CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Mer-beoordelingsnotitie Zuiderhage

Raadsvergadering 30 juni 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.309 Vaststelling wijziging Omgevingsplan gemeente Lelystad: Zuiderhage, fase 120.995 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Industrielawaai Buurtschap 10a bevindt zich deels binnen de geluidzone van het industrieterrein Noordersluis. Daarom is hier een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai waarbij berekeningen met een geluidmodel zijn uitgevoerd. Hieruit blijkt dat circa 120 van de geplande circa 350 woningen een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) ondervinden, maar de geluidbelasting blijft onder de maximaal toelaatbare 55 dB(A). In figuur 3-1 zijn de berekende geluidcontouren van 50 en 55 dB(A) weergegeven. De geluidcontour van 55 dB(A) etmaalwaarde bevindt zich volledig buiten buurtschap 10a.

Figuur 3-1. Geluidcontouren van 50 en 55 dB(A) als gevolg van industrieterrein Noordersluis bij buurtschap 10a

25

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Bron– en overdrachtsmaatregelen zijn volgens het onderzoek niet realistisch of disproportioneel, onder meer door de hoogte van de nieuwbouw en de bedrijfsbelangen op het industrieterrein. De gemeente Lelystad wil daarom een hogere waarden besluit nemen. Een geluidsluwe buitenzijde is voor alle woningen mogelijk. Aan het vereiste geluidsniveau voor geluidsgevoelige binnenruimten kan worden voldaan. In de planregels van onderhavige omgevingsplanwijziging is bepaald dat de woningen op deze locatie ook moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het gemeentelijk geluidbeleid. Daarmee wordt het leefklimaat als acceptabel beoordeeld. Cumulatie Bij het toelaten van meer geluid dan de wettelijke standaardwaarde dient het gecumuleerde geluid te worden beoordeeld in het kader van gezondheid. Daarnaast dient het gezamenlijke geluid te worden bepaald, zodat kan worden bepaald welke geluidgevelwering nodig is om aan de wettelijke binnenwaarde te kunnen voldoen. Aangezien de stedenbouwkundige invulling van het plangebied nu nog niet bekend is, is het niet zinvol om in dit stadium het gecumuleerde geluid te beoordelen en/of het gezamenlijke geluid te bepalen. Dit dient plaats te vinden bij de verdere planuitwerking.

Naast het geluid van wegen en spoorwegen en het industrieterrein Noordersluis, is daarbij ook aandacht nodig voor geluid door overige (bedrijfsmatige) activiteiten, zoals sportvelden, winkels en horeca. Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Bij de nieuwe woningen is sprake van geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer, spoorverkeer en industrieterrein Noordersluis waarbij de standaardwaarde en voor het spoorverkeer ook de grenswaarde worden overschreden. Voor weg- en spoorverkeer zijn geluidbeperkende bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk, alleen deze kunnen de overschrijding niet helemaal weg nemen. In de planregels is daarom voor weg- en spoorverkeer een vergunningplicht en onderzoeksplicht opgenomen waardoor wordt geborgd dat het woon- en leefklimaat van individuele woningen is beschermd en ook wordt voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarde. Voor de geluidsbelasting als gevolg van industrieterrein Noordersluis wil de gemeente Lelystad een hogere waarden besluit nemen. Het leefklimaat wordt daarbij als acceptabel beoordeeld. Op basis hiervan kan geluidshinder als gevolg van wegverkeer, treinverkeer en spoorverkeer niet worden uitgesloten. Omdat de geluidsbelasting binnen de hiervoor geldende regels blijft en de bewoners geen onevenredige hinder hoeven te ervaren wordt dit niet beoordeeld als een aanzienlijk milieueffect.

Effecten van de verkeersaantrekkende werking op bestaande woningen Voor het onderzoek zijn wegvakken beschouwd in de directe nabijheid van het plangebied, waarop het effect van de toename van de verkeersintensiteiten als gevolg van het plan het grootst is. Op de overige, verder weg gelegen wegvakken zal het effect van de toename van de verkeersintensiteiten als gevolg van het plan kleiner zijn. In tabel 3-4 zijn de etmaalintensiteiten opgenomen van de toekomstige situatie zonder en met de verkeersgeneratie door de ontwikkeling van het plangebied (fase 1). In de laatste kolom is een inschatting gegeven van het geluidseffect vanwege de verkeerstoename op deze wegen. Tabel 3-4. Geschatte toename van de geluidsbelasting bij wegvakken in de nabijheid van het plangebied

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het geluid maximaal 0,5 dB hoger wordt als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit. Dat is minder dan de wettelijk maximaal toegestane toename van 1,5 dB. In de motivering van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan wordt geconcludeerd dat met de realisatie van fase 1 nog geen sprake is van relevante indirecte akoestische effecten van het plan. 26

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Als gevolg van de realisatie van fase 1 neemt de verkeersbelasting van wegen in de omgeving toe. Deze wegen liggen deels in woonwijken. Daarmee is de verwachting dat de geluidsbelasting ter plaatse van hier aanwezige woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen zal toenemen en dat daarmee ook het aantal (ernstig) gehinderden zal toenemen. De geluidstoename ter plaatse van deze wegen wordt echter geschat op maximaal 0,5 dB in de directe nabijheid van het plangebied en lager op grotere afstand. Gezien deze beperkte toename zal ook de toename van het aantal (ernstig) gehinderden heel beperkt zijn. Dit wordt niet beoordeeld als een aanzienlijk milieueffect.

3.4.2

Gehele ontwikkeling

Geluidseffecten op de nieuw te bouwen woningen Uitgangspunt is dat ook bij de ontwikkeling van fase 2 en 3 van Zuiderhage in de planregels een vergunningplicht en onderzoeksplicht wordt opgenomen. Waardoor ook voor fase 2 en fase 3, als deze op zichzelf worden bezien, kan worden geborgd dat het woon- en leefklimaat van individuele woningen is beschermd en ook wordt voldaan aan de wettelijk vereiste binnenwaarde. Daarmee kunnen ook voor deze fases, als deze alleen op zichzelf worden bezien, aanzienlijke milieueffecten door de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer en treinverkeer worden uitgesloten. Voor wat betreft het treinverkeer vormt daarbij de beoogde ontwikkeling van station Lelystad-Zuid daarbij een belangrijk aandachtspunt. Dit geldt echter niet voor de ontwikkeling als geheel. De vergunningplicht en onderzoeksplicht richt zich onder meer op woningen op relatief korte afstand van gebiedsontsluitingswegen zoals de Westerdreef en Larserdreef. Op dit moment vormen daarbij voor de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 de verkeerscijfers na de realisatie van fase 1 het uitgangspunt. Na realisatie van fase 1 zullen echter de intensiteiten op deze wegen als gevolg van de ontwikkeling van fase 2 en fase 3 verder toenemen. Daarmee is het woon- en leefklimaat van individuele woningen in fase 1 (en later ook in fase 2) niet geborgd.

