Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 15 Zienswijzennota_Geredigeerd
Tekst van het document
Omdat de riviercruiseschepen bijdragen aan het toeristisch profiel van Bataviakwartier is een andere locatie dan de Bataviahaven geen geschikt alternatief. De betreffende afbeeldingen maken ook inzichtelijk dat de afgemeerde riviercruiseschepen de ingang naar Bataviahaven niet verkleinen of onoverzichtelijk maken. De overlast vanuit wachtende touringcars wordt verminderd door de beoogde verandering van de verkeerscirculatie binnen Bataviakwartier. Omdat Schoonzicht/Oostvaardersdijk ter plaatse van Bataviahaven voor autoverkeer wordt afgesloten kunnen de touringcars alleen nog via de Lelybaan de opstelplaatsen bereiken.
29
Zienswijze 9: Klimaatadaptatie In het ontwerpbestemmingsplan wordt weinig aandacht besteed aan klimaatadaptatie. Het is onaanvaardbaar dat: - buitendijkse ontwikkelingsmogelijkheden in het ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen in de wetenschap dat die een bedreiging vormen voor de waterveiligheid in het Markermeergebied; - het voorliggende ontwerpbestemmingsplan toch buitendijkse ontwikkelingsmogelijkheden biedt die de zoetwaterbuffer nog eens met 35 ha verkleinen voor woningbouw. In het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt onderzoek en motivering voor de aanname dat het Bovenwater kan worden benut ter compensatie van het gedeeltelijke verlies van de functie van zoetwaterbuffer van het Markermeer. (Rechts)persoon 11 veronderstelt dat het College denkt, door haast te maken om de plannen ruimtelijk te borgen, een beroep gedaan kan worden op de status van ‘vergevorderd plan’ om op die manier nog onder de reeds aangekondigde verscherpte regels voor buitendijkse bouwen in het Markermeer uit te komen. Dit lijkt uitgesloten aangezien het ontwerp van het plan voor de buitendijkse ontwikkelingen niet vóór publicatie van de Kamerbrief Water Bodem Sturend d.d. 25-11-2022 reeds ter inzage is gelegd. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste zoals genoemd in de Kamerbrief Buitendijks bouwen in het Markermeer en IJsselmeergebied d.d 5-10-2023.
Reactie gemeente: Dit aspect van waterbergingcapaciteit en zoetwaterbuffer is in het MER uitgebreid onderzocht. Vastgesteld is dat er geen sprake is van een merkbaar effect. Dat komt omdat de omvang van 35 ha ten opzichte van de totale omvang van het Markermeer zijnde 70.000 ha buitengewoon klein is. Nu de landaanwinning wordt gemaximaliseerd tot 23,5 ha is het theoretisch effect nog kleiner. Het Ministerie van Infrastructuur en
30
Waterstaat heeft bevestigd een landaanwinning ter grootte van 23,5 ha past binnen haar beleid. 2.2.12.
(Rechts)persoon 12
Zienswijze is gelijk aan ingediende zienswijzen, opgenomen als nummer 7 2.2.13.
(Rechts)persoon 13
Zienswijze 1 De scheiding cq. afstand tussen de nieuwbouwplannen en het Werkeiland Noord acht (rechts)persoon 13 onvoldoende. De dienstwoningen worden in deze schaalgrootte overschaduwd door de tegenoverliggende flats. Hier gaat het om de herkenbare en te nadrukkelijk scheiding tussen het cultuurhistorisch erfgoed (Werkeiland) en de eigentijdse nieuwbouw (New Town). Allereerst is herbezinning op locatie en hoogte- en volumeverhouding van deze nieuwbouw ten opzichte van de dienstwoningen noodzakelijk. Reactie gemeente: De gemeente erkent dat er zeker een spanningsveld is tussen de bestaande bebouwing van het werkeiland en de beoogde nieuwbouw. De gemeente beoogt het contrast tussen beide te benutten voor een nieuwe identiteit met respect voor de bestaande identiteit van het werkeiland maar erkent dat de onderlinge afstand ten aanzien van de hoogste bebouwing te klein was. Naar aanleiding van de zienswijze is de afstand vergroot door wooncluster 4 ca. 175 meter op te schuiven in noordoostelijke richting. Daarnaast is opgenomen in de Regels dat sprake moet zijn van een oplopende bouwhoogte. Zienswijze 2 Het getoonde plan heeft door basis en hoogte een zeer indrukwekkend volume waarbij het westelijk deel van de dienstwoningen op het Werkeiland zich alleen al in hoogte tenminste met factor 1:7 verhoudt tot de voorgenomen bebouwing.
In volume uitgedrukt wordt het Noordelijke ensemble Gemeentelijke Monumenten verpletterd en verliest daarmee haar identiteit. Deze problematiek bestaat ook bij de woningen van het aan de overzijde gelegen houten kamp, eveneens Gemeentelijke Monumenten. Reactie gemeente: Zie antwoord op zienswijze 1. 2.2.14.
(Rechts)persoon 14
Zienswijze 1 Deelplan Bataviakwartier (Rechts)persoon geeft aan dat in 2022 werd bekendgemaakt, dat de eerder op het Werkeiland gebouwde Cantine, welke later als replica werd gebouwd op het terrein aangrenzend aan Batavialand, uiterlijk in 2027 moet wijken voor uitbreiding van Batavialand. Ook werd er weer een restaurant in gevestigd. Welke gevolgen dit voor de replica heeft is nog ongewis. Tegen deze onduidelijkheid wordt bezwaar gemaakt. Openheid mag worden verwacht aangaande een afweging hoe wenselijk, zinvol en budgettair haalbaar een terugkeer naar het Werkeiland is. Terug in de schoonheid van
31
haar oervorm. Belangrijk is het geïnformeerd te worden of en in hoeverre dit onderwerp aan de orde is (geweest) en tot welke status dit heeft geleid. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan doet geen uitspraken over het al dan niet moeten wijken van de Cantine. De Cantine ligt binnen het bestemmingsvlak ‘Recreatie – Batavialand’. Onder regie van Provincie Flevoland is in samenwerking met Batavialand en Gemeente Lelystad gewerkt aan de planvorming. Uit de resultaten blijkt dat de Cantine opgenomen wordt in de nieuwe plannen. Besluitvorming over een eventuele terugkeer naar het werkeiland is dan ook niet aan de orde. Zienswijze 2 Deelplan Meerdijkhaven 3 De scheiding cq. afstand tussen deelplan 3 en het Werkeiland Noord is onvoldoende. De dienstwoningen worden in deze schaalgrootte overschaduwd door de tegenoverliggende flats. Hier gaat het om de herkenbare en te nadrukkelijk scheiding tussen het cultuurhistorisch erfgoed (Werkeiland) en de eigentijdse nieuwbouw (New Town). Herbezinning op locatie en hoogte- en volumeverhouding van deze nieuwbouw ten opzichte van de dienstwoningen wordt noodzakelijk geacht. Reactie gemeente: Er is zeker een spanningsveld tussen de bestaande bebouwing van het werkeiland en de beoogde nieuwbouw. De gemeente beoogt het contrast tussen beide te benutten voor een nieuwe identiteit met respect voor de bestaande identiteit van het werkeiland.
