BL 2. 50_20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg
Tekst van het document
(ontwerp)
blz. 36
Mitigerende maatregelen Maatregelen ten behoeve van algemene broedvogels: Voorkom altijd schade aan broedvogels. Werk op potentiële broedlocaties buiten het indicatieve broedseizoen (buiten half maart-half juli). Locaties dieals ongeschikt beschouwd worden kunnen in samenspraak met de ecoloog vastgelegd worden indien hier binnen het broedseizoen gewerkt dient te worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties op locatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Indien verstoring van broedende vogels ten noorden van het plangebied niet voorkomen kan worden moeten er schermen aan de noordkant van het projectgebied geplaatst worden om de ergste verstoring te weren. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn.
Als hierbij broedvogels worden aangetroffen, dient in een nadere toetsing nagegaan te worden of er verbodsbepalingen overtreden worden, er eventueel ontheffing aangevraagd dient te worden of werkzaamheden uitgesteld moeten worden Maatregelen ten behoeve van vleermuizen: Indien het niet mogelijk is om buiten het actieve seizoen van vleermuizen te werken (1 april tot 1 november), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden zonder kunstlicht. Hierdoor wordt verstoring door licht voorkomen. Wanneer werkzaamheden wel in het actieve seizoen tussen zonsondergang en zonsopkomst uitgevoerd dienen te worden kan dit mogelijk met vleermuisvriendelijke verlichting (amber gekleurd licht) en door het gebruik maken van gerichte verlichting met weinig onnodige uitstraling. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan, kan de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied niet worden uitgesloten. Door de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk sprake van: overtreding van lid 4 van artikel 3.1 Wet natuurbescherming (algemene broedvogels); overtreding van lid 2 van artikel 3.5 Wet natuurbescherming (vleermuizen) Het is daarom noodzakelijk om mitigerende maatregelen voor algemene broedvogels en vleermuizen in het kader van de algemene zorgplicht te treffen zoals hierboven beschreven.
Indien deze maatregelen in acht worden genomen, is het niet noodzakelijk aanvullend onderzoek naar algemene soorten in het kader van de soortenbescherming van de Wnb uit te voeren of ontheffing van de bovengenoemde verbodsbepalingen voor algemene broedvogels aan te vragen.
(ontwerp)
blz. 37
4.4.3 Natuurnetwerk Nederland Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN en de aard van het voornemen, is door bureaustudie en tijdens het veldbezoek bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van het voornemen. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van de MapViewer van de Provincie Flevoland.Ten noorden van het projectgebied ligt het natuurpark Lelystad wat onderdeel is van NNN-gebied. Het projectgebied wordt gescheiden van NNN gebied door een sloot en een berm. Ten westen, oosten en zuiden grenst er geen NNN gebied aan het projectgebied, zie Figuur 12
Figuur 12: Locatie plangebied (rode kader) ten opzichte van NNN-gebieden.
De werkzaamheden leiden niet tot een aantasting van de aanwezige waarden en kenmerken van het NNN gebied. Omdat er middels een gestuurde boring wordt gewerkt, vindt er geen ruimtebeslag plaats. De gestuurde boring zal bij het kruisen van de weg worden uitgevoerd, waarmee het NNN-gebied niet geraakt wordt. Het meest dichtbijgelegen NNN-gebied ligt op een afstand van enkele tientallen meters. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er tijdens de werkzaamheden sprake van een tijdelijke toename in verstoring door licht en geluid. Externe werking van verstoring op NNN-gebied moet in Flevoland ook beoordeeld worden. Er treedt geen permanente verstoring op door licht of piekgeluid. Door het tijdelijke karakter van de werkzaamheden treedt er geen externe werking op van verstoring op het NNN-gebied . Volgens artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Provincie Flevoland 27-02-2019 geldt voor een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen het Natuurwerk Nederland: strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de
(ontwerp)
blz. 38
inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Het projectgebied ligt buiten NNN-gebied en er treedt geen ruimtebeslag op. Bij de werkzaamheden in de buurt van het NNN gebied is mogelijk sprake van een tijdelijke toename in verstoring door licht en geluid. Met inachtneming van de mitigerende maatregelen uit paragraaf 3.3.5 van de quickscan (zie Bijlage 3) en de tijdelijke aard van de werkzaamheden vindt geen significante aantasting plaats van de wezenlijke kenmerken en waarden. Ook treedt er ook geen externe werking op van verstoring.
4.5
Water
4.5.1 Aanleiding In het kader van voorliggend bestemmingsplan, dat een 150/20kV hoogspanningsstation en bijbehorend ondergronds 150/20kV kabelverbindingen en portalen planologisch mogelijk maakt, is door Arcadis een waterparagraaf opgesteld (zie Bijlage 4). Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.
Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. Op basis van de inhoudelijke beoordeling van de ontwikkling is de normale procedure van toepassing. 4.5.2 Beleid Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft tot doel om de kwaliteit van de Europese wateren in een goede toestand te brengen en te houden. Waterbeheer op het niveau van stroomgebieden is daarbij het uitgangspunt, waarbij het stroomgebiedbeheerplan een belangrijk instrument is. In Flevoland zijn de vaarten, bijna alle tochten en enkele andere wateren en moerassen aangewezen als KRW-waterlichamen. Van belang is dat bij initiatieven tenminste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens ‘een hoger doel’ niet anders kan (notitie Gevolgen van de KRW voor fysieke projecten in en om het water, ministerie van Verkeer en Waterstaat, maart 2006).
(ontwerp)
blz. 39
Nationaal BestuursakkoordWater Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: • Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. Dit is een wettelijke verplichting in bestemmingsplannen en structuurvisie. • Toepassen van de trits schoonhouden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. • Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW-normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (neerslaggebeurtenis die statistisch berekend eens in de 100 jaar voorkomt).
Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland zijn vervangen door deze Waterwet en de zes verschillende vergunningen zijn opgenomen in één vergunning. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk doel is het klimaat adaptief en klimaatbestendig maken en wateroverlast zoveel mogelijk te beperken. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Wet Milieubeheer (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegd gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren). Een Watervergunning is nodig voor: • Werken in, aan en in de nabijheid van oppervlaktewater (bijvoorbeeld leggen van kabels, verlagen maaiveld). • Het onttrekken/(weer) lozen van grondwater tijdens bouwwerkzaamheden. • Het lozen van regenwater van verhard dak- en terreinoppervlak direct of via een retentie/infiltratievoorziening in oppervlaktewater. • Werkzaamheden in of nabij waterkeringen.
Waterprogramma provincie Flevoland Het waterprogramma van de provincie Flevoland is een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet. Hierin staan maatregelen en beleidsdoelen van de provincie Flevoland met betrekking tot waterbeleid, voor zowel betrokken en verantwoordelijke partijen. Hierin zijn de beleidsdoelen genoeg en efficiënte drinkwatervoorzieningen, goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en een goede ecologische toestand water. Er geldt
(ontwerp)
blz. 40
een provinciale KRW-opgave 40% natuurvriendelijke oevers aan te leggen binnen de context van bevaarbaar kanaal. Keur Waterschap Zuiderzeeland Een deel van het beleid van het waterschap ligt vast in de Keur. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Ook kent de Keur gebods- en verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om water of dijken, heeft met de Keur te maken. Waterbeheersplan Waterschap Zuiderzeeland Het waterbeheerplan van Waterschap Zuiderzeeland (WBP3) bevat de koers voor de lange termijn voor het waterbeheer voor de provincie Flevoland. Het plan is het beleidsen visiedocument van Waterschap Zuiderzeeland. Hierin staan de doelen en de desbetreffende maatregelen om de doelen te halen. Deze doelen vullen de eisen die de Waterwet voor de fysieke leefomgeving van Flevoland aan in vorm en inhoud. De kerntaken in het plan zijn de waterveiligheid, schoon water en voldoende water. Waterkader Waterschap Zuiderzeeland Het waterkader is opgesteld om aan te geven wat er in de watertoets en ná het watertoetsproces belangrijk is voor waterbeheer.
In het waterkader wordt aangegeven wat de streefbeelden, uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen voor de thema's veiligheid, voldoende water en schoon water zijn. 4.5.3 Waterhuishoudkundige situatie In de huidige situatie ligt het plangebied in een agrarisch gebied. Het plangebied is gesitueerd op een kaveldat niet verhard is. Het maaiveld ter plaatse ligt op ongeveer 4,5 monder NAP. Het plangebied bevindt zich op kalkrijke poldervaaggronden, bestaand uit lichte klei. 4.5.4 Grondwater Het BRO-grondwaterspiegeldiepte 2021 model geeft de voorspelling dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 0,77 m onder maaiveld is. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is 1,36 m onder maaiveld. Het maaiveld ligt op ca. NAP -4,40 m, waarmee de GLG rond de hoogte van ca. NAP -5,80 m zal fluctueren. Er zijn geen actuele peilbuizen nabij het plangebied die gebruikt kunnen worden voor de grondwaterstanden van het plangebied. Peilbuis B26E0010-001 bevat metingen van het diepere grondwater met een filter op 12 m onder maaiveld. Over de periode 1965 tot 1989 fluctueerde het diepe grondwater tussen de waarden NAP -5,30 m en NAP -6,05 m 4.5.5 Oppervlaktewater De legger van waterschap Zuiderzeeland is gebruikt om de watergangen te classificeren en eventuele belanghebbende kunstwerken in beeld te brengen.
Op de kavel waar het 150kV hoogspanningsstation zijn de slotenaan de noordoostelijke en noordwestelijke hoek verbonden met een duiker. De sloten aan de westelijke en noordelijke zijde zijn gecategoriseerd als kavelsloten, en dat aan de oostelijke zijde een wegsloot. Op de locatie van het stijggedeelte zijn er ook een wegsloot aan de zuidzijde en een kavelsloot aan de westzijde van de kavel. Het peilbesluit ZOF Lage Vaart LVA.01 geeft aan dat de wateren een winter- en zomerpeil hebben van NAP -6,20 m.
(ontwerp)
blz. 41
4.5.6 Huidige waterkwaliteit Op het meetnet van waterkwaliteit staan geen punten aangegeven nabij de kavel. Er is geen data bekend over de kwaliteit van de kavelsloten of de wegsloot. 4.5.7 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt binnen het plangebied een 150/20kV hoogspanningsstation aangelegd.In de watertoets worden ondergrondse kabels en leidingen namelijk niet opgenomen, tenzij er verharding of demping plaatsvindt. Het150/20kV hoogspanningsstation bestaat uit een schakeltuin, een Centraal Diensten Gebouw (CDG) en zes parkeerplaatsen zowel als uit twee gebouwen met installaties en zes parkeerplaatsen aan de oostzijde. Zie Figuur 13.
Figuur 13: plankaart inpassing.
Het plangebied is gelegen in een peilgebied waar een bergingsnorm van 5% geldt. De minimale compensatie is daarom 527 m² bij aanleg van nieuw oppervlaktewater op streefpeil. Voor het realiseren van een duiker van circa 10 m in de wegsloot langs de Larserringweg om de toegangswegen te realiseren is geen compensatie noodzakelijk. Wel dient een duiker in de dam te worden aangebracht.
(ontwerp)
blz. 42
4.5.8 Watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste gronden oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Het ontwikkelingsgebied van het hoogspanningsstation valt buiten de aandachtsgebieden van wateroverlast 2050 en ook niet in een gebied met bovengemiddeld sterke bodemdaling. Door de sloten te verbreden tussen het plangebied en het natuurpark wordt er voldoende rekening gehouden met doorstroming en afwatering en het gewenste peil in het watersysteem en zullen geen ingrijpende veranderingen plaatsvinden die bodemdaling bevorderen of het oppervlaktewaterpeil veranderen. Er zullen geen nieuwe peilvakken aangelegd worden waardoor versnippering van het watersysteem voorkomen wordt. In het “Waterkader voor ruimtelijke plannen in Flevoland van waterschap Zuiderzeeland” wordt het percentage oppervlakte dat moet worden gecompenseerd per hoeveelheid drooglegging gestipuleerd. Voor verhard oppervlak groter dan 2500 m2 moet 5% worden gecompenseerd.
