BL 24.014 INFO uitvoerings en handhavingsstrategie
Tekst van het document
is een discretionaire bevoegdheid. In de Beleidsregel toepassing wet Bibob 2023 is opgenomen hoe de gemeente Lelystad de Wet toepast. Ook gebruikswijzigingen in gebouwen kunnen nu binnen de reikwijdte van de Wet Bibob komen te vallen. Met de Wet Bibob beoogt de wetgever om te voorkomen dat overheidsorganen ongewild criminele activiteiten faciliteren bij het verlenen van bepaalde vergunningen. De Wet Bibob maakt het voor bestuursorganen mogelijk om een aangevraagde beschikking te weigeren of (gedeeltelijk) in te trekken als sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (ook wel de ‘agrond’ genoemd), of (ii) strafbare feiten te plegen (ook wel de ‘b-grond’ genoemd). Een weigering of intrekking moet goed worden gemotiveerd. Daarom wordt vaak advies gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob, een onafhankelijk expertisebureau dat integriteit screenings uitvoert. Bevoegde gezagen mogen in beginsel uitgaan van de expertise van dit bureau. Onder de Wet Bibob wordt onder ‘strafbare feiten’ overigens ook verstaan een feit waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Werkwijze De gemeentelijke Bibob-coördinator voert voor de in het gemeentelijke Bibob-beleid aangewezen gevallen aan de hand van het daarvoor bestemde formulier en conform het beleid de Bibob-toets uit.
2.8 INITIATIEVEN, PROCEDURES EN INFORMATIEBRONNEN 2.8.1 Initiatievenverzoek In het proces van initiatievenverzoeken zijn vier belangrijke onderdelen te onderscheiden: het principeverzoek, het conceptverzoek, het Loket Nieuwe Initiatieven (LNI), en de Omgevingstafel. Principeverzoek Een principeverzoek is een eenvoudige aanvraag die initiatiefnemers kunnen indienen om een ambtelijke indicatie te verkrijgen over de haalbaarheid van hun initiatief met betrekking tot specifieke aspecten, zoals ruimtelijke inpassing en welstand. Het doel van deze aanvraag is om initiatiefnemers in staat te stellen om hun idee, indien nodig, aan te passen en verder uit te werken, wat voorkomt dat onverwachte obstakels tijdens de officiële aanvraagprocedure naar voren komen. Daarnaast biedt deze aanpak de gemeente de mogelijkheid om in het voortraject advies te geven over de juiste wijze van vergunningaanvraag. Het principeverzoek is met name bedoeld voor initiatieven die eenvoudig van aard zijn en niet complex. Bij ingrijpende of bestuurlijk gevoelige plannen is er altijd terugkoppeling naar de portefeuillehouder om ervoor te zorgen dat de juiste aandacht wordt besteed aan deze bijzondere gevallen. Conceptverzoek Een conceptverzoek is bedoeld om te controleren of een aanvraag volledig is ingevuld en of de juiste informatie is verstrekt voordat de definitieve aanvraag of melding wordt ingediend.
Er vindt geen inhoudelijke toetsing plaats bij een conceptverzoek. Loket Nieuwe Initiatieven (LNI) Het Loket Nieuwe Initiatieven is een overlegplatform waar complexe initiatieven met betrekking tot de ruimtelijke omgeving in samenwerking met meerdere (keten)partners worden besproken, en de wenselijkheid ervan wordt beoordeeld. Het LNI toetst een breed scala aan initiatieven van burgers, bedrijven en instellingen op uniforme wijze op leefomgevingsaspecten en adviseert over de te nemen vervolgstappen. Binnen twee weken wordt een integraal advies gegeven, getoetst op verschillende aspecten door diverse specialisten bij onder andere het grondbedrijf, beheer openbare ruimte, vergunningen, ruimte en andere beleidsadviseurs. De aanvrager wordt gedurende het hele interne proces op de hoogte gehouden, heeft één interne contactpersoon, en ontvangt het geschreven advies voordat 42
besluitvorming plaatsvindt. De Stuurgroep Nieuwe Initiatieven, bestaande uit twee wethouders, een directeur en een aantal afdelingshoofden, neemt een gefundeerd besluit op basis van het integrale advies, waardoor initiatiefaanvragers binnen enkele weken duidelijkheid krijgen over hun initiatief/aanvraag en de mate van medewerking van de gemeente. Omgevingstafel De omgevingstafel is gericht op de integrale afweging van initiatieven, met als uitgangspunt: 'Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?' De omgevingstafel is een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners, en belanghebbenden, dat ruimschoots voorafgaat aan de formele indiening van een omgevingsvergunning bij de gemeente. Het doel van de omgevingstafel is om te beoordelen of een voorgenomen activiteit haalbaar is. Bij strijdigheid met wettelijke toetsingskaders kan vroegtijdig worden onderzocht of het plan kan worden aangepast om binnen de kaders te passen, zonder dat er veel kosten worden gemaakt of dat het plan tot in detail moet worden uitgewerkt. Het initiatief wordt geëvalueerd volgens het 'ja mits'-principe. De omgevingstafel sluit aan bij regionale werkafspraken. Dit is hoe het initiatievenverzoekproces is opgebouwd met de verschillende onderdelen: het principeverzoek, het conceptverzoek, het Loket Nieuwe Initiatieven, en de Omgevingstafel.
Elk van deze stappen draagt bij aan een zorgvuldige afweging en beoordeling van initiatieven in de fysieke leefomgeving. Uit ervaring blijkt dat de meerderheid van de initiatievenverzoeken leidt tot een formele aanvraag. De tijd die (kosteloos) wordt geïnvesteerd in het initiatievenverzoek, wordt dus over het algemeen terugverdiend in het formele stadium. 2.8.2 Registratieprocedure van verzoeken Alle werkzaamheden worden geregistreerd in CLO. Dit geldt minimaal voor • Inhoudelijke beoordeling en adviezen over vergunningaanvragen, initiatieven, meldingen etc. • Procedurestappen in vergunningenprocessen. • Resultaten van uitgevoerde toetsen. • Besluiten. De indieningsvereisten voor aanvragen om vergunningen, meldingen en informatieverzoeken zijn opgenomen in diverse regelingen, zoals de Omgevingsregeling, Alcoholwet de VFL en Algemene Plaatselijke Verordening. In bijzondere gevallen kunnen voor de beoordeling andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen. Op grond artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht kan het college om (specifieke) aanvullende gegevens vragen. De eerste toets van een aanvraag betreft geen inhoudelijke toets maar een toets of de juiste stukken zijn ingediend en of deze van voldoende kwaliteit zijn. Dat wordt per geval beoordeeld.
2.8.3 Behandel en besluit procedure De gemeente Lelystad beoordeelt een aanvraag, melding of informatieverzoek op grond van de in de regelgeving vastgelegde objectieve criteria. Daarbij is bepaald welke vormen van vergunningverlening worden onderscheiden en welke basiswerkwijze daarbij wordt gehanteerd. De basiswerkwijze voor het behandelen van een vergunning, melding, informatieverzoeken is vastgelegd in een geautomatiseerd systeem (CLO), waarbij de processtappen worden doorlopen. Voor de OPA vergunning vormt het Omgevingsplan en de welstandsnota voor alle gevolgklassen het toetsingskader. Voor de technische vergunning vormt onder andere het Bbl het toetsingskader 43
Na de zorgvuldige beoordeling van een ingediende aanvraag, melding of andere producten, gaan we over tot het opstellen van het besluit. Dit besluit omvat de formele goedkeuring, afwijzing, of eventuele voorwaarden en voorschriften die aan de aanvraag worden gekoppeld. Het opstellen van dit besluit is een cruciale stap in het proces van vergunningverlening. Nadat het besluit is opgesteld, wordt het zorgvuldig voorbereid voor verdere verwerking. Dit omvat onder andere het verifiëren van de juridische en beleidsmatige aspecten van het besluit, het controleren van de naleving van relevante regelgeving, en het waarborgen van de coherentie met de doelstellingen van het ruimtelijke beleid en de wetgeving. Vervolgens wordt het besluit gereedgemaakt voor verzending naar de betrokken partijen, zoals de aanvrager, en voor publicatie volgens de wettelijke vereisten. Het publiceren van besluiten is van essentieel belang om transparantie te waarborgen en belanghebbenden op de hoogte te stellen van de genomen beslissingen met betrekking tot ruimtelijke initiatieven. Op deze manier streven we ernaar om vergunningverlening efficiënt en in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving te laten verlopen, terwijl we de rechten en belangen van alle betrokkenen respecteren.
