CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 2. Uitbreiding Flevokust Haven Zuid West_Bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 17 oktober 2023, gemeente LelystadBij agendapunt: 248. Bestemmingsplan Uitbreiding Flevokust Haven Zuid West25.910 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Deze insecten zijn vervolgens weer interessant voor foeragerende vleermuizen. In de ruigte kan mogelijk grote brandnetel voorkomen. Dit is de waardplant van de dagpauwoog, een soort dat dient als voedselbron voor de gewone grootoorvleermuis (Vlinderstichting 2023b). De das zal mogelijk gebruik maken van bloemrijke grasland als foerageergebied, op zoek naar regenwormen en andere grond bewonende insecten. Laanstructuren Langs lijnvormige elementen zoals laanstructuren foerageren vleermuissoorten. Gewone grootoorvleermuizen volgen lijnvormige structuren zoals hagen, houtwallen en rietkragen als vliegroute, maar in een bos of heel kleinschalig landschap zijn ze niet gebonden aan bepaalde vaste structuren. Onderbrekingen in lijnvormige structuren zijn beperkt door de reikwijdte van de echolocatie en vergroot de gevoeligheid voor wind (BIJ12, 2017a).

68

III: SOORTINFORMATIE VLEERMUIZEN

Foerageren De gewone dwergvleermuis foerageert vooral om bomenrijen, watergangen met opgaande begroeiing en groene erfafscheidingen. De grootte van het jachtgebied van een individu is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en bedraagt 0.3 hectare in zeer natte gebieden tot 300 hectare in droge gebieden. De gekozen jachtlocatie hangt af van het insectenaanbod en de weersomstandigheden. De gewone dwergvleermuis kent verschillende typen foerageergebieden, bijvoorbeeld: • Open ruimten ter grootte van circa 1 – 3 volwassen bomen in dichte begroeiing zoals bossen. • Sterk wind beschutte plaatsen langs lijnvormige hoog opgaande begroeiing of wind beschutte plaatsen langs water. Op deze plekken is het voedselaanbod hoger en de energiekosten om ze te bejagen lager. Hoe hoger de bomen of hoe breder de structuur is, hoe groter het insectenaanbod. Alleen bomenrijen met een porositeit (doorlatendheid) kleiner dan 30% (in midden Nederland) en 10 % (noord en west Nederland) bieden voldoende windbeschutting om te kunnen dienen als foerageergebied. • Open gebieden zonder bomen, vooral boven oevers van donkere allerlei typen water en vaak boven rietkragen. Specifieke eisen waaraan een nieuwe foerageerroute moet voldoen zijn: • Bij het dienen als zowel vlieg als foerageerroute moet de aanwezige beplanting hoger zijn dan alleen bij een vliegroute. • Water voor muggen is van belang.

• Bij het verwijderen van een vliegroute moet de nieuwe vliegroute parallel lopen aan de oude. • De beplanting moet lijken op de originele beplanting ten anzien van de hoogte, dichtheid, structuur en dergelijke. • Gestreefd moet worden naar een begroeiing die in de eerste zomer een porositeit heeft van minder dan 50% en na 2 -3 jaar een porositeit van minder dan 30% heeft. Dit kan bereikt worden door bijvoorbeeld gebruik te maken van een dubbele bomenrij met een plantafstand van 0,5 x de hoogte van de aan te planten bomen of van 0,75 x de hoogte van de aan te planten bomen als deze al ouder zijn. • Opsnoeien van de bomen moet niet plaatsvinden voordat de bomen 10 meter hoog zijn. • Bomen en struiken met verschillende hoogte en groeisnelheid aanplanten. • Zorgen voor een gevarieerde vegetatiestructuur met loofbomen, struiken, verruigd grasland en beschut open water met glooiende oevers, waar zich een goede oeverbegroeiing kan ontwikkelen. • In bossen kleine open plekken maken door het verwijderen van 1 – 3 volwassen bomen. Bij grotere bossen met bomen van meer dan 20 meter hoog kunnen ook golvende bosranden worden gemaakt.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

• In populierenbossen 3 – 5 plantrijen populieren opsnoeien tot een hoogte van 5 – 7 meter, waarbij tenminste drie rijen langs de randen niet worden opgesnoeid. • Realiseren van windbeschutte bomenrijen door enkele rijen bomen mét een dichte ondergroei van struiken aan te planten of het planten van dubbele rijen in driehoeksverband. • Langs water van meer dan 10 meter breed aan weerszijde van het water 3 – 5 rijen bomen planten met tussen het water en de eerste bomenrij een 3 – 5 meter brede strook met lage vegetatie (natuurlijke oever, ruigte, gras). Vliegroutes Aan de vliegroutes voor de gewone dwergvleermuis worden eisen gesteld ten aanzien van de beschutting en hoogte, dichtheid en structuur (enkel, dubbel, overhangend). Ook worden er eisen gesteld aan de mate van aanwezige gaten of onderbrekingen, aanwezige lichtbronnen en hoe de vliegroute ligt ten opzichte van het landschapselement. Onder verschillende weersomstandigheden, bijvoorbeeld bij verschillende windsnelheden en windrichtingen, kunnen verschillende routes worden gebruikt. Soms zijn de vliegroutes niet aan een herkenbare lijnvormige structuur te relateren. Er vindt dan een diffuse verspreiding over de woonwijk en groengebieden plaats en wordt er gefoerageerd in tuinen, bomen, bij stedelijk groen, watergangen en dergelijke. Onderstaande punten zijn van belang voor vliegroutes van vleeermuizen.

Dwergvleermuis

• De vliegroute functioneert pas als de nieuw aan te planten bomen een hoogte van minimaal 5 meter hebben en een onderste kroonbreedte van minimaal 2.5 meter. • De plantafstand moet dan maximaal 7 meter zijn; bij dubbele rijen op maximaal 7 meter van elkaar geplant, kan de plantafstand tot 16 meter zijn. • Onderplanten met een struiklaag van tenminste drie meter breed is ook mogelijk. • Aanwezigheid van water is ook van belang. • Voor vervanging van vliegroutes die niet tevens als foerageergebied worden gebruikt moet rekening gehouden worden met een periode van minimaal 1 tot 2 jaar. • Grote gaten in vliegroutes kunnen overbrugd worden door het plaatsen van 4.5 meter hoge palen (waarvan 3 meter boven de grond) van tenminste 20 centimeter doorsnede die in dubbele rij in verband geplaatst zijn op 0.4 meter afstand van elkaar.

69

IV: SOORTINFORMATIE KLEINE MARTERACHTIGEN

In Flevokust Haven wordt het compensatiebos aangelegd om onder andere het leefgbied van kleine marterachtigen te compenseren. Onder de term kleine marterachtigen worden voornamelijk de volgende soorten verstaan: bunzing, boommarter, hermelijn en wezel. Leefomgeving marterachtigen De aanwezige waterpartijen zullen veelal stilstaand zijn met open plekken voor opwarming door de zon. Het water wordt warm en ontwikkelt de eitjes van muggen. Deze muggen trekken op hun beurt kikkers en andere amfibieën aan die kunnen dienen als prooi voor de bunzing en hermelijn. Dit zijn dan ook de soorten die vooral van waterrijke omgevingen houden en snel langs bedekte, lijnvormige struwelen te vinden zijn. Deze struwelen worden opgebouwd uit de roosachtigen (Rosacea), eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) (70%), sleedoorn (Prunus spinosa) (20%) en hondsroos (Rosa canina) (10%). Deze soorten zijn al eeuwen gebruikt als natuurlijke veekering en hebben altijd gefungeerd als toevluchtsoord voor verschillende diersoorten. Dit zorgt voor een extra lijnvormig element zodat het gebied straks ook aantrekkelijk is voor suburbane soorten als zang- broedvogels en gebouwbewonende vleermuizen. De vogels kunnen de bomen gebruiken als nestlocaties en voor de vleermuizen kunnen ze dienen als vliegroute. Door middel van sinusbeheer worden grasachtige delen gemaaid, zo ontstaat een gradiëntrijk karakter.

