CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 3. Inventarisatierapport Archeologie en cultuurhistorie

Raadsvergadering 27 januari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.471 Beleidsnota Erfgoed en Archeologie 2025-203033.132 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In het PArK22 Rivierduingebied Swifterbant (ten noorden van Lelystad, op de grens van de gemeenten Lelystad en Dronten) is een rivierlandschap bewaard gebleven dat bestaat uit lage, kleiige oeverwallen, komgronden en donken (zandduintjes), en dat dateert tussen 4300 en 4000 v. Chr. (Klassiek Swifterbant, overgang Vroeg- Neolithicum B en MiddenNeolithicum A). De mensen die in dit landschap vertoefden, leefden voornamelijk van het jagen en verzamelen van voedsel en andere grondstoffen. Daarnaast verbouwden ze graan (emmertarwe en naakte gerst) op de oeverwallen.23 De Swifterbantcultuur, die met name bekend is uit Flevoland, WestNederland en het rivierengebied, wordt gedateerd vanaf 5000 v. Chr. tot 4000 v. Chr. (zie bijlage 1).

18

Basisveen Laag, Formatie van Nieuwkoop. TNO-GDN 2023a

19

Gotjé 1993; Makaske et al. 2002.

20

Zie bijvoorbeeld Ente 1971, 376-377.

21

Hamburg et al. 2013; ZaakID 2263807100.

22

PArK = Provinciaal Archeologisch en Aardkundig Kerngebied.

23

Bazelmans et al. 2011, 49.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

24

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 7 Paleogeografische situaties vanaf het begin van het Holoceen tot 500 v.Chr. Naar Vos et al, 2018, 2020. Zie voor de legenda-eenheden afbeelding 7.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

25

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Naast bewoningssporen en sporen van akkerbouw, zijn op de nederzettingsterreinen bij Swifterbant ook inhumatiegraven gevonden van volwassenen en kinderen. In sommige graven werden bijgiften aangetroffen bestaande uit werktuigen van vuursteen of sierraden uit barnsteen of git. Het onderzoek bij Swifterbant heeft zich geconcentreerd op de bewoning op de oeverwallen van de kreken en duinen. Onderzoek in bijvoorbeeld Bergschenhoek (Zuid-Holland) heeft duidelijk gemaakt dat ook de nattere delen van het landschap uit die tijd werden gebruikt. Hier werd een jachtkampje aangetroffen dat was gelegen aan een veenmeertje. Daarin werden visfuiken en fragmenten van een boomstamkano aangetroffen.24 Ook binnen Flevoland zijn visweren aangetroffen in de nattere delen van het landschap, zoals bijvoorbeeld nabij Emmeloord en in Almere al hebben deze een iets jongere datering. Op Kavels NJ97 en NJ98 bij Emmeloord zijn ca. 10 palenzwermen aangetroffen met 48 visfuiken. Deze vondstlocatie is gelegen in een getijdengebied van de zee aan de noordzijde van een oeverwal vanaf de Swifterbandtperiode tot aan het begin van de Midden Bronstijd (3300 – 1700 v Chr.).25 De visvangconstructie in Almere dateert uit het Laat Neolithicum (ca. 2400 v.

Chr.) en is ook gelegen in getijafzettingen.26 Nader onderzoek heeft uiteindelijk 3500 palen blootgelegd en daarmee is dit de grootste visweer ooit aangetroffen in Europa. 27 Kort na 5000 v. Chr. begonnen zich in de lagere delen van het huidige Markermeer- en IJsselmeergebied moerassen te ontwikkelen. Afgestorven planten kwamen op de waterbodem terecht. Omdat er geen zuurstof bij kon komen, bleven zij geconserveerd. Hierdoor hoopte dood plantmateriaal zich op de waterbodems op, waardoor (laag-)veen ontstond. Tegen 3000 v. Chr. raakten ook de hoger gelegen delen van het pleistocene dekzand met veen bedekt (vergelijk Afbeelding 7, 5500 v.Chr. met 3850 v.Chr. en 2750 v.Chr.).

24

Raemaekers 2005, 266-269.

25

https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/emmeloord-3/visweer.html

26

Geer 2013

27

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/opgraving-almere-blijkt-vissenval-uit-de-steentijd/ en https://biax.nl/rapporten/2537/hout_van_een_visweer_in_almere_stichtse_kant.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

26

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 8 Paleogeografische situaties van 250 v.Chr. tot 1850 n.Chr. Naar Vos et al, 2018, 2020. Zie voor de legenda-eenheden afbeelding 7.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

27

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Vanaf ongeveer 2750 v.Chr. begint de vorming van wat zich zal ontwikkelen tot het Flevomeer. 28 Aanvankelijk nog in verschillende kleinere waterlichamen, maar vanaf ongeveer 1500 v. Chr. al in een aaneengesloten wateroppervlak (zie ook Afbeelding 7 linksonder en rechtsonder, Afbeelding 8 linksboven en rechtsboven). De zee had inmiddels zijn grip op het huidige IJsselmeergebied verloren, omdat langs de westkust van Nederland zich een aaneengesloten strandwallengebied had gevormd. Toch bleef er sprake van ‘wateroverlast’, omdat het water dat via de IJssel vanuit het achterland werd aangevoerd ook niet meer, dan wel minder gemakkelijk, richting zee kon worden afgevoerd. Het gevolg hiervan was het ontstaan van een uitgestrekt meer: het Flevomeer. Recent onderzoek op de locatie Kotterbos bij Almere heeft aangetoond dat ook in de dynamische omgeving van dit meer sporen uit de Romeinse tijd kunnen worden aangetroffen.29 De uitbreiding van het Flevomeer leidde tot de afbraak van een deel van het, inmiddels uitgestrekte, veengebied.

Afbeelding 9 Paleogeografische situatie 2000 n.Chr. Naar Vos et al, 2018, 2020. De legenda is tevens op Afbeelding 7 en Afbeelding 8 van toepassing.

28

Pierik et al. (2016) benoemen het reeds als ‘Lake Flevo’ op het einde van het mid-Holoceen. Dit komt overeen met het Northgrippien, dat eindigde rond 2250 v.Chr. zie Cohen et al. 2013 (updated). 29

Van Heeringen et al. 2014.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

28

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Op de bodem van dit meer werden zogenaamde Flevomeer-afzettingen gevormd, de jonge detritusgyttja; in feite verspoeld veenlandschap. De verdergaande vorming van het waddengebied en de gelijk oplopende afbraak van het veen leidden uiteindelijk tot een open verbinding tussen de Noordzee en wat in de Middeleeuwen het Almere wordt genoemd (Afbeelding 8, midden links).30 Die verbinding nam door stormvloeden in omvang toe. In de Late Middeleeuwen, met name in de 12e en 13e eeuw, groeide het water uit tot een heuse binnenzee, de Zuiderzee (Afbeelding 8, midden rechts en de onderste rij). In 1932 is de Afsluitdijk aangelegd en werden onder zoetwater omstandigheden de zogenaamde IJsselmeer Afzettingen gevormd (Afbeelding 9). 3.3

De huidige landschappelijke ondergrond van de gemeente Lelystad

De hiervoor geschetste landschappelijke ontwikkeling heeft geleid tot de huidige opbouw van de ondergrond in het gebied, waarbij delen van het eerder opgebouwde landschap op de ene plaats bewaard zijn gebleven, terwijl zij op een andere plek ontbreken (zowel door erosie, als – met name in het Lelystadse deel van zowel het IJsselmeer als het Markermeer – door ontgraving / zandwinning). 3.3.1

Drooggelegd landschap

Het glaciale bekken dat in het gehele zuiderzeegebied in de ondergrond aanwezig is, loopt onder Oostelijk Flevoland snel op in noordelijke richting. Het pleistocene oppervlak bestaat hier overwegend uit dekzanden (Formatie van Boxtel; Laagpakket van Wierden 31) en rivierzanden (Formatie van Kreftenheye32) in het dal van de ‘Oer-Hunnepe’, een klein riviersysteem dat zorgde voor de waterafvoer van een deel van het Oost-Nederlandse dekzandlandschap, voorafgaand aan het ontstaan van de Gelderse IJssel. In de dekzanden komen Allerød-bodems en veenlaagjes voor. Verder wordt dit dal geflankeerd door rivierduinen. Het is niet geheel duidelijk of deze ‘Oer-Hunnepe’ in verbinding stond met de Oer-Vecht, die iets verder noordelijk stroomde. Ter hoogte van Zwolle vormde een dekzandrug mogelijk reeds sinds het midden van de laatste ijstijd een scheiding tussen de Oer-Vecht en de Oer-Hunnepe.33 Voor het verder stroomafwaarts gelegen deel van beide systemen wordt aangenomen dat de samenvloeiing tijdens het begin van het Holoceen plaatsvindt in het noordelijke deel van het huidige Markermeer, terwijl ze later, ten tijde van het Atlanticum / Vroeg-Neolithicum in oostelijke richting is opgeschoven tot in het huidige IJsselmeer.