Een groot contrast tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ kan stedenbouwkundig en landschappelijk grote meerwaarde hebben. De gemeente deelt de zienswijze niet dat er tussen werkeilandNoord en wooncluster 3 een grotere afstand noodzakelijk is maar wel dat bij de nadere planuitwerking aandacht moet zijn voor een goede ruimtelijke inpassing van het werkeiland. Zienswijze 3 Deelplan Meerdijkhaven 3 (Rechts)persoon 14 vindt dat het Werkeiland Noord teruggebracht moet worden in de oorspronkelijke vorm en uitvoering. Dit betekent een ontwikkeling naar de vergelijkbare situatie uit het verleden, zoals het Werkeiland Zuid. Dan worden de daar bestaande peilverschillen, zoals de peilhoogte IJsselmeerbodem en de andere hoogten en afstanden gerespecteerd. Zo wordt het bestaan als deel van het gehele Werkeiland bevestigd. Vele foto's en tekeningen geven deze situatie aan. Transparantie en herkenning ontstaat tussen Erfgoed en 21e-eeuws plan. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan is globaal van karakter en bepaalt niet de exacte hoogteliggingen. Bij de nadere uitwerking in inrichtingsplannen zal het herkenbaar markeren van de begrenzing van het Werkeiland Noord worden meegenomen. Het over aanzienlijke delen afgraven van het latere zanddepot staat op gespannen voet met de ontstane natuurwaarden in deze hoek. Een maatwerkoplossing moet t.z.t. uitkomst bieden. Zienswijze 4 Deelplan Meerdijkhaven 4
32
Het getoonde plan heeft door basis en hoogte een zeer indrukwekkend volume. Het westelijk deel van de dienstwoningen op het Werkeiland verhoudt zich alleen al in hoogte tenminste met factor 1:7 tot de voorgenomen bebouwing op Plan 4. In volume uitgedrukt wordt het Noordelijke ensemble Gemeentelijke Monumenten verpletterd en verliest daarmee haar identiteit. Deze problematiek bestaat ook bij de aan de overzijde gelegen houten dienstwoningen, eveneens Gemeentelijke Monumenten. Een alternatieve locatie voor de bebouwing van Plan 4 of een gewijzigd ontwerp van het bouwplan kan dit oplossen. De markering van de afronding van Meerdijkhaven op schiereiland 4 vraagt om duidelijkheid in een alternatieve oplossing. Een markering met een balans tussen indrukwekkende en subtiele vorm. Zichtbaar voor wandelaars en fietsers op het gehele Kustplan 1,2,3, het autoverkeer op de Houtribweg, watersporters vanaf het Markermeer en bewoners en bezoekers van het Werkeiland. Reactie gemeente: De gemeente erkent dat er zeker een spanningsveld is tussen de bestaande bebouwing van het werkeiland en de beoogde nieuwbouw. De gemeente beoogt het contrast tussen beide te benutten voor een nieuwe identiteit met respect voor de bestaande identiteit van het werkeiland maar erkent dat de onderlinge afstand ten aanzien van de hoogste bebouwing te klein was.
Naar aanleiding van de zienswijze is de afstand vergroot door wooncluster 4 ca. 175 meter op te schuiven in noordoostelijke richting. Daarnaast is opgenomen in de Regels dat sprake moet zijn van een oplopende bouwhoogte.
Zienswijze 5 (Rechts)persoon 14 is van mening dat het definitief maken van de Erfgoedstatus voor het totale Werkeiland Noord en Zuid niet alleen essentieel voor het eiland zelf is, maar ook voor het Kustplan Waterfront als exponent van Lelystad als New Town. Hiertoe dienen de resterende 'ontwikkellocaties' gewijzigd te worden in erfgoedbestemming. Reactie gemeente: Het werkeiland valt buiten de begrenzing van het bestemmingsplan. 2.2.15.
(Rechts)persoon 15
Zienswijze 1 (Rechts)persoon 15 uit haar zorg over de groenstrook. Deze zou wildgroei opleveren en totaal onnodig is zoals uitgelegd wordt in de brief. Daarnaast worden grote problemen voorzien met de verontdieping, waar vegetatiegroei wordt verwacht dat niet onderhouden zal worden, ongecontroleerd zal groeien en het uitzicht kwalitatief zal verminderen. Verwezen wordt naar de Oostvaardersplassen waar ze het waterpeil hebben verlaagd en veel rietkragen en andere vegetatie de kans krijgen om te groeien. Reactie gemeente: De gemeente beseft dat beheer en onderhoud essentieel is in het behouden van kwaliteit en om ongewenste situaties tegen te gaan. Natuurlijke vegetaties, zoals rietkragen en andere vegetaties, zijn wel plaatselijk gewenst bijvoorbeeld om dicht bij bewoning het gebruik als strand tegen te gaan, terwijl op andere plaatsen het vrijhouden van vegetatie belangrijk is. Na vaststelling van het bestemmingsplan maar voorafgaand aan de uitvoering zal een inrichtingsplan worden opgesteld waar in meer detail de beoogde inrichting wordt vastgesteld. 33
Zienswijze 2 In strijd met Kustvisie 2030 (Rechts-)persoon 15 geeft aan dat voor dit project de vastgestelde Kustvisie 2030 beleidskader is. In deze breed gedragen visie was een volwaardig recreatiestrand geprojecteerd op een schiereiland ter hoogte van de Houtribsluizen en niet voor de Saerdam. Langs de Saerdam (als verbinding tussen het Bataviakwartier en Meerdijkhaven) was de aanleg van een ‘Suyderseeboulevard’ voorzien voor wandelaars en fietsers zonder strand of vooroever. Dit plan werd door bewoners van de Saerdam omarmd. Het voorliggende plan lijkt volgens (rechts-)persoon 3 op geen enkele manier op deze Kustvisie 2030. Reactie gemeente: De Kustvisie 2030 is een document op een abstracter niveau dan dit bestemmingsplan. In de Kustvisie is opgenomen dat dit gedeelte van de kust zich richt op vrijetijdsbesteding, recreatie op water én land in combinatie met bijzondere woonmilieus nabij water. De nadere planuitwerking heeft er toe geleid dat een strand noodzakelijk is gebleken om de beoogde doelen te behalen aanvullend op wat in de Kustvisie stond beschreven. Zienswijze 3 Overlast horeca en sanitair Volgens de plannen zouden er bouwwerken t.b.v. de horeca en sanitair kunnen worden toegestaan. De hoogte van overige bouwwerken, zijnde geen gebouwen zoals lichtmasten kunnen zelfs 15 meter hoog worden.
Door de opening van horeca toe te staan, overdag en ’s avonds jaarrond, verwacht (rechts-)persoon 15 dat de overlast veroorzaakt door menselijke aanwezigheid in het gebied en de aantrekkingskracht voor (hang)jongeren, waarschijnlijk tot laat in de avond zeer groot zal zijn. Reactie gemeente: Deze zienswijze nemen we niet over vanwege het belang van (de voorzieningen voor) het strand voor de stad en nieuwe bewoners van Meerdijkhaven. Het zal hier niet toegestaan zijn horeca in de avond te openen, enkel horeca ter ondersteuning van het strandgebruik zal toegestaan zijn. De afstand tot de bestaande bewoning is ruim 300 meter waardoor verwacht mag worden dat de overlast voor bewoners langs de Saerdam beperkt zal zijn. De gemeente kan zich vinden in de zienswijze met betrekking tot de hoge lichtmasten en wijzigt de planregels zodanig dat lichtmasten niet zijn toegestaan. Zienswijze 4 Overlast strand Omdat in het plan wordt aangegeven dat in het ‘Voorkeursalternatief’ de geplande aanlanding voor strand, danwel parkachtige omgeving iets meer richting Meerdijkhaven is opgeschoven, dit is gedaan vanwege de zorgen van bewoners van de Saerdam voor mogelijke overlast. Daarmee wordt, volgens (rechts-)persoon 15, erkend dat door aanleg van strand overlast voor bewoners is te verwachten.
Door deze aanpassing zijn echter de zorgen voor de gevreesde overlast door onder andere geluid en zwerfafval nog lang niet weggenomen. Reactie gemeente De gemeente erkent dat elke mogelijkheid waar grotere aantallen mensen samen kunnen komen, kan leiden tot overlast voor anderen. Omdat het belang van recreatie voor het 34
woonplezier en gezondheid groot is, is dit voor de gemeente geen aanleiding om er van af te zien. Wel zullen deze en andere overlast gevende aspecten bij de nadere planuitwerking de volledige aandacht van de gemeente hebben zodat de kans op overlast zo veel als mogelijk wordt beperkt. Zienswijze 5 Geschikte stranden te ver weg en binnendijkse stranden onbruikbaar In het plan wordt betoogd dat alle binnendijkse stranden in Lelystad zomers onbruikbaar zijn door de slechte waterkwaliteit (blauwalg) en dat geschikte buitendijkse stranden in Almere en Trintelhaven te ver weg liggen. Deze bewering is volgens (rechts-)persoon 15 onvolledig aangezien de dichtbij gelegen stranden bij Houtribhoek en het Watersportstrand bij de sluizen onvermeld zijn gebleven. Deze populaire stranden, waar voorzieningen aanwezig zijn, worden veel gebruikt. Door verontdieping in geval van aanleg van een strand voor de Saerdam en (semi)afsluiting van het zwemwater ter plaatse wordt het risico op blauwalg en waterplantengroei sterk vergroot. De kans op het onbruikbaar worden van het beoogde strand en zwemwater is daardoor niet denkbeeldig.
