CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 1a FlevoGolf Resort Lelystad_Bijlagen Definitief

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.074 Bindend advies BOPA Flevo Golf Resort: realisatie 44 woningen23.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlagen

FlevoGolf Resort Lelystad

FlevoGolf Resort Lelystad

Inhoudsopgave

Bijlagen

4

Bijlage 1

Stedenbouwkundig ontwerp

4

Bijlage 2

Inrichtingstekening

6

Bijlage 3

Watertoets

8

Bijlage 4

Waterberekening

17

Bijlage 5

AERIUS berekening

20

Bijlage 6

Quickscan natuurwaarden

44

Bijlage 7

Nader onderzoek natuurwaarden

84

Bijlage 8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

100

Bijlage 9

Quickscan omgevingsveiligheid

130

Bijlage 10

Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem

138

Bijlage 11

M.e.r. beoordeling

226

Bijlage 12

Participatieverslag

238

3

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlagen

Bijlage 1 Stedenbouwkundig ontwerp

4

5 79

96

osl

aan

98

atr

Alb

sla

an

62

60

58

o atr

9

11

13

3

43

Albatroslaan

25

27

106

633m²

15

29

23

Alb

89

os atr

44

21

108

Alb

laa

n

87

3 20

28

85

104

1

4 5

2

6 7

8

10

12

16 17

14

18 19

20

22

83

26

24

81

100 102

20

Eaglelaan

Eaglelaan

600m²

91

42 600m²

31 564m²

26

619m²

619m²

40

535m²

36

38

40

42

97

34

601m²

9

7

5

3

1 27 614m²

30

95

28

29

32

30 545m²

Eaglelaan

93

41 601m²

Eaglelaan

339

34

24

595m²

584m²

35 23

595m²

17

593m²

16

15

14

608m²

579m²

582m²

614m²

10

8

6

83m²

36 560m²

4

31

33

25 555m²

35

33 560m²

37

32 570m²

41

38 728m²

39

2 498m²

705m²

3

1

4

2

5 554m²

554m²

554m²

554m²

554m²

630m²

9 19

759m²

8

7

6

554m²

554m²

554m²

Albatroslaan

630m²

10 20

33

22

29

18

37

31

e ibw utr Ho

602m²

539m²

618m²

Parlaan

11 21

539m²

824m²

12

Parlaan

535m²

slag

trib

1

Hou

g

13

we

rib

ut

Ho

585m²

Huidige locatie bestaande opslag slag

trib

Pa

rla

an

Hou

ibs lag

2

Ho utr ribwe g

1-3

Hout slag

t

Ho u

rib we g

Houtr ib

studio dwp

N

Opdrachtgever: Bouwbedrijf C.L. Hof Plan: Flevo Golf Resort te Lelystad Getekend: Jeroen Vriend Formaat: A2 Schaal: 1:1000 Datum: 23-04-2025

