Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 14 Aanvulling MER
Tekst van het document
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
45
Natuur • Natura 2000: In het beoordelingskader voor Natura 2000 wordt een activiteit met negatieve effecten op instandhoudingdoelstellingen die wel mitigeerbaar zijn beoordeeld als negatief (-), terwijl een activiteit met negatieve effecten die een complexe opgave voor mitigatie en/of compensatie met zich meebrengen zijn beoordeeld als sterk negatief (--). o Voor het V-VKA zijn er in de eindsituatie belangrijke negatieve effecten te verwachten door lichtverstoring op meervleermuis en verstoring door menselijke activiteiten op nietbroedvogels en de lepelaarkolonie. Hoewel het natuureiland zorgt voor positieve effecten, zijn significant negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten. Omdat er wel mitigerende maatregelen mogelijk zijn, zoals is beargumenteerd in de Passende Beoordeling 24, is de score overeenkomstig het beoordelingskader niet sterk negatief, maar negatief (-). o Met mitigerende maatregelen, die met name gericht zijn op het zoveel mogelijk voorkomen van verstoring, zijn er geen negatieve effecten op instandhoudingsdoelen en wordt de score neutraal. In de Passende Beoordeling is immers aangegeven dat het project na het treffen van mitigerende maatregelen geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer.
Zoals eerder benoemd zijn hierbij eventueel negatieve effecten door stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in de Veluwe en mogelijke mitigatie daarvan hier buiten beschouwing gelaten. o Voor de ‘variant beschermde natuur en water’ geldt dat er sprake is van een extra brede natuurlijke oeverzone. Daarmee wordt iets meer tegenwicht geboden aan de licht negatieve effecten van de verstoring. De verschillen zijn echter zo klein dat de eindscore van deze variant vóór mitigatie net als voor het V-VKA wordt vastgesteld op (-) en na het treffen van mitigerende maatregelen net als voor het V-VKA op (0). • Natuurnetwerk Nederland: in het V-VKA leidt de eindsituatie niet tot aantasting van oppervlak, samenhang en wezenlijke kenmerken en waarden van de provinciale NNN. Daarom is dit als neutraal beoordeeld (0). Omdat de natuurwaarden op het Markermeer (rijks NNN) positief zijn is de score op dit aspect positief (+). Hetzelfde geldt voor de ‘variant beschermde natuur en water’, hoewel hier nog wat extra areaal geleidelijke land-waterovergang wordt gecreëerd: een positieve score (+). Mitigerende maatregelen t.b.v. dit criterium zijn niet aan de orde.
• Beschermde soorten: in de eindsituatie is verstoring van meervleermuis en de lepelaarskolonie niet helemaal uit te sluiten, maar door de natuurontwikkeling pakt het V-VKA voor de meeste soorten goed uit: de score is licht positief (0/+). Na het treffen van mitigerende maatregelen is de score van het V-VKA voor beschermde soorten zelfs positief (+). Ook de ‘variant beschermde natuur en water’ scoort licht positief (0/+) en na mitigerende maatregelen positief (+). • Biodiversiteit: Door de natuurontwikkeling ontstaat meer ruimte voor versterking van de biodiversiteit. Dit maakt een sterke verbetering voor de biodiversiteit mogelijk en scoort ze sterk positief (++). Mitigerende maatregelen zijn niet nodig. De ‘variant beschermde natuur en water’ bevat zelfs nog (iets) meer ruimte voor natuur (in de vorm van geleidelijke land-waterovergangen) en scoort in de eindsituatie dus zeker ook sterk positief op biodiversiteit (++).
24
Haskoning (2023). Passende Beoordeling Waterfront Lelystad.
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
46
4.5
Nadere duiding effecten zandwinning
De Commissie heeft in haar voorlopig toetsingsadvies het volgende aangegeven m.b.t. de onderbouwing van zandwinning vanuit beleid: 1) Het is niet duidelijk of de voorgestelde zandwinning (noodzakelijk voor de landaanwinning) in strijd is met de Kaderrichtlijn Water. Tijdelijke aantasting van de waterkwaliteit is namelijk niet toegestaan. 2) Het is niet duidelijk hoe de zandwinning past in het Programma zandwinning IJsselmeergebied 2025-2050. Effecten van zandwinning op de ecologische waterkwaliteit (in verband met voorwaarden KRW) In subparagraaf 8.6.3 van Hoofrapport Deel B van de MER Waterfront Stedelijke Kust Lelystad uit 2023 (‘Effectbeschrijving en effectbeoordeling’) in paragraaf 8.6 (‘Ecologische Waterkwaliteit’) is aangegeven dat extra materiaal kan neerslaan in een zandwinput. Het mogelijk effect daarvan op de ecologische waterkwaliteit is als volgt geformuleerd: “Het is denkbaar dat met het sedimenterend materiaal ook fosfaat uit de waterkolom verdwijnt. Mogelijk heeft dit via de voedselketen negatieve effecten op macrofauna en vis. De omvang van dit mogelijke negatieve effect en of dit effect daadwerkelijk optreedt is op voorhand niet te voorspellen.” Naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie zijn de mogelijke effecten op de ecologische waterkwaliteit als gevolg van zandwinning en de aanwezigheid van een zandwinput nader geduid.
Permanente effecten Uit waterbalansstudies komt naar voren dat er meer fosfaat wordt aangevoerd dan er wordt afgevoerd. Er lijkt dus ‘ongebruikt’ fosfaat achter te blijven in het Markermeer. Het vermoeden bestaat dat fosfaat wordt onttrokken aan het systeem doordat fosfaathoudend sediment neerslaat in diepe putten 25. Er worden in het Markermeer dan ook lage fosfaatgehalten in de waterkolom gemeten. Dit kan negatieve effecten hebben op de primaire productie (de groei van algen en waterplanten) in het Markermeer en daarmee op de voedseltoestand voor het gehele ecosysteem, inclusief vissen en vogels. Deze redenering wordt echter niet ondersteund door de waarneming dat de visbiomassa de laatste jaren flink is toegenomen. Uit vangstgegevens blijkt dat er in toenemende mate steeds grotere snoekbaarzen worden gevangen. Om als larvale en juveniele snoekbaars te overleven is er voldoende voedsel in de vorm van zoöplankton nodig. Dat zoöplanton blijkbaar in voldoende mate aanwezig is betekent dat er ook voldoende productie aan eetbaar fytoplankton (algen) voor handen is. Daaruit kan worden geconcludeerd dat fosfaat blijkbaar toch beschikbaar blijft voor het ecosysteem. Uit het bovenstaande blijkt dat de processen die verband houden met beschikbaarheid van fosfaat voor het ecosysteem en de rol daarin van diepe putten nog niet volledig zijn doorgrond en nader onderzoek behoeven.
Tijdelijke effecten Het graven van diepe putten kan ook tijdelijke effecten hebben op het ecosysteem en daarmee op de ecologische KRW-kwaliteitselementen. Zoals aangegeven in de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (2022) 26 zijn ook tijdelijke effecten op KRW-doelen die leiden tot tijdelijke achteruitgang niet meer toegestaan. Het bestaande Toetsingskader 27 biedt geen handvatten voor de wijze
25 Berg, Marcel van den, Maarten Platteeuw, Albert Remmelzwaal, Ton Garritsen, Jeroen Postema, Laura Tack, Francien van Luijn, Jos Schilder & Koen Kaffener (2023). Levenskansen van een hongerig Markermeer. 26 Hof van Justitie van de Europese Unie. (2022). Arrest Zaak C-525/20, ECLI:EU:C:2022:350. 27 Rijkswaterstaat. (2024a). Beleidsregel Toetsingskader Waterkwaliteit. https://wetten.overheid.nl/BWBR0046422/2024-01-01, geldend vanaf 1 januari 2024).