Omdat beide locaties in hetzelfde peilgebied gesitueerd zijn, kunnen de oppervlakten van verharding bij elkaar opgesomd worden en als een geheel gebruikt worden om de waterberging te berekenen. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 10.538 m2toe. Deze toename is groter dan 2.500 m2. Hiervoor is compensatie noodzakelijk. De compensatie bestaat uit de aan te leggen berging op open water die nodig is om de invloed van rechtstreekse afstroming vanaf de verharding te compenseren. De bergingsopgave vanwege de toename van verharding is 527 m2. Dit wordt gevonden door 527 m2 extra open water aan te leggen bij een toelaatbare peilstijging van 1,3 m. Voor dit peilgebied geldt dat de maximaal toelaatbare peilstijging gelijk is aan het verschil tussen het laagste maaiveld binnen het gebied en het streefpeil van de waterlopen nabij het plangebied. Omdat de drooglegging ongeveer 1,3 m is betekent dit dat 5% van de verharde oppervlakte moet worden gecompenseerd. Er kan tussen het plangebied en het natuurpark verbreding van de sloot komen om dit te compenseren.De bestaande wegsloot op beide locaties zijn ca. 1,0 m breed. Aangenomen is dat over een lengte van 10 m een toegang wordt aangelegd en demping van de wegsloot nodig is. Er wordt 10m2 per locatie gedempt met een duiker. Hiervoor is in overleg met het waterschap geen compensatieplicht.
(ontwerp)
blz. 43
4.5.9 Waterkwaliteit De kavel voor het 150/20kV hoogspanningsstation valt vrijwel helemaal buiten het watersysteem van KRWwaterlichamen, behalve een klein deel in het noordoosten van het gebied. Hier mogen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot achteruitgang van de ecologische toestand van KRW-waterlichamen. Bij het dimensioneren van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. De kavel bevindt zich in een gebied waar verder geen grote waterpartijen zijn. Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Het gebied ligt echter wel in een gebied met mogelijke risico tot opbarsting bij 100 cm ontgraving. Er wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd aan de noordelijke kavelsloot die meewerkt aan het behoud van de huidige waterkwaliteit. Er wordt bij het aanleggen van de natuurvriendelijke oever rekening gehouden met het programma natuurvriendelijke en duurzame oevers 2012-2021, welke ook als KRW-maatregel is vastgesteld.
Bij het dempen van de sloot wordt rekening gehouden met de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (BBK) en de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten: in het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. 4.5.10 Afvalwater en lozing Er zullen in beide locaties toiletten komen met benodigde aansluitingen op het riool. In de nabijheid van de ontwikkeling is namelijk op het moment geen openbaar rioolsysteem aanwezig. Hier moet een oplossing voor worden gevonden. Voor het lozen van hemelwater is extra waterbergingscapaciteit nodig. De afvoer van het hemelwater via de daken zal worden geloosd op het oppervlaktewater. De transformatorruimten zijn aan de bovenzijde open. Hemelwater dat in contact kan komen met transformatoren kan verontreinigd zijn met olie. Het hemelwater dat valt ter plaatse van de transformatoren zal, of worden afgevoerd op de riolering, of op een hemelwatersysteem met oliedetectie (zgn.
Bundgardpomp) zodat er geen vervuild hemelwater wordt afgevoerd naar de onverharde gronden rondom. Er wordt zorggedragen dat er geen vervuild hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater. Tijdens de bouw van het project zullen er verder geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunten: voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt
(ontwerp)
blz. 44
gezuiverd. Verontreinigingen van oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. 4.5.11 Grondwater Er wordt op locatie ook bemaald voor het leggen van de kabels. Er wordt ingeschat dat er circa 40 dagen bemaaldwordt, en er tussen 2000 en 3000 m3 onttrokken wordt. In overleg met het waterschap moet dit in een apart bemalingsadvies opgenomen worden. 4.5.12 Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in het volgende: • Een beschermingszone van een primaire waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. • Het plangebied ligt niet buitendijks. Voor het onderdeel regionale waterkeringen zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. • In een beschermingszone van een overige waterkering. Voor het onderdeel regionale waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 4.5.13 Conclusie Voor deze ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de volgende aspecten: • Het ontgraven en leggen van kabels wordt niet in de watertoets opgenomen, echter is een bemalingsadvies voor de ontgravingen en op basis hiervan mogelijk een vergunning nodig. • Er dient 527 m2 aan bergingscapaciteit te worden opgenomen, door bijvoorbeeld de sloten te verbreden tussen het plangebied en het natuurpark.
• Omdat er bemaald wordt dient er een bemalingsadvies uitgevoerd te worden in overleg met het waterschap. • Er moet een oplossing gevonden worden voor het afvoeren van afvalwater van de toiletten in beide gebouwen. Er is namelijk geen nabije openbare riolering waarop aangesloten kan worden. • Er wordt zorg voor gedragen dat geen vervuild hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1 Aanleiding De kwaliteit van zowel de bodem als het (grond)water, zijn van invloed op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Wanneer er sprake is van verontreiniging kan dit de volksgezondheid negatief beïnvloeden. Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder d van het Besluit ruimtelijke ordening is een beoordeling van de haalbaarheid verplicht. Het bodemonderzoek, en dan met name onderzoek naar de bodemkwaliteit, maakt onderdeel uit van deze afweging. In het kader van de voorgenomen realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation is in opdracht van initiatiefnemers door Arcadis in juni 2022 een bodemonderzoek (zie Bijlage 10) uitgevoerd aan de Larserringweg te Lelystad.