Effecten van de verkeersaantrekkende werking op bestaande woningen Ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan is een verkeersonderzoek uitgevoerd (bijlage 3) waarbij zowel Zuiderhage fase 1 als de gehele ontwikkeling zijn onderzocht. In paragraaf 3.2 van deze mer-beoordelingsnotitie zijn de intensiteiten op belangrijke wegen rondom Zuiderhage weergegeven na de realisatie van geheel Zuiderhage, afgezet tegen de autonome intensiteiten zonder de realisatie van Zuiderhage. Hieruit blijkt dat de verkeersbelasting van wegen in de omgeving na de realisatie van Zuiderhage als geheel aanzienlijk groter is dan na alleen de realisatie van fase 1. Zoals beschreven in de vorige paragraaf wordt de geluidstoename ter plaatse van deze wegen na fase 1 geschat op maximaal 0,5 dB. Na de gehele ontwikkeling van Zuiderhage zal deze geluidstoename aanzienlijk groter zijn en ook plaats vinden op een groter deel van het wegennet van Lelystad. Deze wegen liggen deels in woonwijken. Daarmee is de verwachting dat ook de geluidsbelasting ter plaatse van hier aanwezige woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen significant zal toenemen en dat daarmee ook het aantal (ernstig) gehinderden significant zal toenemen. Op dit moment zijn ook nog geen maatregelen voorzien die dit effect kunnen beperken. Daarmee kunnen aanzienlijke milieueffecten op dit punt nu nog niet worden uitgesloten.

3.5

Luchtkwaliteit

3.5.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect luchtkwaliteit is behandeld in paragraaf 6.4 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. De bijhorende luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen in bijlage 7. De beoordeling van luchtkwaliteit is sinds de invoering van de Omgevingswet beperkt tot de aandachtsgebieden voor NO2 of PM10. Het plangebied bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied, waaruit volgt dat het plan voldoet aan artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en daarmee ook voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit. Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de huidige jaargemiddelde concentraties (zichtjaar 2023) in en rond het plangebied onder de rijksomgevingswaarden uit het Bkl liggen en dat de concentraties, onder invloed van dalende achtergrondconcentraties en emissiefactoren, in de toekomst (zichtjaren 27

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

2025 en 2030) verder zullen dalen. Op basis van de berekende verkeersintensiteiten (zie paragraaf 3.2) zijn luchtkwaliteitsberekeningen voor fase 1 uitgevoerd. De maximale concentraties die zijn berekend, zijn weergegeven in tabel 3-5. Tabel 3-5. Berekende maximale jaargemiddelde concentratie (NO 2, PM10 en PM2,5) op de wettelijke toetspunten Zichtjaar

Concentratie NO2 [g/m3]

Concentratie PM10 [g/m3]

Concentratie PM2,5 [g/m3]

Omgevingswaarde (tot 2030)

40

40

25

Nieuwe EU-richtlijn (vanaf 2030)

20

20

10

18,8

13,5

6,4

19,9

13,7

6,5

Beoogde situatie Plan 2030 Beoogde situatie Plan Fase 1 2040*

* Betreft verkeersprognoses van ontwikkeling van fase 1 in zichtjaar 2040, echter resultaten bepaalt met emissiefactoren 2030. Dit is een worst case scenario.

De berekeningen tonen aan dat de concentraties NO2, PM10, en PM2,5 ook na uitvoering van fase 1 onder de rijksomgevingswaarden liggen. De toename van de concentraties als gevolg van de ontwikkeling van fase 1 leidt niet tot overschrijding van de nieuwe EU-richtlijn voor NO2, PM10 en PM2,5 die vanaf 2030 van kracht wordt. Verder vindt bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5 μg/m3 en hoger een overschrijding van de dagnorm (24uurgemiddelde) plaats. In geen van beide zichtjaren wordt een jaargemiddelde concentratie PM 10 van meer dan 32,5 μg/m3 berekend. Hiermee voldoet de concentratie PM10 ook aan de dagnorm. Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Als gevolg van de realisatie van fase 1 neemt de verkeersbelasting in het gebied toe en dat heeft ongunstige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. Omdat wordt voldaan aan de normen en richtlijnen wat betreft luchtkwaliteit wordt dit niet beoordeeld als een aanzienlijk milieueffect.

3.5.2

Gehele ontwikkeling

Zoals weergegeven in tabel 3-5 in de vorige paragraaf liggen de concentraties PM10, en PM2,5 na uitvoering van fase 1 in 2030 en 2040 ruim onder de nieuwe waarde uit de EU-richtlijn vanaf 2030. Daarmee is de verwachting dat ook met de hogere verkeersprognoses als gevolg van de ontwikkeling van geheel Zuiderhage deze waardes niet zullen worden overschreden. Temeer omdat de emissiefactoren na 2030 verder zullen dalen. In de berekeningen voor 2040 is uitgegaan van de emissiefactoren voor 2030, dat is een worst case benadering. Zoals weergegeven in tabel 3-5 in de vorige paragraaf liggen de concentraties NO2 na uitvoering fase 1 in 2030 en 2040 relatief dicht onder de nieuwe waarde uit de EU-richtlijn vanaf 2030. Overschrijding na uitvoering fase 2 en 3 van Zuiderhage is op basis hiervan nog niet uit te sluiten, ook al zullen de emissiefactoren en achtergrondconcentraties naar verwachting verder blijven dalen. Daarmee zijn aanzienlijke milieueffecten op dit punt nog niet uit te sluiten.

3.6

Geurhinder

3.6.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect geurhinder voor fase 1 wordt getoetst in paragraaf 6.15 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. In de ruime omgeving van het plangebied bevinden zich geen zuivering technische werken (rwzi’s), dierenverblijven en andere agrarische activiteiten (naast glastuinbouw). Er zijn ook geen andere geur veroorzakende activiteiten die emissies veroorzaken op de nieuwe geurgevoelige gebouwen in het plangebied. Ten noorden van buurtschap 10 ligt het bedrijventerrein Noordersluis. Dit bedrijventerrein is opgezet als een gemengd bedrijfsterrein met een grote variatie aan bedrijfstypen en -grootte. Door de toepassing van de inwaartse 28

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

milieuzonering liggen bedrijven met een relatief hoge milieubelasting centraal in het gebied. De afstand tot gevoelige bestemmingen is hier het grootst. Belangrijk element van deze wijze van milieuzonering is het cumuleren van milieubelasting. Omdat het niet mogelijk is deze emissies kwantitatief op te tellen voor geur, is gekozen voor een kwalitatieve methode van cumulatie in de vorm van een bufferzone. Door deze bufferzone wordt voorkomen dat milieugevoelige objecten hinder ondervinden van het bedrijventerrein. Buurtschap 10 ondervindt ten aanzien van het aspect geur daarmee geen hinder van het bedrijventerrein Noordersluis.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Aanzienlijke milieueffecten door geur als gevolg van de realisatie van fase 1 kunnen op basis van bovenstaande worden uitgesloten. Eventuele effecten als gevolg van geur door bestaande en nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn meegenomen in paragraaf 3.3 ‘Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten’ (en aanzienlijke milieueffecten zijn hierbij ook uitgesloten).

3.6.2

Gehele ontwikkeling

Voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage geldt hetzelfde als voor fase 1: aanzienlijke milieueffecten door geur kunnen worden uitgesloten.

