CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 24.014 INFO uitvoerings en handhavingsstrategie

Commissie Bestuur, Middelen en Economie 13 februari 2024, gemeente LelystadBij agendapunt: 24.032 Agendaverzoek GL Uitvoerings- en handhavingsstrategie Lelystad 2024-202838.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Afhankelijk van het taakveld worden de verschillende partners betrokken en worden er afspraken gemaakt of er strafrechtelijk dan wel bestuursrechtelijk wordt opgetreden. Zo zijn in het kader van het Regionale Hennepconvenant afspraken gemaakt met politie, het Openbaar Ministerie, Woningbouwcoöperaties, belastingdienst, en energieleveranciers. Voor uitvoering van de Alcoholwetwet worden naast politie en gemeente ook ondernemers, de GGD, Tactus verslavingszorg en bureau Halt betrokken. Bestuurlijk en Ambtelijk Omgevingsoverleg Ter uitvoering van de provinciale coördinatierol vindt regelmatig bestuurlijk overleg plaats in het kader van de regionale VTH-samenwerking. In Flevoland gebeurt dit in het Bestuurlijk Omgevingsoverleg Flevoland (BOO). Hierin komen de taken vanuit de bevoegd gezagrol en de kaderstellende rol bij elkaar. Het AOO is het ambtelijk voorportaal voor dit overleg. In het BOO worden vergunningverlening, handhaving en toezicht voor de fysieke leefomgeving afgestemd tussen de regionale partners, de Rijkspartners en de strafrechtelijke partners binnen Flevoland. Afstemming van het regionale beleidskader van de OFGV vindt plaats in het Ambtelijk Omgevingsoverleg De samenwerkingsovereenkomst Omgevingswet in Flevoland In Flevoland hebben gemeenten, waterschap en provincie afgesproken om samen te werken bij de uitvoering van de Omgevingswet.

De samenwerking is vastgelegd in de “Samenwerkingsovereenkomst Omgevingswet in Flevoland inzake de samenwerking tussen provincie, gemeente en waterschap bij de uitvoering van de Omgevingswet”. Om de samenwerking bij vergunningverlening, toezicht en handhaving zo optimaal mogelijk vorm te geven, zijn de praktische details van de samenwerking uitgewerkt in werkafspraken.

21

Lokaal Handhavingsoverleg (LHO) De nieuwe Omgevingswet noodzaakt tot meer integrale afstemming. Om die reden zullen periodieke overleggen voor de handhaving van multidisciplinaire dossiers worden georganiseerd waarbij verschillende partners kunnen aansluiten. Naast gemeente, OFGV en Waterschap Zuiderzeeland zijn (mogelijke) partners: politie, provincie, Rijkswaterstaat, veiligheidsregio (brandweer) en GGD, Staatsbosbeheer en Flevolandschap. Vanuit de organisatie sluiten medewerkers van Stadstoezicht en Omgevingsplan en vergunningen (OPV) aan. Handhavingstafel Naast het periodieke LHO kan er in geval van urgentie een “Handhavingstafel” worden georganiseerd. Een zgn. “rode knop” overleg, waarbij iedere betrokken partner de nodige prioriteit geeft om aanwezig te zijn en andere afspraken in de agenda evt. te verplaatsen. Daarbij is het ook van belang dat het bevoegd gezag het overleg goed heeft voorbereid, na intern overleg tot op bestuurlijk niveau. Samenwerking Nederlandse Arbeidsinspectie Gemeente Lelystad heeft samenwerkingsafspraken gemaakt met het programma bouw en infra van de Nederlandse Arbeidsinspectie (voorheen de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid).

In de samenwerking ligt de focus op een preventieve aanpak bij de veiligheid en gezondheid op de bouwplaats, de transitie van kantoorpanden en winkelpanden naar woningen, het verduurzamen en renoveren van panden en gebouwen. Ook zullen integrale controles gehouden worden bij grote bouwprojecten en bedrijven of panden waar vermoedens zijn van mensenhandel (arbeidsuitbuiting) in de gemeente Lelystad. Het gaat daarbij om het beperken van risico’s op het tewerkstellen van migranten zonder geldige verblijfstitel, het onderbetalen van deze migranten en andere werknemers en het huisvesten op de bouwlocaties van deze werknemers. Lelystad behoort tot één van de eerste gemeenten die de samenwerkingsafspraken met de Nederlandse Arbeidsinspectie aangaan om misstanden in de bouw te voorkomen en te bestrijden. Regionale Hennepconvenant In het kader van het Regionale Hennepconvenant zijn afspraken gemaakt met politie, het Openbaar Ministerie, Woningbouwcoöperaties, belastingdienst, en energieleveranciers. De evaluatie van het convenant is gaande. Vanwege de tijd die dit kost wordt het huidige convenant verlengd. Provincie Flevoland Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is 'decentraal, tenzij'. Daarom is het bevoegd gezag in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.

De provincie Flevoland kan toch bij meervoudige aanvragen, bijvoorbeeld als deze eerder voor een bedrijf een milieuvergunning hebben verleend, het bevoegd gezag zijn. Afstemming hierover is in bovenstaande Bestuursovereenkomst en werkafspraken verankerd. Gedeputeerde Staten (GS) zijn op grond van de Omgevingswet adviseur voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit in door hen vooraf aangewezen gevallen van een provinciaal belang. De provincie ziet daarnaast toe te zien op een doelmatige uitvoering & handhaving op basis van de Omgevingswet. Aan de provincie wordt verantwoording afgelegd en de provincie controleert of de gemeente het vastgestelde uitvoerings- en handhavingsbeleid goed uitvoert. De provincie toetst hierbij dit beleidskader het uitvoeringsprogramma, het jaarverslag en de uitvoering van de vastgestelde protocollen.

22

Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (OFGV) De OFGV is een samenwerkingsverband tussen gemeenten in Flevoland en in de Gooi en Vechtstreek en de provincies Flevoland en Noord-Holland. Het toezicht op de milieuwetgeving, de handhaving daarvan en de afhandeling van aanvragen om milieuvergunningen is ondergebracht bij de OFGV. In geval van gecombineerde aanvragen (bijvoorbeeld bouwen en milieu) vindt de vergunningverlening door de OFGV (namens de provincie) plaats. Het toezicht op de bouwactiviteit vindt altijd plaats door de inspecteurs bouwtoezicht van de gemeente (OPV). Brandweer Met Brandweer Flevoland wordt regelmatig afgestemd, met als doelstelling het integraal waarborgen van een acceptabel risiconiveau ten aanzien van de (brand-) veiligheid bij evenementen, bij vergunningverlening en tijdens de uitvoering en de oplevering van bouwwerken en inrichtingen. De brandweer adviseert op het gebied van brandveiligheid bij zowel de vergunningverlening als het toezicht van nieuwe bouwwerken en evenementen. Tevens wordt het toezicht op meldingen voor brandveilig gebruik en overig brandveilig gebruik door de brandweer uitgevoerd. Het toezicht op de brandveiligheid van bestaande bouw wordt eveneens door de brandweer uitgevoerd. Verder vindt frequent overleg plaats tussen vertegenwoordigers van afdeling VTH van de gemeente en van de brandweer, o.a.

