten en inkrimpen als gevolg van temperatuursveranderingen. In het onderzoek is uitgegaan van een beperkte steekproef; hierbij is het belangrijk dat er een goed inzicht wordt verkregen van de conditie en verweringsgraad van het AC dak. Om dit te realiseren is een visuele inspectie uitgevoerd in combinatie met kleefmonsters. Deze aanpak maakt het mogelijk om de onderzoeksresultaten te vergelijken met die van de onderzoeken van VITO (Peters et al.,

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

21 / 113

2013, 2015, 2016a, 2016b), zodat de resultaten in perspectief geplaatst kunnen worden. Dit betekent dat er een beter beeld ontstaat van de representativiteit van de geselecteerde locaties en kan ook de bandbreedte (variatie) in de verweringsnelheid worden aangegeven voor een betrouwbare doorvertaling naar de situatie in heel Nederland. Van de geselecteerd locaties zijn twee locaties in beide seizoenen (winter en zomer) bemeten. Er zijn in totaal vijf locaties geselecteerd voor de eerste meetperiode in de zomer/herfst, en vier locaties voor de tweede meetperiode in de herfst/winter. Op de herfst/winterlocaties zijn aanvullende windrichting-aangestuurde (360°) luchtmetingen uitgevoerd. Per seizoen is gedurende 2 tot 3 maanden de uitspoeling via regenwater gemeten. Daarnaast zijn per locatie gedurende 2 weken binnen (in de woning en in de schuur/stal) en gedurende 4 tot 6 weken buiten (in de buurt van de AC daken) luchtmetingen uitgevoerd. De meetduur van meerdere weken is zodanig gekozen dat er voldoende laag kon worden gemeten (bepalingsondergrens <20 vezels/m3). Daarnaast ontstaat hierdoor een meer representatief beeld van het ‘discontinue’ verweringsproces en de mate van blootstelling aan asbestvezels, omdat wordt aangenomen dat alle gangbare/normale activiteiten van de bewoners in een dergelijke periode worden meegenomen. In Tabel 2 is de meetstrategie samengevat.

Tabel 2: Meetstrategie

Selectie locaties Type

Leeftijd & Object verwering

45-60 jaar sterk Golfplaat 30-45 jaar licht Daklei

Stal / schuur Schuur Stal Stal / schuur Stal / schuur

Veldonderzoek Asbest*

1 v/d 3 locaties CHR + CRO 1 v/d 3 locaties CHR + CRO

Meet sessie 2

visueel

kleef

1

2

Regen water Stof & slib 2

2

Luchtmetingen Buiten

Buiten Schuur / 360° Woning stal

1

1

1

1

1

1

2

1

2

1

1

2

1

2

2

1

2

2

2

1

1

1

2

2

2

1

2

1

1

2

7

14

30-45 jaar Woning CHR 1 sterk 45-60 jaar Woning CHR 1 licht Totaal aantal metingen: 9 * CHR = chrysotiel, CRO = crocidoliet

2.2.4

Beoordeling dak

2

2

1

1

1

1

1

2

2

1

-

1

1

2

1

-

1

-

1

2

-

1

1

-

9

14

5

4

9

7

Onderzoek verspreidings- en blootstellingsroutes

Het onderzoek richt zich op het in kaart brengen van de verschillende relevante verspreiding- en blootstellingsroutes:  Blootstelling via uitspoeling van asbestverontreinigd slib van asbestdaken Het onderzoek heeft zich beperkt tot het in kaart brengen van de mate van uitspoeling van asbesthoudende restanten en -vezels vanuit asbestdaken. Hierbij is het meegevoerde slib afgescheiden van het regenwater door middel van een zeef met een maaswijdte van ca. 200 µm. In Figuur 2 is het wateropvangsysteem zoals is toegepast binnen dit onderzoek schematisch weergegeven. Door zowel het slib als het regenwater apart te analyseren kan zowel het totaal aan uitgespoeld asbest worden bepaald (slib+regenwater), in gram asbest per m2 dakoppervlak per jaar en ook het aantal respirabele asbestvezels (regenwater), in vezels per m2 dakoppervlak per jaar.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

22 / 113

Het aantal asbestvezels is meer bepalend voor het blootstellingsrisico dan de totale massa aan asbest. Via bovenstaande uitspoelingsgegevens wordt het blootstellingsrisico geschat als gevolg van het asbesthoudend slib in dakgoten (o.a. tijdens het schoonmaken van de dakgoten). Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van informatie uit de literatuur met betrekking tot asbestconcentraties in slib (o.a. Tromp, 2007; Peters et al., 2013). Voor een inschatting van de potentiële blootstellingsrisico’s wordt het blootstellingsmodel voor asbest in de bodem gebruikt (Swartjes & Tromp, 2008).

Figuur 2: Schematisch weergave van het regenwater opvangsysteem voor (links) een dak zonder dakgoot en (rechts) een dak met dakgoot.

 Blootstelling buitenlucht via luchterosie voor bewoners en directe omwonenden De metingen in de buitenlucht zijn gericht op het in kaart brengen van de blootstelling van bewoners en omwonenden. In de onderzoeksopzet is uitgegaan van enkelvoudige continue metingen gedurende een lange periode van 4 – 6 weken dichtbij het asbestcement dak. De metingen zijn geplaatst op ademhoogte op strategische worst case locaties, rekening houdend met de positie van het asbestcement dak, de dominante windrichting en specifieke kennis over de verspreiding van stoffen vanaf een dakoppervlak. Dit betekent dat alle metingen in de lijwervel van het object zijn geplaatst, waarbij het verdunningseffect zo laag mogelijk is (zie paragraaf 6.1) (Duyzer et al., 2004).  Inpandige blootstelling, direct en via inlopen/inwaaien Bij de beoordeling van de inpandige blootstellingsrisico’s is onderscheid gemaakt in woningen met asbestdaken (voornamelijk asbestleien daken) en woningen naast schuren, loodsen en stallen met asbestdaken (voornamelijk asbestcement golfplaten). Daarnaast is rekening gehouden met situaties met en zonder dakgoot. In het laatste geval komt het asbest op de onderliggende bodem/verharding terecht, waarbij het asbest via inloop/inwaai in de woning terecht kan komen. Naast deze indirecte blootstellingsroute is ook directe inpandige blootstelling mogelijk in de schuur/loods of stal.

Door interne verwering van het asbestcement onderdak kunnen vezels inpandig vrijkomen en voor een blootstellingsrisico zorgen. In de onderzoeksopzet is uitgegaan van enkelvoudige continue metingen, gedurende 2 - 4 weken in de woning, de schuur/loods of stal. Naast luchtmetingen zijn in de woning en in de schuur/loods

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

23 / 113

of stal op enkele plekken kleefmonsters van aanwezig stof genomen om een inschatting te kunnen maken van het potentiële blootstellingsrisico als gevolg van het weer in de lucht geraken van gesedimenteerd asbest. Hierbij is een worst-case strategie aangehouden, waarbij plekken zijn bemonsterd waar makkelijk stof sedimenteert en die vrijwel nooit worden schoongemaakt (o.a. op kasten en op draagbalken).  Blootstelling door depositie van asbest op de bodem De directe depositie van asbest op de bodem in de afwateringzone als gevolg van uitspoeling van met asbest verontreinigd slib en asbestvezels van asbestcement daken is door veel onderzoeksbureaus reeds goed in kaart gebracht (Oosterwegel, 2014; Wetterauw, 2017; Abesim, 2019; Peters et al., 2015; Peters et al., 2021; ACMAA, 2015). Daarom zijn voor deze blootstellingroute géén aanvullende veldmetingen uitgevoerd. De beschikbare informatie van de genoemde studies in combinatie met het blootstellingsmodel voor asbest in de bodem (Swartjes & Tromp, 2008) worden gebruikt om de potentiële blootstellingsrisico’s in kaart te brengen.