2.8.4 Informatiebronnen DSO en omgevingsplan In het Digitaal stelsel omgevingswet (DSO) kan via de vergunningencheck uitsluitsel worden gekregen of voor een activiteit een vergunning of melding nodig is of er informatieplicht geldt of dat een activiteit vergunningsvrij is. Vervolgens kan een eventueel noodzakelijke aanvraag of melding dan via het DSO worden ingediend. Daarnaast is op het DSO het gemeentelijk Omgevingsplan terug te vinden met daarin de regels die worden gesteld aan de fysieke leefomgeving. Zo kan men daarmee zelf de haalbaarheid van een initiatief checken. Gisviewer Via gisviewer kan een groot aantal gegevens worden opgezocht over de gemeente Lelystad en bekeken vanuit kaart. Op de viewer zijn o.a te vinden een basiskaart, groen en natuurgebieden en een kwaliteitskaart bedrijventerrein te vinden. Welstandviewer Via de welstandsviewer kan worden gekeken welk welstandsregime geldt op een locatie. Met de sneltoetscriteria kan worden nagaan of er wel of geen welstandsregime geldt voor kleinere bouwwerken zoals een dakkapel, serre, aanbouw en bouwwerken in het achtererfgebied. De criteria zijn bedoeld om de aanvrager vooraf maximale duidelijkheid geven. Indien een plan voldoet aan de sneltoetscriteria dan kan dit leiden tot een positief welstandsadvies.
Initiatieven die niet passen binnen de sneltoetscriteria kunnen eventueel toch aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit vraagt echter om een gewogen welstandsoordeel op basis van de gebiedsgerichte criteria. Op termijn wordt de informatie die nu in de welstandsviewer te vinden is ontsloten op het DSO. Via gisviewer kan een groot aantal gegevens worden opgezocht over de gemeente Lelystad en bekeken vanuit kaart. Op de viewer zijn o.a te vinden een basiskaart, bestemmingsplannen, groen en natuurgebieden en een kwaliteitskaart bedrijventerrein te vinden.
44
HOOFDSTUK 3 TOEZICHT 3.1 Vormen van toezicht Handhaving begint bij verschillende vormen van toezicht. Het controleren van een verleende vergunning voor een woning is bijvoorbeeld heel wat anders dan het toezicht houden op overlast van honden in de openbare ruimte. Verschillende toezicht- en handhavingstaken vragen om een verschillende aanpak om naleving van de voorschriften te bevorderen. In deze U&H strategie wordt primair onderscheid gemaakt tussen vier toezichtvormen: ‘vergunningsgericht toezicht’, ‘objectgericht toezicht’ en ‘themagericht toezicht’. Daarnaast vindt toezicht plaats op basis van signalen, het zogeheten ‘signaaltoezicht’. Vergunningsgericht toezicht Het gaat hier om - het houden van toezicht op het realiseren van een in een omgevingsvergunning omschreven activiteit. Dit traject start met aanvang van realisatie van de vergunde activiteit en eindigt nadat de activiteit gereed is. - Het toezicht na verleende vergunningen voor evenementen, kinderopvang, Alcoholwet, APV en VFL. Objectgericht toezicht Dit is het toezicht tijdens de gebruiksfase van objecten, waarbij tijdens dit gebruik aan de voor dat object of voor die inrichting geldende regels moet worden voldaan.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het periodiek controleren van kamerververhuurpanden, kinderopvang of het controleren van (horeca) inrichtingen en op de naleving van de regelgeving die is opgenomen in het Omgevingsplan. Themagericht toezicht Jaarlijks worden projecten benoemd die veelal zijn gebaseerd op specifieke thema’s, doelgroepen of branches. Deze projecten worden veelal integraal benaderd en vaak samen met andere interne en/of externe handhavingspartners uitgevoerd. De thema’s vloeien onder meer voort uit landelijke gebeurtenissen of landelijk, regionaal of lokaal vastgestelde thema’s. De thema’s worden jaarlijks bepaald, zodat ook de actualiteit kan worden meegenomen. Het kan bijvoorbeeld gaan om controle van horeca, huisvesting van arbeidsmigranten, maar ook onderzoek dat verband houdt met gebeurtenissen bij andere gemeenten. Signaaltoezicht Dit is een overkoepelende vorm van toezicht waarbij alle toezichthouders elkaars oren en ogen zijn. Een toezichthouder of Boa die tijdens zijn werkzaamheden een overtreding ziet, die buiten zijn werkveld valt, geeft dit door aan een andere collega die hiervoor verantwoordelijk is en die pakt dit vervolgens op. Burgers, bedrijven, politiek, externe partijen zoals belangorganisatie, handhavingspartners en collega’s kunnen signalen doorgeven.
Ook valt het optreden naar aanleiding van een verzoek om handhaving onder het signaaltoezicht. 3.2 Bouwtoezicht De toezichts- en handhavingstaken lijken in de Omgevingswet niet veel te veranderen. De huidige handhavingsinstrumenten zullen ook onder de Omgevingswet van kracht blijven. In de praktijk zal toezicht en handhaving wel mogelijk een grotere rol gaan krijgen onder de Omgevingswet. Doordat in het nieuwe stelsel minder vergunningen zijn, meer zorgplichten en meer
45
algemene regels van toepassing zijn, vindt in het nieuwe stelsel vaker een toets achteraf plaats. Dat zal in de praktijk vaak naar aanleiding van een melding of handhavingsverzoek van een omwonende zijn. De technische toets van bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 gaan over naar marktpartijen en zal de kwaliteitsborger toezien op deze kwaliteit. De ruimtelijke toets vindt voornamelijk aan de voorkant van het proces plaats door de vergunningverleners. Bij gevolgklasse 2 en 3 bouwwerken blijft de gemeente wel de volledige toetsing (technisch en ruimtelijk) uitvoeren. De toezichtsactiviteiten van de gemeente voor bouwwerken gevolgklasse 1 waren voor de Wkb al beperkt op basis van de vastgestelde prioritering. Toezicht op meldingsplichtige bouwactiviteiten waarbij een kwaliteitsborger is ingeschakeld, zijn beperkt en zullen zich vooral richten op de locatiespecifieke aspecten. Toezichthouders Onder de Omgevingswet is sprake van een verruiming van de mogelijkheid om toezichthouders aan te wijzen. In deze nieuwe situatie mogen dit ook niet-ambtenaren zijn. Zo kunnen ingehuurde medewerkers makkelijker worden aangewezen als toezichthouder. 3.2.1 Wkb toezicht Met de komst van de Wkb vindt er een verschuiving van taken plaats van het gemeentelijk bouwtoezicht naar de private kwaliteitsborger. Dit heeft invloed op de rol van het gemeentelijk bouwtoezicht.
Ook verschuiven er toezichtstaken vanuit de vergunningfase naar de bouwfase. -
-
De gemeente blijft verantwoordelijk voor de controle op het nalevingsgedrag m.b.t. de omgevingsveiligheid. Denk hierbij aan zaken als de inrichting van de bouwplaats en de veiligheid van belendende percelen. De gemeente houdt toezicht op de Omgevingsplanactiviteit (OPA). Als een bouwwerk niet wordt uitgevoerd conform de OPA vergunning zijn de vervolgstappen zoals opgenomen in dit beleid van toepassing.
