CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 1a FlevoGolf Resort Lelystad_Bijlagen Definitief

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.074 Bindend advies BOPA Flevo Golf Resort: realisatie 44 woningen23.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .

handleidingen op onze website

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Flevo Golf Resort B.V. nvt, 8241BG Lelystad Woningbouw Flevo Golf Resort Aanleg- en gebruiksfase 2025

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

S6mAxy85AXsh 23 april 2025, 15:58 OwN2000-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Aanleg- + gebruiksfase - Beoogd Aanleg- + gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

2025 -

13,3 kg/j

286,9 kg/j

2/8

Projectberekening

Aanleg- + gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Mobiele werktuigen bouwlocatie 4 Verkeer | Koude start: overig | Werkverkeer koude start 5 Verkeer | Koude start: overig | Verkeersgeneratie koude start  Verkeersnetwerk

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

7,0 kg/j 0,3 kg/j 2,9 kg/j 3,1 kg/j

168,1 kg/j 1,8 kg/j 18,0 kg/j 99,0 kg/j

3/8

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

4/8

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanleg- + gebruiksfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

5/8

Projectberekening

Aanleg- + gebruiksfase, Rekenjaar 2025 1

Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning

Naam Locatie Oppervlakte Naam

Mobiele werktuigen bouwlocatie X:159729,46 Y:506341,42 3,66 ha

Stageklasse

NOₓ NH₃

168,1 kg/j 7,0 kg/j

Brandstof­verbruik

Draaiuren AdBlue verbruik

Stof Emissie

113 u/j 70 l/j

NOₓ 6,4 kg/j

170 l/j

68 u/j

NH₃ 0,3 kg/j NOₓ 3,7 kg/j

Kraan 100 kW - aanleg verharding Stage-IV, 2014-2018, 75-560 1154 l/j kW, diesel, SCR: ja

113 u/j 70 l/j

NH₃ 1,3 g/j NOₓ 6,4 kg/j

Asfalteermachine 100 kW aanleg Stage-IV, 2014-2018, 75-560 693 l/j verharding kW, diesel, SCR: ja

68 u/j 42 l/j

NH₃ 0,3 kg/j NOₓ 3,9 kg/j

Wals 90 kW - aanleg verharding

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 693 l/j kW, diesel, SCR: ja

68 u/j 42 l/j

NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 3,9 kg/j

Graafmachine 200 kW - dempen Stage-IV, 2014-2018, 75-560 5778 l/j en graven water kW, diesel, SCR: ja

292 u/j 347 l/j

Dumper 215 kW - dempen en graven water

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 6263 l/j kW, diesel, SCR: ja

292 u/j 376 l/j

Kraan 100 kW - bouw woningen Stage-IV, 2014-2018, 75-560 2240 l/j kW, diesel, SCR: ja

220 u/j 135 l/j

Graafmachine 100 kW - bouw woningen

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 2240 l/j kW, diesel, SCR: ja

220 u/j 135 l/j

Heistelling 200 kW - bouw woningen

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 4359 l/j kW, diesel, SCR: ja

220 u/j 262 l/j

Betonstorter 200 kW - bouw woningen

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 4359 l/j kW, diesel, SCR: ja

220 u/j 262 l/j

Graafmachine 100 kW terreininrichting

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 286 l/j kW, diesel, SCR: ja

28 u/j 18 l/j

Graafmachine 100 kW - aanleg verharding

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 1154 l/j kW, diesel, SCR: ja

Trilplaat 10 kW - aanleg verharding

Stage-IV, 2014-2018, <= 56 kW, diesel, SCR: nee

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

NH₃ 0,2 kg/j NOₓ 32,5 kg/j NH₃ 1,4 kg/j NOₓ 35,2 kg/j NH₃ 1,5 kg/j NOₓ 12,9 kg/j NH₃ 0,5 kg/j NOₓ 12,9 kg/j NH₃ 0,5 kg/j NOₓ 24,4 kg/j NH₃ 1,0 kg/j NOₓ 24,4 kg/j NH₃ 1,0 kg/j NOₓ 1,3 kg/j NH₃ 68,6 g/j

6/8

Projectberekening

2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Werkverkeer bouwlocatie Locatie X:159731,63 Y:506183,09 Lengte 628,80 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