 Blootstelling buitenlucht via luchterosie voor de omgeving Meta emissiegegevens van asbestvezels vanuit asbestdaken kan via modelberekeningen de verspreiding van asbestvezels voor de gehele omgeving in kaart worden gebracht en zo mogelijk ook de bijdrage van de verwering van asbestdaken op de achtergrondconcentratie in Nederland worden bepaald. De vezelemissie naar lucht wordt bepaald door de verweringssnelheid via luchterosie (vezels/m2/jaar) en kan worden afgeleid op basis van windrichting-aangestuurde metingen (360° metingen) bovenwinds en benedenwinds van het asbestcement dak. Aangezien de te verwachte vezelemissie door luchterosie laag is, zijn voor de tweede meetperiode in de onderzoeksopzet van de windrichting-aangestuurde luchtmetingen aan weerszijden van het dak ook ‘real time’ fijnstof sensoren meegenomen. Op basis van de resultaten van de asbestmetingen en stofsensoren kan het netto effect van het betreffende asbestcement dak op de deeltjes- en vezelconcentratie in de lucht bepaald worden (zie Figuur 3). De sensormetingen geven inzicht in de totale emissie (deeltjes en vezels) via luchterosie en de variatie in de emissie als gevolg van verschillende weerscondities.

Hiermee kan, via modelberekeningen, worden nagegaan onder welke meteorologische omstandigheden (vocht, wind, temperatuur, zon) de hoogste vezelemissies zijn te verwachten en wat het potentiële blootstellingsrisico is.

Figuur 3: Schematische weergave van de winrichting aangestuurde meetopstelling met (1) bovenwindse en (2) benedenwindse locatie.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

24 / 113

De totale meetperiode van de windrichting-aangestuurde (360°) luchtmetingen was afhankelijk van de windrichting; hoe vaker de wind over het dak waaide in de richting van de benedenwindse meetopstelling, hoe langer de netto meetduur en hoe korter de meetperiode. De meetopstellingen zijn ingericht op basis van de meest dominante windrichting, rekening houdend met de meetperiode en geografische locatie. De windhoek is bepaald op basis van de grootte van het dak en afstand tot het dak. Op basis van de meetresultaten kan, met verspreidingsmodellen een jaargemiddelde concentratie in de omgeving worden afgeleid en kan op basis van gegevens over daken in Nederland (aantallen, oppervlakken, conditie en leeftijd) de hoeveelheid vrijkomende asbest(vezels) vanuit asbestdaken in Nederland worden ingeschat.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

25 / 113

3 Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek zijn verschillende bronnen geraadpleegd:  TNO onderzoeksrapporten;  systematisch ‘review’ van gepubliceerde wetenschappelijke publicaties (PubMed, EMBASE, Scopus);  openbare externe onderzoeksrapporten;  niet openbare / nog niet gepubliceerde rapporten door actieve benadering van internationale onderzoeksinstituten: VITO (BE), HSE (UK), INRS (FR), DGUV (DE), FIOH (FI), NFA (DK), INAIL (IT), AUVA (AT), STAMI (NO);  alsmede literatuur aangedragen door de technische begeleidingscommissie van het onderhavige project. De raadpleging van bovengenoemde bronnen heeft geresulteerd in een lijst van ca. 90 wetenschappelijke artikelen en onderzoeksrapporten (zie Bijlage II). Voor de beoordeling van de informatie uit bovengenoemde bronnen is gebruik gemaakt van een (database)structuur, die is onderverdeeld naar onderwerp/blootstellingsroute:  Emissie door uitspoeling via regenwater;  Emissie door luchterosie;  Blootstellingsmetingen (binnenlucht, buitenlucht);  Stofmetingen (inpandig);  Depositie op de bodem;  Beoordeling verwering.

Bij de beoordeling is onder andere aandacht besteed aan de volgende punten:  Geografische locatie (plaats, stedelijk/platteland) en type gebouw: woning, stal/loods, fabriek, etc.;  Beschrijving asbesthoudende materialen: type (golfplaat, daklei), dikte, verweringsgraad, typen asbest (chrysotiel, crocidoliet), dak/gevel-oppervlak;  Onderzoeksopzet: kwalitatief – beschrijvend, kwantitatief – meetdata, kwaliteit van het onderzoek;  Gebruikte meetmethode(n): beschrijving van metingen (binnen- en buitenlucht, slib, water, stof, bodem) zoals meetduur, meetperiode, monstergrootte;  Gebruikte analysemethode: opwerkmethode, analysetechniek (FCM, SEM, TEM). Alle nieuw verkregen informatie is beoordeeld op kwaliteit en vergeleken met eerder onderzoek (o.a. Tromp, 2007) dat ten grondslag heeft gelegen aan het advies van de Gezondheidsraad (Gezondheidsraad, 2010) en de praktische consequentie hiervan (Tempelman et al., 2010). Daarbij is beoordeeld welke nieuwe relevante informatie dient te worden toegevoegd aan de reeds bekende gegevens. Hierbij is rekening gehouden met de kwaliteit van de nieuwe referenties en de omstandigheden waaronder dit onderzoek is uitgevoerd.

3.1

Verweringsprocessen

Door veroudering van de asbestcementplaten zal de interne structuur van het asbestcement worden aangetast. Fysische, chemische en biologische factoren zijn verantwoordelijk voor het verouderingsproces (verwering, corrosie) van asbestcementproducten in de buitenlucht (Tempelman, 1984).

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

26 / 113

Fysische effecten In het materiaal kunnen soms grote temperatuurverschillen voorkomen. Dit kan op verschillende manieren op het materiaal inwerken: het materiaal kan uitzetten en inkrimpen en kristalwater aan de lucht afstaan. Door uitdroging kan de oppervlaktelaag bros worden, waardoor deeltjes tijdens een regenbui kunnen uitspoelen. Daarnaast wordt vooral door bevriezing de mate van verwering versneld. Het aantal malen dat het vriespunt wordt gepasseerd is van grote invloed op de snelheid van het verweringsproces, doordat het in het materiaal opgenomen water hierbij een sprongsgewijze volumevergroting ondergaat. Dit betekent dat er tijdens een vorstperiode spanning op het materiaal komt te staan, waardoor er beschadigingen en scheurtjes in het materiaal ontstaan. Ook door sneeuwdruk kan het dak worden aangetast. Chemische effecten Zure depositie (HNO3, H2SO3, H2CO3) kan de pH in de oppervlaktelaag van het asbestcement verlagen, zodat bepaalde basische componenten uit het cement kunnen oplossen, waardoor het oppervlak wordt verzwakt. Ook chrysotiel zal op den duur in een zuur milieu gaan verweren door het oplossen van de basische magnesiumhydroxide groepen aan het oppervlak van de vezels. Amfibool asbest daarentegen zal onaangetast blijven.