-
46
De intensiteit van bouw- en woningtoezicht gebaseerd te zijn op een risicobenadering. Concreet houdt dit in dat de inzet van bouwtoezicht afhankelijk is van de mate waarin de risico’s geborgd worden en de vergunninghouder het proces van kwaliteitsborging op orde heeft. De Wkb biedt de gemeente ruimte om in het beleid voor de uitvoering van de Wkb specifieke keuzes te maken. Voor de volgende onderwerpen zijn in het beleid uitvoering Wet Kwaliteitsborging Lelystad m.b.t de volgende onderwerpen beleidsuitgangspunten vastgelegd: 1. Informatie- en controlemomenten. 2. Toezicht en handhaving. 3. Signaal/melding kwaliteitsborger. 4. Dossier bevoegd gezag. 5. Gefaseerde oplevering. Bouwtoezicht gevolgklasse 1 Reguliere controles op een bouwproject zullen plaatsvinden op basis van de voor dat project afgegeven omgevingsplan-activiteiten vergunning. De gemeente kan op afspraak, maar ook onaangekondigd, bezoeken afleggen tijdens de bouw. Daarbij wordt vooral gelet op de uitvoering van het (controle)systeem dat is toegepast en indien nodig wordt ook controle van de daadwerkelijke uitvoering van de bouw uitgevoerd. Dit zal vooral plaatsvinden waar er locatiespecifieke risico’s spelen, of waar op basis van een door de kwaliteitsborger ingevuld formulier strijdigheid Bbl het bevoegd gezag wordt gevraagd een afwijking te gaan handhaven of te gaan gedogen.
Verder wordt conform het Wkb beleid risicogestuurd toezicht gehouden. 3.2.2 Bouwtoezicht gevolgklasse 2 en 3 De toezichthouders werken met de mobiele app Centric Leefomgeving. Zij kunnen hierbij op hun tablet de bevindingen registreren en beschikken daarnaast over alle informatie over het object dat wordt gecontroleerd. Zij maken hierbij gebruik van het nieuwe Toezichtsprotocol Omgevingswet van de Vereniging Bouw en Woningtoezicht Nederland (bijlage 3). Door het werken met digitale protocollen die automatisch worden bijgewerkt conform nieuwe wettelijke vereisten zijn de interne risico’s afgedekt. De frequentie en de diepgang van de controle hangen af van het type bouwwerk en de observaties van de toezichthouder gedurende het vergunningen en controleproces. De uitvoerder blijft verantwoordelijk voor een juiste uitvoering, het toezicht controleert op hoofdlijnen. Prioritering vergunningsgericht toezicht Toezicht op de omgevingsvergunningen met de activiteit bouwen kent geen grote afwijkingen tussen de risicoanalyse/toezichtsmatrix en de prioritering vanuit de ambtelijke organisatie. Waar het gaat om grote bouwwerken met een maatschappelijke functie of bouwwerken waar veel mensen in samen komen hebben deze een hoge prioriteit. De Omgevingswet en de Wkb brengen hierin de komende jaren nog weinig verandering, aangezien het hier voornamelijk gevolgklasse 2 bouwwerken zijn.
3.2.3 Samenhang vergunningen De inspecteurs van het team OPV zijn bij nieuwbouw, gevolgklasse 2 en 3 verantwoordelijk voor het toezicht op alle samenhangende toestemmingen (bijvoorbeeld melding brandveilig gebruik of bouwkundige eisen Alcoholvergunning), tot het moment van oplevering en initiële ingebruikname. Het team OPV geeft tijdig voor oplevering een signaal naar het team Stadstoezicht zodat de inspecteurs kunnen meekijken voor de onderdelen waarvoor zij na oplevering verantwoordelijk zijn voor het toezicht. 47
3.2.4 Stilleggen bouw Als tijdens het toezicht geconstateerd wordt dat er wordt gebouwd in strijd met de voorschriften of zonder vergunning wordt afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding of een waarschuwing gegeven of de bouw onmiddellijk stil gelegd. Waarschuwing Bij de beoordeling of kan worden volstaan met een waarschuwing wordt uitgegaan van de toezichtsmatrix. Een waarschuwing is alleen dan op zijn plaats als er sprake is van een minder ernstige overtreding waarbij er geen grote risico’s zijn. Hierbij speelt ook het gedrag van de overtreder een rol zoals in de preventiestrategie wordt uitgewerkt. De waarschuwing wordt mondeling gegeven en dezelfde dag wordt deze per mail bevestigd. Als er geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing volgt een stillegging Stillegging Als de overtreding dermate ernstig is dat het onverantwoord is om verder te bouwen, of als geen gehoor wordt gegeven aan de waarschuwing wordt de bouw stil gelegd. Ook dit gebeurt eerst mondeling en wordt binnen 1 werkdag schriftelijk bevestigd. Stilleggen van de bouw is een vorm van spoedeisende last onder bestuursdwang. Indien nodig kan er ook voor worden gekozen om een last onder dwangsom op te leggen.
48
HOOFDSTUK 4 HANDHAVING Handhaving van de leefomgeving kent veel verschillende facetten. Steeds meer vraagt handhaving van de leefomgeving een integrale benadering. Het gaat dan niet alleen om overtreding van bouw- of milieuregels of regels in kader van veiligheid, maar ook vaak spelen er aspecten als criminaliteit, zorg, sociale problematiek of complexe combinaties van deze verschillende beleidsvelden. Van de overheid wordt daarom verwacht dat deze een visie heeft op en een integrale benadering van toezicht en handhaving en dat zij daarbij doelstellingen formuleert. Beginselplicht tot handhaving In artikel 18.1 Omgevingswet is de beginselplicht tot handhaving nu ook vastgelegd. Eerder volgde dit uit vaste jurisprudentie, maar er is voor gekozen om dit wettelijk vast te leggen. Dit betekent niet dat de gemeente altijd moet handhaven, maar er moet wel sprake zijn van een bijzondere situatie om niet op te treden. Dat is bijvoorbeeld het geval als in de toekomst sprake kan zijn van legalisatie of wanneer de handhaving onredelijk zou zijn (evenredigheidsbeginsel) of als er sprake zou zijn van ongelijkheid ten opzichte van andere vergelijkbare gevallen (gelijkheidsbeginsel) of als er een toezegging is gedaan aan de overtreder (vertrouwensbeginsel). Ook de handhaving vindt plaats op basis van gestelde prioriteiten.
Wettelijke grondslag bouwtoezicht Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert de wettelijke grondslag voor handhaving
Dit geldt ook voor het stilleggen van de bouw. In de Omgevingswet komt de bouwstop zoals opgenomen in artikel 5.17 van de Wabo niet expliciet terug. De wetgever beschouwt deze bepaling “bij nader inzien als overbodig”. Het stilleggen van de bouw blijft na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk op grond van artikel 5:2 Awb. 4.1 VISIE EN UITGANGSPUNTEN TOEZICHT EN HANDHAVING In de kadernota integrale handhaving is het volgende opgenomen: “Handhaving gaat over de naleving van de door de overheid gestelde wet- en regelgeving. Integrale handhaving wordt breed gezien. Het gaat om een keten van activiteiten, die gericht is op het doen 49
naleven van de regels en voorschriften. Handhaving wordt dus niet alleen gezien als het afdwingen met sancties, maar als het gehele proces van opstellen van duidelijke regelgeving, voorlichting, advisering, toezicht, bemiddeling tot sanctionering. Toezicht is daarbij vooral bedoeld om na te gaan of conform de regels wordt gehandeld. Is dat niet het geval, dan wordt actie ondernomen om de situatie weer in overeenstemming met de regels te brengen”. In aansluiting op de algemene doelstelling VTH, wordt de doelstelling voor de handhaving van de fysieke leefomgeving uit de kadernota integrale handhaving overgenomen en als volgt geformuleerd:
Handhaving is samen met vergunningverlening en toezicht een belangrijk instrument om de gezondheid, veiligheid en leefbaarheid en duurzaamheid in Lelystad te borgen. De strategische doelstelling is dan ook: Het behoud en het verder verbeteren van een veilige, duurzame en gezonde woon-, werk- en leefomgeving in Lelystad.