3 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Verkeersgeneratie Locatie X:159708,95 Y:506138,87 Lengte 1.345,37 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Max. snelheid

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 4

Verkeer | Koude start: overig

Naam Locatie Oppervlakte Type voertuig

Werkverkeer koude start X:159729,46 Y:506341,42 3,66 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 5

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Verkeer | Koude start: overig

Naam Locatie Oppervlakte Type voertuig

Verkeersgeneratie koude start X:159729,46 Y:506341,42 3,66 ha

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

Links Rechts NOₓ 39,5 kg/j Type scherm - - NO₂ 9,7 kg/j Hoogte - - NH₃ 0,6 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

13.110,0 /jaar 880,0 /jaar 8.886,0 /jaar 0,0 /jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Links Rechts NOₓ 59,5 kg/j Type scherm - - NO₂ 9,9 kg/j Hoogte - - NH₃ 2,6 kg/j Afstand tot de weg - -

Aantal voertuigbewegingen

In file

361,0 /etmaal 14,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

NOₓ NH₃

1,8 kg/j 0,3 kg/j

Koude starts

6.555,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar NOₓ NH₃

18,0 kg/j 2,9 kg/j

Koude starts

180,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal

7/8

Projectberekening

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2024.1.3_20250325_2d340884eb Database versie 2024.1.3_2d340884eb_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website

S6mAxy85AXsh (23 april 2025)

8/8

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 6 Quickscan natuurwaarden

44

RAPPORTAGE quickscan natuurwaarden Parlaan 1 Lelystad

Rapport quickscan natuurwaarden Parlaan 1, Lelystad Opdrachtgever

BügelHajema Amersfoort Utrechtseweg 7 3811 NA Amersfoort

1

Rapportnummer

26088.001

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

10 oktober 2024

Opsteller1

Mevrouw T. van den Brink, BSc

Kwaliteitscontrole

De heer G.J. Sieperda, MSc

Vrijgave

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 6 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 14 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................................. 6 Vleermuizen ................................................................................................................................... 8 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 10 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 11 Ongewervelden ............................................................................................................................ 12 Planten ......................................................................................................................................... 13 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 13

Broedvogels .................................................................................................................................. 14 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 15 Reptielen ...................................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen ...................................................... 15 Vlinders ........................................................................................................................................ 16 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 17 6.1 6.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 17 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 19

7

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 20

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 21

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet

26088.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van BügelHajema Amersfoort opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Parlaan 1 te Lelystad. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

26088.001 versie D1

1 / 23

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 4 ha) ligt aan de Parlaan 1 te Lelystad. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie bestaat voor een groot deel uit grasland. In het zuidwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een loods die wordt gebruikt als opslag voor het groenbeheer van de golfbaan. In het zuiden bevindt zich in een overkapping met een oefenterrein voor golfspelers (driving range) en nog een kleine opslag voor voertuigen. Rondom het grasland bevinden zich struwelen, bomenrijen, bosschages en sloten. De onderzoekslocatie wordt ten noorden en zuiden omgeven. door woonblokken. Langs de westzijde wordt de onderzoeklslocatie begrensd door de N307. Tussen de N307 en de onderzoekslocatie ligt een brede berm. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

26088.001 versie D1

2 / 23

Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.3 Onderzoekslocatie vanaf de westzijde.

Figuur 2.4 Onderzoekslocatie vanaf de noordzijde.

Figuur 2.5 Watergang aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.6 loods aan de noordwestzijde van de onderzoek locatie.

Figuur 2.7 Binnenzijde loods zuidwestzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.8 Bebouwing aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie.

26088.001 versie D1

3 / 23

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hierbij worden er nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd die aansluiten op de al omliggende woonwijk. Hierbij zullen de watergangen worden uitgebreid. Ook zal de huidige bebouwing op de onderzoekslocatie worden gesloopt. De aanwezige houtwallen en bosschages zullen worden verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwbouw.

Figuur 2.9

Toekomstige plan woningbouw (bron: BügelHajema Amersfoort, 2024).

