BL 2. 50_20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg
Tekst van het document
Bestemmingsplan 150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg
Ontwerp
150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg
blz. 2
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk1
5 Inleiding
7
Aanleiding Achtergrond en doel Haalbaarheidsstudie netuitbreiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
7 7 8 8 10 12
Hoofdstuk2
Referentiesituatie
13
2.1 2.2
Huidige situatie Toekomstige situatie
13 13
Beleidskader
19
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
19 21 25 27
Milieu - en omgevingsaspecten
29
Inleiding M.e.r.-beoordeling Archeologie Ecologie Water Bodemkwaliteit Geluid Elektromagnetische velden Verkeer en parkeren Luchtkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven/Ontplofbare Oorlogsresten (OO) Externe veiligheid Milieuzonering
29 29 32 33 38 44 46 48 49 49 50 52 53
Planopzet
55
Planopzet en plansystematiek Planstukken Toelichting op de planverbeelding Toelichting op de planregels
55 55 55 56
Uitvoerbaarheid
61
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
61 61
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.3 5.4 Hoofdstuk6 6.1 6.2
Bijlagen bij toelichting
63
Bijlage 1
65
Landschapsinpassingsplan
(ontwerp)
blz. 3
Bijlage 2
Aanmeldnotitie
103
Bijlage 3
Quickscan Flora en Fauna
127
Bijlage 4
Watertoets
157
Bijlage 5
Toelichting Aeriusberekeningen bouwfase
175
Bijlage 6
AERIUS-berekening 2024
183
Bijlage 7
AERIUS-berekening 2025
193
Bijlage 8
AERIUS-berekening 2026
203
Bijlage 9
AERIUS-berekening 2027
213
Bijlage 10
Vooronderzoek bodemkwaliteit
221
Bijlage 11
Akoestischonderzoek
235
Bijlage 12
Adviesrapport Ontplofbare Oorlogsresten
289
Bijlage 13
Nota van Antwoorden
305
Regels Hoofdstuk1
315 Inleidende regels
Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Artikel 4 Hoofdstuk3
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Artikel 12
(ontwerp)
Bedrijf - Nutsbedrijf Leiding - Hoogspanning
Algemene regels
Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Hoofdstuk4
Begrippen Wijze van meten
Overgangsrecht Slotregel
317 317 320 321 321 323 325 325 326 327 328 329 330 331 331 332
blz. 4
(ontwerp)
blz. 5
Toelichting
(ontwerp)
blz. 6
(ontwerp)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het gebied ten zuiden van Lelystad en zuidwesten van Dronten (ook wel aangeduid als de Flevopolder) heeft een elektriciteitsinfrastructuur die op dit moment zijn grenzen nagenoeg heeft bereikt. Dat terwijl in dit gebied sprake is van een grote toename aan duurzame initiatieven c.q. opwek die aangesloten moet worden op deze infrastructuur. Daarnaast is sprake van een sterke toename van de vraag naar elektriciteit en wordt verwacht dat deze groei de komende jaren aanhoudt. Dit levert diverse knelpunten op. Om de infrastructuur gereed te maken voor de toekomst dienen de knelpunten opgelost te worden. Door Liander is, in samenwerking met TenneT, gekeken naar de verwachte ontwikkeling van de elektrische belasting in de Flevopolder. De groei die verwacht wordt kan, los van de groei van de luchthaven, niet gefaciliteerd worden vanuit de bestaande 150kV- of 20/10kV-stations die in de nabijheid van de Flevopolder aanwezig zijn. Het bestaande elektriciteitsnet van Liander en TenneT bestaat in de Flevopolder uit vier 150kV-stations, namelijk de stations Lelystad, Zuiderveld, Dronten en Zeewolde. Geconstateerd is dat naast de uitbreiding van de bestaande stations een nieuw 150/20 kV hoogspanningsstation noodzakelijk is. Dit 150/20kV Hoogspanningsstation dient te worden aangesloten op de bovengrondse 150kV-verbinding van Lelystad naar Harderwijk.
Daarnaast dient een nieuw 20kV-station te worden gerealiseerd inclusief de diverse ondergrondse 20kV-kabelverbindingen. Na realisatie hiervan is sprake van een nieuwe toekomstvaste netinfrastructuur en kan o.a. ook het 150kV-station Zuiderveld, waar geen capaciteitsuitbreiding mogelijk is, worden ontlast zodat ruimte kan worden gemaakt voor ontwikkelingen en groei (zowel levering als teruglevering) vanuit de stad Lelystad.
1.2
Achtergrond en doel
Het bestemmingsplan '150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg' regelt de bestemmingen van de gronden in het plangebied. Het bestemmingsplan heeft een ontwikkelingsgericht karakter, dat wil zeggen dat in het bestemmingsplan de planologische en juridische kaders worden vastgelegd waarbinnen nieuwe ontwikkelingen in het plangebied mogelijk zijn. Zo wordt in onderhavig bestemmingsplan het realiseren van een hoogspanningsstation (150/20kV) en de ondergrondse 150/20kV kabelverbinding naar de hoogspanningsverbinding Lelystad - Harderwijk in de gemeente Lelystad planologisch geborgd.
(ontwerp)
blz. 8
1.3
Haalbaarheidsstudie netuitbreiding
Omdat het 150kV-station ingelust dient te worden op de 150kV-verbinding Lelystad Harderwijk is het vanuit diverse oogpunten (waaronder efficiënt ruimtegebruik en landschappelijke inpassing) het meest voor de hand liggend en gewenst om een station in de nabijheid van deze verbinding te realiseren. Daarnaast heeft het - vanuit verschillende invalshoeken - de voorkeur om de 20kV-locatie in de nabijheid van het 150kV-station te realiseren. Vanuit dit 20kV-station gaan diverse kabelverbindingen naar verschillende deelgebieden. In een haalbaarheidsstudie is door Reddyn in opdracht van TenneT en Liander onderzocht welke mogelijkheden er zijn om de gewenste netuitbreiding te realiseren. In deze studie worden mogelijk geschikte gebieden voor de realisatie van een 150kV-station in beeld gebracht vanuit het oogpunt van omgeving, planologie, nettechniek en een stakeholderanalyse. Voor dit onderzoek is een mix van methoden ingezet: bureaustudie, GIS-analyses en analyses van bestaande data. Uit de studie volgt een aantal zoekgebieden, waarbij vanuit de netbeheerders een voorkeur is te geven voor één van deze gebieden, namelijk aan de Larserringweg ten zuiden van het Natuurpark Lelystadpark. Deze locatie is gekozen omdat het elektriciteitsstation hier zowel op korte afstand van de toekomstige gebruikers gelegen is als nabij de 150kV-verbinding waarop aangesloten moet worden.
