CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL Bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Theaterkwartier - toelichting

Raadsvergadering 16 juli 2024, gemeente LelystadBij agendapunt: 24.210 Vaststelling bestemmingsplan Partiele herziening bestemmingsplan Theaterkwartier en Beeldregieplan Theaterkwartier20.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor het voorliggende plan wordt er echter uitgegaan van een bergingsnorm van 12%, zoals wordt aangeraden door het waterschap Zuiderzeeland en volgt uit het te actualiseren beleid van het nieuwste klimaatscenario. Dit betekent dat er 956 m² aan watercompensatie gerealiseerd moet worden. Binnen het peilvak (-5,4 m t.o.v. NAP)waar het voorliggende plangebied in is gelegen, wordt door de gemeente voorzien in een of meerdere locaties om de benodigde watercompensatie te realiseren. - Wateroverlast Het streefbeeld is: "Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen." Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Nadelige effecten van de toename van waterafvoer door nieuw aan te leggen verharding of aanpassing van het watersysteem mogen niet worden afgewenteld of leiden tot een toename van wateroverlast. Met het bovenstaande zal rekening worden gehouden tijdens de uitwerking van de ontwerpen. Waterkering In en rondom het plangebied bevinden zich geen primaire, regionale of overige waterkeringen. Dit onderdeel vormt daarmee geen belemmeringen voor voorliggend plan.

25

Schoon water Goed omgaan met afvalwater Het streefbeeld is: "Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (bv. vervuild hemelwater) wordt voorkomen." Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar 'zuiverend gescheiden stelsels' heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. - Waterafvoer Hemelwater vanaf de gebouwen en overige verharding zal gescheiden afgevoerd worden. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het gebied zal hiervoor worden aangesloten op het aanwezige gescheiden stelsel. - Vervuilingseenheden Met het voorliggende plan worden circa 139 woningen meer mogelijk gemaakt dan in de huidige planologische situatie is beoogd.

Voor woningen wordt uitgegaan van 1 of van 3 vervuilingseenheden. Betreft het een eenpersoonshuishouden dan is de vervuilingseenheid 1, betreft het een meerpersoonshuishouden dan is de vervuilingseenheid 3. Het aantal vervuilingseenheden ligt voor dit plan tussen de 139 en 417. In de vervolgfase toont de gemeente aan dat de toename aan vuilwaterproductie kan worden afgevoerd met de bestaande riolering. Als dit niet zo is, dan zal een alternatieve afvoer nodig zijn, bijvoorbeeld door een aan te leggen persleiding naar de zuivering. Conclusie Het plan voorziet in een feitelijke toename van het verhard oppervlak, maar niet in een toename ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Klimaatveranderingen zijn hierin echter meegewogen. Daarom dient binnen het peilvak voorzien te worden in compensatie met een bergingsnorm 12% en wordt bij de uitwerking van de plannen nader aandacht besteed aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast, droogte en hittestress. Voor de overige wateraspecten worden er geen nadelige effecten verwacht. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

26

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek De ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Lelystad, binnen de geluidzones van de Agorabaan, de Stationsweg, Stationsdreef, Zuigerplasdreef en Kustendreef. De locatie ligt tevens binnen de geluidzone van de naastgelegen spoorweg (Almere - Dronten). Om de geluidbelasting op de gevels te bepalen is er een onderzoek naar wegverkeerlawaai en railverkeerlawaai uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, kenmerk: 23126, d.d. 7 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de Stationsweg bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB na aftrek (rekenpunt 1). De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 63 dB uit de Wgh wordt op de locatie niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Agorabaan bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt 63 dB na aftrek (rekenpunt 14). De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 63 dB uit de Wgh wordt op de locatie niet overschreden.

