CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 1a FlevoGolf Resort Lelystad_Bijlagen Definitief

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.074 Bindend advies BOPA Flevo Golf Resort: realisatie 44 woningen23.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •

• •

De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1 januari 2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).

BIJLAGE 3 OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f.

een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven,

h.

4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

§ 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet.

2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen.

Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b.

wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen

maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚.

van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.

het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. 3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt. § 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a.

het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. § 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c.

het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als:

a.

b. c.

het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 7 Nader onderzoek natuurwaarden

84

Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

Opdrachtgever

Opdrachtnemer

Flevo Golf Resort B.V. Albert Schweitzerlaan 4 3451 EC Vleuten Ecosprong B.V. Rondven 24 6026PX Maarheeze T +31 (0)85 004 33 02 E info@ecosprong.nl I www.ecosprong.nl

Projectgegevens Projectnummer Rapportnummer Versie Datum Opgesteld door Collegiale toetsing

25054 NO_ 25054 1 3 oktober 2025 S. Westbroek E.M.N. van der Pluijm

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding.................................................................................................................................................1 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................................ 1

1.2

Doel ...................................................................................................................................................... 1

1.3

Leeswijzer ............................................................................................................................................. 1

Het project.............................................................................................................................................2 2.1

Huidige situatie .................................................................................................................................... 2

2.2

Beoogde ontwikkeling .......................................................................................................................... 3

Onderzoeksmethode .............................................................................................................................4 3.1

Huismus ................................................................................................................................................ 4

3.2

Steenmarter en kleine marterachtigen ................................................................................................ 4

3.3

Teunisbloempijlstaart ........................................................................................................................... 5

Resultaten .............................................................................................................................................6 4.1

Huismus ................................................................................................................................................ 6

4.2

Steenmarter en kleine marterachtigen ................................................................................................ 7

4.3

Teunisbloempijlstaart ........................................................................................................................... 7

4.4

Overige waarnemingen ........................................................................................................................ 8

Effectenbeoordeling ..............................................................................................................................9 5.1 Effecten ................................................................................................................................................ 9 5.1.1 Huismus ........................................................................................................................................... 9 5.1.2 Steenmarter en kleine marterachtigen ........................................................................................... 9 5.1.3 Teunisbloempijlstaart ...................................................................................................................... 9 5.1.4 Overige waarnemingen ................................................................................................................... 9 5.2 Toetsing Omgevingswet ..................................................................................................................... 10 5.2.1 Huismus ......................................................................................................................................... 10 5.3

6

Zorgplicht ........................................................................................................................................... 11

Conclusie ............................................................................................................................................. 12

Bronnen ........................................................................................................................................................ 13

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In opdracht van Flevo Golf Resort B.V. heeft Ecosprong B.V. een nader onderzoek naar huismus, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn), steenmarter en teunisbloempijlstaart uitgevoerd voor de voorgenomen herontwikkeling aan de Parlaan 1 in Lelystad (gemeente Lelystad, provincie Flevoland). Middels een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Econsultancy1 is getoetst of de voorgenomen werkzaamheden mogelijk negatieve effecten hebben op beschermde soorten en gebieden in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Omgevingswet (Ow) en het Natuurnetwerk Nederland. Uit de quickscan is gebleken dat met de voorgenomen werkzaamheden effecten op huismus, kleine marterachtigen, steenmarter en teunisbloempijlstaart niet op voorhand zijn uit te sluiten. Door middel van een nader onderzoek kan vastgesteld worden of het plangebied een functie heeft voor deze soorten en of deze aangetast worden door de werkzaamheden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden bepaald of sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit het Bal. Voorliggende rapportage beschrijft de methode en de resultaten van het nader onderzoek naar vleermuizen en verwoord of met de voorziene gebiedsontwikkeling sprake is van een overtreding van het Bal van de Omgevingswet.

1.2 Doel Door middel van het nader onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: • Zijn er verblijfplaatsen/nestlocaties van huismus kleine marterachtigen, steenmarter en teunisbloempijlstaart in het plangebied aanwezig? • Hebben de voorgenomen werkzaamheden effect op verblijfplaatsen/nestlocaties van beschermde soorten? • Zijn deze effecten in strijd met de verbodsbepalingen van het Bal? • Is een Omgevingsvergunning noodzakelijk?

