BL 1. Uitbreiding Flevokust Haven Zuid West_Toelichting
Tekst van het document
(vastgesteld)
blz. 36
(vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Algemeen: reikwijdte
In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsaspecten beschouwd. Hierbij is gebruik gemaakt van onderzoeken die specifiek zijn gericht op het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Er is een beoordeling gedaan of voor deze ontwikkeling én de naastgelegen ontwikkeling in het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. In het kader van die beoordeling zijn gecombineerde onderzoeken voor beide plangebieden gedaan. Waar dat relevant is wordt daarom in dit hoofdstuk soms naar meerdere onderzoeken verwezen ter onderbouwing.
4.2
Milieueffectrapportage
In de bijlage bij het Besluit m.e.r. 1994 zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De drempelwaarden uit categorie C worden niet overschreden. Dit betekent dat er geen rechtstreekse plicht tot het uitvoeren van een plan-m.e.r. (kolom 3) of project-m.e.r. (kolom 4) geldt. De ontwikkeling valt wel onder elk van de volgende categorieën: D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject–– met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in de volgende gevallen: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. D11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, als het gaat om een oppervlakte van 75 ha of meer. De bedrijfsvloeroppervlakte is nog niet exact bekend (huidige schetsen gaan uit van 155.000 m2), maar overschrijdt in geen geval de drempelwaarde van 200.000 m² in categorie D11.2. Het plangebied, het 'industrieterrein', omvat circa 28,8 hectare. Ook de drempelwaarde in categorie D11.3 wordt niet overschreden. Het bestemmingsplan is in dit geval een 'besluit in de zin van het Besluit m.e.r.' en geen 'plan'. Het bestemmingsplan maakt de bouw/aanleg van het distributiecentrum namelijk rechtstreeks mogelijk. Een milieueffectrapportage voor plannen is niet aan de orde. Omdat de drempelwaarden van beide categorieën, en het plan ook geen kader vormt voor een voor latere m.e.r.-plichtige besluiten, niet wordt overschreden kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
(vastgesteld)
blz. 38
Formele m.e.r.-beoordeling In samenhang met de openbare ruimte en het aan de andere zijde van de Karperweg gelegen XXL perceel (het bestemmingsplan Flevokust Haven Zuid) is echter gekozen voor één gezamenlijk formele m.e.r. beoordeling (zie bijlage 15). Uit deze m.e.r.-beoordeling blijkt dat de ontwikkeling in zijn geheel niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen, waarvoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. In de m.e.r.-beoordeling zijn de overige (al eerder bestemde, dan wel bebouwde) XXL percelen meegenomen in de “cumulatieve” effectbeoordeling. Ook dit leidt niet tot belangrijke negatieve effecten. Passende beoordeling Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer kan ook een project-m.e.r.-plicht ontstaan als er voor het plan een passende beoordeling nodig is. Voor Flevokust Haven (het gehele bedrijventerrein, waarvan het plangebied van dit bestemmingsplan slechts een beperkt deel is) is een Passende Beoordeling opgesteld (zie bijlage 12 en paragraaf 4.7.1). Als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) betekent dat in beginsel dat er ook een planMER moet worden opgesteld. Voor plannen voor kleine gebieden is een uitzondering (artikel 3, lid 1, aanhef en onder a Besluit m.e.r.). Hiervoor is het noodzakelijk dat aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: 1.
Voor dat plan is een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag; 2. De omvang van het (bestemmingsplan)gebied is klein in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente (wat 'klein' is, is niet nader gedefinieerd, maar A-G Kokott van het Europese Hof van Justitie heeft een grens van 5% genoemd en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3910, r.o. 33.2) geoordeeld dat er bij een plangebied dat ongeveer 1% van het grondgebied van de betrokken gemeente betreft, sprake is van een 'klein gebied'); 3. Het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Voor de bestemmingsplanwijziging is de gemeenteraad het bevoegd gezag, het plangebied is kleiner dan 0,2 % procent van het gemeentelijk grondgebied en uit de hierboven aangehaalde 'formele m.e.r.-beoordeling' volgt dat er geen andere reden is om een MER op te stellen. Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor belangrijke nadelige milieugevolgen en een milieueffectrapportage is niet nodig. Het bevoegde gezag heeft hierover een besluit genomen in het kader van het bestemmingsplan Flevokust Haven Zuid.
(vastgesteld)
blz. 39
4.3
Geluid
4.3.1 Wet geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient dan ook rekening te worden gehouden met het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van weg of spoorweg. Het plangebied ligt (grotendeels) wel binnen de (gecombineerde) geluidzones van de Maximacentrale en het industrieterrein Flevokust (bestemmingsplan ' Partiële herziening Flevokust - Geluidzone te Lelystad'). Deze laatste zone is nodig vanwege de bedrijven aan de Karperweg 8 (3DMF) en 20 (Orgaworld) en de nieuwe haven.
Binnen de geluidzone mag een op grond van de andere daar voorkomende bestemming(en) toelaatbaar geluidsgevoelig object, of de uitbreiding daarvan, slechts worden gebouwd als de geluidsbelasting vanwege de industrieterreinen Flevokust en de Maximacentrale en onderstation van de gevels van dit geluidsgevoelige object niet hoger zal zijn dan de voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. Een distributiecentrum is geen geluidsgevoelig object en mag binnen de geluidzone worden gebouwd. Een formele toetsing aan het geluidszonemodel is niet aan de orde, het bedrijf valt namelijk niet binnen het geluidgezoneerde gedeelte van het bedrijventerrein, maar alleen binnen de geluidzone van geluidgezoneerde inrichtingen. Wel zal de vestiging van het bedrijf moeten voldoen aan de gebruikelijke Activiteitenbesluit eisen voor geluid. De invloed van het geluid op de omgeving is gering. Overigens mogen binnen het plangebied van de Uitbreiding Flevokust Zuid West geen grote lawaaimakers worden gevestigd.
