CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 2. Uitbreiding Flevokust Haven Zuid West_Bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 17 oktober 2023, gemeente LelystadBij agendapunt: 248. Bestemmingsplan Uitbreiding Flevokust Haven Zuid West25.910 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Flevokust-Haven | 03.05.2023

37

10. BOSLOCATIE Rietland Inleiding In de laagstgelegen delen van het bosgebied is een watergang aangelegd die gedeeltelijk wordt begeleid door rietkragen. De soortsamenstelling hiervan bestaat voornamelijk uit riet en moerasplanten. De vegetatie is gebaseerd op de riet-associatie (Typho-Phragmitetum, r8Bb4). Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden van dit natuurtype. Aanleg De watergang doorsnijdt het bosgebied bijna volledig en heeft over de gehele lengte een breedte van 15 meter. Binnen de watergang worden geleidelijk aflopende oevers gerealiseerd. Het talud van de oevers heeft een hellingshoek tussen de 1 en 10 procent. De vegetatie van de oevers ontwikkelen zich het beste wanneer deze voldoende zonlicht krijgt. Noordelijke hellingen vangen het meeste zonlicht. Bij voorkeur wordt op deze locaties daarom een flauwer talud aangelegd ten opzichte van de zuidelijke hellingen. Riet (Phragmites australis) en de kleine lisdodde (Typha angustifolia) worden aangeplant om de rietkragen te kunnen realiseren. De oever- en watervegetatie komt verder op natuurlijke wijze tot stand. Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om de watergang en de rietkragen in stand te houden. Daarvoor is

gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit natuurtype gedoeld op gefaseerd schonen en maaien. De frequentie van dit beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van het natuurtype. Daarnaast speelt het tegengaan van verlanding en eutrofiëring bij dit natuurtype een belangrijke rol in het beheer. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Fauna De watergang en bijbehorende vegetatie bieden onder meer beschutting en voedselbronnen voor de bever, otter, ringslang, vleermuizen en (kleine) marterachtigen. De rietkragen bieden in het bijzonder dekking voor amfibieën en verschillende vogelsoorten zoals de kleine karekiet. De bloemen van het riet trekken insecten aan, welke dienen als voedselbron voor zowel vleermuizen als amfibieën. Op hun beurt kunnen de amfibieën weer dienen als voedsel voor kleine marterachtigen en de ringslang. Voor de bever is de waterpartij met name aantrekkelijk door nabijgelegen wilgen in de omliggende (wilgen)broekbossen. Deze boomsoorten dienen in de winterperiode als voedselbron, in de zomerperiode zijn dit met name de waterplanten. De door de bever beschadigde bomen zullen insecten aantrekken, die weer gegeten kunnen worden door de marterachtigen en eventueel dassen in het gebied.

Ligging rietland

Streefbeeld rietland

Flevokust-Haven | 03.05.2023

38

10. BOSLOCATIE Doornstruweel Inleiding De doornstruwelen in het boscompensatiegebied worden aangelegd grofweg volgens de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Pruno-crataegetum) [r40Ab1]. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. Doornstruwelen komen in het boscompensatiegebied voor langs de bosranden, voornamelijk die van de hoger gelegen eikenhaagbeukenbossen. Daarnaast worden er in de hoger gelegen ruigten van het gebied groepen met doornstruweel ingeplant waaronder diverse inheemse (wilde) rozensoorten. Samen met sleedoorn, meidoorn en braam zorgen deze soorten voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding.

Beheer Om blijvend compenserend habitat te realiseren is het noodzakelijk om dit bostype in stand te houden. Daarvoor is gericht beheer noodzakelijk. Hierbij wordt in dit bostype gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunning. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype. Meer informatie over het beheer is uitgewerkt in bijlage X. Fauna De doornstruwelen dienen als belangrijke lijnvormige elementen voor marterachtigen zoals de wezel en de otter. Het leidt de dieren naar andere habitattypes en biedt tegelijkertijd dekking en beschutting. Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het bijvoet-ooibos.

Streefbeeld Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt aan (kleine) marterachtigen en vleermuizen. Voor dit natuurtype wordt hierbij plantengemeenschap r40Ab1, associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Prunocrataegetum) als uitgangspunt genomen (Schaminee et al., 2019). Het doornstruweel functioneert als foerageer- migreer- en nestlocatie voor (kleine) marterachtigen en vleermuizen.

Ligging doornstruweel

De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen elkaar. De kruidlaag komt op natuurlijke wijze tot stand vanuit de ruigten. Soortensamenstelling struiklaag • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna), • hondsroos (Rosa canina), • sleedoorn (Prunus spinosa), • gewone vlier (Sambucus nigra), • rode kornoelje (Cornus sanguinea), • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (rhamnus cathartica) Eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) beslaat het grootste oppervlak van dit vegetatietype, hierna volgen de sleedoorn (Prunus spinosa) en de inheemse rozen soorten, waaronder de hondsroos (Rosa canina). De kruidlaag van de vegetatie komt op natuurlijke wijze tot stand. Streefbeeld doornstruweel

Flevokust-Haven | 03.05.2023

39

10. BOSLOCATIE Ruigte Inleiding De grote oppervlakten aan ruigte in het gebied zijn gelegen waar de zichtlijn het bosgebied doorsnijdt. De ruigte wordt zo aangelegd dat er in de lengte van noord naar zuid een hoogtegradiënt ontstaat. Het noordelijk deel van de ruigte, waar de zichtlijn de poel oversteekt, vormt het lagergelegen deel waar vochtige ruigte tot ontwikkeling kan komen. Het zuidelijk deel van de ruigte vormt het hoger gelegen deel waar de zoomvegetaties van de omliggende bosranden over gaan in een drogere ruige graslandvegetaties. Soortensamenstelling vochtige ruigte De vochtige ruigte wordt ingezaaid met soorten uit de Associatie van Gewone engelwortel en moeraszegge (Angelico-Cirsietum oleracei, r16Ab5). Dit is een soortenrijk, ruig hooiland dat van nature voorkomt langs beken en kleine rivieren. De plantengemeenschap is gebonden aan matig voedselrijke, vochtige tot drassige gronden en past daarmee in het Flevokusthavengebied. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarde. De associatie van Gewone engelwortel en moeraszegge wordt in het voorjaar gekenmerkt door: • Gewone dotterbloem (Caltha palustris ssp. palustris) • Paarsbloeiende orchideeën. Het kan door de hoog opschietende kruiden, grassen en zeggen in de loop van het seizoen een hoogte tot wel 1.5 meter bereiken.

