Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 15 Zienswijzennota_Geredigeerd
Tekst van het document
Dit betreft Waterkwantiteit: Functioneren binnendijks watersysteem en Grondwaterhuishouding; Waterkwaliteit: Grondwaterkwaliteit, Chemische oppervlaktewaterkwaliteit en Ecologische grondwaterkwaliteit. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde aanpassing kan daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 22 Opmerkingen milieueffecten realisatiefase overige varianten t.o.v. VVKA Toevoegen Zand uit vaargeul: Bij deze variant is de verwachting dat de tijdelijke binnendijkse effecten van de zandwinning kleiner zijn omdat de zandwinning verder van de polder gelegen is. Dit betreft Waterkwantiteit: Functioneren binnendijks watersysteem en Grondwaterhuishouding; Waterkwaliteit: Grondwaterkwaliteit, Chemische oppervlaktewaterkwaliteit en Ecologische grondwaterkwaliteit. Reactie gemeente: De locatie ‘Zand uit vaargeul’ ligt dichter bij de polder dan de winlocatie van het voorlopig voorkeursalternatief. Zienswijze 23 In §3.3 op p. 19 en in §3.2.1 op p. 108 staat dat op Noordersluis bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan. Dit moet 4.2 zijn. 52
Reactie gemeente: De delen die binnen het plangebied liggen zijn maximaal milieucategorie 4.1. Buiten het plangebied is wel milieucategorie 4.2 aanwezig. Zienswijze 24 In §3.8 p. 26: Gevraagd wordt om een aanvulling voor klimaatadaptatie in lijn met de aanvulling die in de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 25 In §7.1.4 p. 72: In de 2e alinea wordt gesproken over ecologische waterkwantiteit, dit moet zijn ‘waterkwaliteit’. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 26 Opmerkingen op Bijlage A2, §1.2: Het rekenmodel is het vigerende. Bij de uitwerking dient steeds uitgegaan te worden van het vigerende rekenmodel. De verwachting is dat dit jaar een nieuw model komt. Reactie gemeente: De gemeente neemt hier kennis van. Opmerkingen op Bijlage A2, Zienswijze 27 §1.3: Er wordt door het Rijk gewerkt aan nieuwe hydraulische randvoorwaarden. Wanneer deze uitgeleverd worden dient hier gebruik van gemaakt te worden. Indien ze nog niet uitgewerkt worden moet een check gedaan worden op de verschillen.
Reactie gemeente: Het MER betreft een planMER. De nieuwe hydraulische randvoorwaarden zijn pas van belang bij het projectMER wanneer de dijkontwerpen worden getoetst. Zienswijze 28 §1.4: Uitgaan van een ontwerpperiode van 50 jaar is een keuze die nog gemaakt moet worden. I.v.m. onzekerheden of versterkbaarheid is het mogelijk een andere tijdsperiode te kiezen. Reactie gemeente: De gemeente is voornemens om een relatief lange planhorizon aan te houden om de kans op dijkverhogingen in de toekomst te verkleinen.
53
Zienswijze 29 §1.5: Overslagdebiet is een keuze. Uitgaan van 5 l/s/m is daarbij reëel. Reactie gemeente: Dit is conform het gehanteerde uitgangspunt. Zienswijze 30 §3: De havendammen/leidammen voldoen niet. Wat is het effect van de golven bij afwezigheid/falen van de dammen? Dit moet in de beschouwing en ontwerp worden meegenomen. Reactie gemeente: Ten tijde van het ontwerp (vervolgfase na de vaststelling van het bestemmingsplan) moet beoordeeld worden hoe om te gaan met het gegeven dat de leidammen in de huidige situatie niet voldoende standzeker zijn. Daarvoor zijn meerdere opties. Vooralsnog gaat het bestemmingsplan er van uit dat eerst de leidammen standzeker worden gemaakt voordat de dijkverlegging plaatsvindt. Zienswijze 31 §4: De onderbouwing bij bewering 2 is onduidelijk. Graag nader uitwerken. Reactie gemeente: Met de bewering “De waterkering is in de toekomst eenvoudiger aan te passen aan nieuwe inzichten en/of klimaatverandering” wordt bedoeld dat geen bestortingen of iets dergelijks nodig zijn om de golfbelasting op te vangen en dat zodoende relatief eenvoudig met verhoging van het grondlichaam de toename van maatgevende waterstanden kan worden opvangen. Zienswijze 32 §5: Over de analyse kan op dit moment geen beoordeling worden gegeven. Daarbij is alleen gekeken naar hoogte.
Reactie gemeente: De breedte is in die zin ook meegenomen omdat de fysieke ruimte is meegenomen die nodig is om tot betreffende hoogtes te komen bij gangbare taluds. Hoofdrapport deel B Zienswijze 33 §9.4.3, p. 133 en 134, Mitigerende en/of compenserende maatregelen, tekst nuanceren met volgende informatie: Wij zijn van mening dat het Bovenwater niet als compensatie voor zoetwatervoorraad ingezet kan worden voor de afname aan waterbergend vermogen door landaanwinning. Voor peilverhoging is onvoldoende drooglegging beschikbaar. Binnendijkse compensatie voor de zoetwatervoorraad mag niet ten koste gaan van ruimte voor waterberging inzake bestaande verhardingen. Ook moet nog bezien worden of de waterkwaliteit voldoet aan de eisen. Reactie gemeente: De gemeente had voor de mogelijkheid om het Bovenwater in te zetten, niet in gedachte om het peil te verhogen maar juist om het peil – als de betreffende calamiteit zich voordoet – te verlagen. Aangezien het Bovenwater 4x zo groot is als de beoogde 54
landaanwinning zou een verder uitzakken van het peil in het Bovenwater slechts maximaal een kwart betreffen van de waterschijf van het Markermeer die als zoetwatervoorraad wordt beschouwd. Bij de huidige waterschijf van 20 centimeter zou het betekenen dat het peil in de zomer 5 cm extra zou kunnen uitzakken wanneer de te compenseren hoeveelheid water vanuit het Bovenwater wordt ingezet om de Lage Dwarsvaart van extra water te voorzien die anders uit het Markermeer gehaald zou worden. Zienswijze 34 §9.5.2, ter informatie over voorkomen versnelde afvoer: Voor het bepalen van de compensatieopgave door toename van de verharding is het advies van (rechts)persoon 16 om uit te gaan van een bergingsnorm van 16,8% en tenminste een significant deel uit te voeren als oppervlaktewater. Voorstel is ook om de benodigde aanpassingen voor het binnendijkse watersysteem te realiseren in de benodigde compensatie. Reactie gemeente: Dit advies wordt betrokken bij het inrichtingsplan. Zienswijze 35 §9.6.3: a. Tabel 9-7: Grondwatermodelberekening van de Markerwadden wordt niet representatief geacht voor een vergelijking met Waterfront. Waterfont is van een dergelijke omvang dat die een specifieke berekening noodzakelijk maakt. b. P. 106/107, tekst bij ‘Landaanwinning Nieuwe woonwijk Meerdijkhaven en Bataviakwartier’: Zie ook de opmerking bij Hoofdrapport deel A.