Situatie

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 2 Inrichtingstekening

6

Ho ut

rib

hoe

k

Ho u

tri bs

lag

af

ri ri

nd

af

vb

Str a

klk

klk

klk klk

klk

195 klk klk

dr dr dr ri ri

197

dr ri

dr dr

bk

ri

dr dr

klk

dr

rb

ibw

af

slag

r ut

Ho

201 klk

trib

1-3

Hou

ri

199

klk

eg

rb

an

a osl r t ba klk

Al

203

klk

vb

vb

af

af

af

ri

af

vb

108

klk af

af

ri

af bk wl

vb

klk

106 klk

bk

af

klk

cai

klk

klk

klk

91 klk

klk

klk

klk

93 ri ri

bk

klk

klk

95

ww

af ri

klk

af

lag

klk

la ros

an

trib s

ri

af

Hou

af

dr

af af

ht

at

dr

104

97

af

Alb

af dr af af

klk

af

102

af vb klk vb

wl wl af

89 vb

vb

100

klk

klk

dr

98

tele klk

87

ut rib we g

af ri

bk

96

Ho

ri

klk

klk

vb

85

atr Alb

vb

94

aan osl

vb

klk

92

klk

af

83

dr dr

Ho ut

rib

sla g

dr

90

klk klk

81 klk

ww

86 klk

af bk

klk ri

79 klk

klk

Al ba

af

tro sla

klk

77

an

75 klk

73

Hout rib

klk

weg vb

71 vb

vb

klk

vb

straat

ribsla

g

29

28

69 vb vb

Hout

ww

27

vb

vb

26

straat

klk

ri klk ri

vb

67

25

vb

24

ri

klk klk

vb

af

af klk

af

af

vb

65

vb

22 23

vb

klk klk straat

straat

-2.32 vb

cai

63

vb

vb

vb

we

g

vb

Pa

rla an

Ho

ut

rib

vb

21

vb

20

dr

klk

klk

vb

61

klk

vb

-2.78 dr ri

klk

lp

lp

18

klk

et

et

19

vb

et

klk

klk

klk

lp klk

vb

klk

ri

59

klk

klk

42

-2.92

klk

ri

vb

ri

klk

16

17

klk

klk klk

vb

klk

klk klk

ht

klk

klk

ri klk

vb

klk

klk

dr

40

klk

ri

klk

ri

klk

klk klk

41

ri

klk

ri

57

ri

klk

ri

vb klk

dr

14

15 klk

klk

klk

ht vb

2

klk

af af vb

klk

klk

klk

55

et klk

klk klk

dr ri

klk

klk

38

klk

12

39

klk

klk

13

-2.75

klk klk

klk

vb ri

klk

klk

ri

klk cai

klk

bk

klk

af

klk

klk

10

klk

klk

klk

klk

klk klk

klk

vb

37

klk

klk

11 36

klk

klk

vb

ri ri

ri

klk

ri

klk

9

8

klk

klk

klk

af dr klk

klk

klk

klk

klk

cai

klk

klk

34

klk

klk

ri

klk

ri

35

ri

klk

klk

klk

klk

ri ri

ri klk

Parlaan

klk klk

klk

7

6 wl wl

-2.79 klk

klk

klk

klk

klk

af klk

af

klk

klk

klk

33

-2.88

32 5

klk klk

Albatroslaan

klk

110

klk

klk

4

klk

vb

klk klk klk

klk

klk

klk

klk

klk

dr

klk

30

31

-2.94

klk

2 3

klk

klk

af

klk

af klk

klk ri

ri

klk

et

-2.89 klk

klk

klk

vb ri

ri klk klk

klk

vb

ri

straat

ri

ri

ri

af

af

af

klk

af

af

af

klk

Eaglelaan

straat

klk

klk

af

af straat

wl wl wl

tele

lp straat klk

Albatroslaan

klk

af

af

klk

af

af

af

af

klk

klk

af

af et

straat

ri

ri

ri

ri

klk

klk

klk

ri

ri

ri ri

ri

Albatroslaan

ri

klk

klk

ri

Eaglelaan

klk

ht klk

klk

klk

klk

klk

af

cai

straat

bk lp

klk

klk

af

af

af

af

af

straat

klk

et

57 2

29

1

1

klk

klk klk klk

klk

klk

bk

4

3

Parlaan

58

klk

klk

klk

59

klk klk

31

klk

bk

6

tele

5 klk klk

ri

klk

klk

ri

60

ri

ri

ri

ri

klk

LEGENDA

Bestaand

Nieuw Bestaande perceelsgrens ri

Bestaande inspectieput

Bestaande lichtmast

Tekeninggegevens

mdi

14 november 2025

Documentsoort :

:

Bestaande kolk

Get.

:

klk

Wijzigingen

Datum

Tekenaar

Datum

Gecontroleerd :

:

Bestaande bebouwing

Bestaande verharding

Bestaande boom

Bestaande watergang

Plangrens

Rijbaan, kleur: grijs

Containeropstelplaats

Calamiteitenroute

Gazon

Nieuwe waterweg

Nieuwe boom

Drempel 30km/u

1:500

Plateau 30km/u

A0-7X210

Geleideband 70/200x200mm

:

Opsluitband 200x200mm

:

Beschroeiing

Schaal

25m

Formaat

20m

Bestand

: K25-0468-001 03

15m

Blad

Maatvoering in meter Hoogtes in meter t.o.v. NAP Bespreekpunten:

10m

Opmerkingen

-

5m

0318 - 52 76 00

Veenendaal

www.buroboot.nl

PROJECT : Lelystad, Flevo Golf Resort ONDERWERP : Voorlopig ontwerp plangebied

Eaglelaan

klk

Eaglelaan

ri

V Status

Concept Definitief N.V.I. Voor uitvoering Revisie

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 3 Watertoets

8

datum 15-10-2020 dossiercode 20201015-37-24518 Geachte heer/mevrouw Joas Jansen, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de normale procedure. Uitgangspuntennotitie met concept waterparagraaf Hierbij ontvangt u de uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige beleidsthema's, streefbeelden en de belangrijkste bijbehorende uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Dit document bestaat uit drie delen: 1. Uitnodiging tot vooroverleg met waterschap Zuiderzeeland 2. De concept waterparagraaf De concept waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling. 3.

Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen Na de concept waterparagraaf volgt een onderdeel met overige relevante informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen. De informatie in het laatste deel is niet relevant voor de ruimtelijke procedure. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Ook kan het zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (06) 1132 4178 (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl _________________________________________________________________________ Deel 1: Vooroverleg wateradvies met waterschap Zuiderzeeland Met de digitale watertoets heeft u Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte gebracht van het ruimtelijk plan, hiermee doet u nog geen aanvraag voor een wateradvies. Wanneer het ruimtelijk plan officieel in procedure wordt gebracht zal het bevoegd gezag (meestal de gemeente) het waterschap verzoeken om een wateradvies in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening.

Het is mogelijk om, vooruitlopend op het ambtelijk vooroverleg, een verzoek bij het waterschap in te dienen voor een informeel wateradvies. Wij nodigen u van harte uit voor een overleg over uw plannen. Een verzoek voor een informeel wateradvies kunt u indienen via watertoets@zuiderzeeland.nl. Sluit bij dit verzoek een concept ruimtelijk plan met waterparagraaf en overige noodzakelijke informatie bij. U kunt ook telefonisch contact opnemen om informatie in te winnen of een afspraak te maken. In een aantal specifieke situaties verzoeken wij u om zeker contact op te nemen met het waterschap. Bij deze situaties kan gedacht worden aan grote waterbelangen, ingrepen in het watersysteem (bijvoorbeeld plaatsing kunstwerken), onvoldoende drooglegging of slechte kwelkwaliteit. Hieronder worden de situaties die van toepassing zijn in uw plangebied benoemd. Mocht u niet zeker zijn of een vooroverleg met het waterschap noodzakelijk is dan adviseren wij u om contact op te nemen. Thema Voldoende Water Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met behulp van een