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
47
waarop deze uitspraak moet worden toegepast in de praktijk bij vergunningverlening. Daarom is een nieuw Stroomschema ontwikkeld waarmee specifiek tijdelijke effecten kunnen worden beoordeeld. Het graven van een zandwinput leidt tot lokale vertroebeling. In de directe omgeving van de werkzaamheden zal de doorzichttoestand verslechteren en is ‘achteruitgang’ (verlaging in klasse) niet uitgesloten. Dit heeft lokaal ook (licht) negatieve effecten op bijvoorbeeld fytoplankton. Daarom hebben de effecten op waterkwaliteit in de realisatiefase in het MER uit 2023 een ‘score –’ gekregen. Omdat de vertroebeling korter dan drie jaar duurt is er geen sprake van permanente effecten. Tijdelijke lokale effecten zijn onvermijdelijk. Voor dergelijke gevallen is in de aanvulling op het Toetsingskader Waterkwaliteit aangegeven dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan: • er zijn geen alternatieven met minder negatieve effecten; • er wordt gewerkt buiten kritische perioden; • de minst belastende technieken worden toegepast; • de omvang van het gebied waarin vertroebeling plaatsvindt is niet groter dan het toegestane beïnvloedingsgebied. Uit de KRW-toets blijkt dat aan al deze eisen wordt voldaan 28.
Past de beoogde zandwinning in het Programma zandwinning IJsselmeergebied 2025-2050? De Commissie wijst erop dat zandwinning in het Markermeer voor het Waterfront Stedelijke Kust Lelystad vooralsnog niet in het Programma Zandwinning IJsselmeergebied op voor de periode 2025-2050 wordt genoemd. De Commissie vraagt of de in het V-VKA beoogde zandwinning past binnen de kaders voor locaties, dieptes en hoeveelheden. In deze aanvulling op de MER kan daarover nog geen uitspraak worden gedaan, omdat het specifieke Programma Zandwinning in het IJsselmeergebied met ingang van september 2024 is stilgelegd 29. Eerst moet een landelijke strategie voor bouwstoffenwinning zijn afgerond. Pas als bouwgrondstoffenwinning in het IJsselmeergebied in samenhang met mogelijkheden in andere gebieden kan worden beschouwd en de daarmee samenhangende landelijke strategie is vastgesteld kan het Programma Zandwinning IJsselmeergebied verder worden ingevuld.
28
Haskoning (2025). Toetsingskader Waterkwaliteit Rijkswateren Waterfront Lelystad. Ministerie van verkeer & Waterstaat (2024). Voortgang van een aantal bodemgerelateerde Onderwerpen. Brief aan de Tweede Kamer. Kenmerk IENW/BSK-2024/156503.
29
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
48
5
Natura 2000-gebieden en mitigerende maatregelen
Het voorlopig advies van de Commissie N2000-gebied Markermeer & IJmeer Het plangebied ligt in Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. De Passende Beoordeling stelt dat aantasting kan worden uitgesloten door mitigatie. De Commissie benadrukt dat dit in een druk gebied lastig uitvoerbaar en handhaafbaar is en vraagt om gedegen uitwerking en monitoring. De Commissie beveelt aan deze mitigatie verder uit te werken in het vervolgproces en om in te zetten op monitoring waarbij rekening wordt gehouden met cumulatie van (bestaande) verstoringen. N2000-gebied Veluwe Uit de Passende Beoordeling bij het MER blijkt dat er voor Natura 2000-gebied de Veluwe sprake is van een zeer geringe toename van stikstofdepositie (max. 0,01 mol ha/jaar) in gebieden waar de habitattypen er op dit moment al niet goed voor staan. In de Passende beoordeling bij het MER is een goede beschrijving opgenomen van de invloed van stikstof op deze habitattypen en de sturende factoren die daarbij een rol spelen. Verder is goed inzicht gegeven op de staat van de verschillende habitattypen en leefgebieden in het totale Natura 2000-gebied Veluwe. Het MER concludeert dat het significante negatieve gevolgen uitgesloten zijn, maar er ontbreekt een locatiespecifieke beoordeling van de toename. Hierdoor is de juridische houdbaarheid van het bestemmingsplan onzeker.
De Commissie adviseert om het MER, voorafgaand aan het besluit over het bestemmingsplan, aan te vullen met de mitigerende maatregelen voor die specifieke locaties waar sprake is van belasting van stikstofgevoelige habitattypen. Doe dit bij voorkeur door uitstoot van het project zelf te voorkomen (bronmaatregelen). Als desondanks een toename van stikstofdepositie plaatsvindt op overbelaste habitattypen, adviseert de Commissie om de ecologische beoordeling hiervan aan te vullen conform bovenstaande, of om extern te salderen. Aanpak Om te kunnen voldoen aan de vraag zoals gesteld door de Commissie is een nieuwe stikstofberekening nodig met de meest recente AERIUS-versie (oktober 2025). De basis voor het AERIUS-model vormt onder andere het verkeersmodel van de gemeente Lelystad. Het verkeersmodel is sinds het MER in 2023 vernieuwd. Alle alternatieven worden met het nieuwe verkeersmodel opnieuw doorgerekend. Op basis van de uitkomsten kan het zijn dat de eerdergenoemde zeer geringe toename van stikstofdepositie (max. 0,01 mol/ha/jaar) wijzigt. Eventuele nieuwe resultaten worden in deze aanvulling beschreven. Ook wordt ingegaan op de vraag van de Commissie over de locatiespecifieke habitatanalyse.
5.1
Resultaten van het verkeersmodel
Het gehanteerde Strategisch Verkeersmodel Lelystad-Almere STRAVELA is na oplevering van de MER, november 2023, aangepast en geactualiseerd. De nieuwe versie van het model geeft daarmee de meest actuele en accurate prognoses van de verkeersintensiteiten in (mogelijk) toekomstige situaties. Deze paragraaf gaat samenvattend in op de resultaten in het licht van het stikstof- en natuuronderzoek. Een volledige beschrijving van de resultaten van verkeer is te vinden in hoofdstuk 8.1 van deze aanvulling op het MER. Tabel 6 geeft een overzicht van de verkeersintensiteiten op een selectie van wegen in en rond het plangebied voor de referentiesituatie en de drie alternatieven, (opnieuw) berekend met het geactualiseerde model. 28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
49
Tabel 6: Verkeersintensiteiten per alternatief in aantal voertuigen per etmaal (bron: Stravela verkeersmodel)
Wegvak
Referentie
V-VKA
Alternatief zonder landaanwinning
Volwaardig binnendijkse alternatief
1
Houtribweg (ten zuiden van Visarenddreef)
10.930
17.830
12.780
11.490
2
Visarenddreef
8.220
13.500
9.580
14.550
3
Houtribweg (t.h.v. Knardijk)
8.640
9.320
8.610
8.670
4
Westerdreef
36.860
39.170
37.370
38.840
5
Laan van Nieuw Land
24.430
25.310
24.570
25.340
6
Larserdreef (westzijde)
26.210
27.160
26.360
27.040
7
Larserdreef (oostzijde)
39.500
40.160
39.610
40.200
8
Geldersedreef
14.520
14.520
14.490
14.590
9
Visarenddreef
16.930
18.360
17.290
18.650
10
Houtribweg (t.h.v. Vliegende Hert)
7.740
10.370
8.700
4.680
11
Westerdreef
27.160
27.440
27.200
30.870
12
Stationsdreef
10.860
10.890
10.820
11.140
13
Kustendreef
6.910
7.080
6.940
7.040
14
Houtribdreef
20.460
21.570
20.720
20.840
15
Houtribdreef (t.h.v. Kustwijk)
19.440
21.490
19.890
19.290
16
Houtribweg (t.h.v. Bataviaplein)
16.410
14.410
13.770
13.710
17
Houtribsluisbrug
17.530
17.620
17.540
17.570
18
Houtribweg (N307)
12.100
12.580
12.080
12.280
19
A6 (knp. Lelystad Noord)
70.730
70.830
70.700
70.770
20
A6 (t.h.v. Natuurpark)
74.810
74.790
74.840
74.980
21