(ontwerp)
blz. 45
4.6.2 Resultaten vooronderzoek NEN 5725 4.6.2.1 Asbest Gezien het huidige en voorgaande gebruik is de onderzoekslocatie niet asbestverdacht. Op basis van historisch kaartmateriaal en luchtfoto's, zijn geen aanwijzingen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van asbest(houdend materiaal) in of op de grond. 4.6.2.2 Bodemkwaliteitskaart De gemeente Lelystad beschikt over een bodemkwaliteitskaart. Zowel de bovengrond (0,0-0,5 m –mv) als de ondergrond (>0,5 m –mv) zijn gekwalificeerd als 'landbouw-natuur', waarbij geen verhoogde gehalten worden verwacht. 4.6.2.3 PFAS PFAS is de groepsnaam voor diverse stoffen waaronder PFOS (Perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (Perfluoroctaanzuur). De stoffen zijn zeer persistent: de natuur breekt ze niet af. Voor een aantal PFAS is aangetoond dat ze ook toxisch zijn. Daarnaast zijn kortere PFAS ook zeer mobiel omdat ze goed wateroplosbaar en/of vetafstotend zijn, en typisch slecht binden aan organisch koolstof (slib, bodem en sediment), en kunnen sommige PFAS zich door bioaccumulatie ophopen in de voedselketen. PFAS-houdende substanties worden toegepast in consumentenproducten als textiel, tapijt, leer en papier en in industriële producten zoals verf, hydraulische olie, als hulpstof in biocide en pesticide toepassingen, galvanotechniek en chroom-plating, ontkistingsolie, zonnebrandcrème en in blusschuim.
Vanaf december 2021 is het definitieve handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht. In dit handelingskader zijn diverse toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem en in oppervlaktewater vastgesteld. Uit voornoemd handelingskader volgt de noodzaak tot onderzoek naar PFAS in geval van bodemtoepassingen of afvoer van bodemmateriaal naar een erkende verwerker. In relatie tot de te hanteren onderzoeksstrategie dient in het vooronderzoek beoordeeld te worden of de locatie door de ligging verdacht is op het voorkomen van gehalten aan PFAS (bijvoorbeeld nabij bronlocaties). Indien binnen, of nabij, het zoekgebied locaties een van de onderstaande potentiële PFAS-bronnen aanwezig zijn, dan kunnen deze als verdacht worden beschouwd en dient de onderzoeksstrategie hierop te worden aangepast. Indien dit niet het geval is geldt geen specifieke verdenking op aanwezigheid van PFAS en wordt deze stofgroep net als de overige parameters uit het standaard analysepakket onderzocht ter vaststelling van de gebiedseigen (diffuse) bodemkwaliteit. In Bijlage 4 is een locatieselectie gemaakt van PFAS-verdachte activiteiten op basis van UBI-codes. Geen van deze potentiële PFAS-bronnen is gesitueerd binnen 500 meter rondom de onderzoekslocatie.
De locatie wordt derhalve als onverdacht op het voorkomen van sterk verhoogde gehalten PFAS beschouwd. 4.6.2.4 Bodemopbouw en geohydrologie De globale bodemopbouw, samengesteld op basis van de bovengenoemde gegevens, is weergegeven in Tabel 1.
(ontwerp)
blz. 46
Tabel 1
Het grondwater op de locatie bevindt zich naar verwachting op circa -5,6 m NAP. Het maaiveld bevindt zich op circa 3,6 m-NAP. Effectief wordt het grondwater daarmee verwacht op een diepte van circa 2,0 m-mv. In het gebied is sprake van infiltratie. De regionale grondwaterstromingsrichting is westelijk gericht. De stroming van het oppervlakkige grondwater wordt beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en drainage. De locatie ligt niet in een grondwater- of bodembeschermingsgebied. 4.6.2.5 Conclusies vooronderzoek NEN 5725 De resultaten van het vooronderzoek geven geen aanleiding om de locatie als 'verdacht' met betrekking tot het voorkomen van verontreinigingen aan te merken. Voor het uitvoeren van een bodemonderzoek kan worden aangesloten bij de hypothese en strategie Grootschalige onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-GR-NL).
4.7
Geluid
In opdracht van Reddyn B.V. heeft Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 11) in verband met de voorgenomen ontwikkeling van een 150/20kV hoogspanningsstation in de gemeente Lelystad. Het 150/20kV hoogspanningsstation zal in vier fases worden ontwikkeld. In het eindbeeld bevat het 150/20kV hoogspanningsstation zes transformatoren die allemaal gelijktijdig zijn ingeschakeld, waarbij het totale opgestelde en ingeschakelde vermogen uitkomt op 480 MVA. De transformatoren zullen binnen cellen worden opgesteld waarvan de zuidwestzijde en de bovenzijde open is. De compensatiespoelen zullen 'vrij' (zonder wanden) worden opgesteld. Het vermogen op het 150/20kV hoogspanningsstation komt boven de 200 MVA (namelijk in de eindsituatie 480 MVA), hiermee valt het 150/20kV hoogspanningsstation niet langer onder een categorie 3.2 inrichting (uit de VNG-richtlijnen), maar onder een categorie 4.2 inrichting. Door het toenemend vermogen van het 150/20kV hoogspanningsstation wordt de inrichting geluidszoneplichtig. Het opnemen van een geluidzone kan alleen middels een bestemmingsplan worden geregeld. Het geluidvermogen van de transformatoren bedraagt maximaal 79,5 dB(A) bij vollast (maximaal capaciteitsgebruik). Dit geluidvermogen is in het rekenmodel gelijkmatig verdeeld over het open boven- en voorvlak. Het geluidvermogen van de compensatiespoelen bedraagt maximaal 95 dB(A) per spoel.