4.2 Doelstellingen Om de strategische doelstelling te kunnen realiseren is het nodig dat er concrete doelstellingen worden geformuleerd. Goed naleefgedrag Wetten en regels zijn noodzakelijk ter bescherming van kwetsbare, beschermingswaardige belangen zoals veiligheid en een gezond leefmilieu. Omdat we deze belangen willen beschermen, vinden we het als overheid belangrijk dat wetten en regels worden nageleefd. Naleving van de regels staat dan ook voorop. Goed gedrag wordt beloond bijvoorbeeld door minder controles. Het effect van een verhoogd naleefgedrag is minder overtredingen, meldingen en verzoeken om handhaving met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Daartoe kunnen wij verschillende middelen inzetten, al zijn de personele capaciteit en financiële middelen uiteraard ook niet oneindig en moeten we daarin keuzes maken. De eerste doelstelling is daarom:
We stimuleren goed naleefgedrag
Wat gaan wij hiervoor doen • Door het naleefgedrag te monitoren wordt inzicht verkregen in het naleefgedrag. • Als het naleefgedrag bekend is formuleren we daarna het gewenste naleefgedrag per onderwerp en formuleren we onze doelstellingen met betrekking tot het bereiken van het gewenste naleefgedrag. • We bepalen de instrumenten die worden ingezet per onderwerp en doelgroep. Hierbij wordt o.a gebruik gemaakt van de Landelijke Handhavingsstrategie en het ‘Interventiekompas’ van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Ondermijning Binnen het VTH-takenpakket nemen de taken op het gebied van integrale veiligheid en het tegengaan van ondermijnende activiteiten een steeds grotere rol in. De bevoegdheden van de burgemeester zijn de laatste jaren uitgebreid om naast het strafrecht ook effectief bestuursrechtelijk op te kunnen treden. 50
Georganiseerde criminaliteit is vaak niet direct zichtbaar maar heeft een schadelijk effect op de samenleving. Ook Lelystad heeft ermee te maken. Het betreft fenomenen als drugs gerelateerde criminaliteit, witwassen, mensenhandel, milieucriminaliteit en fraude. Samenleving en overheid moeten zich hiertegen teweerstellen. Lelystad heeft al de nodige stappen gemaakt en werkt hierin nauw samen met politie, Openbaar Ministerie, RIEC en andere partners. De tweede doelstelling is dan ook:
We zetten toezicht en handhaving gericht in om ondermijnende criminaliteit tegen te gaan.
Deze doelstelling wordt uitgewerkt in de volgende subdoelstellingen • Het creëren van een ongunstig vestigingsklimaat voor (drugs)criminaliteit. • Het tegengaan van het faciliteren van witwassen. • Het bestrijden van ongeregeldheden binnen de seks- en gokbranche. • Handhaving op handelen in strijd met de verleende vergunningen en regelgeving. Wat gaan wij hiervoor doen • Ondermijning op bedrijventerreinen: De gemeente Lelystad heeft ingezet op de aanpak van bedrijventerreinen. Vooral analysematig en operationeel zijn er inspanningen geleverd. Er zijn verschillende integrale controles georganiseerd en Lelystad heeft een analysetool ontwikkeld die aan de hand van een aantal indicatoren panden in beeld brengt die kwetsbaar zijn voor ondermijning. We willen de komende periode ook acties uit gaan voeren op andere bedrijventerreinen. Samen met het Platform Veilig Ondernemen willen we ondernemers meer weerbaar maken. Ook willen we extra toezicht en handhaving inzetten, waaronder extra formatie voor een speciale boa voor de bedrijventerreinen. • Controle mensenhandel: De inzet op mensenhandel wordt geïntensiveerd. Signalen worden afgestemd met het team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (TMM) van de politie, verdachte transacties van de Financial Intelligence Unit (FIU), en meldingen en signalen van professionals.
De gemeentelijke toezichthouders worden ook getraind in het herkennen van signalen van mensenhandel. • Illegale prostitutie: De komende jaren wordt de inzet op illegale prostitutie geïntensiveerd. Een aantal toezichthouders wordt specifiek opgeleid in het uitvoeren van controles in de seksbranche. We gebruiken hiervoor de webcrawler om gerichte controles te organiseren en onze informatiepositie van handhaving te versterken. • Dwangsom voor drugsdealers: We treden bestuursrechtelijk op tegen drugsdealers. De komende twee jaar willen we het aantal dwangsommen verhogen naar 10 per jaar. • Opiumwet (Damoclesbeleid): De burgemeester is bevoegd om bestuurlijk op te treden als in een pand sprake is van een handelshoeveelheid soft- of harddrugs. Na ontvangst van een bestuurlijke rapportage van de politie wordt de situatie getoetst aan het beleid, waarbij ook moet worden gekeken naar eventuele bijzondere omstandigheden. De maatregel die volgt bestaat doorgaans uit een bestuurlijke waarschuwing, dan wel uit het tijdelijk sluiten van het pand door bestuursdwang of een last onder dwangsom. Dit traject loopt naast het strafrecht.
• Bibob: De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (Bibob) wordt toegepast bij aanvragen voor een vergunning van horecabedrijven, seksinrichtingen, speelautomatenhallen en de coffeeshop maar ook bij vastgoed- en grondtransacties om te voorkomen dat er indirect criminele activiteiten worden gefaciliteerd. We kunnen nu nog beter eigen onderzoek doen. 51
Tijdens een onderzoek wordt nauw samengewerkt met het RIEC, Belastingdienst, politie en het UWV. Ook werken we samen met het Landelijk Bureau Bibob. Duurzaamheid Duurzaamheid is een speerpunt van zowel de landelijke als de lokale politiek en staat daarom hoog op de agenda. De gemeente Lelystad heeft daarom in diverse beleidsdocumenten uitgangspunten vastgelegd zoals dit is verwoord in de visie op duurzaamheid in hoofdstuk 1. Daarnaast zijn er een aantal wettelijke regelingen en verplichtingen, zoals de informatieplicht en andere regels uit het BAL en de Europese Energie-Efficiency richtlijn (EED) waarin wordt beschreven waaraan bedrijven moeten voldoen om de duurzaamheidsdoelstelling te behalen door middel van het terugdringen van energiegebruik. De derde doelstelling is:
We stimuleren duurzaam gedrag, en houden toezicht of wordt voldaan aan de regelgeving met betrekking tot duurzaamheid.
Om deze doelstelling te kunnen behalen voeren we bouwtoezicht uit op het behalen van de BENG norm van bouwwerken en geven we opdracht aan de OFGV om toezicht uit te voeren m.b.t energiebesparingsverplichtingen van bedrijven. In de Regionale Uitvoering en Handhaving Strategie voor de OFGV wordt de energiebesparingsplicht verder uitgewerkt. 4.3 Uitgangspunten Handhaving is een keten van activiteiten, gericht op het doen naleven van de regels en voorschriften. Het voorkomen van overtredingen heeft prioriteit. Handhaving wordt dus niet alleen gezien als het afdwingen van naleefgedrag, maar als het gehele proces van opstellen van duidelijke regelgeving, voorlichting, advisering, toezicht, bemiddeling tot handhaving en sanctionering. De gemeente heeft de bijzondere positie om regelnaleving af te dwingen. Met deze positie gaan we uiterst zorgvuldig om. Om de bovenstaande visie en doelstellingen te kunnen waarmaken zijn de volgende uitgangspunten voor toezicht en handhaving geformuleerd. Op grond hiervan bepalen we onze prioriteiten, strategieën en het uiteindelijke uitvoeringsprogramma. 1. Burgers, bedrijven en verenigingen zijn primair zelf verantwoordelijk voor naleving De fysieke leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de samenleving. Dit maakt dat burgers, ondernemers en verenigingen de eerst verantwoordelijken zijn voor een goede naleving van de regels.