Afbeelding 4-1 ligging geluidzone (www.ruimtelijkeplannen.nl)
(vastgesteld)
blz. 40
4.3.2 Industrielawaai Uit akoestische berekeningen (zie bijlage 3) blijkt dat als gevolg van het het voorliggende bestemmingsplan én het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' de contouren voor het industrielawaai relatief gering zijn. Meer in detail op woningniveau neemt de geluidbelasting vanwege industrielawaai ter plaatse van de woning aan de Plavuizenweg 1 en de woning aan de Visvijverweg 57 met (afgerond) 3 dB toe. Ter plaatse van de woningen aan de Visvijverweg 58 en 64 neemt de gecumuleerde geluidbelasting vanwege industrielawaai met (afgerond) 2 dB toe. Deze toenames worden echter grotendeels gemaskeerd door de geluidbelasting vanwege het autonome wegverkeer (verkeer op de Rijksweg A6). Voor de woning aan de Visvijverweg 57 blijft echter sprake van een toename van de gecumuleerde geluidbelasting met afgerond 3 dB (niet-afgerond 2,53 dB). 4.3.3 Wegverkeer De voorliggende ontwikkeling zorgt, in combinatie met de ontwikkelingen in het buurbestemmingsplan 'uitbreiding Flevokust Haven Zuid' tot een verkeerstoename (zie bijlage 3). Deze zorgt voor een geluidstoename van maximaal 4 dB, met name bij woningen langs de Visvijverweg. De voorkeursgrenswaarde van 48dB wordt hier echter niet overschreden. 4.3.4 Geluid naar omgeving Het distributiecentrum is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.
Het bedrijf zal moeten voldoen aan de algemene regels uit het Activiteitenbesluit. Dat wil zeggen dat bepaalde geluidvoorschriften op de dichtstbijzijnde geluidgevoelige functie moeten worden nageleefd. Gezien de omgeving en ligging van het plangebied is dit zonder meer mogelijk, geluidgevoelige functies zijn op zeer ruime afstand gelegen. Conclusie: Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in
(vastgesteld)
blz. 41
een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). Om de effecten van het voorliggende bestemmingsplan én het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit in beeld te brengen is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uitgerekend op maatgevende beoordelingspunten in en rond Flevokust Haven. De berekeningen zijn uitgevoerd met het softwarepakket Geomilieu versie 2022.4 (goedgekeurd voor berekeningen conform standaardrekenmethode 1, 2 en 3 uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007). Uit het onderzoek blijkt dat de bijdrage van Flevokust Haven voor NO2 niet leidt tot overschrijdingen van de grenswaarden voor de jaargemiddelde en uurgemiddelde concentraties, Ook voor PM10 wordt de maximaal toegestane jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 en de daggemiddelde grenswaarde niet overschreden.
De jaargemiddelde concentratie PM2,5 blijft tevens ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3 . Hieruit kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit op basis van artikel 5.16 lid 1a van de Wet luchtkwaliteit en geen sprake is van een belangrijk negatief effect. 4.4.2 Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet ook worden aangetoond dat het verantwoord is om te bouwen in deze omgeving en dat de toekomstige bewoners/gebruikers een goed woon- en leefklimaat wordt geboden. Om te bepalen of de luchtkwaliteit in het plangebied zodanig is dat qua luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden is ook hiervoor gebruik gemaakt van de NSL Monitoring (Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht), ronde 2021. Uit de gegevens op de rekenpunten langs de genoemde wegen blijkt dat de waarden voor de relevante luchtverontreinigende stoffen (NO2, PM10 en PM2,5) ruim onder de grenswaarden blijven. Dit betekent dat in het plangebied, voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit, een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden. Conclusie Het planologische besluit om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen over de luchtkwaliteit. Verder is er in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.5
Geur
In de omgeving van het plangebied, aan de Kaperweg 20, ligt een geurveroorzakend bedrijf. Het bedrijf moet zich houden aan bepaalde geurvoorschriften, in de vorm van immissievoorschriften voor gevoelige (woonwijk) en minder gevoelige bestemmingen (bedrijfswoningen, verspreid liggende woningen). Artikel 2.1.1 a en b van de vergunningvoorschriften luiden als volgt:
(vastgesteld)
blz. 42
a. de immissie van geur ten gevolg van de inrichting mag ter plaatse van gevoelige bestemmingen, zoals de woonwijk “Jagersveld” in Lelystad, niet meer bedragen dan 0,5 Europese odourunits per kubieke meter als 99,5 percentiel, berekend volgens het Nieuw Nationaal Model; b. de immissie van geur ten gevolg van de inrichting mag ter plaatse van minder gevoelige bestemmingen, zoals (agrarische) bedrijfswoningen en verspreid liggende woningen in het buitengebied, niet meer bedragen dan 1,5 Europese odourunits per kubieke meter als 98 percentiel, berekend volgens het Nieuw Nationaal Model.
Afbeelding 4-2 geurcontour in relatie tot het plangebied De gemeente beschikt niet over een gemeentelijk geurbeleid. De provincie Flevoland heeft wel een geurbeleid geformuleerd in de Beleidsregels voor de beoordeling van geurhinder 2008. In dit geurbeleid wordt onderscheid gemaakt in gevoelige, minder gevoelige en niet gevoelige bestemmingen. Niet gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld bedrijventerreinen waarop bedrijven in categorie 4 of hoger zijn toegestaan. Dit is het geval op het bedrijventerrein Flevokust Haven; binnen fase 1 van dit terrein (geregeld in bestemmingsplan Lelystad Flevokust - binnendijks) zijn onder andere havengebonden bedrijven uit de categorieën 5.1, 5.2 en 5.3 toegestaan. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Zuid West', maakt een uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk. Gezien het feit dat binnen het bedrijventerrein op enkele locaties bedrijven in milieucategorie 4 of hoger zijn toegelaten, geldt het gehele bedrijventerrein als een 'niet gevoelige bestemming' voor wat betreft het aspect geur. De enige geureis die volgens het provinciale geurbeleid geldt is, dat ernstige geurhinder
(vastgesteld)
blz. 43
moet worden voorkomen. Het bedrijf is gebonden aan de immissievoorschriften die het volgens de milieuregelgeving (vergunning en Activiteitenbesluit) in acht moet nemen, zie hiervoor ook de hiervoor opgenomen afbeelding. Dat betekent dat er in het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan geen ernstige geurhinder mag optreden. Gezien de ligging buiten de rode contour is dit ook niet aan de orde. Conclusie: Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Bodemkwaliteit
In het kader van een nieuw bestemmingsplan moet te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Er is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Hieruit blijkt dat de bodem grotendeels geschikt is voor de beoogde functie. Op een deel van het terrein is mogelijk een bodemverontreiniging aanwezig. Deze locatie wordt in opdracht van de gemeente Lelystad gesaneerd onder de Wet bodembescherming en daarmee is nader bodemonderzoek niet aan de orde. Conclusie: Het aspect bodem is daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden en planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 4.7.1 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden In een zogenaamde voortoets wordt bepaald of al dan niet op voorhand kan worden uitgesloten of een plan of project significante gevolgen kan hebben op beschermde gebieden. Als dit niet op voorhand kan worden uitgesloten, kan, conform art. 2.8 lid 1 Wnb, over het plan of project pas worden besloten nadat een passende beoordeling is opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Gezien de afstand ten opzichte van beschermde gebieden, zijn effecten van bijvoorbeeld geluid of licht, niet aan de orde. Het IJsselmeergebied ligt wel redelijk dichtbij, maar ook hierop worden dergelijke effecten niet verwacht (zie ook de Voortoets, Nee-tenzij-toets in bijlage 8). Stikstofdepositie kan zich echter ook vanaf grotere afstand nog manifesteren.
