CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 1. Motivering bopa ICL

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.098 Bindend advies BOPA International Campus Lelystad22.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

,

,

,

Conclusie Voorliggende ontwikkeling is in lijn met de Woonvisie Lelystad 2022 – 2027.

3. 3. 8

Inzicht in arbeidsmigranten in de gemeente Lelystad 2024 Kader In 2022 werd geschat dat er zo’n 7. 000 BRP-geregisterde en niet-geregistreerde arbeidsmigranten in Lelystad woonden. Tussen 2010 en 2022 nam het aantap BRP-geregistreerde arbeidsmigranten dat in Lelystad woont jaarlijks met gemiddeld 11 procent toe. De kwaliteit van huisvesting speelt een steeds belangrijkere rol als vestigingsfactor. In een woonwensenonderzoek onder arbeidsmigranten zijn de volgende aspecten genoemd: • Bij voorkeur een oppervlakte tussen de 12 en 25 vierkante meter. • Het delen van een badkamer en keuken is acceptabel maar de slaapkamer is bij voorkeur privé. • Idealiter staat de woning binnen een straal van 10 kilometer van de werklocatie. • Aanwezigheid van Wi-Fi. • Sportvoorzieningen en een winkel met producten uit het thuisland. ,

Naarmate arbeidsmigranten langer verblijven neemt het belang van de directe woonomgeving toe. Aspecten zoals leefbaarheid toegang tot natuur en voorzieningen etc. worden dan belangrijker ten opzichte van bijvoorbeeld bereikbaarheid. ,

,

In 2022 was naar schatting 46% van de arbeidsmigranten short-stay 37% mid-stay en 17% long-stay. Naar verwachting zijn er in 2025 950 (WLO-hoog) tot 1. 550 (trend) extra arbeidsmigranten. Tot en met 2030 wordt verwacht dat er een toename is van 2. 650 tot 4. 950 arbeidsmigranten in Lelystad. ,

Relatie tot ontwikkeling Het rapport laat zien dat het aantal arbeidsmigranten in Lelystad sterk groeit en dat er een grote behoefte is aan kwalitatieve betaalbare en passende huisvesting voor deze doelgroep. De campus voorziet hierin door kamers te bieden die aansluiten bij de wensen van arbeidsmigranten (zoals een eigen slaapkamer gedeelde voorzieningen sportmogelijkheden en winkels) op een locatie dicht bij werk en voorzieningen. Daarmee draagt het voornemen bij aan een leefbare inclusieve en toekomstbestendige stad zoals het rapport aanbeveelt. ,

,

,

,

,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Conclusie Het plan sluit aan bij de actuele en verwachte groei van het aantal arbeidsmigranten in Lelystad en speelt in op de specifieke woonwensen en behoeften van deze doelgroep.

3. 3. 9

Huisvestingsverordening Lelystad 2023 Kader De Huisvestingsverordening Lelystad 2023 is opgesteld om het opkopen van woningen door investeerders tegen te gaan en zo starters en middeninkomens betere kansen te geven op de koopmarkt. Dit volgt uit de Woonvisie 2022-2027 en sluit aan bij landelijke wetswijzigingen die opkoopbescherming alleen toestaan voor bestaande woonruimte. De opkoopbescherming geldt uitsluitend voor bestaande woningen en niet voor nieuwbouw die nog nooit bewoond is geweest. Voor monitoring en effectiviteit is gekozen voor wijkniveau in plaats van buurt- of deelwijkniveau. De maatregel wordt ingevoerd in Kustwijk Atolwijk Stadshart en Zuiderzeewijk waar sprake is van schaarste en een hoog aandeel woningen dat door investeerders is gekocht. In andere wijken is dit aandeel laag waardoor invoering daar niet gerechtvaardigd is. ,

,

,

,

Onderbouwing per wijk • Atolwijk: 22% van verkochte woningen ging naar investeerders; aandeel koopwoningen daalt. • Kustwijk: hoogste absolute aantal opgekochte woningen (223); sterke relatie tussen investeerders en minder koopstarters. • Stadshart: 40% van verkochte woningen naar investeerders; particuliere huur steeg van 5% naar 17%. • Zuiderzeewijk: 25% naar investeerders; koopwoningen daalden van 52% naar 48%. De NHG-grens (€355. 000 in 2022) is gekozen als duidelijke en juridisch onderbouwde grens voor goedkope en middeldure woningen. Dit beschermt circa 92% van de woningen die investeerders doorgaans kopen. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar woningtype omdat buy-to-let in alle segmenten voorkomt. ,

Wettelijke uitzonderingen gelden evenals bijzondere woonvormen en zorgaanbieders conform kamerverhuur beleid. Gemeente en corporaties zijn uitgezonderd van de opkoopbescherming. ,

Relatie tot ontwikkeling en conclusie De campus beschikt niet over koopwoningen. Daarnaast wordt de huisvesting van arbeidsmigranten gezien als ‘bijzondere woonvorm’. Er is geen sprake van opkoop en daarmee is de ontwikkeling in lijn met de Huisvestingverordening Lelystad 2023.

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

4.

Aspecten fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt aan de verschillende omgevingsaspecten getoetst. Per omgevingsaspect wordt uiteengezet wat de eventuele beleidskaders zijn en wat de juridische kaders zijn. Bij de juridische kaders wordt in veel gevallen gesproken over ‘regels in het omgevingsplan’. Met voorliggende BOPA worden logischerwijs geen regels opgenomen in het omgevingsplan. Instructieregels voor omgevingsplannen zijn ook van toepassing zijn op het verlenen van een BOPA. Vervolgens wordt per omgevingsaspect getoetst aan de beleidsmatige en juridische kaders. Ten slotte wordt per aspect geconcludeerd of sprake is van een aanvaardbare situatie en een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ en onder welke eventuele voorwaarden.