In de huidige Noordoostpolder ten oosten van Schokland komen beide geulen wel zeer dicht bij elkaar.34 Directe informatie over de vorming van veen (Formatie van Nieuwkoop; Basisveen Laag) in het Preboreaal-Boreaal is niet voorhanden, maar het is waarschijnlijk dat lokaal veengroei optrad. Structurele uitbreiding van veen (Formatie van Nieuwkoop; Hollandveen Laag) trad op gedurende het Atlanticum. In het gebied van de Oer-Hunnepe ontwikkelde zich in het Laat-Atlanticum, rond 43004000 v.Chr. een systeem van – overigens vrij smalle – riviergeulen, met een vrij geringe gradiënt, lage kronkelfactor en vrij hoge sedimentatiegraad.35 De oeverafzettingen van dit systeem bestaan uit vrij compacte klei, terwijl verder van de geul vandaan slappe klei is afgezet. Deze afzettingen, die worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk), bevinden zich op veel plaatsen ingebed in veen (met Basisveen / Formatie van Nieuwkoop, ongedifferentieerd aan de onderzijde en Hollandveen als deklaag) of worden aan de bovenzijde begrensd door afzettingen uit de Flevomeer Laag

30

Zie o.m. Vos/Nieuwhof 2021, Afb. 2 en 3, 500 BC -> 250 BC.

31

TNO-GDN 2023b

32

TNO-GDN 2023c

33

Cohen et al. 2009, 88.

34

Zie o.m. perioden 1 en 2 op de Archeologische Kaart IJsselmeergebied; Smit et al. 2021

35

Dresscher/Raemaekers 2010.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

29

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

of de humeuze faciës van de Almere Laag. Daarboven bevinden zich de afzettingen van de Zuiderzee Laag. 3.3.2

Het verdronken landschap in het IJsselmeer en Markermeer

Zowel het deel van het IJsselmeer als het Markermeer binnen de grenzen van de gemeente Lelystad, worden grotendeels gekenmerkt door een ‘benedenstroomse’ voortzetting van het landschap van de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland. Het pleistocene oppervlak bestaat hier, zoals ook op het landoppervlak van de gemeente Lelystad, overwegend uit dekzanden (Formatie van Boxtel; Laagpakket van Wierden) en rivierzanden (Formatie van Kreftenheye). Het pleistocene landschap aan de zuidwestgrens van de gemeente vormt de benedenstroomse voortzetting van het ook in Zuidelijk Flevoland aanwezige Eemdal. In het noordelijk deel van het Markermeer en het IJsselmeergebied daarboven is de benedenstroomse voortzetting van het OerVechtdal en Oer-Hunnepedal aanwezig. Verder komen daar ook rivierduinen en andere pleistocene opduikingen voor. Het pleistocene landschap is op een groot aantal plaatsen nog steeds afgedekt door veen (zie tevens Afbeelding 14) Onder invloed van een geleidelijk aan stijgende zeespiegel zorgde een periodiek verhoogde dynamiek in het Eem-systeem voor de gedeeltelijke uitruiming van oude meanders. Incidenteel werden ook wat hoger gelegen veenlagen verstoord.

In de geul van de Eem en in zijgeulen werd in korte tijd (mogelijk één of twee eeuwen) klei afgezet (Formatie van Naaldwijk; Laagpakket van Wormer), waarna stagnatie optrad en detritus werd afgezet, gevolgd door veenvorming (Formatie van Nieuwkoop; Hollandveen Laag). De sequentie wordt in de meeste delen van het gebied afgesneden door de Flevomeer Laag (Formatie van Nieuwkoop)36, die bestaat uit lacustriene (= in meren gevormde) detritus/gyttja. Hierop treffen we afzettingen aan van de Almere Laag en Zuiderzee Laag (Formatie van Naaldwijk), een afwisseling van minerale afzettingen en detritus. Na de afdamming van de Zuiderzee heeft nog slechts beperkte sedimentatie plaatsgevonden; deze afzettingen, die in tegenstelling tot in Oostelijk Flevoland (of in de Noordoostpolder) vaak nog wel als aparte laag zijn te onderscheiden (op basis van het ontbreken van mariene schelpen, en het feit dat de laag niet is opgenomen in een bouwvoor), zijn opgenomen in de IJsselmeer Laag (Formatie van Naaldwijk; zie tevens Afbeelding 11). 3.4

Drooglegging en inrichting Oostelijk Flevoland

Hoewel de eerste plannen voor het droogleggen van de Zuiderzee al uit de 17e eeuw dateren, duurde het tot de 19e eeuw totdat er plannen werden gemaakt die uiteindelijk tot uitvoering gebracht zouden worden. Ook voor de uitvoer van deze plannen door ir. Cornelis Lely bleek een directe aanleiding noodzakelijk: de eerste wereldoorlog, waaruit bleek dat uitbreiding van het landbouwareaal nodig was om in de eigen voedselbehoefte te voorzien, en de watersnood van 1916, waarbij grote delen rondom het Zuiderzeegebied te kwetsbaar bleken. In 1918 werd daarom besloten om de plannen van Lely daadwerkelijk uit te voeren. De eerste stap was de aanleg van de Afsluitdijk (1932) en het droogleggen van de Wieringermeer. Vervolgens werden de Noordoostpolder (1942), en Oostelijk- (1957) en Zuidelijk Flevoland (1968) drooggelegd.37 Voor de drooglegging van Oostelijk Flevoland werd een werkeiland midden in het IJsselmeer aangelegd. Hier was het onderkomen voor de arbeiders die aan de dijk, het gemaal en de sluis werkten. 38

36

TNO-GDN 2023d

37

Raap, 2022.

38

Van Meijel en Opmeer, 2007.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

30

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

De inrichting van de polder werd vanuit de tekentafel gedaan en gebaseerd op theoretische modellen, zoals de centrale plaatsentheorie van Christaller en de ideale kavelgrootte voor landbouw. Er werden twee overheidsdiensten opgericht die verantwoordelijke waren voor de waterstaattechnische werken (De Dienst der Zuiderzeewerken (ZWW)) en voor de kolonisering en huisvesting (latere Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders).39 De architect-stedenbouwer Cornelis van Eesteren heeft een grote rol gespeeld in de planningsgeschiedenis van Lelystad, en, hoewel zijn totaalplan uiteindelijk aan de kant werd geschoven, er zijn een aantal van zijn ideeën en concepten uitgevoerd en nog steeds herkenbaar in de stad, waaronder de sterke scheiding van verkeersstromen.40 In 1980 werd Lelystad een zelfstandige gemeente en werd het bestuur van de RIJP overgenomen. De combinatie van een economische recessie, een verschuivend rijksoverheidsbeleid en een nieuwe stroming in het denken over woningbouw, heeft een grote stempel gedrukt op ontwikkeling van de stad in de laatste decennia van de 20e eeuw.41 3.5