over het Jaarplan en periodieke verantwoording. Waterschap Zuiderzeeland Veel werkzaamheden in de buurt van dijken, wateren en wegen die onder het beheer van het waterschap vallen, vereisen specifieke vergunningen, met name vergunningen voor wateractiviteiten. Als zowel een omgevingsvergunning als een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten nodig zijn en deze tegelijkertijd worden aangevraagd, is de coördinatieregeling van de Ow van toepassing. Hierbij speelt de gemeente een coördinerende rol. Beide bevoegde instanties behandelen de aanvragen gezamenlijk en nemen elk hun eigen besluit. De coördinatieregeling vereist dat de gemeente beide besluiten en eventuele tussenliggende correspondentie aan de aanvrager verstrekt en zorgt tevens voor de openbare kennisgeving. Voor omgevingsvergunningen (zowel regulier als uitgebreid) voor buitenplanse omgevingsactiviteiten (BOPA) dient het Waterschap om advies te worden gevraagd. Aanvragers en adviserende instanties Voor de aanvragen waar aanpassingen nodig zijn om tot een vergunbaar plan te komen, geldt de weg van het overleg met de aanvrager. Soms is dat een particulier, meestal is dat een projectontwikkelaar, een architect of een bouwkundig tekenaar. Verder wordt in al die gevallen waar de wet het advies van een in en externe instantie voorschrijft, het advies ook ingewonnen.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Gemeentelijke adviescommissie (voorheen welstandscommissie en Erfgoedcommissie) en het Waterschap. Driehoeksoverleg Het Driehoeksoverleg is een overleg tussen de burgemeester, de korpsleiding van de politie en de officier van justitie. Het zwaartepunt van dit overleg is openbare orde en veiligheid. Specifieke handhavingsproblemen kunnen worden ingebracht, met name wanneer een strafrechtelijke aanpak gewenst is. Naast het driehoeksoverleg vindt er op ambtelijk niveau veelvuldig overleg en afstemming plaats met de politie en vindt bestuurlijke handhaving plaats op basis van bestuurlijke rapportages van de politie, bijvoorbeeld op het gebied van de Opiumwet en de APV. Voor bouwen/RO zijn er nog geen specifieke afspraken met het OM en de politie. Voor deze taken wordt uitgegaan van bestuursrechtelijke handhaving en er is nog geen aanleiding geweest om hier nu een andere gedragslijn in te volgen. Dit laat onverlet dat het OM kan besluiten om in speciale gevallen zelfstandig over 23

te gaan tot strafrechtelijke handhaving. Onder de Omgevingswet zal nader worden bezien of ook wordt ingezet of strafrechtelijke handhaving. Afstemming OM en strafrechtelijke partners In artikel 13.5, lid 3 van het Omgevingsbesluit wordt bepaald dat de handhavingsstrategie zo nodig wordt afgestemd met de instanties die zijn belast met de strafrechtelijke handhaving. Daar in deze U&H strategie het uitgangspunt is dat er bij overtredingen van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bestuursrechtelijk wordt opgetreden is er geen noodzaak om deze nu af te stemmen met het OM en de strafrechtelijke partners. 1.8.2 Interne afstemming Portefeuilleoverleg Met de betrokken portefeuillehouders wordt periodiek beleidsinhoudelijke zaken besproken. Dit betreffen nieuwe ontwikkelingen in beleid en wetgeving als ook specifieke zaken. Werkveld overleggen De verschillende werkvelden hebben periodiek intern overleg over lopende procedures. Indien nodig wordt ad hoc overlegd met de verschillende betrokken adviseurs. Maandelijks is er een Structuuroverleg Omgevingswet tussen de regisseurs, de adviseurs, de inspecteurs en de constructeurs om te kijken hoe de samenwerking kan worden verbeterd.

1.9 ORGANISATORISCHE CONDITIES 1.9.1 Begroting In de Programmabegroting staan de beschikbare financiële middelen voor vergunningverlening en toezicht en handhaving en hierin worden de beleidsdoelen voor toezicht en handhaving vertaald naar prestaties. Deze middelen en doelen staan in hoofdstuk 1.2 Openbare orde en veiligheid, hoofdstuk 7.4 Milieubeheer en hoofdstuk 8.3 Wonen en bouwen van de Programmabegroting. Het gaat hierbij met name over het halen van targets op naleving en te behalen maatschappelijke effecten. Na afloop van een begrotingsjaar, worden in het jaarverslag de behaalde prestaties en de werkelijke kosten verantwoord. 1.9.2 Formatie en kwaliteit medewerkers Binnen de organisatie van de gemeente Lelystad worden de VTH-taken uitgevoerd door het team Omgevingsplan en vergunningen (OPV) en door het team Stadstoezicht. In het VTHUP worden in de productbladen per taak de capaciteit, die beschikbaar is, voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving opgenomen. De benodigde capaciteit voor de uitvoering van de VTH-taken hangt af van de opgaven waar de gemeente voor staat. Indien extra inzet nodig is, kan hier op structurele of flexibele wijze invulling aan gegeven worden. Er wordt continu geïnvesteerd in de kwaliteit van medewerkers: vakmanschap staat centraal. Onder vakmanschap wordt onder meer verstaan: voldoende basis- en vakkennis en ervaring.

Het doel is daarnaast om het gewenste kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk te houden en in ieder geval te laten voldoen aan de wettelijke eisen en kwaliteitscriteria. 24

Functiescheiding Op grond van de Omgevingswet en de landelijke kwaliteitscriteria moeten binnen de gemeentelijke organisatie regelingen getroffen zijn voor een zo optimaal mogelijke scheiding tussen vergunningverlening en toezicht en handhaving. De functiescheiding tussen vergunningverlening en toezicht en handhaving draagt bij aan de objectiviteit van de handhaving. De gemeente Lelystad heeft haar eigen organisatie zo ingericht dat alle Omgevingswet - en APV vergunningverlening en handhaving gescheiden zijn op bestuurlijk, organisatorisch en persoonsniveau. Daarnaast dient volgens de kwaliteitscriteria voor de juristen een scheiding op objectniveau te zijn. Aan deze eisen wordt eveneens voldaan. Mandatering Om een snelle vergunningverlening en handhaving mogelijk te maken zijn zoveel mogelijk bevoegdheden gemandateerd tot medewerkersniveau. De mandatering is vastgelegd in het Mandaatregister 2024 van de Gemeente Lelystad. 1.9.3 Uitvoeringsondersteunende voorzieningen Onze organisatie ondergaat momenteel een transitie naar het gebruik van CLO. Deze applicatie is specifiek ontworpen om de medewerkers belast met Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) te ondersteunen in hun zaakgerichte en objectgerichte werkmethoden, en om hun samenwerking met partners in de keten te faciliteren. Het CLO-platform rust op drie kernpijlers: 1.

Procesondersteuning: Dit omvat begeleiding bij zaakgericht werken en het efficiënt afhandelen van werkprocessen. 2. Omgevingsdossier: Hiermee wordt het eenvoudig om locatiegegevens te vinden en te benutten, wat resulteert in doeltreffend toezicht dat zich richt op risico's. 3. Samenwerkingsruimte: Het biedt een veilige digitale omgeving voor het ontvangen en uitwisselen van DSO-verzoeken (Digitaal Stelsel Omgevingswet) met partners in de keten. In de komende periode streven wij naar een zo optimaal mogelijke implementatie van deze programma's. CLO is software voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Zowel vergunningen, beschikkingen en meldingen, als toezicht en handhaving, maar ook bezwaar en beroep zijn in dit systeem samengebracht. De toepasselijke wet- en regelgeving is in de applicatie verwerkt in de vorm van processtappen, beslisbomen, checklists en documenten. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de registratiesystemen BySpy en Fixi. Alle bij een zaak behorende stukken worden gearchiveerd in Djuma (voorheen Corsa). De toezichthouders belast met de uitvoering van toezicht en handhaving beschikken voor de controles over auto’s, Ipads, telefoons met digitale camera, wifi en emailfaciliteiten. De beschikbare middelen worden onderhouden en regelmatig vervangen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de nieuwste technieken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Kosten van apparatuur en instrumenten VTH zijn opgenomen in de begroting voor Stadstoezicht en BPO.