De vermogensschakelaars die staan opgesteld in het schakelveld kunnen maximale geluidniveaus ('piekgeluiden')
(ontwerp)
blz. 47
tijdens het schakelen veroorzaken. Normaliter wordt er alleen geschakeld tijdens onderhoudswerkzaamheden in de dagperiode. Bij storing of calamiteiten kan er incidenteel ook in de avond of nacht worden geschakeld. Dit laatste behoort uiteraard niet tot de representatieve bedrijfssituatie. Het geluidvermogen van de vermogensschakelaars bedraagt maximaal 116 dB(A) (LWAmax gemeten op meterstand 'Fast'). Op basis van gegevens verstrekt door de initiafnemers is een akoestisch rekenmodel opgesteld waarmee voor de 'eindsituatie' de vanwege het station optredende geluidniveaus in de woonomgeving zijn berekend. Ook zijn de ter plaatse van woningen optredende 'maximale geluidniveaus' ten gevolge van het schakelen met de vermogensschakelaars berekend. Uit het onderzoek blijkt dat de ten gevolge van het 150/20kV hoogspanningsstation optredende geluidbelasting ter plaatse van (bedrijfs)woningen maximaal 43 dB(A) etmaalwaarde bedraagt (inclusief een eventuele toeslag voor tonaal geluid), zie onderstaande tabel. De vanwege de vermogensschakelaars bij 'gevoelige gebouwen' optredende 'maximale geluidniveaus' bedragen ten hoogste circa 45 dB(A). Deze 'maximale geluidniveaus' van 45 dB(A) treden normaliter alleen in de dagperiode
Tabel 2: Berekende maximale geluidniveaus LAmax vanwege het schakelen met de vermogensschakelaars
(ontwerp)
blz. 48
Figuur 14: Berekende etmaalwaardecontouren incl. toeslag K1, voor de eindfase.
Conclusie De berekende geluidniveaus voldoen ruimschoots aan de criteria op basis van de Wet geluidhinder en de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. De geluidscontouren liggen op enige afstand van de dichtstbijzijnde gevoelige objecten (woningen). Hieruit kan opgemaakt worden dat er zich geen woningen binnen de 45 dB(A) etmaalwaardecontour bevinden. Er wordt bij alle woningen voldaan aan de 'voorkeursgrenswaarde'. Doordat na realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation het totale, gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren hoger wordt dan 200 MVA, zal het station milieuvergunningplichtig worden en worden aangemerkt als “categorie inrichting als bedoeld in artikel 41, derde lid van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken”. Het terrein van het 150/20kV hoogspanningsstation wordt daarom voorzien van een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. In het akoestisch onderzoek is een voorstel voor de vast te stellen geluidzone gedaan. Dit advies is opgevolgd en middels voorliggend bestemmingsplan wordt de geluidszone planologisch vastgelegd. Het aspect geluid staat de realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation, die mogelijk wordt gemaakt middels dit bestemmingsplan, niet in de weg.
4.8
Elektromagnetische velden
Bij transport van elektriciteit ontstaan magnetische velden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in microtesla (één miljoenste deel van een tesla). Voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen heeft TenneT zich geconformeerd aan: 3. het beleidsadvies van de Staatssecretaris van VROM van 3 oktober 2005, kenmerk
(ontwerp)
blz. 49
SAS/2005183118; Advies met betrekking tot bovengrondse hoogspanningslijnen, en 4. verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen van 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664. Deze documenten zijn te vinden op de website van het RIVM. Het advies is om zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0- 15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen (aangeduid als: gevoelige bestemmingen). Door de aansluiting van het station via portalen op de bovengrondse hoogspanningsverbinding wijzigt de situatie van deze bovengrondse verbinding. In de directe omgeving is er geen sprake van gevoelige bestemmingen, waardoor de wijziging voldoet aan bovenstaand beleidsadvies. Het beleidsadvies ziet alleen toe op bovengrondse verbindingen. Het beleidsadvies inzake magneetvelden is niet van toepassing op ondergrondse hoogspanningsverbindingen of hoogspanningsstations. Door de Europese commissie worden grenswaarden aanbevolen voor de blootstelling van burgers aan elektrische en magnetische velden. Deze grenswaarden gelden ook als aanbeveling in Nederland en voor 50 Hz magnetische velden bedraagt deze 100 microtesla.
De hoogspanningsstations van TenneT en Liander zijn zodanig ingericht dat deze grens binnen de hekken van het 150/20kV hoogspanningsstation valt.
4.9
Verkeer en parkeren
Het 150/20kV hoogspanningsstation is enkel toegankelijk voor bestemmingsverkeer (onderhoud/werk) en heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie. Het plan leidt niet tot een wijziging in de verkeersaantrekkende werking of in de parkeerbehoefte. Enkel de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het 150/20kV hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding resulteren tijdelijk in extra verkeersbewegingen. In de gebruiksfase vinden ten behoeve van het 150/20kV hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding niet of nauwelijks verkeersbewegingen plaats.Parkeren gebeurt op eigen terrein. Concluderend is er geen onderzoek nodig. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.10
Luchtkwaliteit
Vanaf 15 november 2007 is de wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit gewijzigd. Deze wetswijziging is sindsdien opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Deze wijziging wordt ook wel kortweg de Wet Luchtkwaliteit 2007 genoemd. Alleen waar sprake is van de in artikel 5.16, lid 2 genoemde uitoefening van bevoegdheden of toepassing van wettelijke voorschriften – zoals het vaststellen van een bestemmingsplan - én deze uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, dient een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaats te vinden Als echter aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde (grenswaarde zoals vastgelegd in titel 5.2 en bijlage 2 Wet milieubeheer);
(ontwerp)
blz. 50
een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt "niet in betekenende mate" bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, wat inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 1% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de Regeling NIBM (Regeling niet in betekende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat ontwikkelingen op dit gebied zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
Conclusie De uitbreiding van het 150/20kV hoogspanningsstation draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen of toename van relevante emissies vanuit het station. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het project.
4.11 Niet Gesprongen Explosieven/Ontplofbare Oorlogsresten (OO) Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Bovenstaande verdenkingen hangen samen met de activiteiten op de nabijgelegen schietbaan De Horst. De schietbaan te Horst werd in 1940 door de Duitsers aangelegd voor oefeningen door lichte FLAKeenheden en is tot begin 1945 in gebruik geweest. Vanwege de tweeledige rol van Duits luchtafweergeschut werd geoefend op doelen in het verticale valk (vliegtuigen) en het horizontale vlak (tanks en pantservoertuigen). Ook zijn schietoefeningen gehouden met tanks en ander geschut. Na de oorlog is de schietbaan in gebruik genomen door het Nederlandse leger, die er tot 1963 schietoefeningen heeft gedaan door onder meer luchtdoelartillerie, infanterie en de Commissie van Proefneming. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. 4.11.1 Uitgevoerd onderzoek De provincie Flevoland beschikt over een provinciebrede bodembelastingkaart.