A6 (knp. Lelystad Airport)
118.850
119.480
118.910
119.780
Als gevolg van de toepassing van het geactualiseerde verkeersmodel wijken deze intensiteiten af van de waarden uit de MER van 2023. In de volgende tabel zijn de verschillen in intensiteiten met de waarden van beide modelruns weergegeven. Een positief getal betekent een hogere waarde, een hogere intensiteit in het nieuwe geactualiseerde verkeersmodel. Te zien is dat de verschillen sterk uiteenlopen per wegvak; op sommige wegvakken zin de verschillen beperkt, op sommige wegvakken zijn deze substantieel. Zowel positieve als negatieve verschillen komen voor. Er is geen sprake van een eenduidig beeld. In het licht van de effectbeoordeling van de alternatieven is wel relevant dat de wijzigingen voor de referentiesituatie 2040 en de beide planalternatieven voor de meeste wegvakken vergelijkbaar zijn. Dit 28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
50
betekent dat de relatieve invloed op de beoordelingscriteria naar verwachting beperkt is en niet onderscheidend voor het ene of het andere planalternatief. Tabel 7: Verschil in verkeersintensiteiten per alternatief: nieuwe model minus oude model (bron: Stravela verkeersmodel)
Wegvak
Referentie
V-VKA
Alternatief zonder landaanwinning
1
Houtribweg (ten zuiden van Visarenddreef)
-270
-1.270
-320
2
Visarenddreef
-480
-1.300
-320
3
Houtribweg (t.h.v. Knardijk)
440
220
410
4
Westerdreef
3.360
3.670
2.270
5
Laan van Nieuw Land
-1.270
-1.790
-1.730
6
Larserdreef (westzijde)
6.010
6.860
5.560
7
Larserdreef (oostzijde)
1.000
1.160
1.110
8
Geldersedreef
4.120
4.120
4.190
9
Visarenddreef
-3.570
-5.340
-3.610
10
Houtribweg (t.h.v. Vliegende Hert)
-160
-330
-300
11
Westerdreef
2.260
1.840
1.200
12
Stationsdreef
160
-310
220
13
Kustendreef
-1.190
-720
-960
14
Houtribdreef
1.060
1.170
920
15
Houtribdreef (t.h.v. Kustwijk)
2.840
1.790
1.490
16
Houtribweg (t.h.v. Bataviaplein)
810
110
-530
17
Houtribsluisbrug
4.130
4.320
4.140
18
Houtribweg (N307)
1.200
1.480
880
19
A6 (knp. Lelystad Noord)
2.830
3.330
2.900
20
A6 (t.h.v. Natuurpark)
110
-10
240
21
A6 (knp. Lelystad Airport)
6.750
5.980
6.010
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
51
5.2
Resultaten stikstofdepositie
De resultaten van AERIUS die ten grondslag liggen aan deze paragraaf zijn opgenomen in bijlage 3. Resultaten in het MER 2023 In 2023 is met de op dat moment meest actuele versie van AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie MER 2023, Bijlagerapport). AERIUS berekent depositie tot op 25 kilometer de bronnen. De noordwestrand van Natura 2000-gebied de Veluwe bij Harderwijk ligt nog net binnen deze 25 km. Daarom is ook maar op een heel beperkt oppervlak een toename berekent. Voor Natura 2000-gebied de Veluwe is voor het VKA in 2023 een maximale depositietoename in de eindsituatie berekend van 0,01 mol N/ha/jr op drie habitattypen en vier leefgebieden voor in totaal vier soorten waar toen sprake was van een (naderende) overschrijding van de KDW. In de realisatiefase is er een tijdelijke maximale depositietoename van 0,01 mol N/ha/jr berekend voor een habitattypen en een leefgebied voor twee soorten. Voor de ecologische effectbeoordeling van deze depositietoename is een Passende Beoordeling opgesteld (Royal HaskoningDHV, 2023). Eindsituatie Uit de Passende Beoordeling blijkt het volgende: • Voor Droge heiden (H4030) is de maximale planbijdrage 0,01 mol N/ha/jr ter hoogte van 2,84 ha (0,03% van totaal areaal) waar sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW (achtergronddepositie plus projectbijdrage).
• Voor Zandverstuivingen (H2330) is de maximale planbijdrage ook 0,01 mol N/ha/j ter hoogte van 20,95 ha (0.9% van totaal areaal) waar sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW (achtergronddepositie plus projectbijdrage). • Voor Stuifzandheiden met struikhei (H2310) is de planbijdrage 0,01 mol N/ha/j ter hoogte van 2,9 ha (0,2% van totaal areaal) waar sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW (achtergronddepositie plus projectbijdrage). In alle gevallen betreft het een uitermate beperkte toename op een fractie van het totale areaal. Daarom is de conclusie in het MER 2023 voor deze habitattypen dat de zeer geringe toename van stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/j als gevolg van het plan niet zal leiden tot meetbare of merkbare effecten op de kwaliteit of de omvang van het habitattype. De leefgebieden waarop een toename berekend is betreft vogelsoorten waarvan er zes (deels) afhankelijk zijn van stikstofgevoelige leefgebieden. Voor elk van deze soorten is geconcludeerd dat de berekende toename van stikstofdepositie geen significant negatieve gevolgen kan hebben voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.
Realisatiefase De depositietoename tijdens de realisatiefase betrof in 2023 maximaal 0,01 mol N/ha/j op een zeer klein areaal van H2330 Zandverstuivingen (0,004 ha, 0,0002% van totaal areaal van dit habitattype) en Lg13 Bos van arme zandgronden (0,42 ha). Lg13 is leefgebied van de draaihals en zwarte specht. Het beïnvloedde areaal betreft 0,0006% van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de draaihals en 0,0008% van die van de zwarte specht. Deze toenames zijn uitermate gering en vooral tijdelijk waardoor dat geen invloed heeft op de trend in de depositie-ontwikkeling. De tijdelijke en geringe toenames van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van Waterfront leiden daardoor ook niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot H2330 Zandverstuivingen en Lg13 Bos van arme zandgronden (leefgebied van draaihals en zwarte specht). De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de aanleg van Waterfront aan deze habitats wordt toegevoegd is dermate gering dat geen meetbare veranderingen in biomassa van planten optreden. Ook het optreden 28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
52
van bodemverzuring als gevolg van de eenmalige en geringe toename, wat zou kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten, is uitgesloten. Daarmee zijn significant negatieve gevolgen voor H2330 Zandverstuivingen en de leefgebieden van draaihals en zwarte specht als gevolg van stikstofdepositie tijdens de realisatiefase op voorhand uitgesloten. De eindconclusie van het MER en de Passende Beoordeling uit 2023 was dat de berekende tijdelijke en permanente toenames van stikstofdepositie dusdanig beperkt waren in hoeveelheid en aandeel van het areaal dat mogelijke significant negatieve effecten uitgesloten konden worden. Nieuwe resultaten Voor deze aanvulling op het MER is een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd op basis van de uitkomsten van het nieuwe verkeersmodel. Hierbij is gebruik gemaakt van de meest recente versie van AERIUS-calculator (2025) en zijn de alternatieven en varianten uit de aanvulling gebruikt. Ook in deze nieuwe berekeningen zijn weer kleine stikstofdeposities berekend op Natura 2000-gebied de Veluwe. Het betreft grotendeels dezelfde habitattypen en leefgebieden omdat deze immers nog steeds binnen de 25 kilometer contour liggen van de emissiebronnen van het project. De maximale depositie voor het V-VKA in de eindsituatie is net als in 2023 0,01 mol N/ha/jr/.