25

HOOFDSTUK 2 VERGUNNINGENBELEID In dit deel staat de uitvoering van vergunningverlening centraal. Gezien de hoeveelheid taken die moeten worden uitgevoerd en de menskracht die aanwezig is, moeten op het gebied van vergunningverlening keuzes worden gemaakt over de inzet van de medewerkers. Keuzes over hoe je aandacht besteed aan het verlenen of weigeren van vergunningen. Dit hoofdstuk richt zich daarmee op het beantwoorden van de vragen hoe benaderen we het verlenen van vergunningen en op welke wijze verlenen we vergunningen en handelen we meldingen af. 2.1 VISIE EN DOELSTELLINGEN VERGUNNINGVERLENING Van de overheid wordt verwacht dat deze een visie heeft op en een integrale benadering van vergunningverlening. De Omgevingswet voorziet in een omgeving waarin voor meerdere omgevingsplanactiviteiten slechts één aanvraag ingediend hoeft te worden. Op basis van de kwaliteitscriteria moet het vergunningverlenend bevoegd gezag handelen op grond van een strategie voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning. In dit beleid wordt vastgelegd wat de basiswerkwijze bij vergunningverlening is. De strategie wordt verder uitgewerkt in processen, werkafspraken en het vergunningen registratiesysteem CLO.

2.1.1 Visie Vergunningverlening Het doel van vergunningverlening is het mogelijk maken van activiteiten welke zijn verboden door de weten regelgeving, met daaraan verbonden voorwaarden zodat het doel van de betreffende wet- en regelgeving wordt beschermd of zelfs versterkt. De inwerkingtreding van de Omgevingswet zorgt voor de volgende wijzigingen: • De Omgevingswet stimuleert participatie en voor sommige aanvragen kan een participatieverplichting voor initiatiefnemers worden gesteld; • veel vergunningprocedures dienen afgehandeld te worden in 8 weken; • het in een vroegtijdig stadium betrekken van de initiatiefnemers, belanghebbende(n) en ketenpartners is daarbij cruciaal; • er dient een integrale afweging in samenwerking met de ketenpartners mogelijk zijn gemaakt om de termijnen te kunnen halen. Om de visie voor het U&H beleid zoals die in hoofdstuk 1 als volgt is verwoord ‘Het creëren, behouden en het verder verbeteren van een veilige, duurzame en gezonde woon-, werk- en leefomgeving’ te realiseren wordt voor vergunningverlening als hoofddoel gesteld :

Vergunningverlening is gericht op het beschermen van de waarden vanuit de wet- en regelgeving en draagt bij aan het realiseren van een veilige, duurzame en gezonde fysieke leefomgeving.

Door het verbinden van voorschriften kan de impact (gevaar, hinder, verontreiniging, verspilling e.d.) die een activiteit mogelijk veroorzaakt zo klein mogelijk worden gehouden. Vergunningverlening is tevens een instrument om maatschappelijk handelen te reguleren en te sturen op beleidsindicatoren zoals bijvoorbeeld energiebesparing.

26

Het hoofddoel is als volgt uitgewerkt: •

We werken conform de aangepaste werkwijzen en processen van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Dit betekent dat we ons inzetten om te voldoen aan de vereisten en voorschriften van zowel de Omgevingswet als de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen. Dit houdt in dat we onze interne procedures en manieren van werken aanpassen en uitvoeren in overeenstemming met de bepalingen van deze wetten. Het doel is om te zorgen dat alle werkwijzen en processen binnen de organisatie in lijn zijn met de nieuwe wetgeving op het gebied van de leefomgeving en de kwaliteitsborging in de bouwsector. Dit kan onder meer inhouden dat we nieuwe regels en voorschriften implementeren en interne processen aanpassen om te voldoen aan de wetgeving en zo de naleving ervan te waarborgen.

•

Bij vergunningverlening staat dienstverlening centraal Goede communicatie, bereikbaarheid en kwaliteit zijn daarbij onontbeerlijk. Informatie met betrekking tot vergunningen verstrekken wij via de balie, gemeentelijke website en Overheid.nl. De gemeente stelt zich proactief op en probeert vanuit een klantgerichte houding de gewenste activiteit mogelijk te maken. Door in gesprek te gaan met de aanvrager wordt getracht om te komen tot een tijdige volledige en vergunbare aanvraag. Daarnaast doen we dit door eenvoudige initiatieven te beoordelen vanuit mogelijkheden en oplossingen. Ook stimuleren we het omgevingsoverleg door gebruikt te maken van intaketafels en/of omgevingstafels bij complexe initiatieven in een vroeg stadium.

•

De uitgangspunten van de Omgevingswet worden in praktijk gebracht Dit betekent dat het antwoord op een (aan)vraag in eerste aanleg: ‘ja, mits’ is. De vergunningverlener bekijkt vanuit zijn of haar vakkennis hoe dit mogelijk gemaakt kan worden. Bij de beoordeling van de vraag wordt tevens beoordeeld wat het effect van de activiteit is op de omgeving en hoe dit zich verhoudt tot de belangen van omwonenden. Hierbij is samenwerking met de initiatiefnemer en ketenpartners nodig om gewenste activiteiten mogelijk te maken. Van de initiatiefnemer verwachten wij in elk geval dat er voorafgaand aan een formele aanvraag overleg is gevoerd met belanghebbenden (participatie). De Omgevingswet staat voor één loket, één bevoegd gezag, één behandelprocedure, vergunning, één rechtsbeschermingsprocedure en één handhavend bestuursorgaan. Het doel is minder administratieve lasten voor burgers en bedrijven, betere dienstverlening, kortere en transparantere procedures, minder toezichtdruk en geen tegenstrijdige voorschriften. Voor ons betekent integraal werken dat we vanuit onze eigen (vak) expertise samen op zoek gaan naar passende oplossingen. We maken daarbij gebruik van de hulpmiddelen zoals de omgevingstafel en serviceformules.

•

De doorlooptijd wordt zo kort mogelijk gehouden De doorlooptijd is afhankelijk van het soort verzoeken de daarbij behorende procedure en wordt zo kort mogelijk gehouden.

•

Ondermijnende criminaliteit wordt verkleind De doelstelling uit het Integrale Veiligheidsplan is: ‘via consequente inzet van de bestuurlijke instrumenten, in samenwerking met onze partners, de speelruimte van ondermijnende criminaliteit verder verkleinen. We zijn bestuurlijk weerbaar en ondersteunen maatschappelijke weerbaarheid. Gezamenlijk werpen we een dam op tegen de criminele industrie.’ 27

Om dit te bereiken is voor vergunningverlening het Bibob beleid uitgebreid waardoor bij dubieuze praktijken een vergunning kan worden geweigerd 2.1.2

Doelstellingen uitgewerkt naar vergunningen en meldingen

Om bovenstaande doelstellingen te kunnen realiseren zijn deze als volgt uitgewerkt: • Op alle ontvankelijke aanvragen om vergunning wordt tijdig beschikt. • De beschikkingen zijn duidelijk en begrijpelijk. • De beschikking zijn van een goede (juridische) kwaliteit. • De vergunningen zijn handhaafbaar. • Ontvankelijke meldingen worden tijdig afgehandeld. • Wij reageren altijd op meldingen o.g.v de Wkb. • Wij hebben een goede dienstverlening. • Wij werken informatie gestuurd in CLO. • Verleende vergunningen worden via een warme overdracht doorgegeven aan de toezichthouders. Indicatoren monitoring vergunningen Om na te kunnen gaan of de doelstellingen zijn behaald worden de volgende aspecten gemonitord: • Aantal aanvragen die bij eerste binnenkomst niet ontvankelijk zijn. • Aantal ontvankelijke aanvragen om vergunning waarop tijdig en niet tijdig is beschikt. • Aantal malen dat een beslistermijn op een vergunning is verlengd. • Leescontroles intern en feedback vergunninghouder m.b.t. duidelijkheid van de vergunningen. • Aantal en aard van de handhavingsprocedures. Als blijkt dat er veel op hetzelfde voorschrift wordt gehandhaafd kan het zijn dat het voorschrift niet goed is geformuleerd of praktischer moet worden gesteld. • Aantal ongegronde bezwaarschriften tegen verleende vergunningen. • Aantal intrekkingen van bezwaarschriften.