Dit komt de biodiversiteit op veel vlakken ten goede en het trekt prooidiersoorten van kleine marterachtigen aan (o.a. veld- en woelmuizen). Bunzing Als dagrustplaats gebruikt de bunzing voornamelijk bestaande holen, zoals konijnenholen en holen van bijvoorbeeld de muskusrat. Ook takken- en steenhopen, duikers en rommelschuurtjes worden als dagrustplaats gebruikt. In de winter zoeken bunzingen vaak warmere plekken op, zoals hooi- en strobalen. Het voedsel van de bunzing bestaat uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, hazen, ratten, muizen, mollen, vogels, vogeleieren, reptielen, amfibieën en insecten, maar ook vogelkers, bosbes of ander fruit wordt gegeven. Hij graaft soms ook zelf een hol. Het instandhouden van holle bomen, overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen en het laten liggen van takkenhopen en rietbossen zijn goede maatregelen die er voor zorgen dat de bunzing voldoende schuilplaatsen heeft. De enige eisen die een bunzing aan zijn habitat stelt zijn voldoende beschutting en voldoende voedsel en water. Deze eisen komen terug in biotopen zoals bos en weiland. Binnen deze biotopen maakt de bunzing gebruik van opvallende elementen. Het dieet bestaat voor 55% uit muizen en ratten, 30% uit vogels en vogeleieren, 13% uit amfibieën en 2% uit overig (Lanszki & Heltai, 2006; MacDonald, 2017).

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op bij bijvoorbeeld bosschages, houtstapels of heggen. Voldoende schuilmogelijkheden en voedsel zijn de enige eisen die een wezel aan zijn habitat stelt. Dit is te vinden in biotopen zoals bos, weiland en zelden moeras. Binnen deze biotopen maakt de wezel vooral gebruik van lijnvormige landschapselementen. Het dieet bestaat voor 68% uit muizen (hoofdzakelijk woelmuis), 25% uit konijnen, 5% uit vogels en vogeleieren en 2% uit overig (MacDonald, 2017; McDonald, Webbon, & Harris, 2000). Hermelijn De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol. Verplaatsen doet de hermelijn meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter. Hermelijnen gebruiken een holle boom, een ruimte tussen rotsen of een verlaten hol als nest. De verlaten holen kunnen zelfs van prooidieren zijn.

De eisen die een hermelijn aan zijn habitat stelt zijn de aanwezigheid van voldoende beschutting, voedsel en water. Dit is beschikbaar in biotopen zoals bossen, weilanden en moerasgebieden. Binnen deze biotopen maakt de hermelijn vooral gebruik van lijnvormige landschapselementen. Het dieet bestaat voor 65% uit konijnen, 16% uit muizen, 17% uit vogels en vogeleieren en 2% uit overig (MacDonald, 2017; McDonald, Webbon, & Harris, 2000).

Bunzing

Wezel

Hermelijn

70

IV: SOORTINFORMATIE KLEINE MARTERACHTIGEN

Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt dat beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolder en in moerasbossen in Overijssel en Utrecht. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan. Zijn eten bestaat uit insecten (waaronder hommel- en wespenbroed), vogels en eieren, kleine zoogdieren (van muis tot konijn) en aas en af en toe een eekhoorn. In de nazomer en herfst eet de boommarter veel bessen en vruchten. Voor de boombewonende marterachtigen zoals de boommarter geldt dat het essen-iepenbos geschikt is als leefgebied. Door de dichtheid van de bomen geeft dit het dier voldoende dekking. Daarnaast zijn deze bomen snelgroeiend. Zodra deze bomen verder ontwikkelen vormen er grotere open plekken.

Tegen die tijd zijn de aanwezige eikenbomen ver genoeg ontwikkeld om de functie van leefgebied over te nemen. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen.

Steenmarters maken veelal geen echt nest; meer een schuilplaats in een kier of nis met diverse voorhanden zijnde materiaal. Schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt, kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn. Maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter is gebaat bij voldoende rustig gelegen schuilplaatsen zoals holle bomen of bosschages. Schuilplaatsen kunnen makkelijk gemaakt worden door houtstapels met hooi en stro op een kleine verhoging te plaatsen. Grote nestkasten als van kerkuil en bosuil worden ook door steenmarters gebruikt. Ook het aanplanten en behouden van fruitbomen en kleine landschapselementen zoals heggen, bosjes en bermen, verhoogt de aantrekkelijkheid van een gebied voor de steenmarter.

Boommarter

Steenmarter

De steenmarter is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. Steenmarters eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. De steenmarter heeft een veelzijdig menu met o.a. muizen, ratten, egels, jonge konijnen, vogels, eieren, kevers, rupsen, kikkers en regenwormen. Ook eet hij, vooral tussen juli en december, veel vruchten en bessen, zoals bramen, bessen van vogelkers en zwarte nachtschade, appels, peren en kersen. In de winter eet hij ook wel spitsmuizen. Steenmarters eten ook menselijk voedsel zoals brood. Befaamd is de voorliefde voor eieren (van kip, eend, fazant) die hij versleept naar een rustig plekje. In de buurt van de schuilplaats zijn soms kleine voedselvoorraden te vinden. Deze zijn vaak onbedekt en zijn te vinden bij hooibergen, in schuurtjes of op zolders of in nissen en spleten van grotten en steengroeven. Flevokust-Haven | 03.05.2023

71

V: SOORTINFORMATIE OVERIGE DOELSOORTEN

Das Binnen de primaire structuren zal de das alleen voor kunnen komen op de hoger gelegen droge stukken. De das zal er hoogstwaarschijnlijk een plek zoeken in het eiken-haagbeukenbos en zal foerageren in het kruidenrijke grasland. Voorwaarde is dat de soort zich in het gebied kan vestigen. De das houdt van open plekken met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. De belangrijkste eis voor de das is het feit dat de burcht en de das zelf vrij moet zijn van verstoring door mensen en dus net in de buurt van paden zit. Ook moet de grond goed vergraafbaar zijn wat in Flevokust Haven het geval is door de hoogtevorming met zand (water 1.5 m onder maaiveld). In het grasland gaat de das op zoek naar regenwormen mits het gras niet te hoog is. Verder eten ze bosvruchten, gevallen fruit, noten, eikels, knollen, maïs, koren, paddenstoelen, knaagdieren, slakken, kevers en hommelen wespenbroed. In bermen, akkerranden en slootkanten wroet de das vaak naar kevers en insectenlarven. Gebieden kunnen door de wijze van beheer (beter) geschikt gemaakt worden voor de das. Denk hierbij aan het creëren van open plekken in bossen, het bemesten van graslanden en het aanplanten van heggen en houtwallen. Hierdoor ontstaan geschikte leefgebieden, waarin de das voldoende voedsel vindt en zich veilig kan verplaatsen.

Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Deze zijn in het projectgebied aanwezig in de moerasvarenelzenbroekbos en het bijvoet-ooibos. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. De bever kan door het bouwen van dammen en het ‘omknagen’ van bomen en struiken zijn eigen leefomgeving vormen/ verbeteren en daarbij een grote invloed op het landschap hebben. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. In ondiep stromend water worden dammen gebouwd om de gewenste waterstand te krijgen. Doorgaans worden geen dammen gebouwd in watergangen breder dan 5 meter. In het projectgebied zijn de watergangen naar verwachting circa 15 meter breed. Momenteel is er een bever gesignaleerd aan de waterkant van het projectgebied. ‘s Winters bestaat het voedsel voornamelijk uit de bast en de twijgen van houtige gewassen en wortelstokken, bijvoorbeeld van de waterlelie. Van de boomsoorten worden voornamelijk de zachte soorten gekozen zoals wilg en populier. Wilg en populier worden aangeplant in het gebied en kunnen dus dienen als voedsel voor deze soort.

In het zomerseizoen wordt dit menu aangevuld met kruidachtige land- en waterplanten, maar ook boombladeren. Als een bever zich ergens vestigt, begint hij over het algemeen met het graven van een hol onder de waterlijn (met een diameter van circa 35 cm). Na enkele meters graaft hij omhoog om boven het grondwaterpeil uit te komen. In het droge

Flevokust-Haven | 03.05.2023

deel van de oever graaft hij een kamer uit. Is de oever hoog en kleiig dan kan het dak in stand blijven en spreken we van een hol. Is de oever relatief laag en zanderig dan stort het dak van de kamer meestal al na korte tijd in en wordt het gat met takken en modder afgedekt. Dan wordt het een burcht genoemd. Steile hogere oevers met een begroeiing van bomen of struiken zijn favoriet voor het graven van holen en de constructie van burchten. Daarbij zorgen de wortels van de bomen en struiken voor een stabiel dak boven de kamer en is dekking en voedsel aanwezig. Ringslang De ringslang heeft een voorkeur voor waterrijke leefgebieden waar veel amfibieën voorkomen die als voedsel dienen. Naar verwachting zullen de aan te leggen poelen veel muggen en daardoor amfibieën aantrekken. Verder heeft het een goede ei-afzetplaats nodig. Over de opbouw van een goede ei-afzetplaats is weinig bekend. Ingerotte boomstobben en dichte lagen organisch materiaal met broei worden waarschijnlijk gebruikt. Het plaatsen van een broeihoop blijkt wel positief te werken. Naast een voortplantingsplek heeft de ringslang ook een goede en vooral droge overwinteringsplaats nodig. Deze vindt de ringslang onder rotsformaties, onder boomwortels en in holen. Deze kunnen in verschillende plantengemeenschappen binnen dit gebied aanwezig zijn. De locatie hiervan is dan afhankelijk van de waterstand.

Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen (RAVON, 2023).

Das

Bever

Ringslang

72

V: SOORTINFORMATIE OVERIGE DOELSOORTEN

Grote vos Voor het behoud of de hervestiging van de grote vos (Nymphalis polychloros) is het wenselijk dat het bosbeheer kleinschaliger wordt. Het beheer moet gericht zijn op de ontwikkeling van meer structuur en het maken van open plekken en beschutte inhammen in bosranden. Markante iepen moeten behouden blijven. Daarnaast moet in de winter meer hout blijven liggen, zodat de grote vos daar een plekje kan vinden om te overwinteren. Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater. De otter is een schuw dier en meestal ‘s nachts actief maar liggen wel eens overdag te zonnebaden. De otter kan uitstekend zwemmen en duiken. De otter eet voornamelijk vissen kleiner dan 25 cm, zoals paling, baars, snoek, karper en zalm. Hij eet ook amfibieën, watervogels, woelratten, ratten, rivierkreeften, krabben, wormen en grotere insecten. In de winter zoekt de otter zijn voedsel in stromend water of meren met wakken. In helder water spoort de otter zijn prooi met zijn ogen op.

In troebel water schakelt de otter over op zijn snorharen, waarmee hij de bewegingen van vissen in het water kan voelen. Om zijn prooi te vangen jaagt de otter het vaak op naar een stuk riet, zodat het moeilijker kan ontsnappen. Grote vissen brengt hij, tegen de borst gedrukt, aan land om daar op te eten. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties (o.a. riet), struwelen en bosschages, maar ook in kunstmatige holten. De otters maken hierbij gebruik van boomstronken en wortelstelsels, oude holen van bijvoorbeeld muskusratten of konijnen, constructies van takken en modder gemaakt door bevers, nissen onder bruggen of betonpijpen.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Grote vos

Otter

73

VI: NDFF SOORTENWAARNEMINGEN

In deze bijlage is een overzicht opgenomen van diersoorten in en rondom het projectgebied. De waarnemingen zijn gebaseerd op de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De onderstaande gegevens gelden over de afgelopen 10 jaar. De omtrek van het onderzoeksgebied is gezet op 22 kilometerhokken (zie afbeelding). Exoten zijn bij dit onderzoek niet meegenomen.

Waarnemingen plangebied en omgeving

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Waarnemingen plangebied Flevokust Haven

74

VII: SOORTENLIJSTEN ZAADMENGSELS CRUYDHOECK

G3 Bloemrijk grasland voor jaarrond natte tot vochtige grond • Achillea ptarmica - Wilde bertram • Angelica sylvestris - Gewone engelwortel • Barbarea vulgaris - Gewoon barbarakruid • Caltha palustris subsp. palustris - Gewone dotterbloem • Cardamine pratensis - Pinksterbloem • Cirsium palustre - Kale jonker • Dactylorhiza praetermissa - Rietorchis • Epipactis palustris - Moeraswespenorchis • Eupatorium cannabinum - Koninginnekruid • Filipendula ulmaria - Moerasspirea • Hypericum maculatum subsp. obtusiusculum - Kantig hertshooi • Hypericum tetrapterum - Gevleugeld hertshooi • Iris pseudacorus - Gele lis • Lotus pedunculatus - Moerasrolklaver • Luzula campestris - Gewone veldbies • Lycopus europaeus - Wolfspoot • Lysimachia vulgaris - Grote wederik • Lythrum salicaria - Grote kattenstaart • Mentha aquatica - Watermunt • Prunella vulgaris - Gewone brunel • Pulicaria dysenterica - Heelblaadjes • Ranunculus acris - Scherpe boterbloem • Rhinanthus angustifolius - Grote ratelaar • Rhinanthus minor - Kleine ratelaar • Silene flos-cuculi - Echte koekoeksbloem • Thalictrum flavum - Poelruit • Valerianaofficinalis - Echte valeriaan