Dit onderzoek is uitgevoerd conform het CS-VROO. Voor dit adviesrapport (zie Bijlage 12) heeft RPS de provinciebrede bodembelastingkaart van Flevoland (RPS, NL202009816-R21-1008, 28 oktober 2021) geraadpleegd. Volgens deze kaart is het onderzoeksgebied deels verdacht op de volgende ontplofbare oorlogsresten in Tabel 2:
(ontwerp)
blz. 51
Tabel 2
Ten tijde van de schietoefeningen was de Flevopolder nog niet drooggelegd, en het onderzoeksgebied lag onder een waterkolom van meerdere meters. De verwachting is dat de granaten door deze waterkolom zijn afgeremd en naar de bodem zijn gezonken, en over de jaren in de bodem zijn verzonken. De maximale verzinkingsdiepte van 70 cm is gebaseerd op een artikel over de verzinking van gedumpte munitie bij het Deense eiland Bornholm. Aangezien de munitieartikelen vermoedelijk door hun eigen gewicht zijn verzonken, zullen de kleinere kalibers niet op de maximale diepte liggen. Er is echter geen empirische informatie voorhanden over de maximale verzinkingsdiepte van specifieke kalibers. Er wordt ingeschat dat bij kalibers tot 2 cm de verzinkingsdiepte maximaal 20 cm bedraagt, en bij kalibers tot 5 cm zou dit zo’n 30 cm zijn. Omdat de schietterreinen overlappen en aan de hand van munitievondsten niet is vast te stellen waar deze vandaan komen, is er één verdacht gebied vastgesteld voor beide schietterreinen. Het verdachte gebied binnen het onderzoeksgebied is hieronder weergegeven in Figuur 15.
Figuur 15: het verdachte gebied binnen het onderzoeksgebied.
(ontwerp)
blz. 52
4.11.2 Conclusie Binnen het onverdachte gebied kunnen werkzaamheden uitgevoerd worden zonder verdere maatregelen met betrekking tot de opsporing van ontplofbare oorlogsresten (OOO). Ter plaatse van het verdachte gebied adviseert RPS een opsporingsonderzoek uit te voeren. De beste detectiemethode kan worden vastgesteld op basis van de voorgenomen werkzaamheden. Dit opsporingsonderzoek dient uitgevoerd te worden door een CS-OOO gecertificeerd bedrijf. Binnen het verdachte gebied kunnen het cunet (een uitgegraven gedeelte in een niet draagkrachtige grondlaag) van de wegen, de contouren van de watergangen en de bestaande kabels en leidingen als onverdacht worden beschouwd. Er kan vanuit worden gaan dat eventuele ontplofbare oorlogsresten binnen de vergraven contouren zijn verwijderd.
4.12
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de risico's voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden. Voor het plaatsgebonden risico PR zijn risicocontouren (10-6) vastgesteld waarbinnen kwetsbare of beperkt kwetsbare bebouwing niet is toegestaan. Deze contouren liggen: rond inrichtingen waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of per buisleiding leiden tot knelpunten voor het plaatsgebonden risico indien er langs de transportassen een 10-6 contour ligt.
Analyse De inrichting is geen inrichting op basis van het Bevi, waardoor toetsing van risico's op kwetsbare bebouwing niet aan de orde is. Er is hier dus vooral gekeken naar de risicovolle activiteiten die een negatief effect kunnen hebben bij het functioneren van het 150/20kV hoogspanningsstation. Op basis van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling zich enkele kwetsbare objecten, namelijk een kantoor, woonverblijf en onderwijsinstelling (zie Figuur 16), bevinden. Naast dat de kwetsbare objecten op geruime afstand (meerdan 1,3 km) liggen, is de voorgenomen ontwikkeling geen categoriale inrichting vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
(ontwerp)
blz. 53
Figuur 16: Risicokaart. locatie 150/20kV hoogspanningsstation met blauwe stip aangegeven.
In de nabije omgeving van het plangebied vinden geen risicovolle bedrijfsactiviteiten plaats. In omgeving loopt wel de A6 die PAG-indicatie heeft. Deze ligt op een afstand van ongeveer 1,9 kilometer van het plangebied. Daarnaast loopt er een buisleiding van Gasunie op circa 3,2 kilometer afstand (ten oosten) van het plangebied. Er is voldoende afstand tot deze gevaarlijke transporten. Ook is het 150/20kV hoogspanningsstation geen gevoelig object.
Conclusie Het 150/20kV hoogspanningsstation betreft geen gevaarlijke inrichting waarop het Bevi van toepassing is. Daarnaast is er geen risico voor de externe veiligheid, omdat het 150/20kV hoogspanningsstation op voldoende afstand van de buisleiding en de A6 ligt. Er zijn geen gevaarlijke inrichtingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen): ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Een (buitenwettelijk) toetsingskader voor milieuzonering wordt geboden door de uitgave
(ontwerp)
blz. 54
‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlands Gemeenten. Op basis van deze uitgave kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven gelegen op het bedrijventerrein beperkend zijn voor het tot stand brengen van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving van dit terrein. In deze uitgave zijn per (milieu)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd welke kunnen worden aangehouden ten einde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Een wettelijk kader wordt gevormd door geluidszones op grond van de Wet geluidhinder en de afstandseisen op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling krijgt het 150/20kV hoogspanningsstation na uitbreiding een ingeschakeld elektrisch vermogen van meer dan 200 MVA. Het 150/20kV hoogspanningsstation wordt daarmee milieuvergunningplichtig en bovendien dient er een geluidzone ex artikel 40 van de Wet geluidhinder te worden vastgesteld (zie ook paragraaf 4.7 Geluid). Het terrein van het 150/20kV hoogspanningsstation wordt daarom voorzien van een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. In het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 11) is een voorstel voor de vast te stellen geluidzone gedaan. Dit advies is opgevolgd en middels voorliggend bestemmingsplan wordt de geluidszone planologisch vastgelegd.