• Aantal gegronde bezwaarschriften tegen verleende vergunningen, onderverdeeld naar soort vergunning en vergunde activiteit en de reden van de gegrondverklaring van een bezwaarschrift. • Aantal ongegronde en gegronde beroepszaken. • Aantal afgehandelde meldingen. • Aantal meldingen Wkb niet geaccepteerd. • Resultaten uit periodiek te houden onderzoeken m.b.t de dienstverlening. • Aantal keren dat een maatwerkvoorschrift is opgelegd. Alcoholwet en Omgevingswet Er is geen samenloop met betrekking tot een vergunning op grond van de Alcoholwet en een vergunning op grond van de Omgevingswet. Bij het proces van het verlenen van een omgevingsvergunning gaat de vergunningverlener na of er sprake kan zijn van een alcoholwetvergunning. Bij de procedurebevestiging wordt de aanvrager hier over geïnformeerd. Gekeken wordt of er relaties mogelijk zijn in het nieuwe VTHsysteem tussen de diverse processen. Het toezicht op de omgevingsvergunning en de alcoholwetvergunning wordt integraal opgepakt door de teams van OPV en Stadstoezicht.

28

2.2 VERGUNNINGSVRIJE BOUWWERKEN C.Q. OMGEVINGSPLANACTIVITEITEN De gemeente bepaalt in het Omgevingsplan welke activiteiten vergunningsvrij zijn. Daarnaast zorgen de Omgevingswet en de Wkb voor wijzigingen ten aanzien van het aantal vergunningsvrije bouwactiviteiten. Hier moeten we eerst kijken naar de knip tussen bouwtechnische en ruimtelijke toets. Bij beide activiteiten is een aantal activiteiten vrijgesteld van de vergunningsplicht. Technische toetsing De vergunningsplicht voor de technische bouwactiviteit is gebaseerd op artikel 5.1 lid 2 Omgevingswet. De vergunningsplichtige bouwactiviteiten worden aangewezen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In artikel 2.27 Bbl staan de uitzonderingen van deze vergunningsplicht. Hierin staan de bouwactiviteiten waarvoor die vergunningsplicht voor de technische toets niet geldt, bijvoorbeeld voor een dakkapel. Een vergunningsvrije bouwactiviteit betekent niet dat de overige technische voorschriften uit het Bbl niet van toepassing zijn. De initiatiefnemer, de aannemer of ontwikkelaar moet daar bij de bouw dus nog wel degelijk rekening mee houden. En bij geconstateerde strijdigheden houdt de gemeente hier ook de bevoegdheid om handhavend op te treden bij overtreding van deze wettelijke voorschriften uit het Bbl.

Ruimtelijke toetsing Aan de andere kant van de knip bevindt zich de ruimtelijke toetsing voor de gevolgklasse 1 bouwwerken op basis van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit (art 5.1. lid 1 Ow). Voor dit onderdeel geldt ook dat er enkele ruimtelijke bouwmogelijkheden zijn die door het Rijk als vergunningsvrij zijn bestempeld. Dit is opgenomen in paragraaf 2.3.3 van het Bbl. De overige vergunningsvrije ruimtelijke bouwmogelijkheden zijn via de bruidsschat in het Omgevingsplan van de gemeente Lelystad terecht gekomen. Dit betreft het voormalige artikel 2 lid 3 en artikel 3 van bijlage II Bor.

2.3 VERGUNNING VERLENING ONDER DE OW EN WKB Een nieuwe manier van werken Zoals gezegd wordt onder de OW een ‘knip’ gemaakt in de huidige omgevingsvergunning voor het bouwen: ruimtelijke regels (omgevingsplanactiviteit) en technische regels (bouwactiviteit). De ruimtelijke regels en de regels voor welstand worden vastgelegd in het omgevingsplan. De regels voor het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit en of er een vergunning nodig is, liggen vast in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij bouwen onder kwaliteitsborging is voor het bouwtechnisch gedeelte van de activiteit een meldingsplicht ingevoerd voor bouwwerken die niet vergunningsvrij zijn en vallen onder gevolgklasse 1 (bouwwerken met een gering risico). Uit een impactanalyses blijkt dat ca. 75% tot 85% van de huidige aanvragen voor een omgevingsvergunningen bouw in gevolgklasse 1 valt. In de bouwmelding moet de initiatiefnemer van het bouwen aan het bevoegd gezag melden welk instrument wordt toegepast en welke kwaliteitsborger toeziet op de bouw. Tevens moet de melder een risicobeoordeling en een borgingsplan overleggen bij de melding. De melding moet uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw worden ingediend. Indien uit de melding van de bouwactiviteit en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden niet blijkt dat wordt voldaan aan de kwaliteitsborging, dan mag niet gestart worden met de bouw.

29

De onafhankelijke kwaliteitsborger toetst of het bouwwerk daadwerkelijk gebouwd is conform de regelgeving. Deze toets betreft in ieder geval de bouwtechnische voorschriften van het Bbl, maar het kan ook betrekking hebben op alle andere kwaliteitsaspecten die in het contract zijn overeengekomen. De inhoudelijke rol van het bevoegd gezag gaat deels over in een procesrol. De gemeente beoordeelt de stukken op volledigheid en indieningsvereisten. Er vindt geen preventieve bouwbesluittoets plaats, maar afhankelijk van de beleidskeuzes wordt er op risico’s getoetst. De gemeente blijf echter bevoegd om handhavend op te treden, bijvoorbeeld door bouwwerkzaamheden stil te leggen. Proces vergunningverlening

Bouwmelding en gereed melding Een belangrijke plek in het bouwproces gaat ingenomen worden door de bouwmelding en de gereedmelding. Aan de hand van de bouwmelding controleert de gemeente of het juiste borgingsinstrument is toegepast en of de kwaliteitsborger geregistreerd is in een landelijk register. Als er geen erkende kwaliteitsborger is aangewezen of als een borgingsplan en/of risicobeoordeling ontbreekt, dan is er sprake van een onvolledige bouwmelding. Er is dan juridisch geen sprake van een melding. Er mag dan ook niet gestart worden met de bouw. Dit is ook het geval indien de gebiedsspecifieke-, de locatie specifieke- en projectgebonden gebonden risico’s niet in de risicobeoordeling zijn meegenomen. De gemeente geeft aan bij de melder dat deze geen melding heeft gedaan en eventueel dat er gegevens ontbreken. Als de melding vervolgens compleet wordt ingediend, dan is de melding op dat moment gedaan en gaat de wettelijke termijn van vier weken voor de gemeente om de melding te beoordelen lopen. Eerst na ommekomst van deze termijn of na eerder bericht kan de bouw starten. Aan het eind van het bouwproces moet er een gereedmelding komen. Onderdeel daarvan is het zgn. ‘dossier bevoegd gezag’. Ook hiervoor geldt dat deze gereedmelding beoordeeld wordt en dat bij het niet 30

voldoen aan de eisen deze als niet gedaan wordt beschouwd. Na de gereedmelding geldt een termijn van 2 weken waarbinnen eventueel mededeling moet worden gedaan dat deze melding niet compleet is. Het bouwwerk mag dan niet in gebruik genomen worden. Gevolgen voor de organisatie Bovenstaande heeft een grote impact op de organisatie, de processen en de rollen en de te maken keuzes over de invulling van onze rol als bevoegd gezag. Om ervaring op te doen met de nieuwe regelgeving zijn in 2022 en 2023 een aantal proefprojecten uit gevoerd. Er is 30 augustus 2022 beleid vast gesteld met daarin een aantal beleidsmatige keuzes die we tijdens de proefprojecten hebben gehanteerd ‘Beleid Uitvoering Wet kwaliteitsborging’ Wat wordt geregeld in het Wkb-beleid Heel veel onderdelen met betrekking tot de bouwregelgeving liggen al vast, b.v. in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 1. Het vaststellen van de risico’s die zich binnen de gemeente voordoen. De risico’s zijn onderverdeeld in gebiedsspecifieke risico’s, locatiegebonden risico’s en projectgerelateerde risico’s. Deze risico’s moeten in kaart worden gebracht in de risicobeoordeling en moeten worden vastgelegd in het borgingsplan. 2. Het vaststellen van de toezichthoudende rol van het bevoegd gezag. Hoe intensief wordt het toezicht uitgevoerd en in welke gevallen worden gegevens opgevraagd en beoordeeld. 3.