In de realisatiefase is er voor sommige varianten een tijdelijke depositietoename van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. Dit kan het gevolg zijn van kleine veranderingen in de invoer, maar ook door iets andere waarden en berekening door de nieuwere versie van AERIUS-calculator. Voor het alternatief zonder landaanwinning is zowel voor de realisatiefase als in de eindsituatie geen toename van stikstofdepositie berekend. Voor dit alternatief is dus geen nadere toetsing aan stikstofdepositie van toepassing. Voor het volwaardig binnendijkse alternatief (VBA) is zowel in de realisatiefase als in de eindsituatie een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jr berekend. Deze nieuwe resultaten zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 8: Maximale stikstofdepositiebijdrage (mol/ha/jaar) op het Natura 2000-gebied Veluwe
Maximale projectbijdrage (mol/ha/jaar) - Veluwe Gebied
Realisatiefase – 1e jaar (2030)
V-VKA
0,01
V-VKA – variant zonder strand bij Saerdam
0,01
V-VKA – variant zandcunet waterkering
0,02
V-VKA – variant zand uit de vaargeul
0,02
V-VKA – variant zand aangevoerd met schepen
0,02
Alternatief zonder landaanwinning Volwaardig binnendijks alternatief
28 april 2026
Realisatiefase – 2e jaar (2031)
Eindsituatie (2040)
0,01
0,01
0,00
0,00
0,00
0,00
0,01
0,01
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
53
5.3
Voortoets realisatiefase
Realisatiefase De conclusies als gevolg van deze nieuwe berekeningen zijn voor de realisatiefase van het VKA niet anders dan in 2023. In de realisatiefase is er ook nu sprake van een zeer kleine toename van de stikstofdepositie die tijdelijk is en bovendien slechts een klein deel van het Natura 2000-gebied en de daarin liggende habitattypen en leefgebieden raakt. Die extra depositie is daardoor te gering en beperkt in areaal en tijd om een meetbaar of merkbaar effect op deze natuurdoelen te kunnen hebben. Dezelfde conclusie geldt ook voor het volwaardig binnendijkse alternatief. Voor het alternatief zonder landaanwinning is geen toename berekend, waardoor voor dit alternatief al in de voortoets geconcludeerd kan worden dat er geen kans is op sprake van mogelijk significant negatieve effecten in de realisatiefase of in de eindsituatie. Daardoor is een verdere toetsing van het alternatief zonder landaanwinning niet van toepassing en is ook geen vergunning OW Natura 2000 – activiteit van toepassing. Eindsituatie Voor de eindsituatie van het V-VKA is een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jr berekend op 4 habitattypen en 4 leefgebieden. In alle gevallen betreft dit een klein tot zeer klein deel van het totale areaal van de habitattypen of leefgebieden. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 9: Maximale stikstofdepositiebijdrage (mol/ha/jaar) van het V-VKA in de eindsituatie per habitattypen en leefgebied en de betrokken oppervlakte.
Maximale toename in mol N/ha/jr
Oppervlakte met toename in ha
% van totale oppervlakte
Zandverstuivingen
0,01
3,71
0,20%
H2310
Stuifzandheiden met struikhei
0,01
3,82
0,33%
ZGH2310
Stuifzandheiden met struikhei
0,01
0,99
1,90%
H4030
Droge heiden
0,01
1,09
0,01%
ZGH4030
Droge heiden
0,01
0,56
0,52%
H6230dka
Heischrale graslanden, droog kalkarm
0,01
0,08
0,01%
Lg09
Droog struisgrasland
0,01
0,08
0,01%
Lg13
Bos van arme zandgronden
40,84
0,15%
Lg14
Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
33,28
0,11%
L4030
Droge heiden
0,01
6,79
0,16%
Code
Habitattype
H2330
0,01
Voor de eindsituatie van het volwaardig binnendijkse alternatief is ook een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jr berekend op 6 habitattypen en 4 leefgebieden. In alle gevallen betreft dit een klein deel van het totale areaal van de habitattypen of leefgebieden. De totale oppervlakte van het Natura 2000-gebied waarop deze depositie berekend is, is wat groter dan voor het V-VKA omdat veel van de bronnen een paar honderd meter richting het Natura 2000-gebied opgeschoven zijn. Daardoor ligt de 25 km contour 28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
54
ook een paar honderd meter verder over dat gebied met als gevolg dat de daarinliggende habitattypen en leefgebieden bij de AERIUS-berekening betrokken worden. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel. De feitelijke depositie op dezelfde natuurwaarden ligt daarnaast gemiddeld ongeveer 0,005 mol N/ha/jr hoger dan voor het V-VKA. Dit is door de afronding op twee decimalen niet zichtbaar maar blijkt wel uit de AERIUS-berekeningen. Tabel 10: Maximale stikstofdepositiebijdrage (mol/ha/jaar) van het volwaardig binnendijkse alternatief in de eindsituatie per habitattypen en leefgebied en de betrokken oppervlakte.
Maximale toename in mol N/ha/jr
Oppervlakte met toename in ha
% van totale oppervlakte
Stuifzandheiden met struikhei
0,01
17,33
1,5%
ZGH2310
Stuifzandheiden met struikhei
0,01
14,04
26,9%
H2330
Zandverstuivingen
0,01
53,30
2,8%
ZGH2330
Zandverstuivingen
0,01
1,83
1,1%
H4030
Droge heiden
0,01
1,99
0,0%
ZGH4030
Droge heiden
0,01
1,00
0,9%
H6230dka
Heischrale graslanden, droog kalkarm
0,01
0,26
0,0%
ZGH6230dka
Heischrale graslanden, droog kalkarm
0,01
0,78
0,6%
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
115,36
2,0%
ZGH9120
Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
0,76
0,6%
H9190
Oude eikenbossen
0,01
32,37
2,9%
ZGH9190
Oude eikenbossen
0,01
4,84
9,3%
L4030
Droge heiden
15,31
0,4%
Lg09
Droog struisgrasland
0,01
1,88
0,3%
Lg13
Bos van arme zandgronden
0,01
1208,47
4,5%
Lg14
Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
512,04
1,7%
Code
Habitattype
H2310
0,01
In de eindsituatie is voor zowel het V-VKA als het volwaardig binnendijkse alternatief een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr berekend. Hoewel ook hiervoor geldt dat dit geen meetbare of merkbare ecologische gevolgen kan of zal hebben op de stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden, is het gebruikelijk dit passend te beoordelen. Voor het MER in 2023 is dit uitgewerkt in een Passende Beoordeling (Royal HaskoningDHV, 2023).
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
55
5.4
Passende beoordeling
Voor het V-VKA en volwaardig binnendijkse alternatief is in de eindsituatie een permanente toename van stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr berekend op grotendeels dezelfde habitattypen en leefgebieden als in 2023. In de passende beoordeling uit 2023 is reeds een uitgebreide effectbeoordeling van deze zeer kleine toename van de stikstofdepositie opgesteld. Deze ecologische effectbeoordeling is nog onveranderd van toepassing omdat het gaat om dezelfde of zeer vergelijkbare habitattypen en leefgebieden. In beide gevallen gaat het ook weer om de minimale depositietoename (0,01 mol N/ha/jr) en een klein percentage van het totale areaal van de betreffende habitattypen en leefgebieden waarvoor een ecologisch beoordeling vanuit de gebruikte toetsingssystematiek van toepassing blijft.
5.4.1
Locatiespecifieke habitatanalyse
De Commissie heeft adviezen gegeven ten aanzien van het verbeteren van het MER en de Passende Beoordeling uit 2023. Ten aanzien van de Passende Beoordeling werd met name gevraagd om een meer locatiespecifieke habitatanalyse toe te voegen. Het effectgebied van de stikstofdepositie betreft het noordwestelijke deel van het Natura 2000-gebied ter hoogte van globaal de Ermelosche Heide, het Leuvenumse Bos en het Hulshorsterzand. Sinds het opstellen van de Passende Beoordeling heeft de Ecologische Autoriteit een advies afgegeven over de Natuurdoelanalyse voor de Veluwe (2024). Een van de voornaamste aanbevelingen is om beter naar de Veluwe als geheel te kijken. Bij de uitwerking van dat advies wordt gesproken over schaalniveaus en de onderlinge samenhang. In de Passende Beoordeling is uitgebreid ingegaan op de status, kwaliteit en voorkomen van de habitattypen en leefgebieden waarop de toename van de depositie berekend is voor het gehele Natura 2000-gebied. De natuurdoelanalyse (NDA) bevat alleen beschrijvingen van habitattypen en leefgebieden op hoofdlijnen waardoor hieruit geen relevante en recente informatie verkregen kan worden over de lokale situatie van de habitattypen en leefgebieden waarop de depositietoename berekend is. De NDA is grotendeels gebaseerd op het beheerplan voor de Veluwe 30.
Ook het beheerplan gaat vooral over de hoofdlijnen en daarin is geen locatiespecifieke informatie te vinden. Dus de gebruikelijke bronnen voor een passende beoordeling bieden geen geschikte aanknopingspunten voor een nadere locatiespecifieke habitatanalyse.
30
Provincie Gelderland. 2018. Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057). Natura 2000 Veluwe. Provincie Gelderland, Arnhem.