Naast zure depositie zal ook de ammoniakuitstoot vanuit de ontlasting van dieren in stallen de pH in het asbestcementoppervlak verlagen en deze op den duur aantasten. Biologische effecten Na verloop van tijd zullen in veel gevallen korstmossen op het oppervlak gaan groeien. Deze mossen houden het asbestcementoppervlak vochtig en produceren zuren, waardoor de pH verlaagd wordt, met de eerder genoemde gevolgen. De groei van mossen is vooral groot op naar het noorden gerichte platen, omdat hier minder extreme temperatuurverschillen optreden en de vochtigheid meestal hoog is. Mosgroei komt vooral voor op platen die niet van een coating zijn voorzien. Samenvattend zorgen chemische en biologische effecten ervoor dat het cement, wat als bindmiddel fungeert, zal uitlogen, waardoor de mechanische sterkte van de dakplaten afneemt en het dak gevoeliger wordt voor beschadigingen en erosie door wind, hagel en temperatuurverschillen. Het dak gaat uiteindelijk lekken en wordt onbruikbaar. Ook kunnen hierdoor asbestvezels vrij komen te liggen en emitteren naar de lucht of met het regenwater uitspoelen naar de bodem. Aan de andere kant kunnen chemische en biologische effecten ervoor zorgen dat de fysisch/chemische structuur van vezels aan het oppervlak zodanig wordt aangetast dat de kenmerkende asbeststructuur verdwijnt; uiteindelijk zullen de vezels volledig oplossen.

Dit proces verloopt vermoedelijk langzaam en is alleen voor chrysotiel mogelijk relevant.

3.2

Emissie door luchterosie en uitspoeling via regenwater

3.2.1

Bepaling verweringsnelheid

In vergelijking met de informatie over verweringsnelheden uit het literatuuronderzoek in 2007 (Tromp, 2007) is de laatste 15 jaar vrij weinig nieuwe informatie beschikbaar gekomen. Twee nieuwe studies (Cattaneo et al., 2009; Zhang et al., 2016), met kwantitatieve informatie over verweringssnelheden en emissies, zijn relevant en vormen een goede aanvulling op de reeds bestaande gegevens. In Tabel 3 zijn alle oude gegevens van voor 2000 en de nieuw beschikbaar gekomen informatie met betrekking tot de verweringsnelheid en emissies naar lucht en water nogmaals samengevat. In het onderzoek van Fischer en Meyer (1983) werd gesteld dat ongecoate platen van 40 jaar een verweringslaag van ca. 0,3 – 0,4 mm vertonen. De gemiddelde verweringssnelheid van ongecoate platen (met een leeftijd tussen de 4 en 36 jaar) werd geschat op ca. 0,024 mm per jaar. Aanvullende

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

27 / 113

metingen in Berlijn toonden aan dat de verwering lineair verloopt. Hierbij wordt geschat dat de totale asbestemissie, door uitspoeling met regenwater en via emissie naar de lucht, maximaal 3 gram/m2/jaar is (Fischer & Meyer, 1983). Dit is in goede overeenstemming met een vergelijkbare studie van Bornemann & Hildebrand (1986), waarin voor sterk verweerde ongecoate platen een verweringsnelheid van ca. 0,01 mm per jaar werd geschat met een totale emissie van 3 gram/m2/jaar. Uit de metingen van Meyer (1986) in hetzelfde jaar bleek dat de emissie via het regenwater, bij kunstmatige beregening, vele malen hoger was dan de emissie via lucht: de emissie is geschat op ca. 2 x 107 vezels per liter regenwater. Met behulp van luchterosie simulatieexperimenten is door Meyer een gemiddelde emissiefactor naar lucht berekend van 0,1 – 5 x 106 vezels/m2/uur, wat overeenkwam met ca. 0,01 gram/m2/jaar. Na een vorstperiode werd de hoogste vezelemissie gemeten en er bleek een duidelijk verschil tussen gecoate en ongecoate platen. Uit het experiment bleek echter ook dat bij de platen met de grootste mate van verwering zowel de laagste als hoogste waarden werden gemeten, wat duidt op een grillig emissiepatroon of een verkeerde proefopzet. Spurny (1989) heeft tevens een serie simulatie-luchtmetingen uitgevoerd met verschillende typen asbestcementplaten van 3 – 60 jaar oud.

Hierbij waren verschillen te zien tussen ongecoate en gecoate platen, en bleek dat de vezelemissie afhankelijk is van de leeftijd van de plaat. Daarnaast bleek ook dat de weersomstandigheden een groot effect hebben op de vezelemissie. De asbestemissie naar de lucht was ca. 106 – 108 vezels/m2/uur, wat overeenkomt met een gemiddelde van 0,7 gram/m2/jaar. De emissie naar de lucht bleek hierbij ca. 20-25% van de totale emissie te zijn. Uit dezelfde metingen bleek dat de verweringsdiepte van ongecoate platen in de loop van ca. 18 jaar ongeveer 0,16 mm bedroeg, wat overeenkwam met een verweringsnelheid van 0,009 mm per jaar. Verder bleekt uit deze metingen dat de verweringsnelheid pas echt toeneemt bij platen ouder dan ca. 20 jaar. Bij oorspronkelijk gecoate platen was de verweringsnelheid lager maar nog wel zichtbaar. Bij dergelijke platen van 20 jaar oud lag de verweringsdiepte onder de 0,05 mm. Bij doorrekening van de gepubliceerde verweringsnelheden en verweringsdiepten bleek dat dit overeenkwam met een totale emissie van 0,5 – 4 gram/m2/jaar. In dezelfde studie van Spurny (1989) bleek dat oorspronkelijk gecoate platen weliswaar in het begin een iets lagere vezelemissie hadden, maar in de loop van de tijd (ca. 3-5 jaar) verweerde de coating en nam de vezelemissie alsnog toe. Vooral de meest gangbare zwarte coating verweerde snel.

Door Brown en Angelopoulos (1991) werd bij vergelijkbare luchterosietesten als Spurny (1989) en Meyer (1986) helemaal géén vezelemissie geconstateerd. Dit duidt erop dat de verkregen resultaten een behoorlijke onzekerheidsmarge hebben. In dezelfde studie is ook een borsteltest ontwikkeld voor de beoordeling van de verweringsgraad van asbestcement plaatmateriaal (Brown & Angelopoulos, 1991). Met deze methodiek is een serie metingen uitgevoerd met verschillende typen verweerd asbestcement plaatmateriaal. De metingen zijn uitgevoerd bij droog en zonnig weer en met compleet droog asbestcement plaatmateriaal, dat zich bevond aan de Noord- of West-zijde (normaal gesproken de meest verweerde zijden). Gemeten asbestvezelsemissies varieerden van 0,1 – 270 106 vezels/m2/uur. Het vrijmaken van vezels via de borstelmethode verschilt van het proces van uitloging van vezels via het regenwater, waardoor wordt aangenomen dat met deze methode een meer compleet beeld worden verkregen van de totale vezelemissie. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat met deze methode alleen de emissie van vezels wordt beoordeeld; vezelbundels en conglomeraten (samengeklitte vezelbundels en matrixdeeltjes (bijv. cement)) worden niet meegenomen in de beoordeling. Ook deze studie liet een duidelijke verhoging van de vezelemissie met veroudering van de platen zien.