De geluidbelasting door wegverkeer op de Stationsdreef bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie meer dan 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting bedraagt 52 dB na aftrek (rekenpunt 8). De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 63 dB uit de Wgh wordt op de locatie niet overschreden. De hoogste geluidbelasting door de Zuigerplasdreef/Kustendreef bedraagt 43 dB na aftrek (rekenpunt 16). De geluidbelasting van 48 dB wordt op de gevels van de woningen niet overschreden. Railverkeer De geluidbelasting door railverkeer bedraagt op een deel van de woningbouwlocatie op de hoogste verdiepingen meer dan 48 dB. De hoogste geluidbelasting bedraagt 62 dB (rekenpunt 9). De ten hoogste toelaatbare grenswaarde van 68 dB uit de Wgh wordt op de locatie niet overschreden. Hogere waarden In het beleidsdocument 'Geluid in Lelystad: Hogere Grenswaarden en Zonebeheer' van 23 januari 2007 zijn voorwaarden opgenomen die de gemeente Lelystad stelt aan het verlenen van hogere waarden. Omdat maatregelen aan de bron of in de overdracht qua uitvoering of financiën niet in verhouding zijn tot de opbrengst, dienen hogere waarden worden verleend van maximaal 63 dB voor wegverkeerslawaai en maximaal 62 dB voor railverkeerslawaai. Deze waarden liggen boven de maximale waarden van 58 en 61 dB voor het Stadshart volgens het geluidbeleid van de gemeente.

Er dient voor deze waarden te worden afgeweken van het geluidbeleid van de gemeente. De afwijking van het geluidbeleid van de gemeente wordt navolgend gemotiveerd. Goede ruimtelijke ordening Het bestemmingsplan 'Theaterkwartier' is een nadere uitwerking van het Masterplan 3.0. Het Masterplan 3.0 heeft onder andere tot doel om te komen tot een grotere leefbaarheid van het centrum en daartoe is extra woningbouw ten opzichte van het huidige programma essentieel. De uitwerking van het Masterplan 3.0 is alleen mogelijk met de toepassing van een hogere grenswaarde voor het geluid. Daarbij wordt deels de maximale (beleidsmatige) grenswaarde van 58 dB voor wegverkeerslawaai voor het centrumgebied overschreden. Een maximale waarde van 58 dB biedt namelijk geen mogelijkheid om de gewenste ontwikkeling van woningen mogelijk te maken, waarmee er deels afgeweken dient te worden van de beleidsregel. De vast te stellen hogere grenswaarden vallen wel binnen de wettelijke kaders en grotendeels binnen de beleidskaders. Akoestische compensatie Bij akoestische compensatie wordt het nadeel van een te hoge geluidbelasting gecompenseerd met maatregelen die ook in de akoestische sfeer liggen.

De woningen met een hogere geluidsbelasting worden gecompenseerd door de toepassing van ten minste één geluidluwe gevel per woning, een aangepaste indeling van de woning (geluidluwe binnenruimtes) en/of een privé-gebied (tuin, balkon of park) aan de rustige zijde van het huis (geluidluwe buitenruimtes).

27

Door er zorg voor te dragen dat de geluidsgevoelige ruimten en, indien aanwezig, een tuin of balkon aan de geluidluwe zijde van de woning worden gerealiseerd kan toch een bevredigende woonsituatie worden bereikt. Aan het vaststellen van hogere waarden worden daarom voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op geluidluwe binnen- en buitenruimtes. Bij een indeling van de woning met geluidluwe binnenruimtes is ten minste 30% van de verblijfsruimten dan wel het oppervlak van het verblijfsgebied aan de geluidluwe zijde van de woning gesitueerd. Het gaat hierbij om woon- en slaapkamers. Omdat geluidhinder veel eerder buiten de woningen wordt ondervonden dan in de woningen, wordt gestreefd naar stillere buitenruimten. De primaire (geluidsgevoelige) buitenruimten worden aan de geluidsluwe zijde van de woning geprojecteerd. Aspecten van bezonning en afscherming van alleen de begane grond kunnen hierbij worden betrokken. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning. Niet-akoestische compensatie Niet-akoestische compensatiemaatregelen hebben niets te maken met geluid, maar worden wel als positief element gezien in een omgeving, zoals meer groen, goed openbaar vervoer of een kinderspeelplaats. Deze maatregelen zijn dan in grotere mate aanwezig dan in vergelijkbare plannen met een lagere gemiddelde geluidsbelasting.