G3 kruidenmengsel

01 onderbegroeiing

N3 bijenmengsel

W2 wadi zware grond

Flevokust-Haven | 03.05.2023

O1 Ruige onderbegroeiing voor boszomen • Alliaria petiolata - Look-zonder-look • Angelica sylvestris - Gewone engelwortel • Anthriscus sylvestris - Fluitenkruid • Arctium minus - Gewone klit • Campanula trachelium - Ruig klokje • Chaerophyllum temulum - Dolle kervel • Chamaenerion angustifolium - Wilgenroosje • Chelidonium majus - Stinkende gouwe • Crepis capillaris - Klein streepzaad • Digitalis purpurea - Vingerhoedskruid • Eupatorium cannabinum - Koninginnekruid • Filipendula ulmaria - Moerasspirea • Geranium robertianum - Robertskruid • Geum urbanum - Geel nagelkruid • Heracleum sphondylium subsp. sphondylium - Gewone berenklauw • Hieracium sectie Tridentata - Stijf havikskruid • Lapsana communis - Akkerkool • Myosotis sylvatica - Bosvergeet-mij-nietje • Prunella vulgaris - Gewone brunel • Scrophularia nodosa - Knopig helmkruid • Silene dioica - Dagkoekoeksbloem • Stachys sylvatica - Bosandoorn • Tanacetum vulgare - Boerenwormkruid • Teucrium scorodonia - Valse salie • Torilis japonica - Heggendoornzaad • Valeriana officinalis - Echte valeriaan • Vicia cracca – Vogelwikke

N3 Bijenmengsel voor zware grond • Duizendblad - Achillea millefolium • Gewoon barbarakruid - Barbarea vulgaris • Rapunzelklokje - Campanula rapunculus • Knoopkruid - Centaurea jacea • Wilde cichorei - Cichorium intybus • Klein streepzaad - Crepis capillaris • Peen - Daucus carota • Beemdooievaarsbek - Geranium pratense • Beemdkroon- Knautia arvensis • Veldlathyrus - Lathyrus pratensis • Gewone margriet - Leucanthemum vulgare • Vlasbekje - Linaria vulgaris • Gewone rolklaver - Lotus corniculatus var. corniculatus • Grote kattenstaart - Lythrum salicaria • Muskuskaasjeskruid - Malva moschata • Wilde marjolein - Origanum vulgare • Smalle weegbree - Plantago lanceolata • Gewone brunel - Prunella vulgaris • Scherpe boterbloem - Ranunculus acris • Kleine ratelaar - Rhinanthus minor • Vertakte leeuwentand - Scorzoneroides autumnalis • Dagkoekoeksbloem - Silene dioica • Avondkoekoeksbloem - Silene latifolia subsp. alba • Gele morgenster - Tragopogon pratensis subsp. pratensis • Rode klaver - Trifolium pratense • Zwarte toorts - Verbascum nigrum • Vogelwikke - Vicia cracca

W2 Wadi voor zware grond • Duizendblad - Achillea millefolium • Wilde bertram - Achillea ptarmica • Gewone engelwortel - Angelica sylvestris • Gewoon barbarakruid - Barbarea vulgaris • Pinksterbloem - Cardamine pratensis • Knoopkruid - Centaurea jacea • Wilde cichorei - Cichorium intybus • Moerassprirea - Filipendula ulmaria • Glad walstro - Galium mollugo subsp. Erectum • Veldlathyrus - Lathyrus pratensis • Gewone margriet - Leucanthemum vulgare • Moerasrolklaver - Lotus pedunculatus • Grote wederik - Lysimachia vulgaris • Grote kattenstaart - Lythrum salicaria

• Smalle weegbree - Plantago lanceolata • Gewone brunel - Prunella vulgaris • Scherpe boterbloem - Ranunculus acris • Grote ratelaar - Rhinanthus angustifolius • Kleine ratelaar - Rhinanthus minor • Vertakte leeuwentand - Scorzoneroides autumnalis • Dagkoekoeksbloem - Silene dioica • Echte koekoeksbloem - Silene flos-cuculi • Grasmuur - Stellaria graminea • Kleine klaver - Trifolium dubium • Rode klaver - Trifolium pratense • Gewone ereprijs - Veronica chamaedrys • Vogelwikke - Vicia cracca

Cruydhoeck. (2023). Catalogus & Handleiding 2023 - 2024. Geraadpleegd op 14-03-2023, van https://www.cruydthoeck.nl/media/db/6a/f2/1675070107/WEB_Catalogus%202023_spread_v2.pdf

75

VIII: OVERZICHTSKAART LAANBOMEN

Populus canadensis ‘Robusta’

Ulmus ‘New Horizon’

Populus canescens ‘De Moffart’

Tilia europaea ‘Palida’

Populus canadensis ‘Koster’

Tilia platyphyllos

Populus nigra

Quercus palustris

Ulmus ‘Rebona’

Sequoiadendron giganteum

Flevokust-Haven | 03.05.2023

76

IX: VOCHTIGHEID EN VOEDSELRIJKDOM NATUURTYPEN BOSGEBIED

Natuurtypen bosgebied gerangschikt op voedselrijkdom

Natuurtypen bosgebied gerangschikt op vochtigheid

Bron: Hennekens, S. (2022). SynBioSys Nederland (3.6.8) [Computerprogramma]. Wageningen Environmental Research.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

77

X: UITWERKING BEHEER PER NATUURTYPE

Inleiding De compenserende functie van het gebied valt of staat met het gevoerde beheer. Om de compenserende functie het bosgebied voor doelsoorten kleine marterachtigen (wezel), steenmarter en vleermuizen in stand te houden is het noodzakelijk beheer toe te passen dat op functionaliteit voor deze soorten is afgestemd. Ander uitgangpunt voor het (beheer)plan zijn de andere aanwezige soorten in het gebied (bever, otter, boommarter en ringslang) en fauna uit de omgeving (zie bijlage VI en XI).

Algemeen Binnen het (bos)gebied is beheer noodzakelijk om de beoogde natuurtypen in stand te houden en zo blijvend compenserend leefgebied voor de doelsoorten kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen te waarborgen. Hierbij wordt in het bos gedoeld op gefaseerd bosrandbeheer en gefaseerde dunningen. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype.

Belangrijk is dat binnen het bosgebied de nadruk blijft liggen op het ontwikkelen en behouden van structuurvariatie, variatie in gradiënten en functionaliteit voor de doelsoorten. Dit door het beheer af te stemmen op de heersende wilddruk en het verloop van het ontwikkelingsproces van de natuurtypen richting hun streefbeeld in relatie tot het leefgebied van de (doel- en aanwezige) soorten op dat moment in het proces en op lange termijn. Door de natuurtypen in stand te houden en te beheren op basis van ontwikkelingsproces en (leef)kwaliteit, blijft het compenserend leefgebied voor de doelsoorten gewaarborgd. Tot slot dient bij de uitvoer van het beheer gewerkt te worden volgens ecologische werkprotocollen. Deze manier van werken zorgt ervoor dat eventuele verstoring van de aanwezige fauna tot een minimum beperkt blijft.