maatwerkberekening moet worden aangetoond dat bij maatgevende gebeurtenissen de alternatieve berging voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. Bij plannen waarbij meer dan 250.000 m2verharding wordt toegevoegd, kan niet worden volstaan met de bergingsnorm. Dan is het nodig om de te realiseren compensatie door middel van een model te toetsen aan de normering wateroverlast Flevoland. Als overwogen wordt om het plangebied te voorzien van één of meerdere stuwen dan moet door middel van een specifieke maatwerkberekening worden aangetoond dat er voldoende gecompenseerd wordt zodat de afvoer gelijk blijft en/of geen sprake is van afname van bergingscapaciteit in het oorspronkelijke peilgebied. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen binnen een aandachtsgebied voor wateroverlast. Overleg met het waterschap is nodig over eventuele extra maatregelen die los van dit initiatief getroffen moeten worden om wateroverlast te voorkomen. Thema Schoon Water Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wil graag vroegtijdig betrokken worden voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem.

In het geval huishoudelijk of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via het bestaande vuilwaterrioolstelsel denken wij graag met u mee over de verwerking van dit afvalwater. U wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap via e-mail watertoets@zuiderzeeland.nlom de aanpak te bespreken. _________________________________________________________________________ Deel 2: Concept waterparagraaf normale procedure <De concept waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling.> Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan.

De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen.

KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratieen kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw(WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: ● vasthouden, bergen en afvoeren ● schoonhouden, scheiden en zuiveren

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet.

De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.

Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. Thema Veiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Veiligheid - primaire waterkeringen op orde Streefbeeld Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Uitgangspunt Het plangebied is gelegen nabij de waterkering.

Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (ministerie I&M; 2012). Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperkingvoor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen wordt dan ontheffing verleend op het verbod met een watervergunning. Per zone zijn hier voorwaarden voor geformuleerd. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur. Randvoorwaarde(n) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven dat een beschermingszone ook in bestemmingsplannen dient te worden verankerd.

Om voldoende rekening te houden met de waterstaatkundige belangen worden aan de gronden die zijn gelegen in genoemde beschermingszone(s) van de primaire waterkering de juiste bestemming of gebiedsaanduiding toegekend in een ruimtelijk plan. De inperking van de bouwmogelijkheden op grond van de Keur (uitgewerkt in de Legger, het waterschapsbeleid en het waterbeheerplan) geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante bestemmingsplannen.

Dit plan is (deels) gelegen in de volgende beschermingszone(s) van de primaire waterkering: ● buitenbeschermingszone.

Thema Voldoende Water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Met de planontwikkeling wordt netto geen verhard oppervlak in landelijk gebied toegevoegd of is de toename van het verhard oppervlak minder dan 2.500 m2en daarmee is geen compensatie noodzakelijk. Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 51000 m2toe. Als deze toename groter of gelijk is aan 750 m2dan is compensatie noodzakelijk. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Uw plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,5% van waarbij 6,0% van de netto toename aan verharding* als open water moet worden gecompenseerd.

De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. Bij aanleg van natuurvriendelijke oevers is een reductie op de compensatieverplichting mogelijk. Deze reductie is afhankelijk van de extra berging die wordt gecreëerd door de toepassing van flauwe taluds (1:4 of flauwer). <* Als in de tekst sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan betekent dit dat uw plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen.> Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms.

De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met behulp van een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat de alternatieve berging bij maatgevende gebeurtenissen voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. <U wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap. Vul aan: vermeld hier het resultaat van het vooroverleg met het waterschap en de maatwerkberekening.> Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie.

Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitieve ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken. Als de planontwikkeling gevolgen heeft voor het streefpeil in of in de omgeving van het plangebied dan zal het waterschap de effecten beoordelen en afwegen of hieraan meegewerkt kan worden. Dit laatste betekent dat het waterschap een herziening van het peilbesluit zal voorbereiden en een besluitvormingsprocedure in gang zal zetten. Afstemming met de ruimtelijke procedure is dan nodig. Bij het opstellen van nieuwe dan wel herziening van bestaande peilbesluiten wordt de GGOR methodiek in een aantal gevallen toegepast om

te komen tot een afweging van het peilbesluit als de drooglegging minder dan 1,2 meter is, als grote tegenstrijdige belangen bestaan, als sprake is van complexe situaties, en als het om een natuurgebied gaat. Als de drooglegging in geval van landbouw, bebouwing en infrastructuur groot genoeg is en als geen sprake is van grote tegengestelde belangen, wordt het toetsingskader uit de beleidsregel peilbesluiten gevolgd om te komen tot een afweging voor het peilbesluit. Meer informatie is te vinden in de beleidsregel peilbesluiten op www.zuiderzeeland.nl(zoek naar Beleidsregel peilbesluiten, 2018). Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Uitgangspunt In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken.

Randvoorwaarde(n) Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency. Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is.

Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Als hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of de Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen kunnen worden verboden door het waterschap.

Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxideerbaar zijn. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.

Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. ___________________________________________________________________________________ Deel 3: Aanvullende informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen In dit deel van de uitgangspuntennotitie vindt u relevante aanvullende informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen. Deze zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. Het kan zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. De randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden.