Daarom is naar dit aspect gekeken.
(vastgesteld)
blz. 44
afbeelding 4-3 kaartje ligging plangebied (in rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Er zijn berekeningen uitgevoerd om te bepalen of het plan in de gebruiksfase, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking, leidt tot een toename van stikstofdepositie op een daarvoor gevoelig Natura 2000-gebied (zie bijlagen 9, 10, 11, 12 en 13). Deze berekeningen zijn gebaseerd op door de opdrachtgever aangeleverde uitgangspunten over de hoeveelheid en de samenstelling van transport van en naar de inrichting. Dit is in de gebruiksfase namelijk de enige bron van stikstof. Uit de berekeningen blijkt dat in de gebruiksfase, op basis van aangeleverde uitgangspunten, voor dit specifieke bestemmingsplan geen toename van stikstofdepositie zal optreden. Dit is zelfs niet aan de orde als er 50% meer verkeersgeneratie aan de uitgangspunten zou worden toegevoegd. In combinatie met de effecten van het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Zuid' (cumulatie) ontstaat er wel een toename van stikstofdepositie. De bouwfase van beide plannen is ook beschouwd, maar deze fase leidt niet tot een toename van stikstofdepositie. Samenvattend kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase op voorhand niet worden uitgesloten. De gemeente heeft besloten om deze toename extern te salderen met een afname van stikstofdepositie elders.
Vooralsnog is het uitgangspunt dat dit uitvoerbaar is en beide plannen in overeenstemming met de Wet natuurbescherming kunnen worden vastgesteld.
(vastgesteld)
blz. 45
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 0.5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Dit betreft het Visvijver Bos (zie onderstaande afbeelding).
Afbeelding 4 - 4 ligging plangebied ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland Het voornemen heeft door de locatie buiten het NNN en de aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling (‘nee, tenzij’-beoordeling) is niet nodig. In het kader van de m.e.r.-beoordeling is er wel een nee, tenzij-beoordeling gedaan; een deel van het plangebied van het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust-Zuid' heeft namelijk wel invloed op het Natuurnetwerk Nederland. Voor de volledigheid is deze beoordeling ook als bijlage bij deze toelichting gevoegd (zie bijlage 8). Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling past in de regels uit de Wet natuurbescherming die gelden voor beschermde gebieden. 4.7.2 Soortenbescherming In het kader van het bestemmingsplan zijn verschillende Quickscans ecologie (bijlagen 5 en 6) uitgevoerd. Uit de quick scan is het volgende gebleken: Het plangebied vervult geen functie voor beschermde planten, amfibieën, ongewervelden en broedvogels met jaarrond beschermd nest. De binnen het plangebied aanwezige graften in combinatie met noordelijk en
(vastgesteld)
blz. 46
zuidelijk gelegen bospercelen/singels vervullen mogelijk een belangrijke functie van verblijfplaats en migratie route voor de soorten zoals steenmarter, boommarter, wezel, hermelijn en bunzing. De noordelijk en zuidelijk gelegen bosjes met watergangen en Forellentocht buiten het plangebied functioneren als leef- en foerageergebied voor de otter en bever. Geadviseerd wordt om een nader onderzoek naar deze soorten uit te laten voeren naar de bever, otter en kleine marterachtigen. De ten noorden en zuiden gelegen bospercelen en het omliggende gebied buiten het plangebied functioneren mogelijk als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. Geadviseerd wordt om deze functies verder te onderzoeken. Ten aanzien van algemene broedvogels wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen (globaal de periode half maart – augustus) te werken. Indien dit niet mogelijk vindt begin februari een overleg plaats over het vaststellen van de daadwerkelijke planning en werkzaamheden. Mogelijkheden zijn dat de daadwerkelijke werkzaamheden worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding, waarbij voorafgaand het plangebied broedvogelvrij gemaakt en gehouden wordt en waarbij broedvogelcheck worden uitgevoerd. Deze maatregelen dienen vastgelegd worden in een ecologisch werkprotocol.
Vanwege de grote omvang van het plangebied (ongeveer 29 ha) wordt geadviseerd om de functie van het plangebied als foerageergebied voor roofvogels verder te onderzoeken. Voor de algemene zoogdieren, amfibieën, vissen en reptielen wordt geadviseerd om volgens een ecologisch werkprotocol te werken en onder de ecologische begeleiding. Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving, geldt de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het plangebied heeft in de huidige situatie geen grote betekenis voor vogels met jaarrond beschermde nesten, algemene zoogdieren, reptielen, vissen en amfibieën. Gezien de bekende verspreidinggegevens van beschermde soorten in de omgeving van het plangebied, adviseert WSP natuurvriendelijk bouwen en inrichten. Gezien de conclusies is nader onderzoek (zie bijlage 7) in gang gezet. Uit het nader onderzoek, waarin ook is gekeken naar het plangebied van het bestemmingsplan 'Uitbreiding Flevokust Haven Zuid' blijkt dat de ontwikkelingen een negatief effect kan hebben op de vaste rust- en verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en essentieel leefgeied van wezel en bever.