Bij vergunningverlening zullen de ten gevolge van het 150/20kV hoogspanningsstation optredende geluidbelastingen (langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus) worden getoetst aan deze zone. Hoewel het 150/20kV hoogspanningsstation moet worden aangemerkt als een type C inrichting ('milieuvergunningplichtig'), zijn de berekende geluidniveaus getoetst aan de 'standaard grenswaarden' uit het Activiteitenbesluit (artikel 2.17 lid 3), (welke formeel alleen van toepassing zijn op de niet-vergunningplichtige type A en type B inrichtingen). Uit de rekenresultaten blijkt dat ruimschoots aan de grenswaarden Activiteitenbeesluit wordt voldaan.
Conclusie Vastgesteld is dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit.
(ontwerp)
blz. 55
Hoofdstuk 5 5.1
Planopzet
Planopzet en plansystematiek
In de voorgaande hoofdstukken van deze toelichting zijn de aan het bestemmingsplan '150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg' ten grondslag liggende uitgangspunten en randvoorwaarden geschetst. Onderhavig hoofdstuk bevat een nadere toelichting op de planvorm en planregels. Met het bestemmingsplan '150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg' wordt de realisatie van een 150/20 kV hoogspanningsstation en ondergronds 150/20kV kabelverbinding naar de hoogspanningslijn mogelijk gemaakt. In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' was aan deze locatie nog een agrarische bestemming toegekend. Nu is ervoor gekozen om een specifieke bestemming 'Bedrijf Nutsbedrijf' toe te kennen. In de regels van dit plan zijn bestemmingen en aanduidingen opgenomen, welke het toegestane gebruik van de in het plangebied gelegen gronden regelen: middels een bestemmingsvlak wordt op de planverbeelding aangegeven welke bestemming op de betreffende gronden rust. Voor dit plangebied geldt de bestemming 'Bedrijf - Nutsbedrijf', dat tevens de hoofdbestemming is. Ook geldt de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanning' voor dit plangebied. Middels een op de planverbeelding aangegeven gebiedsaanduidingen worden nadere eisen gesteld aan de ter plekke geldende gebruiksen bebouwingsmogelijkheden.
Voor dit plangebied zijn er twee gebiedsaanduidingen van toepassing, namelijk 'geluidzone - vliegverkeer 1', hetgeen ziet op het gebruik van het nabijgelegen Lelystad Airport, en 'geluidzone - industrie', hetgeen te maken heeft met het hoogspanningsstation boven de 200 MVA. De planregels en planverbeelding zijn, met het oog op de digitale uitwisselbaarheid van bestemmingsplannen die vanaf 1 januari 2010 verplicht is, opgesteld conform de bepalingen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Uitgangspunt hierbij is, door middel van het hanteren van heldere planregels en een duidelijke planverbeelding, te komen tot een zo goed mogelijk toepasbaar en handhaafbaar plan.
5.2
Planstukken
Het bestemmingsplan '150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg' van de gemeente Lelystad is naast deze plantoelichting vervat in de volgende planstukken: de dataset met kenmerk NL.IMRO.0995.BP00095-WO01 zoals deze is opgebouwd conform de RO standaarden 2012; de analoge planverbeeldingen (schaal 1:1500); de planregels
5.3
Toelichting op de planverbeelding
De planverbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond. De analoge planverbeeldingen zijn afgedrukt op een schaal van 1:1500. Voor de benaming van de verschillende bestemmingen en de kleuren van de bestemmingen zijn de huidige richtlijnen voor digitalisering en standaardisering van bestemmingsplannen overgenomen (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012).
(ontwerp)
blz. 56
5.4
Toelichting op de planregels
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. De regels behorende bij het bestemmingsplan '150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg' zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:
Hoofdstuk 1: 'Inleidende regels'; Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels'; Hoofdstuk 3: 'Algemene regels'; Hoofdstuk 4: 'Overgangs- en slotregels'.
Conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) wordt de volgende bestemming gehanteerd: Bedrijf - Nutsbedrijf De algemene en bestemmingsregels worden in het hierna volgende deel van deze paragraaf nader toegelicht. 5.4.1 Inleidende regels In hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ zijn twee artikelen te onderscheiden:
Begrippen (artikel 1) Artikel 1 van de planregels bevat beschrijvingen van begrippen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschil in interpretatie mogelijk is.
Wijze van meten (artikel 2) In artikel 2 wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moet worden.
5.4.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels' omvat regels die betrekking hebben op het gebruiksdoel van de gronden. Ten behoeve van een logische en eenduidige opbouw wordt conform de SVBP2012 het navolgende stramien voor de bestemmingsregelingen aangehouden:
Bestemmingsomschrijving: Hierin wordt een omschrijving van de bestemming gegeven, alsmede welk gebruik binnen deze bestemming is toegestaan.
(ontwerp)
blz. 57
Bouwregels: Hierin wordt bepaald aan welke voorwaarden de gebouwen en bouwwerken moeten voldoen.
Nadere eisen: Geeft aan dat het college van Burgemeester en Wethouders nadere eisen kunnen stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van gebouwen en andere bouwwerken, indien dit noodzakelijk is indien zulks in verband met een of meer van de volgende aspecten: het straat en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de externe veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Afwijken van de bouwregels: Geeft aan van welke bouwregels, en binnen welke grenzen, door het college van Burgemeester en Wethouders middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken.
Specifieke gebruiksregels: Geeft aan welk gebruik van de gronden of de daarop aanwezige gebouwen of bouwwerken in ieder geval als strijdig gebruik moet worden aangemerkt.
De in het plan opgenomen bestemming wordt hierna nader beknopt toegelicht:
Bestemming Bedrijf - Nutsbedrijf (artikel 3) Deze bestemming voorziet op het te realiseren 150/20kV hoogspanningsstation en de bijbehorende belemmeringenstrook (waaronder de portalen) waarvoor met het voorliggende bestemmingsplan mogelijkheden worden geboden die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de energietransitie. De toegestane gebouwen dienen binnen het op de verbeelding ingetekende bouwvlak te worden gesitueerd.