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
56
De provincie Gelderland heeft een serie documenten laten opstellen met herstelprogramma’s zoals het Herstelprogramma Heiden en stuifzanden (2023). Dit programma bevat zelf geen detailinformatie over de betreffende gebieden, maar is gebaseerd op synthesedocumenten voor deelgebieden. Het document maakt onderscheid in 12 deelgebieden, waarmee ook recht wordt gedaan aan de grote geomorfologische variatie op de Veluwe. Het deel van de Veluwe waarop de toename als gevolg van het project een depositietoename berekend is, is onderdeel van drie deelgebieden: 1. Elspeetse Heide-Vierhouten; 2. Leuvenumse BosHulshorsterzand; 3. Ermelosche Heide-StaverdenHoutdorperveld.
Figuur 20: Locatie met planbijdrage van 0,01 mol N/ha/j (licht geel) ter hoogte van habitattype H4030 Droge heiden (blauwpaars) binnen Natura 2000-gebied Veluwe (groen)
Deze synthesedocumenten zijn niet beschikbaar en niet toepasbaar voor deze analyse. In het herstelprogramma zelf is geen nadere informatie over de staat van de habitattypen of leefgebieden per deelgebied gevonden. Daarmee bleek een locatiespecifieke habitatanalyse binnen het kader van de Passende Beoordeling niet verder mogelijk. Het nut van een dergelijke nadere analyse voor een toename van de stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr lijkt ook beperkt. 0,01 mol komt overeen met globaal 1/150.000 tot 1/200.000e deel van de totale stikstofdepositie op deze habitattypen en leefgebieden. Op basis van de nieuwe AERIUS-berekeningen blijven de conclusies uit de Passende Beoordeling uit 2023 dat bij een maximale toename van stikstofdepositie van 0,01 mol N /ha/jr op hooguit enkele procenten van een habitattype of leefgebied binnen Natura 2000-gebied Veluwe, mogelijke significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden, onverminderd geldig. Daarnaast is relevant op te merken dat AERIUS-monitor aangeeft dat tussen 2025 en 2030, dus ruim voor de eindsituatie van dit project, de verwachting is dat op basis van reeds vastgesteld beleid, de achtergronddepositie tussen ordegrootte 150 en 300 mol N/ha/jr zal dalen ten opzichte van 2025. De maximale extra bijdrage van het project vertraagd dus die afname met minder dan 0,01%.
Ook op basis daarvan kan uitgesloten worden dat de eindsituatie van het project een significant negatief effect kan veroorzaken.
5.4.2
Conclusies passende beoordeling eindsituatie
De berekende depositietoename van 0,01 mol N/ha/jr in de eindsituatie voor het V-VKA en het volwaardig binnendijkse alternatief, heeft geen meetbaar of merkbaar ecologisch effect. Op basis daarvan kan een significant negatief effecten op gevoelige habitattypen en soorten uitgesloten worden.
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
57
6
Stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit
Het voorlopig advies van de Commissie Het doel om Lelystad meer naar het water te brengen is duidelijk, maar in het MER ontbreken ruimtelijke-planologische criteria en een evaluatie van de plannen daarop. Vooral voor Meerdijkhaven en Saerdam is weinig beleid vastgesteld, waardoor de plannen op punten zelfs tegenstrijdig lijken met bestaand beleid. Belangrijke ontbrekende beschouwingen: • Gevolgen van buitendijkse woonbuurten voor beleidsambities en doelen van Lelystad. • Relatie met de Woonvisie (groei met 40.000 woningen). • Effecten van de ligging op 5 km van het stadshart, gescheiden door industrie en Houtribweg (impact op mobiliteit en sociale veiligheid). • Hoe de gekozen organische stedenbouwkundige opzet past binnen de orthogonale structuur van Lelystad. • Gevolgen van dynamiek van zandlandschappen op een stormgevoelige plek voor beheer en wooncomfort. De Commissie adviseert om het MER, voorafgaand aan het besluit over het bestemmingsplan, aan te vullen met een analyse en beoordeling van ruimtelijke-planologische criteria geformuleerd op basis van vastgestelde gemeentelijke beleidsvoornemens. Ga in ieder geval in op de hiervoor genoemde aspecten.
6.1
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van het Waterfront op het thema stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit. De effectbeoordeling van dit thema is gebaseerd op de volgende criteria: Tabel 11: Wijze van beschouwing aspecten stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit in het kader van het MER
Aspecten
Criteria
Stedenbouw
Ruimtelijke kwaliteit
6.2
•
Mate waarin het plan past bij de identiteit en de karakteristiek van Lelystad
•
Bijdrage aan de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde
Analyse •
Kwalitatieve analyse van de mate waarin het plan past bij de identiteit en de karakteristiek van Lelystad op structuurniveau met lijnen, punten en vlakken.
•
Kwalitatieve analyse van de mate waarin het plan past bij de identiteit en de karakteristiek van Lelystad op structuurniveau met lijnen, punten en vlakken.
Beleid, wet- en regelgeving
Hieronder wordt voor het thema stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit de wet- en regelgeving en het beleidskader omschreven welke direct of indirect van invloed zijn op de ontwikkeling van het Waterfront. Het gaat daarbij om bestaande en vastgestelde plannen en om (in de nabije toekomst) van kracht zijnde wet- en regelgeving die kaderstellend kunnen zijn voor de ontwikkeling.
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
58
Tabel 12: Wet- en regelgeving: nationale wet- en regelgeving
Wettelijk kader
Relevantie voor Waterfront Nationale beleid, wet- en regelgeving De Omgevingswet vormt het overkoepelende wettelijke kader voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. De wet stuurt op: • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; • het bereiken en behouden van een goede ruimtelijke kwaliteit; • integrale afweging van ruimtelijke belangen.
Omgevingswet
Voor stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit is met name relevant dat ruimtelijke kwaliteit expliciet onderdeel is van de afweging; ontwikkelingen moeten bijdragen aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Nationale Omgevingsvisie 2020
De Nationale Omgevingsvisie bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de inrichting van Nederland. Relevante uitgangspunten voor het Waterfront zijn: • zorgvuldig ruimtegebruik; • versterking van ruimtelijke kwaliteit bij verstedelijking; • combineren van functies waar mogelijk; • aandacht voor identiteit en samenhang van gebieden.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in het omgevingsrecht en relevant bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De Ladder stuurt op: • zorgvuldig ruimtegebruik (locatiekeuze); • benutting van bestaand stedelijk gebied (samenhang); • goede ruimtelijke inpassing (intensiteit en schaal van bebouwing.
Tabel 13: Wet- en regelgeving: provinciale en regionale beleid
Wettelijk kader
Relevantie voor Waterfront Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie FlevolandStraks 2017
De vigerende provinciale Omgevingsvisie FlevolandStraks bevat de volgende relevante uitgangspunten voor stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit: • versterking van de ruimtelijke identiteit van Flevoland; • zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte; • kwaliteit boven kwantiteit bij verstedelijking; • herkenbare overgangen tussen stad, landschap en water. Voor stedelijke ontwikkelingen benadrukt de provincie: • samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en landschap; • aandacht voor schaal, maat en structuur; • behoud en versterking van karakteristieke ruimtelijke elementen.
MRA Verstedelijkingsconcept 2050
28 april 2026
Het MRA Verstedelijkingsconcept 2050 beschrijft de langetermijnstrategie voor verstedelijking binnen de Metropoolregio Amsterdam. Lelystad wordt hierin benoemd als onderdeel van het regionale stedelijke netwerk, met ruimte voor groei en kwalitatieve stedelijke ontwikkeling. MRA benadrukt het belang van kwalitatieve stedelijke verdichting en aantrekkelijke woonmilieus en benutting van bestaande steden en strategische locaties aan water.
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
59
Tabel 14: Wet- en regelgeving: gemeentelijk beleid
Wettelijk kader
Relevantie voor Waterfront Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Lelystad 2050
De Omgevingsvisie Lelystad 2050 vormt het leidende beleidskader op gemeentelijk niveau. Voor stedenbouw en ruimtelijke kwaliteit zijn de volgende uitgangspunten relevant: • versterking van de bestaande stad; • kwalitatieve verdichting met aandacht voor leefbaarheid; • benutten van bestaande kwaliteiten van stad, water en landschap; • behoud en versterking van ruimtelijke samenhang en identiteit. In de Omgevingsvisie is het Waterfront benoemd als visitekaartje van de stad. De visie heeft aandacht voor de overgang tussen stad en water en stelt hoge eisen aan stedenbouwkundige opzet, openbare ruimte en beleving.