Daarnaast was er een duidelijke correlatie te zien tussen de visuele beoordeling van de verwering en de daadwerkelijke vezelemissie.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

28 / 113

In een latere studie van Brown (1989), waarbij de dikte van asbestcementplaten over de jaren is gemonitord, bleek de verweringsnelheid te variëren tussen de 0,005 – 0,018 mm/jaar. Bij doorrekening van deze data komt dit overeenkomt met een totale emissie van 1 – 3,5 gram/m2/jaar. In hetzelfde onderzoek werd geconstateerd dat 25-27 jaar oude asbestcementplaten hun statische sterkte behielden. Verwering tast blijkbaar niet zodanig de interne met vezels versterkte structuur aan dat de integriteit van het materiaal verloren gaat. Uit dezelfde studie kwam wel naar voren dat wanneer het vochtgehalte in de platen toeneemt, de conditie van het materiaal sneller achteruit gaat. Asbestcement is een intrinsiek bros materiaal en is daardoor ontvankelijk voor barsten en scheurvorming. Tabel 3: Overzicht van studies naar de verweringsnelheid van asbestcement daken en de resulterende emissies als gevolg van uitspoeling via regenwater en luchterosie

Studie

Beschrijving AC

Locatie

Meettechniek

Analyse Verwering techniek snelheid (mm/jaar)

Totale emissie (gr/m²/j)

Emissie naar lucht (106 v/m²/uur) -

Fischer & ongecoat, 4 - 36 Meyer (1983) jaar

Westmeting afname Duitsland dikte AC platen

-

0,024

max 3

Meyer (1986) ongecoat, 30 jaar

Westsimulatie met Duitsland ventilator (1 - 5 m/s) Westmeting afname Duitsland dikte AC platen

SEMEDX

-

0,01 (lucht)

0,1 - 5

-

0,01

3

-

-

0,7 (lucht) 15 (0,1-225)

-

-

21 (0,1-225) 7 (0,1 - 55)

-

-

4 (0,1 - 21) 14 (0,1-158) 5 (0,1 - 32)

-

0,009

~2

-

FCM

0,0025 0,024 -

~0,5 ~4 -

<1

-

-

29 - 270

-

-

8 - 46

-

-

<1-6

Bornemann & Hildebrand (1986) Spurny (1989)

Brown & Angelopoulos (1991)

oude sterk verweerde ongecoate platen ongecoat, 3 - 60 Westjaar Duitsland ongecoat, > 20 jaar ongecoat, 10-20 jaar ongecoat, <10 jaar zwart gecoat kwalitatieve coating ongecoat, ca. 18 jaar gecoat, ca. 20 jaar ongecoat, > 20 jaar AC golfplaten Australië

ernstig verweerde AC daken 40 - 48 jaar matig verweerde AC gevels 40 - 48 jaar licht verweerde AC daken 8 - 15 jaar Brown (1998) golfplaten ca. 25 jaar daklei ca. 79 jaar Cattaneo et golfplaten dak al. (2009)

Zhang et al. (2016)

golfplaten 15 - 65 jaar

SEMsimulatie in EDX gesloten systeem met ventilator (1 - 5 m/s)

meting afname dikte AC platen

simulatie met ventilator (1 - 5 m/s) simulatie met zachte borstel

Australië

meting afname dikte AC platen

-

0,011-0,018 ~2 - 3,5

Italië

opvangen regenwater tellen vezels D>2µm, omrekening naar massa op basis van 193 gebouwen met AC platen

FCM

0,005 -

ZuidKorea

-

-

~1 0,7 ± 0,8 (AM±SD)

0,034±0,002 5,7 (0,01 - 0,08)

-

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

29 / 113

Door Cattaneo (2009) is een sedimentatiemethode ontwikkeld en gevalideerd waarmee de uitspoeling van asbestvezelbundels vanuit het asbestcement dakoppervlak kan worden gemeten. De methode bestaat uit sedimentatiebakjes die onderaan de dakrand hangen, waarop objectglaasjes worden gemonteerd met een kleverige substantie (85% stearyl alcohol, 15% octyldodecaan). Na een sampling tijd van ca. 25-30 dagen worden de gesedimenteerde vezelbundels (met diameter > 2µm) op het objectglaasje geteld en omgerekend naar een massaconcentratie in gr/m2/jaar. Het is onduidelijk hoeveel asbestcement daken er in deze studie zijn bemeten, maar de gemiddelde vezelbundel emissie was 0,7 ± 0,8 (SD) gr/m2/jaar. In vergelijking met de overige emissiefactoren in Tabel 3 is deze emissiefactor aan de lage kant. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat met deze methode vezelbundels met een diameter < 2 µm niet worden meegenomen. In dezelfde studie is ook gekeken naar het effect van wind op de emissie; hierbij werd geconstateerd dat windvlagen met snelheden van boven de 10 m/s zorgen voor een verhoogde emissie van asbestvezelbundels. In 2014 en 2016 is in Zuid Korea een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de verwering van asbestcement golfplaten (Zhang et al., 2014; Zhang et al., 2016).

Hierbij zijn van 193 gebouwen met hetzelfde type asbestcement golfplaten met variërende leeftijd tussen de 15 en 65 jaar de dikte van het plaatmateriaal gemeten. Op basis van een regressie-analyse (SPSS 2.0) is de verweringsnelheid, in mm, berekend op -0,015 + 0,034 x n (n = leeftijd asbestcement) (zie Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.), wat neerkomt op een emissie, in gram/m2/jaar, van -2,5 + 5,67 x n.

Figuur 4: De afname in dikte van asbestcement dakplaten met de leeftijd van de asbestdaken (Zhang et al., 2016).

De berekende emissiefactor van 5,7 gr/m2/jaar ligt hoger dan de overige emissiefactoren in Tabel 3. Dit kan het gevolg zijn vele factoren, waaronder het gebruik van een ander type cement, andere coating, andere weersomstandigheden, meer luchtverontreiniging (o.a. zure regen), etc.. Daarnaast wordt in de regressie-analyse uitgegaan van een lineair verband. Gezien de meetpunten zoals weergegeven in Figuur 4 zou met een logaritmisch verband wellicht een betere presentatie worden gegeven van het verweringsproces, waarbij voor oudere asbestcement platen de verweringssnelheid iets lager zou liggen dan voor nieuwere asbestcement platen. Dit zou in lijn zijn met de bevindingen van VITO (Peters et al., 2013) (zie ook paragraaf 3.5).