De soort maatregel die wordt toegepast hangt samen met de omgeving waar de woning wordt gerealiseerd. In een centrumgebied wordt sneller aan een parkeergarage gedacht dan in een woonwijk, in een woonwijk is een kinderspeeltuin of meer groen in de wijk realistischer dan in een centrumgebied. Niet-akoestische maatregelen kunnen altijd worden toegepast, maar zijn verplicht vanaf 5 dB meer geluid op de gevel van woningen. Niet-akoestische compensatiemaatregelen zijn reeds aanwezig gezien de situering ten opzichte van het centrumgebied en het trein- en busstation. Conclusie Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het geluidbeleid van de gemeente. Aan deze toetsingskaders wordt na het verlenen van hogere waarden voldaan. De afwijking van het geluidbeleid is voorgaand gemotiveerd. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen tevens wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De geluidbelasting is in een aantal rekenpunten op de woningen hoger dan 53 dB voor wegverkeer en 55 dB voor railverkeer. De benodigde karakteristieke geluidwering voor de gevels van deze woningen bedraagt dan GA;k meer dan 20 dB. Voor deze geluidbelaste gevels zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 68 dB (rekenpunt 14). De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevel bedraagt GA;k 35 dB.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

28

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaalaantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling van maximaal 340 nieuwe woningen en maatschappelijke dienstverlening mogelijk. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is, met behulp van de Atlas Leefomgeving (van het RIVM), wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de Atlas blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarden van 25 μg/m³ voor fijnstof PM 2,5 en 40 μg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide. De specifieke waarden zijn 7,9 μg/m³ PM2,5, 15,3 μg/m³ PM10 en 14,5 μg/m³ NO2.

29

Besluit gevoelige bestemmingen Scholen zijn conform het Besluit gevoelige bestemmingen aangemerkt als gevoelige bestemming. Minderjarigen zijn immers verhoogd gevoelig voor fijnstof en stikstofdioxide. Indien een gevoelige bestemming zich binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 m) of een provinciale weg (50 m) bevindt is een luchtkwaliteitsonderzoek vereist. Omdat de dichtstbijzijnde provinciale wegen, de N307 (ca. 2,6 km) en de N309 (ca. 2,7 km), op grotere afstand liggen, is een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk. Tevens worden de grenswaarden fijnstof PM10 en NO2 niet overschreden, zoals bovenstaand is weergegeven. Het plan is uitvoerbaar in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. De luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.6 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Deze worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Direct aansluitend op het plangebied zijn winkels en (kleine) bedrijven gevestigd. Derhalve is aan de hand van bestemmingsplannen in de omgeving gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De omgeving van het plangebied is te typeren als een gemengd gebied, waarin een matige tot sterke functiemenging aanwezig is. Als er

30

sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden uit de VNG publicatie met een afstandstap worden verlaagd, behalve voor het aspect gevaar. In de navolgende tabel is een overzicht gegeven van de milieubelastende activiteiten in de omgeving. inrichting/ omschrijving Parkeergarage de Waag Tango tankstation (zonder lpg) Kwikfit Lelystad

SBI2008 5221

adres

richtafstand 10 m

afstand

voldoet

Waagstraat 2

milieucategorie 2

12 m

Ja

473

Stationsweg 51

2

10 m

26 m

Ja

Stationsweg 53

2

10 m

28 m

Ja

Bestemming 'kantoor'