De werkwijze bij gefaseerde opleveringen. Naar aanleiding van de opgedane ervaringen met de proefprojecten is het beleid geëvalueerd en aangepast en verder ingekleurd. Dit beleid maakt deel uit van deze strategie en is te vinden in bijlage 2.

2.4 PARTICIPATIE Met de Omgevingswet wordt de verantwoordelijkheid voor participatie met belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen) bij een Omgevingsvergunning bij de initiatiefnemer neergelegd (artikel 16.55 Omgevingswet), als indieningsvereiste bij de aanvraag, nader uitgewerkt in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. De initiatiefnemer meldt in de vergunningaanvraag of is geparticipeerd, hoe dat is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn. Wanneer het een aanvraag voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit betreft kan deze niet worden geweigerd op grond van participatie alleen. Als dit het geval is, wordt er enkel kennis van genomen of er al dan niet is geparticipeerd. In het geval van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan het bevoegd gezag wel eisen stellen met betrekking tot participatie. In dit geval zullen deze eisen meegenomen worden bij het in behandeling nemen van de aanvraag.

2.5 ANALYSE VERGUNNINGVERLENING Inleiding De probleemanalyse voor vergunningverlening betreft een analyse van de complexiteit en aard van de te verwachten vergunningen om zo een gefundeerde inschatting te kunnen maken van de benodigde capaciteit (kwaliteit en kwantiteit).

31

Bouwtaken Onder de Ow en de Wkb is er een nieuwe manier van werken en is er sprake van: • Omgevingsplanactiviteiten (vergunningen, meldingen, informatieplicht). • Technische vergunningen. • Beoordelen bouwmelding en gereedmelding onder de Wkb. Ontwikkeling vergunningaanvragen Het totaal aantal vergunningaanvragen en meldingen voor bouwen is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. In 2024 worden er op grond van het Bbl meer bouwactiviteiten en onderhoudswerkzaamheden aan monumenten vergunningsvrij. Voor Brandveiligheid kan worden volstaan met een melding Vanwege de bouwambitie die Lelystad heeft worden vanaf 2024 meer woningen gebouwd. De grondgebonden woningen vallen onder gevolgklasse 1 van de Wkb waarvoor alleen een (B)OPA vergunning nodig is. De gestapelde woningbouw valt onder gevolgklasse 2 waarvoor zowel een (B)OPA vergunning als een technische vergunning nodig is. De volgende woningbouwprojecten staan op stapel - Theater kwartier Oost en West: sloop agoradek en woningen, woningbouw en herinrichting - ABC locatie: gestapelde woningbouw. - Lelycentrum: herbestemmen kantoor naar woningbouw en herinrichten openbare ruimte. - De Akker (westzijde Jagersveld): woningbouw. - Kofschipgebied: woningbouw. - Terrein Dubbelop: appartementen. - Kust Batavialand : woningbouw blok 3,4 en 5. - Meerdijkhaven: woningbouw. - Lelystadhaven: appartementen.

- Campuszone Zuid: woningbouw. - Stadshartgebied G-tronic herontwikkeling: woningbouw. - Zilverkade West: woningbouw en appartementen. - RGD achter rechtbank: woningbouw. - Hanzeborg: woningbouw. - Uitbreiding Sita dorp (Harmonisch wonen): woningbouw. Overige projecten - Flevokust wordt verder ontwikkeld en worden er 3 XXL distributiecentra gerealiseerd te weten Bol.com, Ysk en Bestseller. - Nieuwbouw ziekenhuis - Herontwikkeling Stationsgebied - Uitbreiding Van der Valk - Kantoren, parkeergarage gebied rechtbank -Hanzenborg - Lab II gebied tussen vliegveld en Boer Kok - Planontwikkeling Zuiderzeewijk - Woningverbetering Lelystad Oost. De overige projecten betreffen veelal gevolgklasse 2 en 3 voor de Wkb en hiervoor zal naast een (B)OPA vergunning een technische vergunning voor moeten worden aangevraagd.

32

Aantal aanvragen en tijdsbesteding Door middel van een impactanalyse is in beeld gebracht hoeveel vergunningen straks onder gevolgklasse 1 vallen waarvoor geen technisch vergunning is vereist, en hoeveel vergunningen er onder gevolgklasse 2 en 3 vallen waarvoor wel een technische vergunning benodigd is. Vervolgens is in kaart gebracht wat dit betekent voor de uren die hiermee gemoeid zijn. Uit deze analyse blijkt dat voor slecht een kwart van de bouwactiviteiten een technische vergunning benodigd is. Deze vergunningen zijn echter wel het meest arbeidsintensief zodat hiervoor voldoende capaciteit beschikbaar moet blijven. Daarnaast is er capaciteit nodig voor het beoordelen van de bouwmeldingen (inclusief risicobeoordeling en borgingsplan) en voor de gereedmeldingen m.b.t de activiteiten die onder gevolgklasse 1 vallen. Vanwege de bovengenoemde ontwikkelingen die Lelystad heeft worden er in 2024 meer aanvragen verwacht. Voor het aantal vergunningen waarbij wordt afgeweken van het Omgevingsplan wordt er van uitgegaan dat dit ongeveer gelijk zal zijn met het aantal vergunningen die in 2022 zijn verleend waarbij is afgeweken van het bestemmingsplan. Voor 2024 wordt daarom uitgegaan van de volgende aantallen: Soort aanvraag

Aantal

OPA vergunning BOPA (afwijken Omgevingsplan) Meldingen (o.a. technisch gevolgklasse 1) Technische gevolgklasse 2 en 3

400-450 100 180-200 60-70

Afstemmen in en externe partners Met de Omgevingswet heeft het team OPV een extra taak in het afstemmen en coördineren tussen de verschillende disciplines en vak afdelingen maar ook met externe partners zoals de Omgevingsdienst, het Waterschap de provincie, Rijkswaterstaat, de GGD en de brandweer en veiligheidsregio. Voor de complexe aanvragen wordt een omgevingstafel georganiseerd. Als er sprake is van omgevingsplanactiviteit die niet in het Omgevingsplan past en waarvoor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet worden verleend dan wel het Omgevingsplan moet worden aangepast, is er een intensieve samenwerking met de afdeling beleid. Dit betreffen complexe tot zeer complexe projecten. Hetzelfde geldt ook bij complexe of zeer complexe aanvragen die wel binnen het Omgevingsplan passen, maar waarbij verschillende deelaspecten in het geding zijn. Het gaat hier om vergunningaanvragen waar meerdere vak afdelingen en/of externe ketenpartners bij betrokken zijn. Maar dit kunnen ook ‘bestuurlijk gevoelige’ projecten zijn. Bijstelling beleid Wat de invloed van de Ow en de Wkb daadwerkelijk zal zijn voor de uitvoering van de taken blijft toch lastig in te schatten.

In dit kader is het van belang om de bovengenoemde ontwikkelingen ten aanzien van de te verwachten toename van vergunningaanvragen, meer tijdsinvestering in afstemming en coördinatie alsmede de invoering van OW en de Wkb te monitoren en zo nodig bij te sturen. In het jaarlijks op te stellen evaluatieverslag VTHUP zal dit worden beschouwd en mogelijk kan dit leiden tot bijstelling van deze U&H strategie.

