BL TNO Eindrapport_Verwering_AsbestDaken
Tekst van het document
Princetonplein 9 3584 CC Utrecht Postbus 80015 3508 TA Utrecht
TNO rapport
www.tno.nl
TNO 2022 R10832 A | Eindrapport
De verwering van asbesthoudende daken en de verspreidingsroutes en blootstellingsrisico's van daarbij vrijkomende asbest(vezels)
Datum Auteurs
15 juni 2022 P. Tromp S. Spaan B. ten Brug
Goedgekeurd door
M. Rennen
Exemplaarnummer Aantal paginas Aantal bijlagen
113 (incl. bijlagen) 2
Opdrachtgever Projectnaam
Provincie Overijssel Onderzoek verwering asbestdaken en gerelateerde blootstellingsrisico’s 060.45804
Projectnummer
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van TNO. Indien dit rapport in opdracht werd uitgebracht, wordt voor de rechten en verplichtingen van opdrachtgever en opdrachtnemer verwezen naar de Algemene Voorwaarden voor opdrachten aan TNO, dan wel de betreffende terzake tussen de partijen gesloten overeenkomst. Het ter inzage geven van het TNO-rapport aan direct belanghebbenden is toegestaan. © 2022 TNO
T +31 88 866 22 78 F +31 88 866 20 42
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
2 / 113
Samenvatting Inleiding en vraagstelling Sinds 1978 is asbestbeleid ontwikkeld en uitgevoerd gericht op het terugdringen van het voorkomen van asbest in enigerlei vorm in het binnen- en buitenmilieu. Dit beleid heeft onder andere geleid tot een aanzienlijke reductie van de asbestvezelconcentratie in de buitenlucht. Op basis van het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 heeft de Nederlandse regering in 2011 besloten om asbestdaken, als grootste resterende en toenemende bron van asbestvezels in de leefomgeving, aan te pakken. Hiervoor is een stimuleringsprogramma opgezet voor het verwijderen van asbesthoudende daken dat is verankerd in de ‘Samenwerkingsverklaring aanpak van asbestdaken’. Inmiddels zijn 10 jaar verstreken en in die tijd is er veel discussie ontstaan over de werkelijke blootstellingsrisico’s van asbest in relatie tot de verwering van asbestdaken. Hoewel het logisch is dat met een oplopende leeftijd de staat van asbesthoudende materialen verslechtert waardoor vezels gemakkelijker in het (leef)milieu terechtkomen, ontbreekt een duidelijke kwantificering en samenhangende blootstellingsrisico’s hiervan. Actuele informatie over de verwering van asbestdaken is derhalve gewenst om: 1. het verloop van de verwering en de hoeveelheid vrijkomend asbest beter te kunnen inschatten, 2. de verspreidingsroutes vanuit asbestdaken kwantitatief in kaart te kunnen brengen, 3.
het risico voor bewoners en omwonenden concreter te kunnen aangeven en 4. inzicht te krijgen in de bijdrage van asbestdaken aan de achtergrondconcentratie in Nederland. Om inzicht te krijgen in de blootstellingsrisico’s voor bewoners en omwonenden heeft de provincie Overijssel in overleg met het Ministerie van I&W aan TNO opdracht verleend om de verspreidingsen blootstellingsroutes van asbest(vezels) die vrijkomen uit verwerende asbesthoudende daken van woningen, schuren en stallen in kaart te brengen (zie Figuur S1). Hierbij is het kwantitatief bepalen van de hoeveelheid asbest(vezels) die vrijkomt via zowel luchterosie als uitspoeling via regenwater van belang, evenals het maken van een voorzichtige inschatting van het verloop van het verweringsproces in de komende ca. 10 - 20 jaar.
Figuur S1: Verspreidings- en blootstellingsroutes asbest(vezels) afkomstig van verwerende asbestdaken (figuur opgesteld door Provincie Overijssel)
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
3 / 113
Normen en advieswaarden voor asbest In 2010 zijn door de Gezondheidsraad voor milieublootstelling jaargemiddelde risiconiveau concentraties afgeleid die gelden voor levenslange blootstelling (GR, 2010): Een concentratie van 28 chrysotielvezels/m3, 3 amfibool asbestvezels/m3 of 13 vezels gemengd asbest (<20% amfibool)/m3 komt overeen met 10-6 risiconiveau dat is gekoppeld aan het Verwaarloosbaar Risico (VR); Een concentratie van 2800 chrysotielvezel/m3, 300 amfibool asbestvezels/m3 of 1300 vezels gemengd asbest (<20% amfibool)/m3 komt overeen met 10-4 risiconiveau dat is gekoppeld aan het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). De risiconiveaus gelden voor vezels met een lengte van minimaal 5 μm, maar bij de risicoanalyse zijn de mogelijke effecten van vezels korter dan 5 μm wel impliciet meegenomen. In 2003 zijn door het RIVM en TNO de risico’s van asbest in de bodem beoordeeld (Swartjes et al., 2003). Op basis hiervan is een interventiewaarde bodem van 100 mg/kg ds (droge stof) afgeleid, uitgedrukt als de optelsom van de concentratie aan chrysotiel en 10x de concentratie amfibool asbest (gewogen norm). Ten behoeve van de locatie specifieke risicobeoordeling (Circulaire bodemsanering, 2013) is voor respirabele asbestvezels een waarde van 10 mg/kg ds (gewogen) vastgesteld, waarboven sprake is van “onaanvaardbare risico’s”.
Plan van aanpak Het onderzoek is opgebouwd uit twee fasen: een literatuuronderzoek en een veldonderzoek. Op basis van beschikbare kennis afkomstig van de meest recente literatuur zijn kennishiaten geïnventariseerd en is een voorlopig plan van aanpak ontwikkeld voor het uit te voeren veldonderzoek dat is voorgelegd aan de technisch-wetenschappelijke begeleidingscommissie “Routeonderzoek asbestvezels”. Na goedkeuring is het definitieve plan van aanpak gefinaliseerd. Ten behoeve van de metingen zijn “realistische worst case” meetlocaties geselecteerd met variatie in type materiaal (asbestcement en asbestlei), type asbest (chrysotiel, crocidoliet), hellingshoek van het dak, ouderdom, verweringsgraad, toepassing (woning, schuur/loods en stal) en locatie (bebouwde/landelijke omgeving) (zie Tabel S1). Ook is rekening gehouden met de aan- en afwezigheid van dakgoten waarbij in het laatste geval van belang is of de inlooproute naar de woning via de afwateringzone loopt. Bij schuren, loodsen en stallen is verder nog onderscheid gemaakt in houten en stalen dakspanten vanwege de verschillen in uitzetten en inkrimpen als gevolg van temperatuursveranderingen. Om een goed inzicht te krijgen van de conditie en verweringsgraad van het asbestcement dak is op iedere geselecteerde locatie een visuele inspectie uitgevoerd in combinatie met kleefmonsters.