4. 1

Mer-beoordeling Kader Het instrument milieueffectrapportage (mer) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een ontwikkeling voor alle relevante milieuaspecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De verplichting een MER op te stellen is van kracht sinds 1 september 1987 en is verankerd in de Omgevingswet (en voorheen Wet Milieubeheer). Voor sommige plannen of projecten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken. In het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke activiteiten de mer-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten kunnen hebben op het milieu. ,

Beoordeling Voor de voorgenomen ontwikkeling is een mer-beoordeling uitgevoerd. Deze mer-beoordeling is opgenomen als bijlage 1 bij deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de conclusie van de beoordeling. De beoogde ontwikkeling wordt in bijlage V van het Omgevingsbesluit aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen (categorie J11). Voor dit project geldt op basis van kolom 2 geen mer-plicht. Op basis van kolom 3 geldt echter wel een mer-beoordelingsplicht. Gelet op de kenmerken van het project de locatie die niet in of bij beschermde natuurgebieden ligt en het feit dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten maakt dat kan worden volstaan met een mer-beoordeling. ,

,

,

Conclusie In het kader van de mer-beoordeling en de onderzoeken in het kader van de motivering Arbeidsmigrantencampus Lelystad is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘aanzienlijke milieueffecten’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele merprocedure. ,

Gelet op het voorstaande wordt voorgesteld milieueffectrapportage nodig is.

,

om

op

basis

van

deze aanmeldnotitie te besluiten dat

geen

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

4. 2

Bedrijven en milieuzonering Kader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten 'geluid' 'geur' 'stof' en 'gevaar' waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen is de VNGhandreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. ,

,

,

,

,

,

Figuur 5. 4. 1: Richtafstanden (bron: VNG)

Beoordeling Gebiedstypering Het projectgebied is gelegen in een omgeving met een hoge mate van functiemenging. Het gebied ligt in de nabijheid van de N309 en de A6. Deze wegen zorgen voor een structureel verhoogde verkeersintensiteit en bijbehorende geluidbelasting. Direct grenzend aan het plangebied bevindt zich het Van der Valk Hotel Lelystad. In de directe omgeving zijn daarnaast meerdere fastfoodrestaurants en een carpoolplaats aanwezig. Deze combinatie van verkeersinfrastructuur horeca en verblijfsfuncties maakt dat het gebied niet kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk. ,

In het kader van de toetsing aan de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt het plangebied daarom aangemerkt als een gemengd gebied. Deze gebiedstypering is leidend voor de beoordeling van de milieuhinder en de daarbij behorende richtafstanden in het kader van een goede ruimtelijke ordening en de bopa-motivering. Functies in de omgeving Relevant voor het plangebied is de aangrenzende horecabestemming waaronder het Van der Valk Hotel Lelystad een McDonald’s en een KFC. Op grond van de VNG-handreiking gelden hiervoor de volgende indelingen en richtafstanden in een gemengd gebied: • Van der Valk Hotel Lelystad SBI-2008: 5510 (logiesverstrekking); milieucategorie 1; richtafstand 0 meter voor geluid geur en stof en 10 meter voor het aspect gevaar. ,

,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V. •

McDonald’s en KFC SBI-2008: 561 (restaurants); milieucategorie 1; richtafstand 0 meter voor geluid meter voor het aspect gevaar.

,

geur en

stof en 10

De geldende richtafstanden van deze horecafuncties overlappen niet met het plangebied. De beoogde migrantencampus leidt daarom niet tot een beperking van de bestaande bedrijfsvoering. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de campus sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de overzijde van de Larserdreef bevindt zich een bedrijventerrein waar bedrijven tot en met milieucategorie 4. 1 zijn toegestaan. Voor deze categorie geldt in een gemengd gebied een maximale richtafstand van 100 meter. De afstand tussen dit bedrijventerrein en het plangebied bedraagt meer dan 100 meter waardoor ook vanuit deze functies geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. ,

Functies binnen het plangebied Binnen het plangebied worden naast de kamers voor arbeidsmigranten uitsluitend ondergeschikte en ondersteunende commerciële functies mogelijk gemaakt. Het betreft concreet: • een receptie- en beheerfunctie ten behoeve van de huisvesting; • kleinschalige voorzieningen voor dagelijks gebruik zoals een minimarkt of uitgiftepunt voor basisbenodigdheden; • gemeenschappelijke voorzieningen zoals een wasserette en verblijfsruimten; • eventueel een kleinschalige horecavoorziening zonder zelfstandige publieksaantrekkende werking uitsluitend bedoeld voor bewoners. ,

,

,

Deze functies zijn functioneel en ruimtelijk ondergeschikt aan de woonfunctie en zijn niet gericht op een zelfstandige externe bezoekersstroom. Op basis van de VNG-handreiking vallen deze activiteiten onder milieucategorie 1. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 0 meter voor de aspecten geluid geur en stof en 10 meter voor gevaar.

,

,

Aangezien deze functies binnen hetzelfde plangebied zijn gesitueerd en planologisch zijn afgestemd op de woonfunctie is sprake van een aanvaardbare milieusituatie. De onderlinge afstanden en situering van de functies waarborgen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners. Tevens worden omliggende bedrijven en voorzieningen niet beperkt in hun bestaande of toekomstige bedrijfsvoering. ,

Conclusie Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief inclusief de binnen het plangebied beoogde commerciële functies in overeenstemming is met de uitgangspunten van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de ontwikkeling is vanuit milieuzoneringsperspectief ruimtelijk aanvaardbaar. ,

,

4. 3

Omgevingsveiligheid Kader De maatschappelijk doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Omgevingsveiligheid gaat daarbij over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen bij een milieubelastende activiteit (mba). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een uitvoeringsbesluit van de Omgevingswet geeft de hoofdlijnen voor de beoordeling voor de omgang met omgevingsveiligheid. ,

,

Binnen de omgevingsveiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Aansluitend worden ander belangrijke begrippen toegelicht. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans op een bepaalde plaats om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die 24 uur per dag op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: ,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De bescherming die binnen deze contouren geboden moet worden is afhankelijk van de kwetsbaarheid van de functies in de gebouwen en locaties. Bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving maakt onderscheidt in zeer kwetsbare functies zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven kwetsbare functies zoals woningen en beperkt kwetsbare functies zoals kleine kantoren en werkplaatsen.