1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en de geplande ingrepen. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 5 zijn de mogelijke effecten van de ingreep gerelateerd aan de aanwezige soorten en getoetst aan het Bal van

1

Brink, T. van den. 2024. Rapport quickscan natuurwaarden Parlaan 1, Lelystad. Econsultancy, rapportnr. 26088.001

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

1

de Omgevingswet. In hoofdstuk 6 volgt de conclusie. Ten slotte is een korte literatuurlijst opgenomen.

2 Het project 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan Parlaan 1 in Lelystad (gemeente Lelystad, provincie Flevoland). Afbeelding 2.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 2.1: Luchtfoto met globale begrenzing plangebied.

De onderzoekslocatie bestaat voor een groot deel uit grasland. In het zuidwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een loods die wordt gebruikt als opslag voor het groenbeheer van de golfbaan. In het zuiden bevindt zich in een overkapping met een oefenterrein voor golfspelers (driving range) en nog een kleine opslag voor voertuigen. Rondom het grasland bevinden zich struwelen, bomenrijen, bosschages en sloten. De onderzoekslocatie wordt ten noorden en zuiden omgeven door woonblokken. Langs de westzijde wordt de onderzoeklslocatie begrensd door de N307. Tussen de N307 en de onderzoekslocatie ligt een brede berm.

2

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

2.2 Beoogde ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hierbij worden er nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd die aansluiten op de al omliggende woonwijk. Hierbij zullen de watergangen worden uitgebreid. Ook zal de huidige bebouwing op de onderzoekslocatie worden gesloopt. De aanwezige houtwallen en bosschages zullen worden verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwbouw.

3

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

3 Onderzoeksmethode Dit hoofdstuk beschrijft de onderzoeksmethode van het uitgevoerd nader onderzoek. Beschreven wordt voor welke soorten nader onderzoek is uitgevoerd, welke onderzoekprotocollen gehanteerd zijn en welke dagen en onder welke weersomstandigheden het onderzoek is uitgevoerd.

3.1 Huismus Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd conform het kennisdocument Huismus van BIJ12 (BIJ12, 2023). Tijdens de inventarisaties is op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. De inventarisaties naar huismus zijn uitgevoerd onder goede weersomstandigheden (droog, weinig wind). In de periode van 1 april tot en met 15 mei zijn in totaal 2 rondes uitgevoerd. De inventarisaties zijn door één persoon uitgevoerd gedurende 1 uur op geschikte momenten op de dag wanneer de meeste activiteit is waar te nemen. In tabel 3.1 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde onderzoeksrondes. Tabel 3.1: Overzicht uitgevoerde veldbezoeken naar huismus. Datum 18-04-25 04-05-25

Tijd 17:00-18:30 09:30-10:45

Onderzoek Huismus Huismus

Temperatuur 14 11

Windkracht 1 bft 1 bft

Bewolking 2/8 5/8

Neerslag 0.0 mm 0.0 mm

# Waarnemers 1 1

3.2 Steenmarter en kleine marterachtigen Voor het onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter is gewerkt conform het Kennisdocument kleine marterachtigen van BIJ12, 2024. Het onderzoek duurde in totaal 8 weken en is in de geschikte periode uitgevoerd, zijnde van juni tot en met september. Om de kleine marterachtigen en steenmarter vast te stellen, zijn op 9 juli 2025 vier wildcamera’s op geschikte locaties in potentieel habitat binnen het plangebied geplaatst. De camera’s zijn gecontroleerd, de sd-kaarten verwisseld en de batterijen vervangen als dat nodig was. Na 4 weken, op 12 augustus 2025, zijn drie van de vier wildcamera’s verplaatst, dit zorgde voor 7 meetpunten. Tijdens de bezoeken is ook gezocht naar sporen van steenmarter en kleine marterachtigen. In tabel 3.2 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde onderzoeksrondes. Tabel 3.2: Overzicht uitgevoerde veldbezoeken. Datum

Onderzoek

09-07-25

Plaatsen camera’s

12-08-25

Verplaatsen camera’s

12-09-25

Verwijderen camera’s

4

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

Afbeelding 3.1: Weergave van locaties wildcamera’s.