Om inzicht te krijgen in het vrijkomen van asbestvezels heeft het onderzoek plaatsgevonden op vijf locaties in de zomerperiode (16 juli 2021 t/m 13 oktober 2021) en vier locaties in de winterperiode (2 november 2021 t/m 3 maart 2022). Het veldonderzoek heeft zich primair gericht op het bepalen van de hoeveelheid asbest(vezels) die uitspoelt via regenwater om zo inzicht te krijgen in de verweringssnelheid (vrijkomende asbest in gr/m2/jaar en vezels/m2/jaar) via uitspoeling. Daarnaast zijn luchtmetingen uitgevoerd in woningen, schuren en stallen en in de buitenlucht rondom asbestdaken, om inzicht te krijgen in de actuele blootstellingsrisico’s voor bewoners en omwonenden. Als aanvulling zijn kleefmonsters van oppervlakken genomen om een indruk te krijgen van de potentiële blootstellingsrisico’s als gevolg van het weer in de lucht komen van gesedimenteerde asbestvezels.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
4 / 113
Tabel S1: Kenmerken van de geselecteerde meetlocaties voor het verweringsonderzoek
Type
Conditie Leeftijd Asbest Beschrijving object CHR + Voormalige kippenschuur uit 1957 (163 CRO m²), geen dakgoot Voormalige veeschuur uit 1967 (405 m²) 45-60 CHR en kippenschuur uit 1972 (115 m²) jaar Sterk verweerd CHR + Voormalige varkensschuur (140 m²) en Golfplaat CRO kapschuur (100 m²) zonder dakgoot 30-45 Drie geschakelde kalverstallen uit 1980CHR jaar 1985 (1200 m²) Een koeienstal en varkensstal uit 1976 CHR (beide 1200 m²) 45-60 jaar CHR + Voormalige varkensschuur uit 1975 Matig CRO (1200 m²) verweerd CHR Kalverenschuur uit 1985 (1500 m²) 30-45 Woningen uit 1980-1982 met gevel- en jaar Daklei CHR dakpanelen * CHR = chrysotiel, CRO = crocidoliet
Periode 1
Periode 2
Hoevelaken Hoevelaken (1) (1) Loenen
Loenen
Barneveld Milheeze Hoevelaken (2) Lelystad (1) Lelystad (2)
In de tweede meetperiode in de winter zijn naast de metingen die uitspoeling via regenwater in kaart brengen ook windrichting-aangestuurde luchtmetingen bovenwinds en benedenwinds van het asbestcement dak uitgevoerd om de verweringssnelheid via luchterosie (vrijkomende vezels/m2/jaar) in kaart te brengen. Hierbij zijn ook continue fijnstof metingen uitgevoerd om een beeld te krijgen van weersinvloeden op de deeltjesemissie vanuit asbestdaken door luchterosie. Om de mogelijke variaties in het vrijkomen van asbestvezels in de lucht te disconteren hebben alle luchtmetingen plaatsgevonden gedurende een lange periode van 2 – 6 weken; het regenwater met slib is gedurende 2 – 3 maanden opgevangen. Alle asbestanalyses beschreven in dit onderzoek zijn uitgevoerd met scanning electronenmicroscopie in combinatie met röntgenmicroanalyse (SEMEDX), waarbij naast asbestvezels ook andere anorganische vezels (o.a. vezelvormige silicaten en synthetische vezels) en de vezels langer en korter dan 5 µm zijn meegenomen.
De emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken Op basis van het verzamelde slib en regenwater is een gemiddelde maandelijkse emissies in de zomer en winter berekend van respectievelijk 0,2 (0,01 – 0,4) en 0,03 (0,01 – 0,05) gram per m2 dakoppervlak. Aan de hand van metingen op de locaties Loenen en Hoevelaken-1, waar zowel in de zomer als in de winter uitgespoeld asbestslib is opgevangen, blijkt dat in de zomer de uitspoeling van asbestslib gemiddeld een factor 10 sneller verloopt dan in de winter. Voor de berekening van jaarlijkse emissiefactoren zijn de locatie specifieke emissiefactoren op basis van de verweringsgraad van het asbestcement dak gegroepeerd waarna gemiddelde waarden voor matig en sterk verweerde daken zijn berekend. De gemiddelde jaarlijkse emissie van asbest via uitspoeling met regenwater is 1,2 (0,2 – 2,7) gram per m2 dakoppervlak per jaar. Voor matig en sterk verweerde asbestdaken ligt de jaarlijkse emissie op respectievelijk 0,4 (0,2 – 0,7) en 2,0 (0,9 – 2,7) gr/m2/jaar. Dit is in dezelfde range als reeds gepubliceerde emissiefactoren uit ander onderzoek; deze liggen tussen de 0,5 en 4 gram/m2/jaar. Omdat tijdens de blootstellingsmetingen en windrichting-aangestuurde metingen geen asbestvezels in de lucht zijn aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 10 vezels/m3) kan de emissie via luchterosie niet exact worden bepaald.
Op basis van fijnstof metingen is de maximale bijdrage van matig en sterk verweerde asbestcement daken op de fijnstof concentratie benedenwinds van het dak berekend op respectievelijk ≤ 0,7 µg/m3 en 1,2 – 1,7 µg/m3. Ondanks dat de emissiefactor via luchterosie niet exact berekend kan worden, kan met behulp van het lijwervel model (Duyzer et al.,
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
5 / 113
2004) wel een schatting van de maximale vezelconcentratie worden afgegeven op basis van de fijnstof metingen en de bepalingsgrens van de vezelconcentratie. Op basis van de fijnstof metingen in de winter is de asbestemissie via luchterosie geschat op 0,012 (0 – 0,025) gr/m2/jaar. Dit betekent dat het aandeel aan luchterosie op basis van fijnstof maximaal 5% is van de totale emissie. Op basis van de gemeten vezelconcentratie (bepalingsgrens ca. 10 v/m3) gedurende de zomer- en winterperiode is de maximale asbestvezelemissie via luchterosie geschat op ca. 0,08 (0,01 – 0,21) x 109 vezels/m2/jaar. Dit betekent dat het maximale aandeel van luchterosie op de totale asbestemissie ca. 0,1% is. De door TNO bepaalde emissiefactoren geven een verdere detaillering van de in 2007 gepubliceerde globale indicatie van “gemiddeld 1 - 3 gram asbest/m2/jaar” (Tromp, 2007), rekening houdend met de verweringsgraad en seizoensinvloeden. De emissie van asbest door uitspoeling is verreweg de meest dominante route. Er lijkt een relatie te bestaan tussen de ouderdom van het dak en de emissie van asbest(vezels). Gezien de steeds hogere leeftijd van de asbestdaken zal de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken de komende jaren daardoor gaan toenemen.
Echter, door de grote variatie in verwerende daken ontbreekt een éénduidige correlatie en is een accurate prognose van het verloop van de verwering en de toename in de emissie van asbestvezels vooralsnog niet mogelijk. Op basis van de in dit onderzoek bepaalde emissiefactoren voor uitspoeling en luchterosie en het huidige geschatte totale oppervlak aan asbestdaken in Nederland van ca. 74 mln m2 kan wel een indicatie worden gegeven van de hoeveelheid vrijkomende asbest(vezels) vanuit asbestdaken op dit moment. Als wordt aangenomen dat het aantal sterk en matig verweerde asbestdaken in Nederland ongeveer gelijk is, komt ongeveer 90 (15 – 200) ton asbest per jaar via uitspoeling vrij. Voor luchterosie gaat het om maximaal 6 (0,7 – 16) x 1015 vezels per jaar; omgerekend naar massa is dit maximaal 50 kg per jaar. De hoeveelheid uitgespoeld asbest zal, afhankelijk van de regenwaterafvoer, deels via het rioolwater worden afgevoerd naar rioolwaterzuiveringsinstallaties, deels worden afgevoerd naar het oppervlaktewater in de directe omgeving en deels op de bodem onder asbestdaken terecht komen.