451, 452, 453 -

De Stelling 13-01

1

0m

35 m

Ja

Agora theater

9004

Agorabaan 12

2

10 m

35 m

Ja

Wouters en Partners

-

Agorabaan 23

1

0m

35 m

Ja

MBO College Lelystad - ROC van Flevoland

852, 8532

Agorawagenplein 1

2

10 m

130 m

Ja

Parkeergarage Agoradek Leonardo Hotel

5221

Agoradek 118

2

10 m

180 m

Ja

5510

Agoraweg 11

1

0m

125 m

Ja

Detailhandel

47

Waagpassage

1

0m

19 m

Ja

Restaurant, bioscoop en overige kleine recreatie

561, 5914, 931

De Waag 9

2

10 m

30 m

Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle richtafstanden wordt voldaan. De aanwezige bedrijven in de omgeving niet leiden tot belemmeringen voor de nieuwe woningen in het plangebied. Bedrijven in de omgeving worden niet beperkt in de mogelijkheden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

31

Planspecifiek Er is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, kenmerk: 2023-0490, d.d 24 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten.

Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS-module (AERIUS 2022) van januari 2023 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van AERIUS Calculator (Buro SRO, kenmerk: SR230017, d.d. 23 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Er zijn twee berekeningen uitgevoerd: een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase. Met de berekening voor de gebruiksfase is de toekomstige situatie in beeld gebracht. Met de beoogde situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van 1.988 voertuigbewegingen in licht verkeer en 6,8 voertuigbewegingen in zwaar verkeer per etmaal.

De nieuwe woongebouwen worden gasloos uitgevoerd en zijn dan ook niet meegenomen in de berekening. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van NOx-emissie van 120,6 kg/j en een NH3-emissie van 4,2 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er voor de nieuwe situatie geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. De berekening van de bouwfase is uitgevoerd op basis van de uitstoot van de mobiele werktuigen en voertuigbewegingen die tijdens de bouwfase plaatsvinden voor het bouwjaar 2024 (worst case). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er voor het rekenjaar 2024 sprake is van NO x-emissie van 278,4 kg/j en een NH3-emissie van 10,3 kg/j. Uit de berekening blijkt dat er in de bouwfase voor het rekenjaar 2024 geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is er het plan met het oog op de Wet natuurbescherming (Wnb) uitvoerbaar.

32

Conclusie De beoogde ontwikkeling is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten. Beleidsvisie voor het cultuurbeleid 2017-2020 Nu Lelystad ouder wordt, beschikt de stad over objecten met cultuurhistorische waarde die de ontwikkeling van Lelystad weergeven en het behouden waard zijn. Bij de behandeling van het Structuurplan Lelystad 2015 heeft de gemeenteraad aangegeven behoefte te hebben aan meer inzicht in het cultuurhistorisch erfgoed in Lelystad. Dit heeft ertoe geleid dat in 2007 door externe deskundigen een inventariserende quickscan is uitgevoerd. Deze quickscan heeft geleid tot een waardering van een aantal cultuurhistorische elementen in Lelystad.

Op basis van deze waardering heeft de raad in 2008 besloten om het principe van ‘behoud door ontwikkeling’ als uitgangspunt te hanteren voor de gemeentelijke monumentenverordening. 'Behoud door ontwikkeling' staat voor een beleidsmatige aanpak dat zijn oorsprong vindt in de Nota Belvedere (1999) van het rijk. Binnen het concept van 'Behoud door ontwikkeling' wordt het cultuurhistorisch erfgoed niet louter beschermd, maar worden de cultuurhistorische en archeologische kwaliteiten benut bij ruimtelijke vraagstukken op bijvoorbeeld het gebied van woningbouw, infrastructuur en natuurontwikkeling. Daarmee worden de waarden van het cultuurhistorisch erfgoed direct betrokken bij de (her)inrichting van de openbare ruimte en er niet buiten geplaatst. Dit komt niet alleen het erfgoed ten goede (behoud), maar ook de kwaliteit van het ruimtelijk ontwerp (ontwikkeling). Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland/Lelystad De cultuurhistorische waardenkaart geeft een overzicht op hoofdlijnen van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie Flevoland. De waardenkaart is opgebouwd uit verschillende kaarten. Dit zijn landschappelijke en cultuurhistorische kenkwaliteiten, landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten, een archeologische beleidskaart en aardkundig waardevolle gebieden.