,

,

Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde maar als een standaardwaarde. Dat betekent dat die functies in principe niet zijn toegestaan maar dat het bevoegd gezag met een goede motivatie mogelijk kan afwijken. Aandachtsgebieden en groepsrisico (GR) ,

,

Vanaf het van kracht worden van de Omgevingswet bestaan er voor toen bestaande risicovolle mba’s van rechtswege aandachtsgebieden langs of rondom een risicovolle mba. In bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt – voor de daarin aangewezen risicobronnen – een vaste afstand voor deze aandachtsgebieden gegeven of is aangegeven dat deze aandachtsgebieden berekend moeten worden. Een aandachtsgebied is een gebied waarbinnen personen in een gebouw onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. De Omgevingswet kent drie soorten aandachtsgebieden: • een brandaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een plasbrand langs het spoor of fakkelbrand bij een hogedruk aardgastransportleiding); • een explosieaandachtsgebied (bijvoorbeeld voor een BLEVE langs het spoor of bij een LPG-tankstation); • een gifwolkaandachtsgebied (bijvoorbeeld rondom chemische bedrijven). ,

,

,

Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente in het omgevingsplan beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is (artikel 5. 15 Bkl). Een gemeente kan daarbij gebruik maken van een groepsrisicoberekening om de rekenkundige hoogte van het groepsrisico te bepalen. Kans en effect Een aandachtsgebied markeert het gebied waarbinnen het effect van een incident met gevaarlijke stoffen het meest nadrukkelijk optreedt. De omvang van een aandachtsgebied zegt niets over de kans op een incident. Het aandachtsgebied langs de Betuweroute is bijvoorbeeld even breed als het aandachtsgebied langs een spoorlijn waarover maar weinig gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour de contour die de kans op een incident ruimtelijk weergeeft is langs de Betuweroute echter vele meters breder dan bij een spoorlijn met weinig vervoer van gevaarlijke stoffen. ,

,

Voorschriftengebieden ²² Aandachtsgebieden zijn geïntroduceerd om een betere communicatie over de ruimtelijke impact van incidenten met gevaarlijke stoffen mogelijk te maken. Binnen een brand- en explosieaandachtsgebied moet een gemeente voorschriftengebieden aanwijzen 1 als het omgevingsplan zeer kwetsbare functies toestaat. Als het omgevingsplan geen zeer kwetsbare functies toestaat maar enkel kwetsbare of beperkt kwetsbare functies kán een gemeente een voorschriftengebied aanwijzen. Binnen een voorschriftengebieden gelden er bij nieuwbouw aanvullende bouwkundige eisen conform artikel 4. 90 tot en met 4. 96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze bouwkundige eisen gelden niet voor de bestaande bebouwing of bij verbouw. ,

,

,

Attentiegebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden waar personen binnenshuis onvoldoende bescherming kunnen hebben in geval van een incident met gevaarlijke stoffen. Omdat personen niet enkel binnen verblijven hanteren Veiligheidsregio’s deze zogenaamde attentiegebieden met als doel om binnen deze gebieden te toetsen hoe de veiligheid voor personen in de open lucht geoptimaliseerd kan worden. ,

Brzo-bedrijven zijn Seveso-bedrijven geworden De zwaardere risicovolle bedrijven zijn in lijn met de Europese regelgeving aangewezen als Seveso-bedrijven (voorheen was de Nederlandse benaming: Brzo-bedrijf). Op onderdelen verschilt het wettelijk kader van Sevesobedrijven van dat van andere milieubelastende activiteiten (mba). Voor Seveso-bedrijven geldt eenzelfde normering van het plaatsgebonden risico en gelden ook aandachtsgebieden. Beoordeling omgevingsveiligheid

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Ten behoeve van het omgevingsaspect omgevingsveiligheid zijn zowel een omgevingsveiligheidsonderzoek (bijlage 2) als een onderzoek naar magneetveldzones (bijlage 3) uitgevoerd. Voor Rijksweg A6 • Het projectgebied valt niet in binnen de 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van de Rijksweg A6. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. • Het gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg A6 reikt niet tot de geplande bebouwing. Hoogspanningsleiding • De hoogspanningsleiding Diemen – Lelystad heeft een magneetveldzone van 125 meter aan beide kanten. Deze zone reikt tot aan de geplande bebouwing. Omdat hier mogelijk gevoelige functies zijn gepland is hier verder onderzoek vereist. Het bevoegd gezag dient het mogelijke maken van deze functie binnen de magneetveldzone te motiveren. ,

Beoordeling magneetveldzone Het projectgebied wordt deels doorsneden door de magneetveldzone van de 380kV-hoogspanningsleiding Diemen – Lelystad. Op basis van het landelijke voorzorgbeleid worden hier gevoelige functies zoals woningen en voorzieningen voor kinderen bij voorkeur uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft echter een logiesfunctie van tijdelijke aard voor arbeidsmigranten waarbij geen sprake is van langdurig dagelijks verblijf in de zin van het voorzorgbeleid. Buiten de logiesfunctie zijn er ook gerelateerde voorzieningen beoogd waar mensen werkzaam zijn. Deze werknemers verblijven hier niet meer dan jaar en zijn hier niet minimaal 14 – 18 uur per dag. ,