Verwacht wordt een netto toename van de binnendijkse kwel door het VVKA. De beide effecten (100% infiltratie hemelwater én het verwijderen van de holocene deklaag) hebben elk afzonderlijk een toename van de binnendijkse kwel tot gevolg en het effect is daarom niet als neutraal te beoordelen. Reactie gemeente: a. De grondwaterberekeningen voor het Waterfront hebben – net zoals die voor de Marker Wadden – betrekking op de zandwinningen en niet op de landaanwinning zelf. De in 2014 beoordeelde omvang van zandwinning tbv Marker Wadden was per jaar tenminste een factor 3 groter dan wat nodig is voor Waterfront en daarnaast hield de zandwinning bij Marker Wadden meerdere jaren aan. In het planMER is door de vergelijking te maken met de MER-Marker Wadden zodoende een worst case beschouwd. In het projectMER zal ten behoeve van de zandwinning wel een specifieke grondwatermodelberekening worden gemaakt. b. Zie reactie zienswijze 14b. Zienswijze 36 Tabel 10.2: Voor de volledigheid wordt gevraagd toe te voegen: Beleid bouwen nabij primaire waterkeringen en Beleid primaire waterkeringen voor windmolens, kabels en leidingen en beplantingen van het waterschap. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. 55
Zienswijze 37 §10.3: a. 1e zin vervangen door tekstvoorstel: “Een belangrijk uitgangspunt voor het MER is dat als het Waterfront niet wordt ontwikkeld, Waterschap Zuiderzeeland een versterkingsopgave heeft. In de beginfase van het project wordt een variantenstudie gedaan waar bepaald wordt op welke wijze de waterkering weer aan de norm kan voldoen.” Toelichting: De waterkering is beoordeeld en voldoet niet aan de gestelde norm. Dit dijktraject staat op de HWBP planning. Wanneer er gestart wordt met de dijkversterking wordt er eerst in de verkenningsfase gekeken wat de werkelijke opgave is en hoe deze opgelost kan worden. De veronderstelling dat dit gebeurt door de bekleding te vervangen en waar nodig te verhogen is daarom niet correct. b. 2e zin aanpassen of schrappen. Toelichting: Dit uitgangspunt is onjuist, de leidammen zijn niet standzeker. Dit is bepaald in de Landelijke Beoordeling van de Primaire Waterkeringen Overstromingskansen (2018). Er zijn momenteel geen plannen om de leidammen te versterken, zie ook bij a. Reactie gemeente: a. De betreffende alinea beschrijft de gehanteerde onderzoeksaanpak en de gehanteerde uitgangspunten voor de effectbeschrijving. Juist omdat nog niet bekend is wat de uitkomst is van het HWBP-project, is voor de effectbeoordeling een aanname gehanteerd.
De aanname is dat de dijkversterking gebeurt door de bekleding te vervangen en waar nodig de dijk te verhogen. Vanuit die aanname is de effectbeoordeling gedaan. Dit is conform de gangbare MER-systematiek waarbij aannames worden gehanteerd wanneer bepaalde zaken nog onbekend zijn. b. Ook hier betreft het de gehanteerde aanname voor de effectbeschrijving. Het is de opstellers bekend dat de standzekerheid van de leidammen als onvoldoende zijn beoordeeld bij de laatste toetsronde. Voor de gehanteerde effectbeschrijving is uitgegaan dat deze standzekerheid wordt hersteld. Zienswijze 38 §10.4: a. het woord ‘hoogwater’ vervangen door ‘water’. b. 2e alinea: HKV heeft de dijk ontworpen met als uitgangspunt dat de leidammen voldoen, dit is onjuist. Tevens is de dijk ontworpen vanuit het beeld van het project, niet vanuit de waterkering beheerder. In het ontwerp is geen rekening gehouden met de taken en eisen vanuit de zorgplicht. Tevens komt er binnenkort een nieuwe hydraulische database. Dit kan voor wijzigingen zorgen in het ontwerp. c. Indien de stranden en voorlanden onderdeel uitmaken van de waterkering, wat zo is binnen de basisfilosofie, moeten deze ook standzeker zijn. Dat is in het ontwerp nu niet het geval. d. In figuur 10-2 en 10-3 staat een kernzone van 48 meter breed en aan weerzijden een beschermingszone (van onbekende breedte).
De beschermingszone is een zone gereserveerd voor o.a. toekomstige dijkversterkingen. In het huidige ontwerp is dat niet mogelijk (door bebouwing en vaargeulen b.v.) en kan de term beschermingszone vervallen. Zo blijft een kernzone van 48 meter over, in plaats van de bestaande circa 80 meter kernzone en 2 x 20 meter binnenbeschermingszone. Dit maakt toekomstige versterkingen en het invullen van de zorgplicht moeilijker danwel onmogelijk. Zie verder ook de aanvullende opmerkingen over figuren 3.6 t/m 3.8 in het ontwerpbestemmingsplan. 56
e. Opsomming t.a.v. hoogte en breedte: Opsomming uit de uitgangspunten HKV; over welke golven wordt hier gesproken? De leidammen zijn niet standzeker, dit is allesbepalend voor de verdere uitwerking. Alle maatvoeringen zijn daarom bepaald op basis van onjuiste uitgangspunten. Tevens is het niet mogelijk te zeggen dat het robuust genoeg is voor toekomstige klimaatverandering. Een afstand van 24 meter vanuit de buitenkruinlijn als grens voor bebouwing is onacceptabel in verband met ruimtereservering voor eventuele toekomstige dijkversterking en uitvoering van de zorgplicht. Momenteel is deze afstand 60 meter. Reactie gemeente: a. Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. b. Zie ook reactie zienswijze 37.b mbt de standzekerheid van de leidammen. De opgenomen ontwerpen zijn niet meer dan illustraties om de gehanteerde uitgangspunten bij de effectbeschrijving toe te lichten. Echte dijkontwerpen worden pas gemaakt in een latere planfase (hoofdvergunningen) waarbij een projectMER wordt opgesteld om alternatieven in beeld te brengen en af te wegen. Aspecten als wat nodig is om de standzekerheid te waarborgen en de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud worden in die fase uitgewerkt.
Tegen die tijd moet worden gewerkt met de nieuwste hydraulische database. c. In het definitieve ontwerp (zie antwoord onder b.) moet inderdaad rekening worden gehouden met tenminste een slijtlaag en stormtoeslag. d. De betreffende figuren beogen toe te lichten dat met toepassing van strand/voorland de impact van golven op de dijkhoogte wordt weggenomen en dat onder de huidige set aan ontwerpeisen een kruin van ca. NAP+2 m voldoet. Er is voldoende ruimte tot aan de bebouwing aangehouden om tot een kruinhoogte van tenminste NAP+5 m te komen bij toepassing van gangbare taluds. Een dergelijke hoogte stijgt ver uit boven hetgeen denkbaar wordt geacht in het licht van klimaatverandering. e. Zie reactie onder zienswijze 37.b en lid b, c en d. De voorlopig gehanteerde breedte van 25 m tussen bebouwing en de buitenkruinlijn is overgenomen uit Almere Duin en vertegenwoordigt een ruimte om de dijk op te kunnen hogen tot tenminste NAP+5m. Zienswijze 39 §15.5, p. 333, ter informatie over klimaatbestendigheid: De beschrijving is gebaseerd op algemene modellen zoals de klimaatatlas en hierbij is niet gebruik gemaakt van de juiste neerslaggebeurtenis. Het uiteindelijke ontwerp zal doorgerekend moeten worden op klimaatbestendigheid met een neerslaggebeurtenis 1:100 situatie (ZOF no. 647, 100 mm neerslag in één piek van 12,5%, patroon b).
Reactie gemeente: Deze berekening zal bij het inrichtingsplan worden gemaakt. Zienswijze 40 §15.5.3, p. 335: wat wordt verstaan onder een tijdelijk waterafvoersysteem? De benodigde waterberging dient gerealiseerd te zijn vóór aanleg van nieuwe verharding. Reactie gemeente: Het betreft hier de beschrijving van de realisatiefase.
57
Zienswijze 41 §15.7 conclusie Klimaat & Duurzaamheid: Gevraagd wordt hier een aanvulling te geven voor klimaatadaptatie in lijn met de aanvulling die in de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen. Is het uitgangspunt om geen uitlogende bouwmaterialen toe te passen? Dan dit graag vermelden. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 42 Bijlage 5: Waterkwantiteit. In het rapport wordt niet verwezen naar deze bijlage. Een beschrijving van het oppervlaktewatersysteem (belasting, gemaalcapaciteit, etc.) binnen het plangebied ontbreekt waarmee de bijlage onvolledig is. Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. Zienswijze 43 Overige opmerkingen: In §8.6.2 op p. 122 staat in 1e zin van de 2e alinea ‘Waterzuivering Lelystad Haven’. Dit vervangen door ‘afvalwaterzuiveringsinstallatie Lelystad’ (AWZI Lelystad). Reactie gemeente: Het definitieve MER heeft ter inzage gelegen bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De voorgestelde redactionele aanpassingen kunnen daarom niet worden doorgevoerd. 2.2.17.