Verspreiding en blootstellingsroutes Verspreiding van asbestvezels in de buitenlucht (route 1 in Figuur 1) Tijdens de uitgevoerde meetcampagnes in de zomer- en winterperiode konden met de standaard meettechnieken (conform NEN-ISO 14966) in de buitenlucht in de nabijheid (0 – 30 meter) van asbestcementdaken1 geen asbestvezels worden aangetoond in de buitenlucht (concentratie < bepalingsgrens van 10 vezels/m3) 2. Alle meetopstellingen zijn hierbij in de ‘lijwervel’ van het object geplaatst, waardoor het verdunningseffect zo laag mogelijk is gehouden 3 (Duyzer et al., 2004). Met de specifieke analysemethode voor de bepaling van het achtergrondniveau (Tromp, 2016) zijn wel asbestvezels aangetoond; de gemeten asbestvezelconcentraties liggen in dezelfde concentratie range als de in Nederland gemeten achtergrondconcentraties in 2016, met een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 13 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 28 vezels/m3 voor alle asbestvezels en 3 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 14 vezels/m3 voor vezels met een lengte langer dan 5 µm.
1 De afstand van de meetopstelling tot het dak varieerde per locatie: Barneveld: 0mtr (dakrand), Hoevelaken-1: 3 – 10mtr, Hoevelaken-2: 10mtr, Lelystad-1: 10mtr, Lelystad-2: 30mtr, Loenen: 5 – 8mtr, Milheeze: 2 – 5mtr, zie paragraaf 4.3.4 - Meetperioden 2 Tijdens de analyse zijn géén vezels aangetoond, dit betekent dat met een betrouwbaarheid van 95% de werkelijke concentratie in de lucht lager is dan de bepalingsgrens, zie paragraaf 4.4.1 - Luchtmetingen 3 Een lijwervel ontstaat aan de lijzijde van een gebouw als gevolg van invloed van het gebouw op de vrije stroming van wind. Er ontstaat daarbij een gebied achter het gebouw waar de windsnelheid is verminderd, waardoor het verdunningseffect beperkt is, zie paragraaf 6.1 - De emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
6 / 113
De meetresultaten uit dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder gepubliceerd onderzoek; ook de gepubliceerde literatuur beschrijft dat in de buitenlucht vaak géén asbestvezels worden aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 100 vezels/m3), en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (~100 vezels/m3). Op basis van bovenstaande onderzoeken wordt geconcludeerd dat de verspreiding van asbestvezels van asbestdaken naar de lucht beperkt is; dit geldt ook als het dak (sterk) verweerd is. Depositie op de bodem en verdere verspreiding asbestvezels (route 2+7 in Figuur 1) Alleen wanneer een dakgoot ontbreekt of niet meer goed functioneert zal door uitspoeling van asbest door regenwater asbesthoudende restanten en -vezels op de onderliggende bodem terechtkomen. Deze depositieroute is niet bemeten in dit onderzoek. Voor een kwantitatief inzicht in deze depositie route is gebruik gemaakt van reeds uitgevoerd onderzoek; al deze onderzoeken geven een vergelijkbaar beeld van de concentraties aan asbest in de bodem. Onder licht – matig verweerde asbestdaken is de gemiddelde asbestconcentratie 90 ± 290 (SD) mg/kg; onder sterk verweerde asbestdaken ligt de concentratie een stuk hoger met 1200 ± 3900 (SD) mg/kg.
Het asbest in de bodem bestaat deels uit matrix gebonden asbest en deels uit losse respirabele vezels. De gemiddelde respirabele vezelconcentratie is 18 ± 28 (SD) mg/kg. De verontreiniging bevindt zich voornamelijk in de toplaag (bovenste 5 cm) en in de directe afwateringzone (0 – 100 cm van de dakrand). Op basis van het blootstellingsmodel voor asbest in de bodem (Swartjes en Tromp, 2008) zijn voor bovengenoemde bodemconcentraties (mg/kg) asbestvezelconcentraties in de lucht (vezels/m3) afgeleid. Uit de afgeleide asbestvezelconcentraties blijkt dat bij sterk verweerde asbestdaken er een verhoogd risico op blootstelling aan asbestvezels tijdens het uitvoeren van zware activiteiten (o.a. machinaal grondverzet) is; de afgeleide asbestvezelconcentratie ligt hierbij rond de 1000 vezels/m3. Deze conclusie wordt bevestigd door de resultaten van gepubliceerd blootstellingsonderzoek die laten zien dat bij lichte activiteiten in de afwateringzone, zoals lopen, handmatig spitten/harken en grasmaaien slechts een enkele keer een lage asbestvezelconcentratie in de buitenlucht wordt gemeten (~185 vezels/m3). Inloop/inwaai van asbest(vezels) naar de woning (route 3 in Figuur 1) Tijdens de 2 weken durende meetcampagnes zijn in de woningen in de buurt van de asbestcement daken geen asbestvezels aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 30 vezels/m3).
Dit geldt zowel voor de woningen in de buurt van schuren, loodsen en stallen met een asbestcement golfplaten dak als voor de woningen waarvan het dak en een deel van de gevel zelf bestond uit asbestcement leien. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek, ook daar werden in woningen vrijwel nooit asbestvezels aangetroffen, en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (≤ 100 vezels/m3). In twee eerder gepubliceerde onderzoeken waarbij een verhoogde concentratie in de binnenlucht werd aangetroffen betrof het woonwijken met veel asbestcement gevels en daken in sterk verweerde toestand, waarbij in één geval geen dakgoten aanwezig waren, met afwatering direct op de stoep voor de deur van de woning. Voor dergelijke situaties en bij schuren en stallen met asbestcement golfplaten daken met een directe inloop via een (verharde) afwateringzone naar de nabij gelegen woning is inwaai/inloop van asbest(vezels) een belangrijke (potentiële) blootstellingsroute. Wanneer een goed functionerende dakgoot aanwezig is en/of de afwateringzone zich niet bevindt op de route waar de meeste bewegingen voorkomen is de kans op verontreiniging van de woning door inloop van asbest(vezels) aanzienlijk kleiner.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
7 / 113
Verspreiding asbestvezels in schuren en stallen door interne verwering (route 4 in Figuur 1) Tijdens de uitgevoerde meetcampagnes zijn in de schuren/loodsen en stallen geen asbestvezels in de lucht aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 30 vezels/m3). In de verzamelde stofmonsters is op twee locaties een spoor chrysotiel aangetroffen. Op één van deze locaties is extra activiteit gesimuleerd door het plaatsen van ventilatoren; ook hier zijn géén asbestvezels in de lucht aangetroffen. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek, ook daar zijn vrijwel nooit asbestvezels aangetroffen (concentratie < bepalingsgrens van 100 vezels/m3) en indien er asbestvezels werden aangetroffen was de gemeten concentratie nog steeds laag (~100 vezels/m3). Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat onder normale gebruiksomstandigheden (wanneer het onderdak niet wordt beroerd) de verspreiding van asbestvezels door interne verwering van het onderdak beperkt is. Uitspoeling via regenwater in dakgoten (route 6 in Figuur 1) Tijdens de meetcampagnes in de zomer en winterperiode variëren de gemeten asbestvezelconcentraties in het opgevangen regenwater tussen de 0,1 en 4,5 x 106 vezels/L, met een gemiddelde van 1,4 x 106 vezels/L.