26088.001 versie D1

4 / 23

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 29 augustus 2024 . Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Flevoland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

De onderzoekslocatie is in 2020 al eerder ecologisch onderzoek uitgevoerd door BugelHajema Adviseurs (Projectnummer: 576.05.50.00.00, d.d 19 september 2020).De geldigheid van dit rapport is inmiddelsverlopen. Daarnaast is tijdens deze quickscan slechts een deel van onderzoekslocatie onderzocht.

26088.001 versie D1

5 / 23

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, kerkuil, ransuil, boomvalk en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Huismus De huismus maakt gebruik van ruimtes onder dakpannen en andere nissen in bebouwing die toegankelijk zijn als nestplaats. De bebouwing aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie is ongeschikt voor de huismus. De bebouwing beschikt niet over een pannendak en er zijn geen ruimtes of kieren aanwezig waarin huismussen kunnen nestelen. Tevens is er bij de dakgoot ook geen ruimte waargenomen waar de huismus kan invliegen. De bebouwing aan de zuidzijde zijn wel geschikte nissen onder het dak waargenomen die gebruikt kunnen worden als nestplaats voor de huismus (zie figuur 4.1). Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de huismus (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.1 Geschikten nissen zuidelijke bebouwing voor de huismus.

Gierzwaluw De gierzwaluw broedt doorgaans onder nissen van daken, onder (overhangende) kant- en nokpannen en in overige geschikte openingen op, en rondom, het dak of in de gevel. De gebouwen op de onderzoekslocatie hebben geen dakpannen die kunnen dienen als nestplaats voor de gierzwaluw. Daarnaast zijn er geen ruimtes en nissen geconstateerd die geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw. Hierdoor ontbreekt het op de

26088.001 versie D1

6 / 23

onderzoekslocatie aan geschikte nestlocaties voor deze soort. Tijdens herontwikkeling is overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de gierzwaluw uit te sluiten. Torenvalk De torenvalk broedt vooral in speciale open en halfopen nestkasten of in oude kraaiennesten. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte kasten aanwezig. In de directe omgeving en op de onderzoeklocatie zijn de bomen geïnspecteerd op grote nesten die door deze soort gebruikt kunnen worden. Vanwege de openstructuur van de boomkronen konden de aanwezige bomen gedurende het veldbezoek goed geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van grote nesten. Hierbij zijn geen dergelijke nesten aangetroffen. Daarnaast zijn er in de omgeving ook geen nestkasten aanwezig. Het is daarmee uitgesloten dat de torenvalk op of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie broedt. De torenvalk jaagt bij voorkeur op boerenlanden met kort grasland. Het grasland kan door de torenvalk gebruikt worden als foerageergebied en is geschikt als jachtgebied van deze soort. Echter is direct naast het projectgebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig, zoals in het Zuigerplasbos en op delen van de golfbaan Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de torenvalk kan worden uitgesloten. Buizerd en havik De buizerd bouwt zeer grote nesten in boomkronen van grote loofbomen, ook wel horsten genoemd.

Ook de havik bouwt nesten van een gelijke grootte van stevige takken hoog in naaldbomen en soms in loofbomen. Tijdens het veldbezoek was er goed door het bladerdek heen te kijken waardoor de bomen op de onderzoekslocatie en omgeving goed te controleren waren op nesten. Hierbij zijn er geen dergelijke grote horsten aangetroffen. Het is daarmee uitgesloten dat er nesten van de havik of buizerd op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de havik en buizerd is niet aan de orde. Sperwer, boomvalk en ransuil De boomvalk en ransuil broeden vaak in oude ekster-of kraaiennesten. De sperwer bouwt elk jaar een nieuw nest van vergelijkbare grootte. Rondom de onderzoekslocatie zijn de bomen geïnspecteerd op grote nesten. Hierbij zijn geen grote nesten aangetroffen die mogelijk gebruikt kunnen worden door de sperwer, boomvalk of ransuil . Het is daarmee uitgesloten dat deze soorten op of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie broeden. Overtreding van de Omgevingswet kan daarom worden uitgesloten. Kerkuil De kerkuil broedt veelal in open schuren of speciaal voor deze soort bestemde nestkasten. De onderzoeklocatie en directe omgeving hiervan, is gecontroleerd op de aanwezigheid van voor de kerkuil geschikte nestlocaties.