Dominante soorten: • Moerszegge (Carex acutiformis) • Veldrus (Juncus acutiflorus) • Moerasspirea (Filipendula ulmaria) • Kale jonker (Circium palustre) • Gewone engelwortel (Angelica sylvestris). Bovenstaande soorten worden begeleid door de grassen: • Gestreepte witbol (Holcus lanatus) • Ruw beemdgras (Poa trivialis) • Gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum)

Soortensamenstelling droge ruigte De droger gelegen ruigte wordt ingezaaid met soorten volgens de Glanshaver-associatie (Arrhenatherum elatioris, r16Bb1). Dit is een hoogopgaand hooilandtype dat plaatselijk zeer soortenrijk kan zijn en voorkomt op (matig)voedselrijke vochtige tot matig droge bodems. Van nature komt deze associatie in Nederland voor in het rivierengebied in de hogere delen van de uiterwaarden, daarnaast komt het onder andere voor in de noordelijke zeekleigebieden, waaronder de Flevopolder. Zie bijlage I voor een gedetailleerde beschrijving van de ecologische randvoorwaarden. De Glanshaver-associatie wordt met name getypeerd door Glanshaver (Arrhenatherum elatius). Daarnaast zijn de onderstaande gras- en kensoorten aanwezig in de ruigte: Grassoorten: • Kropaar (Dactylis glomerata) • Smalle weegbree (Plantago lanceolata) • Gestreepte witbol (Holcus lanatus) • Goudhaver (Trisetum flavescens) • Kweek (Elymus repens) • Ruw beemdgras (Poa trivialis) • Rood zwenkgras (Festuca rubra)

Ligging ruigte

Kensoorten: • Glanshaver (Arrhenatherum elatius) • Glad walstro (Galium mollugo) • Gele morgenster (Tragopogon pratensis ssp. pratensis) • Groot streepzaad (Crepis biennis) • Pastinaak (Pastinaca sativa ssp. sativa) In successie treden er in vochtige delen overgangen op richting het Moerasspirea-verbond (Filipendulion) en in de drogere delen richting zoomvegetaties van het Haagbeuken-verbond (Carpinion betuli) (Schaminée et al., 2019).

en de kruiden: • Echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi) • Veldzuring (Rumex acetosa) • Pinksterbloem (Cardamine pratensis) • Scherpe boterbloem (Ranunculus acris). Wanneer deze associatie niet beheerd wordt zal het door middel van successie overgaan in de associatie van Moerasspirea en Echte valeriaan (Valeriano-Filipenduletum) (Schaminée et al., 2019).

Flevokust-Haven | 03.05.2023

40

10. BOSLOCATIE Ruigte Aanleg Om op een korte termijn tot geschikt habitat te komen worden de oppervlakken eenmalig ingezaaid met een op maat gemaakt zadenmengsel van inheemse kruidensoorten en één- á tweejarige planten. Deze zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. De bedoeling is dat dit zadenmengsel aansluit op de zaadmengsels die zijn gebruikt bij het inzaaien van de zomen van de natter gelegen bostypen en de droger gelegen bostypen (zie bijlage VII, mengsel G3 voor de natte delen en mengsel O1 voor de drogere delen). Voorstel is om in samenwerking met Cruydhoeck op maat gemaakte zaadmengsels samen te stellen. Eén voor het natter gelegen deel van de ruigte op basis van de Associatie van Gewone engelwortel en Moeraszegge en één op basis van de Glanshaver associatie voor het drogergelegen deel.

Beheer De ruigten worden beheerd volgens het principe van sinusbeheer. Door bij elke maaibeurt zo’n 40% van de vegetatie met rust te laten en in slingerende paden te maaien, wordt er een grote variatie aan structuur gerealiseerd De Vlinderstichting (z.d.). Zie bijlage X voor meer informatie over het beheer van ruigten. Fauna De lage vegetatie van de ruigte zullen onder andere kleine zoogdieren als de veldspitsmuis aantrekken die weer zullen fungeren als voedselbron voor onder andere de hermelijn, wezel en de bunzing. Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte.

Voorafgaand aan het inzaaien wordt de grond diepgewoeld. Op deze manier ontstaat er een homogene toestand waarin de opgebrachte grond zich mengt met de aanwezige zaadbank in de ondergrond. Hierna wordt het gebied ingezaaid met een speciaal samengesteld mengsel, na twee tot drie jaar ontstaat er zo mede door de toepassing van sinusbeheer een natuurlijke vegetatie.

Streefbeeld ruigte

Flevokust-Haven | 03.05.2023

41

11.

CENTRALE AS

Inleiding Onderdeel van de primaire groenstructuur is het brede straatprofiel waarin de rijbanen gescheiden zijn door een middenberm. Door het vrijliggende fietspad komen er twee middenbermen in het profiel voor. De brede middenberm tussen de rijbanen biedt plaats aan eerste grootte bomen die recht doen aan het brede straatprofiel en de bebouwing van maximaal 40 meter hoog. De bomen staan op 15 meter onderlinge afstand of een veelvoud hiervan. Bij de positionering is daarnaast rekening gehouden met voldoende afstand tot rijbanen en/of fiets- en voetpaden. in de lengterichting van de centrale as zijn de boomsoorten onderling gemixt.

De bloemrijke graslanden dienen als voedselbron voor bijen en andere insectensoorten. De vogels en vleermuizen in het plangebied hebben profijt van de aanwezigheid van diverse insectensoorten. Het straatprofiel wordt aan beide zijde ingepakt door struwelen. Deze opgaande vegetatie bestaande uit struikachtige gewassen, minimaliseert het zicht op de naastgelegen kavels en geeft het grootschalige bedrijventerrein een meer besloten gevoel. Daarnaast bieden de bomen genoeg hoogte en structuur om als vliegroute te dienen voor vleermuizen.

Naast de laanbomen functioneert de middenberm als infiltratiezone voor regenwater door de toepassing van wadi’s. In lijn met de verspringende bomenlaan geeft het wadi-ontwerp het straatprofiel een afwisselend beeld. De wadi’s variëren in de breedte door het toepassen van verschillende schuintes in het talud. Het toepassen van beperkte verschillen in de diepte (maximaal 50 cm) zorgt vervolgens voor verschillen in natte en drogere delen. Dit komt de diversiteit in plantsoorten en insecten ten goede. De bermen worden ingezaaid met een bloemrijk mengsel.

Locatie detailuitwerking

Laanbomen Referentie: straatprofiel met middenberm en vrijliggend fietspad Struweel Ruigte Wadi

Detailuitwerking natuurtypen centrale as

Flevokust-Haven | 03.05.2023

42

11.

CENTRALE AS

Laanbomen Inleiding Door het vrijliggende fietspad en de vrijliggende rijbanen komen er twee middenbermen in het profiel voor. De brede middenberm tussen de rijbanen biedt plaats aan eerste grootte bomen die recht doen aan het brede straatprofiel en de bebouwing van tientallen meters hoog. De bomen zijn optisch willekeurig gesitueerd. Ook worden de boomsoorten in de laan onderling gemixt. Een diversiteit in soortkeuze zorgt voor een verhoogde biodiversiteit en maakt de groenstructuur resistenter tegen ziekten en plagen ten opzichte van monoculturen. Ook in de wadi’s in de middenberm staan laanbomen, de gekozen boomsoorten zijn bestand tegen een vochtige bodem.

Beheer De laanstructuren dienen een keer in de zoveel tijd gecontroleerd worden op functie en gezondheid. Bij het niet langer kunnen vervullen van de functie door gebrek aan veiligheid voor de mens en/of ziektes wordt de boom verwijderd en herplant. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de laanstructuur.