Literatuur

BAZELMANS, J./H. WEERTS/M. VAN DER MEULEN (RED.), 2011: Atlas van Nederland in het Holoceen: landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam. BERENDSEN, H.J.A. 1997B: De vorming van het land, Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. COHEN, K.M./E. STOUTHAMER/W.Z. HOEK/H.J.A. BERENDSEN/H.F.J. KEMPEN, 2009: Zand in Banen -

Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel , Arnhem. COHEN, K.M./S.C. FINNEY/P.L. GIBBARD/J.-X. FAN, 2013; UPDATED: The ICS International Chronostratigraphic Chart. Episodes 36: 199-204. https://stratigraphy.org/ICSchart/ChronostratChart2022-10NLDutch.pdf DEEBEN, J/E.DRENTH/ M.F. VAN OORSOUW/L. VERHART (RED.), 2005: De Steentijd van Nederland, Archeologie 11/12, Zutphen. DECKERS, P.H., 1979: The flint material from Swifterbant, earlier Neolithic of the northern Netherlands, Sites S-2, S-4 and S-51, Final reports on Swifterbant II, Palaeohistoria, 21, 143-180. DRESSCHER, S./D.C.M. RAEMAEKERS, 2010: Oude geulen op nieuwe kaarten. Het krekensysteem bij Swifterbant (Fl.), Paleo-actueel 21, 31-38 ENTE, P.J., 1971: Sedimentary geology of the Holocene in the Lake IJssel region, Geologie en Mijnbouw, 50, 373-382. ENTE, P.J., 1976: The geology of the northern part of Flevoland in relation to the human occupation in the Atlantic time, Swifterbant contribution 2, Helinium, 16, 15-35. ENTE, P.J./J. KONING/R. KOOPSTRA, 1986: De bodem van oostelijk flevoland, Lelystad (Flevobericht 258).

39

Provoost, 2022.

40

Provoost, 2022.

41

Provoost, 2022.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

31

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

GEER, P. VAN DE, 2013: Steentijd op de Stichtsekant. Definitieve opgraving van drie vindplaatsen op bedrijventerrein Stichtsekant, gemeente Almere, Leiden (Archol Rapport 212). GOTJÉ, W., 1993: De Holocene laagveenontwikkeling in de randzone van de Nederlandse Kustvlakte (Noordoostpolder), Amsterdam. HACQUEBORD, L., 1976: Holocene geology and palaeogeography of the environment of the levee sites near Swifterbant (polder Oost Flevoland, section G 36-41), Helinium 16, 36–42. HAMBURG, T./ A. MÜLLER/ B. QUADFLIEG (RED.), 2013: Mesolithisch Swifterbant. Mesolithisch gebruik van een

duin ten zuiden van Swifterbant (8300-5000 v.Chr.). Een archeologische opgraving in het tracé van de N23/N307, Provincie Flevoland, Alblasserdam (Archol rapport 174 & ADC rapport 3250)

HEERINGEN, R.M. VAN/W.A.M. HESSING/L.I. KOOISTRA/S. LANGE/B.I. QUADFLIEG/R. SCHRIJVERS/W. WEERHEIJM MET MEDEWERKING VAN: M. BLAAUW, D.C. BRINKHUIZEN, K. LINTHOUT, W.J. KUIJPER, B.J.A. VAN OS EN J.T. ZEILER, 2014:

Archeologisch landschapsonderzoek in het kader van het project Kwaliteitsverbetering Kotterbos (locatie Natuurboulevard) in de gemeente Lelystad, provincie Flevoland. Menselijke activiteit in natte landschappen in de Steentijd en de (Vroeg-) Romeinse tijd, Amersfoort (Vestigia-rapport 1132). HEERINGEN, R.M. VAN/R. SCHRIJVERS, 2015: Archeologisch vooronderzoek diepe ondergrond (onder water)

Terminal Flevokust ten noorden van Lelystad, provincie Flevoland, Fase 2, Inventariserend Veldonderzoek ('Landbodems'), karterende fase Terminal en verkennende fase Noordelijke Vaargeul , Amersfoort (Vestigia-rapport V1301)

MAKASKE, B./D.G. VAN SMEERDIJK/J.R. MULDER/T.SPEK, 2002: De stijging van de waterspiegel nabij Almere in de periode 5300-2300 v.Chr., Wageningen (Alterra-rapport 478). MEIJEL, L. VAN/P. OPMEER, 2007: Cultuurhistorie in Lelystad. MENKE, U./E. VAN DE LAAR/G. LENSELINK, 1998: De Geologie en Bodem van Zuidelijk Flevoland, Lelystad (Flevobericht nr. 415). PROVOOST, M., 2022: Lelystad Cultuurhistorische Verkenning. International New Town Institute, Rotterdam. PIERIK, H.J./K.M. COHEN/P.C. VOS/A.J.F. VAN DER SPEK/E. STOUTHAMER, 2016: Late Holocene coastal-plain evolution of the Netherlands: the role of natural preconditions in human-induced sea ingressions, Proceedings of the Geologists' Association, 128-2, 180-197. PRUIKSMA, K., 2019: Oude lagen op nieuwe kaarten, Een nieuwe basis voor archeologisch beleid in Lelystad , Deventer/Lelystad (afstudeerwerkstuk Saxion). RAAP, E., 2022: Flevopolders. Regiobeschrijving Panorama Landschap – Karakterisering van de Nederlandse Landschapsgeschiedenis in 78 regio’s. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. RAEMAEKERS, D.C.M., 2005: Het vroeg- en midden-Neolithicum in Noord-, Midden- en West-Nederland, in: J. DEEBEN/E. DRENTH/M.F. VAN OORSOUW/L. VERHART (RED.), 2005: De Steentijd van Nederland, Archeologie 11/12, 261-282. RAEMAEKERS, D./J. GEUVERINK, 2009: Boren bij Doug’s duin.

Op zoek naar vindplaatsen bij Swifterbant (Fl.), Paleo-aktueel, 20, 32-37. VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

32

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

SCHRIJVERS, R./K.E. WAUGH, 2015: Bureauonderzoek paleolandschap plangebied Marker Wadden, Amersfoort (Vestigia-rapport V1271) SMIT, B.I./J. ZOMER/R. SCHRIJVERS/D.H. SCHMUTZHART/D. JANSEN, 2021: Archeologische kaart IJsselmeergebied, versie 1.0, Amersfoort (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). TNO-GDN, 2023A: Basisveen Laag. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 15-03-2023 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafischenomenclator/basisveen-laag. TNO-GDN 2023B: Laagpakket van Wierden. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 16-03-2023 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafischenomenclator/laagpakket-van-wierden. TNO-GDN 2023C: Formatie van Kreftenheye. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 16-03-2023 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafischenomenclator/formatie-van-kreftenheye. TNO-GDN 2023D: Flevomeer Laag. In: Stratigrafische Nomenclator van Nederland, TNO – Geologische Dienst Nederland. Geraadpleegd op 16-03-2023 op http://www.dinoloket.nl/stratigrafischenomenclator/flevomeer-laag. VISSERS, M.J./S. VAN ASSELEN/J.J. HEKMAN, 2014: Programma Kennisontwikkeling Archeologie Hanzelijn,

Thema 2A: veranderingen in de waterhuishouding gerelateerd aan bodemeigenschappen en de gevolgen daarvan voor de conservering van afgedekte archeologische vindplaatsen in Flevoland , De Bilt (Grontmij Archeologische Rapporten 1314). VOS, P.C., 2003: Geologisch profiel Hanzelijntracé, Geologisch onderzoek ten behoeve van de archeologische bureaustudie Nieuwe Land (Flevoland) en Oude Land (Kamperveen), Utrecht (TNOrapport NITG 03-006-B). VOS, P.C./S. VAN GESSEL, 2004: Detaillering geologisch profiel Hanzelijn, Nieuwe Land, Aanvullende

rapportage en kaartmateriaal op rapport NITG 03-006-B ‘Geologisch profiel Hanzelijntracé – Geologisch onderzoek t.b.v. de archeologische bureaustudie Nieuwe Land (Flevoland) en Oude Land (Kampereen), Utrecht (KW/HZL/ARCH/20316168/20443075). VOS, P.C./A. NIEUWHOF, 2021: Late-Holocene sea-level reconstruction (1200 BC-AD 100) in the Westergo terp region of the northern Netherlands, Netherlands Journal of Geosciences, 100, e3. https://doi.org/10.1017/njg.2021.1 VOS, P./M. VAN DER MEULEN/H. WEERTS/J. BAZELMANS, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus). VOS, P./M. VAN DER MEULEN/H. WEERTS/J. BAZELMANS, 2020: Atlas of the Holocene Netherlands, landscape and habitation since the last ice age, Amsterdam (Amsterdam University Press). WESTERHOFF, W.E./E.F.J. DE MULDER/W. DE GANS, 1987: Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000 Blad Alkmaar West (19W) en Blad Alkmaar Oost (19O), Haarlem (Rijks Geologische Dienst).