Dunnen is noodzakelijk gezien er bewust voor gekozen is om de bomen relatief dicht op elkaar aan te planten, om zo op de korte termijn voldoende beschutting en structuurvariatie in het gebied te realiseren. Tevens dient te worden voorkomen dat na verloop van tijd in successie de volgende overgangen plaats vinden: • Essen-iepenbos naar eiken-haagbeukenbos • Elzenbroekbos naar essen-iepenbos • Wilgenbroekbos naar essen-iepenbos • Doornstruweel naar bos

Om de functie als leefgebied voor doelsoorten verder te versterken zijn er in deze bijlage een aantal beheersuggesties opgenomen. Deze zijn gebiedsbreed opgesteld. Beheersuggesties: • Snoeimateriaal gedeeltelijk achterlaten (liefst op takkenhopen, broeihopen of houtrillen). Deze hoeveelheid is afhankelijk van de ontwikkeling ten opzichte van het streefbeeld. • Staand dood hout zoveel mogelijk laten staan. • Mollen, muizen of ratten niet bestrijden. • Aanlijnplicht voor honden in het gebied stellen. • Beheerwerkzaamheden uitvoeren buiten kwetsbare periode (kleine) marterachtigen en broedvogels • Werk bij maai-, graaf- of snoeiwerkzaamheden één kant op zodat dieren de kans hebben weg te vluchten tijdens de werkzaamheden. • Faseer beheerwerkzaamheden in ruimte en tijd, zodat altijd een deel van het geschikt leefgebied ongemoeid blijft en de nodige dekking blijft geven. Het is hierbij van belang dat deze delen in verbinding blijven met omliggend leefgebied. • Houd op termijn rekening met het verval van aangelegde faunavoorzieningen, zoals de steen- en broeihopen.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

De dicht op elkaar staande bomen belemmeren op de lange termijn de ontwikkeling van de boomsoorten en ondergroei van het bos, wat verlies aan structuurvariatie tot gevolg heeft. Door cyclisch om de 5 à 10 jaar te dunnen, afgestemd op het ontwikkelingsproces van de natuurtypen en de aanwezigheid van soorten die successie in gang zetten, wordt gewaarborgd dat er op lange termijn voldoende beschutting en structuurvariatie blijft bestaan. Om zo veel mogelijk structuurvariatie te realiseren is het aan te raden om verschillende dunningsmethoden in te zetten. Naast dunnen is het aan te raden bomen te ringen. Ringen is een beheeringreep waarbij een strook bast volledig rondom de stam van een boom wordt verwijderd waardoor de boom geleidelijk afsterft. Hierdoor ontstaat er staand doodhout in het bosgebied wat gunstig is voor holen bewonende soorten, zoals kleine marterachtigen. Het beheren van de bos- en/of struweelrand heeft als doel een geleidelijke overgang van gesloten bos naar open landschap te behouden. Op deze manier wordt de variatie aan structuur binnen het bosgebied gewaarborgd en blijven daarmee foerageer- en migreermogelijkheden voor fauna behouden. In de mantel is het van belang de hoog opgaande boom- en struikvormers tijdig gefaseerd terug te zetten, waarbij de frequentie afhankelijk is van de ontwikkeling van de bosrand.

De functionaliteit voor doelsoorten is hierbij het uitgangspunt. Voor de zoomvegetatie in de bosen/of struweelrand is het van belang om de oppervlakten afhankelijk van de hoeveelheid opkomende biomassa eens in de 1 tot 5 jaar gefaseerd

te maaien in de nazomer of herfst en het maaisel vervolgens af te voeren. Gefaseerd maaien zorgt ervoor dat het gebied jaarrond beschikbaar is als foerageer locatie en dekking voor fauna. Belangrijk om mee te nemen in het beheerplan is dat bepaalde natuurtypen onderhevig zijn aan verlanding (elzenbroekbos, wilgenbroekbos en rietlanden). Dit is een proces waarbij drassige gebieden door de ophoping van organisch materiaal geleidelijk veranderen in land en dient daarom te worden tegengegaan. Het gedeeltelijk toepassen van hakhoutbeheer (met of zonder rabatten) en de rietlandvegetatie gefaseerd te schonen en maaien is aan te raden gezien er middels deze beheervorm niet alleen biomassa uit het gebied wordt gehaald, maar ook een mooie afwisseling in structuur wordt toegevoegd aan het natuurtype. Rietland (specifiek) Om de rietkragen langdurig in stand te houden moet voedselverrijking (hypertrofiëring) en inspoeling van afvalwater worden tegengaan. Door in de winter gefaseerd te maaien wanneer de voedselreserves van het riet in de wortelstokken zitten, blijven de rietkragen in het gebied behouden en krijgt het riet optimale kans om te groeien. Daarnaast dienen opkomende boom- en struikvormende soorten te worden verwijderd om overgang tot successie te voorkomen. Ruigte (specifiek) Ruigte is een tussensamenstelling in de sucessie. Ruigte wordt in stand gehouden door Sinusbeheer.

Sinusbeheer is een vorm van gefaseerd maaibeheer waarmee optimaal rekening gehouden wordt met de aanwezige biodiversiteit. Door bij elke maaibeurt zo’n 40% van de vegetatie met rust te laten en in slingerende paden te maaien, wordt er een grote variatie aan structuur gerealiseerd De Vlinderstichting (z.d.). Gefaseerd maaien en afvoeren zorgt ervoor dat de ruigte jaarrond beschikbaar is als foerageerlocatie en beschutting voor fauna. Opkomende boom- en struiksoorten dienen uit de vegetatie te worden verwijderd. De frequentie van het beheer is afhankelijk van het verloop van de wilddruk en ontwikkeling van het natuurtype (De Vlinderstichting. z.d.).

78

XI: AANSLUITING OP NNN-GEBIEDEN

Inleiding De boslocatie in Flevokust Haven sluit binnen het Natuur Netwerk Nederland in de provincie Flevoland aan op de Stadsbossen van Lelystad. De Stadsbossen Lelystad zijn opgedeeld in verschillende deelgebieden: het Visvijverbos, Houtribbos, Zuigerplasbos, Overijsselse Hout, Oostrandpark en Gelderse Hout. Al deze bossen zijn gelegen op zavelhoudende bodem en bevatten vegetatie passend bij deze bodem. Gezamenlijk vormen deze bossen leefgebied voor bossoorten en soorten van open water.

lopen wandel- en fietspaden maar er wordt relatief weinig gerecreëerd. (Provincie Flevoland, z.d.).

De bosgebieden zijn met elkaar verbonden door de Oostervaart. Direct ten noorden van het Oostrandpark loopt de Oostrandtocht, die uitkomt in de Oostervaart. De Oostervaart is in gebruik als scheepvaartroute met weinig natuurlijke oevers. De bosgebieden Overijsselse Hout en Gelderse Hout, Zuigerplasbos en Houtribbos vormen een belangrijke schakel in de keten van natuurgebieden rondom Lelystad. Bovendien grenzen de gebieden aan de verbindingszone Lage Vaart.

Oostrandpark Dit deelgebied bestaat uit een parkachtig landschap van bosaanplanten afgewisseld met soortenrijke graslanden. Langs de noordrand van dit deelgebied loopt de Oostrandtocht, die op enkele plekken zo breed is dat er eilandjes zijn aangelegd. In deze tocht zijn o.a. bever en ijsvogel waargenomen. Een goede waterkwaliteit heeft ervoor gezorgd dat hier bijzondere laagveenlibellen aanwezig zijn, te weten de vroege glazenmaker en glassnijder. In dit deelgebied liggen een woonwijk en enkele agrarische percelen, die buiten de NNN vallen. In het Oostrandpark liggen enkele graslandpercelen, die ecologisch worden beheerd. Er komen planten voor zoals de rietorchis en de brede wespenorchis. Langs de westrand van het gebied loopt de drukke weg Oostranddreef. Het Overijsselse Hout en het Oostrandpark zijn van elkaar gescheiden door de Runderweg. Verder lopen door het gebied veel fiets- en wandel- en ruiterpaden en enkele doodlopende wegen voor de toegankelijkheid van woningen en bedrijven. (Provincie Flevoland, z.d.).