Door het bestemmingsplan aan te passen overeenkomstig de Variant ‘Geen strand voor Saerdam’ wordt dat risico vermeden en kunnen inwoners vanaf de bestaande steigers blijven zwemmen om verkoeling te zoeken Reactie gemeente: Het Houtribhoekstrand is te klein en te ver afgelegen van het zwaartepunt van de stad en het Watersportstrand is niet geschikt voor grote aantallen strandbezoekers vanwege de strijdigheid met het gebruik door de watersporters. De zorg voor blauwalg en waterplantengroei is reëel maar ook goed oplosbaar door de juiste inrichting. Het belang van een goede waterverversing en voldoende diepte wordt volledig erkend en zal ook deel uitmaken van het uiteindelijke inrichtingsplan. Zienswijze 6: Gezondheid De Suyderseeboulevard biedt een volstrekt uniek uitzicht op de scheepvaart. Deze beleving is een ‘unique seliingpoint’ dat nergens anders in Lelystad zo te ervaren is! Reactie gemeente: Het unieke uitzicht op de scheepvaart verhoogt inderdaad de belevingswaarde van het Waterfront. Met het Bestemmingsplan wordt de mogelijkheid gecreëerd deze beleving te intensiveren omdat de mogelijkheid ontstaat om nog aanzienlijk dichter bij de scheepvaartroute te wandelen. Tegelijkertijd blijft het zicht op de scheepvaart vanaf de bestaande dijk intact.
Zienswijze 7: Effecten als gevolg van werkzaamheden door landaanwinning In het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat heel veel zand nodig is voor de aanleg van Meerdijkhaven en de stranden en voorlanden voor de Saerdam in geval van het 'Voorkeursalternatief’. Bij harde wind en storm, meestal uit het westelijke kwadrant, is het risico van schade aan de gevel, ramen en schuifpuien van het appartement zeer groot door verstuiving van zand. Deze risico’s zijn volgens (rechts-)persoon 15 niet meegewogen.
35
Reactie gemeente: De gemeente erkent dat zeker in de eerste jaren verwacht mag worden dat overlast ontstaat door verstuivend zand. Bij de nadere uitwerking zullen maatregelen getroffen moeten worden om de overlast zo veel mogelijk te beperken. Bij vergunningverlening voor realisatie van de woongebieden zullen maatregelen hiervoor opnieuw worden gemotiveerd. Zienswijze 8: Alternatieve locaties om draagkrachtige inwoners aan te trekken In het ontwerpbestemmingsplan wordt aangegeven dat er geen alternatieve locaties binnendijks zijn om draagkrachtige inwoners aan te trekken. Deze stelling is verder niet onderzocht en wordt ook niet onderbouwd. Wijken als Hollandse Hout, Golfpark en delen van Warande laten zien dat ook binnendijks wijken gebouwd kunnen worden om draagkrachtige inwoners aan te trekken. Bataviahaven was ook gericht op het aantrekken van draagkrachtige inwoners. Helaas is het originele plan met opvallende architectuur slechts voor 1/5 deel gerealiseerd. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan stelt niet dat er geen andere locaties in Lelystad zijn om draagkrachtige inwoners te huisvesten. Het stelt wel dat het Waterfront essentieel is om (voldoende) draagkrachtige inwoners aan te trekken. Het Waterfront zal significant bijdragen aan een positievere uitstraling van Lelystad.
Ook stelt het bestemmingsplan dat een deel van deze draagkrachtige inwoners ook binnen het Waterfront een nieuwe woonplek kunnen vinden. Zienswijze 9: Cruiseschepenhaven In het ontwerpbestemmingsplan wordt de aanleg van een cruiseschepenhaven mogelijk gemaakt aan de buitenkant van Bataviahaven voor circa 10 riviercruiseschepen. Deze schepen hebben veelal de maximale lengte van 135 meter afgestemd op de sluisgrootte op de Europese rivieren. Als een riviercruiseschepenhaven aan de buitenzijde van Bataviahaven wordt gerealiseerd zal het uitzicht van bewoners aan die zijde van de Saerdam in tegenstelling tot wat in het ontwerpbestemmingsplan wordt beweerd, wel degelijk significant kwalitatief verminderen. De grote gevolgen die het ligplaats innemen op die locatie op het uitzicht van de bewoners van de Saerdam zal hebben, is ook vastgesteld in de conclusies en aanbevelingen van Rapport Smets, (januari 2023). Deze schepen zullen immers een muur vormen van circa 135 meter lengte voor de huizen en daarmee het huidige uitzicht van die bewoners op het open water belemmeren. Bovendien komen en gaan de cruiseschepen op willekeurige momenten en vaak in de avond en nacht. Bij het aan- en afmeren worden (voor de veiligheid) felle schijnwerpers gebruikt, die overlast veroorzaken door zeer hinderlijk in woonkamers en slaapkamers te schijnen van de woningen aan de Saerdam.
Niet alleen de lichthinder, maar ook de verkeersoverlast, veroorzaakt door komen en gaan van touringcars zal verder toenemen. De in het ontwerpbestemmingsplan aangegeven locatie is derhalve zeer slecht gekozen en zou naar de mening van (rechts)persoon 15 veel beter naar de noordzijde van de sluis kunnen worden verplaatst, zoals al eerder aangegeven. Ook nautisch ontstaat een onwenselijke situatie. De ingang naar Bataviahaven wordt immers door aanleg van een cruiseschepenhaven verkleind en veel minder overzichtelijk,
36
waardoor bij in- en uitvarende scheepvaart het risico van aanvaringen en ongelukken zal toenemen. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan beoogt niet meer afvaarten van riviercruiseschepen te bewerkstelligen maar om ruimte te bieden aan oplossingen die leiden tot minder overlast voor bewoners. In het MER (Deel B, blz. 151 en blz 235) zijn afbeeldingen opgenomen waar de betreffende afmeervoorziening was gedacht (zie onderstaande afbeeldingen). Zichtbaar is dat de afstand tot de bestaande bewoning sterk toeneemt waardoor ook de hinder afneemt. Dit geldt in versterkte mate indien telkens bij voorkeur de meest noordelijke vrije ligplaats wordt ingenomen. Door de verdraaiing ten opzichte van de huidige afmeervoorziening is onder de meeste weercondities de aankomst en vertrek eenvoudiger waardoor minder lang sprake is van motorgeluid. De exacte oriëntatie wordt in het kader van een inrichtingsplan en bijbehorende vergunningen bepaald waarbij nautische aspecten en hinderaspecten worden afgewogen. Omdat de riviercruiseschepen bijdragen aan het toeristisch profiel van Bataviakwartier is een andere locatie dan de Bataviahaven geen geschikt alternatief. De betreffende afbeeldingen maken ook inzichtelijk dat de afgemeerde riviercruiseschepen de ingang naar Bataviahaven niet verkleinen of onoverzichtelijk maken.
De overlast vanuit wachtende touringcars wordt verminderd door de beoogde verandering van de verkeerscirculatie binnen Bataviakwartier. Omdat Schoonzicht/Oostvaardersdijk ter plaatse van Bataviahaven voor autoverkeer wordt afgesloten kunnen de touringcars alleen nog via de Lelybaan de opstelplaatsen bereiken.
37
Zienswijze 10: Klimaatadaptatie In het ontwerpbestemmingsplan wordt weinig aandacht besteed aan klimaatadaptatie. Het is onaanvaardbaar dat: • buitendijkse ontwikkelingsmogelijkheden in het ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen in de wetenschap dat die een bedreiging vormen voor de waterveiligheid in het Markermeergebied; • het voorliggende ontwerpbestemmingsplan toch buitendijkse ontwikkelingsmogelijkheden biedt die de zoetwaterbuffer nog eens met 35 ha verkleinen voor woningbouw. In het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt onderzoek en motivering voor de aanname dat het Bovenwater kan worden benut ter compensatie van het gedeeltelijke verlies van de functie van zoetwaterbuffer van het Markermeer. (Rechts)persoon 15 veronderstelt dat het College denkt, door haast te maken om de plannen ruimtelijk te borgen, een beroep gedaan kan worden op de status van ‘vergevorderd plan’ om op die manier nog onder de reeds aangekondigde verscherpte regels voor buitendijkse bouwen in het Markermeer uit te komen. Dit lijkt uitgesloten aangezien het ontwerp van het plan voor de buitendijkse ontwikkelingen niet vóór publicatie van de Kamerbrief Water Bodem Sturend d.d. 25-11-2022 reeds ter inzage is gelegd. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste zoals genoemd in de Kamerbrief Buitendijks bouwen in het Markermeer en IJsselmeergebied d.d 5-10-2023.