(Rechts)persoon 17
Zienswijze 1 het toegestaan gebruik Op een gedeelte van perceel is het gebruik ten behoeve van parkeervoorzieningen wegbestemd. Het wegbestemmen van bestaand legaal gebruik is echter alleen mogelijk als dit gebruik niet langer in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is dit niet gemotiveerd. Reactie gemeente: Het betreffende gedeelte van het perceel grenst aan de Oostvaardersdijk. Vanuit een goede ruimtelijke ordening beoogt de gemeente het autoverkeer te beperken tot de oostzijde van het gebied zodat aan de westzijde bezoekers in alle rust kunnen recreëren waarbij de ruimte hoogwaardig wordt ingevuld voor leisure. Parkeervoorzieningen zijn daarom aan de oostzijde gepositioneerd. De Toelichting zal hier op worden aangevuld. Zienswijze 2 de toegestane detailhandel binnen de bestemming "recreatie – Batavialand” Uit het ontwerpbestemmingsplan blijkt niet wanneer (nog) sprake is van detailhandel die ondergeschikt is aan bijvoorbeeld de toegestane leisurefunctie. De planregels zijn, 58
volgens (rechts)persoon 17, op dit punt in strijd met de rechtszekerheid. Verzocht wordt in artikel 8.3.1 een maximum aantal m2 aan toegestane detailhandel op te nemen voor deze bestemming én om aan te geven wanneer detailhandel (nog) ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. Reactie gemeente: In paragraaf 6.1.4 van de plantoelichting is nader onderbouwd wat moet worden verstaan onder ‘ondergeschikt’. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat dit voldoende rechtszeker is. 2.2.18.
(Rechts)persoon 18
DEEL A Ontwerpbestemmingsplan Zienswijze 1 (Rechts)persoon 18 meent dat de gemeentelijke keuze om het bestemmingsplan de status van plan in het kader van de wet “crisis en herstelwet” te geven is ingegeven om: • een versnelde procedure te bewerkstelligen, in het kader van het Rijksbeleid zoals weergegeven in de kamerbrief “Wateren en Bodem sturend” (kamerstuk 825 nr. 592) van november 2022. De gemeente zoekt een geitenpaadje om Rijksbeleid, dat nieuwe aanlandingen in Marker- en IJsselmeer niet meer toe zijn gestaan, te omzeilen; • de verplichting een gedegen financiële onderbouwing bij het plan te overleggen te omzeilen. Reactie gemeente: De verbrede reikwijdte op grond van de Crisis- en herstelwet biedt de mogelijkheid om uit te gaan van een doorlooptijd van 20 jaar in plaats van 10 jaar om uitnodigingsplanologie in de praktijk te brengen. Zienswijze 2 (Rechts)persoon 18 heeft bezwaar tegen de in het voortraject van het bestemmingsplan gevolgde procedures en tegen de nu te volgen procedure: • handelen in strijd met de belangen van betrokken huidige bewoners in de omgeving van het plangebied. Alles wijst er op dat kost wat het kost het van te voren uitgestippelde tijdstraject gehaald moet worden: • na verschijnen van de kamerbrief in november 2022 zijn de plannen in de openbaarheid gebracht (vlak voor het kerstreces 2022); • de daarna gevolgde zogenaamde inspraakronde m.b.t.
ontwerpstedenbouwkundig plan stelde weinig voor; • bij enkele voorlichtingsavonden konden inwoners na een onvolledig verhaal “Post its” plakken op plannen. Vervolgens werd er op aanvullende schriftelijke reacties niet of onvolledig gereageerd; • een eenzijdige enquête werd uitgeschreven, waarvan de portefeuillehouder de uitslagen bij een raadscommissie door een ingehuurde ambtenaar liet presenteren. Dit was een eenzijdige presentatie. • alles wijst erop, dat voor dat de MER gereed was de gemeente al volop bezig was met het opstellen van het bestemmingsplan. Merkwaardig omdat de inspraak op 59
•
•
•
de nota Reikwijdte en Detailniveau totaal niet serieus werd genomen. Ook wordt in de aankondiging van de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan niet vermeldt dat ook de MER hierbij ter visie ligt en dat belanghebbenden ook in de richting van de MER commissie zienswijzen kunnen indienen; in het voortraject is op geen enkele wijze ingegaan op de aard en omvang van het ontwerpbestemmingplan. Belanghebbenden worden daags voor het Kerstreces 2023 overvallen met een ter visie legging van een plan, waarvan de toelichting 140 pagina’s omvat en er toelichting op de regels en bijlagen zijn bijgevoegd van vele tientallen pagina’s. (E.e.a. is digitaal slechts na moeilijk speurwerk te vinden en omvat met de MER en alle daarbij behorende bijlagen zelfs honderden pagina’s). Belanghebbenden dienen, indien men een bezwaarschrift wil indienen, binnen zes weken (met na een verzoek daartoe, een week uitloop) te reageren, waarvan de eerste twee weken binnen het Kerstreces vallen. Ook dit duidt alleen maar op haast en niet serieus nemen van belanghebbenden. Vervolgens wordt tijdens de inspraak gesuggereerd (ook in de toelichting) dat inspraak serieus wordt genomen. Dit wordt ook met zoveel woorden in een toelichtende vergadering van de raadscommissie, naar aanleiding van vragen van een aanwezig raadslid, in oktober 2023, nogmaals gezegd.
Vervolgens wordt een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd waaruit blijkt dat de gemeente zich de juridische mogelijkheid wil verschaffen, om zowel voor Meerdijkhaven als langs de Saerdam aanlandingen te realiseren. Mocht dit ontwerp bestemmingsplan eventueel uiteindelijk, onverhoopt, na een volledige procedure de status van definitief plan krijgen, dan hebben belanghebbenden geen enkel juridisch middel meer om aanlandingen en stranden of buitendijkse recreatie voorzieningen tegen te gaan. Uit alles blijkt dat belanghebbenden in de toelichtingen wellicht serieus genomen worden, maar vervolgens juridisch buitenspel gezet. Tenslotte wordt aangegeven dat het ontwerp stedenbouwkundig plan, dat de nodige tegenstrijdigheden bevat, eind 2023 aan de gemeenteraad ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Dit zou dan zijn voordat het ontwerpbestemmingplan, dat gebaseerd is op dit ontwerp stedenbouwkundig plan, afgerond ter visie zou worden gelegd, op zich een nette aanpak. Maar ook dat is, waarschijnlijk door de onverantwoorde haastige aanpak niet gebeurd.
Reactie gemeente: Het is heel vervelend dat de indiener het gevolgde participatieproces niet als ‘serieus’ heeft ervaren. De gemeente heeft ca. 15 bijeenkomsten georganiseerd met bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De inbreng is verwerkt in de plannen zoals ook verantwoord is in het concept-stedenbouwkundig plan van juni 2023 dat de basis vormt voor de Toelichting van het bestemmingsplan. Dat betekent niet dat alle voorstellen zijn overgenomen. Door het College is besloten het stedenbouwkundig plan eind 2023 nog niet vast te stellen om ruimte te bieden aan de zienswijzen die op het ontwerpbestemmingsplan zouden binnenkomen en vanwege eerdere inbreng in het participatieproces en vanuit andere overheden betreffende vraagstukken rondom “Water en Bodem Sturend”. De gemeente hecht aan zorgvuldige besluitvorming. De gekozen werkwijze sluit aan uitnodigingsplanologie waarbij op hoofdlijnen (planologische) kaders worden gesteld aan de gebiedsontwikkeling. Zienswijze 3 Opvallend bij de planbegrenzing is dat verdere bebouwing rond Bataviahaven buiten het 60
plan wordt gehouden, terwijl wordt betoogd dat juist aantrekkelijke woningbouw in de duurdere segment aan het water een doelstelling is. Ook is de opsomming van bestemmingsplannen op dit punt wellicht onvolledig, omdat voor de bedoelde woonblokken enig tijd geleden aanpassingen in het bestaande bestemmingsplan werden gesuggereerd. Reactie gemeente: Voor de bouwblokken rond Bataviahaven is reeds een vigerend bestemmingsplan die invulling geeft aan de doelen van de gemeente. Daarom is dit gebied – net zoals de bestaande bebouwing bij Vliegent Hert/Saerdam – buiten de begrenzing van het nieuwe bestemmingsplan gehouden. Zienswijze 4 In de beschrijving van de ontstaansgeschiedenis wordt onterecht gesuggereerd dat Lelystad niet aan het water zou zijn ontworpen. In alle plannen komt het Oostvaardersdiep voor en in alle plannen was een duidelijke verbreding van deze watergang tussen Flevoland en de Markerwaard voorzien ter plaatse van de locatie Lelystad. Reactie gemeente: Bedoeld is dat de ruimtelijke opzet van de stad van het water is ‘afgekeerd’. Het centrum ligt op grote afstand, een ‘stad achter de dijk’. Met het bestemmingsplan Waterfront Stedelijke Kust wil de gemeente mogelijk maken dat Lelystad veel meer een ‘stad aan het water’ wordt.