Bij conflicten verwachten wij dat partijen bereid zijn om met elkaar in gesprek te gaan onder begeleiding van Buurtbemiddeling. In het geval dat regels niet goed worden nageleefd, zal de gemeente de burgers, ondernemers en verenigingen hierop aanspreken. 2. Gemeente is verantwoordelijk voor voorlichting en preventie Goede voorlichting en preventie zijn essentieel om te voorkomen dat er een overtreding begaan wordt. De regels moeten immers bekend zijn bij degenen die ze moeten naleven. Heldere en makkelijke informatie is te vinden op de website van de gemeente. De gemeente draagt de verantwoordelijkheid om bestaande en nieuwe regels en beleid duidelijk te communiceren naar de doelgroep.
52
3. Handhaafbare regels We handhaven de landelijke en gemeentelijke wet- en regelgeving. Gemeentelijke regels die niet (meer) voldoen passen we aan of schaffen we af. Van belang hierbij zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Landelijke regels kunnen we niet wijzigen of afschaffen. Wel kunnen we via de Vereniging Nederlandse Gemeenten de dialoog aangaan met het Rijk om deze regels te wijzigen. Bij de invoering van nieuwe regels wordt een handhaafbaarheidstoets toegepast. 4. Onze kernwaarden zijn Vertrouwen en Klantgericht Onze dienstverlening is ingericht op klantvriendelijkheid richting de burger. Waar het kan proberen wij te werken vanuit de bedoeling om de menselijke maat te hanteren. Indien er niet hoeft te worden opgetreden doen we dat ook niet. De handhavers op de werkvloer hebben discretionaire bevoegdheden om deze menselijke maat te hanteren en maatwerk te leveren. Ernstige overtredingen, waarbij de veiligheid of gezondheid in het geding is, worden echter altijd gesanctioneerd. 5. We conformeren ons aan de Landelijke Handhavingsstrategie Wij handhaven conform de Landelijke Handhavingsstrategie.
De Landelijke Handhavingsstrategie maakt het mogelijk om bij elke interventie een passende maatregel te nemen en om in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes te nemen. De interventie wordt bepaald aan de hand van de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder. In bijlage 5 wordt verder ingegaan op de Landelijke Handhavingsstrategie. 6. Handhaving wordt zoveel mogelijk integraal opgepakt Er wordt zoveel mogelijk integraal gewerkt. Integraliteit hoeft niet altijd te zitten in met elkaar of voor elkaar controleren, maar kan ook in de vorm van signaleren van overtredingen op andere gebieden en de desbetreffende collega of handhavingspartner hierover te informeren om met elkaar te zorgen voor een betere naleving van de regelgeving die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt samen gewerkt werken met regionale en of landelijke handhavingspartners. 7. We handhaven programmatisch De handhaving binnen de gemeente voldoet aan de wettelijke eisen die daaraan zijn gesteld in de Omgevingswet en de Omgevingsregeling. Dit houdt in dat de handhaving programmatisch op grond van een risicoanalyse plaatsvindt. 8.
We handhaven zoveel mogelijk informatie gestuurd Ter ondersteuning van de realisatie van de doelstellingen per beleidsveld, maar ook te komen tot een juiste evaluatie en een realistisch VTHUP is het nodig dat inzichtelijk is wat we hebben gedaan en geconstateerd. Met het registreren van het aantal en de aard van de overtredingen wordt inzicht verkregen in het naleefgedrag en kan de strategie daarop worden aangepast. Ook is het goed om bij te houden hoeveel overtredingen worden opgelost zonder dat hiervoor een juridisch traject wordt gevolgd. De indicatoren zoals opgenomen in de productbladen worden hiervoor geregistreerd. 9. Handhaving kent een innovatief karakter. We zijn scherp op nieuwe ontwikkelingen en vragen ons voortdurend af hoe de handhaving beter vormgegeven kan worden en hoe we snel kunnen inspelen op een plotseling opkomende thematiek. We proberen kennis zoveel mogelijk bijeen te brengen en staan open voor nieuwe instrumenten of handhavingsarrangementen. Naast de wettelijke verplichting is er ook ruimte voor wensen, voorkeuren en inzichten van burgers. Daarnaast is er de intentie om te experimenteren met alternatieve vormen van toezicht zoals zelftoezicht. 53
10. Balans in handhavingsniveau en prioriteiten. Bij het uitvoeren van toezicht en handhavingstaken wordt uitgegaan van en uniforme handhavingsaanpak zodat willekeur wordt voorkomen en de rechtszekerheid wordt gewaarborgd. Capaciteit en middelen bij het uitvoeren van toezicht en handhavingstaken worden zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet 4.4 RISICO’S EN PRIORITEITEN Gemeenten hebben te maken met een groot aantal handhavingstaken. Dit zorgt ervoor dat het niet mogelijk is voor gemeenten om elke handhavingstaak op hetzelfde niveau uit te voeren. De beschikbare capaciteit en middelen brengen met zich mee dat er keuze gemaakt moeten worden, wat doen we wel en wat doen we (nu) niet? -
Wettelijke verplichting (handhavingsverzoeken) Thema gericht als opdracht rijk na calamiteit. Bestuurlijke prioriteiten college. Diepgang controle. Impact bij niet controleren (fysiek, gezondheid).
Het bestuur werkt al vele jaren met het stellen van prioriteiten en kijkt daarbij welke risico’s bepaalde overtredingen met zich meebrengen. Een risicoanalyse levert inzicht in de benodigde menskracht en middelen, gebaseerd op de risico’s van activiteiten, op de specifieke lokale situatie en de ambities van het bestuur. Omdat de prioriteiten uit voorgaande jaren in de basis nog steeds voldoen, is deze als uitgangspunt genomen. Voor de Omgevingswet en de Wkb is er een nieuwe risicobeoordeling gemaakt. Ambtelijke evaluatie en wijzigingen in wet- en regelgeving hebben geleid tot enkele beperkte aanpassingen en verfijningen via het VTHUP en het jaarverslag. De bestuurlijke keuzes zijn vastgelegd met behulp van een prioriteitenmatrix. In deze matrix zijn alle binnen de scope van dit beleid vallende handhavingstaken opgenomen. Per handhavingstaak/ activiteit is gewogen welke prioriteit de handhaving hiervan behoort te krijgen. De prioriteit is hierbij primair bepaald door twee factoren: het risico (wat is het risico bij een overtreding) en het naleefgedrag en de kans dat een overtreding daadwerkelijk voorkomt. Als resultaat van deze twee wegingsfactoren geven we aan wat de prioriteit op basis van de risicoanalyse is. De input van de tabellen is door middel van het bevragen van de inhoudelijke vakspecialisten tot stand gekomen.
De vragen zijn per domein beantwoord (Bouwen, Ruimtelijke Ordening en Erfgoed, Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL)) Algemene Plaatselijke Verordening (APV), Alcoholwet en Evenementen. De risicoanalyse voor het domein ‘Brandveiligheid’ is in regionaal verband door de Veiligheidsregio Flevoland (VRF) uitgevoerd en de risicoanalyse voor het domein ‘Milieu’ is uitgevoerd door de OFGV en maken geen onderdeel uit van deze U&HS. In bijlage 8 ‘Risicoanalyse‘ is een toelichting opgenomen van de uitgevoerde risicoanalyse, waarin nader wordt ingegaan op de gebruikte methode, de begrippen en de wijze waarop aan deze begrippen getalsmatig waarden zijn toegekend. Tevens is een weergave van de uitkomsten van de ingevulde risicomatrix voor de opgaven op grond van de Omgevingswet opgenomen.