Ter hoogte van het kruispunt worden drie mammoetbomen (sequoiadendron giganteum) aangeplant. Deze hoge, wintergroene bomen met een markante stam vormen een landmark bij deze belangrijke, drukke kruising in Flevokust Haven. Bovendien zorgt de levensduur, omvang en de fijne bladstructuur van de bomen voor een forse opname van CO2 uit de atmosfeer. Dit is extra van belang bij een kruising met stationair draaiend, remmend en optrekkend verkeer.

Locatie detailuitwerking

Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Ulmus ‘Rebona’ Ulmus ‘New Horizon’ Tilia europaea ‘Palida’ Tilia platyphyllos Quercus palustris Sequoiadendron giganteum Detailuitwerking van de centrale as met laanbomen (bijlage VIII bevat een complete kaart met alle laanbomen in Flevokust Haven)

Flevokust-Haven | 03.05.2023

43

11.

CENTRALE AS

Struweel Soortensamenstelling struiklaag In de bermen wordt een doornstruweel aangeplant. Het struweel in de laanstructuren bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten. De soorten zijn bepaald op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn. Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag: • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Bovenstaande soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort. De bloeiende beplanting draagt daarnaast bij aan een fraai, natuurlijk straatbeeld.

Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1.5 meter tussen elkaar. Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in Bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.

Laanbomen Struweel Ruigte Wadi

Detailuitwerking natuurtypen centrale as

Flevokust-Haven | 03.05.2023

44

11.

CENTRALE AS

Ruigte bermen Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen is ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een geschikt mengsel. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII.

Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is

voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de centrale as.

Streefbeeld ruigte mengsel N3

Laanbomen Struweel Ruigte Wadi Detailuitwerking natuurtypen centrale as

Flevokust-Haven | 03.05.2023

45

11.

CENTRALE AS

Ruigte wadi’s Inleiding Binnen de primaire hoofdwegen zijn verschillende wadi’s te vinden. De wadi’s worden onderling verbonden doormiddel van duikers en eventuele waterafvoerbuizen. Deze verbinding wordt geschikt gemaakt voor het mitigeren van amfibieën door onder andere het plaatsen van luchtschachten. Hierdoor wordt het bereik voor soorten als amfibieën sterk vergroot. Soortensamenstelling De wadi’s worden ingezaaid met een zadenmengsel. Aangeraden wordt om hier een zadenmengsel voor te gebruiken dat speciaal daarvoor is samengesteld, zoals ‘W2: Wadi voor zware grond’ (Cruydhoeck, 2023). Dit is een zadenmengsel dat speciaal is samengesteld voor wadi’s op kleiachtige grond. Het bevat soorten die enerzijds bestand zijn tegen tijdelijke inundatie (onder water staan) en anderzijds in staat zijn om langere periodes van droogte te overleven. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt 70 tot 80 cm hoog en staat vanaf het 2e jaar in bloei van april tot en met september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, in de nazomer, herfst of vroeg in het voorjaar.

uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte Fauna Naast dat de wadi’s geschikt worden gemaakt voor amfibieën profiteren ook andere soorten van de wadi’s in de centrale as. De wadi’s zijn geschikt als voortplantingswateren voor muggen, een van de grootste voedselbronnen voor vleermuizen en amfibieën. Deze amfibieën zijn op hun beurt weer goede prooien voor marterachtigen (de hermelijn en de bunzing) maar ook de ringslang (RAVON, 2023). Om als geschikte voortplantingswater voor de mug te voldoen, moet de wadi open en vrij genoeg liggen om goed op te kunnen warmen door de zon. Ook moet het water stilstaand zijn om de eitjes in te kunnen leggen (RIVM, 2016).

Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Sinusbeheer is hier een goede optie (zie bijlage X voor een uitgebreide omschrijving van het beheer). Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten Streefbeeld ruigte mengsel W2

Luchtschacht naar duikers tussen de wadi’s

Laanbomen Struweel Ruigte Wadi Detailuitwerking natuurtypen centrale as

Flevokust-Haven | 03.05.2023

46

SECUNDAIRE STRUCTUUR

12. ZIJWEG Inleiding De secundaire structuur omvat onder andere het straatprofiel dat loopt vanaf de centrale richting de A6. Het profiel is circa 42 meter breed en opgebouwd uit een enkele rijbaan met twee rijstroken en een trottoir. Het profiel kent geen middenbermen maar een berm aan weerszijden van de weg. Aan de zonnige zuidzijde van de straat wordt een lage, bloemrijke vegetatie toegepast die als voedselbronnen dient voor bijen en insecten, een voedselbron voor onder andere de vleermuizen. De bomen aan deze zijde kennen grote onderlinge afstanden waardoor er veel zonlicht op het bloemrijke gras en de struwelen valt. Diverse boomsoorten met verschillende hoogtes worden onderling afgewisseld en aangeplant in ‘wildverband’. De noordzijde van het straatprofiel wordt gevormd door een struweel. Het struweel bestaat uit opgaande beplantingen en minimaliseert het zicht op de naastgelegen kavel.

Laanbomen Struweel Ruigte

Flevokust-Haven | 03.05.2023

48

12. ZIJWEG Struweel Aan de noordzijde van het profiel wordt struweel aangeplant. Het struweel bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten, welke zijn gekozen op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (zie ook het doornstruweel in het boscompensatiegebied). Soortensamenstelling struiklaag Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag : • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Deze soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort.

Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.

Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1,5 meter tussen elkaar.

Laanbomen Struweel Ruigte

Flevokust-Haven | 03.05.2023

49

12. ZIJWEG Laanbomen De bomen in de laanstructuren bestaan uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De vogels kunnen de bomen gebruiken als nestlocaties en voor de vleermuizen kunnen ze dienen als vliegroute. Er worden door de vleermuizen eisen gesteld aan de mate van aanwezige gaten of onderbrekingen, aanwezige lichtbronnen en hoe de vliegroute ligt ten opzichte van het foerageergebied. Bij kunstmatige verlichting zal het aantal aanwezige vleermuizen laag zijn. Verder functioneert een vliegroute pas bij een boomhoogte van minimaal 5 meter (2,5 meter kroonhoogte). Langs de lijnvormige structuren foerageren de vleermuissoorten ook. Gewone grootoorvleermuizen volgen lijnvormige structuren zoals hagen, houtwallen en rietkragen als vliegroute, maar in een bos of heel kleinschalig landschap zijn ze niet gebonden aan bepaalde vaste structuren. Onderbrekingen in lijnvormige structuren zijn beperkt door de reikwijdte van de echolocatie en de gevoeligheid voor wind (BIJ12, 2017a). Zie bijlage II voor meer informatie over fauna in relatie tot laanstructuren.

Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Streefbeeld Laanbomen

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Laanbomen in de zijweg

50

12. ZIJWEG Ruigte Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen is ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een goed mengsel. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar.

Laanbomen Struweel Ruigte

Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de tertiaire structuur.