Ook landschappelijk is het elektriciteitsstation hier het beste in te passen.
1.4
Ligging plangebied
De locatie voor het nieuwe 150/20kV hoogspanningsstation ligt aan de Larserringweg, ten zuiden van het Natuurpark Lelystadpark. Het station wordt vanaf hier verbonden via een ondergrondse kabel met de bestaande hoogspanningslijn ten oosten van de Larserringweg. De kadastrale aanduiding van de percelen is gemeente Lelystad, sectie I nummer 550 en 622. Daarnaast worden ter plekke van de kruising van de weg ook de percelen Lelystad I 265, I 356 en I 358 geraakt. Zie Figuur 1 voor de verbeelding van het plangebied.
(ontwerp)
blz. 9
Figuur 1: Verbeelding van het plangebied.
De locatie voor het nieuwe 150/20kV hoogspanningsstation ligt aan de Larserringweg, ten zuiden van het Natuurpark Lelystadpark en heeft momenteel een agrarische bestemming. Het station wordt vanaf hier verbonden via een ondergrondse kabel met de bestaande hoogspanningslijn ten oosten van de Larserringweg. De totale oppervlakte van het toekomstige 150 kV station is circa 11 hectare. Zie daarvoor Figuur 2, waarin de locatie van het 150/20kV hoogspanningsstation in een rood kader is weergeven.
(ontwerp)
blz. 10
Figuur 2: locatie van het 150/20kV hoogspanningsstation.
Voor deze en andere locaties in de provincie zijn uitgebreide onderzoekstrajecten vooraf gegaan. In het generieke planproces voor de versterking van het elektriciteitsnetwerk zijn ten aanzien van de ruimtelijke kaders afspraken gemaakt over de acceptatie en toelaatbaarheid van functies als deze in het landelijke gebied. Voor omgevingsaspecten waar de provincie het bevoegd gezag is (onder andere de Wnb), heeft er eveneens in het voortraject reeds afstemming tussen de gebiedspartners plaatsgevonden. Op grond van het afstemmingsproces en de gemaakte afspraken in de planvoorbereiding, is geconcludeerd dat deze functie toelaatbaar is op deze locatie.
1.5
Vigerend bestemmingsplan
Binnen het plangebied vigeren meerdere bestemmingsplannen. De huidige juridische regeling van de betreffende gronden is neergelegd in de volgende ruimtelijke plannen: BG_Lelystad, vastgesteld op 16 februari 2010. Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009, vastgesteld op 28 januari 2015.
(ontwerp)
blz. 11
Het 150/20kV hoogspanningsstation komt te liggen op het perceel sectie I nummer 550 en 622 . Binnen het perceel zijn in de vigerend bestemmingsplannen verschillende bestemmingen gelegen, dit zijn: Enkelbestemming Agrarisch Gebiedsaanduiding - vliegverkeer 1 Enkelbestemming 'Agrarisch' Het nieuwe 150/20kV hoogspanningsstation zal gerealiseerd worden op een voormalig agrarisch perceel dat gebruikt wordt voor akkerlandbouw (maïs). De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. Agrarische bedrijvigheid in de vorm van: a. een grondgebonden agrarisch bedrijf; b. een intensieve veehouderij, uitsluitend binnen bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", en elders uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit, c. paardenhouderij, uitsluitend binnen bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij"; 2. als standplaats voor ten hoogste 25 kampeermiddelen in de periode van 15 maart t/m 31 oktober; 3. instandhouding van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschapswaarden, waaronder hier in ieder geval zijn begrepen de landschapswaarden, die hierna zijn vermeld ter plaatse van de aanduiding: aanduiding: waarden specifieke vorm van waarde - openheid openheid van het landschap instandhouding van het aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon; 4.
instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting met een minimale breedte van 6 m, met daarbij behorende erfsloot, direct aansluitend aan de zijgrenzen en de achtergrens van het bouwvlak; 5. extensieve openluchtrecreatie; 6. fiets-, wandel- en kavelpaden; 7. sloten, oevers, taluds en andere watergangen; 8. windturbine uitsluitend op de bestaande plaats waarbij de hoogte en rotordiameter niet meer mag bedragen dan in Bijlage 1 “Windturbines” behorende bij deze regels is aangegeven, een en ander met uitzondering van het bepaalde in artikel 14,1 testlocatie windmolens; Omdat de voorgenomen ontwikkeling mede bestaat uit een 150/20kV hoogspanningsstation, past deze functie niet binnen de bestemming 'Agrarisch'. Hierdoor is de realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation op deze locatie planologisch niet toegestaan.
Gebiedsaanduiding - vliegverkeer 1 Onverminderd het overige in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde mogen op en in gronden die liggen ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - vliegverkeer 1" geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden gebouwd.
(ontwerp)
blz. 12
Het 150/20kV hoogspanningsstation is geen geluidsgevoelige bestemming. Deze gebiedsaanduiding zorgt daarom niet voor beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling van het 150/20kV hoogspanningsstation.
1.6
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling geschetst. Er wordt ingegaan op de geldende planologische regelingen. Het geldende beleidskader op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau komt aan bod in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 komen alle milieu-planologische aspecten aan bod. Ten slotte worden in hoofdstuk 5 de juridische planbeschrijving en in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid besproken.
(ontwerp)
blz. 13
Hoofdstuk 2 2.1
Referentiesituatie
Huidige situatie
De locatie van het toekomstige 150/20kV hoogspanningsstation heeft een oppervlakte van circa 11 hectare en heeft in de huidige situatie een agrarische bestemming. Het 150/20kV hoogspanningsstation zal door middel van een ondergrondse 150kV verbinding en een tweetal portalen aangesloten worden op een bovengrondse verbinding. De locatie is gelegen binnen de kaders van bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ (vastgesteld d.d. 16 februari 2010). Op basis van dit bestemmingsplan is de realisatie van een 150/20kV hoogspanningsstation niet mogelijk.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Hoogspanningsstation De bestemmingsplanwijziging zal de bestemming van de planlocatie veranderen van 'Agrarisch' in 'Bedrijf - Nutsbedrijf'. Hierdoor wordt de realisatie van het hoogspanningsverdeelstation planologisch geborgd. Een impressie van de toekomstige indeling is te zien in Figuur 3. Het 150/20kV hoogspanningsstation zal zoals eerder opgemerkt worden aangesloten door middel van een ondergrondse 150kV verbinding en een tweetal portalen (opstijgpunten) op een bestaande bovengrondse verbinding. Het 150/20kV hoogspanningsstation bestaat uit twee delen, een TenneT en een Liander deel (zie Figuur 3). Beide terreinen zijn omsloten met een hekwerk en hebben een eigen toegangspoort. De toegangsweg naar de poorten wordt door beiden netbeheerders gebruikt. Het TenneT deel bestaat uit: Een schakeltuin; Centraal Diensten Gebouw (CDG); 6 parkeerplaatsen; Compensatiespoelen; Het Liander deel bestaat uit: Twee gebouwen met installaties en transformatoren; 6 parkeerplaatsen Het station wordt in vier fasen aangelegd, afhankelijk van de concrete elektriciteitsvraag. In de beginfase zal er 240 MVA opgesteld vermogen worden aangelegd, om in de eindfase op 480 MVA opgesteld vermogen uit te komen. Gedurende fasering van het station wordt meer dan 200 MVA ingeschakeld. Het totale vermogen van het 150/20kV hoogspanningsstation wordt in de eindsituatie 480 MVA.