3.3 Teunisbloempijlstaart Conform het Onderzoeksprotocol Vlinders en Libellen (De Vlinderstichting, 2023) is de aanwezigheid van rupsen van de teunisbloempijlstaart vastgesteld door gericht onderzoek op de waardplanten in de periode begin juli tot en met begin augustus. Er zijn drie bezoeken gebracht: tweemaal in juli en eenmaal in de eerste helft van augustus. De inspecties bestonden uit zorgvuldig visueel onderzoek van de waardplanten, waarbij met name is gelet op kenmerkende vraatsporen en het voorkomen van rupsen. De inspecties vonden plaats onder gunstige weersomstandigheden (droog, >17°C, weinig wind), zoals voorgeschreven in het onderzoeksprotocol. In tabel 3.3 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde onderzoeksrondes. Tabel 3.3: Overzicht uitgevoerde veldbezoeken naar teunisbloempijlstaart. Datum

Onderzoek

Temp.

Wind

Bewolking

Neerslag

# Waarnemers

02-07-25 09-07-25

Teunisbloempijlstaart Teunisbloempijlstaart

25 18

1 bft 1 bft

2/8 7/8

0.0 mm 0.0 mm

1 1

12-08-25

Teunisbloempijlstaart

19

2 bft

3/8

0.0 mm

1

5

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

4 Resultaten Dit hoofdstuk beschrijft de resultaten van het uitgevoerd nader onderzoek. Per gebruiksfunctie worden de resultaten besproken. In dit hoofdstuk wordt de eerste vraag van de doelstelling beantwoord: • Zijn er verblijfplaatsen/nestlocaties van huismus, kleine marterachtigen, steenmarter en teunisbloempijlstaart in het plangebied aanwezig?

4.1 Huismus Tijdens de inventarisaties ten behoeve van huismus zijn enkele huismussen in struiken in de omgeving waargenomen. Het betroffen circa 6 individuen in de heggen langs het parkeerterrein ten zuidwesten van de projectlocatie. Huismussen vlogen af en aan tussen omliggende struiken en berken om te zingen. Er is een nestlocatie aangetroffen in de loods in het zuidwesten van de onderzoekslocatie. De nestlocatie bevindt zich naar verwachting naast de regenpijp, waar nestmateriaal te zien is (takken en veren). Tijdens een van de veldbezoeken zijn huismussen waargenomen die via een afgeschoven dakpan (vrijwel recht boven de regenpijp) invlogen. Het lijkt erop dat de huismussen niet via het gat bij de regenpijp naar binnen gaan, maar via de bovenzijde van het dak zelf waar een dakpan is afgeschoven, wat vermoedelijk de entree is. De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 4.1 en 4.2.

Afbeelding 4.1: Nestmateriaal bij regenpijp (links) en afgeschoven dakpannen (rechts).

6

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

Afbeelding 4.2: Waarnemingen van huismus.

4.2 Steenmarter en kleine marterachtigen Op de camerabeelden zijn geen waarnemingen van steenmarter of kleine marterachtigen (bunzing, wezel of hermelijn) vastgesteld. Ook tijdens de veldinspecties zijn geen sporen, zoals prenten, keutels of andere indicaties van deze soorten aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan de aanwezigheid van steenmarter en kleine marterachtigen binnen het plangebied worden uitgesloten.

4.3 Teunisbloempijlstaart Tijdens de veldbezoeken zijn enkele waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen. Het betreft enkele teunisbloemen en harig wilgenroosje. Er zijn tijdens drie gerichte veldbezoeken geen sporen van de teunisbloempijlstaart (zoals rupsen of vraatsporen) aangetroffen op de onderzochte waardplanten. Omdat de inspecties zijn uitgevoerd onder geschikte weersomstandigheden en zich richtten op geverifieerde waardplanten zoals teunisbloemen en harig wilgenroosje, kan de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart binnen het plangebied worden uitgesloten.