Reactie gemeente: Dit aspect van waterbergingcapaciteit en zoetwaterbuffer is in het MER uitgebreid onderzocht. Vastgesteld is dat er geen sprake is van een merkbaar effect. Dat komt omdat de omvang van 35 ha ten opzichte van de totale omvang van het Markermeer zijnde 70.000 ha buitengewoon klein is. Nu de landaanwinning wordt gemaximaliseerd tot 23,5 ha is het theoretisch effect nog kleiner. Het Ministerie van Infrastructuur en 38
Waterstaat heeft bevestigd een landaanwinning ter grootte van 23,5 ha past binnen haar beleid.
2.2.16.
(Rechts)persoon 16
DEEL A Brief Zienswijze 1 Participatieproces (Rechts)persoon 16 merkt op dat de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen beschrijving van het doorlopen participatieproces uiterst summier is. Zo wordt gesteld dat tussen november 2022 en mei 2023 15 bijeenkomsten zijn georganiseerd om belanghebbende partijen en omwonenden te betrekken, maar niet wordt toegelicht welke inspraak deze belanghebbenden en omwonenden hebben geleverd en op welke wijze deze inspraak is verwerkt bij het vaststellen van het bestemmingsplan. Daarnaast wordt op geen enkele wijze beschreven op welke wijze het waterschap (of andere overheden ) bij de vaststelling van het bestemmingsplan zijn betrokken. Reactie gemeente: Deze zienswijze wordt overgenomen. In het definitieve bestemmingsplan is het participatieproces uitgebreider toegelicht. De vaststelling van het bestemmingsplan is de bevoegdheid van de gemeenteraad. Andere overheden hebben hier geen formele betrokkenheid bij. Zienswijze 2 Samenwerking (Rechts)persoon 16 geeft aan dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat er sprake is van nauwe samenwerking tussen het waterschap en de gemeente over het aspect waterveiligheid (zie bijv.
§2.3 MER en bijlage A2 bij hoofdrapportdeel A) en dat (rechts)persoon 16 zou kunnen instemmen met het bestemmingsplan en de door de gemeente gekozen voorkeursvariant, waarvan de profielen in opdracht van de gemeente zijn opgesteld. Eerder is een zienswijze ingediend op de NRD, maar in de tabel bij de reactienota wordt deze zienswijze niet expliciet besproken. Uit onder meer de in bijlage 1 bij deze zienswijze gemaakte opmerkingen bij het VKA, blijkt dat het VKA minder rooskleurig behoort te scoren dan de gemeente doet voorkomen. Het MER kan in onze visie reeds daarom niet aan het bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. In de reactienota vooroverleg (bijlage 13) wordt het waterschapsadvies ook zeer summier behandeld. Voornoemde in de plantoelichting bij het bestemmingsplan opgenomen beschrijving van het doorlopen participatieproces is in strijd met de door de gemeenteraad en het college op 23 november 2021 vastgestelde 'visie op participatie', waarin het participatiebeleid van de gemeente is vastgelegd (hierna: 'participatiebeleid'). Reactie gemeente: Ambtelijk hebben 10 overleggen plaatsgevonden tussen medewerkers van (rechts)persoon 16 en de gemeente over het raakvlak van hoogwaterbescherming en de ontwikkeling van het Waterfront. Uiteraard hebben alle ambtelijke vertegenwoordigers aangegeven dat hun inbreng niet gezien mag worden als instemming omdat dat is 39
voorbehouden aan de betreffende bestuurders. De ambtelijke overleggen hebben evenwel ook geleid tot aanpassing en aanscherping van het ontwerpbestemmingsplan. Voorbeelden hiervan zijn: • Dijkverlegging i.p.v. buitendijks bouwen ter plaatse van Meerdijkhaven. In de oorspronkelijke opzet was beoogd om het huidige dijktracé te handhaven en de landaanwinning als buitendijks gebied te realiseren, vergelijkbaar met de situatie in een deel van Zeewolde. Ambtelijk zijn alternatieven verkend waaronder een binnenwaartse en buitenwaartse dijkverlegging. Gekozen is om een buitenwaartse dijkverlegging op te nemen in de plannen omdat vanuit waterschap en Provincie veel waarde werd gehecht aan het principe dat alle inwoners worden beschermd tegen hoogwater door een primaire waterkering en dus niet buitendijks komen te wonen. Deze afweging is ook opgenomen in de beschrijving van de alternatieven in het MER. • Indicatief ruimtebeslag. In het bestemmingsplan (maar ook in het stedenbouwkundig plan) wordt het exacte ruimtebeslag van de (nieuwe) waterkering nog niet vastgelegd. Dit vindt plaats in een vervolgfase bij het verkrijgen van de vergunningen/projectplan waarbij waterschap Zuiderzeeland bevoegd gezag is.
Om bij de huidige planontwikkeling tot een realistisch beeld te komen van de mogelijkheden, zijn door HKV Lijn in Water indicatieve ontwerpen gemaakt en meerdere keren ambtelijk besproken. Zo was naar analogie van de maatvoering zoals is gehanteerd in Almere Duin vooralsnog een afstand van 25 meter aangehouden tussen de buitenkruinlijn en de permanente bebouwing. Dit is in dezelfde orde van grootte als het geval is bij Bataviahaven (24 meter) en Saerdam (33 meter). Naar aanleiding van de zienswijze zijn gesprekken gevoerd met rechtspersoon 16. In gezamenlijkheid is geconcludeerd dat er geen maatwerkoplossingen worden voorgestaan en dat de afstand tussen de bebouwing en buitenkruinlijn groter moet zijn aangezien rekening moet worden gehouden met een binnenbeschermingszone van gangbare breedte (20 m) die onbebouwd blijft. In de Verbeelding is zorggedragen dat er voldoende ruimte rondom de bestemmingsvlakken met wonen is aangehouden om een waterkeringen met gangbare breedtes te kunnen situeren. Wanneer uit de tekst de indruk ontstaat dat (rechts)persoon 16 ook heeft ingestemd met de door de gemeente voorgestelde voorkeursvariant dan spijt ons dat want dat is onjuist. Er is samengewerkt voor wat betreft uitwisseling van kennis en inzichten maar dat had ten tijde van de terinzagelegging nog niet geleid tot overeenstemming.
Het proces om tot overeenstemming en instemming te komen, was voorzien tussen het ontwerpbestemmingsplan en het definitieve bestemmingsplan. De gemeente heeft voor deze fase ruimschoots de tijd genomen (ca. 2 jaar). In een aantal processtappen is in gezamenlijkheid met mede-overheden nadrukkelijker stilgestaan bij diverse aspecten waaronder de nut en noodzaak van landaanwinning en het benodigde ruimtebeslag. Een en ander heeft geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Zo is de omvang van de landaanwinning gemaximaliseerd tot 23,5 hectare en is veel meer ruimte opgenomen voor de te verleggen primaire waterkering. Met betrekking tot het effectbeschrijving in het MER constateren wij dat de opmerkingen van (rechts)persoon 16, die zijn gemaakt in het kader van de NRD, wel zijn meegenomen in het MER maar dat de deskundigen die het MER hebben opgesteld de effecten anders beoordelen dan de deskundigen binnen het waterschap.