,

,

,

,

De functies vallen daarmee niet onder de categorie ‘gevoelige bestemmingen’ en zijn in beginsel toegestaan binnen de magneetveldzone. Daarnaast is binnen de planopzet reeds rekening gehouden met een zorgvuldige ruimtelijke inpassing: in dit uitgewerkte alternatief zijn de logiesgebouwen zoveel mogelijk buiten de magneetveldzone geplaatst en ondersteunende functies zoals parkeren zijn binnen de zone geclusterd. ,

,

Op basis van de aard van de functie en de getroffen mitigerende maatregelen wordt geconcludeerd dat het voorzorgbeleid niet in de weg staat aan de realisatie van het initiatief binnen het projectgebied. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 4

Geluid Kader Een geluidgevoelig object zoals een woning moet worden beschermd tegen geluid. In het Bkl zijn regels opgesteld ter bescherming van geluidgevoelige objecten tegen de geluidbronnen van (spoor)wegen industrieterreinen en bedrijven. Daarnaast mogen er geen bedrijven worden belemmerd en moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en buiten het projectgebied. De regels in het Bkl met betrekking tot geluid zijn niet van toepassing omdat de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor de duur van niet meer dan 10 jaar (artikel 3. 18 lid 4 van het Bkl). Ondanks dat toetsing op basis van de regels van het Bkl niet van toepassing is voor voorliggende ontwikkeling wordt geluid wel kwalitatief beschouwd omwille van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

,

,

Beoordeling Voor het aspect geluid is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de resultaten en conclusie van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van voorliggende motivering. Uit de rekenresultaten volgt dat de standaardwaarde wordt overschreden vanwege de gemeente wegen Rijkswegen en Provinciale wegen. Ook wordt de grenswaarde van 60 dB vanwege de Rijksweg overschreden. Bij de overige geluidbronsoorten wordt de grenswaarde of maximale toegestane geluidbelasting niet overschreden.

,

Gemeente-wegen Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van gemeente-wegen (Oostranddreef Zeuslaan en gedeelte van de Larserdreef) op gebouw A (beoordelingspunt 3 hoogte 11 m) hoogstens 61 dB bedraagt. Dit is ,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

hoger dan de standaardwaarde van 53 dB L den geluidbron is het gedeelte van de Larserdreef.

,

maar

lager dan de grenswaarde

van

70 dB. De maatgevende

Rijkswegen Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Rijksweg A6 op gebouw G (beoordelingspunten 53 en 44 1 e t/m 3 e verdieping) en gebouw F (beoordelingspunt 44 alle verdiepingen) hoogstens 61 dB bedraagt. Dit is hoger dan de grenswaarde van 60 dB. ,

,

Provinciale wegen Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de Provinciale weg (Larserdreef) op gebouw G (beoordelingspunt 45 hoogte 11 m) hoogstens 62 dB bedraagt maar 60 dB inclusief aftrek 110g Wgh. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar lager dan de maximale toegestane geluidbelasting van 63 dB. ,

,

Gecumuleerd/gezamenlijk geluid De hoogste gecumuleerde/gezamenlijke geluidbelasting betreft 66 dB voor bouwblok G en A. Maatregelen Ontvangermaatregelen Het project krijgt de status van een logiesfunctie. Het binnenmilieu voor logiesfuncties wordt niet beschermd door eisen opgelegd vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In analogie met het Bbl worden voor nieuwbouwwoningen bepaald dat de geluidwering niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen het bepaalde gezamenlijke geluid en 33 dB. Met een geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai van ten hoogste 66 dB en de vereiste minimale gevelwering van 20 dB voor nieuwbouwwoningen wordt niet aan het binnenniveau van 33 dB voldaan. ,

Om die reden wordt geadviseerd om de gevelwering (van gevels waarop de geluidbelasting hoger is dan 53 dB) met een hogere geluidreductie uit te voeren om de toekomstige gebruikers (logees) te beschermen voor het geluid van buitenaf. Argumentatie voor gemeentelijke afweging Voor wat betreft de gemeentelijke afweging in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en in hoeverre er daarmee vanuit optiek van geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan bij de beoordeling worden aangesloten bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. ,

,

Besluit bouwwerken leefomgeving Uit artikel 4. 103 volgt dat als gevolg van wegverkeerslawaai de geluidwering niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen het bepaalde gezamenlijke geluid en 33 dB. Uit artikel 4. 102 volgt dat de minimaal toe te passen geluidwering 20 dB moet bedragen. ,

,

In achtneming van bovenstaande kan de minimale gevelwering worden bepaald. Uit paragraaf 4. 2 volgt dat het gezamenlijk geluid ten hoogste 66 dB bedraagt voor bouwblok G en A. Om het binnenniveau van 33 dB te behalen dient de gevelwering minstens 33 dB te bedragen voor bouwblok A en G. Indien deze gevelwering wordt toegepast is het aannemelijk dat sprake is van een aanvaardbaar effect van geluid op het plan. Het uiteindelijke oordeel met betrekking tot de aanvaardbaarheid van geluid is aan de gemeente.

,

,

Geluidbeleid gemeente Lelystad Voordat de Omgevingswet van kracht is gegaan (01-01-2024) moest men rekening houden met het geluidbeleid van de gemeente Lelystad. Dit beleid is niet opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan Wel heeft het bevoegd gezag aangegeven dat het gemeentelijk beleid nog vigerend is en heeft hiervoor een vertaling van het beleid naar de Omgevingswet gegeven. Hieruit blijkt dat er weliswaar niet wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid maar deze is formeel gezien niet van toepassing omdat het hier om een logiesfunctie gaat. Het beleid is enkel van toepassing op geluidgevoelige gebouwen. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een aanvaardbare situatie. ,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling indien geluidwering wordt toegepast op gevels waarop de geluidbelasting hoger is dan 53 dB.