Wegens het ontbreken van geschikte kasten, invliegopeningen in de bebouwing en sporen kan uitgesloten worden dat de kerkuil een vaste roest- of verblijfplaats heeft op de onderzoekslocatie De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn er in de omgeving geen geschikte holen of nesten in bomen aangetroffen. De spreeuw broedt naast holtes van bomen, ook in gaten en kieren van gebouwen. De bebouwing op de onderzoeklocatie vormt een potentiële broedplaats voor deze soort. De spreeuw is een veel voorkomende soort, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die

26088.001 versie D1

7 / 23

rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen of voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren op nesten is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals Tjiftjaf, merel, sijs en roodborst. Daarnaast kan de bebouwing broedgelegenheid bieden aan algemene soorten als houtduif of holenduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Op de muur van de bebouwing zijn krijtsporen aangetroffen wat een indicatie geeft dat de bebouwing wordt gebruikt als rustplek (zie figuur 4.2). Ook zijn er uitwerpselen aangetroffen in de open schuur aan de zuidzijde van de onderzoeklocatie (zie figuur 4.3). Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.2 uitwerpselen op muur zuidwestelijke gebouw aan de noordzijde van gebouw.

Figuur 4.3 uitwerpselen in het meest zuidelijke gebouw.

4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Een massawinterverblijfplaats kan voorhand worden uitgesloten. Massawinterverblijven komen voornamelijk voor in hoge bebouwing zoals appartement complexen of kerktorens. Op de onderzoekslocatie is alleen laagbouw aanwezig

26088.001 versie D1

8 / 23

De bebouwing op de onderzoekslocatie is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen als pannendaken en spouwmuren. Er zijn geen geschikte invliegopeningen aanwezig die toegang bieden tot ruimtes in de bebouwing. (zie figuur 4.4 en 4.5). Overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van gebouwbewoondevleermuizen is daarom uit te sluiten.

Figuur 4.4 Buitenkant gebouw zuidwestzijde.

Figuur 4.5 Gevel gebouw zuidzijde.

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft het Zuigerplasbos aan de oostzijde van de onderzoekslocatie en het IJsselmeer aan de westzijde van de onderzoekslocatie.

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De aanwezigen sloten en houwallen op onderzoekenlocatie zijn niet verbonden met lijnvormige elementen in de omgeving. Hierdoor woorden er geen potentiële vlierroutes verstoord.

26088.001 versie D1

9 / 23

4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, bever en otter. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Ook is er inpandige inspectie uitgevoerd, hierbij zijn geen sporen of geschikte openingen voor de steenmarter aangetroffen. Gelet op het ontbreken van sporen kan worden gesteld dat de bebouwing niet in gebruik is door de steenmarter.

Op de onderzoekslocatie bevindt zich aan de noord-, oost- en zuidzijde struweel dat geschikt leefgebied vormt voor de Figuur 4.6 Struweel aan de oostzijde van de onderzoekslosteenmarter. Het dichte struweel biedt voldoende dekking voor de catie. aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen(zie figuur 4.6). Overtredingen ten aanzien van de steenmarter kunnen daarom niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Op de onderzoekslocatie zijn houtwallen aanwezig met dichte struwelen en ruigtevegetaties die met elkaar in verbinding staan. Het is daarom niet uit te sluiten dat de onderzoeklocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn. De kleine marterachtigen zijn namelijk sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden.

Gezien de aanwezigheid van voldoende schuilmogelijkheden en geschikte rust- en verblijfsplaatsen (zie figuur 4.6) zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 5).

26088.001 versie D1

10 / 23

Bever De bever is een oeverbewonend knaagdier die dammen en burchten bouwt in en langs het water. De soort heeft voorkeur voor rivieren en meren omzoomd met bossen. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten of foerageersporen aangetroffen die duiden op een vaste rust- of voortplantingsplek van de bever. Daarmee zijn overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet op voorhand uit te sluiten. Otter De otter behoord tot de marterachtigen en leeft in oeverzones van verschillende soorten wateren waaronder meren, rivieren, kanalen en beken. Belangrijk is dat er voldoende dekking en rust is. Het territorium van de otter wordt gemarkeerd met uitwerpselen, ook wel spraints genoemd. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF wordt de soort en in de buurt van de onderzoekslocatie waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen aangetroffen die duiden op vaste rust- of voortplantingsplek van de otter. Daarmee zijn overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet uit te sluiten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, rosse woelmuis en veldmuis. De verblijfplaatsen van deze soorten kunnen door graafwerkzaamheden worden aangetast (hoofdstuk 5).