Hiermee is het station vergunningsplichtig voor het aspect milieu. Bovendien dient een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder te worden vastgesteld. Deze geluidszone wordt planologisch geregeld in voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
blz. 14
Figuur 3: Impressie van de toekomstige indeling
2.2.2 Landschappelijke inpassing Het 150/20kV hoogspanningsstation wordt aan de zuid- en westrand ingepland met een dichte bosstrook. Daardoor lijkt het station van afstand onderdeel van het Natuurpark Lelystad. De bosrand heeft een mantelzoom opbouw. Aan de oostzijde heeft de beplantingsrand tussen het station en de Larserringweg een transparanter karakter. Deze groenzone wordt ingericht met bloemrijkgrasland en heesters. Deze zone is bewust transparanter ingericht omdat het station aan deze zijde zijn entree en gezicht heeft. Het zicht op het station wordt hier verzacht maar het station ligt niet verstopt. De heesterbeplanting zorgt aan deze zijde voor een mooie overgang tussen de dichte bosrand van het Natuurpark Lelystad en het open polderlandschap. Tussen het natuurpark en het station ligt een 50 meter brede kabelzone. Deze zone blijft vrij van bomen en heesters en wordt ingericht met bloemrijkgrasland. Op deze zonnige plek wordt bloemrijkgrasland toegevoegd als stapsteen voor nectarzoekende insecten. Bij de sloot is ruimte voor een 8 meter brede natuurvriendelijke oever. Deze oever kan met een flauw talud of met een drasplaszone ingericht worden. De sloot is circa 285 meter lang. De stationsgebouwen worden volgens standaarden van TenneT en Liander uitgevoerd.
De materiaalkeuze voor de gevels, bestrating en hekwerken geven het station een onopvallende uitstraling.De toegangsweg naar het station wordt aangelegd met betonplaten. Dit materiaal zie je in de omgeving ook vaak bij opritten naar agrarische erven. Zie voor een indicatie van de landschappelijke inpassing Figuur 4:
(ontwerp)
blz. 15
Figuur 4: kaart van de landschappelijke inpassing 150/20kV hoogspanningsstation aan de Larserringweg.
De provincie Flevoland en gemeente Lelystad hebben in het inpassingsplan (Bijlage 1) landschappelijke uitgangspunten geformuleerd voor de ontwikkeling van het station. Ten eerste moet het 150/20kV hoogspanningsstation een bijdrage leveren aan het ruimtelijk beeld van het landschap en recht doen aan de kenmerkende landschappelijke structuren. Ten tweede moet het ook een ecologische bijdrage leveren. Ten derde sluit het station aan op de transformatie van de toekomst. Bij de locatiekeuze voor het nieuwe station is gezocht naar een geschikte ontwikkellocatie binnen het karakteristieke landschappelijk raamwerk van Flevopolder-oost. Het behoud van het open Mondriaanlandschap en versterken van de opgaande groenstructuren stond daarin centraal. De locatie aan de zuidrand van het natuurpark Lelystad biedt hier mogelijkheden voor. Het station ligt op deze locatie buiten het centrale open polderlandschap en sluit, als opgaande massa, aan op de opgaande groenstructuur. Het natuurpark vormt een grote massa in deze structuur en daar sluit het station in schaal en maat goed op aan. Vanuit deze locatiekeuze en het landschap zijn de volgende uitgangspunten voor het inpassingplan opgesteld: • De zuid- en de westrand van het perceel worden ingepland met een dichte bosstrook waardoor het station van afstand onderdeel vormt van de massa van Natuurpark Lelystad.
• De entree en gebouwen van het station liggen aan en zijn georiënteerd op de Larserringweg. Deze zijde krijg een andere inrichting aansluitend op de opbouw van de
(ontwerp)
blz. 16
polderparkwegen. • De ontwikkeling van het station draagt bij aan de biodiversiteit en ecologische structuur in de polder. • De beplanting rondom het station is gebiedseigen en inheems. • Het station krijgt een onopvallende uitstraling.
Figuur 5: Het zicht op het station wordt verzacht met beplanting
Om te borgen dat de inpassing in ieder geval aan die onderdelen van het beeldkwaliteitsplan voldoet, is een functieaanduiding 'groen' opgenomen in de verbeelding en is in de regels van de bestemming Bedrijf - Nutsbedrijf een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting regelt dat binnen een termijn van 12 maanden na ingebruikname van de gronden uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing. 2.2.3 150/20kV ondergrondse hoogspanningsverbinding en portalen Het 150kV-station wordt aangesloten op de bestaande hoogspanningslijn 400, Harderwijk - Zuiderveld - Lelystad. Het plan is om deze aansluiting te maken met een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding en een opstijgpunt met twee eindportalen. Het station en opstijgpunt worden met elkaar verbonden met een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding. Deze kabelzone is ca. 50 meter breed. De eindportalen komen midden tussen mast 56 en 57 te staan. De knip in de hoogspanningslijnen is daardoor subtiel. De portalen zijn ca. 15 meter hoog. Rondom de portalen ligt een 2,5 meter hoog hekwerk. Het terrein binnen de hekwerken is grotendeels onverhard en wordt ingericht met gras. Zie Figuur 6 voor een indicatie.
(ontwerp)
blz. 17
Figuur 6: indicatie opstijgpunten.
(ontwerp)
blz. 18
Figuur 7: Referentiebeeld eindportaal.
(ontwerp)
blz. 19
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De definitieve NOVI is een instrument van de (naar verwachting) op 1 januari 2023 in werking tredende Omgevingswet en vervangt onder meer Het Nationaal Milieubeleidsplan, de Rijksnatuurvisie 2014 en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Met de NOVI kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die er voor Nederland liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt ook om zorgvuldige keuzes, want de ruimte, zowel bovenals ondergronds, is een schaars goed. De NOVI schets een toekomstperspectief voor Nederland in het jaar 2050. Op nationaal niveau wil het Rijk sturen en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie richt zich daarbij op vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.