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

3.2.2

30 / 113

Uitspoeling via regenwater

Er zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd naar uitspoeling van asbest via regenwater, waarbij o.a. slibmonsters vanuit dakgoten zijn bemonsterd en regenwater vanaf AC daken is opgevangen en onderzocht (Meyer, 1986; Tromp, 2007; Kim et al., 2010; Peters et al., 2013; Jang et al., 2013; Peters et al., 2015; Jeong et al,, 2015, Ervik et al., 2021). De meeste van de onderzoeken zijn vrij recent en staan niet beschreven in het literatuuroverzicht uit 2007 (Tromp, 2007). Echter, in géén van de studies is een vertaalslag gemaakt naar de verweringsnelheid via uitspoeling, in hoeveelheid asbest per m2 dakoppervlak per jaar. In Tabel 4 is een overzicht gegeven van de studies waarin de concentratie aan asbest(vezels) in slib en regenwater is bepaald. Tabel 4: Overzicht van studies naar de concentratie aan asbest(vezels) in slib en water als gevolg van uitspoeling van asbestcement daken via regenwater

Studie

Beschrijving Verwering slib/water meting

Beschrijving slib/water analyse

Concentratie in slib en water

SEM-EDX

2 x 106 vezels/L (vezels >5µm)

Locaties

Toepassing

Meyer (1986)

West Duitsland

gebouwen met ongecoate AC dakplaten meer dan 30 jaar oud

Tromp (2007)

8 locaties in Nederland (diverse projecten in de periode 1994 - 2002)

AC golfplaten en daklei op matig woningen, ernstig fabrieken, verweerd koeltoren en veilinghal

verassen 430°C, gew% schatting, 45 slibmonsters hersuspensie, uit dakgoten en 6 deelmonster monsters Nuclepore, regenwater analyse met SEM-EDX

slib: 4x 0,1 - 2%, 22x 1 - 5%, 13x 5 10%, 1x 8 x 107 v/gram; water: 0,3 x 106 vezels/L

6 huizen met AC dakbedekking, niet per bouwjaar bekend (jaren '60, '70 en '80) 2 huizen

filtratie MCE filter, verassen, HCL digestie opvangen hersuspensie, regenwater (3,5L) deelmonster via dakgoot in MCE, analyse drie perioden FCM en SEMEDX (voor bevestiging)

'60 (n=6): GM 31.200, range 10.400-55.600 v/L; '70 (n=6): GM 16.900, range 5.200-38.100 v/L; '80 (n=6): GM 7.150, range 2.73024.800 v/L

water: 5mL Nuclepore of 50L Buchnerfilter, verassing, hersuspensie, deelmonster Nuclepore, analyse SEMEDX

slib dakgoot: 3000 (gem), 295 (mediaan), 3,6 – 17.000 (min-max) mg/kg slibfractie water: 74 en 12 mg/kg (golfplaat), 52 en 630 mg/kg (daklei); waterfractie: < 20.800 v/L (n=4)

filtratie MCE filter, verassen, HCL digestie

totaal (n=75): GM 1753, GSD 858,

Kim et al. (2010)

6 locaties in Zuid Korea

niet bekend

kunstmatige beregening AC dakbeplating en opvangen regenwater

Peters et al., (2013)

4 locaties in Vlaanderen

AC golfplaat en daklei

verweerdernstig verweerd

opvang vanuit goot, slib in sedimentatie container, water via overloop in grote container, na iedere regenbui sampling 2L water, na 3 maanden slib sampling

Jang et al. (2013)

20 locaties in Zuid Korea

20 boerderijen met asbestleien daken,

niet bekend

per boerderij op regenachtige dag 4x een

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Toepassing

Beschrijving Verwering slib/water meting

constructiejaar 1972-1992

Peters et al. (2015)

2 locaties in Vlaanderen

AC golfplaat en daklei

watermonster van het dak (75 samples)

niet bekend

2 locaties, per locatie 2 schepmonsters (500mL) uit waterput: 1x bovenlaag en 1x na oproeren sediment

31 / 113

Beschrijving slib/water analyse hersuspensie, deelmonster MCE, analyse FCM

Concentratie in slib en water AM 1562, range 500-4615 v/L/m2 <1979 (n=23): GM 2089, GSD 971, AM 1881, range 723-4615 v/L/m² 1980-1985 (n=31): 1630, GSD 823, AM 1454, range 615-3879 v/L/m² >1986 (n=21): GM 1566, GSD 695, AM 1416, range 500-3333 v/L/m²

bovenlaag: 25mL bovenlaag: 4x < en 300mL (na 20.000 v/L en 1x < indampen) op 1700 v/L; Nuclepore filter; na oproeren: na oproeren: 21.000, 1.500.000, 10mL (na 730.000 en verassen) op <58.000 v/L Nuclepore filter en slibfractie: 2x +/20mL (na (chrysotiel), 2x +/indampen) op (chrysotiel) en + tape, analyse (crocidoliet) SEM-EDX

Jeong et 2 locaties in al. Zuid Korea (2015)

filtratie MCE filter, in drie perioden (bij 8, 100 en 16,5 verassen, HCL matig AC golfplaten (fabriek) en mm neerslag per digestie, (10-15% dag) via trechter hersuspensie, chrysotiel): een ernstig deelmonster fabriek (1987) en (woonhuis) opvangen in MCE, analyse emmer, na woning (<1983) verweerd FCM mengen 1L

periode 1 (8mm), 2 (100mm) en 3 (16,5mm): fabriek: 10580, 3530, 5290 v/L; woonhuis: 8820, 1760, 5290 v/L

Ervik et al. (2021)

>50 jaar oude ernstig AC golfplaat met verweerd chrysotiel

ca. 1 mL op Isopore (0.8µm) filter, platina coating, analyse met SEM-EDX

veel asbest en vezels aangetroffen, geen concentratie berekend

7 locaties in Noorwegen

simulatie regen door gieten 0,5L water aan de nok en opvangen onder dakrand

In de studie van Meyer (1986) is de hoogste concentratie aan asbestvezels in regenwater gemeten (2 x 106 vezels/L). In de recentere onderzoeken ligt de asbestvezelconcentratie in regenwater lager en varieert van ca. 2.000 tot 1,5 x 106 vezels/L. Bij de beoordeling van de resultaten moet wel rekening worden gehouden met de toegepaste analysetechnieken; de resolutie van fase-contrast microscopie (FCM) ligt lager dan voor scanning electronen microscopie (SEM-EDX), waardoor bij analyse met FCM dunne vezels niet zichtbaar zullen zijn en de asbestvezelconcentratie wordt onderschat. Vooral de Koreaans studies hebben gebruikt gemaakt van deze FCM techniek (Kim et al., 2010; Jang et al., 2013; Jeong et al., 2015). TNO en VITO hebben gebruik gemaakt van SEMEDX waarbij hogere concentraties zijn gemeten (Tromp, 2007; Peters et al., 2015).

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

32 / 113

In dakgoten onder asbestcement dakplaten wordt vrijwel altijd een hoog gehalte aan asbest in het slib aangetroffen. Het betreft een combinatie van schilfers asbestcement en conglomeraten (samengeklitte vezelbundels en matrixdeeltjes), vezelbundels en vezels. Op basis van de resultaten van het onderzoek van TNO bleek dat het percentage aan asbest in het slib afkomstig van dakgoten afhankelijk was van de verweringsgraad van de asbestcement dakplaten; dit percentage varieerde van 0,1 tot 10 gewichtsprocent met een gemiddeld asbestpercentage van ca. 3% (Tromp, 2007). Door VITO is in 2013 ook onderzoek uitgevoerd naar de asbestconcentratie in het slib in dakgoten (Peters et al., 2013). Hierbij zijn concentraties tussen de 4 en 17.000 mg/kg aangetroffen, met een gemiddelde van 3000 mg/kg (0,3%). De grote variatie werd deels veroorzaakt door het verschil in verweringsgraad van de asbestcementdaken (zie Tabel 13, paragraaf 3.5), maar werd ook beïnvloed door de staat van de dakgoten, weers- en seizoensinvloeden, en schoonmaakregime.