Streefbeeld ruigte mengsel N3

Flevokust-Haven | 03.05.2023

51

13. LANDSCHAPSPARK Inleiding Het landschapspark bestaat uit een poel, een wilgenstruweel en pluksgewijs geplante doornstruwelen. Door het landschapspark loopt een wandelpad dat openbaar toegankelijk is. Het paadje eindigt in een zitplek. De elementen zoals de poel, het wilgenbosje en de doornstruwelen worden hieronder beschreven.

Doornstruweel Wilgenbroekstruweel Ruigte Poel Wandelpad Zitgelegenheid Ligging van het landschapspark

Flevokust-Haven | 03.05.2023

52

13. LANDSCHAPSPARK Wilgenbos/struweel/ruigte Wilgenbos Aan de noordzijde van de poel worden pluksgewijs wilgenbossen gerealiseerd. Deze worden aangelegd volgens het bostype wilgenbroekbos, zoals beschreven in hoofdstuk 10. Hier wordt de soortensamenstelling, aanplant, en het beheer toegelicht. Meer informatie over deze bossen en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in bijlage II. Doornstruweel Ten westen van het wilgenbos worden pluksgewijs doornstruwelen aangeplant. De doornstruwelen worden aangelegd volgens de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (Pruno-crataegetum), zoals beschreven in hoofdstuk 10. Hier wordt de soortensamenstelling, aanplant en het effect op de doelsoorten toegelicht. Meer informatie over deze doornstruwelen en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in bijlage II. Ruigte De ondergroei in het landschapspark bestaat uit kruidenrijke graslandvegetatie, welke worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om hiervoor zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de begroeiing in het oostelijke deel van het park, rondom de poel en de wilgenbosjes, zou mengsel ‘G3- Bloemrijk grasland voor jaarrond natte tot vochtige grond’ een goede optie zijn. Voor het westelijk gedeelte, rondom de doornstruwelen, zou een mengsel als ‘O1-Ruige onderbegroeiing voor boszomen’ een goede optie zijn.

Meer informatie over deze begroeiing en het effect op de doelsoorten zijn te vinden in hoofdstuk 10 en 11. De soortsamenstelling van de voorgestelde mengsels is opgenomen in bijlage VII.

Wilgenbroekstruweel Doornstruweel Ruigte

Flevokust-Haven | 03.05.2023

53

13. LANDSCHAPSPARK Poel Binnen de secundaire structuur wordt in het landschapspark een poel aangelegd. Deze poel is, mits genoeg beschenen door de zon, geschikt als voortplantingswateren voor muggen, een van de grootste voedselbronnen voor vleermuizen en amfibieën. Deze amfibieën zijn op hun beurt weer goede prooien voor marterachtigen (de hermelijn en de bunzing) maar ook de ringslang. Om geschikt te zijn voor de mug moet het water stilstaand zijn om de eitjes in te kunnen leggen (RIVM, 2016). Door dichte vegetatie in of rondom de poel kunnen afgesloten gedeelten ontstaan. Een mogelijke toevoeging in vegetatie zou riet kunnen zijn zoals beschreven in hoofdstuk 10. De oevers van de poel dienen beschut te zijn met beplanting om wind tegen te houden en dekking te bieden. Dit geldt zowel voor de vleermuissoorten en de mug. De oever- en watervegetatie zal op natuurlijke wijze tot stand komen. Aan de noordzijde van de poel worden wilgenbroekstruwelen aangelegd. Ten westen van de poel zal dit struweel overlopen in doornstruweel wat gunstig is voor kleine marterachtigen. De kleine marterachtigen vinden in de doornstruwelen beschutting en voedselbronnen zoals muizen. Muisachtigen zullen de struwelen namelijk gebruiken om holen en nesten in te maken. Daarnaast bieden de stekelige struwelen voldoende beschutting aan de kleine marterachtigen om bruikbaar te zijn als dagrustplaats.

Ligging poel in het landschapspark

Voor de gewone grootoorvleermuis is de omgeving ook aantrekkelijk doordat naast muggen ook spinnen en kevertjes aangetrokken worden door stilstaande wateren. De oever- en watervegetaties komen op natuurlijke wijze tot stand door middel van successie. Voor de bever is de waterpartij aantrekkelijk door de aanwezigheid van wilgen. Deze soort dient in de winterperiode als voedselbron net als waterplanten in de zomerperiode. Zo kan schade aan bomen insecten aantrekken die weer gegeten kunnen worden door de marterachtigen en eventuele dassen in het gebied. Ook de ringslang heeft een voorkeur voor waterrijke leefgebieden. Hier zal de soort opzoek gaan naar amfibieën (RAVON, 2023).

Streefbeeld poel

Flevokust-Haven | 03.05.2023

54

TERTIAIRE STRUCTUUR

14. ZIJWEGEN Inleiding Dit hoofdstuk is een uitwerking van de tertiaire structuur van Flevokust Haven. De tertiaire structuur bestaat uit een smaller profiel van circa 15 meter met een enkele rijbaan. De groene ruimte in de profielen wordt ingevuld met zoomvegetatie, laanbomen en struwelen. Verder vallen ook twee wegen richting de entrees van bedrijven onder de tertiaire structuur.

Ligging tertiaire structuur

Flevokust-Haven | 03.05.2023

56

14. ZIJWEGEN Laanbomen De bomen in de laanstructuren bestaan uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen langs de rijbanen. De lanen bestaan uit eerste grootte bomen van diverse soorten. De vogels kunnen de bomen gebruiken als nestlocaties en voor de vleermuizen kunnen ze dienen als vliegroute. Er worden door de vleermuizen eisen gesteld aan de mate van aanwezige gaten of onderbrekingen, aanwezige lichtbronnen en hoe de vliegroute ligt ten opzichte van het foerageergebied. Bij kunstmatige verlichting zal het aantal aanwezige vleermuizen laag zijn. Hoofdstuk 9 gaat dieper in op ecologisch verantwoorde verlichting. Verder functioneert een vliegroute pas bij een boomhoogte van minimaal 5 meter (2,5 meter kroonhoogte). Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de laanstructuur.