De eerste twee prioriteiten worden vanuit de NOVI richtingen gegeven die bij inpassing van de energie-infrastructuur aandacht vragen voor de kwaliteit van de leefomgeving. Ook wordt gekeken hoe het duurzaam en circulair maken van onze economie, de energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving gecombineerd kan worden. Dit betekent dat bij de realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation ook gekeken moet worden naar de aantrekkelijkheid en kwaliteit van de omgeving.
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windturbines en zonnepanelen. Het Rijk zet zich daarnaast in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan Nederland zijn positie handhaven in de
(ontwerp)
blz. 20
top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met internationale partners. Het Rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat de Nederlandse economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Het Rijk zet daarbij in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat Nederland niet langer afhankelijk is van eindige, fossiele bronnen. Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: 3. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 4. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 5. Afwentelen wordt voorkomen.
Figuur 8 : Afwegen met de NOVI
De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede, maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij hanteert het NOVI vier uitgangspunten: 1. 2. 3. 4.
We werken als één overheid, samen met de samenleving. We stellen de opgave(n) centraal. We werken gebiedsgericht. We werken permanent en adaptief aan de opgaven.
Startnotitie Programma Energiehoofdstructuur Vanuit de NOVI zal ook een Programma Energiehoofdstructuur worden gerealiseerd, de startnotitie hiervoor is reeds opgesteld. Hier is te lezen dat de ambitie van het Programma Energiehoofdstructuur is dat er tijdig moet worden gezorgd voor voldoende ruimte voor de nationale energiehoofdstructuur, op basis van een integrale afweging met andere opgaven en belangen, binnen een (inter)nationale context en waarbij een goede leefomgevingskwaliteit randvoorwaarde is. Het programma heeft betrekking op ruimtelijk beleid op land en de grote wateren en hanteert als tijdshorizon 2030-2050. Het
(ontwerp)
blz. 21
programma richt zich inhoudelijk op drie samenhangende deelsystemen van de energietransitie: elektriciteit, (brand)stoffen en warmte. Voor het onderdeel elektriciteit is vooral de wisselwerking met de ruimte van belang.
Relatie met het voorliggend bestemmingsplan De NOVI en het toekomstige Programma Energiehoofdstructuur sturen aan op een schonere en betere energie-infrastructuur die past binnen de leefomgeving. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, past binnen het ruimtelijk beleid van het Rijk dat in de NOVI wordt beschreven. Het Rijk maakt een robuust, betrouwbaar en veilig netwerk mogelijk om de transitie naar een circulaire economie en CO2-arme energievoorziening te realiseren.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven: Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving), Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: Duurzame Energie Regionale Kracht Circulaire Economie Landbouw: Meerdere Smaken Voor onderhavig project is met name de opgave ‘duurzame energie’ relevant. Hieronder wordt beschreven wat deze opgaven inhouden en hoe de ontwikkeling van het beoogde 150/20kV hoogspanningsstation bij deze opgaven aansluit.
Duurzame energie Iedereen in Flevoland - inwoners en bedrijven - gaat iets merken van de verandering in de energievoorziening. Er moet veel gebeuren om onze woningen en bedrijven energiezuinig of energieneutraal te maken en duurzame energie op te wekken. Dit is noodzakelijk en biedt tegelijkertijd kansen. In 2030 en verder wil de provincie Flevoland bekend staan als de provincie die draait op duurzame energie. Samen met gemeenten en andere partners zet de provincie in op energieneutrale steden en dorpen. Zij ondersteunen inwoners en ondernemers met de verandering in hun energiegebruik, zowel het beperken van energiegebruik als het zelf opwekken van duurzame energie. Onderwerpen zijn onder
(ontwerp)
blz. 22
andere: aardgasloze wijken, duurzame energieopwekking, isolatie van woningen, energiezuinige productiemethoden, energieopslag en smart grids.
Relatie met het voorliggend bestemmingsplan De voorgestelde ontwikkeling van het 150/20kV hoogspanningsstation sluit aan op de doelen en de opgaven die gesteld worden in de Omgevingsvisie FlevolandStraks, waarbij de ontwikkeling vooral een bijdrage levert aan de opgave 'Duurzame energie'. De netuitbreiding voorkomt verdere congestie in het net voor de regio en waarborgt bovendien een betrouwbare robuuste energievoorziening door het bijtijds inspelen op de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen. Door de versterking van het energienetwerk waaraan deze ontwikkeling bijdraagt kunnen de ambities met betrekking tot verduurzaming van de energieproductie worden verwezenlijkt.
3.2.2 Programma Landschap van de Toekomst Op 13 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de nieuwe landschapsvisie van provincie Flevoland goedgekeurd. De nieuwe landschapsvisie - het Programma Landschap van de Toekomst - geeft richting aan alle ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland. Dit programma presenteert de richtinggevende provinciale kijk op de waardeen identiteit van het Flevolandse landschap. Het beschrijft het ontstaan en de kernkwaliteiten van het landschap. De essentie van het Programma Landschap van de Toekomst bestaat uit vier overwegingen. Deze zijn gemeente-overstijgend en bepalen in hun samenhang het karakter en de essentie van het Flevolands landschap. De synthese geeft richting bij het behouden van de landschappelijke kernkwaliteiten en ruimte voor vernieuwing en ontwikkeling. De vier overwegingen zijn voor landschap van provinciaal belang en moeten bij iedere ontwikkeling in het kader van de ruimtelijke kwaliteit als overweging worden meegenomen. • Overweging 1: waterbouwkundig bouwwerk als polder-DNA Behoud het waterbouwkundig bouwwerk als fundament van de polders en de landschappelijke identiteit. Maak de verschillende onderdelen (dijkzones, gemalen, vaarten, sluizen) daarvan zichtbaar en beleefbaar. • Overweging 2: panorama’s langs lange lijnen Versterk monumentale belevingsassen om de beleving van het open polderpanorama te garanderen.
Geef hieraan per polder onderscheidend vorm. • Overweging 3: drie onderscheidende polderconcepten Geef het landschap vorm op basis van de ruimtelijke concepten van de drie polders. Ontwikkel de concepten door, om ruimtelijke opgaven in het landschap een plek te geven. • Overweging 4: hybride gebieden - aandacht voor landschapsinnovatie Werk Flevoland-breed integraal aan opgaven en doe ontwerpend onderzoek. Geef extra aandacht aan hybride gebieden met een hoge dynamiek en waar meerdere opgaven samen komen. Het programma werkt algemene overwegingen per polder specifieker uit en visualiseert
(ontwerp)
blz. 23
ze met illustraties. Globale ‘snedes’ door het landschap tonen hoe we opgaven en veranderingen in het landschap kunnen vormgegeven. De overwegingen per polder zijn niet vast omlijnd. Wel sturen deze de ontwikkeling van het landschap van de toekomst.