33

Overige vergunningen (APV, VFL Alcoholwet en bijzondere wetten) Voor de APV, Alcoholwet en bijzondere wetten is na een dip tijdens corona weer een stijging van het aantal vergunningaanvragen en meldingen waar te nemen en zijn we min of meer weer op het niveau van voor corona. Vanwege de ambities van gemeente Lelystad en de groei van de stad wordt verwacht dat het aantal aanvragen zal toenemen. 2.5.1 Actualisering vergunningen Steeds meer vergunningen worden vervangen door algemene regels. Alleen voor gevallen waarbij sprake is van grotere risico's of complexe activiteiten blijft de vergunningsplicht bestaan. Deze vergunningen worden veelal voor een langere periode afgegeven en het is daarbij essentieel dat deze actueel blijven. Het kan namelijk voorkomen dat de bedrijfsomstandigheden en/of wet- en regelgeving periodiek wijzigen. Bij dergelijke wijzingen behoeven de vergunningsvoorwaarden veelal ook aanpassing om de risico's voldoende te blijven beheersen. Deze actualiseringnoodzaak geldt in het bijzonder voor de afgegeven omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten en wordt uitgevoerd door de OFGV. De omgevingsdienst moet aan de kwaliteitscriteria voldoen waardoor dit onderdeel is geborgd. In de door de OFGV jaarlijks op te stellen verantwoording wordt onder andere op dit onderdeel gerapporteerd.

Eveneens periodiek worden de horeca gerelateerde vergunningen geactualiseerd net als de registratie Kinderopvang. 2.5.2 Benodigde capaciteit vergunningverlening Bij OPV en Stadstoezicht is er voor zowel de eenvoudige als de (zeer)complexe vergunningaanvragen voldoende vakkennis aanwezig. De Ow en Wkb omgevingsvergunning beoogt het makkelijker voor de klant te maken maar vraagt van de ambtelijke organisatie wel meer coördinatie en afstemming met verschillende interne en externe partijen. Vanwege het meer vergunningsvrij zijn van activiteiten en de Wkb is er een verschuiving van taken waarbij meer capaciteit voor toezicht en handhaving nodig is. De benodigde formatie is vastgelegd in de meerjarenbegroting van de gemeente Lelystad en wordt op dit moment voor het team OPV voldoende geacht voor het op een adequate wijze uitvoeren van de Omgevingstaken. Voor Stadstoezicht staat de capaciteit bij vergunningverlening onder druk.

2.6 RISICOANALYSE EN TOETSINGSMATRIX BEOORDELING AANVRAGEN In wet- en regelgeving is bepaald voor welke activiteiten inwoners en ondernemers een vergunning moeten aanvragen om ze te mogen uitvoeren en welke activiteiten gemeld moeten worden. Het verlenen van vergunningen is aanbod gestuurd, daar heeft de gemeente weinig invloed op. Wel kunnen op basis van ervaringen prognoses worden opgesteld maar hier zit een bepaalde onzekerheidsmarge in omdat de impact van de Omgevingswet en de Wkb nog moeilijk is in te schatten. Vergunningen moeten worden verleend als aan de wet- en regelgeving wordt voldaan, maar gezien de grote hoeveelheid taken en beperkte menskracht wordt bij de beoordeling van de aanvraag gekeken naar de aard van de aanvraag en welke aspecten daarbij het meest diepgaand moeten worden getoetst. Deze diepgang i.c. het toetsniveau hangt af van de negatieve gevolgen/effecten die men wil minimaliseren dan 34

wel wil elimineren bij het beoordelen van de aanvraag. Het gaat hierbij zowel om het object van de aanvraag (bijvoorbeeld wat voor soort bouwwerk of inrichting) als de specifiek te toetsen aspecten binnen deze aanvraag (bijvoorbeeld veiligheid of gezondheid). 2.6.1 Risicogestuurd toetsen Het is onmogelijk alle aangevraagde activiteiten op het gebied van bouwen, aanleggen en slopen tot in detail te toetsen aan alle geldende regelgeving voordat een omgevingsvergunning wordt verleend. Bestuurlijke keuzes zijn daarom nodig. Enerzijds komt dit door de beperkte capaciteit en de kosten en anderzijds vanwege de wettelijke termijnen. Sommige activiteiten zijn namelijk wel meldings - of vergunningsplichtig, maar scoren bijvoorbeeld laag op risico’s in het kader van veiligheid en gezondheid. Om te kunnen bepalen welke aanvragen compleet getoetst moeten worden en bij welke vergunningaanvragen het verantwoord is om een beperktere toets uit te voeren, is aan de hand van criteria beoordeeld hoe groot de effecten zijn bij verschillende aanvragen en activiteiten als er onverhoopt iets misloopt. Toetsingsprotocol technische vergunningen Voor de toetsing van aanvragen voor een technische vergunning wordt gebruikt gemaakt van de toetsingsmatrix uit Bris, een webapplicatie die gebaseerd is op het integraal Toezicht Protocol (iTP) van de vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland (VBWTN).

Op grond van de uitkomsten van de weging uit de matrix is een prioriteitenlijst opgesteld. De beschikbare capaciteit wordt ingezet daar waar de risico’s het grootst zijn en waarvoor onze deskundigheid en kennis het meest gevraagd is. Op die manier blijft Lelystad op een verantwoorde manier verzekerd van een veilige en gezonde en duurzame bebouwde omgeving. Matrix toetsingsprotocol Het toetsingsprotocol bestaat uit een matrix. In deze matrix worden verticaal de aspecten per hoofdstuk uit het Bbl weergegeven, zoals veiligheid (constructie van het bouwwerk, gebruik), gezondheid (geluid, licht, ventilatie), bruikbaarheid (toegankelijkheid, vrije doorgang) en energiezuinigheid (isolatie, terugdringen gebruik gas en elektriciteit). Horizontaal zijn de gebruiksfuncties weergegeven die het Bbl onderscheidt, zoals woon-, industrie- en winkelfunctie. Per combinatie wordt weergegeven hoe intensief een bouwplan moet worden getoetst. Lelystad volgt de landelijke matrix welke regelmatig wordt bijgesteld. De Bris matrix is dynamisch en er worden regelmatig wijzigingen in aangebracht. Een matrix wordt dan ook niet opgenomen in het beleid. Verwezen wordt naar de matrix van Bris. In de matrix wordt een groter belang gegeven aan veiligheid- en gezondheidsaspecten. Bovendien worden bouwwerken die worden gebruikt voor gevoelige gebruiksfuncties intensiever getoetst.

Een voorbeeld daarvan is een verzorgingstehuis. Bouwwerken die door hun gebruik of omvang een groter risico vormen voor de brandveiligheid hebben een hoge prioriteit gekregen. De toets niveaus De diepgang van de toets kan variëren van “geen toets” tot “volledig toetsen”: Niveau 1. Uitgangspuntentoets / snel toetsen. Getoetst wordt of alle stukken beschikbaar zijn om de uitgangspunten van de aanvraag te kunnen beoordelen. De toets beperkt zich tot de aangeleverde stukken (ontvankelijkheidtoets). Dit niveau is de minimale invulling. Niveau 1 wordt toegepast wanneer de kans en de gevolgen zeer gering zijn.

35

Niveau 2. Visueel toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Niveau 2 is het basisniveau. Niveau 3. Representatief toetsen. Per te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Op basis van de visuele toets wordt bepaald welke aspecten moeten worden nagerekend. Het bepalen van de belangrijkste berekeningen blijft een taak van de toetser. Niveau 4. Volledig toetsen. Getoetst wordt of de uitgangspunten van de aangeleverde stukken in de juiste vorm zijn en of van elke toetsen aspect de uitgangspunten juist zijn. Van elk te toetsen aspect worden de uitkomsten gecontroleerd of nagerekend. Niveau 4 komt in de matrix alleen voor met betrekking tot het toepassen van gelijkwaardige oplossingen. 2.6.2. Richtlijn bouw- en sloopveiligheid Bouw- en sloopveiligheid is een onderwerp dat steeds meer aandacht vraagt. We bouwen steeds meer in de drukke en complexe bestaande omgeving waardoor het een steeds grotere uitdaging vormt dit op een veilige en verantwoorde wijze te kunnen doen. In het Bbl staan regels voor bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken.