Zienswijze 5 Het binnendijks deel, waar Meerdijkhaven wordt geprojecteerd, wordt omschreven als braakliggend of elders als grasland met duindoorn. Dit is absoluut onjuist. In een zienswijze bij de NRD is reeds in detail aangegeven dat er een rijke begroeiing is met o.a. bomen. Reactie gemeente: Het betreffende binnendijkse deel is in het vigerende bestemmingsplan geduid als uit te werken woonbestemming. De gronden zijn daarvoor nog niet in gebruik genomen (liggen ‘braak’). Als gevolg van een spontane vegetatieontwikkeling is het gebied in hoofdzaak nu te kenmerken door grazige vegetaties en duindoorn. Binnen dit gebied is zeker sprake van een begroeiing met waarden voor flora en fauna. Zienswijze 6 In vele hoofdstukken komt de vestiging van Rijkswaterstaat nabij Meerdijkhaven aan de orde, terwijl een aanlegplaats voor vissersschepen, waar al vele jaren permanent wonen wordt gedoogd, op verschillende schepen, niet of nauwelijks wordt beschreven. Reactie gemeente: In de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan is de situatie rondom de Graansteiger inderdaad onderbelicht gebleven. In het definitieve bestemmingsplan is opgenomen dat de Graansteiger niet behouden kan blijven. Zienswijze 7 In paragraaf 3.1 wordt aangegeven dat de Kustvisie 2030 uitgangspunt is voor het 61
ontwerp Stedenbouwkundig plan, waarop het voorliggende Ontwerp bestemmingplan is gebaseerd. Het ontwerp stedenbouwkundig plan, dat de onderlegger is van dit ontwerp bestemmingsplan wijkt echter volledig af van de Kustvisie 2030. Deze Kustvisie was in tegenstelling tot de huidige voorliggende plannen ontstaan in samenspraak met vele betrokkenen. Dit plan voorzag een boulevard tussen Bataviahaven en het gebied Meerdijkhaven en voorzag in geen enkel opzicht in aanlandingen in het Markermeer, niet ter plaatse van Meerdijkhaven en ook niet voor de Saerdam. In het voorliggende plan wordt omschreven, dat gekeken is naar drijvend wonen en eventueel woningen op palen, hetgeen wel enigszins in lijn zou zijn met de Kustvisie 2030, maar deze mogelijkheden worden met enkele woorden afgeserveerd. Goed onderzoek daar naar, zou wellicht tot innovatieve oplossingen kunnen leiden, waarmee zonder aanlandingen “Stad aan het water” echt vernieuwend had kunnen worden. Reactie gemeente: De Kustvisie 2030 is een document op een abstracter niveau dan dit bestemmingsplan. In de Kustvisie is opgenomen dat dit gedeelte van de kust zich richt op vrijetijdsbesteding, recreatie op water én land in combinatie met bijzondere woonmilieus nabij water. De nadere planuitwerking heeft er toe geleid dat gezien de beoogde omvang van het aantal nieuwe woningen drijvende concepten niet inpasbaar zijn.
Zienswijze 8 In paragraaf 3.2.2.1. wordt Bataviastad een recreatieve onderneming genoemd terwijl dit een shopping centrum is. Het is in zekere zin een concurrent voor het slechts moeilijk aantrekkelijk worden van het centrum van Lelystad. Steeds verdere uitbreiding is derhalve ongewenst. Reactie gemeente: De ladder van duurzame stedelijke ontwikkeling is doorlopen waarbij ook is beschouwd of Bataviastad concureert met het centrum van Lelystad. Bataviastad verwacht een forse groei in bezoeksaantal vanwege o.a. een sterk ontwikkeld merkenportfolio en focus op internationale premium merken dat nieuwe doelgroepen aantrekt. Door vast te houden aan het outletconcept en de gestelde voorwaarden is weinig effect op het stadshart te verwachten. Zienswijze 9 In paragraaf 3.2.2.1 wordt ook Batavialand omschreven. Het streven om zaken te concentreren is te waarderen, hoewel het Museum als trekker niet ten onder moet gaan en zich vooral moet richten op het Zuiderzeeproject als groots Waterstaatkundig werk, waarmee Nederland mede groot is geworden op waterbouwkundig gebied. Dit zou verder uitgebouwd moeten worden om een echte trekker te worden. Zowel concentreren als verder uitbouwen van het Museum zal veel overheidsgeld vragen. Dit zijn aspecten die niet benoemd worden. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan maakt de doorontwikkeling van Batavialand op één locatie mogelijk.
De realisatie is primair de verantwoordelijkheid van Batavialand zelf samen met Provincie Flevoland. Zienswijze 10 Bataviahaven biedt op dit moment plaats aan nog al wat werkschepen en 62
vissersschepen, hier wordt geen aandacht aan besteed. Reactie gemeente: De haven wordt inderdaad ook gebruikt door werkschepen en vissersschepen. Omdat hier geen wijziging van de bestemming of gebruiksregels wordt voorgesteld, wordt in de Toelichting op het bestemmingsplan hier niet diep op ingegaan.
Zienswijze 11 De beschrijving van Meerdijkhaven en het gebied Saerdam in paragraaf 3.2.2.2. gaat uit van aanzienlijke aanlandingen in het Markermeer, die in strijd zijn met Rijksbeleid en moeten derhalve anders worden bezien en in het bestemmingsplan anders worden geregeld (alle voorgestelde bouwhoogten wijken af van de presentaties tijdens de voorlichtingsavonden in 2023). Reactie gemeente: De gemeente ziet geen aanleiding om andere regels op te nemen voor delen die betrekking hebben op de landaanwinning dan voor delen die nu al binnendijks gelegen zijn. Alle woonbebouwing komt uiteindelijk binnendijks te liggen omdat de te verleggen dijk aan de meerzijde van de woonbebouwing wordt gesitueerd. Zienswijze 12 In paragraaf 3.4 wordt ingegaan op het parkeren. Voor Meerdijkhaven wordt uitgegaan van 1 parkeerplaats per woning. Tweede auto’s moeten op collectieve parkeerplaatsen gestald worden. Dit zal de woningen in luxe segment zeker niet aantrekkelijker maken. Gelet op de te verwachten parkeerdruk en de locatie van de geprojecteerde collectieve parkeerplaatsen (ver af), zal dit een zeer grote parkeerdruk opleveren op het gebied Saerdam. Dit acht (rechts)persoon 18 zeer ongewenst. Dit oplossen met een vergunningsstelsel zal slechts zeer beperkt helpen.