Kustvisie Lelystad 2030
De Kustvisie Lelystad 2030 is een thematische visie voor de ontwikkeling van de kustzone van Lelystad en vormt een belangrijk beleidsmatig kader voor de ontwikkeling van het Waterfront. In de visie wordt de kustzone gepositioneerd als overgangsgebied tussen stad, water en natuur, met een sterke nadruk op ruimtelijke kwaliteit, beleving en identiteit. De Kustvisie zet in op: • het versterken van de stedenbouwkundige samenhang langs de kust; • het verbeteren van de ruimtelijke relatie tussen de stad en het Markermeer; • het ontwikkelen van een aantrekkelijk en onderscheidend waterfrontmilieu; • hoge kwaliteit van openbare ruimte, bebouwing en zichtlijnen.
Omgevingsplan gemeente Lelystad
Het omgevingsplan bevat de juridisch bindende regels voor gebruik en bebouwing. Het omgevingsplan is relevant als kader voor: • toegestane functies; • bouwmogelijkheden en maatvoering; • randvoorwaarden voor ruimtelijke kwaliteit.
Welstandsnota, beeldregie- en beeldkwaliteitsplannen
De gemeente Lelystad hanteert beleid voor welstand en beeldkwaliteit, gericht op: • samenhang in bebouwing; • kwaliteit van architectuur en openbare ruimte; • aansluiting bij de stedenbouwkundige structuur.
Het bovenstaande beleidskader beschrijft het huidige ruimtelijke en stedenbouwkundige beleid dat richtinggevend is voor de ontwikkeling van het Waterfront. Om dit beleid en de daarin gemaakte keuzes goed te kunnen duiden, is het relevant inzicht te geven in de ontstaansgeschiedenis van Lelystad en de planologische en stedenbouwkundige besluiten die hebben geleid tot de huidige ruimtelijke structuur. Tijdslijn Lelystad en Waterfront Ondanks de ligging aan het water was Lelystad economisch gezien niet afhankelijk van het water. Althans niet in die mate waarin vroeger de Zuiderzeestadjes afhankelijk van water waren en waardoor deze steden zich hebben kunnen ontwikkelen. In het kader van de Zuiderzeewerken was de ligging van Lelystad aan het water meer symbolisch. Een belangrijk deel van het water was bovendien bestemd voor de inpoldering van de Markerwaard. Dit was een van de grondslagen van Lelystad 31.
31
1964 structuurplan Lelystad C. van Eesteren; 1969 Structuurschema voor de ontwikkeling van Lelystad
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
60
Begin jaren tachtig ontstond twijfel over de wenselijkheid van deze inpoldering. Met het ‘Structuurplan 1975-2000’ 32 en de ‘Structuurvisie Lelystad’ uit 1992 33 is de betrokkenheid aan het water geleidelijk aan het toenemen en worden er ook woonfuncties aan en net over de dijk voorzien. Met het ‘Masterplan versnelde groei’ 34 werd ook echt een trendbreuk ingezet. Het toeristisch recreatieve klimaat aan de kust moest versterkt worden. Het Waterfront werd hierbij gezien als het visitekaartje van de stad. Door de kust te ontwikkelingen kan Lelystad op een andere wijze invulling geven aan de centrale positie die Lelystad inneemt in het IJsselmeergebied. Met de rapportage van de Lelystadtafel 35 die in opdracht van VROM is opgesteld constateert het Rijk dat de betrokkenheid van het Rijk niet afzijdig kan blijven. Door de stad aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats kan het inwoneraantal toenemen. Aangegeven wordt dat dit met name ook bereikt kan worden door de stad meer bij het water te betrekken. De gedachten gingen hierbij uit naar de aanleg van havens, attracties aan en in het water, bepaalde horeca, culturele voorzieningen, winkelvoorzieningen maar ook woningbouw om de stad zich volop aan het water te laten manifesteren. Op termijn kon daarbij ook gedacht worden aan bewoonde eilanden, landtongen etc.
Met het ambitieuze ‘Structuurmodel kust’ uit 1999 36 is dit uitgewerkt, waarbij ook stevige buitendijkse ontwikkelingen voorzien werden. In de ‘5e nota ruimtelijke ordening’ 37 is de reservering voor de Markerwaard niet meer te zien. Lelystad krijgt een uitzonderingspositie ten aanzien van de bebouwingsvrije zone voor buitendijkse ontwikkelingen. Zo wordt bij monde van het Rijk ruimte geboden voor een waterfrontontwikkeling, eventueel net over de rand van de primaire kering waarmee ze zich, net als historische steden, kan oriënteren op het water. In 2003 is tenslotte definitief besloten de Markerwaard niet meer aan te leggen. Met het ‘Structuurplan Lelystad 2015’ (2005) 38 is de ontwikkeling van een geactualiseerde visie op de kust als sleutelproject opgenomen. De kustzone moest integraal een goed functionerend gebied worden. Als onderdeel van deze visie werden ook wooneilanden voorzien, maar tot 2015 is het idee om een begin te maken met kleinschalig buitendijks bouwen. Het eerste project moest Meerdijkhaven worden. Met het eerste ‘Nationaal Waterplan’ uit 2009 39 ontstond er een discussie over buitendijkse gebieden waarbij met name de waterveiligheid en waterberging een rol speelden.
Besloten werd om in te zetten op meerlaagsveiligheid, de verantwoordelijkheid voor veiligheid bij buitendijkse ontwikkelingen primair bij de initiatiefnemer te laten en de ruimte voor buitendijkse ontwikkelingen drastisch te beperken. Ook hier kreeg Lelystad een uitzonderingspositie in de vorm van 150 ha vrijstellingsruimte voor waterbergingscompensatie ten behoeve van woondoeleinden, daaraan gerelateerde activiteiten en een overslaghaven. Deze ruimte kon zowel ingezet worden voor het Markermeer als het IJsselmeer. In het Barro van 2011 40 is dit vastgelegd in de vorm van specifieke regels. In 2014 vond er een lichte actualisatie van het ‘Structuurplan Lelystad 2015’ 41 plaats. Hierbij is nog meer aandacht voor toerisme en recreatie aan de kust in relatie tot Marker Wadden en Trintelhaven ontstaan, maar geen aangepaste plannen voor wonen.
32
1978 Structuurplan Lelystad 1975-2000 1992 Structuurvisie Lelystad 34 1996 Masterplan versnelde groei 35 1997 Rapportage van de Lelystadtafel 36 1999 Structuurmodel Kust 37 2001 Planologische kernbeslissing 5e nota ruimtelijke ordening 38 2005 Structuurplan Lelystad 2015 39 2009 Nationaal Waterplan 2009-2015 40 2011 Barro 41 2014 lichte actualisatie structuurplan 2015 33
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
61
In juni 2018 hebben rijk, provincie en Lelystad een samenwerkingsovereenkomst ‘Lelystad Next Level’ ondertekend om van Lelystad een aantrekkelijke, duurzame stad te maken die financieel gezond en zelfstandig is. Met de uitwerkingen hiervan ontstond de strategische agenda 42 waarbij Lelystad, mede in het licht van de ligging te midden van het Nationaal Park Nieuwland een herkend profiel als Hoofdstad van de nieuwe natuur moest krijgen. Met het hierop volgend ‘Koersdocument 2040’ 43 wordt meegegeven dat Lelystad niet alleen Hoofdstad van de nieuwe natuur is, maar dat met de ingezette ontwikkelingen aan de suburbane kwaliteiten als typische New Town een tweede kwaliteit is toegevoegd: een aantrekkelijke kuststad. Dit document is de bouwsteen geweest voor verdere uitwerkingen. Zo is in 2020 de ‘Kustvisie Lelystad 2030’ 44 vastgesteld. De visie gaat nadrukkelijk ook uit van het realiseren van buitendijks wonen. Met name in het gebied dat de stedelijke kust wordt genoemd (Meerdijkhaven - Bataviakwartier). Ook bij jachthavens wordt i.v.m. noodzakelijke functieverbreding recreatief wonen voorzien. Op het schiereiland en het eerste eiland bij kop Knardijk wordt (recreatief) wonen niet uitgesloten. Met deze Kustvisie wil Lelystad de ruimtelijke kwaliteit en de aantrekkingskracht van de stad vergroten en daarmee bijdragen aan de versterking van de economie van de stad en de regio.