Relatie met het voorliggend bestemmingsplan De landschappelijke inpassing van het hoogspanningsverdeelstation behoudt en kan worden ingepast in het poldercarré door te werken met beplanting zodat de dragende polderstructuur van Oostelijk Flevoland (gebied rond de A6 bij Lelystad en de Knardijk) behouden blijft.
3.2.3 Omgevingsprogramma Provincie Flevoland Op 10 juli 2019 is de geconsolideerde versie van het Omgevingsprogramma vastgesteld, waarin er voor gekozen is al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. In het omgevingsprogramma worden de volgende thema’s onderscheiden: Ruimte (uitgesplitst naar stedelijk gebied en landelijk gebied) Landschap en cultuurhistorie Water Natuur Milieu en bodem Energie en duurzaamheid Mobiliteit Recreatie, toerisme en sport Leefbaarheid, sociale cohesie Regionale economie Onderstaand wordt er nader ingegaan op de thema’s uit het omgevingsprogramma die van toepassing zijn op onderhavig project.
Ruimte Het belangrijkste doel van de provincie is een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland. Daarbij moet verstedelijking worden ingepast in een hoogwaardig landschap en passen bij de gerealiseerde en de geplande infrastructuur. De provincie wil verdere grootschalige ontwikkelingen mogelijk maken en deze deels zelf ter hand nemen, samen met partners. De provincie is bereid om ruimte te reserveren voor functies waarvoor in omliggende regio's onvoldoende ruimte is. De voorwaarde daarvoor is een evenwichtige ontwikkeling. Samen met partners binnen en buiten het gebied biedt de provincie zicht op oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, die het tempo van de ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland met zich meebrengt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om achterblijvende bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid. Landelijk gebied:
(ontwerp)
blz. 24
De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. Hierbij wordt door de provincie ingezet op verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. In het omgevingsprogramma wordt met betrekking tot landbouw verder ingegaan op: vrijkomende agrarische erven, schaalvergroting, grootschalige verwerking en ketenverlenging, glastuinbouw, geitenhouderijen en overige agrarische activiteiten (zoals bollenteelt, visserij, intensieve veehouderij, biologische landbouw en agrobusinessparken). Binnen het landelijk gebied worden ook niet-agrarische activiteiten/stedelijke ontwikkelingen aangehaald die in het landelijk gebied plaats kunnen vinden. Om het economisch draagvlak te verbreden wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied en deze verweven met de bestaande landbouwfunctie. Vestiging van activiteiten die bij uitstek thuishoren op een bedrijventerrein of aansluitend aan het bebouwde gebied worden in principe niet toegestaan.
De provincie ziet erop toe dat de mogelijkheden van verstedelijking in het landelijk gebied afdoende gemotiveerd zijn boven het gebruik maken van mogelijkheden in het stedelijk gebied. Onder niet-agrarische activiteiten/stedelijke ontwikkelingen wordt ingegaan op: transitiegebied, snel internet, huisvesting arbeidsmigranten en grootschalige energieopwekking. Als windrijke provincie wil Flevoland optimaal gebruik maken van de milieuvoordelen en economische potenties van opwekking van windenergie zonder de landschappelijke kwaliteiten van de provincie aan te tasten. In het omgevingsprogramma kent het plangebied een aanduiding 'wind toegestaan - Wind'. Hiermee wordt windenergie onder bepaalde voorwaarden toegestaan in het gebied. In de lijn ‘Ruimte voor energie’ uit de Omgevingsvisie FlevolandStraks wordt ruimte geboden aan windenergie in de vorm van het Regioplan Wind en ingezet op het ruimte bieden aan grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied. Ervan uitgaande dat tegelijkertijd de ruimte voor zon in het stedelijk gebied maximaal wordt benut.
Water voor agrarisch gebeid - functie watersysteem Het agrarisch gebruik stelt specifieke eisen aan de waterhuishouding. Voor een optimale productie van gewassen worden eisen gesteld aan de grondwaterstand, het peilbeheer, de beschikbaarheid, de kans op wateroverlast en de kwaliteit van water voor beregening. De eisen verschillen per gewas. In gebieden met de functie ‘agrarisch water’ worden de volgende doelen gesteld: De functietoekenning is leidend voor de watervoorziening. Een goede kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater is een belangrijke randvoorwaarde. Opbrengstderving als gevolg van wateroverlast en vochttekort wordt geminimaliseerd. Plaatselijk is sprake van een beperkte en verslechterende drooglegging ten opzichte van de eisen van het agrarisch landgebruik. Hier is een overgang wenselijk naar een gebruik dat ook op langere termijn in overeenstemming is met de drooglegging. Ruimte voor winnen bodemenergie In Flevoland wordt (buiten de beschermingsgebieden voor grondwater) optimaal ruimte
(ontwerp)
blz. 25
geboden voor het winnen van duurzame bodemenergie. De provincie stimuleert bodemenergie onder andere door zoveel mogelijk te voorkomen dat de bodem niet optimaal benut wordt als gevolg van negatieve interferentie tussen systemen.
Luchthaven Lelystad Bij de vaststelling van het Omgevingsplan heeft de provincie een aantal speerpuntgebieden aangewezen. Eén van de speerpunten gaat in op de luchthaven Lelystad, deze is van toepassing op het plangebied. De provincie vindt de ontwikkeling van luchthaven Lelystad en de uitbouw van Lelystad Airport Businesspark (LAB) van groot belang en streeft naar een geïntegreerde ontwikkeling van dit gebied in samenhang met een goede ontsluiting via weg en openbaar vervoer. Naast reguliere en gebonden bedrijvigheid zijn er mogelijkheden voor grootschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen.