3.7

Trillingen

3.7.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect trillingshinder wordt getoetst in paragraaf 6.14 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. De instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillingsgevoelige gebouwen en ruimten aan. De instructieregels uit het Bkl hebben enkel betrekking op door het Rijk aangewezen trillingsgevoelige gebouwen. De nieuwe woningen, die in de voorgenomen ontwikkeling zijn opgenomen, zijn aangewezen als trillingsgevoelige gebouwen. Daarbij is de spoorlijn relevant die het plangebied Zuiderhage doorsnijdt (Flevolijn, traject Lelystad Centrum – Almere Oostvaarders). Voor het beoordelen van de relevantie van trillingshinder door spoorverkeer bevat hoofdstuk 5 van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie I&W (2019) een stroomschema. Die stelt dat voor nieuwbouw in een zone tot 100 meter van het spoor vooronderzoek noodzakelijk is. Buurtschappen 7 en 10a liggen op voldoende afstand van de spoorlijn ‘Flevolijn’ waardoor een verdere toetsing niet aan de orde is. De bebouwingscontouren van buurtschap 6 liggen binnen 100 meter van de spoorlijn. Een nadere toetsing conform de richtlijnen uit de handreiking van het Ministerie I&W is aan de orde.

Om ervoor te zorgen dat sprake is van een aanvaardbare situatie ten aanzien van het thema trillingen is een planregel (art. 3.94) opgenomen dat binnen een afstand van 100 meter tot het spoor van het traject Lelystad Centrum – Almere Oostvaarders trillingsgevoelige ruimten in trillingsgevoelige gebouwen verboden zijn. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod mits de inpasbaarheid van trillingsgevoelige ruimten en trillingsgevoelige gebouwen is aangetoond door middel van onderzoek als bedoeld in de handreiking.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Op basis van voorgaande zijn effecten als gevolg van trillingen door treinverkeer bij de nieuw te bouwen en andere gevoelige bestemmingen niet uit te sluiten, maar worden deze door de in de planregels vastgelegde zonering met onderzoeksplicht wel aanvaardbaar geacht. Daarmee kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten op dit punt worden uitgesloten. Eventuele effecten als gevolg van trillingen door bestaande en nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn meegenomen in paragraaf 3.3 ‘Bedrijven en milieuzonering’. Daarbij zijn mogelijke aanzienlijke milieueffecten op dit punt ook uitgesloten. Bij de aanlegwerkzaamheden van fase 1 kan sprake zijn van trillingen (door bijvoorbeeld heiwerkzaamheden en vrachtverkeer). Dit kan hinder veroorzaken bij bestaande en nieuwe gevoelige bestemmingen in het gebied (afhankelijk van de fasering van de werkzaamheden). Deze effecten zijn tijdelijk en voor de aanlegwerkzaamheden moet wat betreft trillingen worden voldaan aan regels en voorwaarden (vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving). Tijdens de aanlegfase worden geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg van trillingen verwacht. 29

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

3.7.2

Gehele ontwikkeling

Er vanuit gaande dat voor de ontwikkeling van fase 2 en 3 van Zuiderhage eveneens een zonering zal worden vastgelegd in de planregels voor gevoelige bestemmingen in relatie tot bedrijfsactiviteiten en treinverkeer kunnen ook voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage aanzienlijke milieueffecten door trillingshinder tijdens de gebruiksfase worden uitgesloten. Ook tijdens de aanlegfase worden geen aanzienlijke milieueffecten als gevolg van trillingen verwacht.

3.8

Licht

3.8.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect licht is behandeld in paragraaf 6.13 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Daar is hier geen sprake van. Wel maakt het onderdeel uit van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van beoefening van sport in de buitenlucht met terreinverlichting. Er komen wel sportvelden ten noorden van buurtschap 7. In de planregels is een maatwerkvoorschrift opgenomen waarmee het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan het aantal lichtmasten op een terrein, dan wel aan de bouwhoogte of de vormgeving van een lichtmast, met het oog op het voorkomen of beperken van lichthinder.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Op basis van voorgaande kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten door lichthinder voor fase 1 worden uitgesloten.

3.8.2

Gehele ontwikkeling

Er vanuit gaande dat voor de ontwikkeling van fase 2 en 3 van Zuiderhage eveneens maatwerkvoorschriften worden opgenomen in het geval dat sprake is van sportbeoefening in de buitenlucht met terreinverlichting kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten door lichthinder ook voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage worden uitgesloten.

3.9

Omgevingsveiligheid

3.9.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect omgevingsveiligheid is behandeld in paragraaf 6.6 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Het bijhorende onderzoek omgevingsveiligheid is opgenomen in bijlage 10. Het planvoornemen maakt binnen het gehele gebied beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen mogelijk. Dit betekent dat het planvoornemen relevant is in het kader van omgevingsveiligheid. De omgevingsveiligheidsrisico’s vanuit de omgeving op het planvoornemen moeten worden beschouwd. Het planvoornemen maakt zelf geen activiteiten mogelijk die genoemd worden in bijlage VII Bkl. De activiteiten die het planvoornemen mogelijk maakt vormen daarmee geen risico voor de omgeving van het planvoornemen in het kader van omgevingsveiligheid. Op basis van de Atlas leefomgeving is onderzocht welke risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Figuur 3-2 geeft de ligging van de risicovolle activiteiten rondom het plangebied weer. 30

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Figuur 3-2. Ligging risicovolle activiteiten ten opzichte van het planvoornemen. Als de afstand tot het plangebied groter is dan het grootste aandachtsgebied én de PR10-6/jaar contour, dan vormt de risicovolle activiteit geen belemmering op het planvoornemen. Activiteiten 1 (opslagtank propaan) en 2 (Seveso inrichting Technoplating Lelystad B.V.) vormen daarmee geen belemmering. Activiteiten 3 (opslagtank aardgas Noodketelhuis Warande) en activiteit 4 (Basisnetroute Spoor, Route 40, Weesp – Hattem) kunnen wel een belemmering vormen. Basisnet Spoor (Route 40, Weesp – Hattem) Op 35 meter ten zuiden van buurtschap 6 en 7 ligt een spoorlijn. Over deze spoorlijn worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het vervoeren van gevaarlijke stoffen per spoor wordt geregeld met het Basisnet en valt onder bijlage VII, C Bkl. De activiteit heeft ter hoogte van het planvoornemen een PR10 -6 per jaar contour van 1 meter. Dat betekent dat de PR10-6 per jaar contour op de spoorbundel ligt. Vanuit bijlage VII, C zijn er vaste afstanden voor de aandachtsgebieden opgenomen. De aandachtsgebieden liggen (gedeeltelijk) over het plangebied. De spoorlijn heeft een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Opslagtank propaan (Noodketelhuis Warande) Op 30 meter ten noorden van het plangebied ligt volgens de Atlas leefomgeving een propaantank van maximaal 5 m3.