De volgende maatregelen worden geadviseerd: Door voldoende mitigerende maatregelen te treffen en de werkwijze waar mogelijk aan te passen op de aanwezige natuurwaarden kunnen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van (kleine) marterachtigen, bever, otter en vleermuizen worden voorkomen. Ten aanzien van alle percelen is een ecologisch werkprotocol noodzakelijk. Ten aanzien van de wezel ter plaatse van het naastgelegen XXL-perceelperceel (perceel Zuid-Oost) is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk (NB: dat geldt niet voor de ontwikkeling in voorliggend bestemmingsplan!); Ten aanzien van het potentiële leefgebied van de wezel op ter plaatse van het voorliggende plangebied is een mitigatieplan en ecologisch werkprotocol noodzakelijk. Ten aanzien van bever dient begin 2023 een extra check uitgevoerd te worden ten behoeve van vaststellen van verblijfplaatsen van de bever in en rondom de
(vastgesteld)
blz. 47
Forellentocht. Andere beschermde soorten ondervinden geen negatieve effecten door het voornemen, voor deze en niet beschermde soorten geldt wel te alle tijden de zorgplicht. Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling past, onder de gestelde voorwaarden, aan de eisen van de Wet natuurbescherming, voor wat betreft soorten.
4.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de omvang van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico: het risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is vastgesteld op ten hoogste 1 x 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten. Groepsrisico: de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde: 10-5 per jaar voor 10 dodelijke slachtoffers 10-7 per jaar voor 100 dodelijke slachtoffers 10-9 per jaar voor 1000 dodelijke slachtoffers De oriëntatiewaarde is het ijkpunt in een systeem waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Een toename van het groepsrisico dient dan ook verantwoord te worden. Met het invullen van de verantwoordingsplicht maakt het bevoegd gezag duidelijk in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen. Ook bestaat er een plicht voor het bevoegd gezag om de veiligheidsregio (voorheen regionale brandweer) in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. De verantwoordingsplicht omvat onder meer de volgende aspecten: de mogelijkheden van zelfredzaamheid; de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid; aanwezigheidsdichtheid binnen het invloedsgebied; nut en noodzaak van de ontwikkeling; mogelijke maatregelen; restrisico.
(vastgesteld)
blz. 48
Risicobronnen in de omgeving van het plangebied Onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart Nederland (www.risicokaart.nl).
Afbeelding 4-5 uitsnede verbeelding risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) Relevante risicobronnen zijn (nummering conform weergave in figuur 4-5): 1-2 Gasdrukregel- en meetstation type C; 3. Ammoniakinstallatie McCain Foods Holland BV – Staalstraat 20; 4. Hogedrukaardgasleiding Gasunie A-570; 5. Hogedrukaardgasleiding Gasunie A-570-02; 6. Transport gevaarlijke stoffen, N307 Lelystad – Kampen; 7. Transport gevaarlijke stoffen, Binnenhavenweg; 8. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, A6: afrit 10 (Lelystad) – afrit 13 (Urk); 9. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, spoorlijn Weesp – Zwolle; 10. Basisnetroute gevaarlijke stoffen, Corridor Amsterdam – Noord-Nederland.
Naast de risicobronnen die zijn opgenomen in de risicokaart, heeft de gemeente Lelystad verzocht om rekening te houden met het bedrijf 3D metalforming aan de Karperweg 8. Generieke veiligheidsafstand
(vastgesteld)
blz. 49
Voor gasdrukregel- en meetstations geldt een generieke veiligheidsafstand uit het Activiteitenbesluit. Voor de gasdrukregel- en meetstations type C geldt een generieke veiligheidsafstand van 25 meter voor kwetsbare objecten en 4 meter voor beperkt kwetsbare objecten. De afstand van de grens van het gasdrukregel- en meetstation tot de grens van het plangebied bedraagt circa 1,2 kilometer en is dus ruim meer dan de generieke veiligheidsafstand. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor het planvoornemen. Aan de Karperweg 8 ligt het (geprojecteerde) bedrijf 3D metal forming. Het bedrijf heeft activiteiten die vallen onder de circulaire 'opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik'. Hiervoor heeft dit bedrijf een veiligheidszone, zone B. De bijbehorende contour is in onderstaande figuur weergegeven.
Binnen deze contour mogen personen niet permanent of langdurig aanwezig zijn.De contour behorende bij deze B-zone bereikt het plangebied van voorliggend bestemmingsplan niet. Daarom heeft deze risicobron geen invloed op het plangebied en is nader onderzoek niet nodig. Plaatsgebonden risico Voor de bronnen 3 tot en met 10 geldt dat deze ofwel geen plaatsgebonden risicocontour hebben, dan wel dat het plangebied hier ruim buiten ligt. Bron 3 De inrichting aan de Staalstraat 20 ligt op circa 1,6 kilometer van de grens van het plangebied. Volgens de openbare risicokaart geldt voor deze bron (ammoniakkoelinstallatie) een risicocontour van 50 meter. Deze bron levert daarmee geen belemmering op voor het plan. Bron 4 en 5 Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan 'Stadrandgebied' is gebleken dat er voor gasleiding A-570 geen plaatsgebonden risicocontour voor de grenswaarde van 10-6 per jaar wordt berekend. Voor gasleiding A-570-02 is bij de voorbereiding van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Oostervaart' berekend dat het plaatsgebonden risico lager is dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico van deze bronnen vormen daarmee geen belemmering.