4. 5

Ecologie Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. ,

,

,

Beoordeling Voor de beoordeling van het aspect ecologie is een zorgvuldige onderzoeksvolgorde gehanteerd. Allereerst is een natuurtoets (bijlage 5) uitgevoerd om de aanwezige natuurwaarden en de mogelijke effecten van de ontwikkeling in kaart te brengen. Vervolgens is de scope van het project uitgebreid en is ook voor deze uitbreiding onderzoek gedaan naar beschermde soorten (bijlage 6). Daarna is een nader soortenonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Uit dit onderzoek bleek dat een activiteitenplan noodzakelijk is. In dit activiteitenplan hoeven niet alle soorten te worden benoemd. Om dit te verduidelijken is een apart document opgesteld waarin staat welke soorten niet hoeven te worden meegenomen (bijlage 8). ,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Beschermde soorten Natuurtoets Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels vogels met een jaarrond beschermd nest vleermuizen overige zoogdieren amfibieën reptielen en vlinders. In de natuurtoets is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar vogels met een jaarrond beschermd nest vleermuizen overige zoogdieren reptielen en vlinders. Ook is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor algemene broedvogels op voorhand kan worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Tijdens het terreinbezoek is de reuzeberenklauw in het plangebied aangetroffen (overal waar geen bomen staan). De reuzeberenklauw is een invasieve exoot. Dit houdt in dat soort niet van nature voorkomt in Nederland en schadelijk is voor de inheemse natuur. Om verdere verspreiding van de reuzeberenklauw te voorkomen zijn passende maatregelen nodig wanneer er in het plangebied gewerkt wordt. Deze maatregelen moeten in een later stadium worden uitgewerkt in een Ecologisch Werkprotocol. Scope-uitbreiding De scope-uitbreiding in het document betreft aanvullende werkzaamheden naast de oorspronkelijke plannen voor de International Campus Lelystad. Concreet gaat het om: • Aanpassen van de aanrijdweg: richting het Van der Valk Hotel (inclusief aanleg van asfalt en het planten van bomen in bermen). • Aanpassing van de oostelijke parkeerplaats waarbij kleine bomen worden gekapt. • Plaatsing van nieuwe lichtmasten ten zuiden en oosten van het hotel plus tijdelijke verlichting. • Extra verstoringsfactoren zoals geluid en optische effecten tijdens de werkzaamheden. ,

,

Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat binnen de oorspronkelijke scope en de scope-uitbreiding beschermde soorten aanwezig kunnen zijn. Voor de uitbreiding is aanvullend onderzoek uitgevoerd waarbij geen nieuwe significante effecten op beschermde soorten zijn vastgesteld die niet al in het oorspronkelijke onderzoek waren meegenomen. Wel is vastgesteld dat voor bepaalde soorten mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze maatregelen worden opgenomen in het activiteitenplan. ,

Nader ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de Natuurtoets is in de periode 9 april 2024 tot en met 31 augustus 2024 onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten (buizerd boomvalk ransuil sperwer) vleermuizen (essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) zoogdieren (kleine marterachtigen bever otter) reptielen (ringslang) en insecten (grote vos grote weerschijnvlinder). ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Geconcludeerd kan worden dat schadelijke handelingen van artikel 11. 46 en 11. 54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal soorten niet kan worden voorkomen. Voor deze schadelijke handelingen is een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit noodzakelijk. Ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld waarin wordt omschreven hoe effecten gemitigeerd en/of gecompenseerd worden. Veel mitigerende maatregelen hebben betrekking op specifieke periode waarin werkzaamheden al dan niet uitgevoerd kunnen worden. Ook kan er sprake zijn van een gewenningsperiode ten aanzien van compenserende maatregelen. Dit houdt in dat de compenserende maatregelen een bepaalde tijd aanwezig moeten zijn voordat gestart mag worden met de werkzaamheden. Dit kan grote invloed hebben op de uitvoeringsplanning. Voor de uitvoering van het planvoornemen dient aanvullend een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op de beschermde soorten te voorkomen in lijn met het activiteitenplan. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden. ,

Uitsluiting soorten In overleg met de provincie is vastgelegd welke beschermde soorten niet relevant zijn voor de geplande werkzaamheden en daarom niet hoeven te worden meegenomen in het activiteitenplan. Dit voorkomt onnodige complexiteit en zorgt dat de focus ligt op soorten waarvoor wél maatregelen nodig zijn.

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Er zijn soorten geïdentificeerd die geen risico lopen door de werkzaamheden (bijvoorbeeld omdat hun leefgebied niet wordt aangetast of omdat ze niet in het plangebied voorkomen). Deze uitgesloten soorten hoeven niet te worden opgenomen in het activiteitenplan. Het betreft de volgende soorten: • Ooievaar; • Bever; • Otter; • Ringslang. De meervleermuis is niet uitgesloten maar hiervor is een randvoorwaarde nodig die moet worden opgenomen in het activiteitenplan. Het betreft de randvoorwaarde dat verlichting niet meer dan 1 lux op vliegroutes mag bedragen. Het activiteitenplan wordt in overleg met de provincie Flevoland opgesteld en afgerond. ,

Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van beschermde Natura 2000-gebieden. Het projectgebied is gelegen op circa 50 km van het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Verder liggen er binnen een straal van 25km nog Markermeer & IJmeer Lepelaarsplassen Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer. Directe effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom uitgesloten. Echter is het wel mogelijk dat er indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. ,

,

,

Figuur 4. 2 Uitsnede Natura-2000 overzichtskaart met projectlocatie als zwarte punt. Bron: Natura2000. nl

Stikstof Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatieen gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is door Antea Group een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase en de realisatiefase. Het stikstofonderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze motivering. Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator versie 2025 is de mogelijke toename van de stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en gebruiksfase op omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. ,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 000 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. ,

Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is ook geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het ligt ook niet in een belangrijk weidevogelgebied. Gezien de locatie aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkelingen is geen significant negatief effect aanwezig op de wezenlijke waarden en kenmerken de oppervlakte of de samenhang van de dergelijke groengebieden. ,

,

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

4. 6

Luchtkwaliteit Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit de artikelen 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: ,

,

1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening met behulp van de NIBM-tool voldoende zijn. Het kan ook zijn dat detailberekeningen als aanvulling op de NIBM-tool nodig zijn. ,

,

2.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2. 38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: ,

• •

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel gewijzigd wordt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;

•

bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Beoordeling Aandachtsgebied De gemeente Lelystad is in artikel 2. 38 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als een gemeente behorende bij een agglomeratie. Daarmee is de gemeente Lelystad niet in artikel 5. 51 van het Bkl aangewezen als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Het beoogde voornemen betreft de ontwikkeling van een arbeidsmigrantencampus bestaande uit 7 gebouwen met in totaal 2. 464 kamers en bedden. Hoewel dit een grootschalige ontwikkeling betreft is geen sprake van reguliere woningbouw in de zin van het luchtkwaliteitsbeleid. ,

Op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) wordt een project geacht niet in betekenende mate bij te dragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit indien de toename van de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM10) als gevolg van het project niet meer bedraagt dan 12 μg/m³. ,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling de verwachte verkeersgeneratie en het feit dat de grenswaarde van 1. 500 woningen niet van toepassing is op deze functievorm dient te worden beoordeeld of de toename onder deze drempel blijft. Indien dat het geval is dan is nader luchtkwaliteitsonderzoek niet vereist en draagt het initiatief in de zin van de Wet milieubeheer niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. ,

,

,

,

,

Bijdrage ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de huisvesting van arbeidsmigranten. Er is een toename van het aantal verkeersbewegingen en de ontwikkeling leidt tot een toename van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek gelegen op bouw van 1500 woningen (een ontsluitingsweg) niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. ,

,

Figuur 4. 3 NIBM-tool

Luchtkwaliteit in omgeving De luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied dient getoetst te worden aan de grenswaarden stikstofdioxide en fijnstof. De waarden zijn bepaald aan de hand van de Atlas leefomgeving.

voor

Tabel 4. 1 Hoogst gemeten berekende jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM25, in μg/m3 en toetsing aan de grenswaarden bij de dichtstbijzijnde rekenpunten.

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

WHO advieswaarde

Stikstofdioxide (NO)2

Jaargemiddelde

Fijnstof (PM)10 Fijnstof (PM) 25

Jaargemiddelde Jaargemiddelde

40 μg/m 3 40 μg/m 3 25 μg/m 3

10 μg/m 3 15 μg/m 3 5 μg/m 3

,

Waarde projectgebied 12-15 μg/m 3 15-16 μg/m 3 7-8 μg/m 3

Op basis van de resultaten uit de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de maatgevende grenswaarden voor deze stoffen liggen en naar de toekomst toe verder dalen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

4. 7

Verkeer en parkeren Kader Voor de ontwikkeling van de International Campus Lelystad is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (bijlage 10). In deze paragraaf wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Op basis van de resultaten kunnen de volgende conclusies worden getrokken over de verkeerskundige impact: Parkeren Voor de ontwikkeling aan de Zeuslaan zijn 9 gebouwen met daar in 2. 464 kamers (slaapruimten) en 2. 464 bedden voorzien. Om de parkeerbehoefte te bepalen is gekeken naar de Nota Parkeernormen Lelystad 2023. Zowel deze nota als het CROW kennen geen specifieke kengetallen voor de parkeerbehoefte veroorzaakt door de huisvesting van arbeidsmigranten. Er is daarom een afweging gemaakt tussen de verschillende functies om tot een passende parkeernorm te komen. Uit de nota wordt de parkeernorm van een 1* hotel gebruikt dat is 24 parkeerplaats per 10 kamers (024 parkeerplaats per kamer). De keuze voor deze functie heeft de volgende redenen: • Voor deze ontwikkeling heeft de initiatiefnemer aangegeven een logiesvergunning aan te vragen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Een 1* hotel is passend bij een logiesvergunning. • Andere gemeenten in Nederland (zoals gemeente Westland) hebben zelf normen ontwikkeld voor parkeren door arbeidsmigranten die vergelijkbaar zijn met de 1* hotel norm in Lelystad.

• Daarnaast is gekeken naar de gehanteerde parkeernormen bij vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland zoals de locaties van United Homes. United Homes exploiteert locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten in meerdere gemeentes in Nederland. Binnen deze locaties wordt gebruik gemaakt van busjes deelauto’s en elektrische fietsen voor het woon-werkverkeer. Hiermee zijn de locaties van United Homes dus vergelijkbaar met de ontwikkeling aan de Zeuslaan. United Homes hanteert op al hun locaties een parkeernorm van 025 parkeerplaatsen per persoon. Bij geen van deze locaties heeft de norm geleid tot parkeerproblemen. • Het alternatief binnen de Nota Parkeernormen is de functie “kamerverhuur zelfstandig (nietstudenten)”. Deze is ontleend aan de CROW-publicatie 381. Uit onderzoeken naar vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland blijkt dat de parkeernormering van deze functie niet passend is bij het mobiliteitsprofiel van arbeidsmigranten en tot een onnodig groot parkeerterrein leidt. ,