Planspecifiek Er bevinden zich, op basis van de cultuurhistorische waardenkaart Flevoland, in en rondom het plangebied geen rijks- of gemeentelijke monumenten (zie onderstaande afbeelding). Ten oosten van het plangebied is een belangrijke interne ontsluiting aangeduid. Deze ontsluiting wordt door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast.

33

Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland (plangebied rood omkaderd)

Het is niet noodzakelijk om nadere eisen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden te stellen. Geconcludeerd kan worden dat het plan uitvoerbaar is voor wat betreft het aspect cultuurhistorie. 4.8.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied valt buiten het in het Provinciaal Omgevingsplan 2006 opgenomen PArK en aandachtsgebied.

Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 2.0) bevindt het plangebied zich in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. In het gebied bevindt zich een pleistocene dekzandrug met een hoge archeologische verwachtingswaarde. De gronden binnen het plangebied zijn in het gemeentelijk beleid vrijgegeven voor wat betreft archeologie en nader onderzoek is niet nodig. Indien bij de bodemingrepen toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

34

Op grond van het Provinciaal omgevingsplan 2006, de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (2.0) en het gemeentelijk beleid “Archeologische monumentenzorg in Lelystad” is voor het voorliggende plan geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering.

4.9 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico (PR) wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Bij het groepsrisico (GR) is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect.

Het Bevi stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is dit moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording is. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

35

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat beschreven in Besluit transportroutes gevaarlijke stoffen (Btev). In het Btev staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen.

Volgens het Btev mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Ten opzichte van de voorheen geldende 'Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' is een verantwoording van het groepsrisico niet meer verplicht als het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt. Planspecifiek Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (zwarte omcirkeling)

36

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, namelijk de spoorweg ten westen van het plangebied. Met het voorliggende plan wordt er een vergroting van het woningaantal en daarmee de personendichtheid mogelijk gemaakt. In dit kader is een risicoberekening uitgevoerd (Kragten, kenmerk: 20231102-SRO066-RAP-RBM 3.0, d.d. 24 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8) en is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Kragen, kenmerk: 20231102-SRO066-NOT-VGR 3.0, d.d. 24 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Berekening groepsrisico De hoogte van het groepsrisico dient te worden bepaald binnen het invloedsgebied van de transportroute. In de HART is in hoofdstuk 4 beschreven hoe de modellering van de risico’s dient plaats te vinden. Hierbij is onder andere aangegeven hoe de bevolking moet worden geïnventariseerd. In de huidige situatie is uitgegaan van de planologische mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, een en ander in afstemming met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek. Binnen het plangebied is uitgegaan van een aanwezigheid van 185 personen in de dagperiode en 307 personen in de nachtperiode. In de nieuwe situatie worden er maximaal 340 woningen gerealiseerd.

Voor de personenaantallen in de woningen is uitgegaan van het kental voor wonen (2,4 pers./woning) met een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode. Dit betekent een aanwezigheid van 408 personen in de dagperiode en 816 personen in de nachtperiode. De planvorming leidt tot een toename van 223 personen in de dagperiode en 509 personen in de nachtperiode. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is zowel voor de huidige als voor de toekomstige situatie het groepsrisico berekend. Uit de resultaten blijkt dat zowel vóór als na planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat boven de oriëntatiewaarde ligt. Er is geen sprake van een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient invulling gegeven te worden aan een verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Het plangebied is gelegen binnen de invloedsgebieden van de spoorlijn Weesp – Hattem (route 40). Voor de spoorlijn dient een uitgebreide verantwoording opgesteld te worden, aangezien zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de hoogte van het groepsrisico hoger is dan de oriëntatiewaarde.