Locatie detailuitwerking

Bijlage VIII bevat een complete kaart met alle laanbomen in Flevokust Haven

Soortensamenstelling Populus canadensis ‘Robusta’ Populus canescens ‘De Moffart’ Populus canadensis ‘Koster’ Populus nigra Ulmus ‘Rebona’ Ulmus ‘New Horizon’ Tilia europaea ‘Palida’ Tilia platyphyllos Quercus palustris Streefbeeld laanbomen

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Detailuitwerking van laanbomen in de tertiaire strucuur

57

14. ZIJWEGEN Struweel Soortensamenstelling struiklaag Het struweel in de laanstructuren bestaat uit verschillende soorten die willekeurig verspreid worden aangeplant in de bermen en langs de rijbanen. De soortsamenstelling bestaat uit diverse inheemse struweelvormende soorten, welke zijn gekozen op basis van de associatie van Sleedoorn en Eenstijlige meidoorn (zie ook de doornstruwelen in hoofdstuk 12). Deze plantengemeenschap bevat in de struiklaag: • eenstijlige meidoorn (Crateagus monogyna) • hondsroos (Rosa canina) • sleedoorn (Prunus spinosa) • gewone vlier (Sambucus nigra) • rode kornoelje (Cornus sanguinea) • wilde kardinaalsmuts (Eonymus europaeus) • wegedoorn (Rhamnus cathartica) Deze soorten vormen dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen, waarvan de sleedoorn, meidoorn en braam zorgen voor een continue stroom nectar en stuifmeel van eind maart tot en met augustus. Daarnaast staat de hondsroos (Rosa canina) op de rode lijst wat betekent dat aanplant bijdraagt aan een gunstige staat van instandhouding van deze soort. Aanplant De soorten worden groepsgewijs aangeplant in kruislings plantverband. Groepsgewijze aanplant laat ruimte voor natuurlijke verjonging, waardoor er sneller structuurverschillen in het struweel ontstaan. De struiken worden geplant in groepen van vijf stuks met een plantafstand van 1,5 meter tussen elkaar.

Beheer Om blijvend robuuste verbindingen binnen het terrein te realiseren is gericht beheer van de struwelen in de laanstructuren noodzakelijk. Hierbij wordt gedoeld op gefaseerde dunningen. Door de boom- en struikvormers om de 5 à 10 jaar gefaseerd terug te zetten wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied blijft bestaan. Dunningen worden afgestemd op de wilddruk, het ontwikkelingsproces van het struweel en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten. De functionaliteit voor doelsoorten is leidend. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren wordt aangeraden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Verdere beheersuggesties zijn opgenomen in Bijlage X. De zoom van de struwelen zal betrokken worden bij het gefaseerd maaibeheer van de ruigten in de laanstructuren. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot het doornstruweel.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

58

14. ZIJWEGEN Ruigte Inleiding De ondergroei van de laanstructuren en de bermen bestaan uit bloem- en kruidenrijke graslandvegetatie. Deze oppervlakten worden ingezaaid met een mengsel van inheemse kruiden. Voorstel is om zadenmengsels van Cruydhoeck (2023) te gebruiken. Voor de bermen zou ‘N3 - Bijenmengsel voor zware grond’ een goed voorbeeld zijn. Soortensamenstelling Mengsel N3 (Cruydhoeck, 2023) is een kleurrijk mengsel dat geschikt is voor plantsoenen op kleiachtige grond. De soorten zijn optimaal samengesteld voor insecten. Het bevat onder meer veel drachtplanten voor bijen, zoals Rapunzelklokje voor klokjesbijen, Beemdkroon voor de Knautiabij en Grote kattenstaart voor de Kattenstaartdikpoot. Ook veel andere bestuivers, zoals dag- en nachtvlinders, worden met dit mengsel aangetrokken. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII. De planten zullen zich op termijn op natuurlijke wijze verder verspreiden. Het mengsel wordt ongeveer 80 cm hoog en staat vanaf het tweede jaar in bloei van mei tot september. De oppervlakten worden ingezaaid met een dichtheid van 1 g/m2, bij voorkeur in de nazomer of vroeg in het voorjaar. De gehele soortenlijst van dit mengsel is opgenomen in bijlage VII.

Streefbeeld ruigte mengsel N3

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Beheer Om tot een structuur- en soortenrijke ruigte te komen is van belang om de ingezaaide oppervlakten jaarlijks één tot twee keer gefaseerd te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is voor insecten en als foerageer locatie en dekking voor fauna. Daarnaast dienen opkomende boom- en struiksoorten uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de ontwikkeling van de ruigte en de wilddruk in het gebied. Enkele beheersuggesties zijn opgenomen in bijlage X. Fauna Zie bijlage II voor een uitgebreide beschrijving van de fauna in relatie tot de ruigte. Het is echter onwaarschijnlijk dat de das voorkomt in de ruigte van de tertiaire structuur.

Locatie detailuitwerking

Ligging ruigte in de tertiaire structuur

59

AANBEVELINGEN

15. AANBEVELINGEN

Uitvoering Bij de uitvoering van het plan dient rekening gehouden te worden met de eerdergenoemde eisen vanuit het ecologisch advies van WSP Nederland (2022). Het is sterk aan te raden om naast het treffen van mitigerende maatregelen voor (kleine) marterachtigen, bever, otter en vleermuizen aandacht te besteden aan de volgende punten: • Het opstellen en navolgen van een ecologisch werkprotocol. • De noodzakelijke ontheffingsaanvraag doen ten aanzien van de wezel ter plaatse van perceel D. • Het opstellen en navolgen van het noodzakelijke mitigatieplan en een ecologisch werkprotocol ten aanzien van het potentiële leefgebied van de wezel op ter plaatse van perceel E. • Het uitvoeren van een extra check ten aanzien van bever begin 2023 ten behoeve van het vaststellen van verblijfplaatsen van deze soort in en rondom de Forellentocht. • Het ten alle tijden rekening houden met de zorgplicht die geldt voor niet beschermde soorten. Verbindingen van wadi’s Binnen de primaire hoofdwegen zijn verschillende wadi’s te vinden. De wadi’s worden onderling verbonden doormiddel van duikers en eventuele waterafvoerbuizen. Hierdoor wordt het bereik van verspreiding voor soorten als amfibieën vergroot.

Faunapassage binnen het boscompensatiegebied De verkeersader van de hoofdstructuur doorsnijdt het boscompensatiegebied. Om te voorkomen dat het bosgebied versnipperd raakt wordt aangeraden ook hier een faunapassage aan te leggen. Voorstel is een droge duiker onder het straatprofiel aan te leggen waar met name de kleine marterachtigen zich door kunnen verplaatsen. Aanleg lijnstructuren Voor de vleermuizen kunnen de lijnstructuren dienen als vlieg en foerageerroute. Om te voldoen aan de eisen van de vleermuis is het aan te raden om bij de aanleg van de lijnvormige elementen te voldoen aan de volgende eisen: • De vliegroute functioneert pas als de nieuw aan te planten bomen een hoogte van minimaal 5 meter hebben en een onderste kroonbreedte van minimaal 2.5 meter. • De plantafstand moet dan maximaal 7 meter zijn; bij dubbele rijen op maximaal 7 meter van elkaar geplant, kan de plantafstand tot 16 meter zijn. • Onderbeplanting met een struiklaag van tenminste drie meter breed is ook mogelijk. • Aanwezigheid van water is ook van belang. • Voor vervanging van vliegroutes die niet tevens als foerageergebied worden gebruikt moet rekening gehouden worden met een periode van minimaal 1 tot 2 jaar.