Thema Veiligheid primaire keringen Ontwerprichtlijnen: Keurregels Het plangebied raakt de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Er is geen (keur)beperking voor bouwactiviteiten. Ontgrondingen zijn wel verboden. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur (de Keur kunt u vinden op www.zuiderzeeland.nl(zoek naar Keur). Thema Voldoende Water Wateroverlast Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Als (vanwege lange termijn ontwikkelingen) een inrichtingsplan nog niet is uitgewerkt, wordt voor een indicatieve berekening van aan te leggen berging de toename van het verhard oppervlak ingeschat. Voor een bedrijventerrein wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van 90% van het uitgeefbaar terrein (60% daken en 30% wegen en terreinen). Voor een woonwijk is dit een verhard oppervlak van 45% van het uitgeefbaar terrein (30% daken en 15% wegen en terreinen). Ontwerprichtlijnen bij aanleg nieuw water en kunstwerken Ontwerprichtlijnen van nieuw water en kunstwerken staan uitgebreid beschreven in het Waterkader van het waterschap.

Het Waterkader kunt u vinden op www.zuiderzeeland.nl(zoek naar Waterkader). Permanent watervoerende watergangen in het stedelijk gebied dienen te voldoen aan een technisch profiel en hebben een minimale waterdiepte van 1,2 meter bij streefpeil, een minimale bodembreedte van 1 meter en een talud van 1:3 of flauwer. Grotere waterpartijen en plassen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil. In het geval een Stedelijk Waterplan is vastgesteld, wordt uitgegaan van in het plan aangegeven profielen per gebruiksfunctie. Voor de dimensionering van sloten, vaarten en tochten in het landelijk gebied wordt de legger van Waterschap Zuiderzeeland gevolgd. Samen met het waterschap wordt de afweging gemaakt of kunstwerken nodig zijn en of deze vast, beweegbaar of afsluitbaar moeten zijn. Ter plaatse van kruisingen van infrastructuur met (hoofd)watergangen gaat de voorkeur uit naar het aanleggen van bruggen in plaats van duikers. In het geval van kruisingen met grootschalige infrastructuur en/of bebouwing kan een overkluizing worden overwogen. De overkluizingen in (hoofd)watergangen hebben (in verband met de opstuwing) een lengte van maximaal 50 meter.

Het is belangrijk dat al dan niet particuliere voorzieningen zoals wadi's, vijvers en waterpartijen die specifiek bedoeld zijn voor de berging van hemelwater daadwerkelijk aangelegd en goed onderhouden worden zodat de functie aanwezig is en behouden blijft. Gemeenten zullen hier vanuit hun zorgplicht voor de verwerking van hemelwater op toe moeten zien. Voor de planontwikkeling is grondwerk nodig. Het plangebied is gelegen in een gebied met een substantieel risico op opbarsten van de grond bij 100 cm ontgraving. Voordat u overgaat tot het ontgraven van de grond adviseren we om gericht onderzoek te doen naar het opbarstrisico ter plaatse. Opbarsten of (bijna) aansnijden van het pleistocene zandpakket dient voorkomen te worden vanwege de kans op instabiliteit van de bodem of ongewenste kwel of inzijging. In bepaalde situaties kan van deze lijn worden afgeweken. Bijvoorbeeld als het kwelwater van goede kwaliteit benut kan worden. Dempingen worden gecompenseerd met het graven van een minimaal gelijk oppervlak aan open water met eenzelfde drooglegging dat in open verbinding staat met het bestaande watersysteem. Voordat met enige demping van water gestart wordt, dient de compensatie van water te zijn aangelegd. Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen wateraanvoer

Een watersysteem dient zo ontworpen te zijn dat het niet afhankelijk is van de aanvoer van water. In het ontwerp van een gestuwd watersysteem wordt rekening gehouden met uitzakken van het peil met 30-40 cm ten tijde van droogte, om wateraanvoer overbodig te maken. Dergelijk beheer wordt overwogen en opgenomen in het peilbesluit. In overeenstemming met deze door de provincie aangegeven volgorde, wordt wateraanvoer afgewogen: ● de noodzaak van het gebruik; ● besparingsmogelijkheden; ● optimale benutting van het lokale oppervlaktewatersysteem; ● alternatieve bronnen; ● de wijze waarop water duurzaam aangevoerd kan worden.

In verband met het toetsen op efficiency maakt een kosten-batenanalyse deel uit van de afweging. Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen grondwateronttrekkingen Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland zijn samen verantwoordelijk voor de regulering van grondwateronttrekkingen ten behoeve van een goed beheer van het grondwater. De provincie is verantwoordelijk voor onttrekkingen en infiltraties ten behoeve van warmte-koude-opslag, openbare drinkwaterwinning en voor industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Het waterschap is verantwoordelijk voor de overige grondwateronttrekkingen. Deze grondwateronttrekkingen moeten gemeld worden bij het waterschap. In de Keur van Waterschap Zuiderzeeland zijn de criteria opgenomen waarmee wordt bepaald of een aanvraag voor een grondwateronttrekking als melding of vergunning wordt afgehandeld. Voor een melding gelden algemene regels en kan maatwerk worden gesteld, voor een vergunning is een individuele beoordeling van de onttrekking noodzakelijk. Het waterschap kijkt onder andere naar effecten van de onttrekking op verontreinigingen in de omgeving, verzakking, bodemdaling of gevolgen voor de natuur.