In de stadsbossen is de aanwezigheid van rietorchis opvallend. Dit heeft te maken met de zavelhoudende bodem. Tevens komen tongvaren en addertong in veel van de terreinen voor. Ook heeft de meervleermuis een vliegroute boven de Oostervaart. (Provincie Flevoland, z.d.). Wezenlijke kenmerken en waarden: • Gezamenlijk vormen de bossen leefgebied voor bossoorten. • Geschikt leefgebied voor soorten van open water. • Zavelhoudende bodem met bijbehorende kenmerkende vegetatie. Lokale wezenlijke kenmerken en waarden: • Visvijverbos: Stapsteen langs de noord- en oostrand van Lelystad via de Noordertocht en de Oostervaart. • Zuigerplasbos: Inlaat van water vanuit Lage Vaart en daarmee hoge visrijkdom. • Zuigerplasbos: Natte graslanden langs de Zuigerplas met groeiplaatsen van orchideeën. • Houtribbos: Bosreservaat droog essen-iepenbos. Visvijverbos Het Visvijverbos is een multifunctioneel vochtig productiebos van ca. 125 ha groot en bestaat vooral uit omgevormd populierenbos met gemengd loofhout met daartussen enkele percelen naaldhout. Het bos vormt een stapsteen langs de noord- en oostrand van Lelystad via de Noordertocht en de Oostervaart en is een leefgebied voor bos- en struweelvogels. Ook de boommarter wordt regelmatig waargenomen en de bever maakt er gebruik van de Noordertocht. Het gebied wordt doorsneden door de A6. Deze snelweg zorgt voor barrièrewerking en geluidshinder.

De A6 is voor kleine fauna te passeren via een droge passage. Door het gebied

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Overijsselse Hout Dit deelgebied is een multifunctioneel bosgebied en bestaat uit bos en speelweiden. Het bosgebied bestaat uit populier en es, gemengd met andere loofhoutsoorten en enkele percelen met naaldhout. In het gebied liggen een crematorium en een manege (met twee weilanden), die niet tot de NNN behoren. (Provincie Flevoland, z.d.).

(gevlekte orchis en rietorchis). Het Zuigerplasbos wordt aan de oostzijde begrensd door de Hanzelijn, aan de westkant grenst een golfbaan en aan de zuidzijde een volkstuinencomplex. In het parklandschap zijn fiets- en wandelpaden en een belevenisbos aanwezig. (Provincie Flevoland, z.d.). Houtribbos Het Houtribbos is een 16 ha groot bosreservaat. Dit bosgebied is het oudste Essen-Iepenpolderbos in Nederland. Het bos is aangeplant tussen 1964 en 1968 en is sinds 1995 aangewezen als bosreservaat. Het bos bestaat vooral uit populieren en zomereik, aangevuld met andere loofhoutsoorten zoals iep en es. Het bos heeft een dichte struiklaag van hazelaar, vogelkers en meidoorn en een kruidlaag van brandnetels en opslag van struiken. Vanaf het begin is het dood (tak)hout in het bos blijven liggen. Het gebied vormt een bijzonder leefgebied voor paddenstoelen die van een zandige ondergrond houden. Het gebied is omsloten door een fietspad en de Houtribweg welke een barrière vormen in de verbinding naar het Zuigerplasbos en het Visvijverbos. Hierdoor heeft het Houtribbos een beperkte functie als broedgebied voor bosvogels en als stapsteen in de reeks van bosgebieden langs de oost- en noordrand van Lelystad. (Provincie Flevoland, z.d.).

Gelderse Hout Dit deelgebied is een multifunctioneel bosgebied en bestaat uit bos en enkele bosweiden. Het bosgebied bestaat uit populier en es, gemengd met andere loofhoutsoorten en enkele percelen met naaldhout. Ook is een pinetum aanwezig met veel soorten naaldbomen. In de oostelijke helft van het Gelderse Hout ligt een groot volkstuincomplex, dat buiten de NNN valt. (Provincie Flevoland, z.d.). Zuigerplasbos Het Zuigerplasbos is een bosgebied met daarin de Zuigerplas. Rond de plas heeft het landschap een parkachtig karakter met grasvelden en boomgroepen. Het wordt gebruikt als recreatiegebied. Het bos bestaat voornamelijk uit loofhout en een klein aandeel naaldhout. Door de variatie in open terrein en opgaande begroeiing is het gebied aantrekkelijk voor zowel bossoorten als soorten van struwelen en bosranden, waaronder de nachtegaal. De plas is rijk aan vis met o.a. brasem, blankvoorn en zeelt. In de plas leeft de bever. Tevens is de aanwezigheid van de otter vastgesteld. Met name aan de oostzijde van de plas liggen natte graslanden met orchideeën

79

XII: OVERZICHTSKAART NATUURMAATREGELEN

Plangrens

Poel

Migratieroute

Wadi’s

Bosranden/lanen

Watergang

Faunapassages

Locaties steenhopen

Ruigte

Locaties broeihopen

Bosgebied

Vleermuiskelder

Flevokust-Haven | 03.05.2023

80

XIII: ONDERGRONDSITUATIE

Deze bijlage omvat een omschrijving van de bodem en het grondwater van Flevokust Haven. De analyse overstijgt de grenzen van het plangebied Flevokust Haven en bevat ook de directe omgeving. Geomorfologie en cultuurgeschiedenis In 1952 is het eerste deel van Flevoland ontstaan. Het kreeg de naam ‘Noordoostpolder’. Het gebied was gedraineerd en had een zeekleibodem. In 1977 kwam het tweede gedeelte van Flevoland boven water genaamd ‘Oostelijk Flevoland’. Na de aanleg van Oostelijk Flevoland werd op het plangebied van Flevokust haven een viskwekerij aangelegd op de voormalige zeeklei-bodem. Deze viskwekerij heeft bestaan tot 1991. Twee jaar na de aanleg van de viskwekerij begon de bouw van dorpen, steden en natuurgebieden in de omgeving. Op het terrein werd het noordwestelijke deel gebruikt als viskwekerij en het zuidoostelijke deel als landbouwgrond. De locatie bij Lelystad was gunstig, door middel van een pompinstallatie kon de viskwekerij van vers (zoet) water uit het IJsselmeer worden voorzien. Singels en houtstruwelen volgden de contouren van de voormalige kweekvijvers (Erfgoedcommissie Lelystad, 2014). Bodem De hoogte van het maaiveld van het plangebied tussen NAP -5,0 m en NAP -4,25 m. De dijk langs het IJsselmeer ligt hoger op circa NAP +5,0 m. De indeling van het plangebied is verdeeld in compartimenten die omkaderd zijn door grondwallen.