7

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

4.4 Overige waarnemingen

Op de camerabeelden is eenmaal een grote bonte specht vastgelegd en is tevens een vos waargenomen (afbeelding 4.3). Tijdens het aanvullende huismusonderzoek zijn daarnaast een groep spreeuwen en een jagende torenvalk vastgesteld.

Afbeelding 4.3: Waarneming grote bonte specht (links) en vos (rechts) op de wildcamera’s.

8

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

5 Effectenbeoordeling Dit hoofdstuk beschrijft of de ingreep zoals beschreven in hoofdstuk 2 leidt tot overtreding van het Bal uit de Omgevingswet. De resultaten van het nader onderzoek (hoofdstuk 4) worden getoetst aan de verboden zoals genoemd in het Bal van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk worden de tweede, derde en vierde vraag van de doelstelling beantwoord: • Hebben de voorgenomen werkzaamheden effect op de verblijfplaatsen/nestlocaties van beschermde soorten? • Zijn deze effecten in strijd met de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet? • Is een vergunning Omgevingswet noodzakelijk?

5.1 Effecten 5.1.1 Huismus De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van woningbouw. Hierbij wordt de huidige bebouwing, waaronder de loods met de nestlocatie, gesloopt. Ook worden de aanwezige houtwallen en bosschages binnen de projectlocatie verwijderd om ruimte te maken voor de nieuwbouw en de uitbreiding van watergangen. Als gevolg van deze ingrepen verdwijnt de binnen de projectlocatie aanwezige nestplaats en het bijbehorende groen dat onderdeel is van de functionele leefomgeving. 5.1.2 Steenmarter en kleine marterachtigen De aanwezigheid van steenmarter en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is tijdens het onderzoek uitgesloten. Hierdoor worden geen effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze soorten verwacht. 5.1.3 Teunisbloempijlstaart De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart is tijdens het onderzoek uitgesloten. Hierdoor worden geen effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze soort verwacht. 5.1.4 Overige waarnemingen Torenvalk Tijdens de quickscan zijn binnen en rondom de onderzoekslocatie geen geschikte nestkasten of grote nesten aangetroffen voor torenvalk (Econsultancy, 2024, rapportnr. 26088.001). Broedactiviteit kan daardoor worden uitgesloten. Het aanwezige grasland kan dienen als foerageergebied, maar in de directe omgeving is voldoende alternatief jachtgebied aanwezig.

Effecten op de soort zijn uitgesloten. Spreeuw De spreeuw maakt gebruik van holtes in bomen en gebouwen. De bebouwing op de onderzoekslocatie kan een potentiële broedplaats vormen, maar in de omgeving is ruime alternatieve broedgelegenheid aanwezig (Econsultancy, 2024, rapportnr. 26088.001). Door

9

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

buiten het broedseizoen te werken of voorafgaand aan de werkzaamheden op nesten te controleren, kan overtreding worden voorkomen. Grote bonte specht Tijdens de quickscan zijn geen geschikte nestholtes aangetroffen (Econsultancy, 2024, rapportnr. 26088.001). Broedplaatsen van de soort zijn daarmee niet aanwezig binnen de onderzoekslocatie. Effecten op de soort worden uitgesloten. Vos De vos is tijdens het onderzoek met een wildcamera vastgelegd. De soort valt onder de landelijke vrijstelling en geniet geen specifieke bescherming van voortplantings- of rustplaatsen. Wel geldt de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Binnen de projectlocatie zijn geen vaste verblijfplaatsen van vos aangetroffen. De soort is mobiel en beschikt in de ruimere omgeving over voldoende leefgebied. Negatieve effecten van de werkzaamheden op de vos worden daarom niet verwacht. Wel dient bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