Relatie met het voorliggend bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan de relevante regels van het Omgevingsprogramma van de provincie Flevoland. Het plangebied ligt in landelijk gebied en sluit aan op de niet-agrarische activiteiten/stedelijke ontwikkelingen die worden omschreven in het omgevingsprogramma. De ontwikkeling faciliteert de grootschalige energieopwekking die de provincie Flevoland ambieert. De ontwikkeling is daarnaast wenselijk voor de uitbouw van Lelystad Airport Businesspark ( Provincie Flevoland d.d. 30 november 2021). De ontwikkeling belemmert geen andere benoemde waarden of speerpunten.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Metropoolregio Amsterdam De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. De MRA heeft om de samenwerking te bevorderen een actieagenda opgesteld met 6 actiepunten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte geven aan wonen en werken; Slimmer en innovatiever werken; De leefkwaliteit verbeteren; Transitie naar een schone economie;
(ontwerp)
blz. 26
5. Beter verbinden; 6. Klimaatbestendig maken De acties met betrekking tot de energietransitie heeft de MRA vastgelegd in zijn Ruimtelijk Economische Actieagenda 2016-2020. De regie daarbij ligt bij het Portefeuillehoudersoverleg (PHO) duurzaamheid. De MRA wil met betrekking tot energienetwerken een regionaal smart energy system ontwikkelen, hierbij wordt gezamenlijk met partners gekeken naar de volgende aspecten: de samenhang tussen de verschillende energie-infrastructuren; maximaal gebruik maken van de mogelijkheden om via informatietechnologie het gebruik van de infrastructuur te sturen; ruimte creëren om nieuwe producten en diensten op deze infrastructuur aan te bieden; optimaal inspelen op de sociale en institutionele context. Relatie met het voorliggend bestemmingsplan Het voornemen levert een bijdrage aan de versterking van het energienet. Het sluit daarmee aan op het onderwerp 'Transitie naar een schone economie' van de actieagenda van de MRA. Er wordt onder andere gekeken naar een regionaal smart energy system, hiervoor is versterking van de energie-infrastructuur noodzakelijk, onder andere middels dit 150/20kV hoogspanningsstation. 3.3.2 Regionale energiestrategie (RES) De provincie Flevoland is één van de 30 regio’s van de Regionale Energie Strategie (RES).
voor de Regionale Energie Strategie Flevoland wordt samengewerkt met de 6 Flevolandse gemeenten (Lelystad, Almere, Urk, Zeewolde, Dronten en Noordoostpolder), de provincie Flevoland, het waterschap Zuiderzeeland, netbeheerder Liander, de woningcorporaties, de gemeentelijke energieloketten, het Energie Expertisecentrum Flevoland (EEF), Natuur & Milieufederaties en andere Flevolandse maatschappelijke partners. Flevoland heeft de opwek van duurzame energie zoals zon- en windenergie al vroeg omarmd, want voordat de Regionale Energiestrategie bestond, werkten de gemeenten, de provincie, maatschappelijke organisaties en inwoners in Flevoland samen om windenergie in Flevoland mogelijk te maken. Dat betekent dat een deel van de beoogde wind- en zonneprojecten al gepland of opgestart is. In totaal leiden alle zon- en windenergieprojecten in Flevoland tot een bijdrage van 5,8 Terawattuur (TWh) aan de landelijke opgave van 35 Terawattuur opwek van duurzame energie op land in 2030. In 2030 moet wind naar schatting 4,6 Terawattuur (TWh) opwekken. Zonne-energie leidt in Flevoland tot nog eens bijna 1.2 TWh. Voor het opwekken van zonne-energie zijn er kleinschalige en grootschalige projecten in Flevoland. Zon op land: dit zijn zonneparken waarin de panelen in het veld zijn opgesteld. Het opwekken van zonne-energie op grote daken. Kleinschalige zon op dak.
Deze kleinschaliger opwek wordt ook (deels) meegerekend. Relatie met het voorliggend bestemmingsplan
(ontwerp)
blz. 27
Voorliggend bestemmingsplan maakt een nieuw 150/20kV hoogspanningsstation mogelijk. Deze uitbreiding is nodig om ook in de toekomst aan de elektriciteitsvraag te kunnen voldoen die de energietransitie met zich meebrengt, om ook in de toekomst de elektriciteitsvraag en aanbod te kunnen transporteren en distribueren. Onderhavig plan past daarom zeer goed binnen het beleid dat in deze RES is uitgezet.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Lelystad 2040 De gemeenteraad heeft op 22 juni 2021 de Omgevingsvisie Lelystad 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft koers als Hoofdstad van de Nieuwe Natuur en als een sterke stad in de regio. Ook de ambities van Lelystad Next Level zijn hierin opgenomen. Lelystad zet hierbij in op kwalitatief groeien van de stad. In de Omgevingsvisie wordt prioriteit gegeven aan het Stadshart, de Kustontwikkeling, Warande en de Bestaande stad. Lelystad kan groeien als naast de woningen ook de stad als geheel en de voorzieningen in de stad meegroeien. Dat maakt Lelystad sterker en interessanter voor zowel inwoners als bedrijven. In de Omgevingsvisie is als één van de opgaven in de fysieke leefomgeving opgenomen; 'energie: energietransitie door de stad aardgasvrij en energiezuinig te maken'. Lelystad wil in 2040 als stad doorgroeien naar 100.000 inwoners en zich op een duurzame manier ontwikkelen door onder andere in te zetten op energieneutrale stad (exclusief verkeer & vervoer). Dit doet de gemeente door in te zetten op vermindering van energieverbruik in met name bestaande bouw en lokale industrie, het opwekken van duurzame energie door windenergie, zonne-energie en biomassa en slimme technische concepten. Hiervoor zullen er de komende jaren diverse netuitbreidingen/wijzigingen plaatsvinden om de klimaatdoelstellingen te kunnen nakomen.
Het buitengebied wordt, naast de agrarische functies en landschappelijke waarden, vooral gezien als een energielandschap. Het is een plek voor energieopwekking, onder voorwaarde dat bij het plaatsen van zonneparken het bouwen van huizen prioriteit heeft boven de plaatsing van zonnepanelen/zonneweides gaat. Hierbij dient rekening te worden gehouden met toekomstige woningbouw uitbreidingen op (middel-) lange termijn. Relatie met het voorliggend bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de omgevingsvisie van de gemeente. De versterking van het energienetwerk die mogelijk wordt gemaakt met deze ontwikkeling (die valt onder netuitbreidingen) is nodig om de ambities naar energie neutraliteit van de gemeente te verwezenlijken.
(ontwerp)
blz. 28
(ontwerp)
blz. 29
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu - en omgevingsaspecten
Inleiding
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de feiten en belangenafweging inzake de relevante milieuhygiënische aspecten (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Om tot een gedegen planontwikkeling te komen zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, die inzicht geven in de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Alle onderzoeken zijn gedaan voorafgaand aan de realisatie van het 150/20kV hoogspanningsstation. Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de feitelijke onderzoeken in de bijlagen.