Dit alles levert een grote achteruitgang op voor de woonsituatie aan de Saerdam en het Vliegendhert (en wellicht ook delen van het Galjoen). Reactie gemeente: De parkeerproblematiek ter plaatse van de bestaande woningen heeft de aandacht van de gemeente. De gemeente ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat een vergunningsstelsel niet voldoende helpt. Zienswijze 13 In paragraaf 3.5 wordt de regeling (Rijksbeleid, zoals aangegeven in de Kamerbrief van november 2022) in de brief m.b.t. uitzonderingen aangegeven. Belangrijk in dit kader zijn twee belangrijke aspecten. Bij uitzonderingen moet sprake zijn van urgent maatschappelijk belang en er moeten geen realistische binnendijkse alternatieven zijn. De toelichting van het voorliggende ontwerpbestemmingsplan gaat op verschillende plaatsen er van uit, dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Dat acht (rechts)persoon 18 absoluut onjuist en daarmee zijn grote aanlandingen in strijd met Rijksbeleid. Dat aantrekken van draagkrachtige nieuwe bewoners zonder landaanwinning niet zou kunnen, is volkomen uit de lucht gegrepen. Inmiddels blijken duurdere woonlocaties binnendijks in trek. Ook nieuwe zeer aantrekkelijke locaties kunnen op tal van plekken worden gerealiseerd o.a. in de nieuwe wijk Waranda, rond het Bovenwater en rond het Zuigerplas bos. Verder kan natuurlijk als Meerdijkhaven alleen binnendijks wordt 63
ontwikkeld, ook daar de door de gemeente gewenste soort woningbouw worden gerealiseerd. Overigens zal ook het wijzigen van het gemeentelijke beleid aangaande bedrijfsvestigingen kunnen bijdragen aan het aantrekken van de gewenste draagkrachtige bevolkingsdeel. Minder grootschalige distributie centra aantrekken, die nopen tot woonlocaties voor arbeidsmigranten, maar meer richten op het aantrekken van hoogwaardige bedrijven. Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde voorwaarden voor afwijken van Rijksbeleid niet wordt voldaan. Op dit onderdeel dient het ontwerpbestemmingsplan gewijzigd te worden. De mogelijkheden om aanlandingen te realiseren voor de Saerdam en bij Meerdijkhaven dienen te worden geschrapt en de huidige situatie voor wat betreft de oeverlijn dient in stand te blijven (begrenzing van het plan aanpassen). Reactie gemeente: De gemeente is het niet eens met de indiener. Om kapitaalkrachtigere doelgroepen naar Lelystad te trekken, dient de stad als geheel een aantrekkelijkere uitstraling te hebben. De totale waterfrontontwikkeling dient daartoe te leiden. Deze mensen vestigen zich in heel Lelystad, afhankelijk van de precieze woonwensen. Een volledig binnendijkse gebiedsontwikkeling is geen gelijkwaardig alternatief. Zienswijze 14 Op verschillend plaatsen in de toelichting wordt aangevoerd dat het Bovenwater als compensatie kan worden gezien. Dit is onjuist.
Het Bovenwater kent een geheel ander waterpeil en heeft geen verbinding met het Markermeer. Het peil (en zeker ook de oppervlakte, waardoor een buffer ontstaat) van het Markermeer is voor het inlaten van water in onder meer Noord Holland in droge tijden essentieel. Ook voor het opvangen van overtollig water in zeer natte tijden, zonder onverantwoord hoog waterpeil, is de oppervlakte en het peil van het Markermeer heel erg belangrijk. Het Bovenwater ligt op een zeer diep punt van Flevoland en kent slechts een indirecte verbinding met de Lage Vaart. De suggestie, die elders in de stukken wordt aangegeven, dat het Bovenwater geschikt zou zijn om watersuppletie voor Flevoland te generen in droge tijden is volkomen onjuist. Watersuppletie voor Flevoland zal uit het zuiden en oosten, inlaten bij de hoger gelegen delen, moeten komen (dus indirect van het Markermeer en IJsselmeer). Ook het benoemen van de mogelijkheid van het opvangen van een grote water afvoer door de grote rivieren door het Bovenwater is absoluut onjuist! Reactie gemeente: De gemeente verschilt van inzicht met (rechts)persoon 18 over de technische mogelijkheden. Uit het overleg met het ministerie van I&W is duidelijk geworden dat er geen verplichting tot compensatie is. Zienswijze 15 In paragraaf 3.6 komt de waterveiligheid aan de orde.
Wat opvalt in de getekende principe profielen, dat bij het profiel Over Bataviahaven wel van grondverbetering sprake is en bij het profiel bij Meerdijkhaven niet, dit verdient een heel uitgebreide verklaring (die in de onderliggende stukken slechts gedeeltelijk wordt gegeven). Reactie gemeente: De principe profielen dienen niet als zodanig te worden gelezen. Er is niet bedoeld om wel of niet grondverbetering in de figuren tot uitdrukking te brengen. Deze keuze wordt ook 64
niet gemaakt in het kader van een bestemmingsplan maar bij de technische planuitwerking en het verkrijgen van de hoofdvergunningen. Om onduidelijkheden te vermijden, zijn betreffende profielen in het definitieve bestemmingsplan niet meer opgenomen. Zienswijze 16 In paragraaf 3.7 wordt het geprojecteerde Stadsstrand beschreven. Aangehaald wordt dat het strand ten opzichte van eerdere presentaties “omgeklapt” is, dit is in geen enkel opzicht in de plankaart verwerkt. Overigens zal ook een “omgeklapt” strand met name voor de bewoners van de meest zuidelijke deel van de Saerdam nog overlast met zich brengen. Ook dit verdient zeker aandacht. Totaal afzien van aanlandingen is ook om deze redenen noodzakelijk. Hierop zou de plankaart moeten worden aangepast. In de Kustvisie 2030 zijn stranden voorzien in de nabijheid van het bestaande surfstrand. Een dergelijke oplossing kent vele voordelen. Een strandontwikkeling kan gekoppeld worden aan natte ophogingen, die ook al voorzien zijn in de plannen voor de Nieuwe natuur (koppeling tussen de Oostvaardersplassen en de Markerwadden aan de westzijde van vaargeul ter hoogte van de plannen voor het Waterfront). Ook kunnen ter hoogte van de Markerwaarddijk parkeeroplossingen worden gemaakt, die geen overlast voor woongebieden geven en kan ook de rommelige situatie, die al enkele jaren bij het surfstrand bestaat worden verbeterd.
Bij het laten vervallen van een grote aanlanding bij Meerdijkhaven, kan voor een nieuw te ontwikkelen woongebied op bescheiden schaal strand worden aangelegd, met het voordeel dat mensen, die daar belangstelling voor wonen hebben, van het begin weten in welke omgeving ze komen. Ook de afstand tot het voorziene parkeren wordt dan teruggebracht tot reële afstanden. Inmiddels wil de gemeente overigens ook voorzien in (zwem) strand bij de zuigerplas en dichter bij de woonwijken in kleinere badmogelijkheden. Reactie gemeente: In de eerste concepten was het stadsstrand opgenomen ter plaatse van de Saerdam. Naar aanleiding van zorgen van bewoners is het ca. 400 m opgeschoven en zijn de strandvoorzieningen nu op 300 m van de dichtstbijzijnde huidige bewoning gesitueerd. Hierdoor neemt de kans op overlast af. Het geheel buiten het plangebied verplaatsen van het stadsstrand is voor de gemeente geen wenselijke oplossing omdat het daarmee veel minder goed bereikbaar wordt voor de inwoners van de stad. Daarnaast biedt het stadsstrand juist een onderscheidende omgevingskwaliteit voor de woningbouw waardoor nieuwe doelgroepen worden aangetrokken. Zienswijze 17 Paragraaf 3.8 behandelt de klimaatadaptatie.
Hier wordt met geen enkel woord ingegaan op het steeds meer optreden van wisselende water afvoeren van de grote rivieren en de hetere zomers ten gevolge van klimaat veranderingen, die opgevangen moeten worden en impact moeten krijgen op de waterhuishouding van Nederland (water en bodem sturend). Dus geen aanlandingen in het Markermeer!. Reactie gemeente: De impact van de landaanwinning op de waterhuishouding is onderzocht in het MER. De conclusie is dat er geen sprake is van een merkbaar negatief effect.