,

,

,

,

,

,

,

Verkeer Het berekenen van de verkeersgeneratie is aangepakt op basis van een verwacht mobiliteitsprofiel van de arbeidsmigranten. Er zijn geen kengetallen die dit profiel goed beschrijven. Daarom wordt er gewerkt met het hier onder omschreven verwachtingsprofiel. Naar verwachting bevinden de meeste werkgevers van deze arbeidsmigranten zich op bedrijventerrein Flevokust Haven te Lelystad. Bij de bedrijven op Flevokust Haven wordt voornamelijk gewerkt in 3 ploegen. Tijdsvakken 07.00-15.00 15. 00-23. 00 en 23. 00-07. 00. De verdeling is voor de ochtendploeg 40% middag/avondploeg 40% en nachtploeg 20%. Dit betekent dat tijdens de ochtendspits 40% vertrekt naar hun shift en 20% terug komt van hun shift. In de avondspits vertrekt 40% voor hun shift en komt 40% terug van hun shift. ,

,

De arbeidsmigranten worden via hun uitzendbureaus in collectief vervoer naar hun werk gebracht. Dit zijn touringcars en taxibusjes. Een deel van de arbeidsmigranten gaat met hun eigen auto naar hun werk. De verdeling van de vervoersmiddelen en hun aangenomen capaciteit is in onderstaande tabel weergegeven. De bezetting van deze vervoermiddelen kan variëren daarom is gerekend met een bezettingsgraad van 90%. ,

Vervoermiddel

Aandeel

Capaciteit

Touringcar

50%

60 personen

Taxibusje

30%

10 personen

Auto

20%

4 personen

Het verwachte mobiliteitsprofiel van de arbeidsmigranten bij deze ontwikkeling kent een bepaalde bandbreedte. Daarom is er een robuustheidsfactor van 110 toegepast om tot de verkeersgeneratie voor woon-werkverkeer te komen. ,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Daarnaast is er ander verkeer dan woon-werkverkeer. Op de locatie van het International Campus Lelystad zijn voorzieningen fitness medische buitensport supermarkt horeca informatiecentrum en beveiliging aanwezig. De basisbehoeften zijn te vervullen op het terrein waardoor het gebruik van een auto minder nodig is. Daarom is aangenomen dat er overdag per uur 15 personenauto’s zijn die het terrein op- en afrijden (in totaal dus 30 motorvoertuigbewegingen per uur). Daarnaast is er voor de verschillende functies rekening gehouden met 5 vrachtleveranciers per etmaal. ,

,

,

,

,

,

De in de voorgaande parkeer voorbeelden ter ondersteuning van de parkeerbehoefte geven ook enige informatie over de verkeersgeneratie. In de voorbeelden wordt ervan uitgegaan dat het woon-werkverkeer volledig collectief of per fiets plaatsvindt. Voor de ontwikkeling aan de Zeuslaan wordt daarnaast rekening gehouden met privé vervoer en bewegingen met een ander doel dan woon-werkverkeer. Hiermee wordt voor de ontwikkeling rekening gehouden met meer vervoersbewegingen dan in vergelijkbare situaties (worst case benadering). ,

Beoordeling Parkeren De parkeerbehoefte is met Nota Parkeernormen 2023 Lelystad bepaald. Voor deze ontwikkeling is de parkeerbehoefte 592 parkeerplaatsen. Het stedenbouwkundig plan voorziet in de aanleg van 593 parkeerplaatsen. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling De ontwikkeling zorgt voor een verkeersgeneratie van 1. 122 voertuigbewegingen per werkdag etmaal. In het drukste uur van de ochtendspits zijn er 204 bewegingen in het drukste uur van de avondspits 260 bewegingen. ,

De VRI Larserweg-Zeuslaan-A6 kan het verkeer verwerken in de ochtend- en avondspits zowel in de autonome situatie als de plansituatie liggen de cyclustijden binnen de acceptabele grens. De opstellengte voldoet ook aangezien (vanwege de autonome problematiek) er plannen liggen om de verkeerscirculatie rond het hotel te wijzigen naar een eenrichtingscircuit. ,

,

Verkeersveiligheid Op dit moment zijn er geen voorzieningen voor langzaam verkeer langs de Zeuslaan dit is ongewenst vanuit het perspectief van verkeersveiligheid. Om dit te verbeteren moet er worden overlegd met de gemeente welke mogelijkheden er zijn om deze alsnog aan te brengen. ,

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 8

Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging. Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van bestaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5. 89K Bkl artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). ,

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal):

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V. •

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving het omgevingsplan een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa paragraaf 2. 3. 6a. 2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3. 2. 21 en 3. 2. 22); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2. 3. 6a. 4). ,

,

• •

,

Beoordeling Antea Group heeft een historisch bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie (bijlage 11). Op basis van het historisch bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit in het verleden negatief is beïnvloed. De locatie wordt naar verwachting aangemerkt als onverdacht met een bodemkwaliteitsklasse passend bij landbouw en natuur. Een uitzondering vormt het puinpad net buiten het projectgebied dat als asbestverdacht wordt beschouwd. ,

,

Op basis van het historisch bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit in het verleden negatief is beïnvloed. Volgens de bodemkwaliteitskaart van Lelystad zijn de ontgravings- en toepassingsklasse van zowel de boven- als ondergrond Landbouw/ Natuur. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4. 9

Ontplofbare oorlogsresten Kader Niet gesprongen explosieven kunnen een gevaar vormen wanneer er trillingen worden veroorzaakt in de grond door bijvoorbeeld heiwerkzaamheden. Deze niet gesprongen explosieven kunnen dan alsnog afgaan. De initiatiefnemer zal degene zijn die het onderzoek naar niet gesprongen explosieven zal uitvoeren. Dit gelet op de verplichting tot het doen van een risico-inventarisatie en -evaluatie ex artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet. De burgemeester kan voor het handhaven van de openbare orde of voor het beperken van eventueel gevaar bevelen of algemeen verbindende voorschriften opstellen voor de locatie(s) waar een niet gesprongen explosief is aangetroffen (artikel 172 175 en 176 Gemeentewet). Daarbij valt onder andere het vervaardigen verhandelen vervoeren voorhanden hebben en dragen van niet gesprongen explosieven onder de Wet Wapens en Munitie. Deze opsporing dient te worden gedaan door een bedrijf die gecertificeerd is op grond van de Beoordelingsrichtlijn voor het Procescertificaat “Opsporen Conventionele Explosieven (OCE)” zoals bedoeld in artikel 4. 10 Arbobesluit. Sommige gemeenten hebben een explosievenkaart waarop verdachte gebieden kunnen worden weergegeven. Indicatoren voor verdachte gebieden kunnen daarnaast worden afgeleid uit historische gegevens militaire archieven en eerdere vondsten. ,