Het opslaan van propaan valt onder bijlage VII, A7, Bkl. Uitgaande van meer dan 5 bevoorradingen per jaar heeft de activiteit een PR10-6/jaar contour van 20 meter voor (beperkt) kwetsbare gebouwen/locaties en van 25 meter voor zeer kwetsbare gebouwen. De PR10-6 per jaar contour valt niet over het plangebied. Vanuit bijlage VII, A7 zijn er vaste afstanden voor de aandachtsgebieden opgenomen (30 en 60 meter). Het explosieaandachtsgebied ligt (gedeeltelijk) over het plangebied. Vanuit recente luchtfoto’s blijkt echter dat de propaantank niet meer aanwezig is. Dit dient echter gecontroleerd te worden. Aanbeveling is om de tank in ieder geval te verwijderen / te verplaatsen wanneer de ontwikkeling wordt gerealiseerd zodat er geen aandachtsgebieden over het planvoornemen vallen. Toetsing aan de criteria Het planvoornemen is getoetst aan de criteria voor plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Plaatsgebonden risico (PR) ▪ Het planvoornemen maakt geen activiteiten mogelijk die risico’s met zich meebrengen in het kader van omgevingsveiligheid. Er ontstaat dan ook geen nieuwe PR10 -6 per jaar contour. ▪ De spoorlijn (Weesp-Hattem) die door het plangebied loopt heeft een PR10-6 per jaar contour. Deze valt niet over locaties waar nieuwe bebouwing komt.

Hiermee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het planvoornemen.

31

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Aandachtsgebieden ▪ De activiteiten die mogelijk gemaakt worden met het planvoornemen, vallen niet onder bijlage VII van het Bkl. Er ontstaan door de komst van het planvoornemen geen nieuwe aandachtsgebieden. ▪ Conform artikel 5.15 Bkl is het groepsrisico binnen het brand- en explosieaandachtsgebied van de spoorlijn beschouwd. Bebouwing komt op voldoende afstand van de spoorlijn. Daarnaast wordt in het stedenbouwkundigplan rekening gehouden met de positionering van gebouwen ten opzichte van de spoorlijn. Gebouwen met de hoogste dichtheid worden relatief het verst van de spoorlijn af gepositioneerd. Bedrijven en sportvoorzieningen worden dichter bij de spoorlijn gerealiseerd. In afstemming met de veiligheidsregio is hiermee het groepsrisico voldoende verantwoord. Voorschriftengebieden ▪ De spoorlijn heeft van rechtswege een brandvoorschriftengebied, waarmee de maatregelen vanuit het Bbl van toepassing zijn. Het planvoornemen maakt echter geen bebouwing mogelijk binnen het brandaandachtsgebied. ▪ Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van de spoorlijn. In afstemming met de veiligheidsregio heeft de gemeente besloten geen explosievoorschriftengebied aan te wijzen in het omgevingsplan. Bebouwing kan op voldoende afstand worden gerealiseerd en zeer kwetsbare gebouwen worden uitgesloten binnen het explosieaandachtsgebied.

Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Door de ontwikkeling van fase 1 van Zuiderhage worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die een risico vormen voor de veiligheid van de omgeving. Eventuele effecten als gevolg van gevaar door nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn ook al meegenomen in paragraaf 3.3 ‘Hinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten’ (en aanzienlijke milieueffecten zijn hierbij ook uitgesloten). Wel vormt het bestaande goederenvervoer op het spoor een risico voor de nieuwe bewoners van het gebied. Dit omdat gevoelige bestemmingen deels binnen de aandachtsgebieden zijn voorzien. In afstemming met de veiligheidsregio is het groepsrisico op basis van het stedenbouwkundige plan inmiddels voldoende verantwoord. De risico’s worden acceptabel geacht zonder het aanwijzen van voorschriftengebieden en verdere maatregelen. Mogelijke aanzienlijke milieueffecten op de omgevingsveiligheid worden daarmee uitgesloten.

3.9.2

Gehele ontwikkeling

Ook door de gehele ontwikkeling van Zuiderhage worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die een risico vormen voor de veiligheid van de omgeving. Evenals bij fase 1 vormen ook voor fase 2 en 3 het goederenvervoer op het spoor en mogelijke andere bestaande activiteiten in de omgeving een risico voor de nieuwe bewoners van het gebied. Omdat het bevoegd gezag ook voor fase 2 en 3 het groepsrisico dient te verantwoorden en dient te onderbouwen of al dan niet voorschriftengebieden worden aangewezen worden de risico’s acceptabel geacht. Mogelijke aanzienlijke milieueffecten op de omgevingsveiligheid worden daarmee uitgesloten.

3.10

Ontplofbare oorlogsresten

3.10.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect ontplofbare oorlogsresten voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.11 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. RPS Explosives Engineering Services heeft in opdracht van de provincie Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Lelystad een Vooronderzoek (versie 2.1, 25 april 2023) naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd voor de gehele provincie. In dit onderzoek is een grote hoeveelheid historische bronnen geraadpleegd, waaronder archiefmateriaal, literatuur, luchtfoto’s en munitieruimingen, om in te schatten waar een gerede kans bestaat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Het plangebied bevindt zich in onverdacht gebied met geen verdachte gebieden in de nabijheid. Daarom wordt geconcludeerd dat er een achtergrondkans bestaat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. Hier geldt het Protocol ‘Toevalsvondst’. 32

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Op basis van voorgaande kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten door ontplofbare oorlogsresten voor fase 1 worden uitgesloten.

3.10.2

Gehele ontwikkeling

Op basis van voorgaande kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten door ontplofbare oorlogsresten ook voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage worden uitgesloten.

3.11

Gezondheid

3.11.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect gezondheid voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.12 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. De bijbehorende notitie gezondheid is opgenomen in bijlage 21. Gezondheid is een belangrijk thema binnen de Omgevingswet. Een gezonde leefomgeving beschermt tegen schadelijke invloeden en stimuleert gezond gedrag. GGD GHOR Nederland benoemt 10 kernwaarden die richting geven aan een gezonde inrichting van de leefomgeving. In de Notitie Gezondheid is de ontwikkelvisie van Zuiderhage beoordeeld op basis van deze kernwaarden. Daarnaast wordt de beoogde ontwikkeling van Zuiderhage getoetst aan het beleid van de gemeente Lelystad. Er wordt gekeken of de plannen voor Zuiderhage in lijn zijn met het Plan van aanpak Gezond en Actief Leven Akkoord (2024 -2026). De Notitie Gezondheid is opgenomen als bijlage 18 bij de motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen niet alleen beoogt de gezondheid te beschermen, maar dat het een positief effect zal hebben op gezondheid door het wooncomfort te vergroten en gezond gedrag te stimuleren. Het planvoornemen betreft een autoluw stadsdeel waar parkeren niet het straatbeeld domineert.