Met het uitvoeringsprogramma Lelystad Next Level 45 wordt vervolgens ingezet op de doorontwikkeling van gebiedsprogramma's waaronder ook de kust in het licht van de kustvisie. Inzet hierbij is ook de woningbouw aan de kust te versnellen.
6.3
Onderzoeksaanpak en uitgangspunten
In het MER zijn de alternatieven vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie plus alle autonome ontwikkelingen die doorgang vinden, ook als de beoogde ontwikkeling van het Waterfront niet plaatsvindt. Voor de beschrijving van de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen zijn verschillende onderzoeksmethodes gebruikt. Door middel van kaartmateriaal en beleidslijnen in het ontstaan van Lelystad is de huidige situatie geanalyseerd op structuurniveau. Hieronder is verder toegelicht hoe dit bepaald is. Zeven kenmerkende principes van Lelystad In de opbouw van de Lelystad door de decennia ’s heen zijn de zeven kenmerkende ruimtelijke principes welke de basis hebben gevormd voor Lelystad 46 nog steeds zichtbaar. Deze zijn op structuurniveau leidend voor de stad. Om de verschillende alternatieven en varianten in dit MER met elkaar te kunnen vergelijken is vanuit stedenbouw bewust gekozen om op structuurniveau te beoordelen. Deze zeven principes vormen de basis voor de beoordeling van de alternatieven en varianten. Het uitgangspunt is om respectvol om te gaan met deze principes. Onderstaand zijn de zeven ruimtelijke principes kort beschreven: 1. Orthogonale structuur en stadswegen Vanuit het modernistische gedachtegoed heeft Lelystad een min of meer hiërarchieloos grid van stadswegen (dreven).
Ze vormen de basis voor de stad, zorgen voor ‘lucht’ en worden gekoesterd.
42
2019 Strategische Agenda Lelystad Next Level 2020 Koersdocument 2040 44 2020 Kustvisie Lelystad 2030 45 2021 Uitvoeringsprogramma Lelystad Next Level 46 Afkomstig uit het Ruimtelijk Raamwerk (2019) 43
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
62
2. Scheiding van functies Lelystad is een stad met een strikte functiescheiding. Wonen, werken, recreatie, voorzieningen en verkeer zijn van elkaar gescheiden. Het levert rustige woonbuurten en bedrijventerreinen op waar wonen geen belemmering voor de bedrijfsuitoefening betekent, een groot goed. Elke woonbuurt heeft zijn eigen structuur en richting binnen de orthogonale structuur van de dreven. 3. Kruisingsvrij netwerk voor fietsers en voetgangers Lelystad kent een unieke structuur van vrijliggende fietspaden en ongelijkvloerse fiets/wandelbruggen. Zij geven Lelystad het unieke karakter en zorgen voor een uitgebreid fietsnetwerk. 4. Polycentrische voorzieningenstructuur Iedere woonwijk heeft zijn eigen centrum met eigen basisvoorzieningen. In de loop van de decennia hebben vele veranderingen plaatsgevonden; sommige centra zijn gegroeid, ander zijn gekrompen of leiden een zieltogend bestaan. Daarnaast zijn winkelconcentraties ontstaan, zoals Tjalk, voortgekomen uit een bedrijventerrein. Het beeld is divers, maar iedere wijk heeft in principe nog zijn centrum(voorzieningen) zoals winkels, basisscholen en/of multifunctionele accommodatie (MFA). Bijzonder is daarnaast de positie van het Lelycentre en het Stadshart. Het Lelycentre is het oorspronkelijke centrum dat nog steeds een belangrijke winkelfunctie heeft voor Lelystad.
Het Stadshart is het stadscentrum: het bestuurscentrum, winkels (dagelijks en niet dagelijks), ovknooppunt, horeca en het culturele centrum. 5. Bescherming van de jonge polderstad Rond de stad zijn grootschalige bossen aangeplant. Deze zijn de afgelopen vijftig jaar uitgegroeid tot volwaardige bosgebieden met hoge natuur- en recreatieve waarden en zijn nog steeds in ontwikkelingen. De recentere Oostvaardersplassen en Marker Wadden completeren de gordel van natuurgebieden rond de (polder)stad. 6. Geleidelijke schaalovergangen Lelystad is verfijnd ontworpen waardoor de groene zone vanuit de grote groengebieden rondom de stad tot ver in het stedelijk gebied doordringt. De groene zone transformeert van weidse zones rondom de stad (zoals het Zuigerplasbos) tot smalle stadsparken in de stad zelf (bijvoorbeeld Zilverpark, Bultpark, Punterpark en Woldpark). Een onderscheidende kwaliteit van formaat voor Lelystad. 7. Landschappelijke lijnen De dreven in Lelystad fungeren als groene, lange lijnen. Ze verbinden de stadswijken met het landschap en zijn zeer beeldbepalend voor Lelystad. Vanuit de route hebben alle dreven van oudsher dezelfde landschappelijke beleving. In de Omgevingsvisie Lelystad 2050 wordt er wel een koers ingezet waarbij er onderscheid in de dreven gemaakt kan worden om de identiteit per dreef en oriëntatie te versterken.
In de ‘Omgevingsvisie Lelystad 2050’ is het hoofddoel het versterken van de bestaande stad en evenwichtige, kwalitatieve groei voor zowel bestaande als nieuwe inwoners. Lelystad wil de groei benutten om de kwaliteit van bestaande wijken te verbeteren. Groei wordt niet allen in letterlijke zin bedoeld (het bouwen van meer woningen, voorzieningen en werk), maar ook in figuurlijke zin, een stad die groeit in leefkwaliteit en levendigheid. Een toekomstbestendige stad waar de energie-, warmte-, grondstoffen en mobiliteitstransitie hun plek hebben gevonden. Lelystad wil werken aan kwalitatieve groei: de ontwikkeling van de economie, recreatie, voorzieningen, infrastructuur, natuur en een gezond stedelijk leven. 28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
63
Dit hoofddoel valt uiteen in vijf hoofdlijnen die met elkaar samenhangen en elkaar versterken. 1. Stedelijke ontwikkeling: Lelystad groeit kwalitatief binnen de bestaande stad en met haar inwoners met als één van de ambities: Lelystad zorgt voor locaties met stedelijke betekenis 2. Robuust natuurlijk raamwerk: Lelystad groeit kwalitatief doordat de kwaliteit van de natuur meegroeit met de stad waarbij de natuur beleefbaar, divers en verbonden is. 3. Sterke en beleefbare economie: Lelystad versterkt haar economische positie in de regio door haar vestigingsklimaat te versterken. 4. Duurzame ontwikkeling: Lelystad wordt een toekomstbestendige stad waar de energie-, warmte-, grondstoffen en mobiliteitstransitie hun plek hebben gevonden. 5. Bereikbare basis: Lelystad wordt een stad waarin iedereen op een efficiënte, (sociaal)veilige en duurzame manier kan reizen en waarin bewegen een vanzelfsprekend onderdeel is van het dagelijkse leven. Binnen de hoofdlijnen zijn diverse ambities beschreven die weer overeenkomen met zeven kenmerkende principes en welke waar mogelijk evolueren naar hedendaagse oplossingen zonder de karakteristiek van Lelystad te verliezen.