Als ten behoeve van de planontwikkeling een bronnering nodig is waarbij het grondwater wordt weggepompt voor een bodemsanering of om werkzaamheden in de bodem onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren dan moet dit gemeld worden en in bepaalde gevallen is een vergunning nodig. Hiervoor kunt u zich wenden tot het team Waterprocedures van Waterschap Zuiderzeeland ( waterprocedures@zuiderzeeland.nl) of via het Omgevingsloket (www.olo.nl) een aanvraag indienen. In het plan wordt geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Als bij deze planontwikkeling permanent grondwater zal worden onttrokken ten behoeve van bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen is hiervoor een melding of vergunning nodig. Deze kunt u aanvragen bij het waterschap of via het omgevingsloket. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit en oppervlaktewaterkwaliteit Ontwerprichtlijnen nieuw oppervlaktewater Bij de inrichting van het watersysteem dient water met een hogere kwaliteit te stromen naar water met een lagere kwaliteit. Er moet gezorgd worden voor voldoende watercirculatie. Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is.

Compensatie voor verslechtering van ecologische omstandigheden en/of van waterkwaliteit is maatwerk en vindt altijd plaats in overleg met het waterschap. Bij compensatie van delen van KRW-waterlichamen worden binnen hetzelfde waterlichaam die trajecten gekozen die qua abiotiek en biotiek vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke kenmerken van het te compenseren KRW-water. Voor niet-KRW-wateren kan compensatie, in sommige gevallen buiten hetzelfde watersysteem uitgevoerd worden. In het landelijk gebied worden oevers bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Hierbij wordt rekening gehouden met het Programma natuurvriendelijke en duurzame oevers 2012-2021. De basisinrichting van duurzame oevers, het accoladeprofiel, bestaat uit een plasberm van 2 meter breed en circa 40 cm diep, en een oever met een helling van 1:2. Natuurvriendelijke oevers hebben een talud van 1:5 of flauwer; afhankelijk van de beschikbare ruimte en functie kan lokaal een steiler talud worden toegepast. Het weghalen van natuurvriendelijke en/of duurzame oevers wordt binnen hetzelfde KRW-waterlichaam gecompenseerd. Oevers met vegetatie worden vanaf de oever met een kraan onderhouden. Dit is het minst verstorend voor de waterkwaliteit. Het verdient de voorkeur om bomen niet direct langs de oever te planten om bladinval en schaduwwerking te voorkomen.

Als dit toch gebeurt, worden bomen ten behoeve van de waterkwaliteit aan de noord- en oostzijde van het water geplant. Dit maakt voldoende licht inval mogelijk. Bij realisatie van nieuw (stedelijk) water wordt de functie en het gewenste kwaliteitsniveau aan het watersysteem toegekend. Deze zijn bepalend voor de inrichting. Als inrichtingsvarianten voor stedelijk water worden stadswater, water voor beleving en water voor natuur onderscheiden. Kademuren worden over beperkte lengte toegepast. Ophoping van drijfvuil wordt voorkomen. Watergangen smaller dan 20 meter bevatten geen doodlopende einden. Bekijk of een vuilrooster noodzakelijk is bij kunstwerken. Pas alleen roosters met verticale spijlen toe, zodat schoonmaken met een hark mogelijk is.

Grotere waterpartijen en plassen worden onderscheiden in diepe en ondiepe waterplassen. Ondiepe plassen variëren in diepte tot 4 meter. Diepe plassen zijn meer dan 4 meter diep. Bij beide typen is een goede verhouding tussen ondiepe en dieper delen noodzakelijk voor een goed chemisch en ecologisch functioneren. Grotere waterpartijen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil; plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2,5 meter gewenst. Afhankelijk van de grootte en de functie kan de voorkeur worden gegeven aan een geïsoleerde diepe (recreatie)plas of een (kleinere) met het watersysteem verbonden ondiepe plas (met meer ruimte voor vegetatie). Ondiepe plassen worden omzoomd door brede gordels van boven het water uitstekende planten, bevatten eilandjes en zijn 0 - 2,5 meter diep. 15 tot 30% van het areaal van grote waterpartijen en plassen is minimaal 1,5 meter diep. De rest (70 tot 85%) van het areaal is daarmee ondieper dan 1,5 meter. Afhankelijk van de functie kan een uitzondering worden gemaakt. Bijvoorbeeld bij een vaarfunctie, waarbij een diepte van meer dan 3 meter gewenst is, om overmatige waterplantengroei te voorkomen. In diepe plassen wordt 30% van het oeverareaal ingericht als rietzone met aansluitend een waterfase van 0,8 - 2,0 meter diep (afhankelijk van het doorzicht).

De rest van de diepe plas mag maximaal 10 meter diep zijn. Goed omgaan met afvalwater <In het geval huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via een (bestaand) vuilwaterrioolstelsel wordt u vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap team Waterprocedures (waterprocedures@zuiderzeeland.nl)>. De volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater wordt gehanteerd: 1. Lozingen / emissies worden voorkomen; 2. Afvalwater wordt vergaand hergebruikt; 3. Aansluiting afvalwaterstroom op riolering; 4. Afvoer per as (transport); 5. Opslag en gelijkmatige verspreiding; 6. Lokale zuivering.

Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Schoon hemelwater wordt niet afgevoerd naar een centrale rioolwaterzuivering. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: ● Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; ● Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; ● Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; ● Hemelwater van onverhard terrein; ● Hemelwater van centrumgebieden (Met uitzondering van marktterreinen).