• Grote gaten in vliegroutes kunnen overbrugd worden door het plaatsen van 4,5 meter hoge palen (waarvan 3 meter boven de grond) van tenminste 20 centimeter doorsnede die in dubbele rij in verband geplaatst zijn op 0.4 meter afstand van elkaar. Steenhopen voor steenmarter Om het leefgebied van de steenmarter sterker te compenseren is het aan te raden om binnen de bostypen essen-iepenbos en eikenhaagbeukenbos steenhopen aan te leggen. Mogelijk kan hiervoor materiaal uit de voormalige situatie van het terrein worden hergebruikt. Onder de steenhopen kan een steenmarter rustplaatsen vinden en dekking zoeken.

Beluchting van de duikers tussen de wadi’s

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Steenhopen dienen minstens 3 meter lang, 2 meter breed en 1 meter hoog te zijn. De nestkamer van de steenhoop dient te worden aangelegd met stenen met een diameter van tenminste 30 centimeter, waar kleinere stenen bovenop komen te liggen. De nestkamer heeft een afmeting van ongeveer 30 bij 30 centimeter en dient tenminste twee ingangen te hebben. Het is van belang dat deze openingen niet groter zijn dan 8 centimeter. De ruimte tussen en onder de stenen wordt opgevuld met nestmateriaal zoals hooi (Westra & Kuiters, 2018).

61

15. AANBEVELINGEN

Takkenrillen en rommelhoekjes Voor de kleine marterachtigen is de omgeving erg belangrijk. Het instandhouden van holle bomen, overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen en het laten liggen van takkenhopen en rietbossen zijn goede maatregelen die ervoor zorgen dat deze dieren voldoende schuilplaatsen hebben. Lichtinval poel in het landschapspark Om voldoende lichtval op de poel (50% van de dag) te garanderen is het noodzakelijk, en daarom sterk aan te raden, om aan de oostelijke zijde van perceel A (zie kaart pagina 8) lagere bebouwing te realiseren. Wanneer de omliggende bebouwing hier 40 meter hoogte bereikt neemt de lichtinval zodanig af dat de vegetatie zich op een ongewenste manier ontwikkelt voor zowel de biodiversiteit als de beleving van de mensen. Door onvoldoende lichtinval ontstaat er namelijk een watervegetatie die de verder lichtinval op de waterbodem blokkeert. Waterplanten komen zo onvoldoende tot ontwikkeling waardoor er een zuurstofarm milieu ontstaat. Dit is nadelig voor de beschuttingsmogelijkheden in het water en vermindert het voedselaanbod. Daarnaast warmen de ondiepe oevers van de poel bij onvoldoende zoninstraling niet op wat ongunstig is voor amfibiën. Reeën in het gebied Bij aanplant is het sterk aan te raden rekening te houden met de ree-druk in het gebied.

Dit kan door het plaatsen van vraatbescherming, te kiezen voor een verhoogde inboet of het laten ontstaan van open plekken als onderdeel van het natuurlijke proces. Ook een combinatie is een goede mogelijkheid. Dit is eveneens gunstig voor het tot stand komen van variatie in leeftijden binnen de aangeplante natuurtypen. Das Gebieden kunnen door de wijze van beheer (beter) geschikt gemaakt worden voor de das. Denk hierbij aan het creëren van open plekken in bossen en het aanplanten van heggen en houtwallen. Hierdoor ontstaan geschikte leefgebieden waarin de das voldoende voedsel vindt en zich veilig kan verplaatsen.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Broeihopen ringslang Een laagdrempelige mogelijkheid tot extra compenseren van leefgebied voor de ringslang is het plaatsen van broeihopen. Deze broeihopen zijn meestal opgebouwd uit een opstapeling van takken, bladmateriaal en paardenmest. Eventueel kunnen hiervoor plantenresten uit het onderzoeksgebied gebuikt worden. De ringslang zal tijdens de voortplantingsperiode haar eitjes in de broeihopen afzetten. Door de broei stijgt de temperatuur tot ongeveer 30 graden Celsius wat ervoor zorgt dat de eitjes verder ontwikkelen tot juveniele ringslangen. Hierdoor is in ons relatief koude klimaat de ringslang afhankelijk van mest of composthopen. De beste tijd om een broeihoop aan te leggen is vanaf half maart tot eind april. Een goede broeihoop heeft een afmeting van 1.5 meter bij 3 meter en is 1.5 meter hoog. De hoop bestaat idealiter uit gebiedseigen snoeimateriaal (bladeren, riet, gras en takken). Takken dienen voornamelijk in het midden van de broeihoop verwerkt te worden. Een goede locatie is gelegen op een rustige plek maximaal 4 meter van open water in directe nabijheid van begroeiing. De broeihoop dient tenminste voor de helft in de zon te liggen. Na één tot enkele jaren is al het materiaal in de broeihoop verteerd en loopt de broei terug.

Meer informatie over de aanleg van een broeihoop is te vinden op de website broeihopen.nl (RAVON, z.d.) Gebouw bewonende soorten Naast de te nemen compenserende en mitigerende maatregelen wordt het ook aangeraden om bovenwettelijke maatregelen te nemen. Het gaat hier om het aanbrengen van inbouwvoorzieningen voor vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen in de te realiseren panden. Voor de huismussen worden inbouwkasten aangeraden van het type Vivara Pro NK MU 07 of vergelijkbaar. Hierbij wordt rekening gehouden met de geschikte hoogtes, windrichtingen en nabijheid van groene structuren.

62

BRONVERMELDING

16. BRONVERMELDING

BIJ12 (2017a). Gewone grootoorvleermuis, Plecotus auritus. Versie 1.0, 25 p. BIJ12 (2017b). Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, 30 p. BIJ12 (2017c). Ruige dwergvleermuis, Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, 26 p. Broekhuizen (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Cruydhoeck. (2023). Catalogus & Handleiding 2023 - 2024. Geraadpleegd op 14-03-2023, van https://www.cruydthoeck.nl/media/ db/6a/f2/1675070107/WEB_Catalogus%202023_spread_v2.pdf Den Ouden, J., Muys, B., Mohren, F. & Verheyen, K. (2010). Bosecologie en Bosbeheer (3e druk). Uitgeverij Acco. Den Ouden, J., Muys, B. & Mohren, F. (2016). Bosbeheer en Biodiversiteit (3e druk). Uitgeverij Acco. De Vlinderstichting (2023c). Grote Vos. Geraadpleegd op 16 maart 2023, van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/ details-vlinder/grote-vos Erfgoedcommissie Lelystad. (2014). Waardestelling voormalig viskwekerij [Rapport 3]. Erfgoedcommissie Lelystad. Geraadpleegd op 25 april 2023, van https://www.lelystad.nl/Docs/Rapport%20 waardestelling%20viskwekerij.pdf Exterkate, B. & De Beer, G. (2018). Bosplantsoen: Bomen en struiken in bos en landschap (14e, gecorrigeerde, druk). IPC Groene Ruimte. Flora van Nederland. (2023). Essen-Iepenbos. Flora van Nederland.