(vastgesteld)
blz. 50
Bron 6 en 7 Volgens de risicokaart hebben de provinciale weg N307 en de gemeentelijke weg (Binnenhavenweg) geen PR 10-6 contour. Daarmee leveren deze bronnen geen belemmering op voor het plan. Bron 8 Volgens de Regeling basisnet geldt voor de wegtracés afrit 10 (Lelystad) – afrit 11 (Lelystad Noord) en afrit 11 (Lelystad Noord) – afrit 13 (Urk) een risicocontour van 0 meter (er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied). Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van deze wegtracés. Het plaatsgebonden risico van deze bron vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Bron 9 Volgens de Regeling basisnet geldt voor het spoortracé ter hoogte van het plangebied een risicocontour van 1 meter. Het plasbrandaandachtsgebied strekt zich uit tot 30 meter vanaf de buitenste spoorstaven. De spoorlijn ligt op circa 450 meter van het plangebied . Zowel het plaatsgebonden risico van deze bron als het plasbrandaandachtsgebied vormen daarmee geen belemmering. Bron 10 Volgens de Regeling basisnet geldt voor de binnenvaartroute Corridor Amsterdam – Noord-Nederland een risicocontour van 0 meter. Het plangebied ligt op circa 2.200 meter van de waterweg. Het plaatsgebonden risico van deze bron vormt daarmee geen belemmering. Groepsrisico Voor het groepsrisico zijn alleen de bronnen 4-5 en 9 relevant. Het plangebied ligt net buiten de invloedsgebieden van de aardgasleiding met kenmerk A-570.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan 'DC Jysk' ten noordoosten van het plangebied zijn risicoberekeningen uitgevoerd voor deze aardgasleiding, waaruit is gebleken dat het groepsrisico ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde is gelegen en niet toeneemt in de toekomstige situatie. In het plangebied van het plan Uitbreiding Flevokust Zuid West zal een vergelijkbare situatie ontstaan als bij Jysk, waardoor de conclusie gerechtvaardigd is dat het groepsrisico in de toekomstige situatie eveneens ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde zal liggen. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Weesp-Zwolle, waarover stoffen worden vervoerd. Zowel voor de aardgasleiding (kenmerk A-570) als voor de spoorlijn Weesp-Zwolle volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag moet hiertoe de Veiligheidsregio in de gelegenheid stellen om advies uit te brengen over de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Beperkte verantwoording groepsrisico In het geval van een eventueel ongeval met gevaarlijke stoffen is deze goed bestrijdbaar, vanwege de beschikbare ruimte en de bestrijdingsmogelijkheden. Verder werken er uitsluitend zelfredzame mensen binnen het bedrijf en is er voldoende ruimte om van een eventueel ongeval weg te vluchten.
Conclusie: Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
(vastgesteld)
blz. 51
4.9
Hoogspanningsleidingen
Bovengrondse hoogspanningsleidingen kunnen beperkingen opleveren voor bepaalde ontwikkelingen binnen de invloed daarvan. Op onderstaande afbeelding zijn de bestaande hoogspanningsleidingen weergegeven.
Afbeelding 4-6 uitsnede netkaart bovengrondse hoogspanningsleidingen (www.rivm.nl) Conclusie: Bestaande hoogspanningsleidingen bevinden zich op relatief grote afstand ten oosten van het plangebied. Deze vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.NL.IMRO.0995.BP00101-
(vastgesteld)
blz. 52
4.10
Luchthaven Lelystad: luchthavencontouren
Het plangebied heeft volgens het bestemmingsplan Lelystad - Luchthavencontouren (ontwerp d.d. 2017) de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - Luchtvaart 3'. Gronden met deze aanduiding zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een noodgebied (outer horizontaal suface) voor de bereikbaarheid van het vliegveld. De bouwhoogte van bouwwerken binnen deze zone is beperkt tot maximaal 146,3 meter ten opzichte van NAP, dan wel de betaande bouw- of tiphoogte. Sinds het ontwerpbestemmingsplan in 2017 ter inzage is gelegd, is er geen vervolg aan de procedure gegeven, vanwege de discussies rondom vliegveld Lelystad. Ook als het plan zou worden vastgesteld vormt dit geen belemmering voor de bouw van het distributiecentrum met een hoogte van 40 meter (dan wel 44 na afwijking van de planregels). Conclusie: De (in ontwerp) geldende luchtvaartcontouren rondom vliegveld Lelystad vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Bedrijven en milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygienische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De VNG-publicatie is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie uit 2009. De VNG-publicatie geeft richtafstanden per bedrijfscategorie. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de gevels van woningen.
Indien deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. Indien één van deze afstanden niet wordt gerespecteerd is nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of alsnog sprake kan zijn van een milieuhygiënisch verantwoorde situatie. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt aan de hand van de in de publicatie genoemde richtafstanden. Indien woningen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstanden. De richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën worden vermeld in hoofdstuk 1 (lijst 1) van de VNG-publicatie. De richtafstanden die in de lijst zijn opgenomen gelden voor het gebiedstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. In de navolgende tabel worden de richtafstanden weergegeven. Tabel - Overzicht richtafstanden per bedrijf
(vastgesteld)
blz. 53
Milieu categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2
Richtafstand (m) 10 30 50 100 200 300 500 700
Richtafstand gemengd gebied (m) 0 10 30 50 100 200 700 1.000
Het omliggende gebied bestaat uit agrarisch gebruikte grond waarop op sommige plekken in de toekomst verschillende bedrijven te vinden zullen zijn. De omgeving van het distributiecentrum kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied, door de verschillende bedrijven die zich bevinden in de buurt en de nabijheid van de A6. Dat betekent dat de richtafstanden een stap worden verkleind. Een distributiecentrum wordt niet gezien als een gevoelige functie in het kader van milieuzonering, waardoor bedrijven of instellingen in de omgeving niet beperkt worden door de gewenste ontwikkelingen. Voor wat betreft het onderwerp geur wordt verwezen naar paragraaf 4.5. Een distributiecentrum wordt wel gezien als een activiteit die milieuhinder kan veroorzaken. In de richtafstandenlijst wordt een distributiecentrum genoemd onder milieucategorie 3.1. In de richtafstandenlijst zijn specifieke afstanden genoemd ten opzicht van geur, stof, geluid en gevaar. Deze afstanden zijn respectievelijk 30, 10, 50 en 50 meter. Bij de bouw wordt (ruimschoots) voldaan aan de richtafstanden van de VNG, ook als milieucategorie 4.1 of 4.2. van toepassing zou zijn. Nabijgelegen gevoelige objecten (zoals woningen) bevinden zich niet binnen deze afstand van het plangebied en worden daarom niet belemmerd. Conclusie: Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Archeologie
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige archeologische waarden van het plangebied. Op grond van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) zijn de belangrijkste bevoegdheden aangaande de archeologie bij de gemeente neergelegd. De gemeenteraad is op grond van de Monumentenwet verplicht bij de vaststelling van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Er is een archeologische waardenkaart beschikbaar. In onderstaande afbeelding is deze te zien, inclusief het plangebied voor het bestemmingsplan. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting (geel).