Het hemelwater stroomt onder vrij verval af, direct of indirect (eventueel via een lokale zuivering) richting open water. Het afstromend hemelwater wordt vanaf de erfgrens, en waar mogelijk, bovengronds aangeboden. Vuil hemelwater is afstromend hemelwater dat niet onder schoon is vermeld. Verharde oppervlakken die vervuild zijn of waar de kans op vervuiling groot is worden afgevoerd via een (in)filtratievoorziening, (in)filtratieberm en/of slibafscheider. Een bodempassage wordt gedimensioneerd volgens de Leidraad Riolering. De afvoer van minder schone verharde oppervlakken via het rioolstelsel vindt plaats op basis van expert-judgement. <In het geval huishoudelijk of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via een (bestaand) openbaar vuilwaterrioolstelsel wordt u vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap. Vul aan: vermeld hier het resultaat van het vooroverleg met het waterschap>.> ___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. www.dewatertoets.nl

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 4 Waterberekening

17

Wat is verhard? Uitgeefbaar terrein (tuin) Huizen en berging en parkeren op eigen erf + inrit Infrastructuur

Totale verharding: netto toename verharding (nieuwe verharding - bestaande situatie) *1,13

Percentage in % Oppervlakte uit Vectorworks tekening in m² 70 100 100

100

Neerslag = Liter x hectare Benodigde liters in m³ Maaiveld en winterpeil verschil

13.499 6.899 3.731

24.130 23.058

Ha. * 80L (dit getal heeft waterschap/gemeente) Totaal volume / winterpeil (AHN gebruiken voor maaiveldhoogte) 9.577

Waterbergingscapaciteit in nieuw water met aan 2 kanten beschoeiing Oppervlakte * diepte * (F11*0,20)

6.745 3.319

Waterbergingscapaciteit in nieuw water met aan 1 kant talud en 1 kant beschoeiing Oppervlakte * diepte * schuinte van het taludbreedte verhouding * (F11*0,20) Oppervlakte * diepte * 1,2 * (F11*0,20) Bovenste 2 formules / 2 is het antwoord

2.440 1.369 1.200 1.285

Verschil maaiveld / AHN in m

2,41

193 35

Totale oppervlakte water:

Waterbergingscapaciteit in nieuw water met aan 2 kanten talud Oppervlakte * diepte * (gemiddelde) schuinte van het taludbreedte verhouding * (F11*0,20)

Hectare (ha.) Liter / ha Liter / m3 1,35 0,69 0,37

1.930.408 354.203 0,51 10 cm onder maaiveldhoogte om overstroming te voorkomen 0,41

140 98

netto toename verharding bergingsnorm per m2 toename verharding

0,102

23058 2352

Gedempte watergang in m1 Berging watergang (per m1)

6,91

258 1783

Totaal te bergen water (m3)

4.135

Totale bergingscapaciteit (m3)

4.701

Verschil:

-566 Het verschil in deze tabel duidt aan dat er ruimte beschikbaar is om overstroming te voorkomen. Het is een positief overschot op de bergingscapaciteit.

Talud

1 op 2 1 op 3 1 op 4 1 op 6

1 op 7

LET OP: Het waterschap rekent met 5,5%, oftewel 10,2 m3 per 100 m2 verharding Dit betekent dat er 23.058 m2 (C8) moet worden gecompenseerd 23.058 / 100 * 10,2 = 2.352 kubieke meter

Verschil: Dit verschil duidt aan dat er meer waterberging wordt gerealiseerd dan feitelijk noodzakelijk is. 2.661 Het plan voorziet in voldoende waterberging voor de woningen.

Rekenfactor

1,50 1,33 1,25 1,17

1,14

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 5 AERIUS berekening

20

Berekening stikstofdepositie Flevo Golf Lelystad

DEFINITIEF

Berekening stikstofdepositie Flevo Golf Lelystad

DEFINITIEF

Inhoud Rapport en bijlage

23 april 2025 Projectnummer P001332

Inhoudsopgave 1

Inleiding

3

2

Wettelijk kader

4

3

Ligging projectgebied

5

4

Invoergegevens AERIUS

6

4.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

6

4.2

Werkverkeer (bron 2 en 4)

7

4.3

Verkeersgeneratie woningen (bron 3 en 5)

8

4.4

Totale emissie

9

5

Model

10

6

Rekenresultaten en conclusie

11

Bijlage

23 april 2025

1

Inleiding In het kader van de vergunning ‘Flevo Golf Resort’ is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van 44 woningen tussen de Houtribweg en de Eaglelaan in de gemeente Lelystad berekend. Het project maakt 44 vrijstaande woningen mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De omvang van het project is op de onderstaande afbeelding weergegeven. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (23 april 2025). Dit rapport vormt een toelichting op de berekening.

Afbeelding 1 – Omvang projectgebied (bron: pdokviewerpdok.nl)

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het wettelijk kader van de Omgevingswet bij vergunningaanvragen of de wijziging van het omgevingsplan. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Nature 2000-gebieden aan bod. Hoofdstuk 4 is gewijd aan de invoergegevens van het programmapakket AERIUS en hoofdstuk 5 geeft het model weer. In het laatste hoofdstuk worden de rekenresultaten en conclusies besproken.

23 april 2025

3

2

Wettelijk kader De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bossen en specifieke dier- en plantsoorten. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is verankerd in het onderdeel gebiedsbescherming. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat het onderdeel gebiedsbescherming een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Dit betekent dat een verdere toename van stikstofdepositie tot een negatief effect kan leiden. Derhalve dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Dit geldt voor een activiteit waar een omgevingsvergunning voor noodzakelijk is, maar ook voor een wijziging van het omgevingsplan dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Ondanks dat bij een wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet het niet langer noodzakelijk is om de uitvoerbaarheid van het plan aan te tonen, moet wel onderzocht worden of een ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Hiernaast geldt op grond van artikel 1.6 Omgevingswet in samenhang met artikel 11.6 Bal een zorgplicht voor omgevingsvergunningen en het wijzigen van het omgevingsplan. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor de kans bestaat dat de wijziging van het omgevingsplan niet kan worden vastgesteld indien dit negatief effect niet kan worden voorkomen door bijvoorbeeld de toepassing van mitigerende maatregelen.