Voorwaardelijke verplichting groenzone (artikel 3.4.1) De voorwaardelijke verplichting is opgenomen teneinde de omgeving te verzekeren dat er invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing conform het Landschapsinpassingsplan. Dit om eventuele (visuele) hinder van de bedrijfsbebouwing te voorkomen.
Bestemming Leiding - Hoogspanning (artikel 4) Ter plaatse van het directe ruimtebeslag van de ondergrondse 150/20kV kabelverbinding zijn activiteiten die het bedrijfszeker en veilig functioneren van deze leiding kunnen
(ontwerp)
blz. 58
schaden niet toegestaan. Ook hier worden derhalve beperkingen opgelegd aan de mogelijkheden tot bebouwing en gebruik van de grond, die tot beschadigingen van de leidingen kunnen leiden.
5.4.3 Algemene regels Hoofdstuk 3: ‘Algemene regels’ omvat regels en bepalingen die betrekking hebben op het gehele plangebied.
Anti-dubbeltelbepaling (artikel 5) Dit artikel geeft aan dat grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan niet nog eens mag worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag.
Algemene bouwregels (artikel 6) In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking bestaande maatvoeringen die afwijken van voorgeschreven maatvoeringen. Voor zover bestaande maatvoeringen afwijken, mogen deze gehandhaafd blijven.
Algemene gebruiksregels (artikel 7) In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met het bestemmingsplan als strijdig gebruik aangemerkt.
Algemene aanduidingsregels (artikel 8) In de algemene aanduidingsregels zijn regels met betrekking tot algemeen geldende gebiedsaanduidingen opgenomen, waarin wordt aangegeven onder welke voorwaarden ontwikkelingen binnen deze zones mogelijk zijn. Het betreffen de aanduiding 'geluidzone - vliegverkeer' en 'geluidzone - industrie'.
Algemene afwijkingsregels (artikel 9) In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook kan met 10% van het bouwvlak worden afgeweken. Tevens zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan.
Overige regels (artikel 10) Duidelijk wordt gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan.
Overgangs- en slotregels
(ontwerp)
blz. 59
Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ bevat onder andere de bepalingen die betrekking hebben op:
Overgangsrecht (artikel 11) Bouwwerken welke op het moment van terinzagelegging van het plan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de planregels op het moment waarop het plan in werking treedt mag gehandhaafd blijven.
Slotregel (artikel 12) Dit artikel geeft de citeertitel van de planregels aan.
(ontwerp)
blz. 60
(ontwerp)
blz. 61
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatie Op grond van artikel 3.1.6 onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het kader van de bestemmingsplanprocedure de economische uitvoerbaarheid van het plan te worden onderzocht. TenneT/Liander worden/zijn eigenaar van het perceel waarop de uitbreiding plaatsvindt. Er is bij dit plan geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft daarom geen anterieure overeenkomst te worden afgesloten. Er wordt tussen de gemeente Lelystad en Tennet/Liander wel een planschade-overeenkomst afgesloten. Initiatiefnemers nemen de kosten op zich voor het opstellen van het bestemmingsplan en de bijbehorende onderzoeken. Voor de planregiekosten wordt op basis van de legesverordening een verrekening gemaakt. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
Handhaving Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening spitst zich toe op het gebruik van de gronden en opstallen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden waarvoor een vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig is. De handhaving van de regelgeving van het bestemmingsplan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat hiervoor de wettelijke grondslag. Het gaat daarbij met name om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. De Wabo bevat een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op de gebruiksactiviteiten.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van het participatiebeleid (2021) van de gemeente Lelystad geldt dat de gemeente heeft bepaald dat zij maximale meedenkkracht van haar inwoners wil inzetten. Echter wel voor die projecten en keuzes waar ook gebruik gemaakt kan worden van deze meedenkkracht. In het principeverzoek van TenneT en Liander aan de gemeente Lelystad is uiteengezet welk proces is gevolgd om te komen tot een voorkeurslocatie. Gevraagd is aan het college van B&W om daarmee in te stemmen. Hierop is positief besloten door de gemeente. Dat betekent dat de voorkeurslocatie voor realisatie van het station niet meer
(ontwerp)
blz. 62
ter discussie staat en geen onderwerp van gesprek is voor participatie. Wel resteert nog de mogelijkheid om binnen randvoorwaarden te laten meedenken over de landschappelijke inpassing. Hierbij geldt dat voor de ruimtelijke inbedding op basis van ecologie en landschappelijke inpassing een bufferzone noodzakelijk is. Hiervoor is de participatieruimte dermate klein (welke type beplanting wordt er toegepast) dat ervoor gekozen is om dit door een landschapsadviesbureau te laten ontwerpen. Er is op dit project daarmee geen vraagstuk waarop meedenkkracht in te zetten is. De omgeving (omwonenden en overige belanghebbenden) is actief betrokken via informatiebrief (maart 2022) en gesprek (mei 2022). Hieruit is gebleken dat zij eveneens aangaven dat het kiezen van beplanting overgelaten mag worden aan de professionals. De participatieroute van dit project is daarmee uitgekomen op actief informeren. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. De binnengekomen vooroverlegreacties worden samengevat en beantwoord in een Nota van Antwoorden, zie Bijlage 13. Vastellingsprocedure Nadat alle vooroverlegreacties bekend zijn, wordt het ontwerp bestemmingsplan opgesteld. Dit ontwerp bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
(ontwerp)
blz. 63
Bijlagen bij toelichting
(ontwerp)
blz. 64
(ontwerp)
blz. 65
Bijlage 1
(ontwerp)
Landschapsinpassingsplan
Lelystad Larserringweg 150kV
Landschappelijk inpassingsplan November 2022
2
Inhoud 1. De opgave 4 • Noodzaak en locatiekeuze • Waar bestaat het 150 kV station uit? 2. Analyse van de locatie en de omgeving 8 • Karakteristieken Oostelijk Flevoland • Uitgangspunten landschappelijke inpassing • Het plangebied • Conclusie analyse en vertrekpunt landschappelijke inpassing 3. Het inpassingsplan 19 • 150kV station en opstijgpunt • Plankaart inpassing • Beplanting • Materialen 4. 3d visualisaties 28