(vastgesteld)
blz. 54
Afbeelding 4-7 uitsnede maatregelenkaart. In het kader van de wijziging van het bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het bureauonderzoek is als bijlage 16 in de toelichting opgenomen. De verwachtingswaarde is in dit onderzoek bevestigd. Er zijn nog geen concreet bouwplan en concrete bouwwijze of palenplan beschikbaar. Onderhavige locatie is gelegen in een gebied wat in ons beleid een lage verwachting voor archeologie heeft. Er is voorafgaand aan de ontwikkeling geen onderzoek naar archeologie nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld. Conclusie: Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart worden de landschappelijke en cultuurhistorische 'kernkwaliteiten' en 'basiskwaliteiten' aangegeven. Tot de kernkwaliteiten worden elementen en patronen gerekend die bepalend zijn voor het
(vastgesteld)
blz. 55
karakter van Flevoland en waarmee de essentie van het polderconcept wordt gewaarborgd. Tot de kernkwaliteiten worden gerekend: de dijken, vaarten, interne ontsluitingsstructuur, flankerende beplanting (laanbeplanting) bosranden, oude elementen en landschapskunstwerken. Daar waar langs de provinciale wegen laanbeplanting aanwezig is, die is aangewezen als kernkwaliteit, is het provinciale beleid gericht op behoud en versterking. Tot de basiskwaliteiten behoren onder andere de openheid van het landschap, de verkavelingsstructuur, gemalen, hoge bruggen, erfbeplanting. Uit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart van de provincie blijkt dat er geen provinciale cultuurhistorische elementen in het plangebied aanwezig zijn.
4.14
Waterparagraaf
4.14.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet in verband met de ruimtelijke ordening rekening gehouden worden met de waterbelangen. Door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is sinds 2003 het toepassen van de watertoets wettelijk verplicht. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt daarmee waterhuishoudkundige aspecten waaronder waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. De watertoets is dus een belangrijk instrument waarbij waterhuiskundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegenomen worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het plangebied is onderdeel va het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Zuiderzeeland heeft online een digitale watertoets beschikbaar waarmee het waterschap op de hoogte kan worden gebracht van de beoogde ontwikkeling. Voor de ingediende digitale watertoets wordt verwezen naar bijlage A. In het kader van de watertoets is de normale procedure van toepassing. Het waterschap wordt betrokken bij de ontwerpfase en het voorstel tot inrichten van het plangebied. Op 25 augustus 2022 heeft een vooroverleg met het Waterschap plaatsgevonden waarin (de aandachtspunten bij) de beoogde ontwikkeling zijn doorgenomen. Vervolgens is deze memo uitgewerkt en voorgelegd voor advies.
Dit advies dient te worden verwerkt in onderstaande waterparagraaf en bijgevoegde watertoets. In de navolgende hoofdstukken is de waterparagraaf uitgewerkt en is toegelicht hoe in de beoogde ontwikkeling met de waterbelangen en waterhuishoudkundige aspecten in een plangebied wordt omgegaan. 4.14.2 Wet- en regelgeving Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en is erop gericht de kwaliteit van watersystemen te verbeteren. Het moet vervuiling verminderen en voorkomen, negatieve effecten van overstromingen en droogte beperken en duurzaam watergebruik bevorderen. Hiervoor kan gedacht worden aan het verbinden van infiltratie en kwelgebieden en het duurzaam onttrekken van grondwater (de gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag niet groter zijn dan de beschikbare grondwatervoorraad). Tevens kan, door de inrichtingen van watergangen af te stemmen op de aanwezige planten en dieren, een ecologisch gezond watersysteem gecreëerd worden. Waterbeleid voor de 21e eeuw
(vastgesteld)
blz. 56
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Hierin wordt duurzaam waterbeheer geïntroduceerd om de gevolgen van zeespiegelstijging, bodemdaling en toenemende neerslag en droogte te mitigeren. Het beleid bestaat uit twee principes dat ervoor moet zorgen dat water op een duurzame manier benut kan worden: vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Nederlandse Waterwet is een bundeling van acht voorgaande waterbeheerwetten waardoor integraal waterbeheer op basis van een watersysteembenadering mogelijk gemaakt wordt. Het gevolg is dat in andere beleidsterreinen beter rekening gehouden kan worden met water. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet (§) en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en -beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW (§), Richtlijn overstromingsrisico's, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning.
Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Watervisie Zuiderzeeland “Met water werken aan de leefomgeving” De Watervisie is begin juli 2021 vastgesteld. De Watervisie legt de verbinding tussen maatschappelijke ontwikkelingen en wateropgaven. In deze Watervisie kiest het waterschap voor een integrale benadering met een tijdshorizon van enkele jaren tot enkele decennia, afhankelijk van de opgave. De Watervisie geeft het waterbeleid voor de lange termijn aan voor de kerntaken: Waterveiligheid; Voldoende en gezond water; Schoon en gezuiverd water; Tegelijk vormt de Watervisie de basis voor het Waterbeheerprogramma. Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland Het projectgebied valt onder het beheer van Waterschap Zuiderzeeland (ZZL). Het algemeen bestuur van Zuiderzeeland heeft het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 vastgesteld waarin lange termijn doelen (zichtjaar 2100), korte termijn doelen (2022-2027) en maatregelen van het waterschap weergegeven zijn. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de waterveiligheid, schoon en voldoende water en het thema water en ruimte. Het gaat hierbij om reguliere werkzaamheden van waterschappen, waaronder peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater. 4.14.3 Beschrijving van het watersysteem Primaire waterkering Waterkeringen beschermen Flevoland tegen water gerelateerde dreigingen van buitenaf.
(vastgesteld)
blz. 57
Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Het plangebied is gelegen nabij een primaire waterkering en raakt aan de Noordzijde de buitenbeschermingszone van de IJsselmeerdijk, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.
Figuur 4-8 Ligging waterkering zoneringen ten opzichte van plangebied.