Het gebied wordt ingericht voor langzaam verkeer, waardoor actief vervoer (wandelen en fietsen) gestimuleerd wordt. Dit draagt bovendien bij aan een betere luchtkwaliteit, omdat er minder gebruik gemaakt zal worden van persoonlijke motorvoertuigen. De ontwikkelvisie voor Zuiderhage omschrijft een stadsdeel met een rustig karakter en een sterk aanwezig blauwgroen netwerk. Dit zal een positief effect hebben op de fysieke en mentale gezondheid van de bewoners. De nadrukkelijke aanwezigheid van natuur om, en in het stadsdeel zorgt voor voldoende plekken om tot rust te komen en te ontspannen. Dit biedt mogelijkheden tot ontstressen en gezondheidsklachten te voorkomen. Het groen nodigt tegelijkertijd uit om te bewegen en te sporten. Dit kan bijdragen aan de fitheid van de bewoners, waardoor nadelige gevolgen van ziekten en aandoeningen voorkomen kunnen worden. Het planvoornemen van Zuiderhage voorziet in een hoge variatie van aantrekkelijke plekken, waar bewoners gestimuleerd worden om gezond te leven.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Op basis van voorgaande worden de effecten op de gezondheid in algemene zin positief beoordeeld en kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten voor fase 1 worden uitgesloten.

3.11.2

Gehele ontwikkeling

Op basis van voorgaande worden de effecten op de gezondheid ook voor Zuiderhage als geheel in algemene zin positief beoordeeld en kunnen mogelijke aanzienlijke milieueffecten worden uitgesloten.

33

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

3.12

Bodem

3.12.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect bodemkwaliteit is behandeld in paragraaf 6.7 van de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Voor buurtschappen 6, 7 en 10a zijn separate verkennende (water)bodemonderzoeken uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V. Deze rapporten zijn opgenomen als bijlagen 10, 11 en 12. Op basis van de verkennende (water)bodemonderzoeken is geconcludeerd dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van aanvullend (water)bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Voor de ontwikkeling van fase 1 is geen nader (water)bodemonderzoek nodig en daarmee is er ook geen (water)bodemsanering nodig om deze geschikt te maken voor de toekomstige woonfunctie. Met de ontwikkeling van fase 1 worden geen activiteiten voorzien die tijdens de gebruiksfase kunnen resulteren in een substantiële invloed op de bodemkwaliteit. Tijdens de aanlegwerkzaamheden moet worden voldaan aan regels en voorwaarden waardoor ook als gevolg van deze werkzaamheden geen substantiële beïnvloeding van de bodemkwaliteit wordt verwacht. Aanzienlijke milieueffecten op de bodemkwaliteit kunnen worden uitgesloten.

3.12.2

Gehele ontwikkeling

Ook voor fase 2 en 3 van Zuiderhage zullen (water)bodemonderzoeken worden uitgevoerd. De verwachting is dat het beeld niet sterk zal afwijken van fase 1. Maar het valt niet uit te sluiten dat hier wel sprake is van verontreiniging waarvoor eventueel sanering aan de orde kan zijn om de woonfunctie mogelijk te maken. In dat geval verbetert de (water)bodemkwaliteit en is sprake van een positief effect. Aanzienlijke milieueffecten op de bodemkwaliteit kunnen echter worden uitgesloten.

3.13

Water

3.13.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect water voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.8 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan (Watersysteem – Weging van het waterbelang). Waterveiligheid en wateroverlast Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat momenteel voldoet aan de normering voor wateroverlast. In de huidige situatie is de planlocatie agrarisch gebied en is dus volledig onverhard. Het verharden van grond met bebouwing en bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Door de toename van verhard oppervlak (≥750 m²) geldt een compensatieplicht. De toekomstige norm is 10,2 m³ berging per 100 m² verharding. Dit komt overeen met een netto toename aan verharding van circa 10%, afhankelijk van de maximaal toelaatbare peilstijging. Meanderend door Zuiderhage loopt in de plansituatie een waterpartij (zie de raamwerkkaart in figuur 2-3). Deze is onmisbaar als onderdeel van de groenblauwe structuur in het gebied en heeft een waterbergende en -afvoerende functie. Daarmee is momenteel voor geheel Zuiderhage 35 van de 560 hectare gereserveerd voor waterberging.

Uitgaande van 50% verharding is 35 hectare open water voldoende om te voldoen aan de bergingsnorm (50% van 560 ha is 280 ha verharding, 10% hiervan is 28 ha open water). De waterpartij loopt ook door de buurtschappen Valkenstede (6) en Overbeke (7) waarmee ook voor deze buurtschappen in fase 1 wordt voldaan aan de bergingsnorm (zie voor fase1 de raamwerkkaart in figuur 2-2).

34

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

In buurtschap Buitenwaard (10a) kan vanwege de grondslag geen open water aangelegd worden, waardoor niet alle waterberging binnen dat gebied gerealiseerd kan worden. Gemeente en waterschap zijn in overleg waar en wanneer deze compensatie plaats zal vinden. Tijdige aanleg van waterberging is cruciaal om wateroverlast te voorkomen en een klimaatbestendige leefomgeving te realiseren. Goed functionerend watersysteem en waterkwaliteit Voor de vervolguitwerking wordt een waterhuishoudingsplan opgesteld waarin de beoogde waterhuishouding wordt uitgewerkt in samenwerking met het waterschap, inclusief peilkeuze, profielen, rioolsysteem. Dit betekent onder andere het bepalen van de benodigde waterhuishoudingsinfrastructuur en kunstwerken, afmetingen van de waterlopen en type riolering en de benodigde waterberging ter compensatie voor buurtschap 10a. Het oppervlaktewatersysteem moet robuust, goed beheersbaar en ecologisch ingericht zijn, met flauwe taluds en bij voorkeur diepere delen. Hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en bij voorkeur lokaal geïnfiltreerd of gezuiverd. Afvalwaterbeheer richt zich op hergebruik en minimalisering van lozingen. Het waterhuishoudingsplan zal onderdeel uitmaken van de benodigde omgevingsvergunning van het waterschap. De concrete randvoorwaarden en uitgangspunten voor het waterhuishoudingsplan zijn al in overleg met het waterschap vastgesteld.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Uitgaande van tijdige aanleg van de groenblauwe structuur, de benodigde waterberging ter compensatie voor buurtschap 10a (zodat wateroverlast in de nieuwe buurtschappen wordt voorkomen) en de uitwerking en tijdige realisering van een goed functionerend watersysteem kunnen aanzienlijke milieueffecten voor wat betreft het aspect water voor fase 1 worden uitgesloten. De concrete randvoorwaarden en uitgangspunten voor het op te stellen waterhuishoudingsplan zijn al in overleg met het waterschap vastgesteld.

3.13.2

Gehele ontwikkeling

Voor wat betreft het aspect water geldt de gehele ontwikkeling van Zuiderhage hetzelfde als voor fase 1.

3.14

Natuur

3.14.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect natuur (ecologie) voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.9 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1. Soortbescherming Hierbij is gebruik gemaakt van QuickScans uitgevoerd door Blom Ecologie in oktober 2023 (revisie februari 2024) en september 2024. Deze rapporten zijn opgenomen als bijlagen 15 en 16. Conclusie is dat de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is. Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, marterachtigen, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. Voor buurtschap 10a is een nader onderzoek naar beschermde soorten uitgevoerd door Landschapsbeheer Flevoland. Dit rapport is opgenomen als bijlage 18. In dit onderzoek is de aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht, waaronder huiszwaluw, grote bonte specht, boommarter, wezel, bunzing, boombewonende vleermuizen, vliegroutes vleermuizen, otter, bever, ringslang, rugstreeppad en enkele vlindersoorten. Bij ontwerp van de wijk moeten groenstructuren robuust en geschikt zijn voor de betreffende soorten. Boomstructuren en lijnvormige landschapselementen moeten zoveel mogelijk behouden blijven.