4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie uitsluitend gelegen binnen het natuurlijk verspreidingsgebied van de ringslang. De aanwezigheid van de overige reptielsoorten kan op basis van verspreiding worden uitgesloten. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig als de adder, gladde slang, hazelworm, zandhagedis en levendbarende hagedis. De dichtstbijzijnde bekende populatie van de ringslang betreft een populatie rond de Zuigerplas op circa 1,25 km ten oosten van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldwerk zijn geen broeihopen of overwinteringsplekken als houtstapels aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat er op de onderzoekslocatie belangrijke functies voor de ringslang aanwezig zijn. Gelet op de ligging van de onderzoeklocatie ten aanzien van nabijgelegen leefgebied kan de incidentele aanwezigheid van de ringslang op de onderzoekslocatie echter niet geheel worden uitgesloten. Het is daarom mogelijk dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot het doden of verwonden van incidenteel aanwezige ringslangen (zie hoofdstuk 5). Amfibieën De onderzoekslocatie ligt buiten het verspreiding gebied van de poelkikker en rugstreeppad.

De sloten ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie kunnen als wel voortplantingshabitat dienen voor algemene amfibieensoorten als de gewone pad, bastaard kikker en bruine kikker. Deze amfibieënsoorten kunnen op de onderzoekslocatie beschutting vinden tussen de aanwezige vegetatie, waaronder het struweel en rietkraag. Bij de herontwikkeling van de onderzoekslocatie worden de oeverzones en struweel verwijderd waardoor amfibieën

26088.001 versie D1

11 / 23

gedood of verwond kunnen worden. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 5). Vissen De onderzoekslocatie ligt niet in het verspreidingsgebied van de zoetwatervissoorten die beschermd zijn onder de Omgevingswet. Gezien de geïsoleerde ligging kunnen er alleen negatieve gevolgen ontstaan ten aanzien van algemene vissoorten Omdat er werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden is het wel zaak om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 5).

4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit NDFF geen beschermde soorten waargenomen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend zijn van de grote vos. Grote Vos De grote vos heeft vooral de iep als waardplant, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Op de onderzoekslocatie zijn tijdens het veldbezoek geen waardplanten aangetroffen. Overtreding van de Omgeving wet ten aanzien van de grote vos is hierdoor uitgesloten. Teunnisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart heeft open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen als habitat. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederiken en kattenstaart.

Tijdens het veldbezoek is gelet op waardplanten van teunisbloempijlstaart. Hierbij is de waardplant wilgenroosje op de onderzoekslocatie aangetroffen (figuur 4.5). De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart op de onderzoekslocatie kan daarom niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5). Figuur 4.2 Wilgenroosjes aan de oostzijde van de onderzoekslocatie.

26088.001 versie D1

12 / 23

4.6 Planten De onderzoekslocatie bestaat voor een groot deel uit gras. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: akkerdistel, wilgenroosje, riet, braam. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur, vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren. Alle waarnemingen van Rode Lijst soorten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie betreffen waarnemingen van vogels, als de spotvogel, nachtegaal en torenvalk. Voor deze soorten is slechts in beperkte mate leefgebied aanwezig op de onderzoekslocatie. Het struweel op de onderzoeklocatie biedt mogelijk broedgelegenheid aan soorten als nachtegaal, spotvogel en grauwe vliegenvanger.

De torenvalk gebruikt de onderzoekslocatie mogelijk als foerageergebied. Er is in de directe omgeving van de onderzoekslocatie echter voldoende alternatief leefgebied aanwezig voor deze soorten. Door te voldoen aan de zorgplicht en het voorkomen van verstoring van broedgevallen kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.

26088.001 versie D1

13 / 23

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1 Broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Dit onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken in de maanden april en mei. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn.