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

33

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

WIGGERS, A.J., 1955: De wording van het Noordoostpoldergebied, Zwolle (Van Zee tot Land, 14). ZAGWIJN, W.H. 1986: Nederland in het Holoceen, Haarlem (Rijks Geologische Dienst).

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

34

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

4

Archeologie

4.1

Huidige archeologisch beleid

Uitgangspunten voor het opstellen van de Maatregelenkaart in 2007 zijn de IKAW, de provinciaal aangeduide aandachtsgebieden en de toenmalig bekende vondstmeldingen en archeologische onderzoeken en monumenten (Afbeelding 10). Binnen de kaart is onderscheid gemaakt tussen vijf categorieën: Archeologische waarde, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting en geen archeologische verwachting. Naast de Provinciale PArK gebieden en de archeologische aandachtsgebieden betreffen de archeologische waarden voornamelijk scheepswrakken en nog twee kleine prehistorische vindplaatsen. In het PARK-gebied wordt ingezet op ontsluiting en instandhouding van de archeologische waarden in combinatie met de aardkundige en landschappelijke waarden. In principe mogen in deze gebieden geen ingrepen plaatsvinden. De verwachtingszones zijn gebaseerd op de IKAW en de landschappelijke ontwikkeling. In 2008 is aansluitend hierop een document opgesteld over de archeologische monumentenzorg in Lelystad.42 Hierbij is per verwachtingscategorie aangeduid wat de onderzoek eisen zijn. Voor de gebieden met een lage of geen verwachting is destijds gekozen om geen archeologisch onderzoek als een vereiste te stellen.

Desalniettemin zijn ter plaatse van deze gebieden omdat ze binnen de provinciale aandachtsgebieden gelegen zijn toch onderzoeken uitgevoerd, met mooie resultaten zoals zal blijken uit de inventarisatie in 4.3. Binnen deze gebieden werden de archeologische resten als reeds verstoord en verloren geacht. Daarnaast is opgemerkt dat op het voorkomen van scheepswrakken geen beleid kon worden opgesteld, omdat deze niet gekoppeld zijn aan bepaalde landschappelijke omstandigheden en in principe overal binnen de gemeente voor kunnen komen. De waterbodem is niet meegenomen in de huidige beleidsvorming..43 Voor de andere zones zijn wel vrijstellingsgrenzen opgesteld (zie Afbeelding 10).

Afbeelding 10 Tabel uit Archeologische monumentenzorg Lelystad. Bron: Born 2008, p. 15.

42

Born 2008.

43

Hessing / Alkemade 2007, 35-38.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

35

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

4.1.1

Uitgangspunten voor een nieuwe verwachtingskaart of liever inventarisatiekaart

In het kader van de Omgevingswet dient de huidige verwachtingskaart te worden aangevuld en mogelijk herzien om te voldoen aan een verantwoorde en controleerbare onderbouwing. Naar aanleiding van Kamervragen bij de behandeling van de Omgevingswet en de in Kamermoties geuite wens om uniformere kaartbeelden en een transparante onderbouwing en verantwoording te bevorderen is in 2020 door een archeologisch collectief een handleiding opgesteld voor het maken van de nieuwe generatie verwachtingskaarten. In feite wordt ook niet meer gesproken over een verwachtingskaart, maar worden archeologische inventarisatiekaarten opgesteld.44 Op deze kaarten wordt onderscheid gemaakt in archeologische waarden, archeologische verwachting en geen archeologische verwachting. De terreinen van archeologische waarde betreffen vastgestelde archeologische vindplaatsen (‘archeologische monumenten’ binnen de Omgevingswet). Op basis van landschappelijke omstandigheden in relatie met vondstconcentraties en bewoningsgeschiedenis worden gebieden aangeduid waar archeologische resten nog kunnen voorkomen (‘te verwachten archeologische monumenten’ binnen de Omgevingswet). Daarnaast worden gebieden bepaald waar deze niet meer voor kunnen komen omdat deze al reeds verstoord zijn door menselijke of landschappelijke activiteiten.

Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de diepteligging van archeologische resten zodat een gelaagde kaart ontstaat op basis waarvan in een volgend stadium gespecificeerd beleid kan worden opgesteld. Het uitgangspunt van de handleiding is om bij het opstellen minimaal vier hoofdperioden te onderscheiden, namelijk: 1 Jagers / Verzamelaars (9700 – 3700 v Chr.): Deze periode loopt van het Paleolithicum tot en met het Midden Neolithicum A in ABR termen. Ze word gekarakteriseerd door gemeenschappen die gespecialiseerd zijn in seizoensgebonden exploitatie van de natuurlijke voedselbronnen en een sterk mobiel karakter hebben. Vindplaatsen bestaan vaak uit vondstverspreidingen, met name vuursteen, en mogelijk haardkuilen. 2 Vroege Landbouwers (3700 – 1500 v Chr.): Deze periode beslaat het Midden Neolithicum B tot en met de Midden Bronstijd A. Het leven begint sedentaire vormen aan te nemen, waarbij kleinschalige landbouw nog wordt aangevuld met seizoensjacht of natuurlijke voedselbronnen. In het begin van de periode worden nederzettingen nog periodiek verplaatst, maar vanaf de Bronstijd komt dit in steeds mindere mate voor. Het landschap rondom nederzettingen wordt steeds meer ingericht waardoor ‘Familiar Landscapes’ worden gecreëerd van uitgestrekte, verkavelde akkercomplexen.

De archeologische weerslag bestaat in steeds groter wordende mate van grondsporen van bewoning en landgebruik. Aardewerk is een steeds groter onderdeel van het vondstencomplex. Daarnaast komen de eerste voorwerpen van metaal (brons, goud) voor. Ook begravingen zijn meer geprolongeerd aanwezig. 3 Late Landbouwers (1500 v Chr. – 900 n. Chr): Startend in de Midden Bronstijd B, betreft deze periode ook de IJzertijd, Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen C. De periode kenmerkt zich door steeds sterkere agrarische levenswijze, maar belangrijker is de opkomst van nijverheid en handel. Gemeenschappen zijn niet meer volledig zelfvoorzienend, maar er zijn zelfs nederzettingen volledig gericht op handel. Daarnaast ontwikkelt zich een centraal aangestuurd regionaal of bovenregionaal gezag. In het archeologisch bestel wordt het mogelijk om lokale elites te onderscheiden en mogelijke acculturatie van nieuwe gebruiken en voorwerpen. Tegen het einde van de periode komt steenbouw voor. Naast handgevormd aardewerk komt nu ook gedraaid aardewerk voor. Stenen werktuigen worden definitief ingeruild voor metaal.