Bij omrekening naar vezels per kilogram slib betekent dit 2,5 (0,3 – 13) x 1011 vezels/kg. Het totale asbestpercentage in het opgevangen slib varieert van 1,2 tot 23%, met een gemiddelde van 12% (120.000 mg/kg). Van deze 12% is ca. 1 (0,1 – 5) % aanwezig als losse asbestvezels; het overige deel is matrix gebonden asbesthoudend materiaal. Dit komt overeen met het gemiddelde percentage losse asbestvezels op de bodem onder asbestdaken. De meetresultaten van dit onderzoek bevestigen het beeld dat is ontstaan op basis van de resultaten van eerder onderzoek. Aangezien tijdens de metingen in de buitenlucht weinig asbestvezels zijn aangetroffen (concentraties vergelijkbaar met achtergrondniveau) mag worden verondersteld dat resuspensie van asbestvezels uit slib in dakgoten nauwelijks optreedt. Om inzicht te krijgen in de potentiële blootstellingsrisico’s tijdens het schoonmaken van dakgoten zijn op basis van het blootstellingsmodel voor asbest in de bodem (Swartjes en Tromp, 2008) asbestvezelconcentraties in de lucht afgeleid. De afgeleide asbestvezelconcentratie bij de genoemde activiteiten ligt tussen de 100 en 5000 vezels/m3. In hoeverre dit potentiële risico tot een actueel blootstellingsrisico leidt hangt af van veel factoren, zoals o.a. type, frequentie en duur van de activiteit, afstand tot de bron en vochtigheidsgraad van het slib.
Vergelijking met advieswaarden en achtergrondconcentraties in 2016 In 2016 is door TNO onderzoek uitgevoerd naar de achtergrondconcentratie in Nederland, waarbij een door TNO ontwikkelde analysemethode is toegepast waarmee korte en hele dunne vezels kunnen worden gedetecteerd (Tromp, 2016). In 2016 werd een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 35 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 81 vezels/m3 vastgesteld. Voor vezels met een lengte langer dan 5 µm was de gemeten concentratie lager: gemiddeld 6 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 30 vezels/m3. In het huidige onderzoek zijn de meeste analyses uitgevoerd conform de NENISO 14966, waarmee dunne vezels (< 0,1 µm) niet zichtbaar zijn. Daarom zijn voor de zomerlocaties (Barneveld, Loenen, Hoevelaken-1, Lelystad-1 en Milheeze) aanvullende analyses uitgevoerd met de nieuwe methode voor de bepaling van achtergrondconcentraties. Hierbij is een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 13 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 28 vezels/m3 vastgesteld. De gemiddelde concentratie voor asbestvezels met een lengte langer dan 5 µm is 3 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 14 vezels/m3.
De gemeten asbestvezelconcentraties langer dan 5 µm liggen onder de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde verwaarloosbare risiconiveau concentraties voor chrysotiel (28 vezels/m3), amfibool asbest (3 vezels/m3) en gemengde asbestvezels (13 vezels/m3). De gemeten
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
8 / 113
achtergrondconcentraties in het huidige onderzoek liggen iets lager dan in het onderzoek uit 2016. Waarschijnlijk zijn de slechtere weersomstandigheden in 2021 (veel neerslag en weinig zon uren) hiervoor verantwoordelijk. Desondanks zijn de asbestvezelconcentraties in het huidige onderzoek ten opzichte van de gemeten concentraties in 2016 niet significant verschillend; de gemeten concentraties aan asbestvezels en overige minerale vezels bevinden zich in dezelfde concentratie range als de concentraties in 2016. Doordat de gemeten asbestvezelconcentraties in de lucht niet zijn verhoogd ten opzichte van het achtergrondniveau in Nederland is de bijdrage van verwerende asbestdaken via luchterosie op de achtergrondconcentratie niet exact vast te stellen. Om te beoordelen of de met het regenwater uitgespoelde asbestvezels een bijdrage kunnen leveren aan deze achtergrond concentratieniveaus zijn vezeldimensies van de uitgespoelde asbestvezels vergeleken met vezeldimensies van de asbestvezels in de buitenlucht. Ondanks dat de met regenwater uitgespoelde vezels gemiddeld langer en dikker zijn dan de vezels in de buitenlucht, heeft ca. 50% van de asbestvezels soortgelijke dimensies als de vezels in de buitenlucht. Dit betekent dat door resuspensie een deel van de uitgespoelde vezels weer in de lucht kunnen komen; dit geldt zowel voor chrysotiel vezels als voor crocidolietvezels.
Representativiteit van het onderzoek Vergelijking met VITO onderzoeken De situatie in Nederland is vergelijkbaar met die van Vlaanderen (België). Ook daar is op grote schaal asbestcement plaatmateriaal gebruikt van het type Eternit 4 voor de bekleding van daken en gevels van schuren, loodsen, stallen en woningen. De veroudering en degradatie van het Eternit plaatmateriaal, zal mede gezien de vergelijkbare klimatologische omstandigheden, in Nederland en Vlaanderen vergelijkbaar zijn. Door VITO zijn recentelijk meerdere onderzoeken uitgevoerd naar de verwering van asbestcement daken. Bij een vergelijking van de onderzochte asbestdaken en gevels blijkt dat de selectie van objecten door TNO goed vergelijkbaar is met die van VITO. Door VITO zijn ook laag verweerde asbestdaken en gevels meegenomen, die door TNO niet in het onderzoek zijn betrokken. Dit bevestigt de “realistische worst case” selectie van TNO, die ook tot uitdrukking komt in de hogere gemiddelde leeftijd van de onderzochte asbestdaken en -gevels en de resultaten van de kleeftesten. De onderzoeksresultaten van TNO en VITO samen geven een goed beeld van de bandbreedte (variatie) in de verwering van asbestcement daken en gevels voor de situatie in Nederland en Vlaanderen.
Seizoen- en weersinvloeden De algemene aanname is dat tijdens droog en zonnig weer de emissie van asbestvezels via luchterosie of resuspensie hoger is dan tijdens bewolkt en regenachtig weer. In dit onderzoek hebben we deze veronderstelling niet kunnen bevestigen, aangezien in géén van de luchtmetingen in de zomer- en winterperiode asbestvezels in de lucht zijn aangetroffen (concentratie < 10 vezels/m3). Met de fijnstof metingen is géén correlatie gevonden tussen de emissie van fijnstof en de windsnelheid. In de winterperiode is alleen benedenwinds van het asbestcement dak gemeten; hierbij worden de hoogste asbestvezelconcentraties in de lucht verwacht. In de zomerperiode is continu gemeten en is een deel van de tijd lucht aangezogen die niet uit de richting van het asbestcement dak komt. Uit de meteo gegevens blijkt dat het grootste deel van de wind (60 – 100%) wel uit de richting van het dak komt. Dit betekent dat ook de metingen in de zomer een voldoende betrouwbaar beeld geven van de asbestvezelemissie van het asbestcement dak.