In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. . In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

26088.001 versie D1

14 / 23

5.2 Overige zoogdieren Kleine marterachtigen en steenmarter Het is op grond van artikel 11.54, eerste lid, onder a, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verboden om kleine marterachtigen en steenmarter opzettelijk te doden of te vangen of om de vaste voortplantingsplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Op de onderzoekslocatie is een ruime hoeveelheid ruigte en struweel aanwezig waarin vaste rust- of voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen en steenmarter aanwezig kunnen zijn. Om de functie van de onderzoekslocatie voor steenmarter en kleine marterachtigen te bepalen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Aanvullend onderzoek kan worden uitgevoerd middels het plaatsen van wildcamera’s die speciaal bedoeld zijn om de aanwezigheid van zoogdieren aan te tonen. Hiervoor zullen wildcamera’s geplaatst worden op kansrijke locaties op de onderzoekslocatie in de periode van juni tot half november. Het nader onderzoek dient volgens het Kennisdocument van de kleine marter (BIJ12, 2024) te worden uitgevoerd. Het aanvullend onderzoek naar steenmarter kan worden gecombineerd met dit onderzoek. Op basis van dit onderzoek moet blijken of sprake is van een vergunningsplichtige flora- en fauna-activiteit

5.3 Reptielen Ringslang De incidentele aanwezigheid van de ringslang kan niet worden uitgesloten op de onderzoeklocatie De ringslang is beschermd op basis van Artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het is verboden om de ringslangen opzettelijk te doden of te vangen. Er is geen verbod op het opzettelijk verstoren. Door graafwerkzaamheden in oeverzones en aangrenzende ruigtes bestaat de kans dat eventueel aanwezige ringslangen worden gedood of verwond. Het doden en verwonden van ringslangen kan echter voorkomen worden door het treffen van maatregelen. Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt het noodzakelijk geacht om voor aanvang van de werkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In dit protocol wordt beschreven op welke wijze overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ringslang voorkomen kan worden.

5.4 Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te

26088.001 versie D1

15 / 23

worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Omdat er bij herontwikkeling ruigte en oeverzones worden vergraven dienen er maatregelen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

5.5 Vlinders De teunisbloempijlstaart is een internationaal beschermde soort conform de Habitatsrichtlijn, en artikel 3.5 van de Omgevingswet. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen, vernielen of te verstoren. Binnen de onderzoekslocatie bevinden zich waardplanten die geschikt zijn voor de teunisbloempijlstaart. Een aanvullend onderzoek naar de teunisbloempijlstaart wordt noodzakelijk geacht. Het onderzoek bestaat uit een inspectie naar aanwezige waardplanten in juni en augustus, tijdens de bloeiperiode van deze planten en wanneer de teunisbloempijlstaart in het rupsstadium is. Op basis van dit onderzoek moet blijken of sprake is van een vergunningsplichtige flora- en fauna-activiteit

5.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soort-groepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

26088.001 versie D1

16 / 23

6

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, IJsselmeer, bevindt zich op circa 125 meter afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

Het IJsselmeer is aangewezen als een Vogelrichtlijngebied. Het gebied is aangewezen voor zowel broedvogels als niet-broedvogels. Het IJsselmeer is vooral van belang voor grote aantallen overwinterende ganzen en eenden en als pleisterplaats voor steltlopers.

26088.001 versie D1

17 / 23

De onderzoekslocatie ligt op ongeveer 125 meter van het Natura 2000-gebied IJsselmeer. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen soorten. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Voor een dergelijk onderzoek kan in eerste instantie worden volstaan met een zogenaamde "voortoets". Uit het onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde is: Er is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat de activiteit geen Natura 200-activiteit (artikel 5.1, lid 1) betreft. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat de activiteit een Natura 200-activiteit (artikel 5.1, lid 1) is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist (artikel. 16.53). Ten behoeve van de voortoets dient tevens getoetst te worden of er sprake is van negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie. Hiervoor dient een modelberekening stikstof opgesteld te worden.