4.2
M.e.r.-beoordeling
Aanleiding Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (de aanleg of het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen, de m.e.r -procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure. Onderhavig plan omvat de realisatie van een hoogspanningsstation (150/20kV) en een hoogspanningsverbinding. De activiteit de realisatie van een hoogspanningsstation is niet specifiek benoemd in het Besluit milieueffectrapportage. Voor het 150/20kV hoogspanningsstation wordt een enkelbestemming Bedrijf - nutsbedrijf opgenomen. Hierdoor valt de activiteit onder categorie D 11.3 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. In dit geval beslaat het oppervlak van het 150/20kV hoogspanningsstation 11 hectare, hiermee ligt het oppervlak onder de drempelwaarde van 75 hectare. Doordat de activiteit onder de drempelwaarde ligt, is er voor het voornemen een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.
De voorgenomen ontwikkeling omvat ook de realisatie van een ondergrondse hoogspanningsverbinding (150kV) van circa 1060 meter. De ondergronds verbinding wordt via bovengrondse portalen verbonden met de bestaande hoogspanningsverbinding tussen mast 56 en 57. Deze ontwikkeling valt onder categorie D 24.2 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: een spanning van 150 kV of meer en een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied. In dit geval gaat het om een ondergrondse leiding met een spanning van 150 kV met een lengte van 1060 meter. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. De ondergrondse hoogspanningsverbinding (150/20kV) wordt op een gegeven moment bovengronds gebracht door twee portalen waarbij de verbinding wordt ingelusd op de bestaande hoogspanningsverbinding. Doordat er ook een deel bovengronds wordt aangelegd en er een wijziging aan de bestaande hoogspanningsverbinding plaatsvindt, is ook de categorie D 24.1 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r. aan de orde. Dit onderdeel omvat activiteiten als: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een
(ontwerp)
blz. 30
bovengrondse hoogspanningsleiding. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: een spanning van 150 kilovolt of meer, en een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied. De voorgenomen ontwikkeling bestaat onder andere uit de aanleg van een 150 kilovolt hoogspanningsverbinding met een lengte kleiner dan 5 kilometer. Doordat de activiteit onder de drempelwaarde ligt, is er voor het voornemen een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor de aanleg van de ondergrondse kabelverbinding wordt tijdelijk grondwater onttrokken. Het onttrekken van grondwater valt onder categorie D 15.2 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. Voor de aanleg van de ondergrondse kabelverbinding wordt echter tijdelijk circa 2.000 tot 3.000 m3 onttrokken, met een uurvolume van maximaal 5 m3/uur. De voorgenomen activiteit valt ver onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. Vanuit de Keur Waterschap Zuiderzeeland geldt een meldingsplicht voor grondwateronttrekking vanaf een uurvolume van 1 m3/uur. Een vergunning is vereist als de hoeveelheid te onttrekken water meer bedraagt dan 10 m³ per uur en maximaal 12.000 m³ per kwartaal.
De grondwateronttrekking is hiermee meldingsplichtig. De activiteit wordt voor de volledigheid meegenomen in de milieubeoordeling in deze aanmeldingsnotitie. Vanuit de verschillende activiteiten benoemd in het Besluit milieueffectrapportage is er een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht waarvoor een aanmeldnotitie is opgesteld (zie Bijlage 2).
M.e.r.-beoordeling In m.e.r.-beoordeling (Bijlage 2) wordt in gegaan op de mogelijke effecten van de ontwikkeling van de ondergrondse hoogspanningsverbinding (150/20kV), voor de volledigheid om het hele project te beschouwen wordt ook het 150/20kV hoogspanningsstation meegenomen in de beoordeling. Per milieu- en/of omgevingsaspect wordt er onderscheidt gemaakt tussen de verbinding en het station. Inhoudelijk geeft de m.e.r.- beoordeling informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan bepalen of er al dan niet sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' als gevolg van de voorgenomen activiteit. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de Europese Richtlijn m.e.r. voor projecten (2011/92/EU, in 2015 gewijzigd: 2014/52/EU). Deze criteria zijn: 1. De kenmerken van de projecten; 2. Locatie van de projecten (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); 3. Soort en kenmerken van het potentiële effect Er kunnen twee uitkomsten van de m.e.r.-beoordeling zijn: 1. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden.
(ontwerp)
blz. 31
2. Indien belangrijke nadelige milieugevolgen niet optreden, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Bij het oordeel of er aanleiding is om de m.e.r.-procedure te doorlopen, kan mede worden betrokken in welke mate er maatregelen kunnen worden getroffen om waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen (mitigatie; artikel 7.16 lid 4). Voor de effectbeoordeling wordt verwezen naar Bijlage 2 de aanmeldnotie, waarin de effecten van de aanleg en het gebruik van de hoogspanningsverbinding en het 150/20kV hoogspanningsstation zijn beschreven.
Conclusie Op basis van de effectbeoordeling zoals beschreven in deze aanmeldingsnotitie treden er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op mits de beschreven compenserende en mitigerende maatregelen worden getroffen voor, namelijk: - Om negatieve effecten te voorkomen op broedvogels (met niet jaarrond beschermde nestlocaties) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Mitigerende maatregelen die opgevolgd moeten worden zijn: Voorkom altijd schade aan broedvogels. Werk op potentiële broedlocaties buiten het indicatieve broedseizoen (buiten half maart-half juli). Locaties die als ongeschikt beschouwd worden kunnen in samenspraak met de ecoloog vastgelegd worden indien hier binnen het broedseizoen gewerkt dient te worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocatiesop locatie voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. Indien verstoring van broedende vogels ten noorden van het plangebied niet voorkomen kan worden moeten er schermen aan de noordkant van het projectgebied geplaatst worden om de ergste verstoring te weren. Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende vogels ter plaatse aanwezig zijn.
Als hierbij broedvogels worden aangetroffen, dient in een nadere toetsing nagegaan te worden of er verbodsbepalingen overtreden worden, er eventueel ontheffing aangevraagd dient te worden of werkzaamheden uitgesteld moeten worden. - Om negatieve effecten te voorkomen op algemene vleermuizen dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden, namelijk: Indien het niet mogelijk is om buiten het actieve seizoen van vleermuizen te werken (1 april tot 1 november), dienen de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden zonder kunstlicht. Hierdoor wordt verstoring door licht voorkomen. Wanneer werkzaamheden wel in het actieve seizoen tussen zonsondergang en zonsopkomst uitgevoerd dienen te worden kan dit mogelijk met vleermuisvriendelijke verlichting (amber gekleurd licht) en door het gebruik maken van gerichte verlichting met weinig onnodige uitstraling. - Om geen negatieve effecten te ondervinden aan het waterbergend vermogen op locatie
(ontwerp)
blz. 32
dient de hoeveelheid oppervlaktewater vergroot te worden met 527 m2, door het realiseren van een natuurvriendelijke oever die voldoet aan het Programma natuurvriendelijke en duurzame oevers 2012-2021. - Om negatieve effecten door de bemalng tijdens de aanleg te voorkomen dient er opvolging te worden geven aan de procedure van het waterschap, door het doen van een melding en een bemalingsadvies uit te laten voeren. - Om effecten op de waterkwaliteit te voorkomen moet het hemelwater dat in contact komt met de transformatoren afgevoerd worden via de riolering of op een hemelwatersysteem met oliedetectie zodat er geen vervuild hemelwater in de onverharde gronden rondom het 150/20kV hoogspanningsstation kan trekken. Tussen één van deze varianten dient een keuze gemaakt te worden.