4
Eternit plaatmateriaal is afkomstig van het bedrijf Eternit. Voor Nederland en Vlaanderen vond de productie van asbestcement dakbedekking vooral plaats in Goor en de productie van gevelbekleding in Kapelle-op-den-Bos.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
9 / 113
Op basis van de uitspoeling resultaten blijkt een groot verschil tussen de zomer- en winterperiode. In de zomerperiode wordt ca. 10 keer zoveel asbest met het regenwater mee gespoeld dan in de winterperiode. Dit verschil is groter dan verwacht en kan niet éénduidig worden verklaard. Enerzijds kan dit te maken hebben met de hoeveelheid en intensiteit van de neerslag (meer neerslag bij gelijkblijvende verwering betekent een verdunning van de vezelconcentratie in het regenwater en korte hevige buien kunnen voor meer uitspoeling zorgen dan lange perioden met motregen). Anderzijds zouden temperatuurswisselingen een rol kunnen spelen (door vorst zal het water in de cementmatrix bevriezen en uitzetten waardoor de matrix gaat delamineren; in de zomer kunnen door extreme temperatuurverschillen beschadigingen in de matrix ontstaan door uitzetten en weer inkrimpen van de asbestcementplaten).
Beoordelingssystematiek verwering asbestdaken Een eenvoudige beoordeling op basis van visuele inspectie blijkt de beste methode om de mate van verwering op objectieve wijze te kunnen schatten. Het gebruik van meer kwantitatieve methoden, zoals microscopisch onderzoek en kleefmonsters van het dakoppervlak, hebben slechts een geringe meerwaarde. Het door TNO ontwikkelde beoordelingssysteem is gebaseerd op een eenvoudige visuele inspectie in het veld op basis van een reeks indicatoren in combinatie met relevante gegevens van het gebouw, het dak en/of de gevels. Met kleefmonsters kan goed onderscheid worden gemaakt in nauwelijks-licht verweerde (hechtgebonden) daken en matig-sterk verweerde (niet-hechtgebonden) daken; verdere gradatie in verwering kan op basis van kleefmonsters niet worden afgeleid. De leeftijd is de belangrijkste indicator van de conditie van het asbestcement plaatmateriaal. In de door TNO ontwikkelde methode wordt daarom de puntenscore gecombineerd met de leeftijd van de beplating wat resulteert in een zogenaamde fictieve leeftijd. De onderstaande koppeling tussen verweringsgraad en puntenscore is in het onderzoek als leidraad gebruikt: matig verweerd: fictieve leeftijd jonger dan 60 jaar; sterk verweerd: fictieve leeftijd tussen de 60 en 80-90 jaar; ernstig verweerd: fictieve leeftijd ouder dan 80-90 jaar.
Deze systematiek zegt echter niets over het actuele en potentiële blootstellingsrisico. Daarom is het belangrijk om ook de verspreidingsroutes en het daarmee gepaard gaande blootstellingsrisico mee te laten wegen in de beoordeling.
Conclusies en aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek, inclusief de uitgevoerde literatuurstudie, worden de volgende conclusies getrokken over de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken, de mate van verspreiding en het risico op blootstelling voor bewoners en omwonenden:
Het verloop van de verwering en de hoeveelheid vrijkomend asbest In Nederland is in 1993 het asbestverbod in werking getreden zodat vrijwel alle asbestcement dak- en gevelplaten in Nederland ouder zijn dan ca. 30 jaar. Deze toepassingen zijn allemaal matig tot sterk verweerd. Het onderzoek van het slib en regenwater toont aan dat er sprake is van een voortdurende uitspoeling van asbest(vezels) vanuit de asbestdaken. Tijdens de meetcampagnes in de zomer- en winterperiode zijn in het opgevangen slib concentraties tussen de 1,2 en 23% gemeten met een gemiddelde van 12% (120.000 mg/kg). Ongeveer 1 (0,1 – 5) % hiervan is aanwezig als losse asbestvezels; het overige deel is matrix gebonden asbesthoudend materiaal. In het regenwater variëren de asbestvezelconcentraties tussen de 0,1 en 4,5 x 106 vezels/L, met een gemiddelde van 1,4 x 106 vezels/L. Deze waarden liggen aan de bovenkant van de range van reeds gepubliceerde concentraties in slib en regenwater.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
10 / 113
De gemiddelde jaarlijkse emissie van asbest via uitspoeling met regenwater is berekend op 1,2 (0,2 – 2,7) gram per m2 dakoppervlak per jaar, waarbij onderscheid wordt gemaakt in matig verweerde asbestdaken (0,4 (0,2 – 0,7) gr/m2/jaar) en sterk verweerde asbestdaken (2,0 (0,9 – 2,7) gr/m2/jaar). Deze emissiefactoren liggen in dezelfde range als reeds gepubliceerde emissiefactoren uit andere onderzoeken; deze liggen tussen de 0,5 en 4 gram/m2/jaar. Verder blijkt dat de uitspoeling van asbest(vezels) via regenwater in de zomerperiode een factor 10 hoger ligt dan in de winterperiode. De reden voor dit verschil is in dit onderzoek niet nader onderzocht maar heeft mogelijk te maken met verschillen in temperatuur en hoeveelheid en intensiteit van de neerslag. Samenvattend, geven de door TNO bepaalde emissiefactoren een verdere detaillering van de in 2007 gepubliceerde globale indicatie van “gemiddeld 1 - 3 gram asbest/m2/jaar” (Tromp, 2007), rekening houdend met de verweringsgraad en seizoensinvloeden. Om de totale hoeveelheid aan vrijkomende asbestvezels via luchterosie kwantitatief te kunnen bepalen zijn aanvullende windrichting-aangestuurde metingen (360° metingen) beneden- en bovenwinds van asbestcement daken uitgevoerd.
Op basis van de bepalingsgrens (10 vezels/m3) en de gemeten fijnstof concentraties is met behulp van het lijwervel model (Duyzer et al., 2004) de maximale asbestvezelemissie via luchterosie geschat op ca. 0,08 (0,01 – 0,21) x 109 vezels/m2/jaar. Dit betekent dat het maximale aandeel van de emissie via lucht 0,1% is van de totale emissie. Daarmee is de emissie van asbest door uitspoeling verreweg de meest dominante route. Gezien de steeds hogere leeftijd van de asbestdaken zal de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken de komende jaren toenemen. Echter, door de grote variatie in mate van verwering van asbestdaken is er geen sprake van een éénduidige correlatie tussen de leeftijd van het asbestcement dak en de emissie van asbest(vezels) om het verloop van de verwering de komende jaren kwantitatief te kunnen voorspellen. Wanneer wordt uitgegaan van een totaal oppervlak aan asbestdaken in Nederland van ca. 74 mln m2 zal ongeveer 90 (15 – 200) ton asbest per jaar via uitspoeling vrijkomen. Voor luchterosie gaat het om maximaal 6 (0,7 – 16) x 1015 asbestvezels per jaar die in de lucht terecht komen; omgerekend naar massa betekent dit maximaal 50 kg asbestvezels per jaar.