,

,

,

Vanwege de nadruk op openbare orde en veiligheid worden regels over niet gesprongen explosieven niet opgenomen in het omgevingsplan. De omgang met niet gesprongen explosieven wordt ook niet gereguleerd door de Omgevingswet omdat de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden voorziet in regulering. Beoordeling Op de bommenkaart van de provincie Flevoland is af te lezen dat het besluitgebied van voorliggende ontwikkeling niet in verdacht gebied valt met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. De gemeente Lelystad heeft zelf geen explosievenkaart.

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Figuur 5. 2: Weergave projectgebied binnen de bommenkaart van de provincie Lelystad Conclusie Uit het bovenstaande kan afgeleid worden dat het gebied al eens is onderzocht en dat de conclusie is dat het projectgebied niet in verdacht gebied valt. Het aspect OO vormt geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4. 10

Archeologie Kader In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is de definitie van cultureel erfgoed opgenomen. Dit omvat monumenten archeologische vindplaatsen historische stads- en dorpsgezichten cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed zoals beschreven in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is verplicht om bij de belangenafweging de aspecten van historische (steden)bouwkunde en historische geografie te betrekken zowel voor beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. ,

,

,

,

,

Rijksbeleid Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Met de introductie van de Wamz zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de lijn dat gemeenten een centrale rol wordt toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed doorgezet. ,

,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Provinciaal beleid Het beleid van de Provincie Flevoland richt zich conform het Rijksbeleid op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen. De aandachtsgebieden op het gebied van archeologie zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. ,

,

De gemeente kan lokale regels stellen over archeologisch onderzoek (artikel 5. 130 lid 3 4 en 5 Bkl). Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of om ze deskundig te laten opgraven. Het archeologisch onderzoek kan verschillende vormen aannemen. ,

Beoordeling Binnen het bestemmingsplan ‘De Landerijen 2012’ is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen over de planlocatie. Ook op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland zijn er geen archeologisch waardevolle locaties op het projectgebied. Er hoeft niet te worden getoetst op het gebied van archeologie binnen het projectgebied. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 11

Cultuurhistorie en erfgoed Kader Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten gemeentelijke- en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan.

,

,

Het Bal stelt onder andere regels aan rijksmonumenten. De provinciale omgevingsverordening stelt regels aan provinciale monumenten (zoals provinciale monumenten molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen). In het omgevingsplan legt de gemeente de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet de gemeente voldoen aan de instructieregels van het Rijk (paragraaf 5. 1. 5. 5 van het Bkl). ,

Beoordeling Op basis van de instructieregels uit het Bkl dient in een omgevingsplan of een motivering bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoende rekening te worden gehouden met het behouden en het beschermen van cultureel erfgoed. De cultuurhistorische kaart van Flevoland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. De cultuurhistorische kaart vormt de onderlegger voor het provinciaal beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang. Op de kaart van provincie Flevoland is te zien dat het projectgebied geen cultuurhistorische waarden bezit. Wel is te zien dat het projectgebied gesitueerd is in de nabijheid van de Lage Vaart en Flankerende laanbeplanting twee landschapsbepalende elementen aangegeven met de rode lijn in onderstaand figuur. Deze landschapsbepalende elementen hebben echter geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling en vice versa. ,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

Figuur 5. 3: Weergave Cultuurhistorische kaart Flevoland Conclusie Het aspect cultuurhistorie en erfgoed vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4. 12

Weging van het waterbelang Kader Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht. In deze paragraaf wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk provinciaal en rijksbeleid als het beleid van het waterschap. De beschrijving van de wateraspecten bestaat uit een beschrijving gegeven van de bestaande situatie de relevante wet- en regelgeving en de voorgenomen ontwikkeling met daarbij de mogelijke maatregelen. In het kader van de weging van het waterbelang wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(s). ,

,

,

Beleid Rijksoverheid Omgevingswet 2024 Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. In de Omgevingswet wordt de leefomgeving op een andere manier benaderd dan voorheen waarbij wordt ingezet op een duurzame economische structuur met borging van de kwaliteit en veiligheid daarvan. In de Omgevingswet worden de wetgeving en regels voor ruimte wonen infrastructuur milieu natuur en water gebundeld. Deze wet regelt daarmee het beheer en de ontwikkeling met minder en overzichtelijke regels meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk. Ingezet wordt op integraliteit vertrouwen en participatie van alle belanghebbenden. De wet krijgt vorm in de omgevingsvisie waarbij de huidige provinciale plannen komen te vervallen en worden geïntegreerd in deze visie. ,

,

,

,

,

,

Weging van het waterbelang De watertoets zoals deze bestond onder de Waterwet is in de Omgevingswet overgegaan in de weging van het waterbelang. In de Omgevingswet is opgenomen dat ruimtelijke plannen (waaronder omgevingsplannen) die ter ,

,

,

Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit projectnummer 0490916. 101 5 januari 2026 revisie 09 Lelystad Zeuslaan 1 B. V.

inzage worden gelegd voorzien moeten zijn van een weging van het waterbelang. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de verschillende waterbeheerders. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=089563a0-300c-4885-ae44-aec25e371955