3.3

Blootstelling- en omgevingsmetingen

Er zijn veel onderzoeken uitgevoerd naar asbestconcentraties in de binnenlucht van gebouwen met asbestcement daken (o.a. woningen, boerderijen, loodsen) en in de buitenlucht in de directe omgeving van deze gebouwen. In Tabel 5 is een overzicht gegeven van de gemeten asbestconcentraties in binnen- en buitenlucht als onderdeel van in totaal 26 studies uitgevoerd in de periode tussen 1979 en 2021. Naast de resultaten is contextuele informatie zoals locatie, toepassing en verweringsgraad van de asbestcement daken beschreven, en zijn in het kort de monsterneming- en analysemethoden toegelicht. Tabel 5: Overzicht van studies naar de concentratie aan asbestvezels in de binnen- en buitenlucht van en nabij gebouwen met asbestcement dak- en gevelbekleding.

Studie

Locaties

Spurny (1979)

West Duitsland

Meyer (1986)

Spurny (1988)

Tromp et al. (1996)

Toepassing

Verwering

Beschrijving luchtmeting

Beschrijving Concentratie analyse binnen (v/m³)

buitenlucht, op indirecte 0,5 mtr en 100 methode, niet bekend mtr afstand van SEM-EDX AC dak buitenlucht, op minder dan 5 mtr van AC daken en ongecoate AC simulatie met golfplaten, West niet bekend behulp van een onbekend Duitsland meer dan 30 ventilator jaar oud (luchtstroom langs oppervlak 1 - 5 m/s) buitenlucht bij gebouwen West verweerde AC SEM-EDX niet bekend tussen 1983Duitsland golfplaten 1985 2 experimenten AC golfplaten binnen in schuur (10-15% (15 m2) met licht 1 locatie in chrysotiel, 2SEM-EDX verweerd geforceerde Nederland 5% crocidoliet), ventilatie richting ca. 25 jaar oud onderkant dak AC golfplaten 70 jaar oud

-

-

-

< 500 en <240

Concentratie buiten (v/m³) 300 (0,5mtr) en 35 (100mtr) buitenlucht: 60 simulatie ongecoate platen: 100 - 1000 simulatie na lange vorstperiode: 1600 – 3400 simulatie gecoate platen: 400 AM 750 , range 200 - 1200; 63% < 500, 37% >500, 12% >1000

-

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Beschrijving luchtmeting

33 / 113

Beschrijving Concentratie analyse binnen (v/m³)

Toepassing

Verwering

AC dakplaten

buitenlucht, uitgevoerd door Teichert in 1983 (1 gebouw) en 1986 (51 metingen, 4 SEM-EDX niet bekend gebouwen) op 10 cm boven AC daken, direct naast AC daken en in de omgeving van AC daken

Concentratie buiten (v/m³)

-

één oud verweerd dak (1983): 300 - 400 (10cm boven AC dak) en <150 (100-500mtr benedenwinds) 4 AC daken > 15 jaar (1986): AM 100, range < 150 – 400 (10cm boven AC dak), range < 150 - 100 (naast AC dak) en < 150 (omgeving AC dak)

metingen in kapschuren, op het erf ernaast SEM-EDX en in de woning (inlooproute), 4 uur bij 8 L/min

(kap)schuren: < 250 (n=4) woningen: 3x < 250, 1x 80

< 250 (n=4)

herhaalde metingen, periode meiseptember 2004: SEM-EDX 10cm boven dak, (VDI 3492) benedenwinds en onder dak, 8 uur bij 8 L/min

< 100 (per gebouw 4-5 metingen)

< 100 (per gebouw 4-5 metingen)

Tromp (1994, 2007)

AC dak/gevellei op 10 locaties sterk woningen in woonwijk zonder dakgoot verweerd in Nijmegen met inloop via afwateringzone

22 metingen in woningen voor en na sanering en 5 metingen buiten in de woonwijk; 4 - 8 uur bij 8L/min

SEM-EDX

voor sanering: AM 3500, GM 780, range 80 – 27000 (n=10) na sanering: < 300 (n=12)

voor sanering: <300 (n=2), 100 (n=1) na sanering: < 300 (n=2)

Tromp (2007)

AC 12 locaties dak/gevellei op matig in woonwijk woningen met verweerd in Huizen dakgoot, inlooproute

12 metingen in woningen 2 metingen buiten SEM-EDX in de woonwijk; 4 - 8 uur bij 8L/min

< 300 (n = 11), 100 (n=1)

< 300 (n=2)

Tromp (2007)

AC golfplaten dak- en 4 locaties in gevelbekleding sterk woonwijk in op woningen verweerd met dakgoot, Lelystad inloop & inwaai route

4 metingen in woningen en 6 metingen buiten SEM-EDX in woonwijk; 4 - 8 uur bij 8L/min

AM 350, GM 200, range <300 – 990 (n=4), < 300 (n=6) hoogste concentratie in benedenwoning via inloop

Tromp (1998, 2002, 2007)

AC golfplaten 3 locaties in daken: Nederland steenfabriek, en 1 locatie koeltoren, op Aruba (4 veilinghal en studies) kazerne

17 metingen binnen in gebouwen met SEM-EDX AC en 23 metingen buiten in de buurt; 4 - 8 uur bij 8L/min

< 300 (n=17)

Brown (1998)

West Duitsland

AC golfplaten op (kap) Arzoni & matig 4 locaties in schuren met Tempelman verweerd Overijssel deels ook (2000) asbestpulp op vloeren woonhuis (1970) en chalet (1967) met Heierli & ernstig 3 locaties in asbestleien Weber verweerd Zwitserland dak, groot (2005) gebouw (1981) met AC golfplaat

matig – sterk verweerd

< 300 (n=23)

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

ASCC (2008)

Locaties

Toepassing

diverse AC dakplaten locaties in van Australië en verschillende West ouderdom Duitsland

Verwering

niet bekend

Beschrijving luchtmeting

34 / 113

Beschrijving Concentratie analyse binnen (v/m³)

buitenlucht, nabij onbekend AC daken

AC daken: 2 buitenlucht, fabrieken naast dakrand 9 locaties in (50.000 / indirecte op 50 mtr Italië, 300.000 m2), 1 afstand, 1m3/min methode, Gualtieri et waarvan 4 niet bekend SEM-EDX / al. (2009) bowling hal gedurende 1 locaties met TEM-EDX (600 m2) en 1 week (3 MCE AC daken filters van 48 warenhuis uur) (800m2) AC dakplaten: 5 boerderijen, 2 werkplaatsen, matig Campo20 locaties ernstig 7 industriële piano et al. in Italië gebouwen, 4 verweerd (2009) loodsen, 2 openbare gebouwen

2-4 buitenmetingen op 3-4 mtr afstand van SEM-EDX gebouwen, bij droog weer met weinig wind; max 5 uur met 10 L/min

Concentratie buiten (v/m³)

-

Felbermayer & Ussar (1980): AM 100, range <LOD - 400 (AC 30 jaar) Bornemann & Hildebrandt(1986): 100 – 400 (AC 50 jaar) Brown (2000): AM 200 Clark: < 200 (AC ≤ 25 jaar)

-

keramische fabrieken: 12,5 en 6,6 bowling hal: <LOD warenhuis: <LOD, 4,4 en 4,6

-

100 metingen buiten op droge dagen in voorjaar en najaar, metingen 62 woningen op 3 posities: en openbare Krakowiak 62 locaties gebouwen met niet bekend directe omgeving FCM et al. in Polen van AC AC dak- en (2009) dak/gevelplaten, gevelbekleding afstand van 100500 mtr en achtergrond; 4-5 uur bij 8-9 L/min