Geraadpleegd op 23-02-2023, van https://www.floravannederland.nl/ associaties/Essen-Iepenbos Hennekens, S. (2022). SynBioSys Nederland (3.6.8) [Computerprogramma]. Wageningen Environmental Research. Jansen, P., Boosten, M., Winterink, A. & Van Benthem, M. (2009). De Aanleg van Nieuwe Bossen. Uitgeverij Matrijs. Jansen, P., Boosten, M., Cassaert, M., Cornelis, J., Thomassen, E. & Winnock, M. (2018). Praktijkboek Bosbeheer. Inverde & Stichting Probos.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Lanszki, J., Heltai, M. (2006). Diet of the European polecat and the steppe polecat in Hungary. Mammalian Biology, 72, 49-53. Geraadpleegd op, van https://doi.org/10.1016/j.mambio.2006.07.002 MacDonald, W. (2017). Biology and Concervation of Musteloids. Oxford: Oxford University Press. McDonald, A., Webbon, C., Harris, S. (2000). The diet of stoats (Mustela erminea) and weasels (Mustela nivalis) in Great Britain. Journal of Zoology, 252(3), 363-371. Provincie Flevoland. (z.d.). Natuurnetwerk Nederland (NNN). Geraadpleegd op 11 april 2023, van https://www.flevoland.nl/ wat-doen-we/natuur/natuurnetwerk-nederland RAVON (2023). Ringslang, Natrix helvetica. https://www.ravon.nl/ Soorten/Soortinformatie/ringslang. Datum geraadpleegd: 15-03-2023. RAVON. (z.d.). Broeihopen. Geraadpleegd op 17 april 2023, van www. broeihopen.nl Reemer (2009). Nederlandse Fauna volume 8: 220-221p Rho Adviseurs B.V. (2014). Bestemmingsplan Lelystad – Flevokust. Rho Adviseurs B.V. Geraadpleegd op 25 april 2023, van https://www. commissiemer.nl/docs/mer/p20/p2052/2052-063ontwerpbp.pdf RIVM (2016). Bestrijding van inheemse muggen in Nederland. Rapport 2016-0004

Vlinderstichting (2023b). Dagpauwoog. https://www. vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/detailsvlinder/dagpauwoog. Datum geraadpleegd: 13-03-2023. De Vlinderstichting. (z.d.). Sinusbeheer. Geraadpleegd op 13 april 2023, van https://www.vlinderstichting.nl/sinusbeheer WUR (2018). Vragen en antwoorden over steekmuggen en knutten in relatie tot vernatting. Notitie Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research, Wageningen UR, Wageningen. 27 pp. Westra, S.A. & Kuiters, R.S.M. (2018). Beheerwijzer Kleine Marterachtigen van de Zoogdiervereniging. Geraadpleegd op 12 april 2023, van https://www.zoogdiervereniging. nl/sites/default/files/publications/20180305_ BeheerwijzerKleineMarterachtigen_DEF.pdf WSP Nederland B.V. (2022). Nader onderzoek ecologie marterachtigen, bever, foerageergebied & vliegroute vleermuizen, Flevokust haven te Lelystad. OSA021038, Versie 001. 28 p. Zoogdierenvereniging (2023). Roofdieren. https://www. zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter. Datum geraadpleegd: 15-03-2023.

Schaminée, J., Haveman R., Hennekens, S., Horsthuis, M., Janssen, J., De Ronde, I., Smits, N. & Sỳkora, K. (2019). Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland: Herkenning, ecologie, verspreiding (2e druk). KNNV Uitgeverij. Schaminée, J.H.J., Haveman, R., Hommel, P.W.F.M., Janssen, J.A.M, De Ronde, I., Schipper, P.C., Weeda, E.J., Van Dort, K.W. & Bal, D. (2017). Revisie Vegetatie van Nederland. Westerlaan Publisher. Teunissen, T. (z.d.). Hardhoutooibos Elbe. Geraadpleegd op 02-03-2023, van https://www.ark.eu/natuurontwikkeling/natuurlijke-processen/ levende-rivieren/ooibossen Vlinderstichting (2023a). Wilgenhoutrups. https://www.vlinderstichting. nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/wilgenhoutrups. Datum geraadpleegd: 13-03-2023.

64

BIJLAGEN

I: ECOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN NATUURTYPEN

Flevokust-Haven | 03.05.2023

66

II: UITWERKING FAUNA PER NATUURTYPE

Eiken-haagbeukenbos Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat een compenserend habitat biedt voor kleine marterachtigen en vleermuizen. De aanwezigheid van bosgebied biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid. Met name de ruwe bast van de Zomereik in het eikenhaagbeukenbos leent zich hier goed voor gezien deze op termijn holtes en scheurtjes vertoond. Deze zijn aantrekkelijk voor de ruige dwergvleermuis als verblijfplaats en marterachtigen die een dagrustplaats zoeken. De aan bossen gebonden muggensoorten (WUR, 2018) dienen als voedsel voor onder meer amfibieën, welke op hun beurt weer als voedselbron fungeren voor bijvoorbeeld de ringslang en kleine marterachtigen. Ook dienen deze muggen als voedselbron voor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis. Daarnaast kan de ringslang een winterverblijf vinden onder de boomwortels en kan de das in het eiken-haagbeukenbos mogelijkheden vinden om een burcht te starten. Zodra het essen-iepenbos geleidelijk steeds verder open wordt, neemt het eiken-haagbeukenbos de rol over. De boommarter kan hier een nieuwe verblijfplaats vinden in een oud hol. Voor de vleermuizen is vooral de bosrand interessant aangezien deze kan dienen als foerageergebied en vliegroute. Daarnaast is dit een goed lijnvormig element voor kleine marterachtigen om zich langs voort te bewegen.

Een groot deel van de struiken/ bomen hebben verspreiding door middel van bessen. Deze bessen kunnen als voeding dienen voor kleine muis, marterachtigen en de das. Ook vogels zullen de bessen nuttigen. De ruigte in het gebied is geschikt voor verschillende knaagdiersoorten. Een voorbeeld hiervan is de veldspitsmuis (Crocidura leucodon). Deze soort is vooral te vinden in kleinschalige, agrarische cultuurlandschappen op zandige bodems met een halfopen, bloemrijke vegetatie (Broekhuizen, 2016). Naar verwachting zal in de kruidlaag van het bostype ook de grote brandnetel voorkomen. Grote brandnetel is de waardplant van de Dagpauwoog, een soort die als voedselbron dient voor de gewone grootoorvleermuis (Vlinderstichting 2023b). Essen-iepenbos Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat compenserend habitat biedt voor kleine marterachtigen en vleermuizen. De aanwezigheid van bosgebied biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid. Voor de boom bewonende marterachtigen zoals de boommarter geldt dat Essen-iepenbos geschikt is als leefgebied. De dichtheid van de bomen geeft deze dieren voldoende dekking, met name op kortere termijn dankzij de snelgroeiende essen en iepen. Zodra de bomen verder ontwikkelen ontstaan er grotere open plekken. Tegen die tijd zijn de aanwezige eikenbomen ver genoeg ontwikkeld om de functie van leefgebied over te nemen.