Voor meervleermuis, ruige dwergvleermuis, boommarter, wezel, bunzing en rugstreeppad is waarschijnlijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. Dit is afhankelijk van hoe het ontwerp uitpakt. Daarvoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin mitigatie en alternatieven voor beschermde soorten worden uitgewerkt. Daarnaast dient bij de planning van werkzaamheden rekening te worden gehouden met broedseizoenen en de aanwezigheid van beschermde soorten.

35

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Gebiedsbescherming: Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Daarmee is er geen sprake van ruimtebeslag op Natura 2000 gebied. Op een afstand van respectievelijk circa 1,6 km en 2,1 km liggen de Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’. Voor verstoringseffecten (trillingen, geluid, optische verstoring) geldt dat de afstand tot deze Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Twee effecten kunnen niet meteen op voorhand worden uitgesloten. Een toename van stikstofdepositie kan in een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. En agrarische percelen op de planlocatie kunnen als essentieel foerageergebied dienen voor aangewezen doelsoorten en daarmee kan de ontwikkeling een effect hebben op deze doelsoorten. Dit wordt externe werking genoemd. Toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen.

Een stikstofdepositie-onderzoek is uitgevoerd om te onderzoeken of het planvoornemen significante negatieve effecten kan hebben op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden (opgenomen als bijlage 17 bij de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan). De stikstofdepositie binnen de omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de toename van verkeer (gebruiksfase) en de bouw (aanlegfase) is berekend om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een vergunningsplicht in het kader van de Omgevingswet. Op basis van de uitgangspunten en specificaties zoals beschreven in hoofdstukken 3 en 4 van het stikstofdepositie-onderzoek is voor geen van de jaren waarin bouwwerkzaamheden plaatsvinden een toename van de stikstofdepositie berekend (0,00 mol N/ha/jr). Ook tijdens de gebruiksfase (zichtjaren 2032 en 2040) wordt geen toename in stikstofdepositie berekend (0,00 mol N/ha/jr). Met deze resultaten kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Externe werking: verlies foerageergebied De bruine en blauwe kiekendief zijn aangewezen als doelsoorten van het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’. De instandhoudingsdoelstellingen voor de bruine kiekendief is vastgesteld op 40 broedparen en wordt momenteel ruim gehaald.

Tijdens de meest recente Sovon telling in 2023 zijn er 49 broedparen van de bruine kiekendief vastgesteld (Sovon bruine kiekendief, 2024). Momenteel zijn er geen broedparen van de blauwe kiekendief bekend, terwijl de instandhoudingsdoelstelling voor dit Natura 2000-gebied op 4 broedparen is vastgesteld. Daarmee wordt de doelstelling voor deze soort niet gehaald en trends zijn negatief of onzeker. Aangezien de provincie Flevoland aan de lat staat om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied te behalen, mogen er geen plannen of projecten worden goedgekeurd die het behalen van deze doelstellingen (verder) in gevaar brengen. Hierdoor mag er geen leef- en/of foerageergebied van blauwe kiekendief aangetast worden. De agrarische percelen op de planlocatie kunnen als essentieel foerageergebied dienen. Daarom is er ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan voor fase 1 van Zuiderhage een passende beoordeling uitgevoerd om de mogelijke effecten van de beoogde ruimtelijke ingreep op de instandhoudingsdoelstellingen van de blauwe kiekendief in de Oostvaardersplassen in beeld te brengen (opgenomen als bijlage 19 bij de motivering van de ontwerp wijziging van het omgevingsplan). Naast de blauwe en bruine kiekendief zijn er nog meer doelsoorten aangewezen van het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’.

Echter geldt dat het leefgebied van deze soorten bijna volledig binnen het Natura 2000-gebied aanwezig is en er op de planlocatie, buiten het Natura 2000-gebied, geen essentiële onderdelen van de leefomgeving aanwezig zijn. Een passende beoordeling is een wettelijk vereist onderzoek op grond van de Omgevingswet dat moet worden uitgevoerd wanneer een plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling is nodig indien dergelijke gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in een voortoets. Doel van de passende beoordeling is om met zekerheid vast te stellen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast, rekening houdend met mitigerende maatregelen. Uit de passende beoordeling (Witteveen+Bos, februari 2026) blijkt dat de woonwijk ruimtebeslag heeft op het foerageergebied blauwe kiekendief en daarmee zorgt voor permanent oppervlakteverlies. In de aanlegfase van het project zorgen de werkzaamheden voor tijdelijke verstoring door geluid, trillingen en optische verstoring die vanaf het projectgebied uitstralen naar dit foerageergebied. De gebruiksfase van de woonwijk zorgt daarnaast voor permanente verstoringen door geluid, licht en optische verstoring.

Van deze verstoringen kan niet worden uitgesloten dat ze leiden tot een afname van de kwaliteit van het foerageergebied van de blauwe kiekendief. Gezien gebrek aan foerageergebied een knelpunt is voor deze soort, leidt de realisatie en het gebruik van de toekomstige woonwijk 36

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

daarom mogelijk tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Voor het verlies en aantasting van foerageergebied van blauwe kiekendief is mitigatie noodzakelijk. Voor verstoringen in de aanlegfase, die tijdelijk van aard zijn, moet gewerkt worden buiten het broedseizoen van de blauwe kiekendief (april t/m augustus). De soort is tijdens deze periode kwetsbaar en is voor broedsucces afhankelijk van foerageergebieden nabij het broedgebied in Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. Werkzaamheden in de aanlegfase dienen daarom plaats te vinden buiten de broedperiode, wanneer de soort hier minder afhankelijk van is en de mogelijkheid heeft om tijdelijk uit te wijken naar andere gebieden. Hierdoor zorgen de werkzaamheden niet voor significante gevolgen voor de blauwe kiekendief en is er geen sprake van significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen in de aanlegfase. Voor de gebruiksfase van het project is sprake van permanent oppervlakteverlies en aantasting van circa 140 ha aan suboptimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief door de ontwikkelingen van Zuiderhage fase 1.