Om de waterveiligheid te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige regels en eisen voor korte en lange termijn die van toepassing zijn bij waterkeringen. Dit is conform het beleid en de regelgeving op rijksniveau. In en nabij waterkeringen geldt een beperking voor handelingen zodat de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen in de toekomst niet in het geding komt. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld, zoals weergegeven in bovenstaande afbeelding. Het gaat om de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. Wanneer handelingen uitgevoerd worden in deze zones dient ontheffing verleend te worden op het verbod met een watervergunning. Afhankelijk van de zone zijn hier verschillende voorwaarden aan verbonden, waarbij het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud van de kering de primaire focus hebben. De toegestane activiteiten en voorwaarden zijn te vinden in de Keur van het waterschap. De waterschapsverordening (regels specifiek op het watersysteem) vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De kern- en beschermingszones van waterkeringen dienen in het bestemmingsplan verankerd te zijn. In het ruimtelijke plan krijgt de primaire waterkering de juiste bestemming waardoor de waterstaatkundige belangen duidelijk zijn.
De beperking van bouwmogelijkheden op grond van de Keur geldt ongeacht of dit in een ruimtelijk plan is opgenomen. De gemeente zal een leggerwijziging uiteindelijk verwerken in de relevante
(vastgesteld)
blz. 58
bestemmingsplannen. De planlocatie ligt, zoals weergegeven in bovenstaande afbeelding, gedeeltelijk in de buitenbeschermingszone van de waterkering waardoor bepaalde beperkingen gelden vanuit de Keur van het waterschap ZZL. Wanneer in de beschermingszone ontwikkelingen gepland worden, moet de bescherming van de waterkering geborgd blijven. Eventuele ontwikkelingen binnen deze zone dienen daarom vooraf goedgekeurd te worden door het waterschap. Versterking IJsselmeerdijk In het kader van het Landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is het waterschap begonnen aan een dijkversterkingsproject bij de IJsselmeerdijk. Aanleiding van de dijkversterking is de nieuwe veiligheidsnorm die op 1 januari 2017 is vastgesteld in de Waterwet. Het waterschap ZZL heeft de mogelijkheden voor een dijkversterking verkent zodat de waterkering in de toekomst voldoet aan de veiligheidsnorm. Het waterschap heeft de verkenningsfase afgerond, waarna de planuitwerking- en realisatiefase volgen. De realisatiefase is beoogd in de periode van september 2024 tot december 2027. Het definitieve ontwerp voor de dijkversterking is nog niet uitgewerkt. Op basis van de nu beschikbare informatie zullen de bestaande beschermingszones naar verwachting niet gewijzigd worden.
Door rekening te houden met de bestaande beschermingszones (conform vorige paragraaf) heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed op de dijkverbetering. 4.14.4 Voldoende water In het streefbeeld voldoet het beheergebied op het moment aan de vastgestelde normen en is het watersysteem op orde. Door de aanleg van het distributiecentrum neemt in de toekomstige situatie het verhard oppervlak toe. Het gevolg is een verandering in de waterhuishouding. Compensatie waterberging op eigen terrein door toename verharding Om de effecten van klimaatverandering en bodemdaling te compenseren is een robuust watersysteem noodzakelijk. Het projectgebied ligt in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Dat houdt in dat het systeem water kan verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Wanneer het verhard oppervlak toeneemt kan minder regenwater infiltreren in de bodem en wordt het (regen)water versneld afgevoerd, met snellere, hogere peilstijgingen en afvoer als gevolg. Om dit te voorkomen en een goed functionerend watersysteem te behouden geldt er, zoals blijkt uit de Keur 2017 van het Waterschap Zuiderzeeland, een compensatieplicht bij een toename van meer dan 750 m2 verhard oppervlak.
De beleidsregel 'Compensatie toename verharding en versnelde afvoer' van ZZL geeft aan hoe een toename aan verharding of versnelde afvoer gecompenseerd moet worden. Binnen deze regel wordt de bergingsnorm gekoppeld aan de maximaal toelaatbare peilstijging (m). De bergingsnorm is het percentage van verharding wat aan open water moet worden gerealiseerd. De maximaal toelaatbare peilstijging is het verschil tussen het laagst gemeten maaiveld en het streefpeil binnen het plangebied. In de beleidsregel wordt de bergingsnorm weergegeven volgens onderstaande relatietabel.
Tabel 1: Relatietabel bergingsnorm en maximaal toelaatbare peilstijging. Bron: Beleidsregel 'Compensatie toename verharding en versnelde afvoer' van ZZL.
(vastgesteld)
blz. 59
Maximaal toelaatbare peilstijging [m] =0,8 >0,8-1,0 >1,0-1,2 >1,2-1,4 >1,4
Bergingsnorm t.a.v. extra verharding 6% 5,5% 5% 4,5% 4%
Voor het plangebied geldt een bergingsnorm van 5% voor de toename aan verhard oppervlak. Het gebouwontwerp was op het moment van het opstellen van de waterparagraaf en het overleg met het Waterschap nog niet concreet uitgewerkt. Voor het bepalen van de wateropgave zijn destijds daarom op basis van de laatste inzichten enkele uitgangspunten gehanteerd. Bij verdere uitwerking van het ontwerp en de oppervlaktes dient de wateropgave conform deze analyse aangescherpt te worden. Inmiddels is concretere informatie beschikbaar en onderstaand weergegeven: Het totaal oppervlak van het perceel zoals weergegeven betreft 287.600 m2. Het oppervlaktewater beslaat in de situatie vóór bouwrijp maken 2.250 m2; . Het oppervlak te realiseren bebouwing beslaat 95.000 m2 (aanname was 200.000). Het oppervlak te realiseren overige verhardingen en deels halfverhardingen (parkeren, loading area, wegen, overige voorzieningen) beslaat 130.000 m2 (aanname was 10.000); Het oppervlak groen en water beslaat ca. 52.500 en 11.250 m2. De resultaten van de oppervlakteanalyse zijn weergegeven in tabel 2.