Binnen deze gebieden is vooral

Flevokust-Haven | 03.05.2023

de bast van de zomereik in het essen-iepenbos waardevol omdat deze op termijn holtes en scheurtjes vertoond. Deze zijn aantrekkelijk voor de ruige dwergvleermuis als verblijfplaats en voor marterachtigen die een dagrustplaats zoeken. Vooral de bosrand is voor vleermuizen interessant aangezien deze kan dienen als foerageergebied en vliegroute. Daarnaast kunnen marterachtigen zich langs dit lijnvormige element voortbewegen. De matig vochtige omstandigheden in het essen-iepenbos vormen een gunstige habitat voor aan bossen gebonden muggensoorten (WUR, 2018). Deze dienen als voedsel voor onder meer amfibieën, welke op hun beurt weer als voedselbron fungeren voor bijvoorbeeld de ringslang en kleine marterachtigen. Ook dienen deze muggen als voedselbron voor vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis. De ringslang overwintert in de hoger gelegen gebieden onder rotsformaties, boomwortels en in holen (RAVON, 2023). De bloemrijke graslanden trekken onder andere kleine zoogdieren als de veldspitsmuis aan. Dit dient weer als voedsel voor kleine marterachtigen zoals de hermelijn en de bunzing. Wanneer het gras nog niet te hoog is kan het gebied mogelijk betreden worden door de foeragerende das. Mogelijk komt ook de grote brandnetel voor in het grasland.

De grote brandnetel is de waardplant van de dagpauwoog, een soort die als voedselbron dient voor de gewone grootoorvleermuis (Vlinderstichting 2023b). Elzenbroekbos Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat een compenserend habitat biedt voor kleine marterachtigen en vleermuizen. De aanwezigheid van bosgebied biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid voor hen. Specifiek voor het elzenbroekbos is dat de waterspitsmuis er leefgebied vindt in de vorm van jachtgebied. Deze muizen fungeren als een beschikbare prooi voor marterachtigen (Broekhuizen, 2016). De bloemrijke graslanden zullen onder andere kleine zoogdieren als de veldspitsmuis aantrekken die kan dienen als voedsel voor kleine marterachtigen zoals de hermelijn en de bunzing. Ook zal de brandnetel naar verwachting voorkomen. De grote brandnetel is de waardplant van de dagpauwoog, een soort die als voedselbron dient voor de gewone grootoorvleermuis (Vlinderstichting 2023b). Vlindersoorten zoals de wilgenhoutvlinder kunnen zich vestigen in de bast en toppen van de wilgen (Vlinderstichting 2023b). De wilgensoorten zijn aantrekkelijk voor bijvoorbeeld de bever welke in de winterperiode de bast van deze soorten eet. De wonden die de

67

II: UITWERKING FAUNA PER NATUURTYPE

wilgenhoutrups maakt zijn vervolgens ook weer aantrekkelijk voor vliegen zoals de kopermantel (Reemer,2009). Verder maakt de grote vos gebruik van bloedende wilgen als voedingsbron (De Vlinderstichting, 2023c). De vochtige omstandigheden in het moerasvaren-elzenbroek vormen tot slot gunstig habitat voor aan bossen gebonden muggensoorten (WUR, 2018). Deze dienen als voedsel voor onder meer amfibieën, welke op hun beurt weer als voedselbron fungeren voor bijvoorbeeld de ringslang en kleine marterachtigen. Ook dienen deze muggen als voedingsbron voor vleermuizen soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Vooral de bosrand is voor vleermuizen interessant aangezien deze kan dienen als foerageergebied en vliegroute. Daarnaast is dit een goed lijnvormig element voor kleine marterachtigen om zich langs voort te bewegen. Wilgenbroekbos Het streven is een natuurlijk, structuurrijk bosgebied te realiseren dat een compenserend habitat biedt voor kleine marterachtigen en vleermuizen. De aanwezigheid van bosgebied biedt beschutting, voedselaanbod en nestgelegenheid voor hen. De vochtige omstandigheden in het bijvoet-ooibos vormen een gunstig habitat voor aan bossen gebonden insecten zoals muggensoorten (WUR, 2018). Deze dienen als voedsel voor onder meer amfibieën, welke op hun beurt weer als voedselbron fungeren voor bijvoorbeeld de ringslang, de otter en kleine marterachtigen.

Ook dienen de insecten als voedingsbron voor vleermuizen soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Verder zijn de wilgensoorten in dit bostype in het bijzonder aantrekkelijk voor de bever (zie bijlage VI) welke in de winterperiode de bast van deze soorten eet. Ook kunnen vlindersoorten zoals de wilgenhoutvlinder zich vestigen in de bast en toppen van de wilgen (Vlinderstichting 2023b). De wonden die de wilgenhoutrups maakt zijn vervolgens ook weer aantrekkelijk voor vliegen zoals de kopermantel (Reemer,2009). Daarnaast maakt ook de grote vos gebruik van bloedende wilgen als voedingsbron (Vlinderstichting, 2023c). De bosrand van het bijvoet-ooibos is voor vleermuizen interessant als foerageergebied en vliegroute. Daarnaast vormt de bosrand een goede lijnvormige structuur waarlangs kleine marterachtigen zich voort kunnen bewegen. De bloemrijke graslandvegetatie in de zoom kan kleine zoogdieren als de veldspitsmuis aantrekken die weer fungeren als voedselbron voor in het bijzonder de hermelijn en de bunzing. Op het gebied van beheer is het voornamelijk van belang te voorkomen dat het bos zich na verloop van tijd in successie ontwikkelt tot essen-iepenbos. Ook het in stand houden van een geleidelijke bosrand is van groot belang.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Doornstruweel De kleine marterachtigen vinden in de doornstruwelen beschutting en voedselbronnen als muizen. Muisachtigen gebruiken de struwelen namelijk om holen en nesten in te maken. Daarnaast bieden de stekelige struwelen voldoende beschutting aan de kleine marterachtigen om bruikbaar te zijn als dagrustplaats. Deze plantengemeenschap vormt dichte, stekelige, bloem- en vruchtrijke struwelen met een rijke kruidlaag van stikstof minnende ruigtekruiden en bosplanten. Dit maakt het een belangrijke bron van voedsel en beschutting voor dieren als de das, egel, muizen, vogels en insecten. Ruigte De ruigte in het gebied zal geschikt zijn voor verschillende knaagdiersoorten. Een voorbeeld hiervan is de veldspitsmuis (Crocidura leucodon). Deze soort is vooral te vinden in kleinschalige en halfopen, bloemrijke grasstukken (Broekhuizen, 2016). Hier zullen de muizen dienen als prooien voor marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) en de ringslang (MacDonald, 2017; McDonald, Webbon, & Harris, 2000). De hogere kruidachtige vegetatie geeft dekking aan soorten zoals konijnen en andere knaagdieren welke dienen als prooi voor de bunzing (Lanszki & Heltai, 2006; MacDonald, 2017). De holen van deze dieren worden door de marterachtigen gebruikt als dagrustplaats. Verder dienen de bloemen in dit grasland als voedingsbron voor verschillende insecten, bijen en vlindersoorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=6770c207-0fd8-4815-9b66-c41cff4a3f25