De hoeveelheid uitgespoeld asbest zal, afhankelijk van de regenwaterafvoer, deels via het rioolwater worden afgevoerd naar rioolwaterzuiveringsinstallaties, deels worden afgevoerd naar het oppervlaktewater in de directe omgeving en deels op de bodem onder asbestdaken terecht komen.
Verspreiding en het risico voor bewoners en omwonenden Wanneer een dakgoot ontbreekt of niet meer goed functioneert zullen door uitspoeling via regenwater asbesthoudende restanten en -vezels op de onderliggende bodem terechtkomen. In gepubliceerde literatuur zijn in de afwateringzone onder matig en sterk verweerde daken gemiddelde asbestconcentraties van respectievelijk 90 ± 290 (SD) mg/kg en 1200 ± 3900 (SD) mg/kg gemeten. Het asbest bestaat deels uit matrix gebonden asbest en deels uit losse respirabele vezels; de gemiddeld gemeten vezelconcentratie betrof 18 ± 28 (SD) mg/kg. De verontreiniging bevindt zich voornamelijk in de toplaag (bovenste 5 cm) en in de directe afwateringzone (0 – 100 cm van de dakrand). Uit eerder gepubliceerde meetgegevens blijkt dat tijdens lichte activiteiten in de afwateringzone van sterk verweerde asbestdaken, zoals lopen, handmatig spitten/harken en grasmaaien, er nauwelijks asbestvezels in de lucht worden aangetroffen (maximaal ~185 vezels/m3).
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
11 / 113
Op basis van het blootstellingsmodel voor asbest in de bodem (Swartjes en Tromp, 2008) blijkt echter wel dat bij deze sterk verweerde asbestdaken er sprake kan zijn van een evident blootstellingsrisico tijdens het uitvoeren van zwaardere activiteiten in de afwateringzone (o.a. machinaal grondverzet). Ditzelfde risico geldt ook voor de situatie waarin verontreinigd slib uit dakgoten wordt bewerkt, bijvoorbeeld tijdens reiniging van verstopte dakgoten. Het actuele blootstellingsrisico hangt af van veel factoren, zoals o.a. type, frequentie en duur van de activiteit, afstand tot de bron en vochtigheidsgraad van het slib. Bij het ontbreken van een dakgoot is een zeker risico op ‘inloop’ van asbest(vezels) naar de woning aanwezig. In eerder gepubliceerd onderzoek (Tromp, 2007) zijn in situaties zonder dakgoot waar uitgespoelde asbesthoudende restanten zich bevinden in de directe inlooproute naar woningen toe verhoogde asbestconcentraties rond de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde maximaal toelaatbare risiconiveaus gemeten. Het ging hierbij om woningcomplexen waarvan de woningen waren bekleed met asbestcement golfplaat en dak- en gevellei.
Voor dergelijke situaties en bij schuren en stallen met asbestcement golfplaten daken met een directe inloop via een (verharde) afwateringzone naar de nabij gelegen woning is er een verhoogd risico op blootstelling aan asbestvezels. Bij aanwezigheid van een dakgoot of in situaties waar de afwateringzone zich niet bevindt op de directe inlooproute naar woningen is de kans op verontreiniging van de woning door inloop en inwaai van asbest(vezels) beperkt. Bij de metingen in woningen met asbestleien gevels en daken en in woningen in de nabijheid (5 – 25 meter) van schuren en stallen met asbestcement golfplaten daken ligt de asbestvezelconcentratie beneden de bepalingsgrens van 30 vezels/m3. Dit geldt ook voor het gesedimenteerde stof, waarin géén asbest is aangetroffen. Ook in andere gepubliceerde onderzoeken zijn in dergelijke situaties nauwelijks verhoogde asbestvezelconcentraties in de lucht aangetroffen (≤ 100 vezels/m3). Hiermee, liggen de gemeten asbestvezelconcentraties rond de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde verwaarloosbare risiconiveaus. Uit eigen onderzoek en gepubliceerde literatuur blijkt dat de verspreiding van asbestvezels naar de buitenlucht vanuit asbestdaken, ook bij sterke verwering, beperkt is.
De huidige gemeten concentraties aan asbestvezels in de buitenlucht in de nabijheid van asbestdaken (0 – 30 meter) liggen in dezelfde concentratie range als de in Nederland gemeten achtergrondconcentraties in 2016, met een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 13 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 28 vezels/m3 voor alle asbestvezels en 3 vezels/m3 en een spreiding van <30 – 14 vezels/m3 voor vezels met een lengte langer dan 5 µm. Net zoals bij de metingen in 2016 blijkt ook hier dat slechts een klein deel van de vezels langer is dan 5 µm (22%) en dat het merendeel van de vezels van het type chrysotiel is (80%). De gemeten asbestvezelconcentraties liggen onder de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde verwaarloosbare risiconiveaus. Onder normale gebruiksomstandigheden (wanneer het onderdak niet wordt beroerd) is de verspreiding van asbestvezels door interne verwering van het onderdak beperkt. Ondanks dat in enkele schuren in het stof lage concentraties asbest zijn aangetroffen, ligt de gemeten asbestvezelconcentratie in de lucht overal beneden de bepalingsgrens van 30 vezels/m3. Ook in gepubliceerde literatuur wordt in een enkel geval een licht verhoogde concentratie gemeten (≤ 100 vezels/m3). Hiermee, liggen de gemeten asbestvezelconcentraties rond de door de Gezondheidsraad afgeleide jaargemiddelde verwaarloosbare risiconiveaus.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
12 / 113
Met het uitgevoerde onderzoek, inclusief de windrichting-aangestuurde luchtmetingen, is een zo goed mogelijk beeld verkregen van de emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken, inclusief de verspreiding en blootstellingsroutes van vrijkomende asbest(vezels) en de blootstellingsrisico’s voor bewoners en omwonenden. Op een aantal punten is met het onderzoek nog geen volledig beeld verkregen: er ontbreekt nog een kwantitatief inzicht in het verloop van de verwering de komende jaren en de verdere verspreiding van asbest dat wordt afgevoerd naar rioolwaterzuiveringsinstallaties en het oppervlaktewater, inclusief blootstellingsrisico’s, is nog onvoldoende onderzocht. Voor een prognose van het verloop van de verwering in de komende ca. 10 - 20 jaar en de daarmee gepaard gaande toename in de emissie van asbestvezels wordt aanbevolen om aanvullende (uitspoelings)metingen uit te voeren bij een groter aantal asbestdaken met variatie in leeftijd en verweringsgraad. Om te onderzoeken in hoeverre asbest in zuiveringsslib onschadelijk wordt gemaakt in verbrandingsinstallaties en of er hierbij emissies naar lucht kunnen optreden wordt geadviseerd om aanvullende metingen uit te voeren bij enkele verbrandingsinstallaties.