Algemene beschouwing Aangezien in de nabije omgeving van het plangebied de spoorlijn Weesp – Hattem is gelegen, ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van dit traject, op grond van de stoffen die over deze transportassen vervoerd worden. Maatgevende scenario’s Als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden de volgende scenario’s. - BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistofgasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard. - Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagon of -container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. Noodzaak ruimtelijke ontwikkeling Het voornemen is om het Theaterkwartier te ontwikkelen tot een hoogwaardige, levendige stadswijk.

De gemeente zet in op de versnelling van de woningbouwproductie en een hogere differentiatie in woningentypen. In Lelystad is er een tekort in de plancapaciteit aan centrum - stedelijke, stedelijk

37

vooroorlogse en dorpse woonmilieus. Woonmilieus in de nabijheid van werk, voorzieningen, goede bereikbaarheid en levendigheid zijn gewild. Kwalitatieve openbare ruimte, een interessante mix aan functies en de goede bereikbaarheid trekt veel mensen. Met de beoogde stedelijke ontwikkeling wordt ingezet op een hoge mate van differentiatie in woningtypen. Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. Als gevolg van de planvorming wijzigt de bereikbaarheid van de relevante risicobronnen niet. Het plangebied is vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar.

- Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Gezien de ligging van de brandweerkazerne op korte afstand tot het plangebied, is het uitgangspunt dat het brandweerkorps binnen de wettelijke opkomsttijd aanwezig is op de planlocatie. - Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagon meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn.

Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. - Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Uitgangspunt is dat aanwezige personen zelfstandig, danwel met hulp van overige aanwezigen in veiligheid gebracht kunnen worden. - Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.

38

Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt, waarbij gerealiseerd dient te worden dat, indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de weg af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Het is mogelijk om afzijdig van de spoorlijn, afgeschermd door bebouwing, het plangebied te ontvluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden.

Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aangezien het nieuwbouw van woningen betreft, zal op grond van de vigerende wet- en regelgeving voldoende aandacht zijn voor de luchtdichtheid. Indien een mechanische ventilatie aanwezig is, zal deze middels één handeling uitschakelbaar zijn. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. - Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario’s). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen.

Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies te worden voorgelegd aan de regionale brandweer dan wel de veiligheidsregio. De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio dient de gemeente Lelystad mee te wegen in haar besluitvorming. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende risicovolle inrichtingen. Deze betreffen drie tankstations met LPG. Het dichtstbijgelegen tankstation is gelegen op een afstand van ca. 1,2 km. Het plangebied bevindt zich niet binnen één van de aandachtsgebieden. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Flevoland heeft advies uitgebracht ten aanzien van het voorliggende plan. Dit advies (Veiligheidsregio Flevoland, kenmerk: Advies brandweer, d.d. 19 september 2023) is als bijlagen bij toelichting bijlage 12 opgenomen. De Flevolijn is in het kader van het Tracébesluit SAAL beoordeeld en zijn er bronmaatregelen getroffen.