44

Breimer 2020.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

36

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

4

Staatssamenlevingen (900—1950 n Chr.): Vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwste tijd is er een sterke uitbreiding van de bewoonde wereld. Er vinden grootschalige centraal georganiseerde ontginningen plaats. Er is sprake van een sterke toename in elitevorming en differentiatie. Daarnaast leidt de opkomst van een markteconomie tot verdere specialisatie. Nederzettingen worden dorpen en steden. Er zijn verschillende vormen van staatsvorming, zoals graafschappen, keizerrijken. Verdedigingswerken komen voor, zoals landweren, linies en vestingwerken. Voor Flevoland is vooral het Maritieme landschap en ontwikkeling van belang in deze periode.

Voor Lelystad zijn voornamelijk de perioden Jagers/Verzamelaars, Vroege landbouwers en Staatssamenlevingen van belang voor wat betreft bewoning en landgebruik. Tot de Staatssamenlevingen behoren ook de scheepsresten die in de afzettingen van het Flevomeer, Almere of Zuiderzee kunnen worden aangetroffen. Uit recent onderzoek blijkt dat de periode van de Late landbouwers toch ook relevant kan zijn binnen de gemeente. Binnen de inventarisatie en aansluitende analyse worden daarom alle perioden meegenomen. De vindplaatsen worden ingedeeld in een aantal complextypen, namelijk: Begraven, Wonen, Verdedigen, Economie, Religie en Onbekend. Voor de inventarisatie van de vindplaatsen binnen Lelystad zullen ook Wrakken worden aangeduid, waarbij nog een onderscheid te maken is tussen vliegtuig- en scheepswrakken. 4.1.2

Methode

Om een overzicht te krijgen van de aanwezige informatie over de in de gemeente aanwezige archeologische waarden, of met betrekking tot het formuleren van een gefundeerde verwachting over het voorkomen van archeologische resten, is een inventarisatie uitgevoerd. Relevante landschappelijke gegevens en onderzoek, en onderzoeken met betrekking tot bekende archeologische waarden zijn bij elkaar gezet en geanalyseerd. Op basis van de bevindingen is een gefundeerde verwachtingen- en beleidskaart opgesteld. 4.2

Het huidige landschap: (Archeo)landschappelijke eenheden

Lelystad is gelegen in de archeoregio Flevolands kleigebied. Het huidige maaiveld bevindt zich tussen de 2,3 tot 5,3 m -NAP (Kaart 1). De waterbodem bevindt zich gemiddeld tussen de 3 en 4 m -NAP. Om te kunnen bepalen waar zich binnen de gemeente Lelystad nog archeologische resten kunnen bevinden in de ondergrond, en hoe groot de kans daar op, is het landschap onderverdeeld in zogenaamde archeolandschappelijke eenheden. De volgende eenheden komen in de gemeente Lelystad voor: 4.2.1

Formatie van Drenthe (Saalien)

De afzettingen die direct verband houden met de landijsbedekking – met uitzondering van eerder gevormde en later gestuwd materiaal dat afzonderlijk wordt benoemd in het geologisch model – wordt tot de Formatie van Drente gerekend.45 De formatie bestaat uit materiaal dat onder het ijs is gevormd (keileem), maar ook uit eenheden die door stromend ijssmeltwater (fluvioglaciaal) en in nabij de ijskap en gletsjers gelegen meren (glaciolacustrien) zijn gevormd. De top van de Formatie van Drente bevindt zich in de gemeente Lelystad op zijn minst op een diepte van ongeveer 16 tot 23 m beneden NAP in delen van het IJsselmeer, het noorden van het Markermeer en op het land in het oosten van de gemeente Lelystad, en op de diepst gelegen delen 50 meter of zelfs 65 meter beneden NAP, respectievelijk in het Markermeer en op het land aan de zuidzijde van het Kotterbos. Vondsten die direct tot deze afzettingen kunnen worden gerekend zijn nog niet bekend binnen de gemeente. Echter blijkt uit de vondsten, van

45

TNO-GDN 2025Drente, Berendsen 1997b, 103.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

37

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

dierenbotten en stenen voorwerpen die worden gedaan bij zandopspuitingen dat deze afzettingen wel degelijk van belang zijn voor de kennis over het verleden binnen Lelystad, archeologisch danwel paleontologisch. 4.2.2

Eem formatie (Eemien)

Binnen de grenzen van de gemeente Lelystad wordt de grootste dikte van de Eem formatie, ruim 30 meter, bereikt in de omgeving van het Kotterbos. De top van de afzettingen bevindt zich minimaal op 11 tot 12 meter beneden NAP, in het zuidoosten van de gemeente. De diepst gelegen top van de afzettingen uit het Eemien bevindt zich op 35 tot 36 m beneden NAP, in delen van het Markermeer. Gelijk als de Formatie van Drenthe geldt dat nog geen vondsten direct gekoppeld kunnen worden aan deze formatie, maar vondsten uit zandopspuitingen wel op rijkdom in de ondergrond van Lelystad wijzen. 4.2.3

De top van het Pleistocene landschap

De top van het pleistocene landschap in de ondergrond van de gemeente Lelystad bestaat, in intacte vorm, vooral uit dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Op verschillende plaatsen in de ondergrond is de oorspronkelijke top van het Pleistocene landschap later door natuurlijke erosie verdwenen; Aanwijzingen daarvoor kunnen bijvoorbeeld zijn dat afzettingen uit het (holocene) Laagpakket van Wormer direct op afzettingen uit de Formatie van Boxtel liggen, zonder dat in de top van deze laatste nog bodemvorming terug te vinden is, dan wel dat er sprake is van een veendek (Basisveen Laag) op deze afzettingen. Daar waar nog materiaal uit de Formatie van Boxtel aanwezig is, komt dit voor op een diepte van minder dan 4 meter beneden NAP ter hoogte van delen van de Knar, tot meer dan 16 meter beneden NAP in enkele westelijk gelegen delen van het Markermeer. Dit landschap is opgebouwd uit vlakten, (uitblazings-)laagtes en ruggen; echter, over de precieze locatie, omvang en hoogte zijn gezien de beperkte hoeveelheid aan en dichtheid van informatie die tot dit niveau reikt, geen gebiedsdekkende uitspraken te doen die meer dan een indicatief karakter hebben.46 Op deze afzettingen kunnen resten voorkomen uit de perioden Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum.

Hierbij kan gedacht worden aan basis- of jachtkampementen, die zich voornamelijk aftekenen in de vorm van vuursteenverspreidingen en (haard-)kuilen. Op kaart 2 is een onderscheid gemaakt tussen de gebieden waar mogelijk nog wel of geen resten uit het Neolithicum kunnen voorkomen. De verwachtingskaart (kaart 2) geeft een scheiding weer tussen de verwachting op enkel de zeer vroege resten uit het Paleolithicum – Mesolithicum (dieper dan -10 m NAP) en de locaties waar naast deze perioden ook Vroeg Neolithische resten verwacht kunnen worden (tussen -3 tot -10 m NAP), gebaseerd op de landschappelijk ontwikkeling in paragraaf 3.1. Deze scheiding is gemaakt op basis van de diepteligging van het Pleistocene dek. Tijdens het Neolithicum neemt de invloed van de zee namelijk toe op het gebied en overstromen veel gebieden in het huidige IJsselmeergebied. Alle gebieden die op meer dan 10 m beneden NAP gelegen zijn, zullen in het Neolithicum onder water hebben gelegen en kunnen dus enkel resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum verwacht kunnen worden. Indien het Pleistocene dek boven de 10 m beneden NAP gelegen is kunnen naast resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum

46

De kaarten uit Houkes et al. 2014 karteren wel het Markermeer gebiedsdekkend op regionale schaal, maar bestrijken niet het gehele (grond)gebied van de gemeente Lelystad. Het indicatieve karakter blijkt bijvoorbeeld uit het grootste als individuele rivierduin aangeduide gebied op afbeelding 25 uit het rapport: dit terrein, met een oppervlakte van bijna 129 hectare, behelst 5 boringen waarvan er 3 tot een in dit verband bruikbare diepte zijn geplaatst (boringen B20C0218 en B20C0220 reiken slechts tot respectievelijk 1,3 en 1,4 meter onder de top van de waterbodem); de top van het zand wordt in deze drie boringen op 11,5 (B20C0426 en B20C0219) tot 11,9 m -NAP (B20C0042) bereikt, in lijn met de kartering van de top van het Pleistoceen. In één boring, B20C0042, is het zand als onderdeel van de Formatie van Boxtel beschreven, in de andere twee (B20C0219 en B20C0426) blijft het bij matig fijn, matig siltig zand. De aanwezigheid van een rivierduin in dit gebied kan niet worden uitgesloten, maar wordt ook niet direct bevestigd door de beschikbare boringen (het kan ook een lichte welving in het dekzandoppervlak zijn: in boring B20C0041, op 500 meter van B20C0426, bevindt de top van het zand zich op een diepte van 12 meter beneden NAP. Zonder tussenliggende informatiepunten met afwijkende waarden levert dat een hellingshoek van 0,1 procent op).