Om inzicht te krijgen in de verspreiding naar het oppervlaktewater wordt aanbevolen om in het landelijk gebied aanvullende asbestmetingen in het oppervlaktewater en sediment uit te voeren.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
13 / 113
Inhoud Samenvatting ................................................................................................................................................... 2 Inleiding en vraagstelling ................................................................................................................................... 2 Normen en advieswaarden voor asbest ............................................................................................................ 3 Plan van aanpak ................................................................................................................................................ 3 De emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken ...................................................................... 4 Verspreiding en blootstellingsroutes.................................................................................................................. 5 Vergelijking met advieswaarden en achtergrondconcentraties in 2016 ............................................................ 7 Representativiteit van het onderzoek ................................................................................................................ 8 Beoordelingssystematiek verwering asbestdaken ............................................................................................
9 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................................ 9 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding .......................................................................................................................................... 15 Achtergrond ..................................................................................................................................... 15 Vraagstelling onderzoek .................................................................................................................. 15 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 16 Normen en advieswaarden ............................................................................................................. 17
2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
Plan van aanpak ............................................................................................................................ 18 Procedure ........................................................................................................................................ 18 Onderzoekstrategie ......................................................................................................................... 19 Kennishiaten.................................................................................................................................... 19 Scope van het onderzoek ............................................................................................................... 19 Meetstrategie................................................................................................................................... 20 Onderzoek verspreidings- en blootstellingsroutes .......................................................................... 21
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.4 3.5
Literatuuronderzoek...................................................................................................................... 25 Verweringsprocessen ...................................................................................................................... 25 Emissie door luchterosie en uitspoeling via regenwater ................................................................. 26 Bepaling verweringsnelheid ............................................................................................................ 26 Uitspoeling via regenwater .............................................................................................................. 30 Blootstelling- en omgevingsmetingen ............................................................................................. 32 Depositie op de bodem ................................................................................................................... 38 Beoordeling verwering..................................................................................................................... 42
4 4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4
Uitvoering en methoden ............................................................................................................... 48 Selectie meetlocaties ...................................................................................................................... 48 Beoordeling dak .............................................................................................................................. 50 Monsterneming................................................................................................................................ 51 Luchtmetingen ................................................................................................................................. 51 Regenwater en slib.......................................................................................................................... 53 Kleefmonsters en gesedimenteerd stof........................................................................................... 53 Meetperioden .................................................................................................................................. 53 Analyse ............................................................................................................................................
56 Luchtmetingen ................................................................................................................................. 56 Regenwater en slib.......................................................................................................................... 57 Kleefmonsters en gesedimenteerd stof........................................................................................... 57 Nauwkeurigheid van de meetmethoden.......................................................................................... 58
5 5.1 5.2
Resultaten ...................................................................................................................................... 59 Beoordeling verwering asbestdaken ............................................................................................... 59 Luchtmetingen ................................................................................................................................. 59
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
14 / 113
5.3 5.4 5.5
Continue fijnstof metingen ............................................................................................................... 61 Regenwater en slib.......................................................................................................................... 62 Gesedimenteerd stof ....................................................................................................................... 66
6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.5
Evaluatie onderzoeksresultaten .................................................................................................. 67 De emissie van asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken ................................................... 67 Verspreiding, blootstellingsroutes en blootstellingsrisico’s ............................................................. 69 Route 1: Verspreiding van asbestvezels in de buitenlucht ............................................................. 69 Route 2+7: Depositie op de bodem en verdere verspreiding asbestvezels ................................... 70 Route 3: Inwaai/inloop van asbestvezels naar de woning .............................................................. 71 Route 4: Verspreiding door interne verwering in schuren en stallen .............................................. 72 Route 6: Uitspoeling via regenwater in dakgoten ........................................................................... 72 Vergelijking met advieswaarden en achtergrondconcentraties ...................................................... 73 Representativiteit van het onderzoek .............................................................................................. 75 Vergelijking met VITO onderzoeken ...............................................................................................
75 Seizoen- en weersinvloeden ........................................................................................................... 77 Beoordelingssystematiek verwering asbestdaken .......................................................................... 78
7 Conclusie en aanbevelingen ........................................................................................................ 80 Het verloop van de verwering en de hoeveelheid vrijkomend asbest ............................................................. 80 Verspreiding en het risico voor bewoners en omwonenden............................................................................ 81 8
Ondertekening ............................................................................................................................... 83
9
Referenties ..................................................................................................................................... 84
Bijlage I: Beschrijving meetlocaties ............................................................................................................ 89 A) Meetlocatie Barneveld ..................................................................................................................... 89 B) Meetlocatie Hoevelaken-1 ............................................................................................................... 91 C) Meetlocatie Hoevelaken-2 ............................................................................................................... 94 D) Meetlocatie Lelystad-1 .................................................................................................................... 97 E) Meetlocatie Lelystad-2 .................................................................................................................... 99 F) Meetlocatie Loenen ....................................................................................................................... 102 G) Meetlocatie Milheeze..................................................................................................................... 105 Bijlage II: Lijst met wetenschappelijke artikelen en onderzoeksrapporten zoals meegenomen in het literatuuronderzoek .....................................................................................................................
107
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
15 / 113
1 Inleiding 1.1
Achtergrond
Sinds 1978 is asbestbeleid ontwikkeld en uitgevoerd gericht op het terugdringen van het voorkomen van asbest in enigerlei vorm in het binnen- en buitenmilieu. Dit beleid heeft onder andere geleid tot een aanzienlijke reductie van de asbestvezelconcentratie in de buitenlucht. In 2016 is door TNO onderzoek uitgevoerd naar de achtergrondconcentratie in Nederland, waarbij een gemiddelde asbestvezelconcentratie van 35 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 81 vezels/m3 werd vastgesteld (Tromp, 2016). Voor vezels met een lengte langer dan 5 µm was de gemeten concentratie lager: gemiddeld 6 vezels/m3 met een spreiding van <30 – 30 vezels/m3. Asbestdaken, onder andere veel toegepast in de agrarische sector, liggen al decennia op hun plek en zijn inmiddels veelal sterk verweerd. De verwachting is dat deze verwering kan leiden tot emissie van asbestvezels. Op basis van het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 heeft de Nederlandse regering in 2011 besloten om asbestdaken, als grootste resterende en toenemende bron van asbestvezels in de leefomgeving, aan te pakken, door middel van een wettelijk verbod en is een stimuleringsprogramma opgezet. Nu het wettelijk verbod niet is gekomen resteert stimulering van het verwijderen van asbesthoudende daken. Het nieuwe stimuleringsbeleid is verankerd in de ‘Samenwerkingsverklaring aanpak van asbestdaken’.
Anno 2022 is inmiddels zo'n 10 jaar verstreken na het initiële besluit tot een asbestdaken verbod. Gedurende deze periode is veel discussie ontstaan over de werkelijke blootstellingsrisico’s van asbest in relatie tot de verwering van asbestdaken. De Gezondheidsraad heeft in 2019 bevestigd dat de conclusies uit 2010 met betrekking tot de gezondheidsrisico’s van asbest nog actueel zijn. Risico’s worden naast de toxiciteit van asbestvezels mede bepaald door de mate, frequentie en duur van blootstelling aan asbestvezels. Actuele wetenschappelijke inzichten over de blootstelling door verwering van asbestdaken ontbreken echter. Het laatste Nederlandse rapport hierover dateert uit 2007 (Tromp, 2007). Hoewel het logisch lijkt dat met een oplopende leeftijd de staat van asbesthoudende materialen verslechtert en hierdoor vezels gemakkelijker in het (leef)milieu terechtkomen, ontbreekt een duidelijke kwantificering en beoordeling van samenhangende blootstellingsrisico’s hiervan.