40
Zienswijze 3 Participatieproces in strijd met participatiebeleid (Rechts)persoon 16 stelt dat de in §8.2 van de plantoelichting bij het bestemmingsplan opgenomen beschrijving van het doorlopen participatieproces in strijd is met de door de gemeenteraad en het college op 23 november 2021 vastgestelde ‘visie op participatie’, waarin het participatiebeleid van de gemeente is vastgelegd (hierna: ‘participatiebeleid’). Uit pagina 6 van het participatiebeleid volgt dat het aan de gemeenteraad is om het kader voor participatie te stellen. Uit de plantoelichting volgt dat het college in strijd met bovenstaand kader heeft gehandeld omdat onduidelijk is hoe de input van participanten is meegenomen en is meegewogen in het participatieproces en in welke fase van het beleidsproces rekening is gehouden met participatie. (Rechts)persoon 16 stelt zich op het standpunt dat geen toepassing is gegeven aan genoemde randvoorwaarden uit het participatiebeleid. De belangen van zijn in onderhavige besluitvorming namelijk onvoldoende meegewogen. Reactie gemeente In paragraaf 8.2 van het ontwerpbestemmingsplan is het participatieproces samengevat en inderdaad (te) summier beschreven. In het vast te stellen bestemmingsplan zal e.e.a. uitgebreider worden toegelicht. De status van de ‘visie op participatie’ is een beleidsdocument en geen verordening.
De visie heeft betrekking op burgerparticipatie (bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties) en is aanvullend op de wettelijke vereiste inspraak en de gangbare praktijk dat overheden met elkaar overleg voeren en samenwerken. Het (burger)participatieproces is voornamelijk vormgegeven rondom het stedenbouwkundig (master)plan omdat dit plan veel concretere uitspraken bevat dan het bestemmingsplan. De resultaten daarvan zijn opgenomen op de gemeentelijke webpagina (https://www.lelystad.nl/waterfrontkust). Inbreng op het concept-stedenbouwkundig (master)plan is ook benut voor het ontwerpbestemmingsplan. Door beide plannen in de tijd ongeveer gelijk op te laten lopen, is de onderlinge wisselwerking en daarmee de beïnvloedingsmogelijkheid optimaal. Met het organiseren van 15 bijeenkomsten voor bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties, een raadpleging van bewoners, het voeren van tientallen overleggen (waaronder 10 ambtelijke overleggen met (rechts)persoon 16), verzamelen van zienswijzen op de NRD en het gevoerde vooroverleg Bro is ruimschoots invulling gegeven aan het participatiebeleid en aan de inspraakmogelijkheden. Wat met de inbreng is/wordt gedaan, wordt verantwoord in het (concept) stedenbouwkundig plan en in de reactienota die tegelijkertijd met het bestemmingsplan door de gemeenteraad zal worden vastgesteld.
Het ontwerpbestemmingsplan was dan ook niet de afronding van een (participatie)proces maar een tussenstap. Zienswijze 4 Waterbelangen Het waterschap is grondeigenaar van en verantwoordelijk voor de primaire waterkering 'Oostvaardersdijk'. Ruimtelijke ontwikkelingen op en rond de waterkering zijn daarom alleen mogelijk als het waterschap en de gemeente gezamenlijk komen tot een gedragen ontwerp. Dit belang lijkt de gemeente zelf ook te onderkennen gezien verschillende passages van de plantoelichting bij het bestemmingsplan. Uit de passages volgt samengevat: • dat een nauwe bestuurlijke samenwerking tussen de gemeente en het waterschap nodig is voor voorgenomen handelingen in het beheergebied van het waterschap en; 41
• dat het waterschap het bevoegd gezag is voor het borgen van de waterveiligheid. Op grond hiervan kan het waterschap zich geenszins verenigen met het voorlopig voorkeursalternatief dat aan het bestemmingsplan en het MER ten grondslag is gelegd. Het voorkeursalternatief in het MER en het bestemmingsplan is namelijk in strijd met het beleid voor primaire waterkeringen van het waterschap en in strijd met artikel 2.11.2 en 2.11.3 Barro. Reactie gemeente: Zoals (rechts)persoon 16 ook zelf citeert uit de stukken is het gemeentebestuur – als initiatiefnemer voor de gebiedsontwikkeling Waterfront Stedelijke Kust – zich zeer bewust dat bestuurlijke medewerking van het waterschap onontbeerlijk is voor het kunnen uitvoeren van maatregelen binnen het gebied waar het waterschap het bevoegde gezag is. Naar aanleiding van de zienswijze is de gemeente in overleg getreden met (rechts)persoon 16. Naar aanleiding hiervan is het plan voor zover betrekking hebbende op de primaire waterkering aangepast zodat er geen strijdigheid meer resteert met het waterschapsbeleid. Zienswijze 5 Striid met beleid primaire waterkeringen en oniuiste aannames over de primaire waterkerinq Het voorlopig voorkeursalternatief in de MER en de voorstellen voor de primaire waterkering in het bestemmingsplan is op een groot aantal punten en vergaand in strijd met ons beleid voor primaire waterkeringen.
De uitgangspunten en aannames die worden gebruikt voor de primaire waterkering zijn deels onjuist, onvolledig en onvoldoende onderzocht: a. Bebouwing en beplanting in de kernzone en binnenbeschermingszone zijn in strijd met ons beleid. b. Er is onvoldoende rekening gehouden met ruimtereserveringen voor toekomstige dijkversterkingen. c. De kernzone en binnenbeschermingszones worden verkleind. d. Er is geen rekening gehouden met de taken die het waterschap heeft op grond van de wettelijke zorgplicht voor de waterkering. Het gaat hierbij om beheer en onderhoud, inspectie, beoordeling aan de norm en toekomstige versterking. e. Het voorlopig voorkeursalternatief in de MER is gebaseerd op verkeerde aannames voor de waterkering. Een belangrijke verkeerde aanname is dat gesteld wordt dat de leidammen voldoen aan de normen voor waterveiligheid, terwijl dit niet het geval is. f. in de plantoelichting wordt meerdere keren aangegeven dat de gemeente met dit bestemmingsplan ook de in het kader van het HWBP benodigde dijkversterking al wilt regelen om te voorkomen dat het plangebied twee keer op de schop gaat. (Rechts)persoon 16 merkt op dat op de feiten vooruit gelopen wordt en wel op een manier die tot onomkeerbare situaties kan leiden. De nadere veiligheidsanalyse voor het HWBP-project moet nog plaatsvinden. Vervolgens zal in 2027 een verkenning plaatsvinden.
Gevreesd wordt dat daaruit zal volgen dat de in het bestemmingsplan voorziene reserveringen voor de primaire waterkering (artikel 25 planvoorschriften) en de vrijwaringszones( artikel 29.3 en 29.4 ) niet voldoende zullen zijn om de benodigde en/of toekomstige dijkversterking uit te voeren. Dat gaat ten koste van het borgen van de waterveiligheid. Daarbij valt op dat geen van 42
de onderzochte alternatieven of inrichtingsvarianten onderscheidend is op het punt van de waterveiligheid voor wat betreft de vorm waarop de waterkering wordt versterkt. Dat is bij dijkversterkingsprojecten wel gebruikelijk; g. de kernzone van de primaire waterkering is en blijft in eigendom van Waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap is ook verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van de waterkering. Bij aanpassing en/of verleggen van de primaire waterkering verwerven wij op basis van ons beleid de gewijzigde kernzone weer in eigendom. In het bestemmingsplan is onvoldoende rekening gehouden met het privaatrechtelijke belang van het waterschap bij het behoud van het eigendom van de gronden. Gevreesd wordt dat de gemeente gronden, die het waterschap later nodig heeft in verband met toekomstige dijkversterkingen, gaat aanwenden voor ontwikkelingen. Reactie gemeente: Zoals ook omschreven in paragraaf 7.1 dient het ontwerpbestemmingsplan niet te worden gezien als een strak en vaststaand ontwerp (ontwikkelingsplanologie) maar fungeert het eerder als een raamwerk waarbinnen andere partijen zelf de ruimte krijgen om invulling te geven aan een organische gebiedsontwikkeling (uitnodigingsplanologie). Ook ten aanzien van de primaire waterkering was de insteek van de gemeente om in het bestemmingsplan zoveel als mogelijk planologische ruimte te bieden aan maatwerkoplossingen.