65
Zienswijze 18 In paragraaf 3.9 wordt kort ingegaan op de beeldkwaliteit. In eerder gegeven commentaar op het ontwerp Stedenbouwkundig plan heeft (rechts)persoon 18 al opmerkingen daarover gegeven. Verder is er nog weinig m.b.t. de beeldkwaliteit voor handen, zoals uit toelichting blijkt. Het ontwerp stedenbouwkundig plan heeft bij ter visie legging van het onderhavige bestemmingsplan nog geen status. Terzijde kan nog m.b.t. de beeldkwaliteit worden opgemerkt, dat het opnemen van een mogelijkheid tot bouwen tot 23 bouwlagen aan de meest zuidelijk gelegen punt van het plan voor Meerdijkhaven een stedenbouwkundige misser is. Door een dergelijk accent wordt de skyline van Lelystad helemaal scheefgetrokken. Verder zal een dergelijk bouwwerk een verstorende werking hebben op het bestaande historische werkeiland. Ook valt op, dat in alle bouwvlakken van de plannen aangaande Meerdijkhaven sprake zal zijn van gestapelde bebouwing. Het gemeentelijke uitgangspunt dat 30% van de woningen in de betaalbare sector moet worden gerealiseerd komt daarmee onder druk te staan. Het komt er op neer dat de gemeente voorziet dat ook de goedkopere woningen als appartementen (kleine flats) zullen worden gebouwd. De vraag bij goedkopere woningen voor startende gezinnen is vooral gericht op grondgebonden woningen met een tuin.
Dus niet alleen op gestapelde woningen, die dan in de goedkopere sector kleiner zijn dan 100 m2 (zie recente projecten van Centrada tussen De Doelen en De Grietenij). Reactie gemeente: Zowel de stedenbouwkundige opzet als de woontypologie moet in samenhang worden gezien met de andere woningbouwontwikkelingen in de stad. Voor mensen die grondgeboden woningen zoeken met eigen tuin kunnen elders in Lelystad terecht. Het onderscheidende gekozen uitgangspunt is gestapelde woningbouw met collectief groen met een natuurlijk karakter. Dit concept is goed verenigbaar met de Lelystadse mix qua betaalbaarheid van woningen. Zienswijze 19 In paragraaf 4.1.1. wordt in het kader van de Nationale Omgevingsvisie gerefereerd aan de toepassing van de zgn. Laddersystematiek. Bij deze toepassing wordt aan de hand van oudere onderzoeken geconcludeerd dat op het gebied van middenstand en horeca geen concurrentie met het hoofdwinkelcentrum zal ontstaan bij de invulling van het ontwerp bestemmingsplan. Hierbij kunnen ernstige bedenkingen geplaatst worden. In het hoofdcentrum is mede door het overvloedige aanbod in Bataviastad nagenoeg geen goede kledingwinkel te vinden en de horeca leidt een kwijnend bestaan in het Hoofdcentrum. Reactie gemeente: Zoals ook opgenomen in paragraaf 4.1.1.
wordt het functioneren van de verschillende winkelgebieden en de gewenste detailhandelsstructuur periodiek gemonitord. Op basis daarvan is geconcludeerd dat er alleen ruimte voor uitbreiding is wanneer wordt voorzien in een behoefte in een specifiek segment met een eigen (bovengemeentelijke) doelgroep. Dit is het geval met betrekking tot Bataviastad: fashion outlet biedt een ander winkelaanbod dan het centrum van Lelystad, het bezoekmotief is beduidend anders (‘dagje uit’) en Batavia Stad trekt bezoekers van buiten de eigen gemeente of regio. Uit onderzoek is gebleken dat Lelystedelingen meer online en naar andere steden zijn uitgeweken en niet naar Batavia Stad.
66
Zienswijze 20 In paragraaf 4.1.2 komt het Barro aan de orde. Niet wordt vermeld dat in de eerder aangehaalde kamerbrief wordt aangegeven, dat het Barro zal worden aangescherpt en dat partijen hier nu reeds rekening mee dienen te houden. Verder wordt gerefereerd aan eerder vastgelegde 150 ha die Lelystad aan aanlandingen zou mogen realiseren. De vraag is of dat nog opgaat, gezien de eerder bovengenoemde zienswijzen. Maar mocht dit zo zijn, dan kan deze oppervlakte ingezet worden om natuurontwikkeling ten westen van de vaargeul mogelijk te maken en de voorziene verbinding tussen de Oostvaardersplassen en de Markerwadden te realiseren, waarbij ook door mij eerder genoemde strandontwikkeling nabij de Markerwaarddijk (zoals in Kustvisie 2030 voorzien) in beeld kan komen. Ook kan verdere uitbreiding van de Markerwadden in beeld komen, die een veel grotere bijdrage aan de natuurontwikkeling zal geven dan buitendijkse aanlandingen nabij Meerdijkhaven en de Saerdam. Reactie gemeente: Paragraaf 4.1.2 beschrijft het Rijksbeleid. Het Barro was ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan nog steeds het vigerend beleid. In paragraaf 3.5 wordt ingegaan op de betreffende Kamerbrief en de relatie met het Barro. Het Barro is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet omgezet in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Inmiddels is duidelijk geworden (o.a.
Ontwerp-Nota Ruimte) dat de regelgeving omtrent landaanwinningen in het IJsselmeergebied niet wordt gewijzigd en dat de 150 ha vrijstelling die Lelystad heeft behouden blijft. De 150 ha zoals opgenomen in het BKL heeft betrekking op woondoeleinden en overslaghaven (= Flevokusthaven). Overstroombare natuur, zoals de Marker Wadden, zijn vrijgesteld van het verbod op landaanwinningen. Zienswijze 21 In de paragrafen 4.2.3. t/m 4.2.5 komt het provinciaal ruimtelijk beleid aan de orde. Niet vermeld wordt dat de provincie vol inzet op een zgn. IJmeer verbinding. Een verbinding die voor de ontwikkeling van Lelystad ook van groot belang zal kunnen zijn. Voor deze verbinding zullen ook aanzienlijke aanlandingen in het Markermeer noodzakelijk zijn. Een integrale benadering zou hier m.b.t. de zeer gewenste totale wateroppervlakte van het Markermeer op zijn plaats zijn. Hopelijk komen dit soort overwegingen in het overleg met het ministerie van infrastructuur aan de orde. Reactie gemeente: De relatie tussen ‘Water en Bodem Sturend’ en de IJmeerverbinding is inderdaad onderwerp van gesprek tussen Provincie Flevoland en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Zienswijze 22 In paragraaf 4.3.2 worden de uitgangspunten van “Lelystad next level” geschetst. Onder meer wordt genoemd: “een financieel gezonde stad”.
Dit zal niet direct alleen afhangen van wel of geen aanlandingen, maar eerder is aangegeven, dat wel grote financiële risico’s worden genomen met de realisatie van de in het ontwerpbestemmingsplan vastgelegde mogelijke ontwikkelingen.
67
Reactie gemeente: Voor een financieel gezonde stad is het belangrijk dat de stad structureel voldoende inwoners heeft met een gemiddeld voldoende hoog inkomen om de stedelijke voorzieningen te kunnen bekostigen. Het project Waterfront Kust draagt in grote mate bij aan het verbeteren van de uitstraling van de stad en daarmee aan de aantrekkelijkheid voor betreffende doelgroepen om zich in Lelystad te vestigen. Met elke gebiedsontwikkeling – ook met het project Waterfront Stedelijke Kust – zijn incidentele financiële risico’s gemoeid. Deze worden bestuurd tijdens de realisatie. De verwachting is dat de kosten en de baten met elkaar in evenwicht zijn. Zienswijze 23 Paragraaf 4.3.2. gaat zeer kort in op Kustvisie Lelystad 2030. Afgezien van het ontbreken van aanlandingen in de Kustvisie wordt in deze visie ook ingegaan op de verbinding tussen het Bataviakwartier en het gebied Meerdijkhaven. Het alternatief n.a.v. eerdere reacties van bewoners van de Saerdam (Alternatief zonder strand voor de Saerdam) zou dan ook in het bestemmingsplan (op de plankaart) moeten worden verwerkt en verdere stranduitbreidingsmogelijkheden voor de Saerdam zouden niet mogelijk gemaakt moeten worden binnen in het bestemmingsplan. Reactie gemeente: Zie antwoord zienswijze 16.