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

38

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

ook nog resten voorkomen uit het Neolithicum. De hoogte lijnen van het Pleistocene landschap zijn weergegeven in NAP waarden, zodat de diepe ligging van deze resten inzichtelijk gemaakt kan worden. De waarden worden in NAP gegeven, omdat de waterbodem sterke fluctuaties in diepteligging vertoont en er dus geen gemiddelde diepte beneden dat peil gegeven kan worden. Voor een paar kleine delen geldt dat de resten mogelijk al kunnen voorkomen vanaf -2 m NAP. Deze zijn nog apart weergegeven. Op sommige plaatsen komt een dek van verspoelde pleistocene afzettingen op nog intacte pleistocene zanden voor, zoals aan de noordoostzijde van de dekzandopduiking ‘de Knar’ (zie Afbeelding 11). Ook buiten ‘de Knar’ kan een dek van verspoeld pleistoceen zand op het niet-aangetaste pleistocene materiaal voorkomen, hoewel dat (binnen de grenzen van de gemeente Lelystad) duidelijk minder dik is dan de plaatselijk meer dan 1 meter dikke laag aan de noordflank van ‘de Knar’. Op sommige plaatsen bevindt het verspoelde pleistocene materiaal zich direct op het nog intacte pleistocene zand, soms is nog een laagje basisveen tussen beide lagen aanwezig (zie ook Afbeelding 11).47 Op de top en de flanken van deze landschappelijke elementen bestaat een verhoogde kans op archeologie in de vorm van verblijfplaatsen van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en/of Mesolithicum.

Ook dieper in de Pleistocene afzettingen kunnen artefacten worden aangetroffen.48 Daar waar het pleistocene zand nog wordt afgedekt door Basisveen, en waar nog sporen van podzolering aanwezig zijn, wordt de geoarcheologische potentie van dit niveau het hoogst ingeschat. 4.2.4

Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop)

Het Basisveen, dat het Pleistocene dekzand kan afdekken, bestaat veelal uit riet-/zeggeveen, maar kan ook houtresten bevatten. De dikte van het Basisveen kan variëren van een aantal decimeters tot wel 2 meter. Daar waar het basisveen nog aanwezig is, bevindt het zich op een diepte van ongeveer 2 tot 12 meter beneden NAP, direct op het pleistocene zand. De top van het veen kan echter tijdens de vorming van de getijde-afzettingen (Laagpakket van Wormer) of andere en latere mariene afzettingen (Laagpakketten van Walcheren / Zandvoort) nog geërodeerd zijn. Binnen de gemeente Lelystad is dit ook het geval: in een deel van de binnen de grenzen van het gebied beschikbare boorgegevens bevindt holocene (zandige) klei (Formatie van Naaldwijk) zich op veel plaatsen direct op het pleistocene zand. Het basisveen heeft zich hier óf niet kunnen vormen, óf is later geërodeerd. Deze laag Basisveen heeft op zichzelf geen duidelijke archeologische verwachting, maar de aanwezigheid van dit veen is wel indicatief voor de onderliggende pleistocene ondergrond. Daar waar nog basisveen aanwezig is, heeft deze het pleistocene landschap afgedekt en daardoor geconserveerd. Het is echter niet zo dat als er geen basisveen aanwezig is, het pleistocene landschap automatisch verstoord is. De kans op een onverstoord landschap is in dat geval alleen wel kleiner.

Bij de analyse van de beschikbare gegevens blijkt dat het basisveen in grotere aaneengesloten gebieden aanwezig is daar waar de top van het pleistoceen zich op een diepte van meer dan 8 meter beneden NAP bevindt; dan waar de top van het Pleistoceen zich op een diepte van minder dan 8 meter beneden NAP bevindt, een zone die zich in het geval van de gemeente Lelystad binnen de grenzen van het ingepolderde gebied van zowel Oostelijk als Zuidelijk Flevoland bevindt, is het veendek meer sporadisch aanwezig (Kaart 3).

47

Vissers/Van Asselen/Hekman 2014, kaart 01b uit Bijlage 6.

48

Van den Biggelaar 2017.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

39

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 11 profiel door dekzandopduiking 'de Knar' aan de zuidgrens van de gemeente. Voor de ligging van het profiel zie Afbeelding 13. Naar: Ente/Koning/Koopstra 1986, fig. 2.27.

4.2.5

Holoceen

De dikte van het pakket Holocene afzettingen kan uiteenlopen van zo’n 5 tot 15 meter, waarbij de grootste dikte wordt bereikt in de noordelijke helft van het plangebied (zie kaart 4). Voor een indruk van de periode van vorming van de hieronder beschreven lagen en laagpakketten in relatie tot de archeologische perioden, zie Afbeelding 21.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

40

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) De periode van het Neolithicum, de vroege landbouwers, wordt voornamelijk aangetroffen op het Laagpakket van Wormer. De afzettingen van dit laagpakket worden in de oude literatuur ook wel ‘Oude Zeeklei’, ‘Oude Getijde Afzettingen’ of ‘Afzettingen van Calais’ genoemd (zie ook Afbeelding 15).49 De zandige afzettingen zijn grotendeels gevormd in geul- of wadplaat-milieu, terwijl de kleien vooral ontstaan zijn in een wad- of kweldermilieu, of deels een lagunair milieu. De kleiige afzettingen verder van de geulen en kreken vandaan - de komafzettingen - zijn zwaar (ze hebben een hoger aandeel van de allerfijnste sedimentfractie), vaak deels kalkloos, humeus en doorworteld. Gekoppeld aan dit laagpakket zijn vindplaatsen van de Swifterbantcultuur bekend. Deze cultuur, waarvan vindplaatsen voorkomen in een gebied dat zich uitstrekt tussen Hamburg en Antwerpen, dateert uit de periode 5000-3400 v.Chr.50, overeenkomend met het Vroeg- en Midden-Neolithicum (zie bijlage 1). De bekende vindplaatsen bevinden zich op het krekenstelsel nabij Swifterbant; het stroomafwaartse deel hiervan bevindt zich binnen de grenzen van de gemeente Lelystad. Met name tussen Lelystad en Swifterbant is er door verschillende karteringen sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw relatief veel bekend over de omvang en het verloop van de kreken.

51 Dankzij aanvullingen op basis van luchtfoto’s, het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en aanvullende boringen is dit beeld sindsdien nog verder gedetailleerd (zie tevens Afbeelding 12).52 Deze resultaten geven aan dit Laagpakket en het bij behorende krekenstelsel van groot belang is voor de archeologische verwachting binnen de gemeente.

49

Ente et al, 1986; Westerhoff et al, 1987

50

Raemaekers 2016, 19.

51

De basis wordt gevormd door het kaartbeeld van Ente 1976, aangevuld met Hacquebord 1976 en Deckers 1979.

52

Dresscher/Raemaekers 2010.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

41

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 12 Krekensysteem’ Swifterbant. Bron: Dresscher/Raemaekers 2010, 34 (Fig. 3).