De gemeente constateert aan de hand van de zienswijze dat de gekozen aanpak teveel onduidelijkheid genereert en ook niet kan rekenen op de steun van het waterschap. De gemeente heeft in overleg met (rechts)persoon 16 een oplossing gevonden voor een gedragen planologische borging van het waterschapsbelang en deze opgenomen in het definitieve bestemmingsplan. Het betreft het aanhouden van voldoende ruimte voor de waterkeringen en het opnemen van een voorwaardelijke verplichting dat in de vier woongebieden alleen gebouwd mag worden indien een primaire waterkering is gerealiseerd conform de vereisten van het waterschap. Het uitvoerde MER is een planMER. Zoals ook vermeld in par. 1.2.2 van het MER-deel A, is voor de daadwerkelijke realisatie nog een projectMER nodig. Het projectMER moet de aan te vragen hoofdvergunningen onderbouwen. Een deel van de aspecten die naar inzicht van (rechts)persoon 16 onvoldoende zijn onderzocht of gebaseerd zijn op veronderstelde onjuiste aannames hebben betrekking op de projectMER-fase. Zienswijze 6 Geen toekomstbestendiqe buitendilkse ontwikkelinq In het voorlopig voorkeursalternatief van de MER en in het bestemmingsplan is de gemeente van plan om woningen te bouwen in het Markermeer en op en rond een verlegde en gewijzigde primaire waterkering.
(Rechts)persoon 16 onderschrijft de uitgangspunten van de Kamerbrief 'Water en Bodem sturend' van 25 november 2022 ( Kamerstukken II, 2022 -2023 II, 27 625 en 30 015, nr. 592). Dat betekent dat het waterschap geen voorstander is van ontwikkelingen die nadelige effecten hebben op de zoetwatervoorraad in het IJsselmeergebied of op het beheer, onderhoud of toekomstige versterkingsmogelijkheden van de waterkering. Uit de plantoelichting blijkt dat de uitgangspunten uit deze Kamerbrief ondersteunt worden. Uit de plantoelichting blijkt dat het project Waterfront niet onder dit Rijksbeleid valt, omdat het project aangemerkt wordt als een project dat in een vergevorderd stadium zou zijn. Wij merken hierover op dat geen sprake is van een project in een vergevorderd 43
stadium. Het Rijksbeleid is onverkort van toepassing en de gemeente dient zich hier aan te houden. Verwezen wordt naar de Kamerbrief van 5 oktober 2023 (Kamerstukken II, 2023 -2024 II, 27 625 en 30 015, nr. 654 ). In deze Kamerbrief legt de Minister uit wanneer sprake is van een vergevorderd project in het buitendijkse IJsselmeergebied. Het project Waterfront is geen project waarvoor voor 25 november 2022 al een ontwerpbestemmingsplan of vergunning was verleend danwel ter inzage was gelegd. Evenmin is het een project waarover met het Rijk bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. Reactie gemeente: Over de status van het project Waterfront Stedelijke Kust is tussen het gemeentebestuur en het Ministerie van Verkeer en Waterstaat uitgebreid overleg gevoerd. Op basis van een daartoe ingericht proces is op 28 oktober 2025 in een Bestuurlijk Overleg tussen alle betrokken overheden geconcludeerd dat – mits de landaanwinning wordt beperkt tot 23,5 hectare – de landaanwinning past binnen het rijksbeleid. Het gemeentebestuur ondersteunt inderdaad de uitgangspunten van het Water en Bodem Sturend-beleid.
Essentieel is dat ruimtelijke ontwikkelingen zodanig worden uitgevoerd dat er zelfs met de meest extreme klimaatveranderingen er naar verloop van tijd geen spijt ontstaat ten aanzien van de keuzes die op korte termijn gemaakt moeten worden én dat geen sprake is van het afwentelen van problemen op anderen. Het MER toont ook aan dat ook vanuit een ‘worst case’ benadering de waterfrontontwikkeling geen negatieve impact heeft op de doelen die met Water en Bodem Sturend worden beoogd. In een recentere studie door Sweco wordt die conclusie onderschreven en van een nadere kwantitatieve onderbouwing voorzien. Aangetoond is dat er geen negatieve impact is op de zoetwatervoorraad en dat het theoretische waterveiligheidsverlies ruimschoots wordt gecompenseerd door de theoretische waterveiligheidswinst. Juist door de voorgestelde benadering van toepassen van golfremmend voorland in combinatie met forse overhoogte van de waterkering én de achterliggende bebouwing wordt geanticipeerd op toekomstige dijkversterkingsopgaven. Zienswijze 7 Watercompensatie in Bovenwater niet mogeliik In de MER en het bestemmingsplan wordt gesteld dat indien compensatie vereist is voor de vermindering van de zoetwatervoorraad in het Markermeer, het Bovenwater hiervoor in aanmerking kan komen.
Wij zijn van mening dat het Bovenwater niet als compensatie voor zoetwatervoorraad ingezet kan worden voor de afname aan waterbergend vermogen door landaanwinning. In het Bovenwater is voor peilverhoging onvoldoende ruimte beschikbaar. Ook moet nog bezien worden of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen. Reactie gemeente: In de kamerbrief van juli 2025 heeft de minister aan de tweede kamer laten weten dat de huidige regels van het BKL niet worden aangepast. Dat betekent dat er geen compensatieverplichting geldt voor de vermindering van het wateroppervlak. Aangezien er geen noodzaak is tot compensatie van waterberging is het eventueel benutten van het Bovenwater voor waterberging niet meer aan de orde. Zienswijze 8 In de plantoelichting wordt een aantal keren genoemd dat het voor de uitvoering van de ontwikkelingen uit het ontwerpbestemmingsplan nodig is dat het waterschap 44
publiekrechtelijke toestemmingen geeft, zoals een projectbesluit of een ontheffing (thans omgevingsvergunning voor een wateractiviteit). Gelet op het voorgaande en indachtig de waterschapstaken, geeft (rechts)persoon 16 aan dat op voorhand geen mogelijkheid wordt gezien de benodigde publiekrechtelijke toestemmingen te verlenen. Dat zou immers belemmeringen opleveren voor het onderhoud, de instandhouding en de versterking van de primaire waterkering en de waterkwaliteit. Ook is er op voorhand geen bereidheid om de voor de ontwikkelingen benodigde gronden van het waterschap over te dragen. Reactie gemeente: De gemeente heeft de bezwaren van (rechts)persoon 16 zeer serieus genomen en naar aanleiding van onderling overleg de plannen aangepast zodat er geen sprake meer is van strijdigheid met het waterschapsbeleid. DEEL B Bijlage 1 Ontwerpbestemmingsplan Zienswijze 1 (Rechts)persoon 16 verwijst naar bijlage13 (Reactienota vooroverleg) en stelt ten aanzien van de beantwoording voor 1A: Op dit moment is nog geen overeenstemming bereikt over de versterking van de primaire kering in samenhang met de gewenste ontwikkeling. Geconstateerd wordt dat geen voorwaarden in de regels zijn opgenomen ten aanzien hiervan, in tegenstelling tot wat in de beantwoording is toegezegd.
Reactie gemeente: Zoals in de Reactienota vooroverleg is aangegeven worden deze voorwaarden opgenomen in het definitieve bestemmingsplan, bijvoorbeeld als voorwaardelijke verplichting in de Regels. Zienswijze 2 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Toelichting, §3.2.1, bij 6 (Borgen van de waterveiligheid) en wenst een aanpassing van de 1e zin: “De primaire waterkering (Oostvaardersdijk) zorgt voor bescherming van het achterland, niet Waterfront.” Reactie gemeente: Deze is overgenomen. Zienswijze 3 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Toelichting, §3.2.2.1: Toevoegen zin: “Veel van de beschreven plannen passen niet binnen de waterveiligheidsregels (waterschapsverordening en beleid primaire waterkeringen).” Reactie gemeente: De toelichting wordt zodanig aangepast dat deze wel passen binnen de waterveiligheidsregels. Zienswijze 4 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Toelichting, §3.3, Oostvaardersdijk wenst men om te vormen naar fietspad. Ten aanzien hiervan wordt meegegeven dat medegebruik bespreekbaar is als het beheer en onderhoud van de primaire waterkering niet belemmerd wordt.