26088.001 versie D1

18 / 23

6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 260 meter afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Vanwege de afstand en ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het natuurnetwerk worden er geen negatieve effecten verwacht. Verdere toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Figuur 6.2

Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

26088.001 versie D1

19 / 23

7

HOUTOPSTANDEN

In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf in artikel 11.111 (Bal). De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

26088.001 versie D1

20 / 23

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van BügelHajema Amersfoort een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Parlaan 1 te Lelystad. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens de locatie te laten herontwikkeling ten behoeve van woningbouw. Hierbij zullen er werkzaamheden plaatsvinden als het kappen van houtwallen, het verwijderen van stuwelen en het vergraven van oevers. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of broedvogelinspectie.

jaarrond beschermd

mogelijk

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar huismus

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

ja

mogelijk

- aanvullend onderzoek naar steenmarter en kleine marterachtige benodigd. -ecologisch werkprotocol opstellen in het kader van de zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Reptielen

ja

mogelijk

nee

nee

maatregelen opnemen in een ecologisch werkprotocol om doden en verwonden van incidenteel aanwezige ringslangen te voorkomen

Broedvogels

Vleermuizen

26088.001 versie D1

21 / 23

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning

Amfibieën en vissen

ja

ja

nee

nee

ecologisch werkprotocol opstellen in het kader van de zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Libellen en vlinders

mogelijk

mogelijk

ja

mogelijk

Nader onderzoek naar teunisbloempijlstaart vlinder.

Overige soorten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader on- Vergunningderzoek plicht

Natura 2000

125 m

mogelijk

ja

mogelijk

voortoets n2000 noodzakelijk

Natuurnetwerk Nederland

260 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t.

-

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Huismus In de bebouwing aan de zuidzijde zijn geschikte nissen onder het dak waargenomen die kunnen gebruikt kunnen worden als nestplaats voor de huismus. Nader onderzoek naar deze soort op de onderzoekslocatie is noodzakelijk. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode van begin april tot en met half mei. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundige ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Steenmarter en kleine marterachtigen Om de functie van de onderzoekslocatie voor steenmarter en kleine marterachtige te bepalen, is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Dit kan door middel van camera-onderzoek in de periode juni tot half november.

26088.001 versie D1

22 / 23

Ringslang Er zijn geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig voor de ringslang op de onderzoekslocatie. Wel kan de ringslang incidenteel aanwezig zijn op de onderzoekslocatie. Het doden en verwonden van incidenteel aanwezige individuen kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Om doden en verwonden te voorkomen dient er gewerkt te worden middels een ecologisch werkprotocol en onder ecologische begeleiding van een ter zake kundig ecoloog.

Algemene grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen Voor de te verwachten algemene soorten is de zorgplicht van toepassing. In het kader van de zorgplicht dient het doden en verwonden van individuen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Er dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden waarin maatregelen zijn verwoorden om het doden en verwonden van algemene soorten te voorkomen. Teunisbloempijlstaart Op de onderzoekslocatie zijn waardplanten aanwezig voor de teunisbloempijlstaart. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van deze soort vast te stellen of uit te sluiten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek moet blijken of sprake is van een vergunningsplichtige flora- en fauna-activiteit. Gebiedsbescherming De onderzoeklocatie ligt in de directe omgeving van N2000-gebied IJsselmeer. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen soorten. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Vervolgonderzoek is noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat in de eerste instantie uit een voortoets Natura 2000 en een modelberekening stikstof (Aerius-calculator).

Econsultancy 10 oktober 2024.

26088.001 versie D1

23 / 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN (1) (BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

(2) BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

(3) BIJ12 (2017a). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

(4) BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

(5) Bij12 (2024) Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing – Hermelijn – Wezel. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-1-2.pdf Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 10 oktober 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Fevoland, periode 2019-2024. NDFF. Geraadpleegd op 29 augustus 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 10 oktober 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 10 oktober 2024. van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 10 oktober 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders.

Geraadpleegd op 10 oktober 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 10 oktober 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 10 oktober 2024 ging.nl/zoogdiersoorten

van https://www.zoogdiervereni-

Provincie Flevoland (z.d). Natuurnetwerk. Geraadpleegd op 10 oktober 2024. van https://www.flevoland.nl/loket/cijfers,-kaarten-en-onderzoek/kaarten/natuurnetwerk

BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=b4ebe749-8666-472e-8392-1f8be3ac0af9