Hoewel van dit specifieke deel van het krekenstelsel relatief veel bekend is over de omvang van de kreken en oeverwallen en de diepteligging ervan, is dit voor de aard en omvang van de afzettingen binnen het Laagpakket van Wormer in de rest van de gemeente duidelijk minder het geval. Boringen aan de Kamperhoekweg in de gemeente Dronten, in het noordoostelijke deel van het ‘Swifterbant-krekensysteem’, tonen aan dat er nog steeds rivierduinen en/of kreken kunnen worden gevonden, die zich tot op heden nog niet kenbaar gemaakt hebben in reeds geplaatste boringen en luchtfoto’s of AHN-data.53 In het IJsselmeer / Markermeer is nog weinig bekend over het precieze verloop van het benedenstroomse deel van dit systeem. Daar waar wel boringen zijn gezet, is duidelijk dat het zich ten minste gedeeltelijk nog in de ondergrond bevindt (zie ook Afbeelding 14 en 11).54

53

Raemaekers/Geuverink 2009.

54

Zie onder meer Van Heeringen/Schrijvers 2015, Schrijvers/Waugh 2015

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

42

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 13 Ligging van de profielen 'de Knar' (Afbeelding 11 en ‘profiel II’ (Afbeelding 14)

Afbeelding 14 Uitsnede van één van de geologische profielen langs de randen van het Markermeer (Ente 1976). Van zuid (links) naar noord (rechts) is hier het Lelystadse deel van profiel II afgebeeld. Voor de ligging van het profiel, zie Afbeelding 13.

Over de afzettingen en het verloop van de kreken in het zuidwestelijke deel van de gemeente is minder bekend. Met het verschijnen van het overzicht van de geologie en bodem van Zuidelijk Flevoland is met

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

43

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

name een beeld gevormd van de verbreiding en dikte van de afzettingen. 55 Een aanzet tot vorming van het in kaart brengen van het verloop is gegeven met het onderzoek in het Kotterbos, waarbij twee geullichamen zijn aangesneden, en waarbij het verloop in de directe omgeving van de onderzoekslocatie ook met behulp van luchtfoto’s en AHN op het voorkomen van aanwijzingen van de aanwezigheid van geullichamen en oeverwallen is onderzocht.56 Een latere AHN analyse van de gemeente Lelystad geeft aan dat er nog meer mogelijkheden tot het opsporen van geulen zijn, maar ook dat de patroonherkenning in AHN niet op zichzelf kan staan.57 Een gedetailleerder beeld van de dikte, en diepteligging van de top, van de afzettingen uit het Laagpakket van Wormer op basis van veldgegevens (boringen/profielen), in combinatie met het karteren van geulpatronen op basis van luchtfoto’s en AHN, kan wel meer inzicht bieden in het voorkomen van geoarcheologisch kansrijke locaties.58 De modellering van de diepteligging van (de top van) het Laagpakket van Wormer, door Pruiksma (2019)59, vormt een goede aanzet tot zowel het vormen van een beeld van deze variabele als de verantwoording van de totstandkoming ervan. Echter, zoals reeds blijkt uit de figuur (Pruiksma 2019, fig.

4.4) van het rapport betreft het slechts een deel van het gemeentelijk gebied van Lelystad waarvoor het model beschikbaar is: het beslaat slechts een deel van het landoppervlak van de gemeente Lelystad. Weliswaar wordt in de rapportage gemeld dat de grenzen van het model zouden zijn gebaseerd op de grenzen van het voorkomen van het Laagpakket van Wormer zoals weergegeven in de kaarten bij de 'Handreiking prospectief onderzoek in Flevoland...'60, maar dit is niet helemaal correct: op het landoppervlak zijn buiten het bereik van het model ook boringen beschikbaar waar 'Oude Zeeklei' (nu ondergebracht in het Laagpakket van Wormer) is herkend, en die in de kaarten van de 'handreiking' binnen het gekarteerde voorkomen vallen.

55

Menke/Van de Laar/Lenselink 1998.

56

Van Heeringen et al. 2014

57

Pruiksma 2019, 37-38

58

Zie ook Pruiksma 2019, afb. 5.6

59

Pruiksma 2019.

60

Van Heeringen/Schrijvers/Waugh 2018

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

44

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 15 Lithostratigrafie met betrekking tot het voormalige Zuiderzeegebied. In het linker blok wordt de vigerende nomenclator weergegeven. Deze benamingen worden ook in onderhavig rapport gebruikt. In het rechterblok is een verzameling namen weergegeven die in oude, maar ook nog zeer recente rapportages worden gebruikt die betrekking hebben op (een deel van) het Flevolandse gebied. Een deel van deze benamingen (zoals ‘Oude Zeeklei’) is ook in een deel van de geanalyseerde boorgegevens terug te vinden. De relatie tussen de klassieke benamingen (rechts) en de lithostratigrafie (links) is indicatief – ze is niet één op één over te nemen omdat de klassieke benamingen/eenheden niet een puur lithostratigrafische classificatie vormen, maar ze ook op ouderdom en/of ruimtelijke samenhang werden vastgesteld. Bron: Schrijvers/Waugh 2015, afbeelding 14.

Wat terecht opgemerkt wordt in paragraaf 5.6 van het rapport is dat de gekozen gridcelgrootte (100 bij 100 meter) niet tot het meest betrouwbare kaartbeeld leidt61; op basis van de beschikbare boringen in de gebruikte dataset (de RIJP-boringen) levert een kleinere gridcel echter schijnnauwkeurigheid op. Daarnaast verdient het de aandacht dat de gemiddelde boorpuntafstand weliswaar 109,62 meter bedraagt voor boringen waarin het Laagpakket van Wormer is vastgesteld, maar de variatie is zeer groot: Er zijn

61

Pruiksma 2019

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

45

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

delen van het grondgebied waar binnen een straal van 800 meter geen enkele boring in de RIJP-dataset beschikbaar is. De standaardafwijking van de gekozen interpolatiemethode zal, op basis van wat in figuur 5.1 wordt getoond, de waarde van 1,0 meter ruimschoots overschrijden (die waarde wordt volgens de figuur ergens tussen 450 en 500 meter afstand tussen de boorpunten gehaald). Daarnaast loopt het 'Wormer-landschap' ook nog door in het water-deel van de gemeente Lelystad zowel in het IJsselmeer als in het Markermeer; hierover is nog niets of nauwelijks iets bekend in vlakdekkende zin. In losse boringen is het deels wel herkend. 62 Voor het Markermeer/IJmeer is wel een poging gedaan om hier op basis van de beschikbare ‘veldgegevens’ meer inzicht in te krijgen. 63

'De (..) gepresenteerde gegevens zijn [..] nadrukkelijk geen verwachtings(waarden)kaart, maar zijn bedoeld om de partijen in de regio te ondersteunen bij het opstellen van dergelijke modellen of beleidskaarten.'64 Zoals ook in het rapport vermeld kunnen deze gegevens 'als informatiebron en eerste aanzet dienen bij onderzoek of bij het opstellen van gemeentelijke verwachtingswaarden)- en beleidskaarten. [..] Met deze kaartenset krijgen we een eerste beeld van dit oude landschap, waar toekomstige onderzoekers en beleidsmakers op voort kunnen bouwen.'65 De lage dichtheid aan gegevens zorgt ervoor dat eigenlijk alleen zeer algemene patronen met enige waarschijnlijkheid kunnen worden weergegeven. In Afbeelding 20 bovenaan zijn Wormer-geulen weergegeven, afkomstig uit de paleogeografische kaartenreeks van Vos/De Vries 2013, die een indruk geven van de situatie rond 3850 v. Chr. Dit is ook niet meer dan een indruk, aangezien de schaal van die betreffende (originele) kaart kleiner is dan de schaal waarop de diepteligging van het laagpakket van Wormer is geïnterpoleerd en afgebeeld. De eenheden op die kaart kunnen dan ook niet het detailniveau weergeven dat voortvloeit uit landschappelijke karteringen zoals in het kreekstelsel van Swifterbant en in het Kotterbos (Afbeelding 20 onderaan).