Zienswijze 24 Hoofdstuk 5 van de toelichting is feitelijk een weerslag van hetgeen in de (voorlopige) MER (met vele bijlagen) is uitgewerkt. Hierna zal kort op de (voorlopige) MER ingegaan worden in een los schrijven, zodat dit ook aan de Commissie MER, die voor deze MER zal functioneren, kan worden aangeboden. Overigens wil ik u complimenteren met de grondige aanpak, die is gekozen bij deze (voorlopige) MER en dus zijn weerslag in hoofdstuk 5 van de toelichting verkort is terug te vinden. (wel merk ik op, dat essentiële aspecten in de MER zijn weggelaten, c.q. onvolledig of aanvechtbaar gerapporteerd worden). Reactie gemeente: De gemeente waardeert uw compliment. Zienswijze 25 Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische planbeschrijving. In de onderliggende stukken wordt aangegeven, dat e.e.a. zeer ruim is opgezet om in dit stadium tot grote mate van flexibiliteit te komen. Wel worden de regels nu juridisch vastgelegd. Waarmee grote vrijheid ontstaat voor tal van initiatiefnemers die een beroep op deze regels kunnen doen in de toekomst. Huidige bewoners in de directe omgeving van het plangebied en toekomstige bewoners hebben vervolgens geen of slechts beperkte juridische mogelijkheden om te reageren op nieuwe initiatieven. Dit verdient zeker aanpassing (veel gedetailleerde regels).
Reactie gemeente: Juist vanuit de beoogde organische gebiedsontwikkeling is enige flexibiliteit in de planregels essentieel. De gemeentelijke reactie op de concrete voorstellen van indiener zijn opgenomen bij de zienswijzen 26 en verder.
68
Zienswijze 26 De toegestane bouwhoogte in de woongebieden 1,2,3 en 4 zijn veel te hoog. Op dit punt dient het ontwerpbestemmingsplan zeker te worden aangepast. Ook de regels voor gebouwen, geen gebouwen zijnde dienen zeker minder ruim te zijn (lichtmasten van 15 meter?). Ook de mogelijkheden voor Bed- en Breakfast dienen danig ingekort te worden. Reactie gemeente: De toegestande bouwhoogtes hangen samen met het oogmerk om tot een nieuw woonmilieu te komen dat aanvullend is op het aanbod elders in de stad. De maximale hoogte voor lichtmasten binnen de woongebieden was al beperkt tot 6 meter. Binnen de bestemming ‘Recreatie-Oeverzone’ was dat 15 meter. Dit is inderdaad veel te hoog. Het artikel is aangepast. Om lichtvervuiling te vermijden worden lichtmasten in het geheel niet toegestaan en mag de hoogte van straatlantaarns ten hoogste 5 meter bedragen. Stijn/Mike: kijken jullie naar de B&B’s? Zienswijze 27 Binnen de bestemming Recreatie-Oeverzone staan de regels tal van voorzieningen toe (gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde). Voor deze objecten (horeca, sanitaire voorzieningen etc.) zijn geen plaatsen vastgelegd. Dit is een groot gemis in het voorliggende plan. Hierdoor worden ook de juridische mogelijkheden van aanwonenden niet gerespecteerd. De woonsituatie wordt in negatieve zin ernstig aangetast. Dit behoeft absoluut aanpassing.
Reactie gemeente: Binnen de bestemming Recreatie-Oeverzone is een aanduiding ‘strandvoorzieningen’ opgenomen. Alleen binnen deze aanduiding, die zal worden verkleind ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, zijn ‘aan het recreatief gebruik van de oeverzone gerelateerde voorzieningen, zoals horeca in categorie 1, recreatievoorzieningen en sportvoorzieningen’ toegestaan. Buiten deze aanduiding zijn alleen sanitaire voorzieningen toegestaan. Hiermee is geborgd dat de woonsituatie van aanwonenden niet in onaanvaardbare mate wordt aangetast. Zienswijze 28 Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële uitvoerbaarheid. In de toelichting is e.e.a. slechts zeer summier te achterhalen. Aan kostenverhaal worden veel woorden gewijd, maar inhoudelijk staat hier feitelijk niets. In de bijlagen is meer te vinden. Ondanks dat hier een gespecialiseerd bureau aan heeft gewerkt, vallen hier kanttekeningen bij te zetten. De gebruikte parameters voor allerlei uitvoeringsaspecten zijn niet onderbouwd en in deze tijd van inflatie en sterk oplopende kosten van bouwmaterialen valt hier zeker een vraagteken bij te zetten. Verder valt op dat kosten van grondverwerving, kosten van advieswerk (in dit verband zeker niet weg te cijferen) en bovenwijkse kosten (zie onder meer aanpassingen t.b.v. verkeer) voor het gemak maar weggelaten zijn. Ook is onduidelijk wat wel en niet wordt meegerekend.
Op dit punt valt in het ontwerp bestemmingsplan erg veel te verbeteren. Reactie gemeente: Bij een organische en langdurige gebiedsontwikkeling is een flexibel systeem van kostenverhaal zonder tijdvak nodig. Dit is mogelijk gemaakt via de Omgevingswet en het 69
BuChw. Door te werken met open normen kunnen gemeenten en ontwikkelaars kosten aanpassen aan de feitelijke voortgang en veranderende omstandigheden, zoals marktontwikkelingen. Ook kunnen kosten direct worden verhaald wanneer een ontwikkeling plaatsvindt, wat zorgt voor een betere koppeling tussen kosten en opbrengsten. De gebruikte rekenparameters zijn gebaseerd op actuele marktgegevens, maar blijven vooral op de lange termijn onzeker. Daarom wordt gewerkt met langjarige gemiddelden en kan de beleidsregel worden aangepast als de werkelijkheid afwijkt. Daarnaast wordt inflatie automatisch verwerkt via de CPI-index. Grondkosten zijn opgenomen in de inbrengwaarde van gronden; verwervingskosten staan daarbij op nul omdat ze al in deze waarde zijn verdisconteerd. Advieskosten maken deel uit van ‘ontwikkeling en toezicht’ en zijn berekend met onder andere de Plankostenscan. Ook bovenwijkse kosten zijn meegenomen in de post ‘bovenplanse kosten’. Tot slot wordt benadrukt dat alle wettelijk verhaalbare kosten zijn opgenomen in het kostenplafond. De regeling kan worden aangepast bij nieuwe inzichten, en de uiteindelijke afrekening kan afwijken van eerdere beschikkingen door veranderde kosten.
Zienswijze 29 In de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan is niets of weinig over de fasering van de in het ontwerpbestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen opgenomen. Ook is onduidelijk in welk tijdsbestek zaken aan de orde gedacht zijn te komen. Dit is een essentieel onderwerp. Ook hier dient bijstelling van het ontwerpbestemmingsplan plaats te vinden. Overigens is in de MER (o.a. bij de berekening van de stikstofdepositie) wel het e.e.a. te lezen. Hieruit blijkt, dat voorzien wordt dat bij eventuele (onverhoopte) buitendijkse ophogingen rekening wordt gehouden met een periode van twee tot vijf jaar ten behoeve van zetting na ophoging. Dit betekent dat omwonenden jaren lang rekening moeten houden met onaffe situatie, die heel veel overlast met zich zal brengen. Dat dit soort aspecten niet aan de orde komen (ook niet besproken zijn bij de zgn. participatie ronde), is volkomen onjuist. Reactie gemeente: De fasering en de daarbij behorende uitvoeringsaspecten zijn nog niet bekend. In het MER zijn hiervoor ‘worst case’ aannames gedaan om de effecten te kunnen bepalen. Net als alle andere gebiedsontwikkelingen zal er logischerwijs enige tijd zitten tussen het moment van bouwrijp maken en de realisatie van de laatste woningen waardoor delen van het gebied kortere of langere tijd nog ‘braak’ liggen.
Het voornemen van de gemeente is om het recreatieve, natuurlijke landschap direct bij aanvang zoveel als mogelijk te realiseren zodat vanaf het begin een prettige woonomgeving wordt gerealiseerd. Deze inrichting hoeft niet te wachten op het zetten van de ondergrond. Zienswijze 30 Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg en de participatie. Bij het onderwerp vooroverleg wordt in het totaal geen aandacht besteed aan het overleg met het Rijk (o.a. de ministeries van infrastructuur en binnenlandse zaken). Hierbij speelt zeker de eerder aangehaalde situatie van het niet meer toestaan van aanlandingen. Naar zeggen, hebben
70
deze contacten nog niet geleid tot een afronding, hetgeen dit ontwerp bestemmingsplan in zeer speciaal daglicht zet. Reactie gemeente: Naar aanleiding van deze zienswijze is aan hoofdstuk 8 een paragraaf toegevoegd die speciaal ingaat op het gevoerde overleg met de medeoverheden. Zienswijze 31 Bij het onderwerp participatie wordt eerst vermeld dat besloten is de Kustvisie 2030 als vertrekpunt te nemen voor het voorlopig stedenbouwkundig plan op basis waarvan dit ontwerpbestemmingsplan is opgesteld. Vervolgens wordt de zgn. participatieronde tussen november 2022 en de zomer van 2023 zeer onjuist c.q. zwaar eenzijdig weergegeven. Reactie gemeente: De beschrijving in paragraaf 8.2 is beknopt en feitelijk. Indiener geeft niet aan wat er onjuist aan is en/of waarom het in de ogen van indiener zwaar eenzijdig is.