Op basis van voorgaand onderzoek en in overleg met de provincie Flevoland is een berekening van de mitigatieopgave gemaakt: voor het verlies en aantasting van 140 ha aan suboptimaal foerageergebied is het noodzakelijk om tenminste 36 ha aan optimaal foerageergebied te realiseren. Deze moet plaatsvinden binnen een straal van vijf tot acht km van het broedgebied (Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen) en moet van zodanige kwaliteit zijn dat deze kan voorzien in het foerageergedrag van de blauwe kiekendief. Voor deze mitigatieopgave wordt gebruik gemaakt van percelen gelegen ten zuiden en ten oosten van buurtschappen 6 en 7, in combinatie met de mitigatieopgave van het project ‘Rondweg Lelystad Zuid’. Deze percelen zijn al eigendom van het Rijk en hier is in de toekomst de ontwikkeling van Zuiderhage fase 2 en fase 3 voorzien. De percelen worden aangepast tot ‘vogelakker’ waarmee voor Zuiderhage fase 1 in totaal 49,6 ha aan functioneel optimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief kan worden gerealiseerd. Ruim meer dus dan de minimaal benodigde 36 ha. Deze inrichting moet plaats vinden vóór de vernietiging gedurende de aanlegfase en vóór de verstoring die als gevolg van de gebruiksfase optreedt. Hiermee wordt voldaan aan de foerageerbehoeften van de blauwe kiekendief en de mitigatienoodzaak voor de aantasting van het huidige foerageergebied.

Met inachtneming van deze maatregelen zorgt het voornemen niet voor een afname van foerageermogelijkheden van de blauwe kiekendief en zijn significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van deze soort uitgesloten. Daarmee is voor het voornemen de zekerheid verkregen dat het project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. Samenvatting en conclusie gebiedsbescherming Natura 2000 Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen en de passende beoordeling blijkt dat de realisatie en ingebruikname van het plan geen effecten hebben binnen de grenzen van Natura 2000-gebieden. Wel is sprake van externe werking door effecten op foerageergebieden van de blauwe kiekendief, een soort waarvoor een instandhoudingsdoelstelling geldt in het Natura 2000-gebied Oostvaardersplassen. De ontwikkeling leidt tot permanent ruimtebeslag en tijdelijke en permanente verstoring van (suboptimaal) foerageergebied. Omdat de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort momenteel niet wordt gehaald en gebrek aan geschikt foerageergebied een knelpunt vormt, kunnen zonder maatregelen significante gevolgen niet worden uitgesloten.

In de passende beoordeling zijn daarom mitigerende maatregelen uitgewerkt: het uitvoeren van verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen en het realiseren van voldoende optimaal foerageergebied ter mitigatie van het verloren en verstoorde areaal. Met inachtneming van deze maatregelen heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden. De mitigerende maatregelen zijn juridisch geborgd in de ontwerp wijziging van het omgevingsplan. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat het verrichten van activiteiten die resulteren in permanent verlies van oppervlakte of aantasting van het foerageergebied van de blauwe kiekendief alleen zijn toegestaan indien hiervoor een natuurvergunning is verkregen. Gebiedsbescherming: NatuurNetwerk Nederland (NNN) De planlocatie maakt geen deel uit van NatuurNetwerk Nederland. Ten zuidwesten van Zuiderhage en het plangebied ligt het Lelystadse natuurgebied Hollandse Hout. Hollandse Hout is onderdeel van Nationaal Park Nieuw Land en onderdeel van NatuurNetwerk Nederland. Zie figuur 3-3 voor een overzicht. Voor provinciaal aangewezen gebieden geldt dat de mogelijke effecten van een ontwikkeling niet via een afzonderlijk toetsingskader voor externe werking worden beoordeeld, maar worden betrokken bij de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

37

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

Figuur 3-3. Overzicht van het plangebied en NNN-gebieden. Houtopstanden Bij de beoogde ingreep worden geen houtopstanden gekapt met een oppervlakte van 1000 m 2 of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarmee is geen sprake van een meldingsplicht voor het kappen van houtopstanden.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Soortbescherming Als gevolg van de voorziene inrichting van het gebied met een groenblauwe structuur kunnen aanzienlijke negatieve milieueffecten op aanwezige soorten worden voorkomen en kan zelfs een positieve impuls worden verwacht voor een aantal soorten. Daarbij is het belangrijk dat de groen- en waterstructuren in de buurtschappen robuust worden ontworpen en geschikt zijn voor de betreffende soorten. Boomstructuren en lijnvormige landschapselementen moeten zoveel mogelijk behouden blijven. Om negatieve effecten te voorkomen dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin mitigatie en alternatieven voor beschermde soorten worden uitgewerkt. Doormiddel van een ecologisch werkprotocol kan worden voorkomen dat tijdens de aanlegfase verbodsbepalingen voor beschermde soorten worden overtreden en dat passende maatregelen worden getroffen om te voldoen aan de specifieke zorgplicht voor in het wild levende planten en dieren. Bij de planning van werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met broedseizoenen en de aanwezigheid van beschermde soorten. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van NatuurNetwerk Nederland. Wel ligt NNN-gebied op korte afstand (Hollandse Hout als onderdeel van Nationaal Park Nieuw Land). Door de aanleg en ontwikkeling van de woonwijk kunnen wel effecten op dit gebied optreden.

Omdat deze mogelijke effecten niet via een afzonderlijk toetsingskader voor externe werking worden beoordeeld, maar worden betrokken bij de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, worden deze niet beoordeeld als aanzienlijk. Mogelijk moeten houtopstanden worden gekapt voor de realisatie van fase 1 van Zuiderhage, maar gezien de beperkte oppervlakte of lengte hiervan wordt dit niet beoordeeld als een aanzienlijk effect.

38

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van respectievelijk circa 1,6 km en 2,1 km liggen de Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’. Voor verstoring (trillingen, geluid, optische verstoring) geldt dat deze afstand per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Uit stikstofberekeningen blijkt dat zowel de werkzaamheden tijdens aanlegfase als de toename van verkeer tijdens de gebruiksfase niet resulteren in een toename van stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Tot slot is een passende beoordeling uitgevoerd om te toetsen of sprake is van significante effecten op de blauwe kiekendief. De agrarische percelen op de planlocatie kunnen als essentieel foerageergebied dienen. In de passende beoordeling zijn daarom mitigerende maatregelen uitgewerkt: het uitvoeren van verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen en het realiseren van voldoende optimaal foerageergebied ter mitigatie van het verloren en verstoorde areaal. Met inachtneming van deze maatregelen heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden. Deze mitigerende maatregelen zijn juridisch geborgd.

In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat het verrichten van activiteiten die resulteren in permanent verlies van oppervlakte of aantasting van het foerageergebied van de blauwe kiekendief alleen zijn toegestaan indien hiervoor een natuurvergunning is verkregen. Aanzienlijke effecten op Natura 2000 als gevolg van fase 1 kunnen daarmee worden uitgesloten, mits de inrichting van hiervoor aangewezen percelen als optimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief (als ‘vogelakker’) voorafgaand aan de vernietiging gedurende de aanlegfase en verstoring tijdens de gebruiksfase van suboptimaal foerageergebied plaats vindt. En verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd.