Kwetsbaarheid van stikstof gevoelige natuurgebieden Niet alle Natura 2000-gebieden met voor stikstof gevoelige habitats of leefgebieden voor soorten zijn even kwetsbaar voor een toename van de stikstofdepositie. Wanneer het gebieden betreft waar zich habitats of leefgebieden van soorten bevinden waarvan de kritische depositiewaarde lager is dan de achtergrondwaarde voor stikstof, dan is sprake van een overgevoelig gebied. In die gebieden moet de toename van zelfs een minimale stikstofdepositie al als significant negatief worden beschouwd. In die gebieden kan een toename van de stikstofdepositie met meer dan 0,00 mol N/ha/jaar dan ook niet worden

toegestaan.

In

gebieden

waar

de

kritische

depositiewaarde

hoger

is

dan

de

achtergrondwaarde, is weliswaar sprake van een negatief effect bij een toename van de stikstofdepositie, maar deze wordt pas significant negatief wanneer de toename zo groot is dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In dergelijke gebieden is dus meer ruimte voor een toename van de stikstofdepositie.

23 april 2025

4

3

Ligging projectgebied Het projectgebied ligt in het Flevo Golf Resort te Lelystad. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven.

Afbeelding 2 – Ligging projectgebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden

De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn: -

IJsselmeer, gelegen op een afstand van circa 200 m;

-

Markermeer & IJmeer, gelegen op een afstand van circa 1 km;

-

Oostvaardersplassen, gelegen op een afstand van circa 5,2 km;

-

Ketelmeer & Vossemeer, gelegen op een afstand van circa 14,5 km;

-

Veluwerandmeren, gelegen op een afstand van circa 19,5 km.

Hierbij dient wel te worden vermeld dat alle bovengenoemde Natura 2000-gebieden in de directe omgeving niet stikstofgevoelig zijn.

23 april 2025

5

4

Invoergegevens AERIUS Met behulp van AERIUS kan de depositie als gevolg van de emissies van NO x en NH3 op Natura 2000gebied worden berekend. Om de berekening te kunnen maken, moeten stikstofbronnen worden ingevoerd die bij het project of plan zullen worden gebruikt. In AERIUS zijn voor diverse bronnen standaard emissiekengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 kunnen worden bepaald. Het gaat dan om bronnen die worden gebruikt tijdens de sloop-, aanleg- en/of bouwfase en bronnen die later tijdens het gebruik van het project of plan worden ingezet. Het gaat om bijvoorbeeld (mobiele) werktuigen, maar ook om het verkeer op, van en naar het terrein. Hoe bronnen moeten worden bepaald, is uitgewerkt in het handboek “Werken met AERIUS Calculator”. Conform dit handboek dient bijvoorbeeld de verkeersgeneratie te worden beschouwd. Niet alleen het handboek speelt daarbij een rol. Ook gerechtelijke uitspraken zijn van belang. Zo blijkt uit jurisprudentie dat de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan de ruimtelijke ontwikkeling dient te worden toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Door de opdrachtgever is aangegeven dat de woningen gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NOx ten behoeve van de verwarming. Dit wordt geborgd in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de werkzaamheden en de verkeersgeneratie van de woningen zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (zie afbeelding 3).

4.1

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 1)

In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand van BügelHajema Adviseurs. Voor de invoergegevens van mobiele werktuigen op de locatie is gebruik gemaakt van aannames afkomstig uit een door BügelHajema Adviseurs bijgehouden bronbestand. Dit bronbestand bevat gemiddelde cijfers over de inzet van mobiele werktuigen op de locatie en zijn verkregen door jarenlange ervaring met stikstofberekeningen. Met betrekking tot het verbruik van het aantal liters brandstof en het percentage AdBlue is aangesloten bij het onderzoek van TNO (AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NO x en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen, TNO 2021 R12305). Op basis van dit onderzoek is voor stage IV mobiele werktuigen uitgegaan van 6% AdBlue ten opzichte van het aantal liters verbruikte brandstof.

23 april 2025

6

Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie

Aantal

Aanleg verharding

Dempen/ aanleg water Bouw woningen

3.400 3.400 3.400 3.400 3.400 8.750 8.750

m2 m2 m2 m2 m2 m2 m2

44 44 44 44 14.000 m2

Werktuig

kW

Stage

Eenheid

graafmachine trilplaat kraan asfalteermachine wals graafmachine dumper

100 10 100 100 90 200 215

IV IV IV IV IV IV IV

30 50 30 50 50 30 30

m2 / m2 / m2 / m2 / m2 / m2 / m2 /

graafmachine kraan betonstorter heistelling graafmachine

100 100 200 200 100

IV IV IV IV IV

5 u/ 5 u/ 5 u/ 5 u/ 500 m2/

Terrein inrichting Totale emissie in kg NOx /jaar

Draaiuren

Verbruik liters /uur

Totaal Verbrui k liters

Emissie NOx

uur uur uur uur uur uur uur

113 uur 68 uur 113 uur 68 uur 68 uur 292 uur 292 uur

10,18 2,5 10,18 10,18 10,18 19,81 21,47

1.154 170 1.154 693 693 5.778 6.263

6,4 3,7 6,4 3,9 3,9 32,5 35,2

won. won. won. won. uur

220 uur 220 uur 220 uur 220 uur 28 uur

10,18 10,18 19,81 19,81 19,81

2.240 2.240 4.359 4.359 286

12,9 kg 12,9 kg 24,4 kg 24,4 kg 1,3 kg

kg kg kg kg kg kg kg

168,1

kg

De totale emissie van mobiele werktuigen bedraagt 168,1 kg NOx/jr en 7 kg NH3/jr.