5.2 Toetsing Omgevingswet 5.2.1 Huismus De huismus is opgenomen in het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn, waardoor de verbodsbepalingen uit artikel 11.37 Bal van de Omgevingswet (box 1) van toepassing zijn op de nestlocaties van de huismus. Het slopen van de bebouwing en verwijderen van het groen kunnen zorgen voor het doden en verstoren van individuen en verdwijnen van de nestlocaties van huismus. Dit is in strijd met artikel 11.37 lid 1 a, b en d uit het Bal van de Omgevingswet. Voor het vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van huismus, of het opzettelijk wegnemen van nesten van huismus is een vergunning op de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een vergunning is het noodzakelijk dat de gebruiksfunctie gewaarborgd wordt. Dit kan door het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Deze maatregelen dienen effectief bewezen te zijn, zoals het werken buiten de kwetsbare periode en het realiseren van tijdelijke en permanente alternatieve verblijfplaatsen. Deze maatregelen moeten (concreet in omvang, locatie en timing) worden vastgelegd in het activiteitenplan en ter goedkeuring ingediend bij het bevoegd gezag.

10

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

Box 1 Verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, beschermingsregime Vogelrichtlijn.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn art lid 1 Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de 11.37 wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te Bal verrichten, geldt voor: het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in a het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen b en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; c of het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. d 3 Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

5.3 Zorgplicht Onder de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten. Dit betekent dat bij de uitvoering van werkzaamheden altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige soorten en hun leefomgeving, ook wanneer het gaat om algemeen voorkomende soorten die niet strikt beschermd zijn. In het plangebied kunnen naast de reeds onderzochte soorten ook meer algemene zoogdieren en amfibieën voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn vos, egel, bosmuis, rosse woelmuis, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Deze soorten kennen geen verbodsbepalingen voor verblijfplaatsen, maar vallen wel onder de zorgplicht. Om onnodige schade en sterfte te voorkomen dienen werkzaamheden zo te worden uitgevoerd dat dieren de gelegenheid krijgen zich te verplaatsen en niet onnodig worden verstoord. Concreet kan dit worden ingevuld door het gefaseerd verwijderen van vegetatie, het vooraf controleren van graaflocaties, het voorkomen van insluiting van dieren en het zorgvuldig omgaan met watergangen zodat ook aquatische soorten zoals vissen en amfibieën kunnen migreren en overleven.

11

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

6 Conclusie In opdracht van Flevo Golf Resort B.V. heeft Ecosprong B.V. een nader onderzoek naar huismus, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn), steenmarter en teunisbloempijlstaart uitgevoerd voor de voorgenomen herontwikkeling aan de Parlaan 1 in Lelystad (gemeente Lelystad, provincie Flevoland). In tabel 6.1 worden de conclusies van dit nader onderzoek weergegeven. Tabel 6.1: Conclusie nader onderzoek huismus, kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn), steenmarter en teunisbloempijlstaart. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 5 gelezen te worden. Soort Functie Effect op soort VerbodsMaatregelen / bepalingen vervolgstappen Aanvragen Ja, bij sloop Artikel Omgevingsvergunning, Huismus Nestlocatie bebouwing en 11.37 lid 1 treffen mitigerende en verwijderen groen b en d Bal compenserende maatregelen Steenmarter en Geen kleine marterachtigen Teunisbloempijlstaart Geen Het verwijderen van nestgelegenheden Ja, bij sloop Artikel Algemene buiten het Nestlocatie bebouwing en 11.37 lid 1 broedvogels broedseizoen verwijderen groen b en d Bal uitvoeren of broedvogelinspectie Ja, bij graaf-, Algemene dempingsgrondgebonden Rust- en Zorgplicht werkzaamheden zoogdieren en voortplantingsplaatsen en verwijderen amfibieën groen

12

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

Bronnen Brink, T. van den. 2024. Rapport quickscan natuurwaarden Parlaan 1, Lelystad. Econsultancy, rapportnr. 26088.001 BIJ12 (2023) Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 2.1 BIJ12 (2024) Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn - Wezel. Versie 1.1 De Vlinderstichting (2023) Onderzoeksprotocol vlinders en libellen

13

RAPPORT | Nader onderzoek Parlaan 1 te Lelystad

FlevoGolf Resort Lelystad

Bijlage 8 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=b4ebe749-8666-472e-8392-1f8be3ac0af9