Deze grondwallen hadden een hoogte van ongeveer NAP -3,0 tot -2,5 m maar zijn inmiddels afgegraven en verspreidt over het gebied. De bodemopbouw is afgeleid uit sonderingen en onderzoeken die in het plangebied hebben plaatsgevonden. Deze onderzoeken bieden echter ook informatie over het gehele plangebied. De waterbodem bestaat uit een ziltige laag tot ca. NAP -6,5 tot -7,0 m. Daaronder zijn slappe kleien veenlagen aanwezig tot een diepte van ca. NAP -12,0 tot -14,0 m. Plaatselijk worden niet tot nauwelijks slappe lagen aangetroffen. Op de historische kaart die de situatie weergeeft van 6500 v. Chr. staan nabij het huidige Lelystad de lopen van twee rivieren. Op basis van de kaart en voorkomende bodemformaties moeten eventueel voorkomende voormalige geulen en stroomruggen liggen op een diepte van circa 2,5 tot 5 meter beneden het huidige maaiveld (dat is op ca. 7,25 tot 9,75 m -NAP). Uit de genomen grondboringen binnen het plangebied is naar voren gekomen dat een oeverwal aanwezig is in het uiterste noordoosten van het plangebied. Dit maakt onderdeel uit van de aardkundige waarden. De top van de oeverwal ligt op 1,10 meter onder maaiveld.

Flevokust-Haven | 03.05.2023

Naar het zuidwesten toe duiken de Oude Zeekleiafzettingen weg tot 2,80 meter onder maaiveld. Behalve ter hoogte van de stroomruggen (noordoostzijde van het terrein) is de bodemopbouw over het gehele gebied verder vrijwel overal gelijk. De bodemkwaliteit is reeds in 2007 onderzocht in verkennende bodemonderzoeken van WMR Rinsumageest B.V. Hieruit blijkt dat er licht verhoogde gehalten minerale olie, kwik, nikkel en zink in de ondergrond van het plangebied aanwezig zijn. (Rho Adviseurs B.V.,2014). Grondwater De IJsselmeerdijk is een primaire waterkering met een hoogte van circa NAP +5,0 meter waardoor Flevoland wordt beschermd tegen het water uit het IJsselmeer. Langs de randen van het plangebied liggen een aantal sloten. Deze bepalen mede de verkaveling van het gebied. In het plangebied ligt de Forellentocht, die als KRW-watergang is aangewezen. De Karpertocht ligt ten zuiden van het plangebied en kent dezelfde aanwijzing als de KRW-watergang. Beide sloten worden gevoed door dijkse kwel en kwel vanuit het eerste watervoerende pakket. Ten noordwesten van het plangebied ligt het IJsselmeer. Dit waterlichaam heeft een functie voor zowel drinkwater en waterberging als voor transport, recreatie en natuur. In het gehele plangebied is sprake van grondwatertrap VI.

Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich tussen 40 en 80 cm -mv bevindt en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) dieper ligt dan 120 cm -mv. Op basis van TNO-peilbuizen in de nabije omgeving is bekend dat de grondwaterstand fluctueert tussen NAP -6,5 m en -4,3 m. Het grondwater reikt daarmee in de winterperiode regelmatig tot aan maaiveld. De IJsselmeerdijk beïnvloedt de grondwaterstand langs de dijk, waardoor de grondwaterstand daar wat hoger is. Binnendijks is sprake van een kwelsituatie. Door de aanwezigheid van de kleilaag is de hoeveelheid gebiedskwel zeer beperkt. De kwel is echter langs de IJsselmeerdijk aanzienlijk groter door het grote peilverschil tussen het IJsselmeer en het plangebied. Dit is lokale kwel. Deze kwel wordt grotendeels afgevangen door de kwelsloot, direct achter de IJsselmeerdijk. Op basis van een kwelberekening is de huidige kwel nabij de dijk circa 1 mm/dag. Op 500 meter van de dijk is de kwel nog 0,5 mm/ dag (Tauw, 2013).

Karpertocht. Via de Forellentocht en de Karpertocht wordt water aan- en afgevoerd. De watergangen staan onder andere in verbinding met de bermsloten van de A6 en de ten noorden daarvan gelegen watergangen. Voor het gehele binnendijkse plangebied is het streefpeil NAP -6,2 m. Het water stroomt in zuidelijke richting uit het gebied af en wordt in de zuidoostelijke hoek het plangebied (bij de Karpertocht) in oostelijke richting naar de Noordertocht afgevoerd (via de sloot langs de Houtribweg). Ten behoeve van het MER dat in 2013 is opgesteld is een omvang van het oppervlaktewater in het plangebied van 2,7 hectare vastgesteld. Dit kwam overeen met circa 1,7% van het bruto oppervlak. Hiervan is vastgesteld dat dit voldoende is om de hoeveelheid neerslag die binnen het plangebied valt te bergen (Tauw, 2013a). De verdeling van de watergangen in het gebied is redelijk gelijkmatig. Het IJsselmeer heeft een streefzomerpeil van NAP -0,2 m en een streefwinterpeil van NAP -0,4 m. De belangrijkste functies van het IJsselmeer zijn de zoetwatervoorraad, waterberging, transport, recreatie en natuur. Bij het peilbeheer wordt rekening gehouden met de weersverwachting en de aanvoer van water uit de rivieren om piekafvoeren op te kunnen vangen en om extra water vast te kunnen houden als droge perioden worden verwacht.

Overtollig water wordt onder andere afgevoerd via spuisluizen bij Kornwerderzand en Den Oever. De waterkwaliteit in het IJsselmeergebied is overwegend goed. De waterkwaliteit van deze watergangen (Karpertocht en Forellentocht) is beter dan in andere watergangen van de Flevopolder, omdat deze gevoed worden door dijkse kwel en water uit het eerste watervoerende pakket. (Rho Adviseurs B.V.,2014).

Het binnendijkse gedeelte van het plangebied maakt deel uit van Oostelijk Flevoland, het voormalige viskwekerijgebied. Langs de IJsselmeerdijk ligt hier de Forellentocht. Langs de Karperweg de

81

COLOFON

Buro Stedenbouw Kerkplein 5 8121 BM Olst T. : 0570 - 230 104 E. : info@burostedenbouw.nl www.burostedenbouw.nl

Opdrachtgever

: Gemeente Lelystad

Projectnummer Contactpersoon

: P05270 : Ir. G.E. van der Werp

Datum

: 03.05.2023

Ecologische input: GRAS Advies Civieltechnische ondersteuning: Buro Hoogstraat Onderdeel van:

blz. 90

(vastgesteld)

blz. 91

Bijlage 2

(vastgesteld)

Bodemonderzoek

CONRATO B.V.