3.14.2

Gehele ontwikkeling

Soortbescherming De groenblauwe structuur is voorzien in heel Zuiderhage (zie figuur 2-3 in hoofdstuk 2 van deze notitie). Uitgaande van een robuust ontwerp hiervan gericht op de betreffende soorten, het zoveel mogelijk behouden van bestaande boomstructuren en lijnvormige landschapselementen en het opstellen van een activiteitenplan en een ecologisch werkprotocol voor fase 2 en 3 kunnen voor Zuiderhage als geheel, evenals bij fase 1, aanzienlijke negatieve milieueffecten op aanwezige soorten worden voorkomen. En kan zelfs een positieve impuls worden verwacht voor een aantal soorten. Gebiedsbescherming Zuiderhage grenst aan NNN-gebied Hollandse Hout als onderdeel van Nationaal Park Nieuw Land. Door de aanleg en ontwikkeling van de woonwijk kunnen effecten op dit gebied optreden. Omdat deze mogelijke effecten niet via een afzonderlijk toetsingskader voor externe werking worden beoordeeld, maar worden betrokken bij de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, worden deze niet beoordeeld als aanzienlijk. Mogelijk moeten houtopstanden worden gekapt voor de realisatie van Zuiderhage. Maar gezien de relatief beperkte omvang hiervan wordt ook dit niet beoordeeld als een aanzienlijk effect.

Ook voor de gehele ontwikkeling van Zuiderhage geldt dat de Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘Oostvaardersplassen’ op voldoende afstand liggen om effecten als gevolg van trillingen, geluid en optische verstoring te kunnen uitsluiten. Toch kunnen significante effecten op Natura 2000 en daarmee aanzienlijke effecten als gevolg van de ontwikkeling van geheel Zuiderhage niet worden uitgesloten. Dit betreft: • Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige Natura 2000gebieden als gevolg van de aanlegfase. Het totale aantal te realiseren woningen met bijbehorende infrastructuur, voorzieningen en bedrijvigheid in heel Zuiderhage is aanzienlijk groter dan alleen fase 1 (maximaal 2.400 woningen versus maximaal 16.000 woningen). Daarmee zijn ook de werkzaamheden tijdens de aanlegfase aanzienlijk groter (hoewel dit dan wel verspreid zal zijn over een langere periode en de mogelijkheden om elektrisch materieel in te zetten bij de aanleg zullen naar verwachting in de toekomst toenemen). • Significante effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige Natura 2000gebieden als gevolg van de gebruiksfase. Zoals beschreven in paragraaf 3.2 is de toename van verkeer tijdens de gebruiksfase voor heel Zuiderhage aanzienlijk groter dan alleen voor fase 1.

• Significante effecten als gevolg van ruimtebeslag op agrarische percelen die als essentieel foerageergebied kunnen dienen voor de blauwe kiekendief. Dit ruimtebeslag is als gevolg van de ontwikkeling van geheel Zuiderhage aanzienlijk groter dan bij alleen de realisering van fase 1. Bovendien wordt een deel van de benodigde percelen voor fase 2 en 3 nu eerst tijdelijk ingezet voor de mitigatieopgave van fase 1 door deze in te richten als optimaal foerageergebied voor de blauwe kiekendief. Voor fase 2 en 3 van Zuiderhage moet nog worden verkend wat de mitigatiemogelijkheden aan de zuidoostkant van de A6 zijn (bijvoorbeeld vogelakkers, akkerranden en 39

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

specifieke gewassen) en of er nog andere (tijdelijke) mogelijkheden in Zuiderhage zelf mogelijk zijn. Het doel is om uiteindelijk toe te werken naar een meer integrale, permanente oplossing die voor kiekendieven beter functioneert.

3.15

Cultuurhistorie

3.15.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect cultuurhistorie voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.10 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan (archeologie en cultuurhistorie). Lelystad is bedacht, ontworpen en gebouwd met een visie: een nieuwe samenleving op nieuw land. Met de drooglegging van Oostelijk Flevoland in 1957 begon een nieuw hoofdstuk. Een werkeiland dat midden in het IJsselmeer is aangelegd en dat nu nog steeds goed herkenbaar is, was het geïsoleerde onderkomen voor de arbeiders die aan de dijken, het gemaal en de sluis werkten. Lelystad werd ontworpen als een moderne stad, een ‘New Town’, met ruimte, licht en lucht als leidende principes. De stedenbouwkundige structuur, de eerste woonwijken en het Lelycentre, maar bijvoorbeeld ook de fietsbruggen, weerspiegelen de idealen van de wederopbouw en het vooruitgangsdenken van die tijd. In de decennia die volgden ontwikkelde Lelystad zich verder, met een sterke nadruk op experiment en vernieuwing. De wijken zijn niet hetzelfde. Ze zijn elk gevormd door hun tijd; een weergave van de concepten en visies op architectuur, stedenbouw en de samenleving in verschillende perioden. Maar ook van beleid, politiek en financiën. Met wat nu de Post-65 architectuur heet zochten architecten naar meer expressie, identiteit en menselijke maat.

Lelystad heeft in het buitengebied landschappelijke kwaliteit. Cultuurhistorische Monumenten Het Station Lelystad Centrum staat op het punt aangewezen te worden als gebouwd rijksmonument. Daarnaast heeft Lelystad gemeentelijke monumenten op het Werkeiland Lelystad-haven en is het gebouw De Kubus aangewezen als gemeentelijk monument. Deze monumenten worden niet beïnvloedt door het voornemen. Cultuurhistorische objecten Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn in het plangebied van fase 1. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Beoordeling aanzienlijke milieueffecten Door de ontwikkeling van fase 1 worden geen cultuurhistorische monumenten of cultuurhistorische objecten aangetast. Aanzienlijke effecten op cultuurhistorische waarden kunnen worden uitgesloten.

3.15.2

Gehele ontwikkeling

Ook bij de ontwikkeling van Zuiderhage als geheel wordt geen aantasting van cultuurhistorische monumenten of cultuurhistorische objecten verwacht. Aanzienlijke effecten op cultuurhistorische waarden kunnen worden uitgesloten.

40

Onze referentie: 2NVA33SNCV56-1460143128-66:1.0 - Datum: 20 februari 2026 - Public

3.16

Archeologie

3.16.1

Fase 1

Motivering van de wijziging van het omgevingsplan met uitgevoerd onderzoek Het aspect archeologie voor fase 1 is getoetst in paragraaf 6.10 van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan (archeologie en cultuurhistorie). Onder de klei van de polder liggen sporen van prehistorische jagers en verzamelaars, stille getuigen van menselijke aanwezigheid in een landschap dat toen nog uit moerassen en rivieren bestond. Deze archeologische vondsten – van vuurstenen werktuigen tot resten van nederzettingen – vormen het oudste hoofdstuk van Lelystads erfgoed en verbinden de stad met een tijd waarin Nederland nog niet bestond. Een tweede, uniek aspect van Lelystads erfgoed ligt letterlijk op de bodem van de voormalige Zuiderzee: scheepswrakken. Tientallen schepen, van middeleeuwse koggen tot 18e-eeuwse vrachtschepen, rusten in de poldergrond. Lelystad kent momenteel twee archeologische rijksmonumenten: een scheepswrak in het IJsselmeer en een prehistorische akker. Beide bekende archeologische waarden worden door het planvoornemen niet geraakt. In het plangebied is de aanwezigheid van een scheepswrak (nummer 46, aanduiding AMK 20G-010) vastgesteld. Dit wrak ligt in de rand van het bosgebied aan de Larserdreef en wordt omgeven door een zone van 15 m breed, waarin geen werken mogen worden uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=8aefe93e-fab8-41c6-9e23-6a6f174c3ae3