-

45 metingen Laser Fiber binnen in 25 gebouwen gebouwen met Monitor FMmet AC daken en zonder AC op 7400 en Pastuszka 25 locaties en 20 niet bekend steekproef grote afstand referentie (2009) in Polen FCM ter van drukke gebouwen controle wegen zonder AC gedurende 24

gebouwen met AC: AM 850, range 300-1800 (n=25) gebouwen geen AC: AM 280, range <70-700 (n=20)

boerderij, loods, werkplaats: 400 (0,1 - 1000) leegstaande industriële loodsen: 600 (2001400) openbare gebouwen: <400 (52% <LOD, 48% > 1000) naast gebouwen (n=41): AM 1800, range <1000-9000 (27 locaties, 41 metingen) 100-500mtr van gebouwen: AM <1000, range <1000-1000 (24 locaties, 42 metingen) achtergrond: AM <1000, range <1000-1000 (11 locaties, 17 metingen) gebouw 1: 600 (LFM), 690 (FCM) gebouw 2: 800 (LFM), 920 (FCM)

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Toepassing

Verwering

Beschrijving luchtmeting

35 / 113

Beschrijving Concentratie analyse binnen (v/m³)

uur en 2 metingen buiten naast gebouwen met AC

Concentratie buiten (v/m³)

FCM controle: AM 2000, range 960-3200 (n=3)

20 boerderijen 3 metingen met buiten per asbestleien boerderij (60 daken, 20 locaties metingen), bij constructiejaar Jang et al. FCM niet bekend in Zuid droog weer, 1mtr 1972-1992, (2013) Korea benedenwinds oppervlakte van het dak, 6 dak 11-449 m², uur bij 2 L/min lengte dak 1,65-5,70 m

-

AC golfplaten (10-15% chr): metingen binnen 6x bouwjaar en buiten op 12 Jeong et al. 10 locaties 1968-1985, 4x FCM niet bekend locaties, 2-4 uur (2013) Zuid Korea bouwjaar bij 10L/min <1970 en 2x gebouw zonder AC

bouwjaar 1968- bouwjaar 19681985: AM 2200, 1985 (n=6): AM range 1600-3100 1600, range 800(n=6) 2700 bouwjaar <1970: bouwjaar <1970 AM 4600, range (n=4): AM 1300, 3200-6700 (n=4) range 1100-1600 referentie: referentie (n=2): AM 1500, range AM 1200, range 1400-1600 (n=2) 800-1600

metingen buiten in 3-voud op 2 locaties op het dak (benedenPeters et windse zijde), ca SEM-EDX al. (2013) 8 uur met 8 L/min, droog weer en zwakke wind. 2-4 metingen binnen per locatie in afgesloten ruimte met geringe 9x AC activiteit (1x 13 locaties golfplaat, 3x waaier), 2 - 24 Peters et SEM-EDX niet bekend daklei en 1x in uur met 8 L/min al. (2015) Vlaanderen asbesthoudend (4x inwaai via onderdak dakvenster, 4x inloop via afdruipzone, 4x interne verwering) 8x AC meting binnen op golfplaat, 5x 3 locaties, op 1 metalen en 3x locatie Peters et 8 locaties in houten SEM-EDX verweerd saneringsal. (2016b) Vlaanderen draagstructuur; activiteiten en op 1x 2 locaties ventilatie/verwa geringe activiteit rming 8x AC golfplaat met dakgoot, 4x AC golfplaat 8x zeer 26 locaties zonder goot, 9x hoog, 11x gecoat daklei in hoog, 7x Vlaanderen met goot, 1x laag gecoat daklei zonder goot, 4x gecoat gevellei

-

GM 110, GSD 45, AM 1780, range ND-8470 (geen relatie met ouderdom, windsnelheid, neerslag, wel relatie met dakoppervlak)

< 150 (2 locaties in triplo)

inwaai: <40 - <90 (n=3), <300 en 100 (n=1) inloop: <90 (n=4); interne verwering: < 90 <300 (n=3), 100 en <300 (n=1)

saneringsactiviteit: 340 en <150 geringe activiteit: < 300

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

Studie

Locaties

Toepassing

Verwering

Beschrijving luchtmeting

36 / 113

Beschrijving Concentratie analyse binnen (v/m³)

Concentratie buiten (v/m³)

per locatie 3 metingen buiten 2x AC benedenwinds golfplaten (10matig op 1mtr afstand 15% FCM en (fabriek) en van dak: 1x Jeong et al. 2 locaties in chrysotiel): een SEM-EDX ernstig droog weer (2015) Zuid Korea fabriek (1987) (ISO14966) (woonhuis) (2wk), 1x na en een verweerd regen en 1x 48 woonhuis uur na regen, 4 (<1983) uur bij 10 L/min

-

fabriek (FCM/SEM): 1600/600 (droog), <LOD (regen), 1800/<LOD (48h na regen); woonhuis (FCM/SEM): 200/300 (droog), <LOD (regen), 1200/<LOD (48h na regen)

1 meting buiten naast de dakrand (m.b.v. SEM-EDX steiger), ca. 7 uur bij 2 L/min

-

< 1200

AC golfplaat Ervik et al. 1 locatie in met chrysotiel, ernstig (2021) Noorwegen meer dan 50 verweerd jaar oud

Bij de interpretatie van de luchtmetingen moet rekening worden gehouden met de meetperiode in relatie tot de heersende achtergrondconcentratie aan asbestvezels in de lucht. In Europa zijn in de jaren’ 80 en ‘90 diverse asbestverboden van kracht geworden. Dit betekent dat voor deze tijd er nog allerlei activiteiten plaatsvonden met asbest waarbij asbestvezels in de lucht vrijkwamen, wat ervoor heeft gezorgd dat achtergrondconcentraties in die tijd relatief hoog waren. Vooral het verbod op het gebruik van asbesthoudende remvoeringen en het sluiten van de asbest-verwerkende industrie heeft in Nederland geleid tot een aanzienlijke reductie van de asbestvezelconcentratie in de buitenlucht tot het huidige niveau van ca. 35 (<30 – 81) vezels/m³ voor het totaal aan vezels en ca. 6 (<30 – 30) vezels/m3 voor vezels langer dan 5 µm (zie Figuur 5) (Tromp, 2016).

Figuur 5: De asbestvezelconcentratie in de buitenlucht, gemeten in Nederland in verschillende meetperioden (Tromp, 2016)

Bovenstaande betekent dat bij de meetresultaten van Spurny (1979, 1988), Teichert (1983, 1986, zie Brown, 1998), Meyer (1986) en de meetresultaten zoals vermeld in het rapport van de Australian Safety and Compensation Council (ASSC, 2008) de gemeten asbestvezelconcentraties deels het

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

37 / 113

gevolg kunnen zijn geweest van een verhoogde achtergrondconcentratie. Voor de metingen in Polen (Krakowiak et al., 2009; Pastuszka, 2009), Italië (Gualtieri et al., 2009; Campopiano et al., 2009) en Zuid Korea (Jang et al., 2013; Jeong et al., 2013; Jeong et al., 2015) is dit vooralsnog onduidelijk. Naast de meetperiode is ook de meettechniek een belangrijke factor bij de interpretatie van de gepubliceerde meetgegevens. In een aantal studies zijn de metingen uitgevoerd met FCM (Jang et al., 2013; Jeong et al., 2013; Krakowiak et al, 2009; Pastuszka, 2009). Met deze lichtmicroscopische techniek wordt geen onderscheid gemaakt in asbestvezels en overige vezels, wat betekent dat de asbestvezelconcentratie wordt overschat. Dit is duidelijk zichtbaar in de studie van Jeong et al. (2015), waarin zowel met FCM als met SEM-EDX is gemeten. Met FCM en SEMEDX worden gemiddelde (asbest)vezelconcentraties gemeten van respectievelijk 1200 vezels/m3 en 200 vezels/m3. Gezien bovengenoemde kanttekeningen kan voor een reële inschatting van de asbestvezelconcentraties in de binnenlucht en buitenlucht in en rondom gebouwen met asbestcement daken in principe alleen gebruik worden gemaakt van de studies van VITO (Peters et al., 2013; Peters et al., 2015; Peters et al., 2016b), TNO (Tromp, 1996, Arzoni & Tempelman, 2000; Tromp, 2007) en BUWAL (Heierli & Weber, 2005).