4.3
Archeologie
Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Lelystad blijkt dat het plangebied is gelegen in een laag archeologisch waardevol gebied (zie figuur 9). Vanwege de archeologische waarde is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De archeologische waarden staat de ontwikkeling van het 150/20kV hoogspanningsstation niet in de weg.
Figuur 9: Archeologische verwachtingswaardekaart van de gemeente Lelystad.
(ontwerp)
blz. 33
4.4
Ecologie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met ecologie. Derhalve is het belang om na te gaan of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op de beschermde natuurwaarden. Op circa 8 km ten noordwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer en op circa 12 km ten zuidoosten van het plangebied het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Daarnaast is er mogelijk effect op het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). In dit kader hebben initiatiefnemers Arcadis gevraagd een QuickScan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en de benodigde vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) in beeld te brengen (zie Bijlage 3). In mei 2022 en augustus 2022 zijn er door de ecologen van Arcadis veldbezoeken uitgevoerd. 4.4.1 Gebiedsbescherming Het projectgebied bestaat grotendeels uit agrarisch land. De bermen langs de Larserringweg bestaan uit groenstroken met gras en enkele bomen. Verder zijn er enkele agrarische sloten in het projectgebied aanwezig. Aan de noordoost kant van het projectgebied is er een grotere en bredere sloot aanwezig met een rietkraag van enkele meters breed.
Figuur 10: De locatie van het 150/20kV hoogspanningsstation(lgroen/blauw/nummer 1), tussen de Larserringweg en de Vlotgrasweg, de bekabeling (kobaltblauwe/nummer 2) en de portalen (paars/donkerblauwnummer 3).
Het projectgebied ligt op circa 8 km ten noordwesten van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer en op circa 12 km ten zuidoosten van het projectgebied het Natura
(ontwerp)
blz. 34
2000-gebied Veluwerandmeren, zie figuur 11. Verstoring van geluid en verlichting reiken niet tot de aanwezige Natura 2000-gebieden, maar tot maximaal honderden meters. Dit effect hoeft verder niet beoordeeld te worden. Zie Figuur 11.
figuur 11: Ligging van het projectgebied (oranje kader) ten opzichte van de dichtstbijzijnde natura 2000-gebieden.
Verzuring en vermesting Stikstofdepositie leidt tot vermesting (verrijking) van ecosystemen via de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals hooilanden, bossen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Vooral (veelal soortenrijke) kruidenvegetaties met plantensoorten die langzaam groeien, klein en laag blijven en die zijn aangepast aan een situatie van permanent 'voedselgebrek' zijn gevoelig voor vermesting. Stikstofdepositie kan ook verzurend werken, waarbij bodem en grondwater chemisch van karakter veranderen waardoor soorten en habitattypen van basische, neutrale en zwak zure omstandigheden kunnen verdwijnen. De oorspronkelijk aanwezige planten worden dan verdrongen en/of verdwijnen en er ontstaat een ander vegetatietype. De werkzaamheden leiden naar verwachting tot emissies en daarmee tot depositie op
(ontwerp)
blz. 35
Natura 2000-gebieden. Omdat het hier om een eenmalige ingreep gaat, betreft het een tijdelijk effect. Conclusie Er is geen sprake van ruimtebeslag op Natura 2000-gebieden. Het projectgebied bevindt zich daarnaast op dusdanige afstand van Natura 2000-gebieden dat een tijdelijke toename in visuele verstoring en geluid in de aanlegfase niet reikt tot de Natura 2000-gebieden. Er kan echter externe werking optreden door stikstofemissie. Door een recente uitspraak van de Raad van State is de bouwvrijstelling, voor tijdelijke stikstofuitstoot die tijdens de bouw ontstaat, voor de voor de aanlegfase komen te vervallen. Hiermee geldt voor de ontwikkeling van het 150/20kV hoogspanningsstation en de ondergrondse hoogspanningsverbinding dat de bouwactiviteiten en de daarmee samenhangende vervoersbewegingen ingeschat en berekend moeten worden. Voor de aanlegfase is het in te zetten materieel en het bouwverkeer meegenomen in de Aerius-berekening.Voor de uitgangspunten voor de Aerius-berekening wordt verwezen naar de Memo ‘Toelichting Aerius berekeningen bouwfase nieuwbouw OS Lelystad Larserringweg, opstijgpunten en ondergrondse 150 kV verbinding’ (Qirion,19 december 2022) zie Bijlage 5 .
Het project heeft een doorlooptijd van 72 maanden, daarom is er per bouwjaar (2024, 2025, 2026 en 2027) een separate Aerius berekening gemaakt waarin de betreffende bouwwerkzaamheden en verkeersbewegingen van het project zijn gemodelleerd. Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een tijdelijke toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase, zie Bijlage 6, Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9 . Voor de gebruiksfase bedraagt de depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden nergens meer dan 0,00 mol N/ha/jr. Dit betekent dat voor het aspect stikstof geen nadere vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming met betrekking tot gebiedsbescherming nodig zijn. Als in een later stadium blijkt dat de plannen of werkzaamheden wijzigen, is het noodzakelijk om opnieuw een berekening van de stikstofdepositie te laten uitvoeren. Hieruit moet blijken of er nog steeds geen sprake is van een (tijdelijke) toename van de stikstofdepositie in een overbelaste situatie. Geconcludeerd kan worden dat er als gevolg van de aanleg van het voornemen geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten zijn.
4.4.2 Soortenbescherming Tijdens de veldbezoeken is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen. In de buurt van de voorgenomen ontwikkeling komen verschillende beschermde diersoorten voor. Dit betreffen broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) en vleermuizen. Het voorkomen van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (egel en konijn) is niet uitgesloten. Er geldt in de Provincie Flevoland een vrijstelling voor de binnen het projectgebied algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën (zie Tabel 5 in Bijlage A Omgevingsverordening Provincie Flevoland ). De aanwezigheid van andere beschermde soorten is op basis van de quickscan (zie ook Bijlage 3) uitgesloten.