1.2
Vraagstelling onderzoek
Het verkrijgen van actuele informatie over de verwering van asbestdaken en de verspreiding van asbest(vezels) vanuit asbestdaken om: 1. inzicht te krijgen in de mate van verwering in relatie tot de leeftijd van het dak, type asbesttoepassing en bepaalde omgevingsvariabelen; zodanig dat het verloop van de verwering c.q. hoeveelheid vrijkomend asbest beter kan worden ingeschat; 2. de mogelijke verspreidingsroutes van asbest(vezels) vanuit asbestdaken kwantitatief in kaart te brengen; 3. het blootstellingsrisico voor bewoners en omwonenden in het algemeen concreter te kunnen aangeven. 4. inzicht te krijgen in de bijdrage van verwerende asbestdaken aan de achtergrondconcentratie van asbestvezels in Nederland, met onderscheid in chrysotiel- en amfibole asbestvezels. Het overzicht zoals weergegeven in Figuur 1 is opgesteld door de provincie Overijssel. Hierin zijn de mogelijke verspreidingsroutes en blootstellingsroutes van asbest(vezels) vanuit asbesthoudende daken afgebeeld.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
16 / 113
Figuur 1: Verspreidings- en blootstellingsroutes asbest(vezels) afkomstig van verwerende asbestdaken (figuur opgesteld door Provincie Overijssel)
De volgende routes worden onderscheiden: 1. Verspreiding en directe inademing van asbestvezels in de buitenlucht vanuit asbestdaken. 2. Depositie van asbest(vezels) op de bodem door uitspoeling vanaf asbestdaken; wanneer een dakgoot ontbreekt kan asbest op de bodem onder het dak terecht komen. 3. Inademing van asbestvezels in woningen door inwaai/inloop; uitgespoeld asbest onder het dak kan door de wind of via het schoeisel in de woning terechtkomen. 4. Directe inademing asbestvezels in schuren en stallen; door interne verwering van het asbestcement onderdak kunnen vezels vrijkomen. 5. Verspreiding en inademing asbestvezels door illegale/ondeskundige sloop. 6. Verspreiding en inademing van asbestvezels via verontreinigd slib in dakgoten; asbestvezels die door uitspoeling in de goot terecht komen worden afgevoerd naar het riool, waarna het zuiveringsslib wordt verbrand in verbrandingsinstallaties. Inademing kan wel plaatsvinden tijdens het reinigen van dakgoten. 7. Verspreiding en inademing van asbestvezels via verontreinigde grond; asbestvezels die door uitspoeling op de onderliggende bodem komen (route 2) kunnen door het verplaatsen/bewerken van de grond weer in de lucht komen. De provincie Overijssel heeft TNO opdracht verleend een onderzoeksplan op te stellen waarin voor de bovengenoemde routes de bijdrage en/of blootstelling aan asbestvezels wordt bepaald.
Route 5 is uitgezonderd, omdat het bepalen van de mate van blootstelling aan asbestvezels tijdens het verwijderen van asbesthoudende platen in het onderzoek van Arcadis is meegenomen (La Faille, 2020).
1.3
Doel van het onderzoek
Overleg tussen de provincie Overijssel, het ministerie van I&W en TNO heeft geleid tot een onderzoeksopzet met de volgende doelstellingen: 1. Het opstellen van een onderzoeksplan, rekening houdend met beschikbare kennis afkomstig van de meest recente (wetenschappelijke) literatuur, waarmee inzicht kan worden verkregen in de factoren die van invloed zijn op de verwering van asbestdaken, de hoeveelheid asbest(vezels) die bij verwering vrijkomen en de verspreiding van asbest(vezels) via lucht, water en sediment tot aan potentiële inademing door mensen.
TNO rapport | TNO 2022 R10832 A | Eindrapport | 15 juni 2022
17 / 113
2. Het inschatten van de hoeveelheid vrijkomende asbest(vezels) vanuit verwerende asbestdaken (waaronder asbestcement golfplaten en asbestleien daken) via luchterosie en uitspoeling via regenwater inclusief vergelijking met de huidige globale indicatie van “gemiddeld 1-3 g asbest/m2/jaar” (Tromp, 2007) 3. Een schatting van het verloop van het verweringsproces en een voorzichtige inschatting van de hoeveelheid vrijkomende asbest(vezels) in de komende ca. 10 - 20 jaar op basis van aangeleverde gegevens van de hoeveelheid asbestdaken in Nederland: aantallen, oppervlakken en leeftijd (kengetallen worden door de opdrachtgever geleverd). 4. Het in kaart brengen van de verspreiding, blootstellingsroutes en blootstellingsrisico’s van vrijkomende asbest(vezels) van asbesthoudende daken van woningen, schuren en stallen en de actuele en potentiële blootstellingsrisico’s voor bewoners, omwonenden en passanten (via inademing van asbestvezels). Dit moet uiteindelijk resulteren in een informatieve (voor het publiek begrijpelijke) beschrijving die bijdraagt aan een betere bewustwording van de risico’s van asbest van de gemiddelde Nederlander. 5.
Het verkrijgen van inzicht in de bijdrage van verwerende asbestdaken aan de achtergrondconcentratie van asbestvezels in de Nederlandse buitenlucht en een “update” van het in 2016 uitgevoerde onderzoek naar asbestvezels in de Nederlandse buitenlucht (Tromp, 2016), met onderscheid in chrysotiel- en amfibole asbestvezels.
1.4
Normen en advieswaarden
In juni 2010 heeft de Gezondheidsraad een advies uitgebracht waarin de gezondheidsrisico’s van asbest opnieuw zijn geëvalueerd (GR, 2010). Op basis van, op kwaliteit getoetste wetenschappelijke studies naar de gezondheidseffecten van asbest, zijn asbestconcentraties behorende bij verschillende door de overheid gehanteerde risiconiveaus afgeleid. Voor milieublootstelling heeft de Gezondheidsraad de onderstaande jaargemiddelde risiconiveau concentraties afgeleid die gelden voor levenslange blootstelling: Een concentratie van 28 chrysotielvezels per m3, 3 amfibool asbestvezels per m3 of 13 vezels gemengd asbest (<20% amfibool) per m3 komt overeen met 10-6 risiconiveau, ofwel een sterftekans van 1 per miljoen bij levenslange blootstelling; Een concentratie van 2800 chrysotielvezels per m3, 300 amfibool asbestvezels per m3 of 1300 vezels gemengd asbest (<20% amfibool) per m3 komt overeen met 10-4 risiconiveau, ofwel een sterftekans van 1 per 10.000 bij levenslange blootstelling. In het milieubeleid zijn risiconiveaus gekoppeld aan respectievelijk het Verwaarloosbaar Risico (VR = 10-6 risiconiveau) en het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR = 10-4 risiconiveau). De risiconiveaus zijn afgeleid voor vezels met een lengte van minimaal 5 μm. Hierbij merkt de Gezondheidsraad wel op dat de mogelijke effecten van vezels korter dan 5 μm impliciet zijn meegenomen in de risicoanalyse.