54
Bestuurlijke prioriteiten Daarnaast wordt jaarlijks bij het opstellen van het VTHUP de bestuurlijke prioriteiten vastgesteld. 4.4.1 Onderscheid taken Wij maken een onderscheid in de reguliere taken, de handhaving van de openbare ruimte en projecten. Reguliere taken De reguliere taken bevatten de taken op het gebied toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving en voor der uitvoering hiervan maken wij gebruik van een risicoanalyse volgens een risicomatrix. Hierbij wordt per onderwerp in beeld gebracht wat de gevolgen van een overtreding zijn en de kans dat er een overtreding plaatsvindt. Door het uitvoeren van een risicoanalyse kunnen prioriteiten worden gesteld en doelstellingen worden geformuleerd om op deze wijze de beschikbare handhavingscapaciteit en beschikbare middelen op een zo efficiënt mogelijke manier te kunnen inzetten. Toezicht en handhaving openbare ruimte Het risicoanalysemodel is minder geschikt voor de toezichts- en handhavingstaken op het gebied van de openbare ruimte. Deze taken scoren in de regel laag in dit model, omdat een groot deel van deze taken bestaan uit het beheersbaar houden van de openbare ruimte. Hierbij wordt veelal preventief gehandeld, door het uitvoeren van toezichtscontroles en het aanwezig zijn op straat en in de wijken.
Voor deze beheerstaken is het effectiever om het ambitieniveau vast te stellen zodat de benodigde uren voor dat ambitieniveau beschikbaar kunnen worden gesteld. Projecten Naast de reguliere taken hebben we jaarlijks enkele projecten. Dit zijn onderwerpen waarbij voor een bepaalde periode (extra) inzet wordt gepleegd. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van bestuurlijke prioriteiten, het invoeren van nieuwe wet- en regelgeving of het projectmatig oppakken van een categorie meldingen met een lage prioriteit. Jaarlijks wordt de keuze voor de projecten en de daarvoor beschikbare capaciteit vastgesteld in het VTHUP. Aangezien de projecten om uiteenlopende redenen prioriteit hebben en programmatisch worden uitgevoerd vindt er geen risicoanalyse plaats bij de projecten. 4.4.2 Risicoanalyse per onderwerp Voor het uitvoeren van de risicoanalyse zijn in de eerste plaats de relevante handhavingstaken geïnventariseerd. Ten aanzien van deze handhavingstaken is de risicoanalyse ingevuld. Om uit de risicoanalyse een zo’n genuanceerd mogelijk beeld te krijgen is de risicoanalyse ingevuld door verschillende werkvelden. In het kader van deze U&H strategie zijn risicoanalyses uitgevoerd voor de volgende onderwerpen: 1. Omgevingsplan activiteiten 2. Technische vergunningen. 3. Handhaving Omgevingswet en Wkb 4. Toezicht op brandveilig gebruik bouwwerken 5. Slopen en saneren 6. Evenementen 7.
Meldingen en overige aanvragen 8. Horeca 9. APV/Verordening Fysieke Leefomgeving 10. Ondermijning/bijzondere wetten 55
11. 12. 13. 14.
Illegale kamerverhuur/woningsplitsing Illegale prostitutie/mensenhandel Wet Bibob Wet Kinderopvang
Risicogestuurd werken brengt met zich mee dat de frequentie en locatie van toezichtscontroles worden afgestemd op het verwachte risico. Dit betekent dat bepaalde controles in frequentie kunnen worden teruggebracht als blijkt dat het naleefgedrag verbeterd is of dat de frequentie wordt verhoogd als de situatie verslechtert. Bij het toekennen van de capaciteit wordt naast de prioriteitstelling op basis van de risicoanalyse rekening gehouden met de bestuurlijke prioriteiten en met de werkzaamheden waaraan vanwege de bredere context een hogere prioriteit kan worden toegekend. Risicogestuurd werken is het uitgangspunt, maar er blijft ruimte om ook capaciteit toe te kennen op basis van andere factoren. 4.4.3 Uitkomsten Bij het bepalen van de inzet is het uitgangspunt dat risicogestuurd wordt gewerkt. Dit betekent volledige inzet (op details en hoofdlijnen) bij werkzaamheden met prioriteit hoog, gemiddelde inzet (op hoofdlijnen) bij werkzaamheden met prioriteit middel en minimale inzet bij werkzaamheden met prioriteit laag. Bij werkzaamheden met een lage prioriteit vindt er geen actief toezicht en handhaving plaats. Meldingen met een lage prioriteit worden in beginsel alleen geregistreerd. Door de registratie wordt bijgehouden waar de meldingen betrekking op hebben.
Jaarlijks wordt in het VTHUP capaciteit vrijgemaakt om één of meerdere categorieën van meldingen met een lage prioriteit projectmatig op te pakken. Hieronder wordt weergegeven hoe we acteren op basis van de prioriteitstelling. Wat te doen
Hoge prioriteit
Lage prioriteit
Direct reageren op meldingen en verzoeken om handhaving
Gemiddelde prioriteit Bundelen verzoeken handhaving en meldingen planmatige behandeling
Repressief
Hoofddoel
Beëindigen overtreding
Verbeteren naleefgedrag
Door communicatie spontaan naleefgedrag zien te verbeteren
Niet actief handhaven, niet direct reageren op meldingen of klachten tenzij er sprake is van schade, onoverkomelijk overlast, hinder of gevaar. Bij een verzoek om handhaving de belangen afwegen en op basis van lage prioriteit gemotiveerd afwijzen. Door communicatie spontaan naleefgedrag zien te verbeteren
4.4.4 Meldingen en handhavingsverzoeken We maken een onderscheid tussen meldingen en handhavingsverzoeken. 56
Melding Door middel van een melding kan een burger of bedrijf ons informeren over een bepaalde (vermoedelijke) overtreding van wet- en regelgeving binnen de fysieke leefomgeving. Meldingen kunnen op allerlei manieren worden ingediend: telefonisch, via het digitale klachtenformulier van de gemeentelijke website, per e-mail of schriftelijk. Bij een melding hoeft de melder geen belanghebbende te zijn. Meldingen hebben geen formele juridische status. De prioriteit van een melding bepaalt de manier waarop wij met die melding omgaan. Dat kan zijn dat we er op dat moment niets mee doen (prioriteit laag), maar kan ook leiden tot direct toezicht en handhaving (prioriteit hoog). Alle meldingen worden geregistreerd, zodat bij het opstellen van het VTHUP kan worden bepaald of een bepaalde categorie meldingen met een lage prioriteit al dan niet projectmatig alsnog kan worden opgepakt. Gelet op het uitgangspunt dat burgers, bedrijven en verenigingen primair zelf verantwoordelijk zijn voor de naleving, kunnen wij de melder ook wijzen op de eigen mogelijkheden om via privaatrechtelijke weg een einde te maken aan de overtreding. Bovendien bieden we de melder aan om via Buurtbemiddeling in gesprek te gaan met de gestelde overtreder. In veel gevallen leidt dit tot een einde van het conflict.
Handhavingsverzoek Een handhavingsverzoek is een formele aanvraag waarop op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een besluit moet worden genomen. Aan een handhavingsverzoek stelt de wet voorwaarden. Zo dient de verzoeker belanghebbende te zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dat vereist een bijzonder persoonlijk belang. Het is niet mogelijk om via het digitale klachtenformulier of per e-mail een formeel handhavingsverzoek in te dienen. Meldingen die via het digitale klachtenformulier of per e-mail worden ingediend worden beschouwd als melding en als zodanig in behandeling genomen. Als we niet adequaat op reageren op handhavingsverzoeken of meldingen is er nog een formele procedure voor klachtenafhandeling. 4.5 STRATEGIEËN 4.5.1 Nalevingsstrategie Het totaal van strategieën dat wordt gehanteerd om de naleving van wet- en regelgeving te bevorderen, noemen we de nalevingsstrategie. In hoeverre de gestelde regels ook daadwerkelijk worden nageleefd, wordt bepaald door een groot aantal factoren. Dit varieert van kennis van de regels, het nut en de noodzaak ervan inzien, tot het bewust overtreden ervan. Een aantal van deze factoren is door de gemeente te beïnvloeden door consequent te toetsen, toezicht te houden en handhavend op te treden. De prioriteiten en doelstellingen worden vertaald naar concrete strategieën.