Tabel 2: Oppervlakteanalyse voor het bepalen van de compensatie.
verhard
onverhard water totaal
huidig [m 2] Bebouwing 0 Overige 0 verhardinge n Groen ca. 285.350 ca. 2.250 ca. 287.600
toekomstig verschil compensa [m 2] [m 2] tie [m 2] ca. 95.000 + 225.000 * 11.250 ca. 130.000 ca. 52.500
- 232.850
-
ca. 11.250 ca. 287.600
+ 9.000 -
-
* Deze verhardingstoename dient te worden gecompenseerd met 5% aan open water. Dat levert een toename van 11.250 m2 op aan oppervlaktewater. Deze compensatieopgave wordt op eigen terrein gerealiseerd in de vorm van water en groen. Bij de aanvraag om de bouwvergunning wordt dit aangetoond.
Kavelsloten In het gebied zijn/worden bestaande kavelsloten gedempt, nodig om de gronden te kunnen uitgeven en gebruiken volgens de bestemming. De gemeente Lelystad zorgt voor het compenseren van dit specifieke oppervlaktewater dat komt te vervallen in het
(vastgesteld)
blz. 60
plangebied, in combinatie met andere vergelijkbare compensatieopgaven.
Figuur 4-9 De te dempen kavelsloten binnen het plangebied.
Deze compensatieopgave worden door de gemeente ingepast in de openbare ruimte. Aan de zuidzijde van het plangebied is circa 19 ha gereserveerd voor boscompensatie, versterken groenstructuur en watercompensatie. Hier wordt een watergang gerealiseerd die de Snoek- en Karpertocht verbind. Daarnaast wordt een watergang gerealiseerd tussen de kavels van het plangebied van voorliggend bestemmingsplan en Jysk. Een en ander is schematisch afgebeeld op onderstaande figuur. De watergangen die gerealiseerd worden voor de watercompensatie zijn weergegeven middels oranje pijlen.
(vastgesteld)
blz. 61
Afbeelding 4-10 schematische weergave watercompensatie 4.14.5 Klimaatverandering In het stedenbouwkundig plan is integraal een natuurversterkend- en klimaatplan opgenomen. Daarin zijn drie pijlers benoemd: biodiversiteit, water robuust en voorkomen hittestress. De ambities van het integrale stedenbouwkundige plan komen niet alleen tot uiting in de openbare ruimte, maar wordt doorgetrokken op de bedrijfskavel. In de openbare ruimte wordt het volgene geregeld. De groene lanen met bomen en wadi's zorgen voor verkoeling van de omgeving. De omvang van het bosgebied en de wijze waarop deze ingericht wordt maakt dat het bosgebied een positieve invloed heeft op klimaat en biodiversiteit. De bossen zorgen voor verkoeling door schaduwwerking en verdamping en bieden ruimte voor het opvangen van water. Deze hele groen- blauwe structuur met daarin het systeem van wadi's, waterlopen en het bosgebied wordt zo ontworpen dat het water zoveel mogelijk lokaal wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Het surplus wordt vertraagd afgevoerd. Het bosgebied fungeert daarin als belangrijke buffer waar het water (tijdelijk) in opgevangen kan worden. In extreme scenario's kan het bosgebied zelfs tijdelijk meer water opvangen dan waarmee gerekend is. Deze ambities zijn doorgetrokken in het beeldregieplan.
Het beeldregieplan daagt ontwikkelende partijen uit om bij de realisatie van de bedrijfsbebouwing en kavelinrichting voldoende aandacht te besteden aan de ambities ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en duurzaamheid (natuurinclusief en klimaatadaptief). In het plangebied wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie; er wordt bijvoorbeeld op een deel van het perceel (aan de zijde van de dijk) een wetlandsinrichting gerealiseerd. Momenteel is de drooglegging ongeveer 1,6 m. Dit wordt als voldoende beschouwd. Het plangebied is opgehoogd, waardoor de toekomstige drooglegging meer wordt. Om met de maximaal toelaatbare peilstijging (1,20 meter) en een opbolling van het grondwater geen grondwateroverlast te krijgen kan een horizontaal drainagestelsel in het plangebied aangelegd worden. Dit wordt verder voorzien binnen de bouwvergunning.
(vastgesteld)
blz. 62
4.14.6 Goed fuctionerend watersysteem In normale situaties moet het watersysteem voor een goede doorstroming en afwatering zorgen in het beheergebied, waarbij ook rekening gehouden wordt met gewenste gronden oppervlaktewaterregime (GGOR). Het waterschap streeft ernaar dat de feitelijke situatie overeenkomt met het watersysteem zoals blijkt uit de legger, waardoor zij weloverwogen kunnen reageren bij extreme situaties. Indien veranderingen in het watersysteem plaatsvinden gelden er enkele randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Om versnippering te voorkomen dienen nieuwe ontwikkelingen aan te sluiten op bestaande peilvakken. De inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. Bij de aanleg van nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar een aaneengesloten systeem waarbij waterelementen verbonden zijn met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken. Dit zorgt ervoor dat het watersysteem goed controleerbaar en beheersbaar is. Op het moment is onbekend waar waterstaatswerken en bijhorende kunstwerken gerealiseerd worden. Nieuw open water dient verbonden te worden met de watergangen van de aanliggende kavels, eventueel door middel van (een) duiker(s). De ligging van het open water en de duikers zijn nog niet bekend en dienen in overleg met het waterschap te worden bepaald.
4.14.7 Schoon water Onder invloed van menselijke activiteiten kan de kwaliteit van oppervlaktewater sterk afnemen, onder andere door de productie van afvalwater. Hierbij kan het gaan om huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater. Vervuiling als gevolg van menselijk handelen dient voorkomen te worden. Bij het ontwerp van het nieuw oppervlaktewater dient rekening gehouden te worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Bij de aanleg van een nieuw watersysteem dient daarnaast ook rekening gehouden te worden met de lokaal aanwezige flora en fauna binnen het beheergebied. De huidige chemische toestand van het oppervlaktewater biedt mogelijkheden om een ecologisch gezond ecosysteem te creëren. Daarom wordt het principe schoonhouden-scheiden-zuiveren aangehouden. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van de mogelijk negatieve effecten teniet worden gedaan. Wanneer het stedenbouwkundig plan verder uitgewerkt wordt dient, in overleg met het waterschap en de gemeente, rekening gehouden te worden met het beheer en onderhoud van het te realiseren watersysteem. Binnen het plangebied vindt geen behandeling of productie van (afval)water plaats, welke de waterkwaliteit kan beïnvloeden.