Er zijn in dit kader geen nadere ruimtelijke maatregelen mogelijk om de bron

39

te beperken. Dit advies heeft betrekking op het onderdeel verantwoording hulpverlening, voor het deel beperking van de omvang (aantal potentiële doden, gewonden en de materiële schade) van de kleine kans op een incident met gevaarlijke stoffen op het spoor. De adviezen van de veiligheidsregio zijn meegewogen in dit plan. De adviezen die betrekking hebben op de verdere technische detailuitwerking van de gebouwen worden verwerkt in het eisenpakket voor de ontwikkelende partijen. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.10 Trillingen Er bestaat in Nederland wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Maar uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening is het aspect trillingen wel een aandachtspunt. Hierbij kan aangesloten worden bij de SBR-richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen'. Deze richtlijn, die grotendeels aansluit bij internationale richtlijnen, gaat in op schade aan gebouwen, op hinder voor personen in gebouwen en op storing aan apparatuur. Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. Planspecifiek Het plangebied is gelegen nabij de spoorlijn Lelystad - Zwolle. Van deze spoorlijn zijn mogelijk trillingen te verwachten voor de te realiseren woning. Voor het geldende bestemmingsplan 'Theaterkwartier' is in opdracht van de gemeente Lelystad door DGMR onderzoek gedaan naar de te verwachten trillingen en trillingsrisico's voor de te bouwen woningen in het Theaterkwartier (DGMR, d.d. 15 augustus 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). Met het voorliggende plan wordt het mogelijk gemaakt om binnen dezelfde bouwvlakken als in het geldende bestemmingsplan hogere gebouwen en meer woningen te realiseren. Er verandert daarmee niets aan de afstand van de bouwvelden tot het spoor ten opzichte van het onderzoek dat in het kader van het geldende bestemmingsplan is uitgevoerd.

Onderstaand is beschreven waarom het onderzoek nog toepasbaar is. Het onderzoek uit 2019 is uitgevoerd na de implementatie van het PHS OV-Saal en zijn er op het gedeelte van de spoorlijn Lelystad - Zwolle (Hanzelijn) geen relevante spoorwijzigingen geweest. Het goederenvervoer is ook niet toegenomen sindsdien. Het jaarrapport spoorgoederenvervoer geeft voor de jaren 2019 en 2020 een maximum aantal van 350 treinen op jaarbasis voor beide richtingen gezamenlijk. Voor het jaar 2021 waren dit 250 treinen, mogelijk mede als gevolg van de Covid-pandemie. In de afgelopen vijf jaar is er geen sprake van een toename. Ook het type goederenmaterieel dat gebruik maakt van de spoorverbinding zal binnen vijf jaar niet veranderen. Daarnaast is het aannemelijk dat bij hoger/zwaarder bouwen, zoals met het voorliggende plan het geval is, de weerstand tegen trillen alleen maar toeneemt. In situatie zoals in het rapport beschreven was dit al niet kritisch en zal dit nu ook het geval zijn. Samenvattend is er in de situatie tussen het spoor en de onderzoekslocatie ruimtelijk niets gewijzigd. In het gebruik van het spoor zijn tevens geen grote veranderingen opgetreden ten opzichte van het onderzoek. Er is geen sprake van een toename in het gebruik van het spoor. Het onderzoek dat is uitgevoerd voor het geldende bestemmingsplan is daarmee bruikbaar voor het voorliggende plan.

Onderstaand worden de resultaten uit het onderzoek van 15 augustus 2019 beschreven. Uit de trillingsmetingen op de bouwkavel, de overdrachtsmetingen aan representatieve bebouwing en daarop gebaseerde prognoses volgt dat:

• •

Het zwaar verkeer op de Stationsweg een grotere trillingsbron vormt dan het spoorverkeer, althans voor de eerstelijns bebouwing. Van het railverkeer alleen de weinig voorkomende goederentreinen relevant zijn.

40

•

De verwachte trillingen door railverkeer in de geplande woningen op minimaal 53 m afstand tot het spoor voldoen aan de streefwaarden uit de SBR-B. Voorwaarde daarbij is dat er een paalfundering wordt toegepast en een vloersysteem met een laagste buigeigenfrequentie van ten minste 12 Hz.

Geconcludeerd wordt dat railverkeer naar verwachting niet tot trillingshinder leidt in de te bouwen woningen, zolang er maar gezorgd wordt voor voldoende bouwmassa en vloerstijfheid. Voor lichte bouwwijzen op basis van een houtskelet of lichte staalconstructie met eveneens lichtgewicht vloersysteem is geen prognose gegeven. Dergelijke bouwwijzen worden op deze locatie niet aanbevolen, maar vergen nader onderzoek. Om te waarborgen dat voldaan wordt aan de voorgeschreven streefwaarden, uit de SBR-richtlijn ‘Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen’ deel B voor woningen in een nieuwe situatie, is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Conclusie Het aspect trilling vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op het parkeren en de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de kencijfers van het CROW-publicatie 381, 2018. Uitgaande van de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' in het 'centrum'. Hiervoor geldt een gemiddeld kencijfer van 6,8 mvt/etmaal per woning, voor dure koopappartementen, wat een worstcasebenadering is.