De strategieën zijn gebaseerd op regionale en landelijke strategieën en zijn aangevuld met gemeentelijke strategieën. De toepassing van deze strategieën leidt tot het behalen van de geformuleerde doelen. Onze nalevingsstrategie bestaat uit drie strategieën: een vergunningenstrategie, een preventiestrategie en een handhavingsstrategie. Deze laatste bestaat weer uit een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een gedoogstrategie. Schematisch is dat als volgt samen te vatten:
57
Bijlagen 5, 6 en 7 bieden een overzicht en een beschrijving van de samenhang van de verschillende strategieën.
BIJLAGEN Bijlage 1 Overzicht geldende beleidsdocumenten Bijlage 2 Beleid uitvoering Wet Kwaliteitsborging Lelystad Bijlage 3 Toezichtsmatrix bouwtoezicht Bijlage 4 Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid Bijlage 5 Naleefstrategie Bijlage 6 Landelijke handhavingsstrategie Bijlage 7 Gedoogstrategie gemeente Lelystad Bijlage 8 Risicoanalyse Bijlage 9 Begrippenlijst
58
Beleid uitvoering Wet kwaliteitsborging 2024 gemeente Lelystad
1
SAMENVATTING De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: de Wkb) treedt op 1 januari 2024 gelijktijdig in werking met de Omgevingswet (OW). In deze wet wordt geregeld dat de gemeente niet meer vooraf de bouwtechnische kwaliteit toetst van een bouwwerk, maar dat dit door een private kwaliteitsborger gebeurt. Ook is de kwaliteitsborger verantwoordelijk voor het toezicht tijdens de bouw. De gemeente toetst de aanvraag nog wel aan het Omgevingsplan en aan de welstandseisen. De verschuiving van de toezichthoudende rol betekent niet dat er geen gemeentelijk toezicht meer is. Dit is er alleen niet meer tijdens de bouwfase. De gemeente blijft verantwoordelijk voor het toezicht op de bestaande bouw en bouw- en sloopveiligheid. De gemeente is en blijft het bevoegd gezag voor de handhaving daar de kwaliteitsborger zelf geen handhavingsbevoegdheid heeft. De rol van de gemeente verandert dus meer in een procesrol, maar dan wel één met verantwoordelijkheden. Om aan deze veranderende rol op een verantwoorde manier invulling te geven is het gewenst om in beleid specifieke keuzes te maken over hoe de rol van bevoegd gezag wordt ingevuld. De invulling van de rol kan op verschillende manieren: 1. Het bevoegd gezag voert geen bouwtechnische toets en bouwtoezicht uit. 2. Het bevoegd gezag gaat risico gestuurd / steekproefsgewijs toetsen en toezicht houden. 3.
Het bevoegd gezag toetst en houdt toezicht, net als de kwaliteitsborger. Beleidskeuze risico gestuurd / steekproefsgewijs toetsen en toezicht houden. Door het vaststellen van dit beleid kiezen we ervoor dat de gemeente risico gestuurd haar toezichthoudende en handhavende rol invult. In het beleid wordt deze keuze nader uitgewerkt per processtap. Zo wordt bij de beoordeling van de bouwmelding en de gereedmelding de risico gestuurde benadering toegepast. Bij de bouwmelding wordt beoordeeld of en wanneer informatie-of controlemomenten worden ingelast. Op basis hiervan wordt informatie opgevraagd, inhoudelijk getoetst en toezicht uitgevoerd. Deze informatie- en controlemomenten betreffen bijvoorbeeld controles van later aan het zicht onttrokken constructies zoals o.a. funderingen, wapening in betonconstructies, van belang zijnde aansluitdetails en brandwerende doorvoeren. Daarnaast kan steekproefsgewijs toezicht gehouden worden t.a.v. specifieke onderwerpen op grond van risico’s. De steekproef kan op verschillende manieren worden bepaald: bijvoorbeeld aan de hand van signalen over instrumenten van kwaliteitsborgers, op basis van ontvangen klachten/verzoeken om handhaving of op basis van eigen constateringen door de gemeente.
Hiermee wordt een goed beeld van de kwaliteit van het stelsel verkregen, is er gericht toezicht op thema’s mogelijk en kan indien nodig, handhavend worden opgetreden of zelfs handhaving worden voorkomen. Als uit deze steekproeven blijkt dat het stelsel goed functioneert en zorgt voor voldoende kwaliteit, dan kan de frequentie van deze steekproeven worden aangepast. Ook kan het borgingsplan (van de kwaliteitsborger) aanleiding geven tot het houden van toezicht indien maatregelen t.b.v. de bijzondere lokale omstandigheden of eventueel andere bouwaspecten niet voldoende geborgd lijken te worden. Gebiedsspecifieke-, locatie gebonden- en project gerelateerde risico’s. Naast het vaststellen van het beleid is het ook wenselijk om gebiedsspecifieke risico’s, locatie gebonden risico’s en project gerelateerde risico’s kenbaar te maken. Dit kan in het Omgevingsplan, in het beleid maar het kan ook middels publicatie op de website. Eerder was gekozen om deze risico’s in 2
het beleid vast te stellen. Wij kiezen er nu voor om de risico’s bekend te maken op onze website, dit omdat het een dynamische lijst betreft die op deze manier sneller is aan te passen. Voor de kwaliteitsborger moeten de specifieke lokale omstandigheden kenbaar zijn zodat hiermee bij het opstellen van een risicoanalyse rekening kan worden gehouden. Het vastleggen van deze gebiedsspecifieke risico’s is ook van belang om het houden van risico gestuurd toezicht door de gemeente mogelijk te maken.
1.INLEIDING
Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). De discussie over private kwaliteitsborging wordt al heel lang gevoerd. De discussie is gestart vanuit de wens van vereenvoudiging van vergunningtrajecten voor gemeente en bouwers met als resultaat lastenverlichting en versnelling. Ook is daar op enig moment de wens van versterking van de positie van de bouwconsument bij gekomen. Dit heeft geresulteerd in de Wkb voor het bouwen. De Wkb treedt gelijk met de Omgevingswet (OW) in werking en heeft 3 doelen: -
het verbeteren van de bouwkwaliteit; verbeteren positie van de consument; stimuleren van kwaliteitsverbetering en faalkostenvermindering
De Wkb beoogt dit te bereiken door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van aannemers ten opzichte van particuliere en professionele opdrachtgevers uitgebreid. Dit laatste betreft een privaatrechtelijk traject dat in dit beleidsstuk verder niet aan de orde komt. De Wkb heeft zowel consequenties voor gemeenten als voor de partijen in de bouwsector. De wet introduceert de onafhankelijke kwaliteitsborger. Er is een private ‘Toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw’ opgericht die erop toeziet dat onafhankelijke kwaliteitsborgers op de juiste wijze de instrumenten toepassen waarmee de kwaliteit van de bouw wordt geborgd. De wet ziet alleen toe op het technische deel van het bouwen. Het planologisch deel, dus de toetsing aan het bestemmingsplan en welstand, blijft ongewijzigd (de omgevingsplanactiviteit). Een nieuwe manier van werken Onder de OW wordt er een ‘knip’ gemaakt in de huidige omgevingsvergunning voor het bouwen: ruimtelijke regels (omgevingsplanactiviteit) en technische regels (bouwactiviteit). De ruimtelijke regels en de regels voor welstand worden vastgelegd in het omgevingsplan. De regels voor het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit en of er een vergunning nodig is liggen vast in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Bij bouwen onder kwaliteitsborging zal voor het bouwtechnisch gedeelte van de activiteit een meldingsplicht worden ingevoerd voor bouwwerken die niet volledig vergunningsvrij zijn en vallen onder gevolgklasse 1 (bouwwerken met een gering risico). Uit een impactanalyses blijkt dat ca. 75% tot 85% van de huidige omgevingsvergunningen bouw in gevolgklasse 1 valt. In de bouwmelding moet de initiatiefnemer van het bouwen aan het bevoegd gezag melden welk instrument wordt toegepast en welke kwaliteitsborger toeziet op de bouw. Tevens moet de melder een risicobeoordeling en een borgingsplan overleggen bij de melding. De melding moet uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw worden ingediend. Indien uit de melding van de bouwactiviteit en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden niet blijkt dat wordt voldaan aan de kwaliteitsborging, dan mag niet gestart worden met de bouw. De onafhankelijke kwaliteitsborger toetst of het bouwwerk daadwerkelijk gebouwd is conform de regelgeving. Deze toets betreft in ieder geval de bouwtechnische voorschriften van het Bbl, maar het kan ook betrekking hebben op alle andere kwaliteitsaspecten die in het contract zijn overeengekomen. Dat laatste heeft betrekking op de versterking van de positie van de bouwconsument, een doelstelling van de wet waar de gemeente verder buiten staat.