Om de alternatieven en varianten op gelijkwaardig niveau binnen de kaders te vergelijken is ervoor gekozen om de vijf hoofdlijnen terug te brengen naar drie principes die in de stedenbouw vaker worden gehanteerd: lijnen, vlakken, punten. Deze abstractie sluit naadloos aan bij de zeven kenmerkende principes. Beoordeling op structuurniveau 1. Lijnen: De herkenbare opbouw met orthogonale structuren die tegelijkertijd voor het natuurlijke raamwerk van de stad zorgen. Dit zijn de dreven met de openheid. 2. Vlakken: De lijnen verdelen de stad in vlakken; met toekomstige ambitie voor herkenbare en complete wijken. 3. Punten: de voorzieningen per wijk van winkels tot recreatie. Vanuit de 7 kenmerkende principes zijn de punten 1,2,4,6 en 7 samengevoegd op stedenbouwkundige niveau. Punt 3 sluit aan bij verkeer en punt 5 gaat over het landschap en worden daarmee niet in het criteria stedenbouw behandeld.
6.4
Stedenbouw
6.4.1
Beoordelingsmethodiek
In onderstaande tabel is de specifieke invulling van de maatlat voor dit aspect toegelicht. De beoordeling voor stedenbouw vindt plaats op basis van deskundigen oordeel. Tabel 15: Schaallat voor de effectbeoordeling ‘Stedenbouw’
Score
Beoordeling t.o.v. referentiesituatie
Toelichting
++
Sterk positief effect
Niet van toepassing.
+
Positief effect
Het plan sluit volledig en overtuigend aan bij de stedelijke structuur en opbouw van Lelystad. De ruimtelijke principes van Lelystad worden versterkt.
0
Geen effect
Geen effect of het plan past bij de stedelijke structuur en opbouw van Lelystad. De ruimtelijke principes van Lelystad worden in stand gehouden.
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
64
Score
Beoordeling t.o.v. referentiesituatie
Toelichting
-
Negatief effect
Het plan sluit beperkt aan op de stedelijke structuur en opbouw van Lelystad. Enkele ruimtelijke principes worden verstoord.
--
Sterk negatief effect
Het plan wijkt fundamenteel af van stedelijke structuur en opbouw van Lelystad. Het plan staat haaks op de ruimtelijke principes van Lelystad.
6.4.2
Referentiesituatie
Huidige situatie Lijnen Vanuit het modernistische gedachtegoed heeft Lelystad een min of meer hiërarchieloos grid van stadswegen (dreven). Ze vormen de basis voor de stad, zorgen voor ‘lucht’. Dit rastersysteem dat nog zichtbaar is in de stad fungeert als kwaliteitsdrager van Lelystad. De Houtribdreef, Houtribweg, Visarenddreef zijn structuren die uitkomen op of aan/in het plangebied liggen. Deze structuren zorgen voor de hiërarchie en scheiding van de verschillende wijken. Vlakken Achter de dijk liggen verschillende wijken en bedrijventerrein die worden gescheiden door de drager Houtribweg. Binnen het plangebied is onderscheid te maken in een drietal hoofdgebieden Vlakken met eigen identiteit. Bataviakwartier waaronder ook Bataviahaven toe behoort, de buurt Saerdam en een braakliggend gebied tussen Saerdam tot aan het gemaal Wortman. Bataviakwartier is een recreatief en toeristisch gebied met regionale en nationale aantrekkingskracht. Een groot deel ligt braak of in gebruik als tijdelijke parkeervoorziening waardoor de ruimtelijke samenhang beperkt is. Bataviahaven, gelegen ten zuiden van Bataviakwartier, is een komvormige stadshaven van Lelystad. Bataviahaven is ook een halteplaats voor riviercruiseschepen en chartervaart heeft de Bataviahaven als thuishaven en bestemming. Saerdam is een woonbuurt welke is ingeklemd tussen de Houtribweg en de Oostvaardersdijk.
Een buurt uit de jaren ‘00. Aangrenzend in de richting van Lelystad-Haven ligt hoog opgespoten braakliggend terrein. Punten Lelystad kent een polycentrische (iedere wijk heeft een eigen ‘centrum’) voorzieningenstructuur, zoals beschreven in paragraaf 6.3. In de huidige situatie zijn er in het plangebied geen wijkvoorzieningen hetgeen logisch is gezien het aantal woningen. Autonome ontwikkeling Bataviahaven Rond de Bataviahaven liggen naast de twee bestaande (reeds gerealiseerde) bouwblokken nog niet ontwikkelde kavels die grenzen aan het plangebied voor het Waterfront. Op grond van het vigerende bestemmingsplan mogen daar woningen gebouwd worden met in de plinten aan de haven ondersteunende voorzieningen zoals nautische dienstverlening en horeca. Deze kavels worden ontwikkeld met ca. 600 woningen en 3200 m2 bvo leisure/ voorzieningen. Dit past binnen de stadsopbouw van Lelystad, Bataviakwartier (vlak) wordt versterkt waarbinnen voorzieningen kunnen worden toegevoegd (punten)
28 april 2026
AANVULLING MER WATERFRONT STEDELIJKE KUST LELYSTAD
BJ1923-MI-RP-260106-1338
65
Noordersluis Niet alle gronden van bedrijventerrein Noordersluis worden benut. Er zijn geen concrete initiatieven voor deze gronden, maar gronduitgifte is binnen een afzienbare termijn te verwachten gezien de vraag naar ruimte voor bedrijvigheid. Voor de referentiesituatie wordt het volledig benutten van de huidige (planologische) mogelijkheden als uitgangspunt genomen.
6.4.3
Effectbeschrijving en effectbeoordeling
Effecten tijdens de realisatie In het kader van de besluitvorming worden geen relevante (tijdelijke) effecten verwacht op Stedenbouw tijdens de realisatie. Effectbeschrijving eindsituatie Voorlopig VKA Lijnen De herkenbare opbouw van orthogonale structuren die tegelijkertijd voor het natuurlijke raamwerk van de stad zorgen zijn herkenbaar in het plan. De Houtribdijk blijft als structurerend element zichtbaar. Het groene karakter en de openheid vanaf de dreven blijft geborgd. De openheid op de Visarendreef zet zich visueel door tussen de buurten richting het Oostvaardersdiep tussen de buurten. De Oostvaardersdijk is stedenbouwkundig ook een belangrijke lijn als markering tussen de Zuiderzeepolder, het Oostvaardersdiep en Markermeer. Voor een groot deel blijft deze lijn overeind maar zeker ter plaatse van Meerdijkhaven vervaagt deze lijn in het V-VKA hetgeen nadelig is voor de herkenbaarheid. Op de grens van water en land is sprake van een sterke nieuwe landschappelijke lijn met een sterk natuurlijk karakter die aansluit op de groenstructuur van de stad en op Nationaal Park Nieuw Land. Vlakken In overeenstemming met het tweede kenmerkende ruimtelijke principe is sprake van scheiding van functies en zijn binnen de landschappelijke hoofdstructuur verschillende woonvlekken gesitueerd, met een eigen structuur en richting binnen het orthogonale grid van de dreven.
De gezamenlijke omvang is zodanig dat sprake is van een nieuwe wijk. De woonvlekken kunnen elk een eigen verschijningsvorm krijgen wat past bij de ontwikkeling van Lelystad waar in de afgelopen 60 jaar volop is geëxperimenteerd met opbouw van wijken. Qua groenstructuur is sprake van een geleidelijke schaalovergang van het grote open Markermeer, naar het Oostvaardersdiep en dan via het ruim opgezette duinlandschap naar de smallere valleien tussen de woonvlekken. Qua hoogteverloop is geen sprake van een geleidelijke schaalovergang omdat de hoogbouw direct grenst aan het open water, al verzacht het duinlandschap dit in minder mate. Punten Binnen dit alternatief is in Meerdijkhaven een nieuwe wijkvoorziening gesitueerd waar ook het aangrenzende Lelystad-Haven van profiteert waar nu wijkvoorzieningen vrijwel zijn verdwenen als gevolg van onvoldoende schaal. Daarmee versterkt het V-VKA de opzet van Lelystad als stad met polycentrische voorzieningen. De bovenwijkse voorziening van het strand en de duinen is een toevoeging voor heel Lelystad en aanvullend op de huidige voorzieningen. Conclusie Het V-VKA versterkt de stedelijke structuur waarmee Lelystad herkenbaar blijft met toevoeging van nieuwe type woongebieden en versterking van Bataviakwartier. Het plan sluit volledig en overtuigend aan 28 april 2026