45
Reactie gemeente: De Oostvaardersdijk blijft bereikbaar voor motorvoertuigen voor beheer en onderhoud. Zienswijze 5 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Toelichting, §3.6: Het voorlopig voorkeursalternatief in de MER en de profielen voor de primaire waterkering in het ontwerpbestemmingsplan zijn op een groot aantal punten en vergaand in strijd met het beleid voor primaire waterkeringen. De uitgangspunten en aannames die worden gebruikt voor de waterkering zijn deels onjuist, onvolledig en onvoldoende onderzocht. a. 1e zin: het woord ‘hoogwater’ vervangen door ‘water’. De primaire kering beschermt het achterland niet alleen bij hoogwater maar altijd. b. Laatste zin 1e alinea: “Dit vereist nog nadere uitwerking.” vervangen door “Het voorliggende plan past niet binnen de gestelde uitgangspunten en eisen. De borging van de waterveiligheid dient nader uitgewerkt te worden.” c. De strekking/nuancering van volgende reactie verwerken: De basisfilosofie om uit te gaan van de luwte is prima. De leidammen voldoen echter niet aan de gestelde eisen. Het maken van een nieuwe waterkering gaat dus onder voorwaarde dat de leidammen ook voldoen. Het geheel; waterkering in combinatie met leidammen vormen dan de waterveiligheid. Dit is één optie. Andere optie is om de leidammen niet mee te rekenen, dit heeft een andere uitkomst en ontwerp. d.
Bij de nieuwe waterkering is geen grondverbetering ingetekend, wat wel als eis is meegegeven vanuit het waterschap. e. Het principe van bouwen in een ‘overlaging’ boven de kering is een niet onderbouwde veronderstelling welke ook niet ter inhoudelijke afstemming is voorgelegd aan het waterschap. f. Strijdigheid figuur 3.6: Binnen- en buitenbeschermingszones ontbreken en bebouwing is gelijk tegen de kernzone aan geprojecteerd. Grondverbetering onder de nieuwe waterkering ontbreekt. g. Strijdigheid figuur 3.7 en 3.8: Beplanting op de kernzone, talud kernzone is deels verticaal, kernzone is aanmerkelijk smaller dan standaard, bebouwing in de binnenbeschermingszone, binnenbeschermingszone (zonder maatvoering) is aanmerkelijk smaller dan de standaard van 20 m, buitenbeschermingszones ontbreken. Grondverbetering onder de nieuwe waterkering ontbreekt. h. In de figuren 3.7 en 3.8 eindigt de kernzone deels verticaal. Het waterschap hanteert een talud van (niet steiler dan) 1:3 tot aan de voormalige zeebodem, 4 m-NAP. i. Ter informatie: Bij aanleg van stranden is de waterkering niet meer te onderhouden vanaf het water, dit bemoeilijkt het beheer en onderhoud (tegen meerkosten). Reactie gemeente: a. Dit is overgenomen b. De toelichting is aangepast zodat het wel past binnen de regels van het waterschap. c.
De mogelijkheden om de primaire waterkering te verenigen met de integrale gebiedsontwikkeling zijn groter wanneer de leidammen weer voldoen. Daarom heeft deze oplossing de voorkeur van de gemeente. d. Wel of niet grondverbetering is een uitvoeringsaspect. Bij het bestemmingsplan worden uitvoeringsaspecten nog niet vastgelegd. Dat is aan de orde bij de vergunningverlening op basis van een projectMER waarbij de voor- en nadelen van alle uitvoeringsaspecten beoordeeld worden. e. Het principe van het toepassen van overlagingen is op zich een uitvoeringsaspect. Voor het bestemmingsplan volstaat het dat wordt gewaarborgd dat de nieuwe primaire 46
waterkering moet worden gerealiseerd conform de vereisten van het waterschap. Dit is middels een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. f. De figuren 3.6, 3.7 en 3.8 waren bedoeld als illustraties en hebben geen status. Vanwege de onbedoelde onduidelijkheid zijn betreffende illustraties weggelaten in het definitieve bestemmingsplan. g. Zie onder f. h. Zie onder f. i. Onderhoudsaspecten komen meer gedetailleerd aan de orde in vervolgfasen van het project. Het vertrekpunt is dat onderhoud vanaf het water moeten kunnen plaatsvinden. Zienswijze 6 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Toelichting, §5.9 (Waterparagraaf): Figuur 5.1: het deel milieucategorie 4.2 op het perceel van de AWZI Lelystad is niet op de kaart aangegeven. Reactie gemeente: Dit strookje was over het hoofd gezien. De afbeelding is aangepast. Zienswijze 7 (Rechts)persoon 16 verwacht dat de parkeervoorzieningen ten zuiden van de Houtribweg een compensatieopgave betekent die apart van de landaanwinning gerealiseerd moet worden. Reactie gemeente: Voor de parkeervoorzieningen is inderdaad binnendijkse watercompensatie aan de orde. Dit krijgt een plek in het inrichtingsplan. Zienswijze 8 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Regels: Art. 29.3.2 Bouwregels aanpassen: Hier staat nog “PM” onder c ten aanzien van de maximale bouwhoogte.
Reactie gemeente: Als maximale bouwhoogte had moeten worden opgenomen 2 m. Zienswijze 9 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Verbeelding: De zoneringen van de bestaande primaire waterkering zijn deels onvolledig en onjuist opgenomen. Gevraagd wordt deze te corrigeren volgens de op 22 augustus 2023 per email aangeleverde bestanden. Toelichting gevraagde correcties: Bataviahaven: a. Kernzone is niet breed genoeg rondom havenkom buitenzijde aan oostzijde (zie kaartje ‘Bataviahaven correcties dubbelbestemming en vrijwaringszones nodig’). b. Steiger in havenkom is geen kernzone maar valt binnen vrijwaringszone-dijk 2. Reactie gemeente: Deze zijn overgenomen.
47
Zienswijze 10 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Verbeelding: Zuidelijke leidam: aan zuidoostelijke punt en aan gehele noordwestelijke zijde ontbreekt de vrijwaringszone-dijk 1 (zie kaartje: ‘Zuidelijke leidam correcties vrijwaringszone dijk 1 nodig’). Reactie gemeente: Deze zijn overgenomen. Zienswijze 11 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Verbeelding: De buitenbeschermingszone buitenkant van de primaire waterkering dient buitendijks als vrijwaringszone-dijk 2 opgenomen te worden op de verbeelding, ook in de havenkom. Deze ontbreekt nu geheel. Reactie gemeente: Deze zijn overgenomen. Zienswijze 12 (Rechts)persoon 16 verwijst naar de Verbeelding: Het grote bouwvlak aan de noordzijde van het plangebied bij Bataviakwartier overlapt voor een groot deel met de kern- en binnenbeschermingszone van de primaire waterkering (zie afbeelding hieronder).
48
(Rechts)persoon 16 vraagt het bouwvlak zo aan te passen dat er geen overlap is met de dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering. De gewenste bebouwing is niet mogelijk in de kernzone (en alleen onder bepaalde voorwaarden in de binnenbeschermingszone). De bebouwing die met genoemd bouwvlak beoogd wordt is daarom ook strijdig met art. 25, waarbij de dubbelbestemming prioriteert. Reactie gemeente: Het motief van de gemeente om de hele dijkzone onder het bestemmingsvlak te laten vallen was om planologisch ruimte te bieden aan innovatieve oplossingen (bijvoorbeeld tijdelijke, verplaatsbare gebouwen en bouwwerken). Door de dubbelbestemming is zichtbaar gemaakt dat dergelijke gebouwen en bouwwerken alleen vergunbaar zijn wanneer ook het waterschap met betreffende oplossing in kan stemmen. De gemeente heeft echter geconstateerd dat de door de gemeente beoogde ontwikkeling langs de waterkant van Bataviakwartier momenteel niet kan rekenen op draagvlak bij waterschap en Rijkswaterstaat. Ze kiest er daarom voor om de voorgenomen verlevendiging van de boulevard in het definitieve bestemmingsplan nog niet in rechte mogelijk te maken maar om een proces met betreffende medeoverheden op te starten om gezamenlijk nader de mogelijkheden en onmogelijkheden te verkennen.