3
De inhoudelijke rol van het bevoegd gezag gaat deels over in een procesrol. De gemeente beoordeelt de stukken op volledigheid en indieningsvereisten. Er vindt geen preventieve bouwbesluittoets plaats, maar afhankelijk van de beleidskeuzes wordt er op risico’s getoetst. De gemeente blijf echter bevoegd om handhavend op te treden, bijvoorbeeld door bouwwerkzaamheden stil te leggen. Proces vergunningverlening
Bouwmelding en gereedmelding Een belangrijke plek in het bouwproces gaat ingenomen worden door de bouwmelding en de gereedmelding. Aan de hand van de bouwmelding controleert de gemeente of het juiste borgingsinstrument is toegepast en of de kwaliteitsborger geregistreerd is in een landelijk register. Als er geen erkende kwaliteitsborger is aangewezen of als een borgingsplan en/of risicobeoordeling ontbreekt dan is er sprake van een onvolledige bouwmelding. Er is dan juridisch geen sprake van een melding. Er mag dan ook niet gestart worden met de bouw. Dit is ook het geval indien de gebiedsspecifieke-, de locatie specifieke- en projectgebonden gebonden risico’s niet in de risicobeoordeling zijn meegenomen. De gemeente geeft aan bij de melder dat deze geen melding heeft gedaan en eventueel dat er gegevens ontbreken. Als de melding vervolgens compleet wordt ingediend, dan is de melding op dat moment gedaan en gaat de wettelijke termijn van vier weken voor de gemeente om de melding te beoordelen lopen. Eerst na ommekomst van deze termijn of na eerder bericht kan de bouw starten. Aan het eind van het bouwproces moet er een gereedmelding komen. Onderdeel daarvan is het zgn. ‘dossier bevoegd gezag’. Ook hiervoor geldt dat deze gereedmelding beoordeeld wordt en dat bij het niet voldoen aan de eisen deze als niet gedaan wordt beschouwd.
Na de gereedmelding geldt een termijn van 2 weken waarbinnen eventueel mededeling moet worden gedaan dat deze melding niet compleet is. Het bouwwerk mag dan niet in gebruik worden genomen.
4
2. BELEID U&H strategie In de Uitvoerings- en handhavingsstrategie Lelystad 2024-2028 wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met een bestendig effectief en efficiënt functioneren van het VTH-stelsel. Dit Wkb beleid maakt onderdeel uit van deze strategie. Het is belangrijk dat we bij de inwerkingtreding van de Wkb beschikken over een evenwichtig beleidskader voor de invulling van de gemeentelijke taken en bevoegdheden op grond van de Wkb. Inmiddels is ervaring opgedaan met 3 proefprojecten gevolgklasse 1 waarbij is gezocht naar wat onze rol is en hoe wij daar invulling aan gaan geven. Om tijdens de proefprojectenfase te werken volgens de Wkb zijn voorlopige beleidsregels vastgesteld . Na evaluatie van de proefprojecten zijn er nieuwe inzichten ontstaan die in dit onderliggende beleid zijn verwerkt. Wat regelen we in het Wkb-beleid Heel veel onderdelen met betrekking tot de bouwregelgeving liggen al vast, b.v. in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dit zijn landelijk uniform geformuleerde regels. Daarnaast spelen er lokale aspecten. In dit beleid word vastgelegd hoe wij omgaan met onze toezichthoudende en handhavende rol. 3. GEBIEDSSPECIFIEKE, LOCATIEGEBONDEN- EN PROJECT GERELATEERDE RISICO’S Bepaalde aspecten, zoals de ligging van een gemeente of de bodemgesteldheid, maken dat er zich ook specifieke risico’s kunnen voordoen bij vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Specifieke lokale omstandigheden zouden ertoe kunnen leiden dat een bouwwerk niet aan de bouwtechnische vereisten uit hoofdstuk 4 en 5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving voldoet/kan voldoen. Voor de kwaliteitsborger moeten deze specifieke lokale omstandigheden kenbaar zijn zodat deze bij het opstellen van een risicoanalyse rekening kan houden met de lokale omstandigheden. Het vastleggen van deze gebiedsspecifieke risico’s maakt het houden van risico gestuurd toezicht door de gemeente mogelijk. De risicoanalyse wordt gelijk met de bouwmelding ingediend. Na ontvangst van de bouwmelding wordt deze beoordeeld. Bij de beoordeling van de risicobeoordeling en het borgingsplan wordt gekeken of voldoende rekening is gehouden met deze omstandigheden. Indien dit niet het geval is, dan is er sprake van een onvolledige melding. De voor Lelystad gebiedsspecifieke risico’s worden vastgelegd in een document dat vindbaar is op de website. Dit omdat dit een dynamisch document betreft. In deze lijst worden de algemene gebiedsspecifieke risico’s benoemd. Indien onvoldoende rekening wordt gehouden met deze risico’s dan kan dit gevolgen hebben voor de veiligheid van het bouwwerk en de belendingen. Overige specifieke risico’s voor een locatie en/of een project worden kenbaar gemaakt in de vergunning voor de Omgevingsplanactiviteit.
4. INVULLEN TOEZICHTHOUDENDE ROL Met de komst van de Wkb vindt er een verschuiving van taken plaats van het gemeentelijk bouwtoezicht naar de private kwaliteitsborger. Dit heeft invloed op de rol van het gemeentelijk bouwtoezicht. Ook verschuiven er toezichtstaken vanuit de vergunningsfase naar de bouwfase. De kern van de verdeling van bevoegdheden komt op het volgende neer: - De kwaliteitsborger controleert de bouwtechnische kwaliteit van bouwwerken tijdens de bouw en voor de gereedmelding van het bouwwerk. - De gemeente controleert of de kwaliteitsborger een werk mag borgen (gecertificeerd is).
5
-
-
6
De onafhankelijke toelatingsorganisatie houdt wettelijk toezicht op de instrumenten voor kwaliteitsborging en instrumentaanbieders, onder andere door steekproefsgewijze inspecties van bouwprojecten. Toepassing van een door de toelatingsorganisatie toegelaten instrument voor kwaliteitsborging door een kwaliteitsborger geeft een gerechtvaardigd vertrouwen dat het bouwwerk zal voldoen aan de bouwtechnische eisen van de bouwregelgeving. De gemeente toetst een vergunningaanvraag, voor bouwwerken die onder het stelsel vallen, niet langer preventief inhoudelijk op bouwkundige aspecten. De gemeente blijft wettelijk wel belast met het toezicht op de naleving van de bouwtechnische eisen. De gemeente geeft hieraan invulling door beoordeling van de risicoanalyse en het bijbehorende borgingsplan dat door de kwaliteitsborger aan de gemeente zal worden overgelegd. De gemeente blijft verantwoordelijk voor de controle op het nalevingsgedrag m.b.t. de omgevingsveiligheid. Denk hierbij aan zaken als de inrichting van de bouwplaats en de veiligheid van belendende percelen. Daarnaast verleent de gemeente de vergunning voor de Omgevingsplanactiviteit (OPA) waarbij gekeken wordt naar ruimtelijke aspecten en het gebruik en eventuele welstandseisen zoals vormgeving/kleur/materiaalgebruik/soort materiaal. De gemeente houdt toezicht op de Omgevingsplanactiviteit (OPA).