Teneinde de invloed van de lage dichtheid aan gegevens op de (on)nauwkeurigheid van de kaart van het ‘Wormer-landschap’ op basis van de RIJP-boringen te illustreren is een vergelijking gemaakt voor een deelgebied ten noordoosten van Lelystad, nabij de A6 en de IJsselmeerdijk. In het model van Pruiksma zijn hier zones te zien waar de top van het Laagpakket van Wormer zich dicht onder het maaiveld bevindt, maar ook zones waar het zich op grotere diepte onder maaiveld bevindt. Op het model is de ligging van de RIJP-boringen gemarkeerd (onderverdeeld naar of er wel of geen afzettingen uit het Laagpakket van Wormer in zijn herkend). Deze boringen vormen de basis van het daaronder weergegeven model (Afbeelding 16).

62

zie bijvoorbeeld Van Heeringen/Schrijvers 2015, voor een deel van het IJsselmeer, en Huizer 2016, voor een deel van het Markermeer. 63

Houkes et al. 2014

64

Houkes et al. 2014, 6.

65

Houkes et al. 2014, 4.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

46

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 16 RIJP boringen, gecategoriseerd naar de aan- en afwezigheid van het Laagpakket van Wormer, op het model van de diepteligging van de top van het Laagpakket van Wormer uit Pruiksma 2019.

Los van deze modellering bestaan er in dit gebied ook kaartbeelden die zijn opgebouwd uit een interpretatie van de RIJP-boringen, aangevuld met patronen die herkend zijn in beelden van het maaiveldhoogteverloop en luchtfoto’s, teneinde het ‘krekenlandschap’ van Swifterbant (waarvan de afzettingen tot het Laagpakket van Wormer behoren) te karteren (Afbeelding 17).66Ten behoeve van het kunnen plaatsen van de verschillende eenheden zijn ook hier de RIJP-boringen in dezelfde onderverdeling als in Afbeelding 16 weergegeven. Hier is te zien dat de mogelijke aanvulling op het krekensysteem ‘II b 11’ en de grijze zone daaromheen (de eenheid oevers en oeverwallen) zich juist in een zone bevindt waarin geen RIJP-boringen aanwezig zijn, en waarin het model van Pruiksma de top van de Wormer-afzettingen 3 tot 4 meter dieper verwacht dan in de (noord)oostelijker gelegen zone waarin binnen Afbeelding 16 de top van de Wormer zich het dichtst tegen het maaiveld bevindt en waar in het beeld van het krekensysteem in Afbeelding 17 de blauwe geul en de flankerende grijs gemarkeerde oevers en oeverwallen bevinden. In het laatstgenoemde geval lijken beide beelden dus in overeenstemming met elkaar, maar belangrijker: in het eerste geval is dit duidelijk niet zo.

66

Dresscher/Raemaekers 2010

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

47

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 17 RIJP boringen, gecategoriseerd naar de aan- en afwezigheid van het Laagpakket van Wormer, op de kartering van het krekensysteem van Swifterbant, naar Dresscher/Raemaekers 2010.

Als we nu nog een vergelijkende stap toevoegen aan het geheel (Afbeelding 18), zien we dat zelfs in het geval dat er wél enkele RIJP boringen in de buurt liggen van een nieuwe informatiebron (in dit geval de boringen uit het onderzoek nabij de IJsselmeerdijk) 67, er nog steeds grote verschillen in resultaat kunnen optreden, mede door de lage dichtheid aan boringen waar het model van Pruiksma op gebaseerd is. De modellering reikt tot de binnenzijde van de dijk; de boringen uit het meest recente onderzoek zijn buitendijks geplaatst. Hierin is te zien dat er enkele boringen met een ondiep gelegen top van de Wormer-afzettingen (namelijk binnen 5,5 m beneden NAP) zich bevinden direct tegenover een binnendijkse zone waar op basis van het model de top van de Wormer op 350 tot 399 cm beneden maaiveld verwacht zou worden. Deze diepte beneden maaiveld correspondeert hier met een ligging van ongeveer 8,2 tot 8,7 m beneden NAP op basis van het AHN-4 50 cm gridbestand. Op basis van de originele gegevens van boring 511-166-03 (in DINOloket is dit boring B20G2220) had dit in het beeld ter hoogte van deze boring 6,13 m beneden NAP moeten zijn, als het model de modellering door de daadwerkelijke datapunten als randvoorwaarde had gesteld.

67

Weerheijm et al. 2024

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

48

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 18 RIJP boringen en het model van Pruiksma 2019, aangevuld met de resultaten van de boringen van Weerheijm et al. 2024

De gegevensdichtheid is sinds de jongste boringen uit de RIJP-dataset alleen maar toegenomen. Dit betekent dat er in theorie een nauwkeuriger model van de top van het Laagpakket van Wormer te maken moet zijn dan er tot nu toe beschikbaar is; dat model komt er onder meer in de vorm van het nog te verschijnen GeoTOP model, deelgebied Flevoland. Dat is mede gebaseerd op de na de RIJP-boringen beschikbaar gekomen boorgegevens zoals ze nu in DINOloket per stuk te raadplegen zijn. Voor het landdeel van het gemeentelijk gebied van Lelystad zijn er 3467 RIJP-boringen beschikbaar; vergelijken we dit met het totaal aantal boringen in DINOloket voor het landdeel van Lelystad, met de voorwaarde dat de boringen tenminste tot 3 m beneden maaiveld moeten reiken, dan komen we al op een totaal van meer dan 6200 boringen. Ook voor de hiervoor besproken uitsnede is te zien dat er meer datapunten beschikbaar komen (Afbeelding 19), hoewel tegelijkertijd ook te zien is dat er, zeker op perceelsniveau, grote aaneengesloten gebieden overblijven waar geen enkel datapunt beschikbaar is. De modellering van de ondergrond zal dus zeker nog rekening moeten blijven houden met afwijkingen van de in het model weergegeven waarde.

VESTIGIA Archeologie & Cultuurhistorie, rapport V2752, 100%-versie, versie 3., d.d. 29 augustus 2025

49

V22-5035: Verantwoordingsrapport en inventarisatie Erfgoedbeleid Lelystad, gemeente Lelystad

Afbeelding 19 Het beeld van de vorige afbeelding, aangevuld met boringen beschikbaar in DINOloket (aangeduid onder het kopje ‘Geologisch booronderzoek).

In de nabije toekomst zal het nog voor het grootste deel van Flevoland te verschijnen GeoTOP-model (Almere is in 2023 als eerste deelgebied in Flevoland aan het model toegevoegd) dus meer inzicht verschaffen in het verloop van de dikte en diepteligging van het laagpakket van Wormer. Om voor die tijd toch tot een gebiedsdekkend bruikbare laag te komen die inzicht biedt in de archeologische potentie van het niveau van de top van de Wormer-afzettingen is vanuit zowel de op het land beschikbare gegevens als met het model van het water-deel van de gemeente getracht een aansluitend kaartbeeld op te stellen. Voor het land-deel zijn hiervoor de boorbeschrijvingen van de beschikbare RIJP-boringen, aangevuld met archeologische boringen binnen de zone waarin afzettingen van Wormer gekarteerd zijn dan wel verwacht werden of worden, op dikte en diepteligging van de afzettingen doorgenomen en geclassificeerd. De classificatie is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat de kans op het voorkomen van oeverwalafzettingen van kreken groter is in gebieden waar de dikte van het pakket Wormerafzettingen groter is, en dat een hoger gelegen top van het pakket die zones nader kan specificeren.

Een hooggelegen top maar een dikte van minder dan 1 meter wordt daardoor als minder interessant geacht dan een iets dieper gelegen top op een andere locatie maar wel een locatie waar de totale dikte meer dan twee meter bedraagt. Op die laatste locatie is het nog aanwezig zijn van een intact kreeklichaam met oeverwallen van enige omvang groter dan op de eerstgenoemde locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=8c801387-77c9-40d4-aef4-9282735af296