4.2

Werkverkeer (bron 2 en 4)

Werkverkeer, rijdend verkeer (bron 2) Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op het bronbestand. Tabel 2. Ritproductie werkverkeer Functie

Aantal

Verkeer

Eenheid

Aantal

Verharding

3.400 m2

Licht verkeer

40/100 m2

1.360

Middelzwaar verkeer

0/100 m2

0

Zwaar verkeer

40/100 m2

1.360

Licht verkeer

20/100 m2

1.750

Middelzwaar verkeer

0/100 m2

0

Zwaar verkeer

20/100 m2

1.750

Licht verkeer

100/won.

4.400

Middelzwaar verkeer

20/won.

880

Zwaar verkeer

4/won.

176

Licht verkeer

40/100 m2

5.600

Water

Woningen

Terreininrichting

8.750 m2

44

14.000 m2

Middelzwaar verkeer

0/100 m2

0

Zwaar verkeer

40/100 m2

5.600

Licht verkeer Totaal

Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer

13.110 880 8.886

Bij de indeling van verkeer in licht, middelzwaar en zwaar (vracht)verkeer is uitgegaan van de voertuigcategorieën van Informatiepunt leefomgeving (IPLO, tabel 3). Tabel 3. Bepaling voertuigcategorieën (IPLO) Categorie Alledaagse omschrijving Lichte motorvoertuigen

23 april 2025

-

alle personenauto’s

-

bestelauto’s

-

kleine vrachtauto’s

7

Middelzware motorvoertuigen

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

kleiner dan 20 ton Zware motorvoertuigen

-

voertuigen

met

voertuiggewicht

groter dan 20 ton

De totale emissie van het werkverkeer bedraagt 39,5 kg NOx/jr. Werkverkeer, koude start (bron 4) Voor de koude start is er bij het werkverkeer vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is uitgegaan van 6.555 koude starts van lichte motorvoertuigen per jaar. Voor het vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen. Er wordt ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken. De totale emissie van het werkverkeer koude start bedraagt 1,8 kg NOx/jr.

4.3

Verkeersgeneratie woningen (bron 3 en 5)

Verkeersgeneratie, rijdend verkeer (bron 3) In het model is het verkeer van en naar het gebouw opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROWpublicatie 744, augustus 2024. Daarbij is gebruikgemaakt van de kencijfers voor vrijstaande woningen rest bebouwde kom (8,2 ritten per woningen). Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met naar boven afgerond 361 ritten licht verkeer per etmaal. Tevens is uitgegaan van 14 verkeersbewegingen middelzware motorvoertuigen ten behoeve van bezorging. De totale emissie van de verkeersgeneratie van de woningen in de gebruiksfase bedraagt 59,5 kg NOx/jr en 2,6 kg NH3/jr. Verkeersgeneratie, koude start (bron 5) Voor de koude start is er bij de verkeersgeneratie vanuit gegaan dat alleen de lichte motorvoertuigen geheel afkoelen (langer dan 2 uur). Doordat de motor langer dan 2 uur heeft stilgestaan is er sprake van extra emissie door deze koude start. Conform het handboek is deze emissie als vlakbron ingetekend waarbij wordt uitgegaan van een open terrein. Voor de koude start wordt worstcase uitgegaan van de helft van het aantal verkeersbewegingen omdat een voertuig naar het terrein rijdt, daar afkoelt en weer het terrein verlaat. In de berekening is rekening gehouden met 180 koude starts van lichte motorvoertuigen per etmaal. Voor het vrachtverkeer wordt ervan uitgegaan dat deze naar de locatie komen om te laden en te lossen.

Er wordt ervan uitgegaan dat deze voertuigen kort op de locatie aanwezig zijn, en daarmee geen koude start maken.

23 april 2025

8

De totale emissie van de verkeersgeneratie koude start bedraagt 18,0 kg NOx/jr en 2,9 kg NH3/jr.

4.4

Totale emissie

De totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase bedraagt 286,9 kg NOx/jr en 13,3 kg NH3/jr.

23 april 2025

9

5

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (23 april 2025). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2025. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worstcase worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 3 - AERIUS-model

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie

2024.1.3_20250325_2d340884eb

Database versie

2024.1.3_2d340884eb_calculator_nl_stable

23 april 2025

10

6

Rekenresultaten en conclusie De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf-bestand is als bijlage toegevoegd.

Afbeelding 4 - Rekenresultaat

Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

23 april 2025

11

Bijlage

Colofon

BügelHajema Adviseurs bv Bureau voor Ruimtelijke Ordening en Milieu BNSP Utrechtseweg 7 3811 NA Amersfoort T 033-46 56 545 E info@bugelhajema.nl W www.bugelhajema.nl Vestigingen te Assen, Leeuwarden en Amersfoort

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=b4ebe749-8666-472e-8392-1f8be3ac0af9