Voor de huurappertementen kan uit worden gegaan van een gemiddeld kencijfer van 3,2 mvt/etmaal per woning. Conform de CROW-publicatie zal de realisatie van de woningen circa 1.988 voertuigbewegingen per etmaal genereren (zie onderstaande tabel). Dit is een worstcasebenadering, aangezien het aannemelijk is dat de verkeersgeneratie voor de 90 woningen in veld VI in de praktijk lager is. Echter is het merendeel van de woningen in veld VI beoogd voor starters, studenten en jongeren. Studenten beschikken doorgaans niet over een eigen auto. CROW-aansluiting

aantal

Koop, appartement, duur Huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur) Totaal

250 90

gemiddelde verkeersgeneratie per woning 6,8 3,2

340

totaal 1.700 288 1.988

41

Om te beoordelen of de verkeersgeneratie van 1.988 mvt/etmaal afgewikkeld kan worden op de bestaande verkeersstructuur zijn de verkeersintensiteiten en -capaciteiten van deze wegen relevant. In het geldende bestemmingsplan 'Theaterkwartier' is dit aan bod gekomen. Daarin werd geconcludeerd dat de grootste toename aan verkeer op de Agorabaan uit zou komen. Deze weg kan gelet op de inrichting en de huidige intensiteit de toename aan verkeer verwerken. De verwachting is dan ook dat de verkeersstructuur in de omgeving over voldoende capaciteit beschikt om de verkeersgeneratie van de woningbouwontwikkeling af te kunnen wikkelen. Het aspect verkeer staat de planontwikkeling dan ook niet in de weg. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen.

In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van maximaal 250 woningen in bouwvelden IV en V en maximaal 90 studenten- en starterswoningen in bouwveld VI. De gemeente Lelystad heeft haar parkeerbeleid verwoord in het parkeerbeleidsplan uit 2009. Hierin zijn de normen voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per woningen bepaald. In het geldende bestemmingsplan 'Theaterkwartier' is aangegeven dat het beleid verouderd is, maar dat er nog geen nieuw beleid is vastgesteld. Om deze reden wordt in het bestemmingsplan 'Theaterkwartier' uitgegaan van de volgende parkeernorm: per woning/appartement dient één parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd te worden. Voor de overige benodigde parkeerbehoefte, waaronder bezoekersparkeren, wordt de ruimte in de nabijgelegen parkeergarages (waaronder de Waaggarage) aangewend.

Verder is in het geldende bestemmingsplan 'Theaterkwartier' een afwijkingsbevoegdheid voor parkeren opgenomen, die op de voorliggende partiële herziening onverkort van toepassing is. Op basis van het verouderde parkeerbeleid dient er aangesloten te worden bij een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning, met 0,3 parkeerplaats voor bezoekers, ongeacht woningcategorie (koop/huur, goedkoop/(midden)duur). Voor het voorliggende plan betekent dit dat er per woning een tekort van 0,5 parkeerplaatsen is (0,3 bezoekers en 0,2 bewoners). De afspraak vanuit het geldende bestemmingsplan is dat de overige 0,5 parkeerplaatsen per woning in de Waaggarage opgelost dienen te worden. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan wordt een verlaging van de parkeernorm voor bewoners naar 0,6 parkeerplaatsen per woning doorgevoerd. Om een verlaging van de parkeernorm mogelijk te kunnen maken, dient aan een aantal randvoorwaarden te worden voldaan: 1. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=c58d8b2c-c2d0-461e-9f25-f017ebf3360e