DEEL B, bijlage MER Zienswijze 1 De ter visie legging van de MER is niet gepubliceerd. De MER is als bijlage toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan. Dit acht (rechts)persoon 18 niet erg duidelijk. In de publicatie, waarbij de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven, wordt de MER niet genoemd. Reactie gemeente: Op grond van de wet- en regelgeving zoals die gold ten tijde van de publicatie bestond geen verplichting om in de publicatie aan te geven dat de MER als bijlage van het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Zienswijze 2 In de MER wordt de kamerbrief van november 2022 aangehaald. Hierbij wordt ingezoomd op de waterveiligheid, terwijl de oppervlakte van het Markermeer als waterbuffer onderbelicht blijft. Bij waterveiligheid wordt niet of nauwelijks de wateroppervlakte als belangrijk element voor het bergend vermogen ook onvoldoende belicht. Dit zijn met name elementen, die in de kamerbrief een rol spelen. Hierbij komt nog, dat de aanvullende brief van de minister van Infrastructuur aan de kamer van 5 oktober 2023, waarin de minister zijn standpunten nader onderbouwt, in het geheel niet bij de beschouwingen wordt betrokken. De MER commissie wordt aanbevolen, deze brief bij de verdere bestudering te betrekken.
Reactie gemeente: Zowel de effecten op de zoetwatervoorraad als op de waterberging tbv de waterveiligheid zijn in het MER beschreven. Zienswijze 3 (Rechts)persoon 18 stelt dat in de MER niet een definitieve uitspraak is te lezen welk alternatief, uit milieuoverwegingen, het meest in aanmerking komt. 71
. Reactie gemeente: Dit is juist. Het MER levert de benodigde informatie voor besluitvorming inclusief de effecten van alle alternatieven en welk alternatief aan het doel het meeste bijdraagt. Een MER geeft nooit een conclusie welk alternatief het moet worden, dat is aan het bevoegd gezag. De onderbouwing van de keuze is opgenomen in de Toelichting op het bestemmingsplan. Zienswijze 4 (Rechts)persoon is van mening dat de zienswijzen m.b.t. de NRD niet al te serieus in beschouwing zijn genomen en in ieder geval ook niet ordentelijk naar de indieners zijn afgewikkeld. Al eerder is opgemerkt dat de gehele aanpak van de gemeente zeer ten onrechte haast uitstraalt, die zeker niet past bij een project als het onderhavige met zoveel impact op de omgeving en het milieu. Reactie gemeente: Wat de gemeente betreft is er geen sprake (geweest) van haast maar wel van een gevoelde urgentie om werk te maken van het Waterfront. De inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente er wel toe aangezet om het ontwerp-bestemmingsplan en het MER voor 1 januari 2024 ter inzage te leggen. Zienswijze 5 In paragraaf 1.2.2 wordt niet expliciet gemeld dat grote delen van het plangebied in een Natura 2000 gebied liggen. Reactie gemeente: In het MER komt dat op verschillende plekken aan de orde. Zienswijze 6 In paragraaf 3.1 staat m.b.t.
aanvankelijk stedenbouwkundig masterplan (juni 2023) letterlijk “dat er geen grote wijzigingen t.o.v. het concept worden aangebracht”. Hier ontstaat de onduidelijkheid. Onder andere in een raadscommissievergadering van oktober 2023 heeft de portefeuillehouder mede n.a.v. vragen van een lid van de raadscommissie aangegeven, dat inbreng van bewoners van de Saerdam zouden worden gehonoreerd. Ook elders in de voorliggende stukken wordt aangegeven, dat het alternatief zonder strand voor de Saerdam thans voorligt als het te verwezenlijke alternatief. Toch lijkt het er op dat in dit MER document steeds het als VKA aangeduide alternatief naar voren komt. Het feit dat ook in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming recreatie-oeverzone op het originele Stedenbouwkundig Masterplan is afgestemd voedt de onduidelijkheid, die opgeheven moet worden. Reactie gemeente: Het ‘alternatief zonder strand voor de Saerdam’ is niet het thans voorliggende te verwezenlijken alternatief. Dat is het VKA zoals ook in het MER is beschreven. Het misverstand waar de indiener mogelijk op doelt is dat bij de eerste concepten het stadsstrand volledig ter hoogte van de Saerdam was gepositioneerd en op basis van de zorgen van bewoners ca. 400 m is opgeschoven. Deze verschuiving was al verwerkt in het concept-stedenbouwkundig masterplan van juni 2023 en ook al opgenomen in de effectbeschrijving van het VKA. 72
Zienswijze 7 In paragraaf 3.3. wordt de huidige situatie van het binnendijkse gebied Meerdijkhaven (uitgangssituatie) beschreven als “duindoorn struiken en grasvlaktes”, ook in een reactie op het NRD is al aangegeven dat dit beslist onjuist is. Feitelijk is de situatie zo, dat er een afwisselend vegetatie voorkomt van heesters (enkele zelfs uitgegroeid tot volwaardige bomen) o.a. duindoorn, braam, populier, wilg en vlierbes, afgewisseld met zandpaden en zanderige open stukken. Het gebied wordt door aanwonenden, maar ook door meerdere inwoners elders uit Lelystad, als uitloop gebied (o.a. voor uitlaten van honden) gebruikt. Ook komen in het gebied op bescheiden schaal vogels en andere dieren voor (dit is een voorbeeld waaruit blijkt dat de zienswijzen n.a.v. de NDR niet of onvoldoende zijn meegenomen). Reactie gemeente: Paragraaf 3.3 beschrijft de ligging van het plangebied. Alle duidingen zijn beknopt. De beschrijving van indiener is daarmee niet in tegenspraak van hetgeen is opgenomen in paragraaf 3.3. maar alleen uitgebreider. Zienswijze 8 In paragraaf 3.3 onder “Natuurontwikkeling” wordt betoogd dat het Waterfront een schakel vormt tussen de Oostvaardersplassen en de Markerwadden.
Dit zou in heel bescheiden mate misschien het geval kunnen zijn, maar met een intensief woongebied met hoge dichtheden, met bouwhoogtes tot 23 bouwlagen en intensieve verkeersbewegingen en als het aan de gemeente ligt ook nog een intensief recreatie gebied, zijn hier toch duidelijke twijfels bij te stellen. Hoewel het Leisure gebied iets afzijdig ligt, zal dit ook niet bijdragen aan b.v. de trekroutes van vogels. Niet voor niets gaan veel rapporten over de ontwikkeling van de Nationaal park Nieuwe Natuur uit van ”wetlands” aan de westzijde van de geleide dammen die liggen aan de west kant van de vaarroute voor het gebied Meerdijkhaven en Saerdam. Deze visie is ook opgenomen in de Kustvisie 2030, een dergelijke ontwikkeling met een minder intensieve ontwikkeling van het Waterfront aan vooral de zuidzijde, conform de Kustvisie 2030, draagt wel bij aan de verbinding Oostvaardersplassen Markerwadden. Hiermee kan de Natuurontwikkeling wel duidelijk worden gediend. Reactie gemeente: Het klopt dat de beschrijving onder ‘natuurontwikkeling’ enigszins summier is. De belangrijkste bijdrage van het project Waterfront Stedelijke Kust aan de natuur van Nationaal Park Nieuw Land is het tenminste 25 ha groot natuurgebied (wetland) ten westen van de geleidedammen. In de rest van het MER en de Passende Beoordeling wordt hier wel uitgebreid bij stil gestaan.