De regels gaan onder meer over het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid in de directe omgeving van het bouwen en slopen. Het is verplicht om een risicomatrix in te vullen bij bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken (artikel 7.5a Bbl). Zo'n risicomatrix moet duidelijk maken welke veiligheidsrisico's er zijn bij het bouwen of slopen. Aan de hand van de antwoorden volgt er een score. Hoe hoger de score, hoe hoger het veiligheidsrisico is. De score kan leiden tot het verplicht opstellen van een bouw of sloopveiligheidsplan en het aanstellen van een veiligheidscoördinator voor de directe omgeving. De ingevulde risicomatrix moet naar het bevoegd gezag toe bij het toesturen van de bouwmelding of sloopmelding en de vergunningsaanvraag voor de technische bouwactiviteit. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht heeft een landelijke richtlijn ontwikkeld die gemeenten, opdrachtgevers en uitvoerende partijen ondersteunt in het veilig kunnen bouwen en slopen. Bij de beoordeling van bouw- en sloopplannen toetst de gemeente Lelystad aan deze landelijke richtlijn. (Bijlage 4). 2.6.3 Risicoscan evenementen Aanvragen voor evenementen worden getoetst op grond van een risicoscan, die samen met de Veiligheidsregio is ontwikkeld, en afhankelijk van de veiligheidsrisico’s wordt meer of minder diepgaand getoetst.

Meldingsplichtige evenementen worden niet onderworpen aan een risicoscan. Uit de risicoscan komt naar voren of er sprake is van een regulier, een aandachts- of een risicovol evenement (heet nu: evenement met laag/normaal/hoog risico). Op basis van deze scan wordt de behandelaanpak van het evenement bepaald. De scan wordt ingevuld met oog op risico’s voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid en/of het milieu. De risicoscan wordt uitgevoerd aan de hand van de evenementenaanvraag, evaluaties van eerdere edities (indien beschikbaar), vergelijkingen met soortgelijke evenementen en verkregen informatie van de hulpverleningsdiensten. 36

De uitkomst van de scan geeft aan dat er specifieke risico’s aanwezig kunnen zijn die nadere advisering vragen. Er wordt geen rekening gehouden met voor het evenement specifiek geldende omstandigheden en geeft geen uitsluitsel over de aanwezigheid van specifieke risico’s. Dat laatste vindt plaats tijdens de risico-inventarisatie en analyse tijdens de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door gemeente en haar adviespartners. Op basis van de risicoscan worden evenementen in 3 categorieën onderverdeeld: Regulier evenement, aandacht evenement en risicovol evenement (evenement met laag risico, normaal risico en hoog risico). De uitwerking van deze risicoscan en de daarbij behorende aanpak is opgenomen in het evenementenbeleid. Uitkomst risicoscan evenementen De uiteindelijke classificatie (A, B, of C) op basis van de risicoscan is bepalend voor de behandelaanpak, de behandeltermijn en de benodigde inbreng van te betrekken adviespartners. Mogelijk is dat gedurende de behandeling van de aanvraag en het adviestraject de behandelaanpak wordt gewijzigd vanwege nieuwe feiten. Het uitvoeren van een nieuwe risicoscan brengt dan duidelijkheid over de classificatie.

De adviespartners worden, afhankelijk van de classificatie, gevraagd om advies uit te brengen over door de organisator te treffen maatregelen 2.6.4 Voorschriften Voor de diverse soorten vergunningen is een set met standaardvoorschriften opgesteld. Daarnaast kunnen indien nodig ook maatwerkvoorschriften worden opgenomen in de vergunning.

2.7 VERGUNNINGVERLENING EN PROCEDURES OMGEVINGSWET Hoewel dit beleid diverse taakvelden betreft, zal hieronder alleen worden ingegaan op de Omgevingswet taken. Voor evenementenvergunningen is apart evenementenbeleid vastgesteld en voor overige APV vergunningen, exploitatievergunningen (seksinrichting, speelautomatenhal, openbare inrichting) en alcoholwetvergunningen zijn eveneens specifieke beleidsdocumenten en processen vastgesteld. De Omgevingswet en het Omgevingsplan omvat een breed scala aan activiteiten (zoals bouw-, sloop, VFL, milieu, en monumenten). Het is mogelijk om verschillende activiteiten in 1 keer aan te vragen en dan dient de besluitvorming en het toezicht zo gecoördineerd plaats te vinden. Er kan ook gekozen worden om de verschillende activiteiten separaat aan te vragen. De wettelijke regelgeving die het toetsingskader regelt voor de omgevingsvergunning zijn de Omgevingswet, en de daarbij behorende besluiten en regelingen, het omgevingsplan, de VFL en de APV. 2.7.1 Soorten procedures Hieronder worden de verschillende procedures voor vergunningverlening beschreven voor de meest voorkomende omgevingsvergunning namelijk voor de activiteit bouwen of waarbij bouwen onderdeel is van de omgevingsvergunning.

37

Vorm Meldingen

Omschrijving Een melding op grond van de Omgevingswet het Omgevingsplan, de Wkb, de VFL of de APV is een verplichting voor initiatiefnemers om voor sommige activiteiten in de leefomgeving een melding te doen of informatie te geven aan de overheid. De melding betreft een mededeling aan het bevoegd gezag en kan niet geweigerd worden. Tegen (de acceptatie van) een melding staan in principe dan ook geen rechtsmiddelen zoals bezwaar open. Aan het bevoegd gezag is het de taak te beoordelen of de activiteit inderdaad meldingsplichtig is en of de melding volledig is ingediend, met als resultaat het al dan niet als melding accepteren. Een inhoudelijke beoordeling is dan ook niet aan de orde. Het accent van de gemeentelijke taken bij meldingen ligt daarom bij het uitvoeren van toezicht. Initiatiefnemers moeten voor sommige activiteiten in de leefomgeving een melding doen of informatie geven (informatieplicht) aan de overheid. Dit moet voor de meeste activiteiten minimaal 2 of 4 weken voor de start of de verandering. Binnen deze termijn beoordeeld de gemeente of de melding compleet is en of er nog nadere voorwaarden worden opgelegd. Wij sturen altijd een reactie op een melding.

Meldingen Wkb

Vergunning Reguliere procedure

In afwijking van voorstaande geldt voor de Wkb gereedmelding dat het niet accepteren hiervan wel rechtgevolg heeft namelijk dat het bouwwerk niet in gebruik genomen mag worden. Dit wordt aangekondigd in de brief “gereedmelding niet compleet/gedaan” Wij zien het daarmee als een besluit en nemen daarom een bezwaarclausule op.

Het volgen van de reguliere procedure is bij een aanvraag om omgevingsvergunning het uitgangspunt: binnen maximaal 8 weken moet op de aanvraag worden besloten. Deze termijn kan eenmalig met zes weken worden verdaagd. Als de beslistermijn verstreken is zonder dat er een besluit is genomen, kan de gemeente op grond van de Algemene wet bestuursrecht een dwangsom aan de aanvrager verschuldigd zijn. Bij gecoördineerde aanvragen is afdeling 3.5 van de Awb van toepassing

38

Vergunning Uitgebreide procedure

Uitzondering op de regel is de uitgebreide procedure, waarbij wij binnen 26 weken op de aanvraag moeten besluiten. Deze termijn kan eenmalig met zes weken worden verdaagd. Bij gecoördineerde aanvragen is afdeling 3.5 van de Awb van toepassing Verder kunnen wij de uitgebreide procedure op verzoek óf met instemming van de aanvrager van toepassing verklaren. Ook bij activiteiten die aanzienlijke (maatschappelijke) gevolgen voor de omgeving kunnen hebben en waarvan de verwachting is dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben, kunnen wij na het horen van de aanvrager, eenzijdig maar gemotiveerd besluiten dat de uitgebreide procedure van toepassing is. Indien dit zich voordoet, krijgt een initiatiefnemer de gelegenheid om hierover een zienswijze in te dienen.

Maatwerkbesluit

Adviesverzoek

Het stellen of wijzigen van maatwerkvoorschriften (na een melding) is een besluit in de zin van de Awb.