Dat betekent dat te zijner tijd een nieuwe planologische procedure moet worden doorlopen om de door partijen gezamenlijk gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
DEEL B Bijlage 1 Milieueffectrapportage Zienswijze 13 (Rechts)persoon 16 verwijst naar Hoogwaterveiligheid en morfologie – Hoogwaterveiligheid. (Rechts)persoon 16 stelt dat dit aspect opgenomen hoort te zijn bij de effecten van de eindsituatie. Ten opzichte van de bestaande situatie geldt voor de gewenste nieuwe primaire kering dat het risico op restzetting en ongewenste effecten op de stabiliteit groot is bij dit alternatief. In dit opzicht is sprake van een (naar verwachting sterk) negatief effect. Reactie gemeente: Hier is sprake van verschil van inzicht tussen de deskundigen van het waterschap en de opstellers van het MER. Rondom het Markermeer zijn veel waterkeringen zonder grondverbetering aangelegd zonder dat er zich risico’s voordoen/verwacht werden ten aanzien van restzetting en stabiliteitsproblemen. Zienswijze 14 (Rechts)persoon 16 verwijst naar Waterkwantiteit – Grondwaterhuishouding. a. De verwachting is dat voor dit aspect sprake is van een cumulatief negatief effect van twee kwelstromen, te weten: b. Voor de landaanwinning wordt de holocene deklaag verwijderd wat een blijvende toename van kwel tot gevolg heeft. Dit blijvende effect is niet neutraal maar negatief en dient nader te worden bepaald (grondwatermodelstudie). c.
Toevoegen als apart negatief effect (gevraagd wordt dit effect daarnaast ook toe te voegen voor Waterkwantiteit-Functioneren binnendijks watersysteem): Dit betreft een blijvende extra toename van kwel doordat het hemelwater dat op de landaanwinning valt voor 100% wordt geïnfiltreerd en geheel binnendijks wordt afgevoerd. Toelichting: Het bestaande watersysteem (kwelsloot en 49
kunstwerken) langs o.a. de Houtribweg is niet berekend op een extra aanvoer vanuit landaanwinning voor Meerdijkhaven. De toename van kwel dient middels onderzoek (grondwatermodelstudie) te worden gekwantificeerd om de extra belasting en daarvoor benodigde aanpassingen aan het binnendijkse watersysteem inzichtelijk te maken. De locatie en wijze van aanpassingen en eventueel benodigde compensatie wordt vooraf met het waterschap afgestemd. Op basis van de huidige informatie is nog niet aan te geven of het mogelijk is om het bestaande poldersysteem en de peilregulerende en waterafvoerende kunstwerken aan te passen. Uitgangspunt vanuit Water en Bodem sturend en klimaatontwikkeling is dat de belasting van het binnendijkse watersysteem niet toeneemt door de landaanwinning. Daarnaast lijkt het op basis van de huidige uitgangspunten van de gemeente voor de hand te liggen om direct naar rijkswater af te wateren. d. Ten aanzien van monitoring van alle verwachte binnendijkse effecten op de grondwaterhuishouding is het noodzakelijk om tijdig peilbuizen te plaatsen voor het vaststellen van de nulsituatie van het binnendijkse (grond)watersysteem. De metingen dienen minimaal één jaar voorafgaand aan de start van de werkzaamheden te worden gestart en geregistreerd en dienen door te lopen tot het moment dat de zandwinput is dichtgeslibd. e.
Ten aanzien van de voorgestelde wijze van compensatie voor de toename in verharding: In o.a. bijlage A1 ontbreekt een ruimtereservering voor waterberging. Uitgangspunt is dat 80% van het gebied wordt bebouwd. Aangetoond moet worden dat in de resterende ruimte voldoende groot is en op de juiste locaties komt te liggen om de doelstelling van berging en 100% infiltratie van hemelwater mogelijk te maken. Reactie gemeente: a. nvt b. In het voorlopig voorkeursalternatief is geen sprake van deklaagverwijdering ten behoeve van de landaanwinning en bij het alternatief met deklaagverwijdering betreft de deklaagverwijdering alleen de laag onder de kernzone van de verlegde dijk waarbij een deklaag van ca. 1 meter behouden blijft om inzijging tegen te gaan. Omdat in beide gevallen sprake is van een slecht doorlatende laag wordt geen sterke toename van kwel verwacht. f. In het MER is als ‘worst case’ het uitgangspunt gehanteerd dat de bestaande dijk helemaal wordt verwijderd waardoor het grondwater ter plaatse van de landaanwinning naar de dieper gelegen polder stroomt. Dit uitgangspunt is onjuist. Het onder water gelegen deel van de dijk blijft in takt, zo ook de waterscheiding. Het hemelwater op de landaanwinning wordt in principe afgevoerd richting het rijkswater waardoor het niet bijdraagt aan het binnendijkse waterbezwaar.
Als er in de huidige situatie sprake is van dijkse kwel dan zal deze kwelstroom eerder afnemen dan toenemen. a. Dit wordt opgenomen in het monitoringsplan. b. In het kader van de omgevingsvergunning wordt dit t.z.t. getoetst. Zienswijze 15 (Rechts)persoon 16 vraagt duidelijker onderscheid te maken tussen de binnendijkse en buitendijkse effecten voor de waterkwaliteit.
50
Reactie gemeente: Hier zal aandacht aan worden besteed bij de onderbouwing in de Toelichting op het bestemmingsplan. Zienswijze 16 In §5.4 wordt het tijdelijke effect van binnendijkse kwel door de zandwinning benoemd (bij Waterkwaliteit-Grondwaterkwaliteit, als neutraal). Deze hoort vanwege de tijdelijkheid niet in §5.4 en betreft een waterkwantiteits- én waterkwaliteitsaspect met licht negatieve effecten. Gevraagd wordt: a. deze te verplaatsen naar §6.2 en daar ook op te nemen als waterkwantiteitseffect voor Functioneren binnendijks watersysteem; b. deze in §6.2 ook op te nemen als waterkwaliteitseffect (toename zoutgehalte door brakke kwel) voor Grondwaterkwaliteit en Chemische Grondwaterkwaliteit en daarmee ontstaat ook een indirect effect op de Chemische en Ecologische oppervlaktewaterkwaliteit. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 17 Het verwijderen van de holocene deklaag voor de landaanwinning heeft blijvende effecten op de binnendijkse waterkwaliteit. In dit kader wordt gevraagd om in §5.4 toe te voegen: negatief blijvend effect voor onderdelen Grondwaterkwaliteit, Chemische oppervlaktewaterkwaliteit en Ecologische oppervlaktewaterkwaliteit door toename van het zoutgehalte.
Reactie gemeente: In het voorlopig voorkeursalternatief is geen verwijdering van de holocene deklaag voor de landaanwinning voorzien. Zie antwoord 14b. Zienswijze 18 Geluid-Industrielawaai: Eén na laatste zin schrappen. Bij de uitwerking in de toelichting van het bestemmingsplan is voor dit onderdeel al beoordeeld dat het verkleinen van de geluidszone niet nodig is. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd.
Zienswijze 19 Opmerkingen milieueffecten eindsituatie variant Grondverbetering onder nieuwe kering t.o.v. VVKA: Hoogwaterveiligheid en morfologie – Hoogwaterveiligheid: Ten opzichte van het VVKA geldt een sterk positief effect voor het risico op restzetting en ongewenste effecten op de stabiliteit van een nieuwe kering.
51
Reactie gemeente: zie reactie op zienswijze 13. Zienswijze 20 Het verwijderen van een extra deel van de holocene deklaag voor een zandcunet voor de kering geeft een extra toename van brakke kwelstroom naar binnendijks. Dit is een blijvend (sterk) negatief effect. Voor Waterkwantiteit – Grondwaterhuishouding is deze al opgenomen in het rapport maar dit effect heeft ook invloed op de aspecten Waterkwantiteit-Functioneren binnendijks watersysteem (meer kwel dat binnendijks wordt afgevoerd) en Waterkwaliteit: grondwaterkwaliteit, chemische oppervlaktewaterkwaliteit en ecologische oppervlaktewaterkwaliteit. Het verzoek is om deze nog toe te voegen aan §5.5. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Het benoemde effect kan worden gemitigeerd door een meter van de holocene deklaag achter te laten. Zienswijze 21 Opmerkingen milieueffecten realisatiefase overige varianten t.o.v. VVKA Toevoegen t.a.v. Zand van de markt: Bij deze variant is de verwachting dat de tijdelijke binnendijkse effecten van de zandwinning kleiner of nihil zijn omdat de zandwinning verder van de polder gelegen is.