In al deze studies wordt slechts één keer een lage concentratie aan asbestvezels in de buitenlucht aangetroffen (100 vezels/m³) in de nabijheid van asbestcement dakplaten. In verreweg de meeste gevallen wordt geen asbest in de lucht aangetroffen, waardoor de gemiddelde asbestvezelconcentratie ruim onder de 100 vezels/m3 blijft. In de bovengenoemde studies is ook de inpandige blootstelling in woningen en schuren/loodsen met asbestcement gevels en daken in kaart gebracht. In de meeste gevallen werd ook daar geen asbest in de lucht aangetroffen met sporadisch een lage asbestvezelconcentratie (80 - 100 vezels/m3). Ook bij onderzoek naar interne verwering van asbestcementplaten zijn bij geforceerde ventilatie tegen het onderdak van asbestcement golfplaten in een schuur géén asbestvezels in de lucht aangetroffen (Tromp, 1996). In twee gevallen heeft TNO wel een verhoogde concentratie in de binnenlucht aangetroffen. In beide gevallen betrof het een woonwijk met veel asbestcement gevels en daken in sterk verweerde toestand; beide woonwijken zijn inmiddels volledig gesaneerd. In Nijmegen ging het om een ‘inloop’ situatie, waarbij de woningen waren voorzien van asbestleien gevel- en dakbekleding, zonder dakgoten met afwatering direct op de stoep voor de deur van de woning.

Hierbij zijn asbestvezelconcentraties gemeten tussen de 80 en 3.800 vezels/m3, met één keer een uitschieter van 27.000 vezels/m3. In het laatste geval betrof het een situatie met hoogpolig tapijt waar tijdens de meting werd stof gezogen. In Lelystad betrof het een ‘inwaai’ situatie, waarbij de woningen volledig waren bekleed met asbestcement golfplaten met alleen uitsparingen voor ramen. Van de vier metingen is twee keer een verhoogde concentratie gemeten van 230 en 990 vezels/m3. VITO heeft bij de inpandige metingen onderscheid gemaakt in verschillende scenario’s: inwaai, inloop en interne verwering (Peters et al., 2015). Bij de ‘inwaai’ situatie is bij drie locaties géén asbest gemeten en bij één locatie in één van de twee metingen een spoor asbest (100 vezels/m3). In de ‘inloop’ situatie is op de vier bemeten locaties géén asbest in de binnenlucht aangetroffen. Bij de ‘interne verwering’ betrof het ruimten (twee zolders, loods en tuinhuisje) zonder onderdak waarbij de asbestcement niet was afgeschermd. Op één van de zolders is in één van de twee metingen een licht verhoogde concentratie gemeten van 100 vezels/m3. Op deze locatie is in één van de drie stofmonsters ook relatief veel asbest aangetroffen (+).

In een eerder onderzoek van VITO naar het binnenmilieu in loodsen (Peters et al., 2016b) is ondanks de aanwezige asbest in de stofmonsters (+/- tot ++) op één uitzondering na géén asbest in de lucht aangetroffen. De keer dat er wel asbest in de lucht werd aangetroffen in een loods (340 vezels/m3) had dit te maken met saneringsactiviteiten in het pand.

TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022

3.4

38 / 113

Depositie op de bodem

Er zijn in Nederland (provincies Overijssel, Gelderland en Drenthe) en in Vlaanderen meerdere onderzoeken uitgevoerd naar de asbestconcentratie in de afwateringszone onder asbestcement daken. Deze onderzoeken zijn vrijwel allemaal uitgevoerd conform de NEN 5707 of de daaraan afgeleide norm CMA/1/A.7 in Vlaanderen (Oosterwegel, 2014; Peters et al., 2015; Peter et al., 2021; Öksüztepe, 2015, Wetterauw, 2017; Abesim, 2019). Het betreft zowel totaal asbestgehalten, in mg/kg grond, als respirabele vezels, in vezels/kg. Ook is de verspreidingszone en diepte van de verontreiniging onder asbestcement daken daarbij in kaart gebracht. Door TNO (Tromp, 2002) en VITO (Peters et al., 2021) is ook op beperkte schaal aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de blootstelling aan asbestvezels van met asbest verontreinigde bodem in de afwateringszone. Afgezien van de bovengenoemde onderzoeken in Nederland en België is nog één studie bekend in Zuid-Afrika, waarin de vezelconcentratie in de afwateringszone in kaart is gebracht (Philips et al., 2009). Een overzicht van deze studies is weergegeven in Tabel 6. In een aantal studies (Oosterwegel, 2014; Öksüztepe, 2015, Wetterauw, 2017; Abesim, 2019) is naast de toplaag ook de diepere bodemlaag onderzocht. Hieruit blijkt dat het asbest niet alleen in de toplaag aanwezig is, maar ook in de diepere bodemlagen kan voorkomen, tot wel 20-30 cm onder maaiveld.

De meeste asbest (60-90%) bevindt zich echter wel in de bovenste 5 cm van de bodem. Verder blijkt dat onder de dakrand de concentraties asbest het hoogst zijn, en bij toenemende afstand tot het dak de concentraties snel afnemen (Oosterwegel, 2014; Wetterauw, 2017). Direct onder het dak bevindt zich ca. 40-80% van het asbest, op een halve meter afstand ca. 25-40%, en op één meter afstand nog maximaal 20%; verder dan 1 meter van het dak is nagenoeg geen asbest in/op de bodem meer te vinden. In één studie is zowel de aan de noord- als aan de zuidzijde van een dak bemonsterd (Wetterauw, 2017). De asbestconcentraties aan de noordzijde liggen iets hoger (factor 1,2) dan aan de zuidzijde, dit verschil is echter niet significant. Tabel 6: Overzicht van studies naar de concentratie aan asbest in de afwateringzone onder asbestdaken als gevolg van uitspoeling via regenwater

Beschrijving Concentratie monsterneming (mg/kg)

Studie

Locaties

Tromp (2002)

totaal: AM 2000, 1 oude steenfabriek in GM 980, range Schijf met kapotte toplaag 0-5cm in 78-6700 de afwateringen ernstig nietzone; 7 verweerde AC hechtgebonden: monsters golfplaat met AM 1800, GM chrysotiel & 540, range 65crocidoliet 6700

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=cc1ca8c9-e00e-4d28-944b-de5f7dd83ffc