VERKENNEND (WATER)BODEM- EN ASBESTONDERZOEK EN INDICATIEF PUINONDERZOEK TOEKOMSTIGE LOCATIE BESTSELLER, PERCEEL H2974 TE LELYSTAD

3 MEI 2022

WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN

PROJECTNUMMER OSA019852 DOCUMENTNUMMER OSA019852-bodem.RAP001, versie 1.0

wsp.com

COLOFON OPDRACHTGEVER Conrato B.V. Vendelier 41 5684 GG Best CONTACTPERSOON OPDRACHTGEVER De heer Ralph Henderix PROJECTNUMMER OPDRACHTGEVER CONTACTPERSOON WSP NEDERLAND B.V. De heer drs. R.N. van Rijnsoever Tel: +31 6 22 970 259 Email: Robin.VanRijnsoever@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

OSA019852

OSA019852-bodem.RAP001

1.0

Definitief

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Sarah Bourgois

Junior Adviseur Bodem

3 mei 2022

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Robin van Rijnsoever

Senior Adviseur Bodem en projectleider BRL 2001, 2002, 2003 en 2018

3 mei 2022

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Robin van Rijnsoever

Senior Adviseur Bodem en projectleider BRL 2001, 2002, 2003 en 2018

3 mei 2022

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

PARAAF

PARAAF

PARAAF

WSP 3 mei 2022 pagina 2/39

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

2

VOORONDERZOEK

7

2.1

Beschrijving van de locatie

7

2.2

Historische locatiegegevens

8

2.3

Reeds uitgevoerde bodemonderzoeken

8

2.4

PFAS

10

2.5

Puin in relatie tot asbest

11

2.6

Bodembeleid

11

2.7

Regionale bodemopbouw en geohydrologie

11

2.8

Locatie-inspectie

12

2.9

Hypotheses en onderzoeksstrategieën

12

3

VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES

14

3.1

Onderzoeksopzet en Veldwerkzaamheden

14

3.2

Zintuiglijke waarnemingen

15

3.3

Grondwaterbemonstering

18

4

BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN

20

4.1

Toetsing van de analyseresultaten

20

4.2

Grond

24

4.3

Grondwater

29

4.4

Asbest

30

4.5

Puin

31

4.6

Waterbodem

32

4.7

Interpretatie

34

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

37

5.1

Conclusies

37

5.2

Aanbevelingen

39

OVERZICHT BIJLAGEN Bijlage 1

— Regionale ligging van de onderzoekslocatie Bijlage 2

— Situatietekening onderzoekslocatie Bijlage 3

— Profielbeschrijvingen Bijlage 4

— Analysecertificaten grond, grondwater, waterbodem en asbest Bijlage 5

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

WSP 3 mei 2022 pagina 3/39

— Getoetste analyseresultaten en toetsingswaarden Bijlage 6

— Foto’s Bijlage 7

— Afkortingen en begrippen Bijlage 8

— Grondverzet, sloop en asbest Bijlage 9

— Historische kaarten Bijlage 10

— Omgevingsrapportage van de provincie Flevoland Bijlage 11

— Voorgaande onderzoeken

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

WSP 3 mei 2022 pagina 4/39

1

INLEIDING

In opdracht van Conrato B.V. heeft WSP Nederland B.V. een verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek uitgevoerd ter plaatse van perceel H2874 nabij de Kaperweg te Lelystad. De ligging van de locatie en de situatietekening zijn opgenomen in bijlagen 1 en 2. De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen locatieontwikkeling tot bedrijfsterrein en het aanvragen van een omgevingsvergunning bouwen. Het onderzoek bestaat uit:  een vooronderzoek conform de NEN 5725:2017 (landbodem)1 en NEN 5717:2017 (waterbodem)2;  een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740:2009+A1:20163;  een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN 5720: 20174;  een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707+C2:20175 / NEN 5897+C2:20176;  een indicatief puinonderzoek (samenstelling en uitloging) (geen AP04-keuring). Het doel van het verkennend (water)bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is het vaststellen of de verdenking op asbest in de grond terecht is. Daarnaast worden de voorlopige veiligheidsklassen bepaald met het oog op toekomstige graafwerkzaamheden (CROW400). Kwaliteit WSP Nederland B.V. is door Kiwa Nederland B.V. gecertificeerd voor de ISO 9001, ISO 14001 en VCA** en in het kader van de Regeling Kwalibo voor de BRL SIKB 1000, 2000 en 6000.

Verder is WSP Nederland B.V. gecertificeerd voor het asbestcertificatieschema en de CO2-prestatieladder trede 5. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door WSP Nederland B.V. en Sialtech B.V. conform de onderstaande protocollen: — Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”. — Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters”. — Protocol 2003 ‘’Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek’’. — Protocol 2018 “Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem”. WSP Nederland B.V. en Sialtech B.V. Zij zijn voor beide protocollen gecertificeerd volgens de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” en door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat erkend. De veldmedewerkers die zijn ingezet beschikken over de in de BRL gestelde ervaringseisen en staan geregistreerd als erkend persoon bij Rijkswaterstaat Leefomgeving voor tenminste de voor dit project relevante protocollen. De analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. Dit laboratorium is geaccrediteerd conform de NEN-EN-ISO 17025:2005 en de AS3000 “Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”. De analyses zijn, waar mogelijk, verricht conform de AS3000.

1 NEN 5725:2017 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. 2 NEN 5717:2017 – Bodem ‐ Waterbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek 3 NEN 5740:2009+A1:2016 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de

milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. 4 NEN 5720:2017 – Bodem ‐ Waterbodem ‐ Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek. 5 NEN 5707+C2:2017 – Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 6 NEN 58978+C2:2017 – Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

WSP 3 mei 2022 pagina 5/39

De onderzoekslocatie is geen eigendom van WSP Nederland B.V., daaraan gelieerde ondernemingen of overige bij de uitvoering van het onderzoek betrokken partijen. Derhalve voldoet het onderzoek aan de onafhankelijkheidseisen uit de Regeling bodemkwaliteit en het procescertificaat BRL 2000. Disclaimer Bodemonderzoek betreft per definitie een steekproef. Het hanteren van de actuele normen en protocollen draagt in grote mate bij aan het verkrijgen van een correct beeld van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek maakt het echter onmogelijk om garanties te geven ten aanzien van de resultaten van het onderzoek. WSP Nederland B.V. accepteert geen aansprakelijkheid voor eventuele beslissingen die opdrachtgever of derden op basis van dit onderzoek nemen. Leeswijzer Dit rapport beschrijft de wijze van uitvoering en resultaten van het onderzoek en kent de volgende opbouw: In hoofdstuk 2 worden de algemene informatie van de onderzoekslocatie, de resultaten van het vooronderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoekshypothese beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het laboratoriumonderzoek getoetst. Hoofdstuk 5 sluit af met de conclusies en eventuele aanbevelingen.

Voor een uitleg van de in dit rapport gebruikte begrippen en afkortingen wordt verwezen naar bijlage 7.

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

WSP 3 mei 2022 pagina 6/39

2 VOORONDERZOEK In het kader van het verkennend onderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5725:2017 en de NEN 5717:2017. In het kader hiervan zijn de volgende bronnen geraadpleegd: — Opdrachtgever; — Gemeente Lelystad; — Provincie Flevoland; — Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek (OFGV); — Waterschap Zuiderzeeland; — Bodemloket; — Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl) — Historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl); — Kadaster (https://www.pdok.nl/viewer/#); — Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); — Terreininspectie. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.

2.1

BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE

De te onderzoeken locatie betreft het kadastraal perceel H2874 te Lelystad en is gelegen noordelijk van de Karperweg en zuidelijk van de IJsselmeerdijk en de watergang Forellentocht. In figuur 1 is de globale ligging van de locatie opgenomen.

Figuur 1: Globale ligging te onderzoeken locatie.

Verkennend (water)bodem- en asbestonderzoek en indicatief puinonderzoek Toekomstige locatie Bestseller, perceel H2974 te Lelystad OSA019852, versie 1.0 (Definitief) Conrato B.V.

WSP 3 mei 2022 pagina 7/39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=6770c207-0fd8-4815-9b66-c41cff4a3f25