Hiervoor zijn verschillende werkwijzen zoals hieronder in 2.8 verder wordt uitgewerkt

2.7.2 Werkwijzen Technische bouwactiviteit Het gaat hier over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bijvoorbeeld de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Door de knip zijn er meer technische bouwactiviteiten vergunningsvrij, omdat ruimtelijke randvoorwaarden niet langer een rol spelen. Als een vergunning nodig is voor een (technische) bouwactiviteit volgt toetsing aan de technische regels voor bouwactiviteiten in het Bbl (bijvoorbeeld voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid, de daglichttoetreding en de energiezuinigheid van bouwwerken). De toets is te vergelijken met de toets die vroeger gedaan werd aan de eisen van het Bouwbesluit 2012. Voor de gevolgklasse 2 en 3 blijft de vergunningsplicht voor de technische bouwactiviteit bestaan en wordt de aanvraag getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Alle bouwwerken moeten aan de technische eisen in dit Besluit voldoen. Voor meldingsplichtige (technische) bouwactiviteiten wordt de bouwtechnische toets aan het Bouwbesluit niet meer door gemeenten maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger uitgevoerd. Landelijk is bepaald of voor een technische bouwactiviteit een vergunning of melding nodig is, dan wel of dit vergunningsvrij is.

Werkwijze Door de knip zijn hieronder twee werkwijzen omschreven; de bouwmelding en de vergunning activiteit bouw 39

•

Werkwijze melding bouwactiviteit: De melding bouwactiviteit is een nieuwe processtap voor de organisatie. Deze meldingen worden door de vergunningverleners risicogestuurd beoordeeld zoals in het Wkb beleid verder wordt uiteengezet. We registeren de melding, bevestigen de ontvangst, checken de gevolgklasse, het gekozen instrument en de kwaliteitsborger. Vervolgens maken we een beoordeling van het borgingsplan (inclusief risicobeoordeling) met eventueel afgesproken informatie- en stopmomenten. De vergunningverleners zoeken contact met de initiatiefnemer bij een onvolledige of niet-correcte melding om aan te geven wat er ontbreekt aan de melding.

N.a.v een melding gaat er altijd een brief uit over het al dan niet compleet zijn van de melding. •

•

Werkwijze vergunningverlening activiteit bouw: Als een vergunning nodig is voor een technische bouwactiviteit maken wij gebruik van het toetsingsprotocol. In dit toetsingsprotocol is voor het behandelen en beoordelen van aanvragen voor de activiteit bouw een bepaalde mate van diepgang in de bouwtechnische toets aan het Bbl aangebracht. We vergunnen onze aanvragen, voor wat betreft de toets aan het Besluit bouwwerken leefomgeving, daarom risicogestuurd. Wij maken bij het toetsen aan het Bbl gebruik van de BRIS applicatie die gebaseerd is op het Toetsingsprotocol VBWTN.

Omgevingsplanactiviteit (omgevingsvergunning planologisch) Toetsingskader Een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ wordt getoetst aan het omgevingsplan. Een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan, maar waar toch een vergunningsplicht voor geldt, heet dan een omgevingsactiviteit. Er is sprake van buitenplanse omgevingsactiviteit als het plan in strijd is met het omgevingsplan. Indien het gaat om een omgevingsplanactiviteit toetsen wij de aanvraag aan alle regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de verordening Fysieke leefomgeving. Indien de aanvraag past binnen de regels geven we de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit af. Werkwijze Indien de aanvraag niet past binnen het omgevingsplan dan is er sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BO)A. Dan toetsen wij deze aan de toepasselijke instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de toepasselijke instructieregels in de provinciale verordening én beoordelen wij of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het begrip ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ volgt het begrip ‘een goede ruimtelijke ordening’ op. Binnen onze gemeente gebeurt deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties via een beoordeling van een team bestaande uit verschillende disciplines.

Alle ontwikkelingen die niet passend zijn worden in beginsel door dit team besproken en beoordeeld op haalbaarheid. We leveren hiermee maatwerk per geval. Activiteit brandveilig gebruik van een bouwwerk Toetsingskader Voor het brandveilig gebruik zijn regels opgenomen in hoofdstuk 6 van het Bbl. Soms moet het gebruik van het bouwwerk gemeld worden bij de gemeente. Met de Omgevingswet is de gebruiksvergunning vervallen, maar geldt voor (bijvoorbeeld een hotel) nog wel een meldingsplicht. In artikel 6.6 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een tabel opgenomen waarin per gebruiksfunctie is aangegeven vanaf welk aantal mogelijk aanwezige personen sprake is van een meldingsplicht voor brandveilig gebruik van 40

het bouwwerk. Op grond van artikel 6.7 Bbl moet de gebruiksmelding 4 weken voor het begin van het gebruik worden gedaan. Er moeten een aantal gegevens en bescheiden worden ingediend. Dit staat opgesomd in artikel 6.8 Bbl. Als alle informatie compleet is, ontvangt de indiener van de melding een acceptatie. Daarna kan het gebouw in gebruik worden genomen. Werkwijze melding en toezicht Het toezicht op de meldingen met de activiteit “brandveilig gebruik” maakt onderdeel uit van het wettelijke takenpakket van de Veiligheidsregio Flevoland (VRF) en is vanuit (provinciale) regelgeving verplicht of opgedragen aan de (toezichthouders van de) VRF. Het lokale controlebestand wordt geactualiseerd met de meldingen en nieuwe bedrijven. De VRF controleert of het bouwwerk voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. De diepgang van het toezicht is bepaald in het toezicht protocol van de VRF en hangt af van de risicoclassificatie, de geschiedenis van het bouwwerk en het soort gebruik. Waar mogelijk worden controles zoveel mogelijk integraal gehouden met c.q. afgestemd op de controles in het kader van de bouwactiviteit. Verordening fysieke leefomgeving vergunningen en ontheffingen Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft iedere gemeente een omgevingsplan van rechtswege.

Alle regels met betrekking op de fysieke leefomgeving zullen tijdens de implementatieperiode (2024 tot 2032) hun plek moeten krijgen in het omgevingsplan. Dit geldt ook voor regels vanuit gemeentelijke verordeningen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Op 22 juni 2021 heeft de raad de Verordening fysieke leefomgeving Lelystad 2021 (VFL) vastgesteld als tussenproduct tussen het huidige stelsel van verschillende verordeningen en het toekomstige omgevingsplan. Dit betreft o.a bruikbaarheid en veiligheid van de weg, houden van dieren, geluid en licht hinder, parkeren, regels m.b.t Bataviahaven en Flevokusthaven etc. Werkwijze De vergunningaanvragen en ontheffingen op het gebied van de verordening fysieke leefomgeving worden volledig getoetst aan de relevante landelijke wet- en regelgeving en aan de lokale regelgeving en lokale beleidskaders. Milieubelastende activiteit Toetsingskader Op basis van de het Besluit kwaliteit leefomgeving is het voor sommige activiteiten verplicht om een melding, vergunning aan te vragen op het gebied van milieu. Werkwijze vergunningen, meldingen en toezicht tijdens de realisatiefase Het lokale controlebestand wordt geactualiseerd met de verleende vergunningen, meldingen en nieuwe inrichtingen/milieubelastende activiteiten.

De omgevingsdienst Flevoland, Gooi- en Vechtstreek (OFGV) controleert of de inrichtingen voldoen aan de vergunningen en/of geldende wet- en regelgeving. De werkwijze en diepgang van het toezicht op deze activiteit vindt plaats overeenkomstig het uniform regionaal beleidskader, waarnaar wij dan ook verwijzen. Bibob Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen alle vergunningsplichtige omgevingsplanactiviteiten onder de reikwijdte van de Wet Bibob. Weliswaar vallen alle activiteiten vergunningsplichtige activiteiten onder de Wet Bibob maar dat wil niet zeggen dat we deze ook allemaal aan de wet Bibob toetsten. De wet 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=69a29675-5ee9-4157-8c1b-15f912579296